zondag 22 juli 2018

Jan Bouwer -- 23 juli 1944

• De Nederlandse journalist Jan Bouwer zat tijdens de bezetting door de Japanners ondergedoken in Bandoeng. Zijn dagboek uit die tijd is gepubliceerd onder de titel Het vermoorde land.

Zondag, 23 juli
De Japanse premier Tojo heeft in een rede aan het Japanse volk medegedeeld, dat 'na zware strijd Saipan in handen van de vijand is gevallen'. Nog is zijn taal opschepperig, wanneer hij zegt, dat 'nu de gelegenheid is gekomen om de vijanden van Dai Nippon te vernietigen en de eindoverwinning te behalen'. 'De echte oorlog begint nu pas', waarschuwde Tojo het Japanse volk. Voor Japan zelf is dat zeker waar...
Intussen hebben verdere wijzigingen in de Japanse oorlogsleiding plaatsgehad. O.m. is een nieuw hoofd van de legervoorlichting benoemd.
Zelfs de kampioen-wensdenker onder de Japanners, adm. Takahashi slaat een gematigder toon aan. In een artikel in Japanse bladen, overgenomen door de Indonesische pers, zei hij, dat 'de oorlog plotseling een wending heeft genomen. De vijand zal zijn posities op de veroverde eilanden versterken en daarna verder oprukken. Ook het voornemen van de vijand om nu Nippon zelf aan te vallen, mag niet langer als onwaarschijnlijk worden beschouwd'.
Volgens inlichtingen uit Indonesische bron hebben geallieerde vliegtuigen in de nacht van 15 op 16 juli j.l. delen van de spoorlijn, die aan de zuidkust in aanleg is tussen Malingping, Bajah en Pelaboehanratoe gebombardeerd.
De ongeregeldheden in het gebied van Indramajoe lijken meer op een rampokpartij dan een opstand. De relletjes zijn door het optreden van de Japanners beperkt gebleven tot Djatiwangi, waar de wedana en de assistent-wedana zijn vermoord. De regent van Indramajoe is er vandoor gegaan.
In Tjilatjap zijn 48 'heiho's' door de Japanners geëxecuteerd, omdat zij weigerden aan boord van een Japans transportschip te gaan. De berichten over deserties in het volksleger worden steeds talrijker.
Het nieuws uit de stad draait om berichten, dat de concentratiekampen weer door elkaar worden geschud. De meeste mensen weten niet meer waar de mannen en vrouwen in de kampen op dit ogenblik zijn. Er is geen touw meer aan vast te knopen. Het is voor mij ook vrijwel ondoenlijk geworden om de verplaatsingen van de gevangenen en geïnterneerden bij te houden.
In Midden-Java overleed op 19 juli j.1. na een kortstondige ziekte de Mangkoenegoro, hoofd van het Mangkoenegorose rijk, een vorst, die het Nederlandse gezag zeer goed was gezind. Tot zijn opvolger hebben de Japanners benoemd zijn bijzoon K.B.P. Hamidjojo Saroso. Premier Tojo en de opperbevelhebber van de Japanse strijdkrachten in de zuidelijk Pacific, maarschalk graaf Terachi zonden condoleantie-telegrammen.

Augustus Henry Irby -- 22 juli 1860

Augustus Henry Irby (1808-1861) was een Britse legerofficier. Hij schreef The Diary of a Hunter from the Punjab to the Karakorum Mountains, over een tocht die hij maakte.

22nd July. Sunday. I find no place to walk to out of this enclosure, all outside being either fields or rough barren ground with difficult paths. The town looks uninviting, so I remained in my tent.

The jemadar, a civil, obliging, intelligent man, in the afternoon informed me that Basti Ram, the thanadar, was waiting in his house, prepared to pay me a visit, if I could receive him. I, of course, assented; and ere long, preceded by a dirty band of soldiery, he made his appearance, seated in a janpan, which being halted at the requisite respectful distance, the old gentleman was assisted forward, and I requested him to be seated on a 'rizai' which had been spread for him. He is a pleasing-looking old man, of mild aspect, bodily infirm, but with a voice still strong. We chatted a long time; and I hinted at the Karakorum with regard to shikar, but he evidently disapproves of my going in that direction, saying, that the road was bad, the country barren, and no shikar, but that in the Chan-than and Roopschoo country game abounded. He politely assured me of his desire to furnish me with all I required, to any extent, in money, horses, or men.

