zondag 20 december 2015

Adriana Modoo -- 21 december 1942

• Adriana Modoo (1902-?) was in 1942 onderwijzeres in Djokjakarta. Net als alle andere Nederlanders werd ze na de Japanse bezetting geïnterneerd in een kamp. Van de jaren in het kamp hield ze een dagboek bij, waaruit fragmenten zijn opgenomen in De Japanse bezetting in dagboeken. Vrouwenkamp Ambarawa.

21 december 1942
Het zal er inderdaad van komen: vandaag hebben vele vrouwen (volbloed Hollandse) een oproep gekregen om woensdag [23 december 1942] op het kantoor van de Nipponse bestuursinstanties te komen. Ik behoor ook tot de uitverkorenen. Dan zullen we dus vernemen, waarheen we getransporteerd zullen worden. Vrouwen, waarvan de man nog thuis is, hebben geen oproep ontvangen.

22 december 1942
Vandaag hebben de overige totokvrouwen dezelfde oproep gekregen voor aanstaande donderdag.

30 december 1942
Hier zitten we nu in 'het kamp', 80 kilometer van Djokja, 40 kilometer van Magalang en even ver van Semarang. Ut zal zo regelmatig mogelijk vertellen hoe alles gegaan is. Verleden week woensdag verzamelden de circa 100 dames van de eerste groep zich in de hal van het Nippons Gouvernementsgebouw. Op de bepaalde tijd moesten we naar binnen, waar we één voor één opgeroepen en van een genummerd lapje voorzien werden, waarmee we ons naar een van stoelen voorzien zaaltje moesten begeven. Hier ontvingen we een stel gewichtig uitziende formulieren. Toen allen binnen waren, kwamen er enige Nippon en Javanen binnen. De Nippon beklommen het podium. Wij moesten allemaal opstaan en een buiging maken, die door de heren plechtig beantwoord werd waarop de hele vergadering ging zitten, op één Nip na. Dezelfde bij wie ik eind augustus [1942] op bezoek geweest ben om te solliciteren. Deze hield een zeer schone redevoering in de Japanse taal, waarvan we natuurlijk geen syllabe verstonden.
Eén der Javanen, die in Boven-Digoel geïnterneerd geweest is, in Holland gestudeerd heeft voor advocaat en dus uitstékend Hollands kent, deed daarna hetzelfde verhaal in het (Hoog)Maleis, wat de zaak uiteraard slechts weinig duidelijker maakte. Wel verstonden we, dat we naar een plaats in de residentie Semarang gebracht zouden worden. Tenslotte verscheen de Hollandssprekende Nip op het toneel, die zich bereid verklaarde allerlei vragen van ons te beantwoorden. Toen weer een buiging en naar huis.
Nou, dat was woensdagochtend en donderdagochtend om half 7 moest onze grote bagage aan de trein zijn. Op zaterdagochtend moesten we zelf vertrekken. De omvang van de toegestane bagage stond in verband met de grootte van het gezin en bestond voor ons uit: een kast, een buffetje, twee bedden, twee koffers, twee emmers. Zaterdags konden we als handbagage meenemen wat we zelf konden dragen. [...]
't Is te begrijpen, dat er van slapen die nacht niets kwam. We hadden er eenvoudig geen tijd voor: de ledikanten waren namelijk al uit elkaar genomen en verpakt, de klamboes in de kast gestopt, in gezelschap van zoveel mogelijk boeken. We hebben nog wel een paar uur op de grond op onze matrassen gelegen, maar van slapen kwam niets. Daar zorgden de muskieten wel voor! Om 5 uur kwamen de bedienden (sinds ik weer wat verdiende, werkte de zoon van koki [de kokkin] ook bij ons, dat vond ik een veiliger idee als ik van huis moest) weer binnen. En toen 't daglicht verscheen, stond alles klaar om naar 't station gebracht te worden. Mijn spiegelkast ging zo maar mee, oningepakt, terwijl anderen hun kasten helemaal met matten hadden omwikkeld, dus ik hield mijn hart vast voor de spiegel, maar hij is heelhuids overgekomen. Het gekke was dat ze ons maar steeds niet wilden zeggen waar we heen gingen, ze zeiden alleen: naar een plaats met een koel klimaat. De naam Ambarawa deed echter hardnekkig de ronde.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen