donderdag 17 januari 2019

Wies Roosenschoon -- 18 januari 1959

Wies Roosenschoon (1929-?) was lerares Nederlands met een passie voor literatuur. In Tirade zijn dagboekfragmenten van haar gepubliceerd.

18 januari 1959
Moortje de zoveelste heeft mijn kamer verkend. Schichtig naar binnen vliegen en, alsof ze in alle hoeken duivels verwachtte, overal achter gekeken, overal onder, overal in. Op de minste beweging van mij een angstig ademloos op zijn qui-vive zijn. Ik ben als een meubel blijven zitten dat dus ook van alle kanten te beruiken en te betasten was. Maar heb hem onderwijl vanuit mijn ooghoeken in de gaten gehouden. Zoals hij steeds meer gerustgesteld onder het bed vandaan kroop, uit de blauwe kast stapte en dan ineens luid als een drilboor aan het brommen sloeg en om me heen kopjes ging geven. Nu zoekt hij een plekje om lekker lui te liggen. Het mandje is te klein bevonden, de mat te hard, het lijkt de poef te worden. En nou een beetje mijn aandacht trekken. -
En nou helemaal over dat luie mens in die luie stoel klimmen en dan over dat grote bed snuffelen en met de steen van Arie spelen, aan Lily d'r planten proeven, ze bewegen. Ik ben Pom in het vreemde huis, zie je.

19 januari 1959
Utrechts Nieuwsblad: interview met twee atoomgeleerden.
Vrijgegeven berichten over experimenten op het terrein van de bacteriologische oorlogvoering. Productie van botulinus toxine, waarvan 8½ Engelse ounces genoeg zouden zijn om, indien op de vereiste wijze verspreid, alle levenden in de wereld te doden. Sir Robert Watson Watt: ‘Het kan nu de tijd zijn een wereld die zich normaal redelijk betoont, ervan te overtuigen dat oorlog verouderd is.’ Dr. Chisholen (bioloog): ‘Het Handvest der Verenigde Naties is de enige wet, waarvan de toepassing het voortbestaan van het menselijk ras kan verzekeren en dan nog slechts voor een generatie.’ Wereldregering wordt door beiden als uiteindelijke oplossing gezien. -
Ik moet nu Arlo binnenkort toch schrijven.

woensdag 16 januari 2019

C. Buddingh' -- 17 januari 1968

C. Buddingh' (1918-1985) was schrijver en dichter. Hij publiceerde vijf boeken met dagboeknotities.

17-1
Er zijn mensen wie de mislukking naar het hoofd gestegen is.
Een paar boeken uitzoekend, die ik dubbel heb en die ik morgenavond aan Gerard wil geven, zie ik - wat ik weer totaal was vergeten - dat Somerset Maugham in de inleiding tot A Writer's Notebook over Jules Renard en diens Journal schrijft. Hij moet niet zo erg veel van Renard hebben, omdat deze ‘creativiteit’ zou missen en ‘creativiteit’, blijkt al heel spoedig, is voor Maugham het verzinnen van verhaaltjes. Poil de Carotte wil hij half-schoorvoetend dan nog wel accepteren, maar Renards andere romans zijn volgens hem ‘either fragments of autobiography or are compiled from the careful notes he took of people with whom he was thrown into close contact and can hardly be counted as novels at all.’ Als men zo redeneert, is Komedianten trokken voorbij een beter boek dan Si le grain ne meurt, en Jouhandeau, die nooit ook maar iets heeft kunnen - of willen - verzinnen, ja, wat? Misschien wel helemaal geen schrijver en zeker niet zo'n coryfee natuurlijk als Maugham zelf, die ook wel nooit beweerd heeft ‘to create something out of nothing’, maar, voegt hij er dan fier aan toe: ‘I have exercised imagination, invention and a sense of the dramatic to make it something of my own.’ Van a tot z typisch de redenering waarmee tweederangs auteurs altijd weer komen aandragen. Ik merk dat ik me de laatste tijd steeds meer begin te ergeren aan bepaalde lieden en Somerset Maugham is er daar een van. Zijn verwaten opmerkingen bijv. over Henry James (waar hij 25 keer uit kon) in An Introduction to Modern English and American Literature.

18-1
De bediende gisteren in de woninginrichtingszaak, toen ik naar een vloerkleed was wezen kijken dat Stientje er gezien had en mijn naam en adres opgaf: ‘Als ik zo vrij mag zijn... is u van de Forsyte Sage?’

dinsdag 15 januari 2019

Max Brod -- 16 januari 1918

• Uit een brief van de Oostenrijkse schrijver Max Brod (1884-1968) aan Franz Kafka (1883-1924). De twee vrienden schreven elkaar tussen 1904 en 1924, het jaar van Kafka’s dood, vele brieven, die laten zien hoe hun “geestelijke en literaire ontwikkeling vervlochten was met de dramatische gebeurtenissen van hun tijd”. Uit: Een vriendschap in brieven (vertaald door Willem van Toorn).

