woensdag 16 augustus 2017

Jan Maartensz Groen -- 17 augustus 1783

• Jan Maartensz Groen (?-?) beschreef in Dagverhaal der Rampen en Wederwaardigheden van het Volk van het Schip De Jonge Alida (1783) de belevenissen en ontberingen die hij en zijn mede-opvarenden meemaakten toen hun schip nabij IJsland met tegenspoed te kampen kreeg.

Na dat wy dan den ganschen Zomer door het Ys in onze Visschery zeer belemmerd waren geweest, stevenden wy
Den 9den van Augustus, op het gerucht dat ’er om het Zuiden veel visch was, zuidelyk, en passeerden de Kaap Noord. Wy hadden toen goed weer, en vernamen weinig ys, zo dat wy al verder om het Zuiden bleven loopen, en
Den 13den by Grim kwamen, alwaar wy vier dagen met een gelukkig vooruitzicht, door de veelheid der Visch die wy vernamen, vischten. Wy kreegen daar meer Schepen by ons, die ook geen Ys ontmoet hadden.
Den 17den Augustus werd de lucht zo dik en mistig, dat wy ons genoodzaakt vonden, om onze vischvangst te verlaaten. Wy meenden toen oostwaards te loopen, als visschende tot Langernis te komen, en dan onze reis naar het Vaderland aantevangen. Wy stevenden dan ook daadelyk, met ons zeil in top, ’s avonds oostelyk op. Maar het leed niet lang, of het tydstip, waarop onze grootste rampen een aanvang zouden neemen, wierd gebooren, want,
Den 18den, ’s morgens vroeg, werden wy reeds door drie Schepen, die ons ontmoetten, gewaarschouwd, dat wy wenden moesten, zo wy niet in het ys wilden komen. Hoe zeer nu zulks ons ook deed verschrikken, bleven wy echter noch onze cours houden, tot dat wy daadelyk tegen het ys kwamen. Het was toen noch duister en mistig, en wy lagen het over aan de wenk. Toen het dag geworden was, zagen wy ook meer andere Schepen by ons. Wy besloten toen andermaal naar het ys te vaaren; maar daar by komende, vonden wy hetzelve zo vreeslyk dik, dat wy ons in hetzelve niet durfden begeeven; te minder, om dat de lucht ook toen noch zeer mistig was. Wy keerden derhalven met ons vyven terug, zynde die, benevens ons, Teun van Duffelen, Jan van Keulen, Jaap van Blaaderen, en Kees Struis: welke lestgenoemde zedert dien tyd onophoudelyk by ons bleef, en deelgenoot werd van onze grootste elenden. Wy zeilden dan voort, West ten Noorden: ’s avonds bragten wy onze benets af, en lieten het alzo des nachts voor west opsteeken.
Den 19den woei het eene styve koude. Hier kwam noch Alewyn Huiberts by ons. Des morgens, omtrent ten tien uuren, hielden wy derhalven met ons zessen vol, naar de wal toe, met oogmerk om op Heinfort te loopen. Doch naardien de lucht zo mistig was, dat zommigen onzer, hoe zeer wy allen anderzins wenschten in de baai te komen, de wal niet durfden aandoen, laveerden wy weder van de wal af, en lieten het vervolgens ’s nachts, met het schoverzeil, oostelyk opsteeken.

dinsdag 15 augustus 2017

Johann Peter Eckermann -- 16 augustus 1824

Johann Peter Eckermann (1792-1854) was een Duitse dichter, en daarnaast medewerker en vriend van Johann Wolfgang von Goethe. Eckermann is vooral bekend geworden door zijn opgetekende en uitgegeven gesprekken met Goethe (vertaald door Gerda Meijerink).

Maandag, 16 augustus 1824
De omgang met Goethe was de laatste dagen zeer inspirerend, maar ik was met zoveel andere dingen bezig dat het mij niet mogelijk was iets op te schrijven van de vele belangrijke dingen die ter sprake kwamen.
Alleen de volgende details heb ik in mijn dagboek genoteerd, maar de samenhang en de aanleiding ertoe ben ik vergeten.
'Mensen zijn drijvende potten die tegen elkaar stoten.'
' 's Ochtends zijn we het intelligentst, maar ook het zorgelijkst, want ook de zorg is een vorm van intelligentie, alhoewel een passieve. De domheid heeft geen weet van zorgen.'
'Men moet de fouten uit zijn jeugd niet meenemen naar de ouderdom, want de ouderdom brengt zijn eigen tekortkomingen met zich mee.'
'Het leven aan het hof lijkt op een muziekstuk waarin ieder zich aan zijn maten en pauzes moet houden.'
'De hovelingen zouden doodgaan van verveling als ze hun tijd niet met allerlei ceremonieën konden vullen.'
'Het is niet goed om een vorst aan te raden wegens een onbelangrijke kwestie af te treden.'
'Wie toneelspelers wil opleiden, moet oneindig veel geduld hebben.'


