zondag 22 oktober 2017

Willem Janszoon Verwer -- 23 oktober 1576

Willem Janszoon Verwer (1533-1591) was advokaat en regent van het Weeshuis en van het Leprozenhuis te Haarlem. Van zijn hand is het Memoriaelbouck. Dagboek van gebeurtenissen te Haarlem van 1572-1581.

 1576 Octobris den 23, welck was op een Dingesdach, St. Severinendach smorgens thusken vieren ende vijven isser al te grooten brant binnen Haerlem gheschiet ende is gheresen uut het wachthuijs van die soldaten, die wacht hebbende op het Sparen aen die Craen int Anckercken aent Hooeft. Drie boeren, int Spaeren leggende met haer schepen ende haer goet bewarende, worden aldereerst den brant in waer, daernae begonsten zij te roepen tot die ghebueren: brant, mort, brant! Die soldaten, dat hoorende, beghonsten die burghers op straet comende om dat te blutzen, te smijten ende te stooten ende dwonghen se noch daerenboven in huijs te gaen wel een halif uuijre lang, eer die clock clopten, alzoe dat crijten en roepen niet helpen en mochten. [...] Dese brant duerde van het uuijre vors. tot drie uuijren tote naemiddach Dingendachs sonder ophouden. Ende daer gheschiede groote onverwinnelicke schade. [...] Zij en was niet om blutssen, want het ginc aen alle quartieren. Hadden die soldaeten, aldaer die wacht hebbende, terstont die burghers toeghelaten den brant te blutzen, vier man soudet ghehouden hebben met hulpe van God.
Hier staet te aenmercken, hoe dat tgoet van die burghers in schepen, int water, op straete gheworpen worden ende daer waeren veel huijsen met cooren, garst, tarwe, rogge, hoij, dat mede verbrande ende op straet gheworpen worden. Hoe die craemvrouwen, siecke personen uuijt haer huijsen ghesolgeert worden, dese ellende en is niet om scriven.
Daer worden processi generael met het H. Sacrament ghehouden, om die brant, om Godt te bidden, dat Hij ons zouden willen helpen.

Den 24 Octobris worden die soldaten gevanghen, die den brant gemaeckt hadden. Dien nacht daeraen waeren die burghers noch doende, om den brant te blutssen ende den clock ginc dijc in den nach: brant, om die burghers bijeen te houden. [...]

Den 25en Octobris snachs zeer starick ghevrosen ende was zeer coudt.

Hanny Michaelis -- 22 oktober 1942

Hanny Michaelis (1922-2007) was een Joodse Nederlandse schrijfster. Haar oorlogsdagboek is onlangs in twee delen verschenen bij Van Oorschot (bezorgd door Nop Maas).

