donderdag 20 september 2018

Wilhelm Waiblinger -- 21 september 1821

Wilhelm Waiblinger (1804-1830) was een Duitse dichter en schrijver. Tagebücher 1821-1826. Tijdens een bergwandeling raakt Waiblinger zo bevangen door het landschap dat hij zijn metgezel Valerine probeert te kussen.

21. September 1821
[...] Und als das Brausen und Ungestüme Wogen des aufgeregten Gemüts sich allmählich zur stillen Weh mut und zur heiteren Ruhe des Gefühls verklärte, da schlang ich meinen Arm um ihren Hals, und wir wandelten so, die seligsten Sterblichen, im edelsten Bewußtsein unseres Glücks, dahin und wußten fast nicht, daß wir weiter kamen. Valerine hatte mich noch nie geküßt, und ich glaubte, bei meiner Neigung zu ihr und bei dem, was sie für mich fühlt, genugsam berechtigt zu sein, zumal in einer solchen Stunde, wie die gegenwärtige, eine so milde Gabe von ihr fordern und verlangen zu dürfen. Ich tats mit ängstlichem Herzen, und in allen meinen Zügen schien ein vorherrschender Zug von Ernst und Selbstgefühl auf eine wunderliche Weise vorzuherrschen. Valerine blickte mit unruhigem Auge zu mir herauf, und wiederholte diese Blicke, ja, als ich immer mehr auf die Gewäh rung meiner Bitte drang und sie sogar in die Arme schloß und mit brechendem Herzen darum bat, ward sie gänzlich verschüchtert und schlug mir wiederholt meine Bitte ab. Ich war im Anfang nichts weniger als bestürzt, sondern nur aufgemuntert, mein Flehen kräftiger und dringender zu machen. Aber als alles dies nichts half, und weder Blick, noch Worte, noch Händedruck, noch alle Vorstellungen nichts halfen, da fing's mir an ganz unheimlich in der Seele zu kochen und zu pochen, und die Galle stieg mir immer höher und unheilbrütender, je mehr sich ihr Wider stand vergrößerte. »Sie sind ja so finster«, sagte sie endlich mit leiser Stimme, »und ich so schüchtern!« Da durchzuckte es mich wieder von neuem, wie eine Flamme, ich fiel ihr fast weinend um den Hals: »Valerine, nur einen Kuß!« - »O lassen Sie mich«, ant wortete Valerine, »fordern Sie keinen Kuß, ich bin Ihnen ja gut und von Herzen gewogen, nur fordern Sie keinen Kuß!« - »Und Sie wollen mich nicht küssen, Valerine, Sie? verdien' ich das? belohnen Sie so?« Sie sah mich liebevoll an und sagte ängstlich: »Fordern Sie keinen Kuß.« - »In Gottes Namen«, rief ich, wie rasend, »so fahren Sie hin«, und ließ sie fahren, und taumelte weg, daß mir die Sinne vergingen. Was je einmal gesondert und einzeln als Stolz, Selbstgefühl, als Hochmut und Trotz sich in mir äußerte und zur Erscheinung kam, trat jetzt in mir hervor, und meine ohne hin so unsinnige, oft fast kränkliche Einbildungskraft begann mir ihrer Gewohnheit gemäß eine ganze Hölle von schauervollen Bil dern hervorzurufen und vor das Auge zu stellen, was um so eher anging, als mein Gemüt im Grunde eine ganz vorherrschende Nei gung fürs Ernste, Düstere und oft Allzu-Grelle hat, und, einmal darin verwickelt und verstrickt, durch anhaltendes Brüten und durch fortwährende Bewegung nimmer im Stande ist, ohne fremde Einwirkung sich glücklich abzureißen und herzustellen - Ich will gewiß nicht so bald wieder meine Neigung einem Mädchen zuwen den, die so eigensinnig, so kaltblütig, so undankbar, so fühllos ist, und wie? waren denn alle jene Szenen, wo ihre Neigung so leb haft hervorbrach, nur leeres Gaukelspiel erhitzter Phantasie oder falsche trugvolle Blendung einer buhlerischen Dirne? Unter sol chen Gedanken liefen wir immer neben einander her, ohne auch nur ein Wort zu sprechen, nur daß sie dann und wann furchtsam einen Blick auf mich warf, der aber, im rechten Licht, nichts Son derliches sagte. [...]

