donderdag 15 november 2018

Jan Wolkers -- 16 november 1972

Jan Wolkers (1925-2007) was een Nederlandse schrijver en kunstenaar. De dagboeken die hij in de jaren '70 bijhield zijn vrijwel allemaal uitgegeven.

DINSDAG 14 NOVEMBER 1972
Schrijf 's ochtends 'De Verboden Vrucht' af. Als ik het 's avonds uittik zijn het vier pagina's geworden.
's Avonds komt Theun de Winter. Maak sole cardinale met krab en grote garnalen en toe een gemeen groen gelatinepuddinkje met Haagse bluf. Sla de bluf waar Theun bij is want die maakt ondertussen eert interview voor zijn rubriek 'Human Interest' in de Haagse Post.

DONDERDAG 16 NOVEMBER 1972
Donkergrijs weer. De meidoornboompjes zijn warrige dotten dikker grijs. Op de school zijn de lichten nog aan.
Wandelen in het bos. Zien veel eekhoorntjes tussen de afgewaaide takken. Na het bos even naar Ahrend voor een smalle boekenkast, een tekeningenkast en een zogenaamd zitmeubel.
Om vier uur achter schrijfmachine. Trek me eerst nog even af. Fantaseer dat Karina door het monstertje, dat kleine perverse hoertje uit de Utrechtsestraat, wordt gegrepen. Als ik klaarkom is het dat andere hoertje dat in mijn mond spuugt. Werk erna lekker. De adrenaline is zeker weer behoorlijk toegevoerd. Schrijf een groot stuk van 'Het Niet Zijn'.
Om tien uur, voordat ik Karina roep om naar 'Het Gat van Nederland' op de vpro te kijken, vind ik bij de buizen in hei kastje opzij van het fonteintje een pak papieren. Daar vind ik eindelijk de Roos in die mijn broer vanuit Frankrijk in 1944 naar ons stuurde. Ik heb me er rot naar gezocht voor Werkkleding, maar kon hem toen niet vinden, wat me erg speet. Verder zit er in het pak: scheidingspapieren Maria, brieven Annemarie vanuit Parijs enz.

woensdag 14 november 2018

Pieter van der Meer de Walcheren -- 15 november 1907

Pieter van der Meer de Walcheren (1880-1970) was een Nederlandse dichter-schrijver. Zijn veelgelezen dagboeken zijn in verschillende delen uitgegeven.

15 November 1907
Christine, de jongen en ik maakten in den middag een kleine wandeling over den heuvel bij onze woning. Het was dofgrijs weer. Troosteloos. Waarom bewoont mij de diepe weemoed, mij die het gedroomd geluk van liefde bezit? - Samen waren wij gisteren bij den ouden man en alles was gewoon, gewoon. We spraken met zijn vrouw, met hem, met zijn zoon, over onverschillige onderwerpen, wij lachten, we redeneerden en zaten genoeglijk rond de gedekte tafel. Telkens zag ik mij weer in diezelfde kamer, luisterend naar het verhaal van zijn leven. Ik had lust om te schateren, om te schreeuwen, om te snikken, maar ik deed dat niet, ik praatte rustig, en dronk af en toe een glas uitmuntenden wijn. Ik vond het leven komisch.

dinsdag 13 november 2018

Omer Karel De Laey -- 14 november 1903

Omer Karel De Laey (1876-1909) was een Vlaamse literator. In 1903 hield hij een dagboek bij tijdens een reis door Italië.

Firenze, 14 November.
't Is Zaterdag avond en, op de bergen, over den Arno, binglen de klokken, met hun zingende stemmen, om ter luidst, lijk de straatjongens, die gazetten roepen, door de Via Calzaioli. Langs de rivier, staan al de vensters rood in licht, omhooge, tot op de zolders en, omleege, tot diep in den groengrauwen waterspiegel. Door de portiek, op het einde der Uffiziegalerie, kijkt de toren van het palazzo Vecchio uit, rilde lijk de mast van een schuite. Met een beetje inbeelding erbij en het Firenze van Dante's tijd rijst op, tusschen deze dikgebulte marmerblokken. Ik kom terug, voor de tweede maal, uit het Uffizi-museum en alhoewel links of rechts aangetrokken, door honderden ander merkweerdigheden, keer ik immer naar dezelfde zaal, bij Boticelli's en Fra Lippi's O.L. Vrouwen. Deze twee meesters namen van de oudheid juist zooveel, als ik er van zou wenschen. Alhoewel met den vorm der ideaalste schoonheid versmolten hebben zij hun innige pietas bewaard en, Boticelli's Venus blijft een christene Maagd. Sanzio bezit de eerste hoedanighied reeds in minder mate en Tiziano is dweersch door een heiden. Fra Angelico's coloriet heeft iets buitengewoons, maar zijn stijve, strenge, niet voorname figuren bevallen mij min. Gisteren heb ik de Accademia delle belle arti bezocht en daar, in donker en koude gebouwen, al de voorloopers van Fra Lippi overzien. Deze groote Oostersche figuren staan mij niet aan: zij verwekken eerder een gevoel van benauwdheid dan van poesia. In de heerlijke galerie Pitti bewonderde ik boven alles de Judith van Cristofano Allori, zoowel om teekening als om kleur, want nooit zag men een oranje-geel kleed dat met meer zachtheid over groen, wit, blauw en bruin een harmonische wemeling goot. Nergens beter dan in Firenze, straalt het verschil door, tusschen kunst en virtuositeit. Er zijn vroegere en hedendaagsche Italiaansche beeldhouwers, die, in ten uiterst gedreven beweging, de ouden overtreffen. Maar zij hebben slechts dit bovenmenschelijk geweld, dat één der bestanddeelen van het schoone uitmaakt, ontwikkeld en de ander hierdoor verwaarloosd en zij vallen alzoo, buiten het eeuwig noodzakelijk evenwicht. Nochtans, van de zoogezegde rustige schoonheid der Mediceische Venus of van den waterachtigen Apollo uit de Tribuna, begrijp ik niets. De grieksche Slijper, in deze zaal, bevredigt mij veel meer, omdat hij, nedergehukt met zijn realistischen kop omhooge, zijn gruwelijk mes, zoodanig over den steen wrijft, dat een snijdende zindering u door het lijf loopt.

