zondag 23 december 2018

Irun Scheifes -- 24 december 1994

Irun Scheifes (1957) is een Nederlandse schrijver. Het fragment hieronder is afkomstig uit Manisch dagboek, waarvan gedeeltes in de DBNL zijn terug te vinden.

Nijmegen, 24 december 1994 / 23:20
‘Nee... nadenken moet je al helemaal niet,’ zegt ze.
Ik kijk haar aan, mijn zwarte Aia, mijn Godin van de Dingen. Ze wurmt haar vinger in het mondje van het mormel en trekt de lippen van de tepel. Ik probeer haar in dat ene moment te doorgronden, maar stuit op haar onwil. Aia wil niet doorgrond worden. Ze wil mijn eeuwige geheim zijn, mijn onbereikbare liefde.
‘Ik wil een bed,’ zegt ze.
‘Ik ook,’ zeg ik.
‘Niet het mijne,’ zegt ze beslist.
Ik haal mijn schouders op.
Ze hijst zich overeind, het kind kussend, het sussend.
‘Het is zo'n mooi manneke,’ zeg ik. Ik strek mijn armen.
Ze legt mijn zoon in mijn handen.
Als een weerloos offer ligt hij daar.
‘Ik leg hem in bed,’ zeg ik.
‘Doe dat,’ zegt ze.
Ik loop naar de slaapkamer en spreid hem uit. Gewillig laat hij zich leggen, maar als hij eenmaal ligt, beginnen zijn spieren zich te spannen. Hij drukt zich omhoog, zijn koppie verkent de omgeving. Als het tot hem doordringt dat dit landschap de komende uren zijn verblijfplaats zal zijn, schraapt hij zijn keel en langzaam vormt zich het protest.
Aia komt de slaapkamer binnen en bijna zonder aanraking glijdt ze langs me heen. Ik buig me over Mite en fluister kusgeluidjes. Het jong is niet onder de indruk. Zijn snikken overstemmen mijn klikken. Ik beur me op, kijk naar Aia. Ze heeft haar kleren van zich losgemaakt.
Haar blote huid lacht me toe.
‘Mijn God,’ klinkt het in me.
Ik zie hoe ze haar slaaphemd over zich heenwerpt. In vertraging zie ik de onderste zoom over haar borsten en buik glijden.
Zonder zich iets aan te trekken van mijn blik legt ze zich in bed en zegt: ‘Als hij zo huilt heeft hij honger. Geef hem nog maar even.’
Ik buig me over het bedje en hef Mite op, hij houdt meteen op met huilen. Ik organiseer een reis voor hem. Van bed naar bed. Aia ligt te stralen, Mites lach vliegt door de ruimte.
Ze tilt het hemd op, offreert Mite de harde tepel. Hoofdschuddend verwijdert hij zich van mij. Op zoek naar de bron.
Ik buig me voorover en kus Aia op haar brede lippen.
‘Je prikt,’ zegt ze.
Ik knik, zeg: ‘Ik moet een bed.’
‘Ik lig in bed.’
‘Ik mag daar niet bij.’
‘Nee. Jouw bed is ergens anders.’
Ik knik.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten