woensdag 26 april 2017

Richard Grayson -- 26 april 1971

• De Amerikaanse schrijver Richard Grayson (1951) houdt al bijna zijn leven lang een dagboek bij. Fragmenten uit de jaren '70 staan hier online.

Monday, April 26, 1971
Neil Lefkowitz was on the Flatbush Avenue bus to BC this morning with me and he talked about the SDS’s own little demonstration in Washington. There are new demonstrations planned: nonviolent civil disobedience and such.

Ray and Lou are driving a van down to D.C. on Saturday, though I think too much of that sort of thing may be counterproductive.

Elspeth wasn’t speaking to me this morning. She had a different story about what went on in Washington than Shelli did, and she was angry that we told Aaron that she was no longer supporting him. I was upset by Elspeth, but as Gary said, consider the source.

Scott and Avis had a fantastic time spending the weekend together. Each of them separately told me that they really liked the other.

In Poli Sci, we discussed the Japanese political structure and the Liberal Democratic Party, and in Russian, Prof. Roberts lectured on Saltykov-Shchedrin. After class, I met Gary, Shelli and Ivan (wearing one of his more outlandish outfits), and we had lunch in the Faculty Dining Room.

Gary said he was stoned at Fort Dix all weekend on National Guard duty, and that Kjell, now that he’s been called up for basic training with the Reserves at Camp Campbell in Kentucky, is really depressed and withdrew from school for the term today. Later, I tried to call Kjell but he wasn’t home.

Ivan was his usual conceited self; even Shelli is getting tired of his attitude. She had to give a speech today, and I walked her to class beforehand. Then Joel collared me and asked me to take minutes at the Finance Committee budget meeting.

Dean Archie MacGregor spoke for the Office of Student Activities; Larry Eisenberg for Kingsman; Fred Horowitz for WBCR; and Bob for Student Government.

Joel and Bob are trying to eliminate the chaos of last term, but whenever you’re dealing with allocating this much money, you’re in trouble.

I couldn’t find Shelli after the meeting, so after I talked with Mason and Mikey, who are wavering in their support of Leon, I went home to do some schoolwork.

Shelli called later, saying she’d spent a miserable afternoon with a talkative Timmy to get campaign leaflets from the printer in Williamsburg. After she came over, we took a drive to Rockaway.

Back in my bedroom, we almost went all the way tonight, but she cried out in pain when I thrusted too deeply. It was still “the best thing we’ve done,” she said, and I agreed.

She’s teasing me by saying she has a crush on Evan now.

maandag 24 april 2017

Cosima Wagner -- 25 april 1878

Cosima Wagner (1837-1930) was de echtgenote van de Duitse componist Richard Wagner. De fragmenten uit haar dagboeken die handelen over Friedrich Nietzsche, zijn verzameld in Nietzsche contra Wagner.

25 april 1878 Rond de middag ontvangen we het nieuwe boek van onze vriend Nietzsche [Menschliches, Allzumenschliches; Ein Buch für freie Geister] – ik blader het even door, maar het staat me al meteen tegen. R. meent dat hij de auteur een goede dienst bewijst – waarvoor deze hem later dankbaar zal zijn – als hij het niet leest. Mij dunkt dat er veel woede en verbittering in steekt, en R. moet hartelijk lachen als ik hem zeg dat, als er iemand is die de Geburt der Tragödie niet zou hebben begrepen, dat het dan de in dit werk zo gevierde Voltaire is.

27 april 1878 We hebben ons heilig voorgenomen het boek van Nietzsche niet te lezen, een boek waarvan de curiositeit maar al te pervers in het oog springt.

29 april 1878 Het valt ons zwaar om niet af en toe te praten over het trieste boek van onze vriend N., hoewel we de inhoud op grond van enkele fragmenten eerder vermoeden dan werkelijk kennen!

30 april 1878 R. had een goede nacht. Het beklagenswaardige boek van N. is voor hem een aanleiding mij toe te roepen: ‘Wij blijven elkaar trouw.’

30 mei 1878 Tijdens de koffie komt hij [R. Wagner] terug op prof. Nietzsche en zijn boek, dat hem zo onbeduidend voorkomt, terwijl het gevoel dat eraan ten grondslag ligt, zo boosaardig is.

