dinsdag 21 november 2017

Hugo Brems -- 22 november 1982

Hugo Brems (1944) is emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de KU Leuven. In 1983 publiceerde hij Onze armoede is doorzichtig als glas Fragmenten uit een Pools dagboek, Warschau 14 tot 28 november 1982.

Maandag 22
Vrijaf nog. Ik ga winkelen. Dit zijn dus de zogenaamde gezellige winkelstraten van het centrum: drie borstels, een kraan, een nachtjapon. Met Kerstmis en Sinterklaas zullen de kinderen hier ook niet verwend worden. In speelgoedwinkels: plastieken beestjes voor in bad, een fluitje, wat houten blokken. In sportwinkels: niet veel meer dan tweedehands ski's en een fietspomp. Niet te verwonderen dat C., wanneer hij de volgende week terugkomt uit België, voor de winkeljuffrouw van zijn slager een pop moet meebrengen (voor haar dochtertje). Zij zorgt er dan wel voor dat hij de mooiste stukjes vlees krijgt.

Dinsdag 23
's Avonds lees ik wat in het boek dat ik van een collega leende. Het is de Nederlandse vertaling van een roman van Tadeusz Konwicki, ‘De kleine apocalyps’. Een boek dat hier verboden is. Ik citeer deze bijzonder juist typerende passage: ‘In mijn land is geen armoede. Op de hoeken van de straten staan weinig bedelaars, en als er iemand bedelt doet hij dat zonder overtuiging. (...) Niemand deelt nog lucifers in vieren en niemand telt nog zoutkorrels.
Lucifers in vieren delen loont tegenwoordig de moeite niet. Nauwelijks een op de drie wil ontvlammen.
Onze armoede is doorzichtig als glas en onzichtbaar als lucht. Onze armoede bestaat uit kilometers lange rijen, uit onophoudelijk gedrang van ellebogen, snauwerige ambtenaren, uit zonder reden vertraagde treinen, een door fatale krachten afgesloten waterleiding, dus gewoon gebrek aan water, uit onverwacht gesloten winkels, een razende en tierende buurman, uit leugenachtige kranten en urenlange toespraken op t.v. in plaats van een sportuitzending, uit de dwang tot de partij te behoren, uit een kapotte wasmachine die je in de staatswinkel hebt gekocht, uit speciale winkels waar je dingen voor dollars kunt kopen, de monotonie van een leven zonder hoop, instortende historische steden, verdorrende provincies en vergiftigde rivieren. Onze armoede is de genade van de totale staat, de genade dank zij welke wij leven.’

maandag 20 november 2017

J. Slauerhoff -- 21 november 1926

Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) was een Nederlandse dichter en schrijver (en scheepsarts). Summiere dagboekaantekeningen van hem zijn gepubliceerd in Dagboek.

21 Nov. Eindelijk, eindelijk weer gewerkt. Dadelijk opgewekt en ontrukt aan de atmosfeer waarin drank, rook, lawaai de vroolijkheid er in moet houden. Nog eens gevoeld hoe 't mogelijk is naast het leven te leven. Door te scheppen; scheppend geen vraag: hoeveel de opbrengst?

                       ----------

Er komt beweging in de slapende. Hij zucht, rekt zich uit en grijpt de pijp en ontsteekt het licht en rookt. Beseft hij mijn jammer? Hij bereidt mij een.
Dit is de laatste toevlucht: de oorzaak van de ellende, de eenigste uitkomst uit de ellende. Al zou ik ook een dag rampzalig zijn, uit de leegte van dit uur wil ik ontkomen en adem, adem in, diep, diep.
Béatitude.
Morgenschemer. S. staat op en rookt tweemaal voor petit déjeuner, drinkt thee en gaat. Service a bord. Ik dommel opnieuw.
Av. Het Astor hotel. De wufte menigt. Het béte paar nog steeds belust, diep teleurgesteld door de onverwacht groote weerstand die hun fatsoen opleverde tegen de zonde-aanschouwing. Poor, poor ones. In vestibule Bos, forlorn, zich vastklampend. Ook deze man Gods belust op vermaak. Let us join the party. Hoe dwaas deze presbyteriaan met deze leege vaten.
Bijbelsch, Amerikaansch, Hollandsch met society chat.
Wat bent U stil, Dr?... Wie zelf nooit zijn mond houdt werpe de eerste steen.
Majestic groot, leeg, koud, groen marmer, ijdelheid, stompheid, Engelsen. Plaza. Volte. De negerin, smoking groen. Charleston, wegschuivend, rythmisch tot in de vingertoppen, stilstaand deinend als een waterplant in wild kort bewogen zee. B-~. Spaansch.
Tiffin bij de kantoorlui. Drank, drukte, gegrinnik, na dessert gesepareerd, schuine moppen. Dolend door de concessie. Prikkeldraad. Chinese life. Europeesch park, zachte zachte herfst. Kinderen, vijvers, perken, paters in prieelen. Is dit China? Ach, een Europeesch vierkantje in gele oneindigheid.
's Avonds toenadering tusschen gezin en vreemdeling. Verwijdering snel. Vroege aftocht.