Julien Green -- 13 november 1970

Julien Green (1900-1998) was een Amerikaans-Franse, religieus ingestelde schrijver. Uit zijn zorgvuldig geformuleerde dagboeknotities komt hij naar voren als een gewetensvolle denker en zoeker. Fragmenten uit zijn dagboeken zijn door Greetje van den Bergh vertaald als Journaal 1946-1976.
Charles de Gaulle (1890-1970) heeft als premier en president zeer veel voor Frankrijk betekend.

13 november 1970
Gisteren heeft het hele land geweeklaagd. Frankrijk is onder zijn paraplu, met een bloemetje in de hand, de Gaulle gaan zeggen dat het van hem hield. Een beetje laat, deze opwelling van genegenheid, maar daarom niet minder ontroerend. Het trieste referendum heeft het einde van de oude man verhaast, vrees ik; men had hem in het Elysée kunnen laten tot de dood hem namens God was komen halen, maar de massa is ondankbaar, al komt zij soms weer tot bezinning, zoals gisteren. In Londen legde de Gaulle in juni 1940 aan iemand uit dat de oorlog was afgelopen en dat Duitsland die bij voorbaat verloren had, dat het zich op de Russische kolos zou storten en daardoor vermorzeld zou worden, dat Amerika zich aan de zijde van Engeland zou scharen. 'De Duitsers zullen hier nooit komen,' zei hij met de zekerheid van een gek die eigenlijk een profeet was, 'anders hadden ze er al moeten zijn.' Het was in een kleine kamer met vurehouten meubels. Toen zijn gesprekspartner zei: 'Wij zijn het Franse leger', verbeterde hij hem: 'Wij zijn Frankrijk.' Gij allen die strijd tegen de persoonlijkheid en alleen nog maar robots wil – wat zou er van de Franse natie geworden zijn zonder deze unieke eenling ?



zaterdag 10 november 2018

Rutger Kopland -- 12 november 1996

Rutger Kopland (1934-2012) was een Nederlandse dichter en hoogleraar. In 1996 gaf hij na zijn emeritaat colleges over poëzie in enige Oost-Europese landen. Hij hield over die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jonge sla in het Oosten. Het onderstaande fragment beschrijft de tweede dag in het Poolse Wroclaw.

12 november 1996
[...] Terug naar de collegezaal, waar Anton [Korteweg] een verhaal vertelt over Nederlandse gedichten die een verhaal vertellen over Nederlandse schilderijen. Nederlandser kan het niet en het is steeds weer een aangename ervaring om te merken dat dat allemaal in het Nederlands kan, omdat men daar Nederlands verstaat en spreekt. Het is interessant. Er is een groot boek van Gisbert Kranz — Das Bildgedicht - waarin veertigduizend beeldgedichten uit de hele wereld zijn verzameld. Daarvan komen er dan toch maar weer duizend uit Nederland, terwijl je op een globe Nederland met een vergrootglas moet opzoeken. Nee, we zijn niet zo klein.
Waarom schrijven dichters over schilderijen. Ze willen begrijpen welk verhaal een schilderij vertelt. Maar het aardige is dat verschillende dichters verschillende verhalen ontdekken. Dat demonstreert Anton mooi bij de vergelijking tussen de gedichten van Anna Enquist en mijzelf over hetzelfde schilderij 'Jagers in de sneeuw'van Pieter Bruegel. Bij Anna wil een jager, ik neem aan één van de jagers die huiswaarts keren, niet naar huis. 'Hij haat het huis waarin hij woont en veilig is.' Hij is in de eerste regels van het gedicht even in 'een licht geworden paradijs' geweest, waar hij alles wat hij achterliet vergat. 'Geen schuld, geen spijt.' Hij heeft iets in het verleden te verdringen zegt Anton. Het lijkt een antwoord van de psychiater in Enquist (de psychoanalytica Widlund) aan de psychiater in Kopland (de biologisch psychiater Van den Hoofdakker). Kopland schrijft dat de jagers wel naar huis terug willen, maar ze kunnen niet, het gaat 'bijna zo langzaam als stilstand'. Er blijft alleen een verlangen. Er is een vogel in de hemel geschilderd, die naar beneden duikt, naar 'het leven daar beneden, naar de boerderijen met wachtende vrouwen'. Maar de vogel 'lacht om zijn doel'. In plaats an het verleden te haten, verlangen de jagers daarnaar terug. Een ijdel verlangen. Nou, inderdaad, daar zou ik nog wel eens met Anna over willen praten.
[...]

