woensdag 20 maart 2019

Josep Pla • 21 maart 1919

• De journalen van de Catalaanse schrijver Josep Pla i Casadevall (1897-1981) omvatten zo’n 30.000 bladzijden vol dagboekaantekeningen, reisimpressies, invallen en literaire portretten. Het grijze schrift (vertaald door Adri Boon) bestrijkt de jaren 1918-1920, voordat de jonge Pla als dagbladcorrespondent naar Parijs vertrok.

21 maart 1919
In dit land [Spanje] hebben wij een heel rare gewoonte. Wanneer twee personen elkaar op straat tegen het lijf lopen hebben zij elkaar nauwelijks iets te zeggen. Maar eenmaal afscheid genomen komt ons na zeven of acht passen te hebben gedaan een reeks dingen in gedachten waar we degene die we zojuist hebben verlaten dringend van op de hoogte willen stellen. Dan richten we hard schreeuwend, met aanzienlijke stemverheffing, het woord tot hem, daarbij omstandig met de armen zwaaiend. De ander antwoordt ons logischerwijs door ook te schreeuwen en met dezelfde heftigheid te zwaaien. Daar we ondertussen onze weg vervolgen en we dus steeds verder van onze gesprekspartner verwijderd raken, ontaardt de conversatie in een vreselijk geblèr. Ten slotte is de afstand zo groot dat het praktisch onmogelijk is nog iets te verstaan. Dan zegt men met enorme krachtsinspanning: ‘Nou goed, we praten er nog wel over...
De ander antwoordt als een bezetene: ‘Ja, ja, we praten er nog wel over...’
En als we elkaar dan weer ontmoeten, hebben we niets te zeggen.

dinsdag 19 maart 2019

Geerten Meijsing -- 20 maart 1978

Geerten Meijsing (1950), hier schrijvend onder het pseudoniem Joyce & Co, woont sinds 1979 in Italië. Zijn Venetiaanse brieven en Calabrese dagboeken geven “onontbeerlijke informatie over de interessewereld van een schrijver, die in zijn intieme geschriften veel prijsgeeft van zijn vorming als kunstenaar en zijn opvattingen als platonische demiurg” (zijnde een ‘wereldbouwer’ ofwel een ‘tussenpersoon tussen de godheid en de lagere sferen’).

Venetië, 20 maart 1978
Allemaal voorspelbaar! Het kamermeisje dat mijn bed opmaakt is heel erg mooi (zwart haar, blauwe ogen, blanke huid), heeft een jongensfiguur (bijna platte borst, brede schouders, smalle beweeglijke heupen, géén wespetaille, en een sublieme kont) en heet Gilda! Omdat ik erop sta te ontbijten voordat ik mijn tanden poets en de deur uitga, zit ik ’s ochtends in de keuken van de oude mevrouw die het hotel drijft te wachten tot Gilda van de dichtstbijzijnde bar een dienblad met een kop capuccino en twee pezzi heeft gehaald. De koffie is koud als ze arriveert; op mijn verzoek warmt ze het geheel weer op in een pannetje op het eigen fornuis, waar ze met haar heupen tegenaan geleund staat, gestadig naar mij achterom kijkend, tot de inhoud is overgekookt. De volgende keren neem ik een flink glas spumante bij het ontbijt; daar kan alleen de prik uitgaan, en ik vind het idee niet onaangenaam dat Gilda daarvan elke keer een slok genomen heeft, ‘om niet over de rand te knoeien’. Ik kus haar via dit glas, ik drink dolce. Zij is overigens goed vertrouwd met de weinige intieme bagage die ik bij me heb. Als ik terugkom op mijn kamer, om na een dag in de boeken te zoeken wat ik in ’t echt niet vinden kan, zijn al mijn aantekenschriftjes, foto’s, brieven en boeken op geheel nieuwe wijze gesorteerd; de bovenliggende foto van U op mijn nachtkastje is verwisseld met die van een ander meisje; mijn Chanel vervliegt dubbel zo snel, en niet alleen van mijn wangen.

maandag 18 maart 2019

Willem Pijper -- 19 maart 1921

Willem Pijper (1894-1947) was een Nederlandse componist die ook recensies schreef, voor onder meer het Utrechts Dagblad.

Kerkconcert Petri-Kloos
19 maart 1921 (UD)
Remonstrantse kerk
Willem Petri (orgel) en Max Kloos (zang)
Werken van Bach, Gulbins, e.a.