woensdag 19 september 2018

Benjamin Franklin -- 20 september 1726

Benjamin Franklin (1705-1790) was en Amerikaanse wetenschapper en politicus, een een van de 'Founding Fathers' van de Verenigde Staten. Tijdens een zeereis in 1726 hield hij een dagboek bij.

Tuesday, September 20
The wind is now westerly again, to our great mortification; and we are come to an allowance of bread, two biscuits and a half a day.

Wednesday, September 21
This morning our Steward was brought to the geers and whipped, for making an extravagant use of flour in the puddings, and for several other misdemeanors. It has been perfectly calm all this day, and very hot. I was determined to wash myself in the sea to-day, and should have done so had not the appearance of a shark, that mortal enemy to swimmers, deterred me: he seemed to be about five feet long, moves round the ship at some distance in a slow majestic manner, attended by near a dozen of those they call pilot-fish, of different sizes; the largest of them is not so big as a small mackerel, and the smallest not bigger than my little finger. Two of these diminutive pilots keep just before his nose, and he seems to govern himself in his motions by their direction; while the rest surround him on every side indifferently. A shark is never seen without a retinue of these, who are his purveyors, discovering and distinguishing his prey for him; while he in return gratefully protects them from the ravenous hungry dolphin. They are commonly counted a very greedy fish; yet this refuses to meddle with the bait we have thrown out for him. ’Tis likely he has lately made a full meal.

Thursday, September 22
A fresh gale at West all this day. The shark has left us.

dinsdag 18 september 2018

Cosima Wagner -- 19 september 1869

Cosima Wagner (1837-1930) was de echtgenote van de Duitse componist Richard Wagner. De fragmenten uit haar dagboeken die handelen over Friedrich Nietzsche, zijn verzameld in Nietzsche contra Wagner. Wagner en Nietzsche waren aanvankelijk elkaars bewonderaars, maar later bekoelde hun vriendschap.
De fragmenten hieronder betreffen een bezoek van Nietzsche aan Wagner, die hem de mantel uitveegt over zijn vegetarische eetgewoonten. Nietzsche zou zich daarop distantiëren van het vegetarisme.

19 september 1869
Koffie met prof. Nietzsche; helaas ergert deze R. zeer door de gelofte die hij heeft gedaan, geen vlees en alleen vegetabiliën te eten. R. vindt dit maar onzin, vindt het zelfs getuigen van hoogmoed, en als de prof. hem zegt dat het toch van ethische importantie is om geen dieren te eten etc., antwoordt R. dat heel ons bestaan een compromis is, dat men enkel kan rechtvaardigen door iets goeds tot stand te brengen. Alleen maar geen melk drinken is niet voldoende, dan kan men beter helemaal asceet worden. Om in ons klimaat iets goeds te doen, hebben wij goede voeding nodig etc. Als de prof. Richard gelijk geeft, maar niettemin volhardt in zijn abstinentie, wordt R. kwaad.

14 januari 1882
Het gesprek gaat over portretten en hij zegt met een kwinkslag dat men hem en mij zou moeten afbeelden terwijl ik hem de appel van het vegetarisme aanbied. Ik zeg dat ik, sinds ik hem tegenover Nietzsche over dit thema heb horen uitvallen, niet meer de moed heb gehad om vegetarisch te leven. R. zegt: ‘Ja, ik weet nog goed hoe hij bij ons kwam, niets at en verklaarde: “Ik ben vegetariër”, waarop ik zei: “U bent een ezel.”'

maandag 17 september 2018

Jeanne Meeter Endt -- 18 september 1944

• Jeanne Meeter-Endt (1880-1971) was een Nederlandse huisvrouw die ten tijde van de slag om Arnhem een dagboek bijhield.