Walter Kempowski u.a. -- 11 november 1989

• Na de dood van schrijver Walter Kempowski werd een manuscript voor het boek Whispering. Ein kollektives Tagebuch von 1989* gevonden, waarin dagboekfragmenten van verschillende min of meer bekende Duitsers een beeld moesten gaan schetsen van de bewogen dagen na de val van de Berlijnse muur (9 november 1989). Hieronder een aantal dagboekfragmenten van 10 november.

Over de auteurs.

Hanns-Christian Catenhusen, NVA Ost-Berlin
Schnellausbildung MPi (vorgezogen) für evtl. Ernstfall; mittags Alarm abgeblasen – ein Glück.

Margarete Hannsmann, Stuttgart
11. November. Händedrücken, Small talk im Entree, auf den Treppen, im glitzernden Marmorsaal unter den Kronleuchtern. Das war gestern früh, 10. November. Kein Wort, von niemand, keine Andeutung, was die Stunde geschlagen hat, was eben, soeben in Deutschland geschieht: Hatte denn keiner Radio angemacht heute früh? Keiner einen Anruf erhalten? Haben alle damit zu tun gehabt, sich für das gesellschaftliche Ereignis zu präparieren wie ich? Verschwieg man mit Rücksicht auf die Feier die regionale Stunde an Schillers Geburtstag? ...
Mein Tischherr war der ehemalige Direktor des Marbacher Literaturarchivs, Landsleute sind wir, ...hatte auch er kein Radio gehört in der Früh? Auch später, beim Verabschieden reihum, beim Gang zu den Autos, sagten alle nur, wie gut dieser Tag gelungen sei. Als ich Zeitungen kaufte, erfuhr ich immer noch nichts, denn die Zeitungen waren am Vorabend gedruckt worden, nicht in der Nacht.
Dann wird es wieder Nacht: was ists, das mich treibt, um 18 Uhr den Fernseher einzuschalten, gegen jede Gewohnheit? Nach und nach begreife ich, was sich da herausschälen läßt aus den rasch wechselnden Bildern: die Nacht zum 9. November (...) ist ein historisches Datum geworden. Wo war ich? Wo warst du, Adam? Die Grenze ist offen.
Die Grenze zwischen Deutschland und Deutschland. Der Eiserne Vorhang, die Mauer. Mauer. Die Mauer. Berlin. Ich sehe, jetzt seh ich die Menschen gehen, fahren, strömen, nach Westen. Auch durchs Brandenburger Tor. Und plötzlich steht Willy Brandt vor dem Mikrofon unterm Nachthimmel und spricht. Weiteratmen. Der gegenwärtige Regierende Bürgermeister von Berlin spricht.
Dann erst, nach Genscher, erscheint das Gesicht des Bundeskanzlers, also geschieht alles jetzt, diesen Augenblick, live, Kohl muß seinen Polenbesuch abgebrochen haben, sonst könnte - da steht Johannes unter der offenen Tür, starrt sekundenlang auf die Mattscheibe, sagt: kommst du zum Vorlesen um halb acht? Ja, sage ich. Also ist seine Klausur beendet. Ich beuge mich dem Ritual, das ist Teil meines Wesens. Neue Gedichte, ein neuer Essay sind geboren. Es ist unmöglich zu sagen: die Mauer. Johannes, die Mauer, die Mauer. Brüsk wendet er sich von der flimmernden Störung.
Dann gerate ich in die Gleichzeitigkeit der Ereignisse, die waren, sind, widergespiegelt werden. Noch bleibt eine Stunde, ich kann weiter in die erleuchtete Nacht von Berlin starren, wo die wechselnden Gesichter der Aberhunderttausend sich dem Podium zuwenden, bis der Kanzler mit seinen Tiraden beginnt. Am Ende stimmt einer die dritte Strophe des Deutschlandlieds an, Kohl selbst, wer von den Herren? Kläglicher hörte ich die Hymne nie. Hatte jemand erwartet, die Menge würde brausend einfallen? Anfängliches Pfeifen, Buhen schwillt an zu einem Gegenkonzert, die Kamera, noch auf des Kanzlers Gesicht konzentriert, läßt einen unerwünschten Augenblick lang Wahrheit, Verwunderung darin aufscheinen. Irritation.
Dann macht sie einen barmherzigen Schwenk über DDR-Fahnen, Transparente, auf Menschen, die anfangen, wegzulaufen. Wechsel zu anderen Schauplätzen in Berlin, mauerentlang, Menschen steigen hinüber, herüber, Menschen tanzen auf der Mauer, Menschen schlagen mit Hammer, Meißel, Pickel in den Beton, lachen, weinen, liegen sich in den Armen, Sekt sprüht über die Wartburgs, Trabants, ein Film, der alle Filme sprengt, der wahr ist, geschieht, seine Helden das Volk, die Kamera holt Gesicht um Gesicht aus dem Gebrodel, und diese Gesichter zerreißen mich, vor Glück, vor Schreck, keine Träne jetzt, wär ich frei, ich weinte, heulte, stundenlang. Was ich vierzig Jahre zurückhielt, nähme jetzt seinen Lauf. Sofort ins obere Stockwerk. Valium. Auch Lexotanil.