• Voor de bejaarde Goethe (1749-1832) was het gesprek een van de belangrijkste vormen van communicatie. In de gesprekken met vrienden en vereerders voerde hij vrijwel dagelijks zijn nog altijd boeiende dialoog met de wereld. Johann Peter Eckermann (1792-1854) deed verslag van deze gesprekken – hij is er beroemd mee geworden.

Nicolaas Beets -- 15 augustus 1834

Nicolaas Beets (1814-1903) was een Nederlandse schrijver. In zijn studententijd hield hij van 1833-1836 een dagboek bij.

Haarlem 15 Augustus. Vrijdag.
Kennisgemaakt met Victor Hugo's Littérature et Philosophie mêlees. Veel waars in dit boek, althans in de Introduction die ik nog niet ten einde bracht. Maar de stijl klatert vreeslijk.
's Avonds met Drost in zijn logement gesoupeerd.
Ik lees hem den geheelen Jose voor; hij mij een paar hoofdstukken uit een door hem begonnen verhaal De Pestzegen .
[Later vernomen hoe deze voorlezingen den onder ons vertrek gelogeerden heer N. uit Rotterdam tot wanhoop hadden gebracht. Hij lag reeds te bed toen wij begonnen, en geen oog kunnende toedoen, had hij de partij gekozen van te gaan luisteren. Een spotboef zijnde en in het bezit van een stalen memorie heeft hij in zijne woonplaats de lieden niet weinig vermaakt met het verhaal van ‘twee dichters, die op hoogst pedanten toon elkander verzen voorlazen en daarop hunne aanmerkingen mededeelden’. Hij had de hoofdzaak en verscheidene passages onthouden en er het noodige bijgehangen. Bij welke gelegenheden onze kostelijke Jose en Pestzegen als onzin en onze dierbare personen als caricaturen schitterden.]

zondag 13 augustus 2017

Jules en Edmond de Goncourt -- 14 augustus 1869

Edmond de Goncourt(1822-1896) en Jules de Goncourt (1830-1870) waren Franse schrijvers en critici, en initiatiefnemers van de zeer prestigieuze Prix Goncourt. Ze hielden samen een (inmiddels zeer beroemd) dagboek bij, dat Edmond na de dood van Jules in zijn eentje voortzette.

14 augustus. Gisteren zei de prinses schertsenderwijs tegen Benedetti, naar aanleiding van de reis van de Keizerin naar Cherbourg: ‘Verdween ze maar onder water, wat zou dat een opluchting zijn! We zouden deze winter een mooie rouw dragen en de zaken zouden er zeer door worden opgeklaard.’
Nadat de prinses vanmorgen de Moniteur had gelezen en kennis had genomen van het feit dat Baudry dank zij de invloed van de Keizerin tot officier in het Légion d'honneur was benoemd, kwam zij, toen zij tijdens een wandeling na het ontbijt alleen met ons in de laan van haar park liep, op de Keizerin terug. ‘Wat me zo verbaast,’ zei ze, ‘is dat ze zich in de loop der jaren geen enkele houding, rijpheid of achtenswaardigheid heeft weten te verwerven! Kleren zijn nog steeds even belangrijk voor haar als op de eerste dag van haar huwelijk... Werkelijk, ze praat alleen maar over kleren. De laatste keer dat ik in Saint-Cloud ben geweest, heeft ze me de japonnen voor haar reis naar Suez laten zien... En dat was het dan! Die reis is voor haar niets anders dan een gelegenheid om vanaf haar stoomschip indruk te maken op een of andere Oosterse prins... Want zij heeft altijd mannen nodig die haar het hof maken, die haar zwijnerijen vertellen, zonder haar jurk te verfomfaaien... Ziet u, zij voert het allemaal zover, als maar mogelijk is. Ze heeft me zelfs eens gezegd dat over vrijwel alles compromissen mogelijk zijn, behalve over waar het allemaal om gaat... En zo kleurloos in haar behaagzucht! Het is net een lichte dame zonder temperament.’
Ze liet haar oordeel neerkomen als de bijl van de guillotine. Daarna vervolgde ze: ‘En geen schaamtegevoel! Spaanse vrouwen weten gewoon niet wat dat is. Toen zij ziek was - want de Keizer heeft jarenlang van haar diensten geen gebruik kunnen maken: zij had een soort likdoorns op die plaats! - wel, het is ongelooflijk met wat een gemak zij zich toen overal liet zien, met wat een gemak zij werkelijk voor iedereen haar rokken optrok!... En daarbij verstond ze niet de kunst zich ooit bij iemand geliefd te maken. Ze heeft nooit enig blijk gegeven van tederheid, ze heeft zelfs nooit haar zoon gekust! De laatste keer dat ik haar zag, had ze allemaal andere hofdames genomen... U moet haar hofdames eens over haar horen! De ene dag overlaadt zij ze met liefkozingen, en de volgende dag worden zij behandeld met een onbeschaamdheid!... Ik moest via Mme Espinasse aan Mme de Lourmel laten weten dat ik niet kon toestaan dat zij daar nogmaals zo over zou spreken als zij erover gesproken had... Die vrouw is niet van Franse afkomst, zij houdt noch van Frankrijk noch van de Fransen... Ik heb gemerkt dat zij zichzelf alleen in acht neemt tegenover buitenlandse staatshoofden. U had haar moeten zien met de keizer van Oostenrijk! In de eerste plaats is ze, op een buitengewoon onnozele wijze, verrukt van alle chic die uit het buitenland komt. Ze wil de vormen en gebruiken van andere volkeren in de Tuilerieën introduceren, ze wil de kroonprins de Pruisische militaire groet laten leren!... En die cultus voor Marie-Antoinette! Wat is dat dom, belachelijk, ongepast! Weet u wat ze in haar kamer heeft? Om te beginnen een portret van haar zuster aan wie ze een hekel had en die ze telegrafisch beledigingen stuurde, - ik heb het van de Keizer gehoord -, dan portretten van Mérimée en van Madame de Metternich, een buste in Sèvresporselein van Marie-Antoinette en een portret van de kleine kroonprins; en op haar tafel een deel uit een Geschiedenis van Marie-Antoinette, die zij nooit gelezen heeft; want zij leest niet, zij is in niets geïnteresseerd... En alles wat zij doet heeft altijd iets schokkends! Weet u welke twee vrouwen zij heeft uitgezocht om voorgesteld te worden aan de prins van Wales toen deze de gast was van de Tuilerieën? Mme de Galliffet en Mme de Canisy! Twee vrouwen om de nacht mee door te brengen!’