18 September.
De nacht verliep vrij rustig; vanmorgen tegen het aanbreken van den dag begon het lawaai weer. Er was Engelsch afweergeschut in de wei bij ’t kerkje geplaatst, dat richting Arnhem vuurde. ’t Bovendorp bleek lang niet vrij van Duitsche troepen te zijn zooals ’t Benedendorp. Wat daar zich afgespeeld heeft, weten we niet. Tegen 12 uur hoorden we dat Bato’s wijk, ’t Stadhuis, een bolwerk van de Duitschers geworden was, en dat is vrij dichtbij. De kinderen waren de vorige dag zóóveel spektakel gewend geweest, dat ze dit niets vonden en ’t gevaar om buiten te spelen in ‘t geheel niet inzagen. Met grote moeite hielden we ze binnen, en dat was maar goed ook, want ’t huis aan de overkant van de akker was al geraakt; geen persoonlijke ongelukken. De Arnhemsche brug schijnt wel in Engelsche handen te zijn, maar daar in de buurt, op de Rijnkade en de Eusebiussingel wordt hevig gevochten en de stad staat steeds onder vuur. Voor ’t eerst zien we eenige Duitsche jagers in de lucht; ook gisteren waren die niet verschenen. Er komen telkens nog troepjes Engelschen (en ook Hollanders) langs de weg beneden, die chocola en sigaretten en ’t nieuwe Hollandsche geld aan sommigen uitdeelden. Tegen de middag wordt het vuuren wat minder en klinkt het geluid wat verder weg. In Oosterbeek Hoog schijnt nog steeds gevochten te worden, vooral bij Waldfriede en Station. Arme Kochs! En Karel lag nog wel met asthma op bed.
Tegen 4 uur plotseling gejuich in de buurt: dáár komen weer Engelsche zweefvliegtuigen, de supplies, en ook zien we een massa parachutisten dalen in de buurt van Doorwerth. Een prachtig gezicht! Onderwijl hebben we op de radio gehoord dat wij niet de eenigen zijn die bevrijd worden, maar dat ’t een groote opzet is: Eindhoven, Tilburg, Nijmegen en Rotterdam schijnen ook landingstroepen gekregen te hebben.
Tegen 6 uur wordt het rustiger inde lucht. Zou de tegenstand in Arnhem wat gebroken zijn?

Zelfde dag 7 uur.
De stemming is sterk gedaald. Bij nader inzien blijkt ’t bovendorp nog zeer onveilig te zijn, en Arnhem wordt telkens onder vuur genomen. In de Benedendorpsche Weg hebben de Engelschen zich ingegraven; zij schijnen een sterke tegenaanval te verwachten. We horen hier nog steeds mitrailleurs en geweren, behalve ’t Engelsche geschut dat uit de wei achter ’t kerkje Arnhem beschiet. We durven nauwelijk naar de Weverstraat toe. ’t Gas is ineens opgehouden, dus kunnen we ons eten niet gaar krijgen. Een pan met pap van de Chitsen, die ’s middags al warm gegeten hebben, brengt uitkomst. De elektriciteit weigert ook, dus geen radio en vanavond vroeg bed toe.

zondag 16 september 2018

Jean Cocteau -- 17 september 1943

Jean Cocteau (1889–1963) was een Frans dichter, romanschrijver, toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. Een selectie uit de dagboeken die hij tussen 1942 en 1954 bijhield zijn in het Nederlands verschenen onder de titel Dagboek van een duizendkunstenaar (vertaald door Joop van Helmond).