Horst Teltschik, Bonn
8.40 Uhr. "Lage" beim Bundeskanzler. Mit dieser morgendlichen Besprechung der engsten Mitarbeiter beginnen viele Arbeitstage im Kanzleramt. Ich kann mich allerdings nicht daran erinnern, wann dieses Küchenkabinett zuletzt an einem Samstag getagt hat.
Helmut Kohl sitzt schon hinter seinem Schreibtisch; so empfängt er uns meistens. Sein Arbeitstag beginnt oft schon um sieben Uhr. Er nutzt die morgendliche Ruhe, um Akten zu lesen und erste Telefonate zu führen, selbst wenn die Gesprächspartner nur zu Hause zu erreichen sind. Auch heute trägt er seine schwarze Strickjacke und weiße Gesundheitssandalen; vor ihm stapeln sich, säuberlich geschichtet, die Papiere.

Christoph Hein, Ost-Berlin
Ein junges Mädchen besucht mich, das bei den brutalen Übergriffen der staatlichen Sicherheitskräfte (Polizei und Staatssicherheit) zwischen dem 7. und 9. Oktober besonders empörenden Erniedrigungen ausgesetzt war. Sie will das Land für immer verlassen. Ich versuche, sie zu überreden, jetzt nicht mehr zu gehen, und ich verspreche ihr meine Hilfe. Auf der Treppe gibt sie mir die Hand. Ich werde es mir überlegen, sagt sie, seien Sie mir nicht böse, wenn ich trotzdem gehe. Ich werde nicht böse sein, aber traurig, sage ich.

Peter Rühmkorf, Hamburg
Oi, jetzt geht's aber los: BILD, Butter und Kreditbriefe wandeln in den Landesfarben - die räuberische Aneignung unserer nationalen Symbole durch Private. BILD: "DIE MAUER - DIE TOTEN: 13. August 1961 - 9. November 1989". Die die meisten Leichen im Keller haben, schreiben die ergreifendsten Nekrologe. Hyänen halten die Totenwache. Es gibt eine Grenze, wo der Patriotismus aufhört und das Horst-Wessel-Lied beginnt: "Kameraden, die Rotfront und Reaktion erschossen ..."
Die Deutschen? Schwer zu beschreiben.
Von sich selber ausgehen kann man vermutlich nicht mehr.

Thomas Rosenlöcher, Dresden
Nachdem Dornröschen wachgeküßt wurde, erwachten die Majestäten und der "... ganze Hofstaat und sahen einander mit großen Augen an. Und die Pferde im Hof standen auf und rüttelten sich; die Jagdhunde sprangen und wedelten; die Tauben auf dem Dache zogen das Köpfchen unterm Flügel hervor, sahen umher und flogen ins Feld ..." und selbst die Fliegen an den Wänden wunderten sich, warum sie so lange geschlafen hatten.

Dieter Wellershoff, Köln
Das Stichwort der Stunde lautet: "Wahnsinn", was heißen soll, dass sich niemand das Ereignis der Maueröffnung hat vorstellen können, weder in der DDR noch in der Bundesrepublik. Es lag außerhalb der Phantasie.

Hans Arnfrid Astel, Wahnsinn
"Wahnsinn", rufen die Irren/bei Verlassen ihrer Anstalt.

Jürgen Lodemann
An den Kultur-Chef im Sender
Hier hab ich für Sie eine schöne trouvaille. Aus dem mitunter gut chaotischen Vorrat des Christhart Burgmann im WDR wühlte sich dieser Film über Urphänomene in Griechenland hervor. Die Produktion "Berühmter Orpheus" geht nicht nur dem Originalmythos nach, sondern überhaupt dem, was archaisch am Anfang geschah. Ausgehend von einem antiken Ort, unterhalb des Olymp, der noch heute seinen alten Namen trägt und wo der Orpheus-Mythos bis in Topographische genau zu rekonstruieren war, überrascht dieser Film mit denkwürdigen Antworten. Und dem schönen klassischen Land ist ein spröder schweizerischer Forscher kontrastriert, vor einer tristen Bücherwand, der freilich die optische Tristesse bestens ersetzt durch das, was er zu sagen hat. Freundlich empfiehlt dies Ihr

Ingrid Bachér, Berlin
In Unruhe und euphorischer Freude nahm ich früh am Morgen den Zug nach Berlin. Er kam schon vollbesetzt an, und die meiste Zeit stand ich oder saß auf meinem Koffer, den ich hochkant gestellt hatte. In den Gängen war ein solches Gedränge, daß es schwierig gewesen wäre weiterzugehen, auch waren alle Waggons in gleicher Weise überfüllt. Aber diese Enge, diese Nähe fremder Menschen machte niemanden ungeduldig, ja, sie amüsierte uns, so unbequem sie auch war, waren wir doch auf dem Weg dorthin wo das Unerhörte gerade stattfand.
Zwei junge Reisende neben mir kamen aus Paris. Sie hatten kein Flugticket mehr bekommen und den Zug genommen, weil sie unbedingt in Berlin dabei sein wollten. Am Bahnhof Berliner Zoo holte mich mein Sohn ab. Ob ich müde sei? Ich lachte nur, hatte es eilig zur Mauer zu kommen.
Endlich standen wir beide am Brandenburger Tor. Die Mauer vor dem Tor ist niedriger als sonst in der Stadt. Wer groß war und sich reckte, konnte mit der Hand hinauflangen. Auf der Mauer standen Volkspolizisten. Unten zog eine Menschenmenge in Festlaune vorbei, Kinder wurden hochgehoben. Da seht ihr! Die Vopos winkten zurück, selber überrascht. Scherzworte wurden hinaufgerufen, Geschenke hinaufgereicht. - In diesem Augenblick rief plötzlich ein alter Mann in die hektische Freudenstimmung hinein: MÖRDER! Danach ging er langsam weiter und wiederholte immer wieder nur das eine Wort: MÖRDER! Ich folgte ihm und wollte ihn ansprechen, ein hilfloser Versuch und doch dringend. Doch fand ich keine Worte und blieb zurück.
Später gingen wir am Kanal entlang, sahen zwanzig weiße Gedenktafeln mit den Namen der hier Getöteten. Die letzte Inschrift war erst wenige Wochen alt.