Donderdag 22 october '42 ± 4 uur 's middags
De middag kruipt weer om. Het is ook zulk troosteloos, druilerig weer, alles ziet even grijs.
Toen ik om 2 uur de radio aanzette, zwegen de beide Hilversumse zenders, terwijl op Bremen de Engelse berichten en de Home service werden uitgezonden en behalve de Deutschlandsender alle Duitse zenders zwegen. Om half 3 kwam mijn gastheer thuis met het bericht dat ze in de buurt aan het bombarderen waren. Direct weer hevige opwinding. Het leukste moment was, toen mijn gastheer en ik met zijn tweeën aan het open raam stonden te luisteren naar het afweergeschut in de verte en elkaar bij elke nieuwe plof stralend aankeken.
Om half 4 was de radio nog altijd stom, en bij tussenpozen horen we wat dof geschutsvuur. Hansje was in het begin verschrikkelijk opgewonden en deed vermakelijk eigenwijs. Op een gegeven moment zat hij met een ouwelijk gezichtje op de grond en verkondigde op een meewarig toontje: "t Is toch vreselijk - en de invasie komt niet!'
Gisteravond nog zwaarwichtige gesprekken met Ko gehad over 'het geloof'. Ze gelooft wel aan God, maar wil niet naar de kerk 'omdat je onder de preek toch maar zit uit te broeden wat je morgen voor slechts zal uithalen'. De waarheid is, dat ze er te lui voor is, wat ze later ook half en half bekende. Ik probeerde tevergeefs haar ervan te overtuigen, dat haar argument hoogstens een aanklacht tegen haarzelf kon zijn maar nooit tegen de kerk qua talis.
Overigens zat ze erg te schermen met een brief die ze beweerde van een aanbidder te hebben gekregen via het Roode Kruis omdat hij in Engeland zal. Ze had het ons allemaal verteld en er de laatste dagen steeds over gepraat. Nu zat ze ermee in haar handen en heel toevallig kreeg ik de brief in handen omdat ik vroeg het handschrift te mogen zien. Onwillekeurig zag ik erboven staan: Tiel, 19 october '42. Nog voor ik iets had gevraagd, zei ze haastig dat zijn ouders dat erop hadden geschreven; erg geraffineerd is ze niet, want het was met dezelfde hand geschreven. Later bekeek ik de enveloppe ook, en de brief bleek volgens afzender en poststempel uit Tiel afkomstig te zijn i.p.v. uit Engeland. Het liet me verder koud, ik vroeg me alleen af wat voor zin dergelijke fantasieën hebben. Even later kreeg ik haar eigen handschrift te zien. Behalve de keukenmeidenmentaliteit die er duimendik oplag en de ongeoefendheid, trof me het overvloedige temperament en de gebroken letters, teken van grote leugenachtigheid en huichelarij (diezelfde verschijnselen komen helaas in mijn eigen handschrift ook voor, alleen ik beheers me beter), waarmee het gedoe met die brief helemaal overeenkwam. Ze is geloof ik erg goedhartig, maar als er een speciale hoerenmentaliteit bestond, kon ik haar daarbij rekenen, juist ook om haar gulle, naïeve goedhartigheid, in combinatie met de zinloze leugenneigingen en de sterk zinnelijke aanleg. Ze had een ontboezemingsbui en heeft alsmaar vertrouwelijke mededelingen over thuis en zichzelf gedaan, waar ik half bij in slaap sukkelde. Ik heb een hekel aan mensen die zo gauw en makkelijk confidenties doen, vooral als die mensen me zo weinig interesseren.
Toen we beneden kwamen, bleken de borreltjes ons te zijn voorbijgegaan en nog wel meer ook. Verder bereidde mijn gastvrouw me er alweer op voor, dat ze vandaag toch maar niet naar Amsterdam ging, ze had geen zin. Ik begrijp heel goed, dat ik er haar moeilijk op kan aankijken als ze niet wil gaan, maar waarom belooft ze het dan? Ik heb het haar nooit gevraagd, ze heeft het indertijd zelf aangeboden en nu had ze ze thuis beloofd nog een keer te komen om mijn winterkleren te halen. Dat vertikt ze nu maar steeds en ik krijg aldoor zijdelingse toespelingen te horen waaruit ik moet opmaken, dat ze veel liever niet gaat. Gisteravond heb ik haar dan ook duidelijk te verstaan gegeven, dat ze het beter ronduit kon zeggen als ze niet. wilde gaan. Ze deed een beetje verbouwereerd, maar vandaag is ze niet gegaan en ze denkt er voorlopig niet over om wel te gaan.
Vannacht van Nico gedroomd, maar te verward om na te vertellen. Heeft ook weinig indruk op me gemaakt.
Vanmorgen de huiskamer weer gedaan, daarna de eerste symfonie van Bizet gehoord, voor het eerst. Niet onaardig, een beetje Saint-Saënsachtig. Verder de Contactuitgave van Andersen doorgebladerd, die me veel en veel beter bevredigt dan die van dr. W. van Eeden. 'De kleine zeemeermin' en 'De tuin van het Paradijs' ontroeren me nog evenzeer als toen ik klein was, en misschien nog meer omdat ik de symboliek nu beter begrijp. Ook 'De schaduw' en 'de geschiedenis van een moeder' was weer prachtig. Als ik Andersen lees, komt er een heel stuk van mijn kindertijd boven. Mijn liefste herinneringen zijn ermee verbonden, misschien dat ik er ook daarom zoveel van houd.
Het is vandaag een heugelijke dag voor mij: 3 weken lang ben ik sterk geweest. Vanmorgen heb ik mezelf op de proef gesteld met het bladeren in Les aventures de monsieur Nicholas van Restif de la Bretonne, in de (zeer aangedikte, stroperige) vertaling van Borel. Het is gemene pornografie, maar het schijnt cultuur-historische en sexueel-ethische waarde te hebben, en bovendien kun je een dergelijk werk beter in de originele taal lezen, vooral wanneer een sentimentele vuilbek als Henri Borel de vertaling heeft verzorgd.