Maarten 't Hart -- 13 augustus 1999

Maarten 't Hart (1944) is een Nederlandse schrijver. In de Privé Domein-reeks publiceerde hij Een deerne in lokkend postuur. Persoonlijke kroniek 1999.

13 augustus. Vermageren – In de krant lees ik zowat iedere dag weer dat we te dik worden. Voortdurend klinken waarschuwingen op over overgewicht. En dat terwijl ik nu al een paar maanden lang steeds maar afval. In maart woog ik nog tachtig kilo. Vanmorgen bleef de weegschaal op 74 kilo steken. Het gaat met onzen tegelijk. Telkens is er weer een klein beetje weg. Ik kan nu al mijn ribben voelen. En mijn heupen liggen zowat bloot. Het is net alsof ik langzaam maar zeker van deze wereld verdwijn. Als het in dit tempo doorgaat – zes kilo in zes maanden – ben ik over ruim zes jaar helemaal verdwenen. Akkoord, ik eet niet geweldig veel, vier boterhammen ’s morgens, twee boterhammen plus wat yoghurt tussen de middag, en wat aardappelen of rijst en flink veel groente ’s avonds, maar zo at ik vroeger ook. Toch bleef ik toen steeds redelijk op gewicht. Wat kan er aan de hand zijn? Heb ik aids? Maar dan zou ik mij toch ziek moeten voelen? Dan zouden er toch ook andere symptomen moeten zijn? Heb ik kanker? Maar dan geldt toch ook dat ik mij ziek zou moeten voelen? Ik voel me juist heel energiek, ik kan bergen werk verzetten, onvervaard ga ik dagelijks de groene overmacht te lijf. Bovendien werkt mijn darmstelsel uitstekend. Eerder racekak dan constipatie. Mijn moeder zei altijd dat zowat het eerste symptoom van kanker is ‘dat je niet meer naar de wc kunt’. Nu, daar is geen sprake van. Of komt het door al die q10- en magnesiumpillen? Maar die magnesiumpillen bestrijden stress en onrust. Je zou er juist van moeten aankomen. Misschien is q10 de boosdoener. Een enzym dat de stofwisseling opjaagt. Misschien moet ik dat maar eens een poosje niet slikken.

Sonja Paardekooper -- 12 augustus 1944

• Sonja Paardekooper (1930-2009) hield als jong meisje een dagboek bij van haar tijd in het interneringskamp Ambarawa. Dat dagboek is gepubliceerd als Achter het gedek.