I questioned him about the sad fate of the poor Schlagentweit brother; and he gave me a long narrative, from which I gather that the unfortunate traveller was plundered on the way to Yarkand; that he reached that place, and thence proceeded on to the Kokand country, where he rode into the presence of a chief, Walli Khan, who, feeling or pretending to feel insulted, ordered his attendants to cut him down, which was instantly done; and thus the unfortunate M. Schlagentweit was murdered, and all his effects plundered. But these had been previously seized, and probably he was then in search of justice, and the restoration of his property. Walli Khan has since denied all share in the death of the saheb; and as he is a powerful chief, with a strong fortress on a steep hill, the thanadar said, "What can be done?" Several men have been sent to try and recover the effects, and procure unmistakable testimony to the circumstances of the murder; but they state all the property to have been scattered here and there in remote parts of Turkistan, and have discovered nothing further as to the foul deed. I am in hopes of yet ascertaining more, when the Yarkand merchants arrive, but it must be acquired through tact and judgment, all enquiries being regarded suspiciously, as perhaps connected with ulterior designs. After a satisfactory interview Basti Ram took leave, the jemadar remaining behind, and giving some interesting particulars of the country north of Leh, through part of which the road to Yarkand runs. The district is called the Lobrah pergunnah; and the jemadar, who once travelled there with a saheb, Dr. Thomson, declares it to abound with game. It is a fertile country, he says, highly cultivated, with abundance of everything. It is reached in three days; in three more a place, called Gopoor, where are upland plains abounding with wild animals; but the yâk is not there met with. Four or five days further travelling in an uninhabited tract will bring one to grassy plains, called Moorgaby: there are yâk, and kyang, and other animals. I requested the jemadar to try and find a resident of Lobrah, who could give me precise information as to the best shooting grounds. This he promised to do.

Ernst Jünger -- 21 juli 1944

• Op een beklemmende, transparante manier beschrijft de Duitse schrijver Ernst Jünger (1895-1998) in zijn tweede Parijs dagboek (vertaald door Tinke Davids) de noodlotsjaren 1943 en 1944. De naderende catastrofe is overal voelbaar en dringt dominant door in Jüngers conversatie met Parijse kunstenaars en intellectuelen.

Parijs, 21 juli 1944.
Gisteren is de aanslag bekend geworden. Ik hoorde de bijzonderheden van de President, toen ik tegen de avond terugkwam uit Saint-Cloud. De uiterst gevaarlijke situatie werd daardoor nog eens extra toegespitst. De aanslag zou zijn gepleegd door een graaf Stauffenberg. Ik had die naam al vernomen van Hofacker. Dat zou een bevestiging zijn van mijn opvatting dat bij dergelijke keerpunten de oudste aristocratie naar voren komt. Alles wijst erop dat deze daad zal uitlopen op gruwelijke slachtingen. Ook wordt het steeds moeilijker het masker op te houden – zo raakte ik vanmorgen verwikkeld in een woordenwisseling met een collega die de gebeurtenis 'onvoorstelbare smeerlapperij' noemde. En dat terwijl ik er sinds lang van overtuigd ben dat door aanslagen weinig veranderd en zeker niets verbeterd wordt.. Ik heb daar al naar verwezen in de beschrijving van Sunmyra in de Marmerklippen.
's Middags werd in zeer kleine kring bekend dat de opperbevelhebber van zijn ambt ontheven en naar Berlijn geroepen zou zijn. Hij had, toen het nieuws uit de Bendlerstrasse binnenkwam, de gehele SS en de Sicherheitsdienst laten arresteren, en ze weer vrijgelaten toen hij hij Kluge in La Koche-Guyon verslag had uitgebracht en er geen twijfel meer aan kon bestaan dat de aanslag was mislukt. 'De reuzenslang in de zak gehad en weer losgelaten,' zoals de President zei toen we in hevige opwinding achter gesloten deuren beraadslaagden. Verwonderlijk is het droge, zakelijke van de daad - de arrestatie was gevolgd op een eenvoudig telefoontje naar de commandanten van Groot-Parijs. Waar-schijnlijk was hij ook bang geweest meer mensen in levensgevaar te brengen dan absoluut noodzakelijk was. Dat zijn echter tegenover dergelijke machten geen punten van overweging. Daar kwam nog bij de volstrekt onbekwame chef-staf, kolonel von Linstow met zijn maagkwaal, die kort tevoren was ingewijd omdat hij technisch onmisbaar was, en die men nu in hotel Raphael ziet rondsluipen als een spook voordat het in lucht opgaat. "Was mijn oude officiersaspirant Kossmann nog maar chef-staf geweest; die had tenminste gedaan wat men van een officier van de generale staf verwacht, namelijk nagegaan of de berichten betrouwbaar waren. Dan nog het ongeluk dat Rommel op 17 juli is overkomen, waardoor de enige pijler brak die zin had kunnen geven aan deze onderneming.
Daartegenover de gruwelijke activiteit van de volkspartij, die door de aanslag nauwelijks aan het wankelen is gebracht. Ja, dat was leerrijk: het lichaam geneest men niet in de crisis, en bovendien alleen als geheel, niet per orgaan. Zelfs als de operatie geslaagd was, zouden we in plaats van één karbonkel nu een dozijn daarvan hebben, met bloedige afrekeningen in elk dorp, elke straat, elk huis. We zitten midden in een beproeving die gerechtvaardigd en noodzakelijk is; en zulke raderen schroeft men niet terug.