± half 8 's avonds
Zoeven Dieuws voorgelezen: 'De tuin van het paradijs', bij wijze van experiment en omdat ik het als klein kind zo prachtig vond. Natuurlijk mislukte het. Ze is er nu eenmaal geen kind voor, wat zij mooi vindt zijn de laagbijdegrondse, z.g. geestige verhaaltjes in het genre van Dik Trom, Pietje Bell, Napje, Papje, Pipje, Tipje etc.

zaterdag 21 oktober 2017

Hans Keilson -- 21 oktober 1944

Hans Keilson (1909–2011) was een Duits-Nederlandse schrijver, arts en psychiater. In 1944 zat hij ondergedoken en hield toen een dagboek bij (vertaald door Hans Driessen). "'Een schlemiel met vrouw en kind’ noemt Hans Keilson zichzelf in zijn dagboeken. Ondergedoken in Delft raakt hij in een diepe crisis. Hij twijfelt over zijn toekomst. Moet hij schrijver worden of arts? Hij heeft een intense relatie met de ook ondergedoken Hanna, die zijn creativiteit doet opbloeien. Maar in Bussum is Gertrud met hun dochtertje Barbara."

Zaterdag 21-10
Eydtkuhnen gevallen! Geboortestad van mijn vader! Of hij dat nog meekrijgt? Onzichtbaar kwellende vertwijfeling. Bijna afgestompt. Alleen gericht op het alledaagse, 's Nachts bij Corrie begrepen wat het betekende toen ze de kinderen weghaalden. Nooit meer goed te maken wreedheid. Je mag het niet vergeten. Te doen alsof er niets is gebeurd, is een even grote misdaad.
Eerste gedichten van Petrarca gelezen. Wat een fijnzinnigheid, lichtheid in combinatie met mooie diepte. Ongetwijfeld iemand die oppervlakkig leefde en de diepte voor zijn gedichten bewaarde. Ken deze situatie! Maar wat een poëzie! Niet waard om na te doen.
'Ik vertrouw je zo,' zei Corrie.
'Dat kun je ook rustig doen,' antwoordde ik. Op dat moment geloofde ik het zelf. En tegelijkertijd lijkt het alsof iedereen door iedereen verraden wordt. Verraden, wat betekent dat? Dat ik mijn zinnen op velen heb gezet? Ik kan alleen moeite doen op het moment dat ik bij een ander mens ben, dat ik er helemaal voor hem ben. Zonder valsheid, achterbaksheid, enkel... geilheid. Het onderlijf komt bijna tekort. Het gulzige willen weten, datje drijft tot belevenissen. Drijft tot aan de rand, het willen weten, niet alleen vanuit de theaterloge, maar handelend op de bühne. Er bestaat een geilheid van het denken die aanzet tot nieuwe ervaringen, om het even welke; ze zeggen ook: honger! Ik ben er erg aan onderhevig. De traagheid en bedachtzaamheid van de mensen hier is een achter het leven aan hinken. En desondanks een prettig leven! Verveling: de oergrond van het bestaan.
Na drie kwartier werken begon Hannie al te gapen. Niet getraind!
Van Gertrud vandaag geen post. Heel onrustig. Bijna woedend. Stel me ononderbroken haar lichaam voor, waar ik ooit heel erg verzot op was, en haar liefkozingen, waar ik de laatste tijd niet echt van hield. De sensitieve fijnzinnigheid - voor mij de grootste prikkel - ontbreekt bij haar. Datje je eigen sensualiteit niet kunt vergeten. Bijna een Hebbel-conflict. Alleen een Christine Enghaus ontbreekt nog. Maar ze zou kunnen komen, en dan was het zover. Of een muzikale vrouw. Ik zou zo goed als verloren zijn. Deze wetenschap bezorgt me de wankele ondergrond. Voor de rest mag ze minder talenten hebben. Mijn mening is veranderd, zowel over de vrouw als over het weer. Geen belangrijke vrouw meer, alleen een warm, temperamentvol mens, muzikaal, een die geen boeken leest als ze muziek maakt. Ach, Dadaut. Hoe ver verwijderd van je en je toch volledig begrijpend. Hoe anders ben ik sinds ik van je weg ben. Alsof het altijd zo zijn moest. Misschien heeft zij ook wel een vermoeden van deze samenhang, maar ze is niet sterk genoeg om het te dragen. En dan nog haar woedeaanvallen. Ik wil die leren verdragen.
Afgelopen nacht met Corrie over Gertrud gepraat. Een zeer warm, vertrouwd gevoel werd in me wakker. Maar toch blijft de grote tweespalt in mij aanwezig. Niet alleen in haar wezen. Maar in de manier waarop ik het ontvang.