Ik hoorde Max Kloos voor de eerste maal. Max Kloos schijnt bezig te zijn zich een naam te veroveren en het speet mij steeds dat ik hem niet te horen kon krijgen. Ook thans mag ik hem nog niet definitief kritiseren op een paar liederen van Bach en een aria uit de Matthäus-Passion, met orgelbegeleiding. Ik kan naar aanleiding hiervan nog pas vier of vijf mooie, sappige tonen signaleren, plus een waarschijnlijk wat ongedifferentieerd temperament, plus een vrij onvolmaakte consonantvorming (‘o Noth’, driemaal - de eerste keer met een accent circonflexe, dan met een accent grave, dan met een accent aigu en een doffer staartje. Kloos wist best dat hij knoeide, want in het tweede coupletje was het op dezelfde plaats in orde!). Een Bach-zanger: sterk, fantastisch, helder, hartstochtelijk en geresigneerd, toonde hij zich nog niet. Het was meer een prekende dan een verkondigende Bach en het was nogal eens zalvend ook. Zalvend gaat men een ernstige muziek spelen of zingen als men er geen weg meer mee weet (of: nog niet mee weet). Ik vermoed dus dat de heer Kloos zich psychisch nog geducht zal moeten ontwikkelen voor wij meer in hem zullen kunnen zien dan een veelbelovend zanger. Zijn wezen lijkt me op het ogenblik ook nog meer dat van een zoeker naar de expressie dan van een doorgloeid vinder der scheppingen. Wat voorzichtig, wat esthetisch. Nog niet rücksichtslos, doelbewust, gehallucineerd - en dan meeslepend.

Van Petri hoorde ik slechts opus 58 van Max Gulbins ‘Für die Passionszeit’: één gefigureerd koraal met een moorddadig ritme (trochaius), één ‘modern’ geharmoniseerde reeks opmaten, buitengewoon onsamenhangend (Karg-Elert), één herinnering aan Brahms' Es ist ein Ros' entsprungen. Bruikbare orgelmuziek.

zondag 17 maart 2019

Jacob Segersz van der Brugge -- 18 maart 1634

• Jacob Segersz van der Brugge (?-?), bevelhebber eener expeditie van 7 matrozen, die door de Noorsche compagnie naar Groenland gezonden, daar van 30 Aug. 1633 tot 27 Mei 1634, gedurende 9 maanden min 5 dagen, overwinterde om na te gaan, of in die streken eenig voordeel voor de Compagnie te behalen viel. De bevelhebber gaf van deze overwintering een eenvoudig en trouw verhaal, aan de bewindhebbers zijner Compagnie opgedragen, en getiteld: Journael of dagh-register gehouden by Seven Matroosen in haer overwinteren op Spitsbergen in Maurits-Bay (Amst. c. 1660).

[15 Maert 1634]
[...] In den avont was ick een groot stuk achter ons Tent twee Rheenen [rendieren] siende, daer wy jacht op maekten, ende den Hondt lieten na loopen; doch also sy met den Hond bergewaert op ende den ijsberch, overliepen, mede den avont op de hand sijnde, keerden wy sonder den Hondt ofte de Rheenen langer na te loopen. [...] op ’t eerste quartier verhief sich den Wind met veel jacht-sneeu, soo dat ick vreesden, dat de Hond niet te recht raken en soude.

[17 Maert 1634]
Den 17 dito, weer ende wint als voren, so dat het niet mogelijck en was om na den Hond te gaen soecken, voor dat het weder sich wat getempert aen stelt.

[18 Maert 1634]
Den 18. dito, het weer ende windt als voren. In de morghen-stont quam weder een beer aen den laest gedooden Beer op de Bahy eten, daer wy nae toe zijn ghegaen, die soo haest hy ons vernam vluchtich werde: wy schoten dagelijcks veel Vossen tot verversinge van ons Kock, om die voor het Scheur-buyck te eten: de Vossen gevilt zijnde, laten wyse 2 of drie daghen in de wint vervriesen, alsdan gekookt ten deele met pruymen ende rozijnen; sommige hebben wy ghestooft met Peper ende Azijn in een Panne.

[22 Maert 1634]
[...] In de voor-avondt is den Hondt na dat hy acht Etmael van ons, ende in’t Geberchte geweest was, weder aen ons Tent ghekomen, daer over wy verblijdt waren; welcken Hond so mager was dat het deselve niet en gheleeck. Aen den Oever waren wy 14. of 16. beeren by den anderen siende, die te met groot gevecht hadden.

Luuk Gruwez -- 17 maart 1996

Luuk Gruwez (1953) is een Vlaamse schrijver. In Het land van de wangen kijkt hij terug op episodes uit zijn leven. Het hart van het boek vormen de dagboeknotities die hij enige jaren bijhield naar aanleiding van zijn bezoeken aan zijn steeds verder aftakelende grootouders.