24 juni 1878 R. leest wat in het boek van Nietzsche en verbaast zich over de pretentieuze alledaagsheid. ‘Ik heb het idee, dat de omgang met Rée hem beter bevalt dan die met mij.’ En als ik opmerk dat dit boek in vergelijking met N.’s eerdere werken slechts reflexen bevat, en dat deze niet van binnenuit komen, zegt hij: ‘Het zijn nu alleen nog maar Réekleckse!’ [letterlijk vertaald Rée-vlekken, woordspeling op reflexe]

25 juni 1878 R. had een goede nacht; hij gaat met de kinderen en de honden in de kasteeltuin wandelen en begeeft zich vervolgens met het boek van prof. Nietzsche, dat hem vanwege zijn laag allooi danig tegen de borst stuit, ter ruste. 26 juni 1878 [...][R.] maakt met de kinderen zijn gebruikelijke wandeling naar de fontein; dan leest hij verder in Prof. N. [...] ’s Avonds grasduinen we wat in het bedroevende boek van N. (‘het is een twijfelachtige eer, ooit door deze man te zijn geprezen!’).

27 juni 1878 Het boek van N. verleidt R. tot de boude bewering: ‘Inderdaad, kunst en religie zijn slechts het overgebleven staartbeen van de aap in de mens, het rudiment van een oude cultuur!’

28 juni 1878 R. ligt te rusten en leest N., terwijl ik de kinderen les geef.

29 juni 1878 De kuur vermoeit hem [R.] zeer, hij klaagt over oorsuizingen. Ik betreur het dat hij niettemin in dat inferieure boek van N. blijft lezen, hoewel hij beweert dat het hem niets doet. [...]

21 juli 1878 R. heeft in alle vroegte onafgebroken aan zijn opstel [‘Publikum und Popularität’] gewerkt, en met veel plezier; hij zegt dat hij Nietzsche onder handen neemt, maar op een zodanige manier dat iemand die niet volledig is ingewijd, er niets van merkt.

zondag 23 april 2017

Emma Thompson -- 24 april 1995

Emma Thompson (1959) is een Britse actrice. In 1995 hield ze een dagboek bij tijdens de opnames van Sense and Sensibility, een film naar het boek van Jane Austen, van regisseur Ang Lee.

MONDAY 24 APRIL: New location: the front room of Mrs Jennings's London house is being shot on the Flete Estate, in the owner's home. The rest of Mrs Jennings's house will be shot in Salisbury. Most locations on film are a composite of several buildings — it's rare to find everything you need in one place, and Ang is very particular about the dimensions, colour and light in a room.
Lunchtime. Long rehearsal with Imogen Stubbs as Lucy, in the scène where Edward comes in and finds her with Elinor. There are eighteen set-ups. (Each shot is referred to as a set-up. We tend to shoot anything up to ten takes on every set-up. The number of the take is written on the clapperboard, or 'slate', and sometimes a shot will.be called a slate.) It will take two days. Hugh won his Bafta for Four Weddings and was good in the scène. Bastard.
8.30 p.m. Home to Alston Hall. Raining. Soup, glass of wine. Very difficult scène and all a little tired but good concentration nonetheless. Four people in a room, each with entirely different motives and reactions to the same situation, requires a lot of coverage. Ang's taken to requesting what he calls 'smirks'.
'Endearing smirk, please' — which I find pretty tricky.
'Try rigorous smirk' — even trickier. I give it a go but end up going purple with the effort. Very little appetite.

TUESDAY 25 APRIL: Grey 6 a.m. We continue the scène. It's Hugh's close-up. After several takes, Ang said to Hugh, 'Now do it like a bad actor.' Hugh: 'That was the one I just did.'
[...]

Augustus Henry Irby -- 23 april 1860

Augustus Henry Irby (1808-1861) was een Britse legerofficier. Hij schreef The Diary of a Hunter from the Punjab to the Karakorum Mountains, over een tocht die hij maakte.

23rd April. To Chungir-ke-Serai—a long and tedious march, the path leading over rocks which hedge in the river, on turning an angle of which I overtook Abdoolah, who had preceded me with the breakfast things, standing gazing back in my direction. I told him it was not yet time for breakfast, supposing that to be his meaning, when he pointed upwards, and, suspended from the projecting limb of a tree, some little way up the hill shutting in the river, hung the still-mouldering body of a man, his lower limbs still in his clothes, the ghastly face denuded of flesh, yet with a matted felt of hair straggling here and there over the glistening bones, grinning horribly down upon us.