vrijdag 20 oktober 2017

James Boswell -- 20 oktober 1764

James Boswell (1740-1795) verbleef in 1763-1764 in Nederland, om er te studeren in Utrecht. Hij leerde er Belle van Zuylen kennen, met wie hij zeer goed bevriend raakte, maar Boswell zag af van een huwelijk. Alle brieven en dagboekfragmenten uit deze periode staan hier.

Zaterdag 20 oktober. Rousseau wekt een bezieling bij me waarvan ik dacht dat de arme, depressieve Boswell er niet meer toe in staat was. In dat enthousiasme zwelt mijn hart op en zoekt naar iets of iemand om van te houden. Zélide [Belle van Zuylen] ligt me na aan het hart. Voor mijn geestesoog presenteert ze zich op haar allervoordeligst: ik zie een dochter uit de hoogste adel van Holland. Ik zie een buitenlandse dame met talent, kennis en geld. Ik zie de lieftallige metgezellin van mijn winter in Utrecht, die een lieftallige levensgezellin zou kunnen worden. Maar dan herinner ik me weer dat ze metafysica en wiskunde studeert; dat ze neerkijkt op de dingen van alledag, die de optelsom van aards geluk vormen; dat haar fantasie zo sterk is dat op haar gedrag niet gebouwd kan worden; en dat haar gestel van nature zwak is, waar een ongewone opvoeding bovendien geen goed aan heeft gedaan. Dan deinst mijn hart terug voor zo n band en blijft ineengekrompen achter. Dat geeft me een onbehaaglijk gevoel. Mijn fantasie is zo vriendelijk mijn hart te hulp te komen en wekt er prettige beelden in op van teder geluk met een Spaanse of Engelse dame. ...

woensdag 18 oktober 2017

An Rutgers van der Loeff-Basenau -- 19 oktober 1974

An Rutgers van der Loeff-Basenau (1910-1990) was een Nederlandse kinderboekenschrijfster. In 1974 hield zij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Zaterdag [19 oktober]
De griep heeft me te pakken. Ben in bed gekropen. Erger me aan de vlaamse gaaien die nog voortdurend strootjes uit ons dak komen pikken. Of misschien zoeken ze insecten? Ben wakker geworden uit een koortsdroom: de nok van ons dak zat vol zwarte diakonessen. Griezelig. Hoe anders dan de brave werkelijkheid van laatst: 48 a.s. onderwijzeresjes uit Frankfort kwamen in een lange, lange rij over ons natte tuinpaadje, vóór en achter een diakones, zwarte paraplu boven witte gesteven kap. Omdat ik zo'n menigte niet iets kan schenken, liet ik ze elk een appel plukken van onze rijk beladen boom. Onbespoten? Jazeker. En ze zetten er hun tanden in. Binnen hield 'die Frau Rutgers' een hakkelige Duitse conférence en er bleven in elk geval 48 lekkere klokhuizen over voor onze ganzen. Nu, in mijn bed, hoor ik die twee kwaad gakkeren. Ze willen graan. Rolfje gaat het ze geven. Daarna brengt Mick hem naar de trein.

Zondag [20 oktober]
Thijmstroop, aspirine, druiven, warme doeken, dampo, tempozakdoekjes, gloeiende thee met citroen en o hemel dit prachtige middel: grote lepel knoflookpoeder, honing en brandewijn. De samenkomst met Astrid Lindgren waar ik me zo op had verheugd, mis ik vanavond. Rillend diep onder de dekens. En ik had zo graag weer eens een woordje Zweeds gesproken.

dinsdag 17 oktober 2017

E. du Perron -- 18 oktober 1936

• De Nederlandse schrijver E. du Perron (1899-1940) publiceerde in 1939 Scheepsjournaal van Arthur Ducroo, een ietwat gefictionaliseerd journaal van een bootreis die hij maakte in 1936. Du Perron-biograaf Kees Snoek schrijft er hier meer over.