Ruïne in Old Cathay. Byzantijnsche kunst.
D. v. d. V. mooie mond en oogen, 't neusje minder. Geest nog minder. Jeugd! Schei nou uit, Kokerotje. Haaivangst. Billiton. Koelie-aftocht. Brieven R.H. en Prins!
M. v. d. V. somnabulistisch, Blavatsky-achtig. En Amerikaansch! 's Avonds jeugdiger dan overdag, vooral in 't zwart. Droomt.
B. bericht van overplaatsing. Vragen minder dan vroeger. Bam-boula aan boord. Oostenrijker. Oude dandy (Smirynka, Bahkhof!). Andre ochtend monter, soms doet drank goed.

zondag 19 november 2017

Koos van Zomeren -- 20 november 2004

Koos van Zomeren (1946) is een Nederlandse schrijver. In Nog in morgens gemeten werkt hij dagboekaantekeningen uit 2003/2004 uit.

17 november Neerlandistiek in Oldenburg. Als we Duits spreken is het 'Sie' en betrekkelijk formeel. Als we overgaan op Nederlands is het meteen 'je' en 'jij' en heel ontspannen. Buitengewoon hartelijke en attente mensen, die spitsvondige en naar het ondeugende neigende grapjes maken. Na verloop van tijd realiseer je je dat ze Nederlands zijn gaan doen omdat ze denken dat Nederland leuk is. Wat een pijnlijk misverstand. De schijn ophouden.

20 november Gisteravond - tv uit, bosuil aan. Zijn roep in de bosrand. Toen we op het balkon gingen staan, hoorden we dat er een bosuil was én een bosuil die hem van repliek diende, een tweestemmig rommeltje.
Vanmorgen-natte sneeuw, witte veldjes in de volkstuintjes in Klarenbeek.
Zo verloopt hier de herfst en ik vraag me steeds af hoe hij op Herwijnen verloopt. In de vluchtige beelden van het dorp die me steeds voor de geest komen, is het nog volop zomer. Het uitzicht vanaf de dijk over de Diepe Put, de ligging van de uiterwaarden tussen d'n Oven en d'n Hoek enz. Tegelijkertijd het besef dat je daar niets te zoeken hebt, tenzij je er toevallig woont (wat in juli twee weken het geval was) of werkt (idem).

21 november Milan Kundera (in Onwetendheid): '(...) overdag zag ze voortdurend landschappen van haar geboortestreek voor zich opdoemen. Nee, het was geen lange, bewuste, opzettelijk opgeroepen dagdroom, het was iets heel anders: visioenen van landschappen lichtten plotseling, abrupt, razendsnel op in haar hoofd, om meteen weer uit te doven. Ze praatte met haar baas en ineens, als een bliksem, zag ze een paadje tussen de velden. Ze werd heen en weer geduwd in een metrowagen en plotseling dook er gedurende een fractie van een seconde een laantje in een groene wijk in Praag in haar op. De hele dag bezochten die vluchtige beelden haar om het gemis van haar verloren Bohemen te verzachten.'


zaterdag 18 november 2017

Constantijn Huygens jr. -- 19 november 1689

Constantijn Huygens jr. (1628-1697) was een Nederlandse staatsman. Hij was daarnaast bekend om zijn werk aan wetenschappelijke instrumenten en als kroniekschrijver van zijn tijd.

19 Saterd.
Hoorde 't gepasseerde tusschen Capn Welderen van̅ garde en̅ Milord Pawlet, soon van Myl. Bolton, hebbende den laetsten, naer dat heel droncken zijnde, tot de vr. v. 's Gravemr, gequerelleert [ruzie gemaakt] had met de Hr van Ruyven, soon van̅ Hr van Sterrenburg, eyndelijck sonder eenighe reden, een soufflet [muilpeer] gaf aen Welderen, daerdoor hij seer veel bloets verloor uyt sijn neus, en̅ wierdt noch gearresteert, den anderen daervan exemt [onschendbaar] zijnde, als een member van 't Parlament.

Willem Pieterse Poort -- 18 november 1710

• Willem Pieterse Poort (?-?) schreef Het Journaal en Daghregister van Dirk Jacobsz. Tayses Avontuurelyke Reyse na Groenlandt, gedaen met het Schip Den Dam, in ’'t Jaar 1710 (uitgave 1711).