This wretch, it appeared, had in the most treacherous, barbarous, and cowardly manner murdered an old man and child, close to the spot where he expiated his crime. Being a sort of rural policeman in the employ of the Maharajah, he was armed with a sword, which, of course, excited no suspicion in his victims, whom he joined on the road as they journeyed from Nowshera, and ascertaining that they possessed a few rupees' worth of property, the miserable caitiff, yielding to the suggestions of the Tempter, cut them down, and threw their bodies into the river. Suspicions followed their disappearance: other circumstances pointed to this man, who was arrested, and confessing his guilt was executed where the bloody deed was committed.

I left this gloomy spot full of reflections of the most depressing nature: but with that rapidly revolving mental process, which so soon exchanges our train of thought, I was soon almost as though the repulsive object had not been met with.

I soon afterwards arrived at a pool, where I proposed stopping to breakfast, and also to fish, having in this pool, when passing last year, whilst occupying a seat on a rock overhanging it, observed some monstrous great fish basking; for it was a scorching hot day, and the sun at high meridian at the time.

I tried the 'atta' bait—merely paste made very adhesive—but without more than one or two nibbles which came to nothing: so knocked off and comforted the inner man. While so employed, came by a 'gent' riding, whom I saluted. I knew him to be in my rear, proceeding to join the Trig. survey party which was before me some days: asked him to dinner, and he accepted.

Arrived at Chungir-ke-Serai, an old Akbar serai, on the top of a hill overhanging the river—a fine view of the snowy range—the features of the country rough, but picturesque. I tried fishing again without success: enjoyed a cool swim: returned and had to wait about three-quarters of an hour for my guest, although he was close at hand, and I sent to him two or three times. But, lo! he at length appeared, got up rather considerably, quite abashing me, who was sitting in a flannel shirt and corresponding nethers. We had a pleasant chat together. He informed me that he had never been out of India, was born in the country, and educated at Landour, whence he was appointed direct to the Survey department. I do not know his name.

zaterdag 22 april 2017

Onno Bosma / Ella Vogelaar -- 22 april 2008

• Ella Vogelaar (1949) was in 2007-2008 Minister voor Wonen, Wijken en Integratie in het kabinet Balkenende IV. Met haar partner Onno Bosma hield ze een soort gezamenlijk dagboek bij, dat later gepubliceerd werd als Twintig maanden knettergek. Ze zal vooral herinnerd worden door haar akkefietje met Rutger Castricum van GeenStijl, zie hieronder.

DINSDAG 22 APRIL 2008 - (GeenStijl)
Het publieke oordeel over je ministerschap wordt snel negatiever. Dat Istha tegen jouw zin is benoemd ter ondersteuning van Jacqueline, sneeuwt helemaal onder. In NRC Handelsblad staat een cartoon in de serie Worst Kees Scenario's in de vorm van een nieuw blad Ella met op het omslag een 'door Istha verzorgde' make-over van je gezicht. Erg mooi gedaan, ik laat de plaat in de copyshop vergroten en hang hem ingelijst aan de muur. Mooi, maar ook tekenend voor de stand van zaken. Verder is er opwinding 'op de Haagse postzegel' (jouw woorden) over een filmpje van GeenStijl. Een ploeg van deze ordisite wachtte je vorige week op tijdens een bezoek aan een park in Utrecht. Je kreeg hatelijke vragen over Istha en koos ervoor geen antwoord meer te geven toen hij bleef doorzuigen, na een paar keer te hebben gezegd dat je geen spindoctor hebt. Je bleef daarbij onbewogen in de lens kijken. Niet op reageren, Lena. Dapper geprobeerd, maar het komt over alsof je helemaal dichtklapt en dus pakt het verkeerd uit. Je krijgt er veel kritiek op. Toen Muike gisteravond thuiskwam begon ze er meteen over: mensen op haar werk en haar zonen, beiden journalist, hadden bezorgd gebeld over 'hoe erg' dit was. Ik zei venijnig dat ik het helemaal niet over deze onzin wilde hebben. Toen ze volhield dat sites als deze tot de jeugdcultuur behoren en dat je je daar als minister mee moet verhouden - wat natuurlijk waar is - werd ik boos. Later hebben we het uitgepraat.