donderdag 19 juli 2018

Jan van Riebeeck -- 20 juli 1652

Jan van Riebeeck (1619–1677) was een Nederlands chirurgijn en koopman in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). In 1652 stichtte hij de eerste Europese handelspost in Zuid-Afrika. De nederzetting met Fort de Goede Hoop bij Kaap de Goede Hoop zou uitgroeien tot de Kaapkolonie en uiteindelijk tot de huidige Republiek Zuid-Afrika. Dagboek 1652.

Den 20 dito.
- Zijn wij eens gegaan na het wrak van het verongelukte schip Haarlem, dat daar diep in het zand nog zagen liggen. Niet mogelijk om het geschut daar uit te krijgen, als zijnde al te diep in het zand geweld, leggende verscheide schoone balken alsmede twee masten op het strand gespoeld, die ons dapper zouden te pas komen, als wij ze hier bij het fort hadden, maar te moeijelijk vallen om te halen, alzoo zij vrij wat ver en zwaar zijn, waartoe men karren zoude moeten maken, gelijk wij ook voornemens zijn, doch principaallijk om het zout, daaromtrent heden in redelijke abundantie bevonden, te halen, zulks dat wij van Batavia of Holland niet nodig zouden hebben, zout te ontbieden. Op dato zijn twee personen van den Oliphant door ziekte overleden, genaamd Swens Erasmus en Jacob Martens.

Den 23 dito.
- 's Morgens vuil, hard, stormig weder, vermengd met harde hagelbuijen uit het Z.W. zulks dat wij genoeg te doen hadden ons goed in de opgeslagene woning droog te houden, ten welken einde daar nog een zeil over halen moesten, als kunnende met de planken zoo digt niet maken, dat wij het brood konden droog houden.

woensdag 18 juli 2018

John Newton -- 19 juli 1758

John Newton (1725-1807) was eerst slavenhandelaar en later dominee. Hij was de schrijver van het wereldberoemde 'Amazing Grace'. Hij hield een dagboek bij dagboek bij waarin hij verslag deed van zijn spirituele groei en verlangens.

Thursday 19 July. Sad heartless fruitless times. Some short & precious intervals have now & then occur'd, but for the most part since I wrote last my mind has been a chaos, a scene of darkness & confusion. I have daily experience that He who has begun the work of Grace in my heart is alone able to maintain it, & that in proportion as he withdraws my enemies immediately prevail – Conscie[n]tious compunctions, & resolutions are no more restraint to the power of indwelling sin when I am left to these helps, than the withe with which Sampson was bound were to the exercise of his strength. I have need to put my mouth in the dust & cry Unclean Unclean. Perhaps I have never found [commissions?] more active, & less spirit to resist & deny them since my first entrance upon this warfare, the consequence has been exceeding detrimental to my studies, gifts, comforts & usefulness – all these have been folly – this morning I have found some returning liberty to pray & mourn before the Lord, I hope it is an indication of better times, for whenever he disposes one to seek him, I am sure He is near & ready to be found of me; & I generally find all my other tempers & experiences to be proportionable to the spirit of my prayers, when this prayer is a burthen nothing does me good; but as long as the door of access is kept open & duly attended, I find the joy of the Lord to be my strength, & nothing is suffered to harm me. On the 7 inst I wrote a full account of my situation to Dr. Young, & entreated his good offices, receivd his answer two days since. I am encouragd by his approbation, but he cannot help me. I have only now to appeal to my Lord of [Canten?] & leave the issue with the Lord; for I think upon a refusal there which I am prepard to expect, that I will retract the pursuit, & take up the conclusion Mr. Romaine has already made for me, that it is not the will of God I should appear on that side.

