donderdag 20 februari 2020

Frederik van Eeden • 21 februari 1913

Frederik van Eeden (1860-1932) was schrijver en psychiater. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.
De dood van zijn zoon Paul (hij overleed aan tbc) greep Van Eeden bijzonder aan. Hij schreef er een boek over: Paul's ontwaken.


vrijdag 21 februari
Het teeken is gekoomen. Niet alleen innerlijk maar ook uiterlijk, zoodat elk het zien moest. ▫ Het verheerlijkte gezicht van mijn lieven jongen in zijn stervensoogenblik. Dat was booven alle twijfel verheeven. Dat moest ieder die zien kon tot geloof brengen. ▫ Hij bad en hij zag. Hij zag iets wonderheerlijks en moois. En in 't gebed steeg hij in 't beetere land. God nam hem tot zich. Tot de laatste seconde bleef hij helder en in contact met ons. Hij zag een oogenblik vizioenen. Toen liet hij mij roepen. Als ik maar in de kamer was, bleeven ze weg. Hij zag ook een vizioen dat de zuster hem plaagde. Toen zei hij op zijn liefste toon: jij mij plagen! ▫ En daarna zei hij dat hij ‘niets meer begrijpen kon’ en ‘niets meer wist’. Toen zei ik hem geduld te hebben. ‘Nu moest het toch koomen’ zei hij ‘nu moet het toch gebeuren!’

En toen gebeurde het. Hij vouwde de krachtelooze handen, de oopen mond ging dicht en preevelde, de oogen gingen wijd oopen en kreegen een uitdrukking van extaze, en verrukking. Toen hield teevens de adem op, en hij gleed oover in het beetere land zonder snik, zonder convulsie. Doodstil, in extaze. ▫ Prachtig was de uitdrukking van zijn gezicht. Martha, Hans en de zuster zeiden allen: nu zijn wij allen blij. Nu is Paul gelukkig.

De lange wacht bij de agonie was vreesselijk. Ik kon het niet meer uithouden. Van Donderdag avond tot Vrijdag namiddag duurde de kamp, misschien nog erger voor ons wachtenden dan voor Paul zelf. Midden in den nacht zei hij: ‘jelui verveelen je zóó. Ik kan het niet helpen dat het zoo lang duurt.’ ▫ En toen het daglicht kwam, zei hij: van avond lig ik nog zoo. ▫ Kort voor zijn verscheiden sprak hij ons allen aan, en zei tot mij op zijn liefste, vleiendste toon ‘lieve, zòete vaatje!’ ▫ O dat zeegenrijke geluid voor me. En ook zijn moesje en Hans kreegen dank en liefde woorden van hem.

‘Zusje hoort er ook bij’ zei hij. En teegen mij: ‘Zul je haar als een dochtertje behandelen? Ze hield veel van me. Ze moet nog eenige dagen in huis blijven.’ ▫ En teegen zuster Obbes zei hij, nog geen uur voor het einde: ‘Je beedelde altijd om die schilderij met de muiltjes van Lizzy Ansingh, nu zul je die hebben.’ ▫ Gister avond dicteerde hij mij alle namen van persoonen aan wie hij een afscheidsgroet wilde zenden. Ik was daarbij nerveus. En dan zei hij zoo rustig: ‘geduld! Het moet langsaam koomen.’ Hij was veel rustiger dan ik.

Van middag zei hij ‘Vader is mijn geest geweest’ en dat herhaalde hij nog eens ‘Vader is mijn geest geweest.’

Ook gaf hij op wat er met zijn eigendom gebeuren moest. Het speelgoed voor mijn kinderen. De boeken mocht ik met Martha naar goedvinden verdeelen.

Eergister al zei Paul dat hij of in Noordwijk wou liggen, bij de zee, of in Bussum, waar moeder bloemen kon planten op zijn graf. Moeder komt zeeker bij me, zei hij. Bij de spoor was het misschien zoo ongezellig, ik moest het maar eens gaan uitzoeken, en moeder laten beslissen. Hij hoefde het niet te weeten. ▫ Er moesten geen bidders of dragers zijn bij de begrafenis. ‘Ik wil door liefde gedragen worden, ik heb vrienden genoeg.’ ▫ Ook geen circulaires met rouwranden. ‘Dan nog liever een gouden rand’ zei hij.

Onbeschrijfelijk aandoenlijk alles met de zachte fluisterstem, de engelachtige glimlach, de krachtelooze gebaren.

