zondag 24 maart 2019

Joseph Banks • 25 maart 1789

Joseph Banks (1743-1820) was een Engelse natuuronderzoeker en botanicus. Hij maakte deel uit van de eerste expeditie (1768-1771) van James Cook, en hield van die reis een dagboek bij.

1769 March 25.
Wind continued much the same but more moderate, few or no birds were about the ship but some sea weed was seen by some of the people, only one bed.

This even one of our marines threw himself overboard and was not miss'd till it was much too late even to attempt to recover him. He was a very young man scarce 21 years of age, remarkably quiet and industrious, and to make his exit the more melancholy was drove to the rash resolution by an accident so trifling that it must appear incredible to every body who is not well accquainted with the powerfull effects that shame can work upon young minds.

This day at noon he was sentry at the Cabbin door and while he was on that duty one of the Capts servants being calld away in a hurry left a peice of seal skin in his charge, which it seems he was going to cut up to make tobacco pouches some of which he had promisd to several of the men; the poor young fellow it seems had several times askd him for one, and when refus'd had told him that since he refusd him so trifling a thing he would if he could steal one from him, this he put in practise as soon as the skin was given into his charge and was of course found out immediately as the other returnd, who was angry and took the peice he had cut off from him but declard he would not complain to the officers for so trifling a cause.

In the mean time the fact came to the ears of his fellow soldiers, who stood up for the honour of their Core 13 in number so highly that before night, for this hapned at noon, they drove the young fellow almost mad by representing his crime in the blackest coulours as a breach of trust of the worst consequence: a theft committed by a sentry upon duty they made him think an inexcusable crime, especialy when the thing stole was given into his charge: the Sargeant particularly declard that if the person acgreivd would not complain he would, for people should not suffer scandal from the ill behaviour of one. This affected the young fellow much, he went to his hammock, soon after the Sargeant went to him calld him and told him to follow him upon deck. He got up and slipping the Sargeant went forward, it was dusk and the people thought he was gone to the head and were not convincd that he was gone over till half an hour after it hapned.

Koos van Zomeren • 24 maart 2004

• Een moord met feodale trekjes en het Waaldorp Herwijnen, het dorp van zijn jeugd, staan centraal in Nog in morgens gemeten, een dagboek over het jaar 2004 van schrijver Koos van Zomeren (1946).

24 maart 2004 Op zondagmorgen verzamelden mannen die niet naar de kerk hoefden, zich bij de Peilschaal, dat zachtgeel gesausde en door een palissade omgeven gebouwtje waar de waterhoogten elke ochtend werden afgelezen door "Willemke Kruis, de machinist van het Herwijnse dieselgemaal. Dan zetten ze hun pet nog eens goed. Dan staken ze hun handen diep in bun zakken en dan kauwden ze nog eens wat op hun tabakspruim en dan bespraken ze wat ze elke: week bespraken. En als er toevallig iets of iemand over de dijk voorbijkwam, wel, dan zeiden ze daar wat van. Je kunt niet zeggen dat deze mannen gelukkig waren. Je kunt evenmin zeggen dat ze niet gelukkig waren.
In Het visconcert schrijft Halldór Laxness ergens: ‘Ik-kan zweren dat ik in mijn jeugd nooit het woord “geluk” heb gehoord, behalve uit de mond van een krankzinnige vrouw.’
Dat was op IJsland. Dat had net zo goed op Herwijnen kunnen zijn. Geluk was er gewoon geen categorie, niet in het spreken en niet in het denken. Tante zei weleens, of vaak eigenlijk, dat ze het goed hadden. Ze hadden elektriciteit gekregen, ze hadden waterleiding gekregen en ze hadden een ouderdomspensioen gekregen – ja, nu zou je zeggen dat het slechts een kwestie van tijd was of ook het geluk zou, waar dan ook vandaan, Herwijnen bereiken. Maar voorlopig behielpen ze zich hiermee: we hebben het goed.

Catharina Schrader • 23 maart 1701

Catharina Schrader (1656-1746) was een Friese vroedvrouw, die bijna 50 jaar haar vak uitoefende. Ze hield een journaal bij waarin ze de bevallingen beschreef.