12 Augustus Vandaag is een rare dag. Eigenlijk zou nu de festiviteit zijn van Beylarts verjaardag. Daarom hebben we gister allerlei voorbereidingen gemaakt. Er is een hond gemaakt, ter groote van Beertje, een hond uit het kamp, die nu weggehaald is. Verder zou er poppenkast zijn en nog een heleboel meer. Maar 's avonds heel onverwachts is mevrouw Goossens gestorven. Een vrouw van 29 met drie kinderen, iemand, die ik helemaal niet ken en toch treft het je, omdat 't iemand van ons is, iemand uit dit kamp.
En natuurlijk was 't voorspeld! Boa Boom had namelijk vantevoren gezegd: De brieven overzee, 't vuur in de avond en een sterfgeval. En gisterochtend kwamen er brieven van mannen uit de buitenbezittingen. Maar natuurlijk niet van Pappie en dat trekt Mammie zich zoo aan. Verder kon je gister een bosbrand zien op de berg en toen 't overlijden. En toch wil ik er niet aan geloven, want er is al zooveel gezegd. Dat was vandaag een rare dag, half feestdag en om twaalf uur de begrafenis. Vreselijk, die stille stoet. Ik ben zoo dankbaar, dat het Mammie niet is. Verder hebben we heerlijk eten gehad en toen, na hel eten, zijn alle Blanda-Indo's en die er mee getrouwd zijn opgeroepen. Hun is gevraagd, of ze middelen van bestaan hebben, wat aanleiding geeft om te zeggen, dat ze vast weggaan en dat we misschien al vrij zijn. Ik hoop 't van harte, maar geloven .... En 't leven gaat gewoon door, terwijl er een van ons is gegaan. Voorgoed. En ik begrijp 't niet en wij mensen zeggen boud: " 't Was haar tijd nog niet". Maar dat weet niemand. Misschien was 't haar tijd wel. En de mens weegt en wikt. En God beschikt.

donderdag 10 augustus 2017

David Koker -- 11 augustus 1943

• Tijdens zijn gevangenschap en tewerkstelling in Judendurchgangslager Vught hield David Koker gedurende een jaar een dagboek bij, dat gepubliceerd is als Dagboek geschreven in Vught. Hij werkte in Vught voor Philips, wat hem later in Auschwitz een beschermde positie opleverde. Hij overleed aan de gevolgen van een ziekte.

Woensdag 11 Augustus [1943].
Gisteravond lang gesprek met Alfred. Hij leeft geheel in de vormen van dit kamp, eet alles, uit een soort kwaadaardige ironie. Ik sprak hem over mijzelf, over mijn bewuste geindisponeerdheid tot geluk. Merkwaardig hier een gesprek te voeren, dat op het diepste gaat. Ook over het kamp, waarvan het ellendige is, dat het zo bedriegelijk het werkelijke leven en geluk nabootst.
Max had vandaag brief van Dannie [Andriesse] en was daar een beetje ongelukkig om. Onlangs is hier een politieagent betrapt, die dertig brieven het kamp uitsmokkelde. Vele maatregelen tegen het klandestien schrijven. Gisteravond op appèl drie civiele arbeiders onder toepasselijke toespraak kaalgeschoren en uitgekleed. Voor hetzelfde. Men zegt, dat de brieven van de agent even na de inbeslagname alweer verdwenen zijn.
Op de Moerdijk schijnen twee Häftlinge [niet-Joodse gevangenen?] met twee SS-ers er van door te zijn. 16 uur appèl en 24 uur geen eten.
Een kapo had iets verkeerd gedaan en moest van de Kommandant hippen naar het kamp. Dacht dat niemand keek en hipte het FKL [Frauen-Konzentrationslager] binnen. Kreeg 150 auf 'm Arsch en ligt nu in het ziekenhuis. Op zijn buik waarschijnlijk. Vanmiddag aanname van tien meisjes, waarbij Smit [functionaris van Philips] geen familie aan één band wilde hebben. In tegenstelling tot lijn van dusver. Op grond van het geklets in het vrouwenkamp: Spits en Sanders brengen vriendjes binnen. De Philipsheren hebben derhalve de charitatieve houding tegenover ons, ook de aanmatiging die daarbij hoort. Wij zijn maar joden. En leven maar bij gratie van onze vijanden en onze weldoeners. Ook aanmerking dat vrouwen met hun mannen staan te praten. Philips is van een ongelofelijke fitterigheid. De konfektiebedrijven bemoeien zich veel minder met het personeel zuiver ten goede en ten kwade. Trouwens, de Haftlinge worden veel menselijker en waardiger behandeld. Wij hebben elk recht op een volwaardige behandeling verloren. Alles wat men aan ons doet en wat niet van de Duitsers komt, dunkt ze meegenomen.
Vader vroeg vanmorgen een Unterscharführer, die hij bediend had: 'Wünschen Sie noch etwas?' 'Ja, den Frieden' was het antwoord.