Vrijdag
Wat zou me in het leven allemaal niet zijn gelukt met uiterlijke schoonheid die zelfverzekerd maakt, of zelfs met een doodgewoon uiterlijk. Mij is een bizar uiterlijk ten deel gevallen, dat ik al lang niet meer probeer uit te buiten.
Gedurende twintig jaar heeft iedereen mijn afstotende, grove, hoekige voorkomen als een pose beschouwd. Eigenlijk deed ik alle moeite om de tekortkomingen waaraan ik leed tot het uiterste door te voeren. De benauwdheid van het bestaan maakte me overmoedig. Deze schijnovermoed stelde me in staat ergens binnen te gaan of weg te lopen. Het is waarschijnlijk dat de kluwen van inzinkingen die ik in mezelf bekneld hield zich heeft afgewikkeld door alles op afstand te verwarren. Er zijn minuten dat ik weer rechtop kan staan, alleen, wezenloos, leeg alsof de anderen leefden en ik slechts een schaduwleven leidde. Dan overkomt het me dat ik me aan om het even wat, om het even wie, vastklamp, in geestdrift raak en de illusie wek van een gelukkig en overvloedig leven. De mensen laten me alleen, keren terug tot hun eigen ritme en laten me weer vallen, dood. Het werk wordt me onmogelijk. Ik praat erover, als men er met mij over praat. Als ik weer alleen ben verval ik in wezenloosheid. Bovendien regent het. Mijn zenuwen zijn ontknoopt zonder ontspanning. Ze hangen slap en vangen aan het uiteinde de afgrijselijke golven op die omgaan.

Maarten 't Hart -- 16 september 1999

Maarten 't Hart (1944) is een Nederlandse schrijver. In de Privé Domein-reeks publiceerde hij Een deerne in lokkend postuur. Persoonlijke kroniek 1999.

16 september. Flaubert – In haar dagboek schrijft George Sand op maandag 27 december 1869: ‘Flaubert verkleedt zich als vrouw en danst met Plauchut de cachuc. Het is grotesk; we zijn door het dolle heen.’ En in een brief van 15 maart 1873 schrijft ze aan Flaubert: ‘We zullen je verkleden.’ Op 13 april 1873 schrijft ze in haar dagboek: ‘Flaubert trekt een rok aan en beproeft de fandango. Hij is erg grappig, maar krijgt het na vijf minuten benauwd.’De grootste Franse schrijver uit de vorige eeuw leed ook aan de grote gekte. Zijn uitspraak dat hij zelf madame Bovary was moet letterlijker genomen worden dan ooit werd gedaan. Ook Mark Twain en Denton Welch leden eraan. Of Trollope ooit een rok heeft aangetrokken is niet bekend, maar geen enkele andere schrijver beschrijft met zoveel liefde, zo’n microscopische aandacht en zo’n haarscherp oog voor detail dameskleren. Een schrijver van wie ik ook vermoed dat hij leed aan de grote gekte is Brian Moore. Ook zo’n auteur met een scherp oog voor dameskleding.

zaterdag 15 september 2018

Adriaan Morriën -- 15 september 1986

Adriaan Morriën (1912-2002) was een Nederlandse schrijver. In Plantage Muidergracht zijn ook dagboeknotities van hem opgenomen.
In 1986 maakte hij een vakantiereis naar Portugal. Hieronder het verslag van de vierde dag. Dag een - dag twee - dag drie.