dinsdag 17 juli 2018

Koos van Zomeren -- 18 juli 2004

• Een moord met feodale trekjes en het Waaldorp Herwijnen, het dorp van zijn jeugd, staan centraal in Nog in morgens gemeten, een dagboek over het jaar 2004 van schrijver Koos van Zomeren (1946).

18 juli 2004
Nou vooruit, leuke wandeling, mooi dorp.
Op de heenweg zagen we Arme Kaldenberg fietsen en Gijs de Slager op een bankje zitten en toen er een auto voor ons stopte, werd het raampje opengedaan door Genie van ome Gijs. Op de terugweg kwam ons bij d'n Hoek een niet meer zo jonge man tegemoet fietsen, en zijn vrouw fietste achter hem. Hij stak in het voorbijgaan zijn hand op. 'Van Zomeren!'
'Hoi,' zei ik.
'Wie was dat?' vroeg Iris.
'Ik zou het niet weten,’ zei ik.
'Ik zou het niet weten,' herhaalde ik. 'En ik geef je op een briefje dat die man weet dat ik het niet weet... die zit nu te genieten op zijn fiets.'
Iedereen kan overal op de wereld van alles meemaken, maar voor iedereen zijn er ook dingen die hij maar op één plaats kan meemaken. Dit met die geestige fietser kon ik in ieder geval alleen maar op Herwijnen meemaken.

Ik geloof dat ik ergens gezegd heb dat ik nooit overwogen heb op Herwijnen te gaan wonen. Dat was niet helemaal waar. Ik heb wel degelijk ooit overwogen een boerendochter aan de haak te slaan. Zij zou rijk zijn, ik zou rijk zijn (en boer op de koop toe) – waar anders dan op Herwijnen?

maandag 16 juli 2018

Minka Nijhuis -- 17 juli 2010

Minka Nijhuis (1958) is een Nederlandse schrijfster en journaliste. Tijdens haar verblijf in Afghanistan in 2010 hield ze een dagboek bij, dat later gepubliceerd werd als Weblog Afghanistan. Hieronder de laatste twee dagen daaruit.

15 juli - Afghaanse visvangst
Een dag tevoren hadden de Afghaanse militairen met wie ik op pad was een minibus met explosieven onderschept. Na al dat harde werken was het tijd mij hun favoriete plek te laten zien. Een meer van wazig smaragd waar ze op Afghaanse wijze vissen vingen. 'Ik ben verliefd op mijn land,' zei een van hen terwijl de kogels van een M16-geweer in het roerloze water knalden.
















17 juli - Afscheid
Najib was in een bespiegelende bui. 'Het leven is een gok. Soms gokje goed, soms fout/ zei hij. Misschien kwam zijn stemming door mijn verhaal over de stervende Afghaanse militairen die ik zojuist in het ziekenhuis had gezien. Een vader die in het hospitaal werkte, had min of meer bij toeval in het levenloze lichaam dat alleen nog dankzij een beademingsapparaat op deze wereld werd gehouden zijn zoon ontdekt Of misschien kwam het door de passagier die met ruzie uit een taxi naast ons stapte. Terwijl hij aan zijn mouwloze vest rukte schreeuwde hij: 'Meer geld heb ik niet. Moet ik je soms mijn kleren geven?' Het schokte Najib dat de taxichauffeur na die woorden geen mededogen toonde. Misschien kwam het ook door het naderende afscheid, en ons gesprek over wat vierenhalve maand in zijn land mij aan reportages opgeleverd had. De meesten waren grimmig. Heel grimmig zelfs.
Ondertussen bloeiden de zonnebloemen bij mijn tijdelijke thuis alsof Afghanistan niets dan goeds te wachten stond.