1701 den 23 dito ben gehalt bij Liwe backer sin wiff Hicke. War Sackie bij har. Vondt het kyndt legen met sijn buckie [buik] vor de geborte, met beyde hanties [handjes] uyt de geborte. Lag ser ingedronge. Hade grotte muytte eer ick de votties [voetjes] kreg. Strickt dar een band om don ick har op het hofft haede. Sette har don wer op har platz, hallde don de votties nae mij, don gleden de hantties vanselfs weg. Mar don ick qwam war het kynt all dodt. De naegebortte sat ook vast. Het war een ser sware gebortte. Godt beware mij vor sullcke schrickliche vorvallen.

1701 den 20 april is hyr een jufferauw van Gullick Staedt gekomen, segende datze de seckretaris van de koninck van Denemarken sijn vrauw war. Hebe har een son gehalt. Ick hebe het ten dop gehauwden en is Jackop geheten.

donderdag 21 maart 2019

Beatrice de Graaf • 22 maart 2013

Beatrice de Graaf (1976) is hoogleraar geschiedenis. In 2013 hield ze voor De jonge akademie een weekdagboek bij. Op 22 maart hield ze haar oratie.

Vrijdag
Het uur u is aangebroken. Kind 1 naar school, kind 2 alvast gemasseerd dat ze vanavond een filmpje mag kijken en een pizza met de oppas mag bestellen (‘die komt op een scooter!’), om de pijn weg te nemen dat de oudste zus wel mag naar de oratie. De baby wordt nog even uitgebreid gevoed en geknuffeld, want die zie ik verder vandaag ook niet meer.
De toga en de baret hangen klaar, een extra panty in mijn tas, nog even naar de stad fietsen om cadeaus voor mijn onmisbare assistentes en ceremoniemeester, alsmede voor de pedel te kopen, en dan ben ik er klaar voor. Mijn hoogzwangere vriendin uit Brussel is gearriveerd, zij zal samen met een andere, even hoogzwangere vriendin, vanavond een stukje muziek spelen tijdens het diner. Ik heb voor vriendin 1 de Frans-Nederlandse bruiloft in Brussel mogen begeleiden als ceremoniemeester, voor vriendin 2 heb ik haar bruiloft met een fagot luister bij gezet, dus we houden elkaar fijn bezig. Ze hebben precies hetzelfde zwangerschapsjurkje aan, met eendere, prachtige, buik, dus het is net alsof ze altijd zo optreden.

In Leiden is het ijs- en ijskoud. En met de zenuwen erbij doe ik niets anders dan klappertanden. Gelukkig mogen we ons in een zijkamertje voorbereiden op het Grote Moment. Mijn ouders komen erbij, dochter 1 is helemaal opgewonden en ligt in een deuk omdat mama erbij loopt als de dominee. Als ik nog even mijn handen ga wassen staat het academiegebouw al vol met mensen, inclusief onze echte dominee. Mijn assistenten hebben een lijst met foto’s van prominenten die op de voorste rij moeten worden gezet, en een lijstje met personen die er niet in mogen, omdat ze bij ons centrum als stalkers bekend staan. Ik moet het van me af zetten, maar eventjes maak ik me nog zorgen of de lijsten niet per ongeluk verwisseld worden en het hoofd van de veiligheidsdienst naast onze stalker-van-dienst komt te zitten. Maar het valt mee. De nationale coördinator terrorisme-en veiligheid zit aan de ene kant naast de directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, en aan de andere kant naast mijn tante Tineke.

Om vier uur word ik opgehaald door mijn directeur, Edwin Bakker en collega hoogleraar Jaap de Hoop Scheffer. Het is wel een erg aardig gebruik in Leiden dat de kersverse hoogleraar eerst wordt toegesproken door de rector, in aanwezigheid van het cortège, voordat de oratie in de aula begint. Dat breekt het ijs en geeft een persoonlijke noot. Maar de zenuwen zijn niet meer in te tomen, ik moet mijn best doen om niet te gaan klappertanden. De nieuwe rector, Carel Stolker, heeft een heel mooi, gedetailleerd verhaal. En dan is het zover. We lopen onder orgelbegeleiding met de hele stoet hoogleraren en wat naaste collega’s de aula in, en ik neem plaats op het spreekgestoelte. Wat een ervaring, om zoveel mensen te zien zitten die ik allemaal ken, en die allemaal zijn gekomen om te luisteren naar mijn verhaal. Ik moet me goed vasthouden om niet duizelig te worden. Maar een paar gezichten springen eruit en lachen me toe. En dochterlief op de eerste rij laat haar hele rol snoepjes vallen en kijkt schuldbewust omhoog. Nu begint het. Het wetenschappelijke verhaal over herkenning en registratie van personen van de vroegmoderne tijd tot het heden eindigt met een persoonlijke noot over de subjectieve betekenis van namen en naamgeving (in tegenstelling tot de objectiverende, veiligheidstechnische). Ik eindig met een gedicht van Neeltje Maria Min dat uitdrukt waar het echt om gaat, op deze dag, in het leven:
Mijn moeder is mijn naam vergeten,
mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.
Voor de hele oratie zie: https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/20648/Oratie%20de%20Graaf%20B.pdf?sequence=2
En dan is het alweer gebeurd: “Ik heb gezegd”. De lezing ging als een roes voorbij, het handen schudden ook. Drie uur later kan ik nauwelijks meer op mijn nieuwe hakken staan. Alles ging goed. De Griekse jazzband zorgde voor sfeer, de stalkers zijn niet op komen dagen, mijn dochter vond het geweldig en is inmiddels met de buren mee naar huis. Alle vrienden en familie waren er, en ook de collega’s hebben zich volgens mij goed vermaakt.