Tijdens de wijkbezoeken, gisteren in Eindhoven, valt er niets te merken van de scepsis: waardering alom. Maar je ervaart er ook hoe stroperig de relaties tussen de instanties zijn die de verbeteringen moeten realiseren. Jarenlang overlast van een groep jongeren, vier of vijf instellingen die het probleem kennen en niet in staat tot een effectieve aanpak. 'Iemand moet dan de kop nemen. En die ontbreekt dan.' Je zegt het vlak voor we inslapen. 'Ik kan dat natuurlijk niet zelf doen. Ik kan alleen maar zeggen dat het moet gebeuren.' Inderdaad El, de wereld is niet erg maakbaar, zelfs niet voor een minister. En dat besef kan zo nu en dan zwaar drukken.

donderdag 20 april 2017

Pitirim Sorokin -- 21 april 1917

Pitirim Sorokin (1889-1968) was een Russische (later Amerikaanse) socioloog. Selecties uit zijn dagboeken zijn in het Nederlands verschenen als Bladen uit een dagboek (vertaald door Tinke Davids).

 21 april 1917
Vandaag hebben we een echt voorproefje gekregen van wat de opstand van het gepeupel inhoudt. De nota van het ministerie van buitenlandse zaken waarin werd meegedeeld dat de Voorlopige Regering alle verdragen en verplichtingen van Rusland met de geallieerden gestand zou doen, werd fel aangevallen door de sovjets en door de Bolsjeviki, die hierin een verklaring zagen ten gunste van 'annexaties en brandschatting' en van oude imperialistische ambities. Voor ieder redelijk denkend mens is het absurd te spreken van 'annexaties' door een Rusland dat al halfdood is. De ware bedoeling van de aanval was natuurlijk de 'bourgeois'-regering ten val te brengen. Honderden propagandisten houden redevoeringen, overal in de stad, ze protesteren en roepen op tot demonstraties. Honderdduizenden proclamaties die vragen om opstand en het ontslag eisen van Miljoekov en andere 'kapitalistische' ministers, hangen in fabrieken, kantoren, kazernes en op de muren. Overal worden vergaderingen gehouden, in de open lucht en binnenshuis. Behalve bolsjevistische sprekers zijn er anderen die het beleid van de Regering verdedigen. Gewelddadige toespraken worden vaak gevolgd door vechtpartijen. Vandaag kwam omstreeks het middaguur het gerucht dat twee regimenten, in volle wapenrusting, uit hun kazernes waren vertrokken om de relschoppers bij te staan. Er werd geschoten. Overal plunderden misdadigers de winkels. Die situatie leek op die van de eerste dagen van de antitsaristische revolte, maar destijds waren burgers nog in staat geweest de massa onder controle te houden. Gisteravond laat zijn de relschoppers voor een tijdje verjaagd, maar hun doel hadden ze al bereikt. De Regering heeft meegedeeld dat Miljoekov wordt ontslagen. Dat betekent in feite dat de Regering is gevallen, want deze' eerste concessie aan het gepeupel en de Bolsjeviki is het begin van het einde van de Voorlopige Regering. "We leven allemaal op een vulkaan, en elk moment kan er een eruptie komen. Geen aangenaam idee, maar stap voor stap slagen we erin ons aan te passen. In elk geval is het hoogst interessant.
[...]

woensdag 19 april 2017

Alfred Kazin -- 20 april 1956

Alfred Kazin (1915-1998) was een Amerikaanse schrijver en criticus. Delen uit zijn dagboeken zijn gepubliceerd als Alfred Kazin's Journals.

April 20, 1956
The trouble with most critics is that they think like men in a corner; they can deal with a work only at close quarters, by commenting on what is put directly before them. If the art of criticism means anything, it means the gift of primary thinking, of originality, which puts a principle where we did not know one before; which establishes laws, which overhauls custom. [...] The greatest critics are either the primary philosophers of art, like Aristotle, or the wisest of craftsmen in dealing with their fellows, like Eliot, or the sages of life in general and of the artistic faculty in particular, like Johnson, or the innovators like Coleridge. The most useful of critics are the real kenners of fellows' work, like Matthew Arnold, those who hold a whole art in their hands and make you see all its possibilities in their pages. There are also entertaining critics (destroyers of a festering tradition) like Shaw; true spiritual critics or upholders, like Emerson or Lawrence .... But the greatest of critics are those who restore to us a conscious reason for liking what we like, for disliking what we (dis)like, who practice the art of judgment and analysis, the empirical arts of criticism and all the time lift this empirical work into universal significance, who connect it with systematic human knowledge.