Den 18 dito waeyden 't sulcken vliegenden Tempeest dat Heemel en Aerden soo men dan seght scheenen aen malkander te zijn, na de middagh nam de windt een weynigh af, savonts in de eerste waght begon 't weer soo sterck te waeyen als ooyt, in de hondewaght nam de windt af en liep n. w. halsden om, setten onse Fock en groot Zeyl by, en namen onse coers z. ten w. kort daer na nam de windt soo sterck aen, dat wy onse Schooverzeyl moesten vast maecken, liepen doe voor een Fock ter lens met een vervaerlijcke windt.

Den 19 dito smorgens nam de Windt af, setten onse Schoover-zeyl by: in de voormiddagh deelden wy onse laetste Broot, dat omtrent vier Beschuyten voor yder Man bedroegh, smiddaghs sagen wy de Zuydt-hoeck van Stadt, en 3 Eylanden daer besuyden, dat is Ornael, Olde en Kien altemael hoogh lant, dogh altemael Eylanden: Olde dat ist zuydelijckste, leggende op de aerdkloots breete van 61 graden 16 breete en 19 graden 12 minuten lengte. Dit Eyland Olde hadden wy z. o. ten o. van ons omtrent 7 mijlen: Nu setten wy onse Groot Marszeyl by en kort daer na ons Voor Marszeyl meede: savonts de wint west-zuyd west, de coers zuydelijk, snagts liep de wint zuydelijk, leyden 't doe over staeg, de coers w. z. w., namen onse Marszeyls in, met reegen.

donderdag 16 november 2017

Hidde Dirks Kat -- 17 november 1777

Hidde Dirks Kat (1747-1824) was een nederlandse walvisvaarder die in 1777 schipbreuk leed bij Groenland. Zijn ervaringen tijdens deze schipbreuk en de vele ontberingen die hij moest doorstaan tijdens de hierop volgende overlevingstocht, heeft Kat opgetekend in een dagboek.

Den 17 November. Ik wist de Wilden in dien tijd te beduiden, dat zij tabak voor mij moesten halen; vermits ik wist, dat er, het zij van nabij, het zij op eenen verren afstand, Christenen op deze kusten moesten wonen. Op sterk aanstaan besloten zij eindelijk hiertoe en namen de moeijelijke reis met hunne snel varende schuitjes aan. Zij gaven mij te verstaan, dat ik schrijven moest. Ik gebruikte daartoe een wit Robbevel en schreef daarop mijnen naam, met vermelding van mijnen toestand, met Robbenbloed.
Ik gaf aan de aanzienlijksten in huis mijn horologie, voorzien zijnde van eene gedreven kas, waarop zij zeer gesteld schenen, tot een geschenk. Hierop gingen zij naar de volkplanting op reis.
Heden ontving ik eenen brief van mijnen Stuurman, die mij meldde, dat Kommandeur MARTEN JANZEN en JELDERT JANS DE GROOT bij hem waren geweest. Zij waren gelukkig om Kaap Vaarwel met twee vrouwe-booten heengekomen.
Doordien de Wilden met deze snelvarende schuitjes in den tijd van 12 uren 20 mijlen kunnen afroeijen, zoo kan men daaruit opmaken, welk een eind weegs zij konden afgelegd hebben, toen zij, na een tijdsbestek van drie dagen, weder terugkwamen. Zij lieten volstrekt niet blijken, dat zij iets voor ons hadden en droegen hunne schuitjes naar hunne woning, waaruit zij mij, uit het achtereinde, eenen brief, benevens pennen, inkt, papier en tabak overreikten. Dit alles kwam van eenen Hernhutter met name JAN SIBRANDS. Het lezen van den Hoogduitschen brief, die door een' Christen geschreven was, veroorzaakte ons groote blijdschap. Dezelve is naauwelijks te beschrijven. Bij dien brief ontvingen wij tevens vierentwintig Eendvogels, die ons grootelijks verkwikten. Doch, wegens gebrek aan zout, waren dezelve min smakelijk. Wij namen daarvoor in plaats Robbenbloed met zout water gekookt, hetgeen ons echter in 't geheel niet voldeed.
De brief van den Duitschen broeder behelsde, dat wij ons onder goede Wilden bevonden; hebbende zij last gegeven aan dezelve, om ons, wanneer de gelegenheid gunstig was, bij hem te brengen. Uit hoofde van slecht weêr en harde vorst bleven wij, na de ontvangst van dien brief, er nog tot den 19 October (No 28.) wanneer wij in den ochtendstond, bij goed weder, met eene vrouwen-boot, onder het geleide van verscheidene mannen en vrouwen, die deels in onze boot, deels in afzonderlijke schuitjes nevens ons roeiden, vertrokken. Des avonds waren wij bijna dood gevroren. Wij kwamen echter in den nacht bij andere Wilden om de Noord behouden aan land. Een der Wilden gaf ons te verstaan, dat hij een Christen was, met name LODEWIJK. Hij bragt ons in den nacht in zijn huis, zijnde hetzelve van het vroeger omschreven maaksel. In dit huis woonden verscheidene huisgezinnen. Ik beschouwde dit alles met verwondering. Aan een' pilaar, waarop het huisdak rustte, zag ik onder andere Duitsche zaken een vaderlandsch spiegeltje. Dit verrukte ons ten hoogste. Het huis verder in oogenschijn nemende vond ik voorts, aan denzelfden pilaar, maar tot mijne droefheid, eene Hoogduitsche Courant. Een mijner vier mannen dezelve lezende vernam ik daaruit, tot mijn innig leedwezen, dat mijn zwager, Kapitein KORNELIS HIDDES, van Amsterdam uitgevaren naar de Middellandsche Zee, door den Turk genomen, en te Larassy in Turkije opgebragt was. Dit verdubbelde mijne smart. Kort daarna kwam de Duitsche broeder JAN SIBRANDS bij mij in huis en verwelkomde mij met groote liefde. Hij nam mij mede naar zijn huis, dat, gelijk hier te lande, van steenen gebouwd was, doch klein, bevattende drie vertrekken. Zijne vrouw reinigde mij van het ongedierte en gaf mij een schoon hemd, dat mij zeer verkwikte. Hier waren drie Duitsche Hernhutters, van welke twee gehuwd waren, hebbende één kind. Wie zal zich een duidelijk begrip vormen van de streelende gewaarwording, welke mijn afgemat ligchaam nu alreede te beurt viel! Dit is in waarheid onbeschrijfelijk. – Eerst verwelkomden zij mij met een glaasje liqueur, daarna in den nacht met melkspijs, welke wij met zilveren lepels aten – vervolgens sliep ik op een zacht bed van veren. – Ach! hoeveel dankbaarheid gevoelde ik wegens dat alles jegens den goeden barmhartigen God, die ons tot dus verre door zijne genade geleid had. Ik genoot dezen nacht goede rust.