Walter Kempowski, Hamburg Hauptbahnhof
Hamburg Hauptbahnhof. – Als ich gestern grade nach Hause gekommen war und einen Löffel Suppe gegessen hatte, klingelte Robert an. Hildegard bat ihn, eine halbe Stunde später nochmals anzurufen, da ich gerade äße. Bums, da war er beleidigt. In diesem "Einschnappen" kulminiert natürlich das seit Jahren angestaute Unbehagen vor der Rolle, die er, angesichts meiner Bücher, anzunehmen sich gezwungen sieht. Ich bin also der Verursacher, das ist klar. Andererseits sind die Vorteile, die er aus dieser hervorgehobenen Stellung für sich ableiten kann, ja geradezu Leben qualifizierend. Kummervoll die ganze Sache, ich kann es leider nicht ändern.
Habe mich entschlossen, nach Hamburg zu fahren zur Ankunft des Zuges aus Rostock. Hildegard merkte meine Unruhe und sagte: "Fahr mal hin!"
Renate rief aus Berlin an, sie hat die Tage dort "voll" miterlebt, sie war die ganze Zeit dabei. Am ersten Tag sei es am schönsten gewesen, gestern seien sie schon alle besoffen gewesen. Die ganze Stadt sei von Trabis überschwemmt, überall ständen sie herum. Telefonzellen - "Hier wählen Sie ohne Münzen!" - würden gestürmt, weil die "Zonis" dächten, dort sei es umsonst.
Auf der Herfahrt bereits - kurz nach Bockel - der erste Trabi. Er wird angeblinkt. Hier in Hamburg bei herrlichem Sonnenschein noch nichts los. Ich nehme an, daß es auf dem Hauptbahnhof ziemlich voll sein wird. Vor den Porno-Kinos stünden sie in Trauben, wird gesagt.
Der Zug lief ein, verhaltener Jubel aus den offenen Fenstern. Einzelne mit viel Gepäck, das waren wohl Leute, die dem Frieden da drüben nicht so recht trauen, die hier bleiben wollen.
"Das ist hochinteressant!" sagt ein Herr. / Ich half einer zugeknöpften Ostfrau den Kinderwagen hochtragen. Sie hatte etwas Verbissenes, Primitives an sich. Vielleicht ein andersrumener Flüchtling? Wurde ihr der Boden zu heiß? / Ich entschließe mich, nach Lübeck zu fahren. Steige in einen übervollen Zug. / In Hamburg verliefen sich die Leute ziemlich, die meisten wurden erwartet. Als einzelner, älterer Herr hat man es schwer, hilfreich zu sein. Es sind oft auch Pärchen, die sich ihrer Seligkeit hingeben wollen.
Nun fahre ich nach Lübeck. Will mal dort nach dem Rechten sehen. Im Zugabteil den alten Apotheker Ahrens von der Brunnengräber-Apotheke in Rostock getroffen. Die Reisenden, überwiegend Ossis, die von einer Westrentnerreise zurückkommen, sind ziemlich zurückhaltend, da kommt kein Gespräch in Gang. Von gemeinsamem Singen kann hier keine Rede sein. Thermoskannen und belegte Brötchen, Schweigen, nur ab und zu ein halblautes Wort. Es sind eben Norddeutsche, das muß man verstehen. - "Man kann nie wissen", nach dieser Devise schweigen sie.
In Lübeck fuhr ich mit einem Taxi zur Grenze. Kein Durchkommen, ein Trabi nach dem anderen, alle hupend und blinkend, und auf dem schmalen Gehweg Fußmarschierer. Der Fahrer, der schon von Anfang unwillig war, gab schließlich auf und fuhr mich durch Schrebergärten wieder in die Stadt zurück. Wie freundliche die Landsleute überall begrüßt wurden! "Kaffee für unsere Landsleute umsonst!" stand zu lesen, Verbrüderungen, Tränen. Überall in der Stadt standen sie herum - wie eine Invasion des eigenen Ameisenhaufens durch fremde Ameisen. Durch die Fußgängerzone schoben sich die Ossis in Achterreihen, was kost' die Welt ... Ein Westherr verteilte Fünfmarkstücke an sie, das war etwas sonderbar. Ich kann daran allerdings nichts Anstößiges finden.
Ich ging aus Dankbarkeitsgründen schließlich in den Dom, der in seiner Renoviertheit gelassen und stumm dalag und in dem kein einziger Mensch zu sehen war, und danach in die Marienkirche, in der eine kleinere Gruppe von Zonis sich umschaute (offenbar sogenannte Gebildete). Ein Bedürfnis zu stillem Gebet bestand nicht. Auch die Orgel wurde nicht traktiert, das wäre vielleicht angebracht gewesen. Dafür traf ich Erenz mit einigen Herrschaften der öffentlichen Meinung, die sich arg zurückhielten mit derselben, als ob das gar nicht stattfand da draußen, das Weltgeschichtliche. - Ich beschrieb ihnen mein "Echolot"-Projekt. Sie denken, ich bin eine lustige Person, lachen gleich, wenn sie mich sehen und so weiter. So geht es wahrscheinlich auch Loriot, der doch ebenfalls ein sehr ernsthafter Mensch ist.
Ich schob mich dann wieder ins Gewühl, stoppte eine Familie aus Schwerin und lud sie ins Marzipan-Café. Wir konnten keinen Platz finden in der Herberge, mußten wieder rausgehen. Sie sagten nicht miff und maff, die Leutchen, mißtrauisch irgendwie. Oder einfach: Schwerin. Die Leute aus Schwerin sind eben so. Meine Versuche hernach, mit anderen Menschen ins Gespräch zu kommen, scheiterten ebenfalls, und so ging ich dann, ein zittriger Opa, irritiert zum Bahnhof zurück und fuhr wieder nach Hamburg, wo inzwischen die Straßen wie leergeblasen waren. Am Jungfernstieg stand ein einsamer Wartburg. Und ich glotzte einzelne Passanten an, ist das nun ein Ossi oder nicht? Eine Großfamilie in Mischausführung Ost/West besah sich die Alster, ihre Mäntel flatterten im Wind. "Dies ist also Hamburg", das werden sie in ihrem Herzen bewegt haben, und die Westmitglieder der Familie haben vielleicht gedacht: "Und nun?"
Im Bahnhof eine Familie, ich vaterländete sie an, ob ich sie einladen dürfe zu einem Bier oder was. "Sie wollen uns einladen? Wo wollen wir denn hier Bier trinken?"
Am Bahnhof in Lübeck scharten sich ganze Familien um ihr Auto, vesperten, Deckchen auf Kühlerhaube, Thermoskanne. Besoffene habe ich keine gesehen, alles ganz zivilisiert. - Einsame Fahrt nach Hause, das 6. Brandenburgische Konzert, alle drei Minuten ein Ostzonenauto überholend. Es wird ganz allgemein geblinkt. So mancher laborierte auf der Standspur.
Hier dann ein Glas Milch und Obstsalat und eine Sendung über Jenningers Fall. Er war exemplarisch für das, was bei uns täglich passiert.
Von Erenz die Mitteilung, daß Böhme nicht ganz freiwillig vom "Spiegel" weggegangen sei: "Ich will nicht wiedervereinigt werden", hat er gesagt, das war ja auch ein bißchen stark.