In de lange nacht was ik radeloos. Ik kon het gemartel niet langer harden, en vroeg Daelmans er een eind aan te maken. Maar dat mocht die natuurlijk niet doen en dat was goed ook. ▫ Want nu stierf hij volkoomen bij besef, op de eedelste, schoonste wijze, in innig gebed. Zoo duidelijk zag hij verrukkelijke dingen dat wij allen diep getroffen waren. ▫ Alleen als hij me vroeg de vizioenen te verdrijven, dan werd ik rustig. Maar de nacht en dag voelde ik als de duldeloos vreesselijkste van mijn leeven. ▫ Maar toen de verlossing en de verheerlijking kwam zeegende ik den lieven heiligen Paul voor zijn kostbaar geschenk. Hij gaf mij zeekerheid. ▫ ‘Je bent verder dan ik’ zei ik teegen hem in den nacht ‘voor jou is het ergste al geleeden en de schrik al ooverwonnen.’ ▫ Nog niet geheel’ zei hij toen. ▫ Maar het werd geheel. ▫ Ik bad voortduurend zoo goed ik kon. Maar ik was vol onrust en zeer zenuwachtig. Met enkele oogenblikken van genade. En het zalige slot. ▫ Ik voelde eerbied voor Paul, en nu denk ik met eerbied aan hem. Hij is nu heilig en gewijd in mijn gevoel. En hij heeft mij groote zeegen gebracht.

woensdag 19 februari 2020

Arjen Duinker • 20 februari 2009

• In februari 2009 was dichter Arjen Duinker in Nicaragua voor de vijfde editie van het Festival Internacional de Poesía. Hij hield een dagboek bij dat gepubliceerd is in Awater: Dagboek buitenland. Viva Nicaragua! Viva la poésia!

Vrijdag 20 februari
Ontbijt met Lelawattee uit Trinidad en Tobago. Vandaag lees ik drie keer. De dichters, verdeeld in groepjes van vijf of zes, gaan naar andere plaatsen, de meeste redelijk in de buurt. Ik met Lía en Floriano de Braziliaan en Benjamín en de Taiwanees naar Niquinohomo. Geboorteplaats van generaal Sandino. Een menigte wacht ons op. Muziek alom, mannen, vrouwen, kinderen, klederdracht, bloemen. Burgemeester, loco-burgemeester, fotografen. Toespraak. Gezamenlijk een krans leggen bij het standbeeld van El General de los Hombres Libres. Iedere dichter een meisje als escort, felkleurige pracht, met grote fruitmand waarin voor mij een Nederlands vlaggetje. Door een haag van mensen in langzame optocht naar de befaamde kerk van Santa Ana. Uitleg door de burgemeester, poseren voor foto's. Het meisje naast me bloost, ik vraag hoe ze heet. Karina. De muziek laait weer op, wij naderen nu het parkje voor de lezingen. Publiek beschermd tegen de zon, wij in een soort muziektent. Toespraken. Het Nicaraguaanse volkslied. Overhandiging van een beeldje van Sandino aan de dichters door steeds iemand anders uit het publiek, foto's. Meisje in klederdracht op blote voeten danst voor ons. Dan lezen, ieder drie gedichten. Overhandiging van de fruitmanden aan de dichters, foto's. Tweede keer lezen, ieder een gedicht. Meisje danst opnieuw, stralend. Kinderen uit het publiek lezen gedichten voor ons. Dankwoord door de burgemeester. Volkslied. We lopen naar het cultureel centrum. Drukte van belang, iemand zegt ‘hierheen, hierheen’. Plotseling oog in oog met jonge vrouwen die alleen al opvallen vanwege hun sjerpen. Ik geef de eerste een hand, kus haar, zeg mijn naam. De tweede, derde, vierde, vijfde... de een nog mooier dan de ander. Ik verzwijg drie seconden eeuwigheid met een van hen, de zestien kandidates voor de kroon van Miss Nicaragua. Oef. Fantastische lunch in de tuin, met zang en dans. Bevroren blikje bier. Terug in de bus. Halfuur niks. Dan nog geheel en al duizelig lezen in het Colegio, jongens en meisjes in schooluniform, geestdrift. We krijgen insignes opgespeld. Pret en bier met Torgeir en Ali. Douchen. Naar La Merced voor mijn derde lezing van vandaag, het voorplein vol met mensen, het donker zoemt. Het afsluitende concert hoor ik niet meer. Ik banjer een beetje rond en drink voor het late eten eerst nog een biertje op het terras van het café, de jongens in de bediening daar grijnzen vrolijk, Salah komt erbij zitten, Natalie, Julie, Eduardo, Soledad, Víctor de Cubaan, Mario, Lía, een paar jongens en meisjes van het festival. Gekwetter, gebulder. Onvergetelijke seconden.

dinsdag 18 februari 2020

Frederik van Eeden • 19 februari 1899

• De Nederlandse schrijver en psychiater Frederik van Eeden (1860-1932), hield naast een uitgebreid dagboek ook een dromenboek bij.