Voor het diner gaan we met een grote groep naar het Prentenkabinet. Ook daar pakt de tafelschikking goed uit en wordt het een gezellig geroezemoes. Greetje en Agnes spelen de sterren van de hemel. De toespraakjes zijn kort en krachtig, de vice-rector Simone Buitendijk houdt een vlammend pleidooi voor minder ‘middelbare blanke mannen’ en meer vrouwen in de wetenschap. Hear, hear. De speech van manlief is de allerleukste. Ik kan het met niet eens meer goed allemaal herinneren, daarvoor moet ik eerst de foto’s nog eens terugzien van de dag. Maar aan elke tafel zitten er leuke mensen en worden er geanimeerde gesprekken gevoerd, over BMW’s, terroristen, baby’s, Duitsland of mensenrechten. Bij iedereen zou ik wel even aan willen schuiven. We eindigen na het diner nog in een barretje, ergens aan het Rapenburg, met de jongere garde collega’s. Ceremoniemeester Liesbeth is terecht apetrots. Wat een prestatie heeft ze afgeleverd, er is niets, maar dan ook helemaal niets verkeerd gegaan, en alles liep gesmeerd. Om twee uur zijn we thuis, waar we nog net wat uurtjes slaap kunnen pakken voordat de baby om 6:15 zijn aandacht weer zal opvragen. Opgelucht en vooral innig dankbaar vallen we in slaap.

woensdag 20 maart 2019

Josep Pla • 21 maart 1919

• De journalen van de Catalaanse schrijver Josep Pla i Casadevall (1897-1981) omvatten zo’n 30.000 bladzijden vol dagboekaantekeningen, reisimpressies, invallen en literaire portretten. Het grijze schrift (vertaald door Adri Boon) bestrijkt de jaren 1918-1920, voordat de jonge Pla als dagbladcorrespondent naar Parijs vertrok.

21 maart 1919
In dit land [Spanje] hebben wij een heel rare gewoonte. Wanneer twee personen elkaar op straat tegen het lijf lopen hebben zij elkaar nauwelijks iets te zeggen. Maar eenmaal afscheid genomen komt ons na zeven of acht passen te hebben gedaan een reeks dingen in gedachten waar we degene die we zojuist hebben verlaten dringend van op de hoogte willen stellen. Dan richten we hard schreeuwend, met aanzienlijke stemverheffing, het woord tot hem, daarbij omstandig met de armen zwaaiend. De ander antwoordt ons logischerwijs door ook te schreeuwen en met dezelfde heftigheid te zwaaien. Daar we ondertussen onze weg vervolgen en we dus steeds verder van onze gesprekspartner verwijderd raken, ontaardt de conversatie in een vreselijk geblèr. Ten slotte is de afstand zo groot dat het praktisch onmogelijk is nog iets te verstaan. Dan zegt men met enorme krachtsinspanning: ‘Nou goed, we praten er nog wel over...
De ander antwoordt als een bezetene: ‘Ja, ja, we praten er nog wel over...’
En als we elkaar dan weer ontmoeten, hebben we niets te zeggen.

dinsdag 19 maart 2019

Geerten Meijsing -- 20 maart 1978

Geerten Meijsing (1950), hier schrijvend onder het pseudoniem Joyce & Co, woont sinds 1979 in Italië. Zijn Venetiaanse brieven en Calabrese dagboeken geven “onontbeerlijke informatie over de interessewereld van een schrijver, die in zijn intieme geschriften veel prijsgeeft van zijn vorming als kunstenaar en zijn opvattingen als platonische demiurg” (zijnde een ‘wereldbouwer’ ofwel een ‘tussenpersoon tussen de godheid en de lagere sferen’).