Deerlijk, 17 maart 1996
Ieper, omstreeks 1915. Hier heeft Knor de eerste stille film gezien, in de openlucht. Hier heeft hij de eerste auto gezien en daarvoor zelfs de eerste fiets: ‘een tuig des duivels’, volgens de pastoor. Als knaapje had Knor glazen benen voor politieagenten. Hun kantoor was in de Lakenhallen gevestigd. Als daar een agent buiten stond, liep hij er in een wijde boog omheen en hij zocht bescherming in de rokken van zijn moeder, die hij aanbad. Ik begrijp dat ontzag en die angst voor uniformdragers. In elke man herken ik de beul. En ook ik dicht de redding aan vrouwen toe. Zelfs onder dit dak heb ik dat altijd gedaan: bij Liesje. Ik moet tot mijn zeer grote spijt vaststellen dat mannen, vooral mannen in mijn leven mijn idolen zijn geweest. Een enkele keer waren zij ook onderwerp van mijn haat. Er is nauwelijks één vrouw die mijn idool is geweest, maar van vrouwen heb ik altijd gehouden. Ik verwelkom in hen de betere helft van de mensheid. Zoals mijn grootvader hier elke dag zit te sidderen voor zijn nakende einde, kan het niet anders of hij stelt zich ook de dood in uniform voor. Knor en ik: allebei zijn wij bange jongetjes gebleven.

zaterdag 16 maart 2019

H.P. Berlage -- 16 maart 1923

H.P.Berlage (1856-1934) was architect en stedebouwkundige. In 1923 maakte hij een reis naar Nederlands Indië, waarvan hij een dagboek bijhield: Mijn Indische reis. Gedachten over cultuur en kunst.

16 maart
Het was vandaag een gelukkige dag. Want het vroege ontwaken, zonder het brommend geluid van de schroef bracht, met de verrassing dezer rustige stilte, de zekerheid in de haven van Colombo te zijn aangeland; en de gauwe blik door de patrijspoort, die van het eerste gezicht op een Indische stad. Toch is dat een openbaring van landschappelijken aard, die men plotseling ondergaat, omdat de plantengroei in het Oosten alles overheerscht. Het landschap wordt er gekarakteriseerd door de plant; haar groen, en welk een groen, in alle mogelijke variëteiten is daarin beslissend. En in verband met den aard van de plant, versymboliseert zich als 't ware dat groen in de cocospalm. Want niet zoodra verlevendigen haar spitse bladen het silhouet der algemeene bebossching, of men weet in een andere wereld te zijn. Dat groen ligt over alles heen gespreid; geen stukje of topje van den ondergrond wordt zichtbaar. Het is als een deken waarin zelfs geen motgaatjes zijn te vinden. De groene kust kent ook geen overgang naar zee. De eilanden drijven als groen-boeketten op het water. Ik vat het dichterschap van Multatuli's 'gordel van smaragd;'
Bonsel schrijft in zijn 'Indienfahrt', een prachtige inleiding, aan boord genoten, tot den geheimzinnigen Indischen geest, over de heerschappij van het dier.
De schrijver ziet op zijn reis een koningstijger op een rotsplateau, monumentaal gestrekt. Dit doet hem den tijd verbeelden, toen het dier nog alleen op aarde leefde en het van nature koninklijke wezen in Indië den scepter hield omklauwd. Jk zou, met een variant daarop, deze waardigheid aan de plant willen toekennen, die als oerbegin van alle leven toch zeker het eerst-geboorterecht bezit. Door haar majesteit is zij in Indië ook inderdaad het 'andere' van het Westen. En dat de plant, evenals het dier, een ziel bezit, zal toch geen bioloog meer durven ontkennen.
[...]

donderdag 14 maart 2019

H.P. Berlage -- 15 maart 1923

H.P.Berlage (1856-1934) was architect en stedebouwkundige. In 1923 maakte hij een reis naar Nederlands Indië, waarvan hij een dagboek bijhield: Mijn Indische reis. Gedachten over cultuur en kunst.

15 maart
De Indische Oceaan is voor een zeereis misschien de allermooiste, voor welke waardeering het seizoen wel zal hebben meegewerkt. Want de maand Maart schijnt daarvoor de uitverkorene. Het meest genoot ik in die week van de zonsondergangen, zooals men wel eens op Japansche en Chineesche prenten ziet. Hebben de Westersche kunstenaars wel ooit vermocht de natuur zoo te verbeelden, als deze meesters van de lijn?
En starend op de vorens, die het schip in het water trekt, afgewisseld door meegolvende dolfijnen, en plotseling opvluchtende vliegende visschen, bewonderde ik het onbegrijpelijk scherpe vermogen, waarmee deze oosterlingen o. a. de fijnste bewegingen van den golfslag weten vast te leggen. Bij zonsondergang is de hemel aan de lichtzijde azuurblauw, waartegen roodgloeiende wolkenslierten staan. De zee violet, zelfs inktkleurig. Maar het meest wordt de verbeelding geprikkeld door het cubistisch silhouet der wolkenbanken aan den horizon, die door hun onbewegelijken stand aan de fata morgana van het een of andere „Atlantis" doen denken. En het merkwaardigste is, dat deze verschijning zich elken avond herhaalt.