Sigurd von Ilsemann -- 10 november 1918

Sigurd von Ilsemann (1884-1952) was vleugeladjudant van de Duitse keizer Wilhelm II. Hij schreef Der Kaiser in Holland. Aufzeichnungen des letzten Flügeladjutanten Kaiser Wilhelms II.

Zondag, 10 november 1918
Om drie uur 's morgens vertelde 'vader Schulz', de kamerdienaar, mij, dat de keizer nog tot twee uur 's nachts had geschreven en toen was gaan slapen. Gontard en Niedener zaten samen in de coupé, de anderen sliepen of lagen wat te dommelen. Om vier uur kwam de keizer in de restauratiewagen. Ik ging naast hem zitten om hem de wapenstilstandsvoorwaarden mede te delen.

Zwijgend hoorde de keizer aan welke oneindig zware voorwaarden het vaderland waren opgelegd. Slechts hier en daar stelde hij een vraag.

Plotseling zei Z.M.: 'Ik kan mij nog altijd niet verenigen met het besluit naar Holland te gaan! Indien nu ook daar het bolsjewisme uitbreekt?' Plessen en Grünau stelden hem gerust: 'Daar zal het niet komen en indien toch, dan in een veel mildere vorm.'

Om vijf uur zette de trein zich in beweging. In het gangpad hadden 25 man postgevat onder een officier van het stormbataljon Rohr; de mannen waren gewapend met mitrailleurs, handgranaten en geweren. Tien minuten later stonden wij stil. Z.M. drukte de achterblijvende heren zwijgend de hand, de anderen stapten met hem uit. Daar gevreesd werd, dat de trein het door de bolsjewisten bezette Luik niet zou kunnen passeren, zou Z.M. de weg naar de grens per auto afleggen. Kapitein Zeyss, die de keizerlijke auto's onder zijn beheer had, was op bevel van Plessen in de namiddag reeds langs het uitgestippelde traject gereden.

De stationschef met rode pet lichtte de keizer met een lantaarn bij door het donkere station, door de duistere nacht naar de grote weg, waar de auto's zouden staan. Zij waren er niet. Zeyss had ze in de opwinding naar een verkeerd punt gezonden. Zo stond de vluchtende keizer op de duistere straatweg, boven ons de hemel met heldere sterren. De hoftrein vertrok van het station in de richting Luik. De nacht was koud. Een voorbijrazende motorrijder werd aangehouden en met diens hulp werden de auto's opgezocht, die na ongeveer tien minuten verschenen.

In de eerste namen excellentie Frankenberg, Zeyss, Niedener en Grünau plaats. In de tweede de keizer met Plessen achterin, Hirschfeld en ik voorin. De keizer vroeg direct naar de wapens. Hirschfeld en ik haalden uit andere auto's vier karabijnen, die wij op uitdrukkelijk bevel van Z.M. moesten laden en ieder van ons nam er een met omgelegde veiligheidspal tussen de benen. Voorin zaten twee chauffeurs van de keizer. Zo reden wij door de donkere nacht. De keizer was buitengewoon opgewonden, wat bleek uit de verschillende orders, die hij gaf: 'Rijd naar de eerste wagen en zeg, dat hij niet zo snel moet rijden, anders kunnen wij het tempo niet bijhouden, verliezen hem uit het oog en raken de weg kwijt.' Nauwelijks was deze wens vervuld of Z.M. riep: 'Ja, als die daar vooraan zo langzaam rijden, kunnen wij onmogelijk voor het licht de grens nog bereiken. Rijd snel naar voren en zeg dat ze het tempo verhogen.'