19 februari 1899
Eergisteren na een drukke dag een heldere droom, maar verward en zwak. Ik zag het landschap, lucht en boomen, maar de boomen veranderden en ik zag ze bij brokken verdwijnen. Ik riep: ‘Betsy, Betsy, Betsy’, al achter elkaar, maar er kwam iemand die zoo weinig op haar geleek dat ik het niet geloofde. Toen bedacht ik weer een middel om den droom te verifieeren. Ik trok met speeksel een vochtig kruis over mijn handpalm, om te zien of dat bleef als ik wakker werd.
Toen droomde ik dat ik wakker werd en het natte kruis op mijn linker hand voelde, door het tegen mijn wang te houden, en aldus constateerde dat de droom echt was.
Heel veel later werd ik werkelijk wakker en voelde dat mijn linkerhand al den tijd rustig gesloten op mijn borst had gelegen.

19 februari 1899
Van nacht een dwaze droom waarin ik ‘winter zwembroeken’ kocht, met Betsy. Ze waren van dik wollen truie-goed bruin, met zwart-satijnen strikjes op zij. Ik was er volkomen ernstig bij.

maandag 17 februari 2020

Aaldrik Pot • 18 februari 2018

• Uit Met huid en haar. Brieven over verlangen naar buiten - het tweede boek met brieven vol natuurobservaties die Barbara de Beaufort en Aaldrik Pot elkaar schreven.

18 februari
De zonsopgang van vandaag is er eentje om in te lijsten. Wit berijpte velden met grazende reeën proberen me te verleiden de wereld als perfect te beschouwen. En ach, vandaag mankeert er ook niet zoveel aan. Met René en vijf cursisten lopen we de hele dag door het bos op zoek naar diersporen en dus verhalen. We zijn beiden nogal verslingerd aan oude nesten van winterkoningen en het is voor ons een sport om deze ingenieus gefabriceerde en verstopte nestjes op de meest uiteenlopende plekken te vinden.
In wortelkluiten van omgevallen bomen is het geregeld raak. Twee stuks vandaag, waarvan eentje dusdanig gecamoufleerd dat je drie keer moet kijken voordat je het ook ziet. En we vinden er eentje in een spleet in een beuk. Het leek alsof het nestje was opgehangen aan een kapstokje.
Zo'n nest is misschien wel zo vertederend, bedacht ik me later, omdat het precies in het kommetje van je samengevouwen handen past. Je kunt het, als je zou willen, bij je dragen.
Minstens zo vertederend was het werkplaatsje van een bosmuis. Buiten zijn holletje had hij de eikels van de Amerikaanse eik ontdaan van hun dopje en de voedzame eikel mee naar binnen genomen. De dopjes lagen als verloren alpinopetjes op het mos.

zondag 16 februari 2020

Sebastiaan Valentijn van Rheenen • 17 februari 1793

• Uit: Journaal, door mij, Sebastiaan Valentijn van Rheenen , gehouden van de reise gedaan met het schip de ‘Meermin’, Capitein Du Menie. Opgenomen in: Reizen in Zuid-Afrika in de Hollandse tijd. Deel II. Tochten naar het Noorden 1686-1806.

17 Feb. Stuurde ik mijn slaavenjongen genaamd Orzon na de wal om voor mij en mijn broeder wat linnengoed te wassen. Gaf hem een schietgeweer meede, wijl men geen mens ongewaapend na de wal dorst zenden; des agtermiddags hoorden men dat die jongen was weggeloopen met al ons goed alsmeede ook met 't geweer, zonder dat een van ons kon nagaan om wat reeden.

18 Feb. Bevond ik mij niet wel te zijn, mijn broeder ging na de wal met oogmerk om te zien, of men de natie niet konde bevinden, dat er een gedrosd was en dat zij dezelve moesten zien te vangen, maar zij deeden alsof zij mijn broeder niet verstaan konden, zij gingen hem te zien, zen spoor na te zien, wat cours hij heen geloopen was, mijn broeder vond toe al ons goed weeder, die de jongen in een zak bij malkander gedaan en op zijn spoor had laaten liggen.