18 October.
Port Saïd, gelukkig kort; om het kruit en de torpedo's moeten wij ook hier buiten de haven blijven. Plezier van voor het eerst weer tropenkleren aan te trekken (hoewel in Parijs gekocht), maar ik had er mij te veel van voorgesteld en het was meteen weer voorbij. De passagiers krijgen als gewoonlijk ruzie met de kooplieden, de sloep moet wachten voor diverse haken en ogen die aan de rand van het water nog moeten worden losgerukt. Een verkoper van rahat-loekoem ['Turks fruit'], wiens voornaamste argument bestaat uit ‘zèg, meneer!’ druipt van 2 shilling af tot een kwartje en staat verbijsterd als men hem vraagt: ‘Wat doet je denken dat ik dat eten wil?’ Tenslotte is het ook geen vraag en het antwoord kan men zichzelf geven: hij denkt dat men het eten wil omdat het nog maar een kwartje kost, wat duivel! Hij is beledigd als ik hem zeg, dat ik toch niet wil: ‘Yes, yes, thanks!’ zegt hij met een patriarchen-uitdrukking (gesloten oogleden) op zijn tronie van oude rover.
De hele middag trekken wij door het Suez-kanaal; wij moeten telkens stoppen voor grotere boten die voorbij moeten, waaronder groen-en-witte italiaanse, propvol soldaten, voor het vervolg van de walgelijke abessijnse verovering. Bij avond wordt het aardig, als men zo vlakbij verlichte treintjes ziet rennen, een heel eind evenwijdig met ons. Ik loop nu over het dek met de juwelier. Hij klaagt over de hollandse dame die bij hem aan tafel zit en die de boot niet goed genoeg voor haar vindt; en ze had direct aangekondigd dat ze de hele reis door zou kankeren: ‘Nou, wat voor indruk maakt dat nou! En ze is zo sarcastisch; nou, sarcasme en ik, hè! Ze heeft laatst tegen ons ook wat gezegd; ja, en ik had wel wat teruggezegd, maar ik heb het niet goed verstaan. Als ik het maar goed verstaan had!’
[...]

maandag 16 oktober 2017

Nescio -- 17 oktober 1951

Nescio (J.H.F. Grönloh, 1882-1961) was een Nederlandse schrijver. In zijn Natuurdagboek (1946-1955) deed hij verslag van onder meer zijn tochtjes en wandelingen.

17 October Woensdag. Laatste zomerdag. Weer zonnig warm en zachte nevel. Met den trein van vijf voor tien van M.P. naar Abcou. Met de fiets langs de noordzij van het Gein, kopje koffie in den eenzamen tuin van de Vink, waar een groote stapel bruin blad stond en de kastanjebladen op een klein zuchtje schuin naar beneden vielen (Dinsdag in de Plantage Middellaan vielen de kleine gele en bruine blaadjes rechtstandig naar beneden). Tooverwereld, buiten de wereld. Jupiter weidde z'n koeien voor het laatst in de goudachtige weiden (heel stil met hun koppen naar beneden), morgen gaan ze den Olympus op. Door het tolhek in een gouden zaal van hooge wilgen, het pad dik met geelgroen blad. Zon op de Vecht. Nigtevecht in tot het veerpad. Overgevaren, zon op de Vecht. De oue veerman lag op bed voor z'n raam met slaapmuts en krant, heel wit en ingevallen. 80^ jaar, vroeger een rooie baard, nou een grauwe. Men zegt hij zal sterven ('benauwenis op z'n water en nog een oue breuk').
Rechtsom en meteen weer met het volgende veerschuitje naar den overkant (Westoever Vecht) en langs de Vecht naar den boomgaard der Hesperiden. Egyptische komngsboomen en torens van Nederhorst den Berg. Op m'n jas gezeten met m'n rug tegen m'n wilg en pijpjes gerookt. Tegen twee hoornen stond een ladder. Geelgroene appels, goud op 't gras en schaduwen en glans op de stammen, zeer buiten alle wereld. Verder. Te nevelig om torens van Abcou en Kortenhoef te zien. Zeer blauw water met zon. In Vreeland over de oue brug en oostelijken oever naar Loenen, tevergeefs gevraagd om koffie aan de Bloklaan, de nieuwe brug over en langs Vrede-stein naar de Kampioen en weer koffie. Trein 1\2 3 naar Amstel-station. Op weg naar het station van Nieuwersluis was de glans al afgenomen, toch stonden de koeien nog Jupiteng. -3 uur thuis. Heengaande en terugkomende me weer verheugd in het romantische 'golfterrein' bij Duivendrecht.