Venetië, 20 maart 1978
Allemaal voorspelbaar! Het kamermeisje dat mijn bed opmaakt is heel erg mooi (zwart haar, blauwe ogen, blanke huid), heeft een jongensfiguur (bijna platte borst, brede schouders, smalle beweeglijke heupen, géén wespetaille, en een sublieme kont) en heet Gilda! Omdat ik erop sta te ontbijten voordat ik mijn tanden poets en de deur uitga, zit ik ’s ochtends in de keuken van de oude mevrouw die het hotel drijft te wachten tot Gilda van de dichtstbijzijnde bar een dienblad met een kop capuccino en twee pezzi heeft gehaald. De koffie is koud als ze arriveert; op mijn verzoek warmt ze het geheel weer op in een pannetje op het eigen fornuis, waar ze met haar heupen tegenaan geleund staat, gestadig naar mij achterom kijkend, tot de inhoud is overgekookt. De volgende keren neem ik een flink glas spumante bij het ontbijt; daar kan alleen de prik uitgaan, en ik vind het idee niet onaangenaam dat Gilda daarvan elke keer een slok genomen heeft, ‘om niet over de rand te knoeien’. Ik kus haar via dit glas, ik drink dolce. Zij is overigens goed vertrouwd met de weinige intieme bagage die ik bij me heb. Als ik terugkom op mijn kamer, om na een dag in de boeken te zoeken wat ik in ’t echt niet vinden kan, zijn al mijn aantekenschriftjes, foto’s, brieven en boeken op geheel nieuwe wijze gesorteerd; de bovenliggende foto van U op mijn nachtkastje is verwisseld met die van een ander meisje; mijn Chanel vervliegt dubbel zo snel, en niet alleen van mijn wangen.

maandag 18 maart 2019

Willem Pijper -- 19 maart 1921

Willem Pijper (1894-1947) was een Nederlandse componist die ook recensies schreef, voor onder meer het Utrechts Dagblad.

Kerkconcert Petri-Kloos
19 maart 1921 (UD)
Remonstrantse kerk
Willem Petri (orgel) en Max Kloos (zang)
Werken van Bach, Gulbins, e.a.

Ik hoorde Max Kloos voor de eerste maal. Max Kloos schijnt bezig te zijn zich een naam te veroveren en het speet mij steeds dat ik hem niet te horen kon krijgen. Ook thans mag ik hem nog niet definitief kritiseren op een paar liederen van Bach en een aria uit de Matthäus-Passion, met orgelbegeleiding. Ik kan naar aanleiding hiervan nog pas vier of vijf mooie, sappige tonen signaleren, plus een waarschijnlijk wat ongedifferentieerd temperament, plus een vrij onvolmaakte consonantvorming (‘o Noth’, driemaal - de eerste keer met een accent circonflexe, dan met een accent grave, dan met een accent aigu en een doffer staartje. Kloos wist best dat hij knoeide, want in het tweede coupletje was het op dezelfde plaats in orde!). Een Bach-zanger: sterk, fantastisch, helder, hartstochtelijk en geresigneerd, toonde hij zich nog niet. Het was meer een prekende dan een verkondigende Bach en het was nogal eens zalvend ook. Zalvend gaat men een ernstige muziek spelen of zingen als men er geen weg meer mee weet (of: nog niet mee weet). Ik vermoed dus dat de heer Kloos zich psychisch nog geducht zal moeten ontwikkelen voor wij meer in hem zullen kunnen zien dan een veelbelovend zanger. Zijn wezen lijkt me op het ogenblik ook nog meer dat van een zoeker naar de expressie dan van een doorgloeid vinder der scheppingen. Wat voorzichtig, wat esthetisch. Nog niet rücksichtslos, doelbewust, gehallucineerd - en dan meeslepend.

Van Petri hoorde ik slechts opus 58 van Max Gulbins ‘Für die Passionszeit’: één gefigureerd koraal met een moorddadig ritme (trochaius), één ‘modern’ geharmoniseerde reeks opmaten, buitengewoon onsamenhangend (Karg-Elert), één herinnering aan Brahms' Es ist ein Ros' entsprungen. Bruikbare orgelmuziek.