Uit veiligheidsoverwegingen bleef de eerste wagen bij enige wegwijzers even stilstaan. De keizer: 'Zeyss vergist zich telkens in de weg, hij had die toch moeten verkennen.' Ik wees op de links van ons zichtbare zee van licht in de verte, Luik, en stelde hem gerust, zeggende, dat wij ten oosten van de vesting moesten passeren en dus op de goede weg waren. Geleidelijk werd de keizer rustiger. Niemand van ons sprak meer een woord. Langs kronkelende wegen, over bruggen en spoorbanen raasden de auto's er vandoor. Een keer reed de hoftrein ons voorbij. Nauwelijks een mens was te zien.

Alleen in de dorpen ontwaakte langzaam het leven; melkkarren en mensen, die naar hun werk gingen, doken in het schelle licht van onze lantarens hier en daar op.

Plotseling zag ik op een brug een dubbele wachtpost met een grote rode vlag zwaaien. De auto's stopten. 'Arbeiders- en soldatenraad? of nog oude discipline?' ging mij door het hoofd. Goddank het laatste! Een normale controle. Na een kort gesprek met Frankenberg en het controleren van de chauffeurs, zetten wij ons weer in beweging. De morgen begon aan te breken. Bomen en velden werden zichtbaar. Nu en dan doken steeds weer de lichten van Luik op. Na ongeveer anderhalf uur rijden wederom een wachtpost. Vóór ons een grote prikkeldraadversperring. De grens! Nu kwam het er op aan. Beierse landweermannen besnuffelden de auto's. Een van hen keek verwonderd naar de weggekraste keizerskroon en riep anderen er bij. Mijn hand sloot zich vaster om de kolf van de karabijn. Wilden de mensen ons niet vrijwillig doorlaten, dan bleef ons alleen geweld over. Wij in de auto van de keizer bleven zitten om niet onnodig de opmerkzaamheid op ons te vestigen.

Frankenberg en Zeyss stapten uit, en spraken de soldaten, van wie er nog een paar slaperig uit het grenskantoor kwamen, vriendelijk toe. 'Generaal Von Frankenberg met enige officieren moet voor een belangrijke aangelegenheid naar Holland!' Dat was duidelijk. De wapenstilstand was immers ophanden. De poort naar de vrede werd geopend, een soldaat sprong op de treeplank, en kort daarna was de Duitse keizer op neutrale bodem. In de handen van eigen muitende troepen kon de Duitse opperbevelhebber niet meer vallen. Nu kwam een nieuwe zorg. Zou Holland de keizer opnemen, of wat zal het land met hem doen? Hier begon de diplomaat Grünau met zijn bezigheden.

Hij verdween in het Hollandse grenskantoor. Bijna geen mens was te zien. Maar weldra werd het levendig. Uit alle huizen kwamen soldaten en burgers gelopen, nieuwsgierig om de Duitse auto's heenlopend. Enkelen staken hun hoofd in onze auto.

De keizer stak een sigaret op. 'Kinderen, steek er ook een op, jullie hebben het verdiend,' was het eerste wat hij sinds ongeveer een uur zei. Toen de sigaret opgerookt was, stelde hij voor uit te stappen.

Langzaam kwam de zon te voorschijn boven de heuvels van het land, dat voor deze verschrikkelijke oorlog was gespaard gebleven. Kerkklokken luidden de zondagmorgen in. Ik zei zacht tegen Hirschfeld: 'Hoort u, dat zijn nu werkelijk vredesklokken.' De keizer trad naderbij, legde zijn hand op mijn schouder: 'Ilsemann, waar zijn uw ouders nu, en welke berichten hebt u van hen?' 'In Darmstadt, uwe Majesteit, ik geloof echter niet, dat zij daar zullen blijven, omdat de Fransen de stad willen bezetten!' Al pratend liep de keizer met ons de dorpsstraat op en af. Het was koud, ja bijna ijzig, maar geleidelijk aan kreeg de zon warmte. Tegen acht uur in de morgen verscheen de plaatselijke districtscommandant, de majoor der politie met zijn adjudanten en een Nederlandse diplomaat, Verbrugge van 's Gravendeel, die 's nachts om elf uur uit Brussel was vertrokken om de commandant over de aankomst van de keizer in te lichten. Daar wij echter eerder hier waren dan hij, kwamen wij voor de grenswacht als een verrassing. De heren meldden zich zeer stram bij Z.M. en stelden voor, naar het station Eysden te gaan, om daar de hoftrein af te wachten. Gersdorff arriveerde ook weldra per auto en een uur later was de speciale trein op neutrale bodem. Tot zolang liep de keizer met de Hollandse majoor en ons het perron op en af. Van alle kanten kwamen mensen toegelopen, en steeds weer hoorde men de uitroepen: 'Ah, Kamerad Kaputt!' of 'Vive la France!' Men zag dreigende vuisten en andere weerzinwekkende blijken van afkeer. Men hoorde foei-geroep en er klonk schel gefluit. Het deed mij pijn tot in de ziel voor de arme keizer. Hij liep echter rustig verder op en neer, alsof hij niets zag of hoorde. Fotografen maakten kiekjes. Het was een verlossing, toen de trein binnenliep, die de keizer voor verdere vernederingen beschermde. In de restauratiewagen namen wij een klein ontbijt, maar de gordijnen moesten neergelaten worden, daar de fabrieksarbeiders (meest Belgen) hun geschimp voortzetten. Soms vreesden wij, dat de arbeiders met stenen zouden gooien. Eerst toen in de loop van de voormiddag soldaten en politie op fietsen aankwamen, het station afzetten en orde schiepen, waren wij tegen verdere overlast beveiligd.