(Maandag, 15 september) Wij logeren in San Vincente de la Barquera, aan de Golf van Biskaje, een stukje voorbij Santander, aan de monding van een kleine rivier die, alvorens in zee uit te vloeien, een kleine baai heeft gevormd, met een paar stukken strand, of grond, die met de komst van de najaarsregens wel zullen onderlopen. Het hotel heet Miramar en ligt buiten het stadje. Wij zijn ondergebracht in de dépendance, een kleine oude afgeknabbelde kerk waaraan een gedeelte is bijgebouwd, met leuke witgekalkte kamers, gelakte houten vloeren, en balkons met houten pilaartjes. Uitzicht over de baai, naar het stadje, en op de tegenoverliggende heuvels en bergen waar nu, tien uur in de ochtend, nog dunne wolkensluiers hangen. Ik werd om zeven uur wakker doordat kleine vissersboten kwamen binnentuffen, een geluid dat ik in mijn slaap al waarnam en eerst niet kon thuisbrengen. Wakker geworden hoorde ik de stemmen van mannen die een nacht op zee zijn geweest, zware tabak roken en een trui aan hebben, mannen met gespierde armen en eelt in hun handen, zoals vroeger mijn ooms. Vannacht scheen de maan op mijn kussen, wat mij heel lang niet is overkomen. Ik kon haar schijnsel aanraken, ontroerd betasten. Ik stond op om naar buiten te kijken en zag een prachtige nachthemel met landschappelijke wolken. Aan de stilte merk je hoe ruim het hier is. Stemmen wedijveren in verwijdering. Op het water liggen vletten, aan een ankertje, veronderstel ik, en ook een mooi zeilschip met twee masten, heel ouderwets. Alles doet mij aan de omgeving van mijn jeugd denken, in een verfraaide zuidelijke uitvoering.

Gisteren, eenmaal goed in Spanje, ging het langzaam op stijgende en dalende wegen, steeds westelijker. Wij zagen een verongelukte auto, nog vers, om zo te zeggen, op zijn kant liggen, met de achterlichten aan. Een Spaanse jongen reed, om zijn vrienden te imponeren, in een open auto bij het inhalen ons knipperlichtje eraf. In Zumaya, ook aan een delta-achtige riviermonding, hebben wij gistermiddag gegeten. Het was volop zomer, met een strand vol mensen op een afstand van vijfhonderd meter. Omdat wij op het eten moesten wachten, en krachtens een van haar mechanismen, dook Janneke, in badpak, als een steviggebeende meermin van de kade het water in {het geluid van de plons gaf haar volume aan), net als de kleine jongens die zich met de aanblik van haar doen en laten vermaakten. De ouders keken nadenkend toe.

Je ziet hier toch wel degelijk veel smoelen, donkerever-draaide gezichten waarvan de onderdelen vaak niet bij elkaar passen, zij het met een ander cachet dan bij ons. Wij zaten op een terras, met veel zondagse families, opgedirkte kleine meisjes en baldadige jongetjes die telkens vermaand en teruggeroepen moesten worden. Ook het gebruikelijke aantal trouwhartig verloofde paren, die innig verstard op een bank zaten, eikaars hand vasthielden, elkaar geregeld dringend in de ogen zagen en converseerden met lange pauzes die van liefdevolle verveling zijn vervuld. Wij hebben ook al een paar ezeltjes gezien, een keer een exemplaar met een ernstig meisje erop, een heel stemmig tafereeltje. In de dorpen, waar wij doorheen rijden, zie je kinderen, naar het voorbeeld van de volwassenen, met elkaar lopen te kuieren en te betogen, met dezelfde tred, mimiek en handgebaren. In een winkel met zelfbediening prees een tengere oude vrouw Janneke vanwege haar kennis van het Spaans. Zij vroeg of Janneke vaker in Spanje was geweest en toen Janneke dat bevestigde, zei zij dat dat heel verstandig van haar was, want op die manier kon Janneke haar Spaans oefenen. Ik hield meteen van die oude vrouw. Zij herinnerde mij aan mijn grootmoeder die net zo helder uit haar ogen keek als zij, even goedgehumeurd en nieuwsgierig was en elke dag de krant spelde om te lezen wat er in de wereld omging. Die gelijkenis werd nog versterkt doordat ook mijn grootmoeder in het zwart ging gekleed, vanwege de rouw om mijn grootvader, en na een lang leven van hard werken niet vadsig of suf was geworden.