19 Feb. Ging de schuit na de wal om te visschen. De lieutenand bragd twee Namagwas meede aan boord, die wij verscheiden presenten gaven en stuurde hun daarmeede aan de wal. Er waaren wel een dertig stuks, die niet van 't strand afgingen, zo lang wij die twee aan boord hadden, maar zo waaren die twee niet aan land gezet, of zij liepen zo hard voort als zij konden. Men zag gemelde twee door de anderen vervolgen en agterhaalen met presumtie om die goedere, die wij hun gegeeven hadden weder hun te plunderen.

Rutger Kopland • 16 februari 1996

Rutger Kopland (1934-2012) was een Nederlandse dichter en hoogleraar. In 1996 gaf hij na zijn emeritaat colleges over poëzie in enige Oost-Europese landen. Hij hield over die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jonge sla in het Oosten. Het onderstaande fragment beschrijft een vertaalcollege in Tartu in Estland.

16 februari 1996
's Morgens zitten we weer in de bibliotheek te vertalen: het gedicht 'Vertrek van dochters'. Ook hier wordt weer hard aan gewerkt. Het hoofd van de vakgroep Germanistiek komt weer even melden dat hij er helaas niet bij kan zijn. Misschien komt hij bij de lunch.
Ook bij dit gedicht weer het Estisch gemurmel en gezucht. Problemen: de spreektaal, hoe zeg je dingen niet poëtisch. En verder, in verband daarmee, het gezoek naar de grammaticale structuur, welke naamvallen moeten worden gebruikt, bijvoorbeeld. Daar hebben ze er veertien van, dus dat wordt een heel gepuzzel. Maar we komen eruit, een beetje, want Siret zucht als het getypt gaat worden wat tegenstribbelend: 'maar het is nog niet klaar!' Ach, het gedicht misschien niet, maar wij wel, denk ik dan maar. Ik moet naar de afscheidslunch.
Afscheid van Siret, de studenten. Handen, handen en een schouderklop voor Siret, die zich zo goed over ons en haar medestudenten ontfermde. Bij de lunch met de ambtenares is het hoofd van de vakgroep Germanistiek afwezig. Te druk.
's Middags door sneeuwbuien terug naar Tallinn. Het grootste hotel, vijftien verdiepingen, gezellig dus. 's Avonds lopen we het fraaie, intieme stadje in. Besneeuwde middeleeuwen. Heel andere mensen dan in Rusland. We voelen ons al bijna thuis. Na een zeer goede maaltijd, een fantastische wandeling en wat wodka naar bed.

vrijdag 14 februari 2020

Helena Morley • 15 februari 1893

• Helena Morley (pseudoniem van Alice Dayrell Caldeira Brant, 1880-1970) woonde als jong meisje in Brazilië en hield gedurende haar middelbareschooljaren een dagboek bij.

Wednesday, February 15th
Thank God Carnival is over. I can't say that it was very pleasant, because grandma beat me, something she never does.
It's my fate that everyone who loves me makes my life miserable. The only people who have any authority over my cousins are their fathers. Oh! If only it were like that with me! My father is the person who annoys me least of all. If it hadn't been for grandma's and Aunt Madge's interfering I'd have gone to the masquerade ball at the theatre. Since the age of seven I've dreamed of being twelve so that I could go to the ball. And now I'm almost thirteen and I'm beaten for not going!
Aunt Quequeta was the one who made me want to go to the ball, telling me about what they used to do in her day. A friend of hers put on a masquerade costume, disguised her voice, and flirted with her father all evening until he fell madly in love with her and the next day instead of coming in to lunch he kept walking around in the garden with his head hanging down, thinking of the masked woman. Another friend of hers let her husband go to the ball first and she went later, masked, flirted with him, and he fell madly in love with her, to such a degree that he kept sighing the whole evening.
My aunts still have the hoopskirts they used to wear. How I wish they still wore them! They don't wear anything like that now, but I'd like to go like that even so.
It was Glorinha who gave me such a swelled head that I thought I could go. I asked mama and she said, "If your grandmother will let you I'll let you." I asked grandma, "Grandma, mama will let me go. Will you let me go to the ball with Glorinha?" She said, "I certainly will not!" I stamped my foot hard and I ran and threw myself on her bed, crying. She came in and took off her slipper and hit me twice, saying, "That'll give you something to cry about!" I thrashed my legs around but I didn't get up.
But it was worth it because today I got the material for a dress and a silver two-mil-reis piece.