De gehele dag zat Z.M. met het gevolg in de restauratiewagen. Hij verliet hem alleen een half uur voor het middag- en avondeten, opdat de tafel kon worden gedekt. Hij kon niet alleen zijn en 's avonds, als wij onder elkaar waren luchtte hij zijn gemoed. Hoe hij gedurende zijn regeringstijd steeds het goede had gewild en op welke moeilijkheden hij daarbij overal was gestuit. Het meest had hij eronder geleden, dat de oudere generatie hem altijd weer had overstemd. Toen hij aan de regering was gekomen, had hij met de ambtenaren van zijn grootvader moeten regeren. Door de vroege dood van zijn vader had hij een gehele generatie overgeslagen. Vandaar de tegenstelling tussen ouderdom en jeugd.

Tussen hem en Bismarck was een verwijdering ontstaan over het arbeidersvraagstuk. In plaats van zich toen in Friedrichsruh rustig te houden, was hij op grote schaal een campagne tegen de jonge keizer begonnen. Ook de verhouding tot zijn vader en grootvader was voor hem als prins niet gemakkelijk geweest, beiden waren er op uit hem overal buiten te laten. Stond de een hem wat toe, dan keurde de ander het weer af. Hier liet de vader, daar de grootvader als opperbevelhebber zijn invloed gelden. Zo was zijn hele leven een strijd geweest. Voortdurend had een grote verantwoordelijkheid op hem gerust. Nooit heeft hij rust gevonden. Nu was hij voor het eerst in zijn leven vrij. Maar niet alleen onder Bismarck waren de verhoudingen zo moeilijk geweest, ook onder de latere kanseliers.

Nu hij de oudere is geworden en zijn ministers de jongeren zijn en hij eindelijk zijn wil eens had kunnen doorzetten, jaagt men hem weg. De keizer sprak opgewonden, maar toch volkomen beheerst. Onbekenden, die in de loop van de dag steeds weer bij hem kwamen, moesten zijn zelfbeheersing bewonderen. Achtereenvolgens dienden zich aan: een Nederlandse overste met adjudant, een politiecommandant, de heren Von Grote en Von Osten-Sacken van het Duitse consulaat in Maastricht. De heer Grünau zocht dadelijk vanuit Eysden telefonisch verbinding met Den Haag. De vraag was nu: zou Holland de keizer opnemen, of zal het dit, uit eigen beweging of onder druk van de Entente, weigeren? Uur na uur verliep, het wachten werd tot een kwelling. Toen het tijd voor het middageten was, vroeg de keizer de aanwezige Hollandse diplomaat, of hij niet wilde mee eten. Aan de manier waarop deze weigerde, meenden wij te bemerken, dat Holland asiel zou weigeren. Met Plessen bespraken wij, wat dan met Z.M. moest worden gedaan. De meest uiteenlopende voorstellen werden gedaan. Aan de juist wat tot rust gekomen zenuwen werden nieuwe eisen gesteld. Met de keizer werd over dit onderwerp niet gesproken.

Eindelijk, tegen de middag, kwam het eerste bericht: de koningin (Wilhelmina) was diep geroerd over de droevige toestand waarin de keizer zich bevond, maar, om te kunnen beslissen wat er met ons moest gebeuren, moest eerst een ministerraad worden bijeengeroepen. De wijze waarop ons dit werd medegedeeld liet zeer goed de mogelijkheid open, dat men ons niet zou opnemen. Frankenberg meende zelfs, dat de Entente misschien de uitlevering van de keizer zou eisen. Dit wachten de hele dag maakte angstig. Eerst kort voor middernacht werden wij van deze spanning verlost. De Duitse gezant, excellentie Rosen, met de heer Koster en een afvaardiging van de Nederlandse regering, bestaande uit drie heren, verschenen om de keizer te melden, dat de Ministerraad eenstemmig had besloten Z.M. op te nemen.

De eerste drie dagen zou de keizer naar Graaf Bentinck in Amerongen gaan, daarna zou een blijvende woonplaats worden aangewezen. Direct greep men naar de 'Gotha' [bedoeld wordt: de Almanach de Gotha – het Europese adelsboek] om vast te stellen, welke Bentinck dit was, en in welke familierelatie hij stond met de Graaf Bentinck, die de majesteiten in 1909 in Middachten als zijn gasten had ontvangen. De heer Koster gaf ons nadere inlichtingen over de familie. Doodmoe ging ik kort na middernacht in mijn coupé slapen.

Dat wij op deze dag uit Den Haag zo laat en zulke spaarzame mededelingen ontvingen, hield verband met het feit, dat in Nederland 's zondags alleen op bepaalde uren kon worden getelefoneerd.