woensdag 15 november 2017

Rutger Kopland -- 16 november 1996

Rutger Kopland (1934-2012) was een Nederlandse dichter en hoogleraar. In 1996 gaf hij na zijn emeritaat colleges over poëzie in enige Oost-Europese landen. Hij hield over die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jonge sla in het Oosten. Het onderstaande fragment beschrijft de allerlaatste dag.

16 november 1996
Onze laatste dag. Niets te doen. We gaan naar Krakau. Niet naar het daar dichtbijgelegen Auschwitz. Niet omdat wij 'het' niet willen weten, maar omdat wij 'het' wel weten. Wie het nog niet weet zal er daar ook niet achterkomen. Liever gaan we naar de ongeschonden stad Krakau, waar de nazi's de tijd niet gehad hebben om haar te verwoesten. De plannen lagen keurig klaar, maar de Russen kwamen net iets te vroeg. En Warschau, die grootschalige socialistische treurnis in de motregen en de oostenwind is weinig aantrekkelijk.
De trein voert ons door een landschap dat het midden houdt tussen Twente en Drente, maar dan Twente en Drente uit mijn jeugd. Er wordt nog geploegd met dezelfde dikke paarden als toen, de weggetjes zijn nog van zand, de boerderijtjes nog geen tweede woning. Hier en daar lopen bolronde, gehoofddoekte, gelaarsde, wollige vrouwtjes met koeien over de winterse velden. In de buurt van Krakau begint het landschap de romantische trekken van Zuid-Limburg te vertonen, aangename huizen met prettige moestuinen. Tenslotte echter verdwijnt de landelijkheid langzaam maar zeker in het troosteloze industriële park met oudroest dat ik in die landen inmiddels gewend ben. We zijn er.
Maar wat een stad. De zon schijnt voorzichtig door de licht nevelige lucht, alsof zelfs het licht hier middeleeuws is. Wat doe je zo'n dagje loopt wat rond, drinkt een pilsje op een terras, vertelt elkaar wat je nu eigenlijk van het leven vindt, voelt je wat melancholiek omdat het zo plezierig is ' en eigenlijk al is geweest bijna, het is al bijna die mooie verleden tijd waarin je leeft en je koopt een cadeautje voor thuis. Gewoon normaal.
Terug in Warschau kiezen we voor het duurste restaurant aan de Markt in de oude stad. De portretten in het portaal voor het restaurant tonen wie hier ooit hebben gegeten: Kohl, Mitterand, Doris Day en vele, vele anderen. Hier moeten wij dus zijn. Bij een Schubert strijkend strijkje, met mooie wijnen en een flink bord Pilzen Groszmutter Art nemen we afscheid van deze reis.

17 november 1996
Warschau—Schiphol. Lijkwitte kip met oude sla.