16 januari 1918
Mijn probleem is niet dat ik omwille van de literatuur deze vrouw heb gekozen en nu omwille van Palestina een andere nodig heb — Veel eenvoudiger! Veel lichamelijker! — Het is in een van de overigens vele mogelijke versimpelingen zo: mijn Vrouw is niet mijn erotische type. In geestelijk opzicht niet, want daarin is zij de vrouw die behoefte heeft aan leiding en iemand om op te steunen, terwijl ik behoefte heb aan een leidster. En in het lichamelijke al helemaal niet. Het lichamelijke hangt bovendien als al te teer, al te breekbaar op een of andere manier samen met het geestelijke.
[Het is zo dat] bepaalde op zichzelf zeer hoogstaande, maar toch secundaire eigenschappen mij aan haar bonden en vandaag nog met zo’n ongehoorde kracht aan haar binden, dat ik mij nooit en te nimmer kan losscheuren. – Het gevolg hiervan is een bandeloos seksueel leven dat mij eindeloos pijnigt, onrustig maakt en mij het opstijgen boven het niveau dat ik nu bereikt heb eenvoudigweg onmogelijk maakt. – Ik weet dat ik nu alleen verder kan komen als ik eindelijk in het erotische rust vind, volledige vrede, waar ook kinderen bij horen, – en ik weet dat de andere vrouw alles heeft wat ik daarvoor nodig heb en zolang ik me herinner in wensdromen voor mij heb gezien [...]
Maar het is een onmogelijkheid bij mijn vrouw weg te gaan.

maandag 14 januari 2019

Otti Anz -- 15 januari 1904

• Otti Anz (1876-1945) was een Duitse die veel in het buitenland gewoond heeft. Van haar verblijf in China (1903-1912) hield ze een fragmentarisch dagboek bij.

Den 15. Jan 1904
Weihnachten ist vorüber; ich kann kaum erinnern je ein so reizendes Fest erlebt zu haben, wie dieses erste hier im fremden Lande, zugleich das erste als Frau. Am 22. Dez. morgens, als ich gedankenversunken am Strand spazierenging und wenig Auge für das schöne Schauspiel hatte, das der weit hinausgefrorene Schaum und Schlick bot, hörte ich hinter mir ein bekanntes Flöten und sah, mich umwendend meinen Walter, ein Blatt Papier in der erhobenen Hand, eiligen Schrittes auf mich zukommen. Es war ein Telegramm, ich riss es auf:

Peter meldete seine Ankunft für den nächsten Tag in Tsingtau. Mit unartikulierten Freudelauten flog ich meinem Gatten an den Hals, der nicht wusste, ob er sich mehr über mein Glück oder das Kommen des fast unbekannten Schwagers freuen sollte.

Am nächsten Morgen fuhr ich nach Tsingtau. Der erste Zug kommt erst um 10 Uhr an, der Dampfer war schon um 7 Uhr dagewesen. Ich suchte meinen Bruder durch die ganze Stadt, setzte alle möglichen Menschen in Bewegung, bis ich ihn schließlich vom Hotel aus auf der Straße erspähte. Der Augenblick als wir uns beide lachend auf der Straße entgegenstürzten und nach ¾ Jahren “ein Wiedersehen in Australien“ feierten, werden wir beide nicht vergessen.

Wir haben dann im Hotel so gelacht und gescherzt, dass wir es schließlich für besser hielten, einen kleinen Spaziergang zu machen, um den verwunderten Blicken zu entgehen. In Tsangkou am Bahnhof erwartete uns W. Die beiden großen übermütigen Jungens waren gleich die besten Freunde. Ein Kuli trug Peter seinen Koffer nach, den er beinah am Bahnhof in Tsingtau vergessen hätte, wie er auch sämtliche Schirme und Handschuhe im Hotel zurücklassen wollte, nachdem er noch eben mit Genugtuung festgestellt hatte, dass auch jetzt noch bei mir ein kleines Löchlein in der Handbekleidung nicht zu den Unmöglichkeiten gehörte.

Während der folgenden 10 Tage ist eigentlich unaufhörlich gelacht und geredet worden.

[...]

Am 2. Jan. reiste Peter wieder ab und während der nächsten 8 Tage fühlte ich mich bitterlich einsam.

[...]

Die Eisenbahnwagen sind noch immer ungeheizt, der Direktor hat erklärt, für die paar Europäer wäre es zu kostspielig, und die Chinesen könnten sich warm anziehen. Die Züge haben bald Verspätung, bald fahren sie zu früh, je nachdem die chinesischen Bahnbeamten beim Kartenspiel sind oder daran wollen. Die Fahrpreise steigern sich beständig und die Coupés werden immer schmutziger und primitiver. –

In Japan droht Krieg mit Russland, alle deutschen Schiffe sind nach Tsingtau beordert.

In Tsingtau munkelt man davon, dass irgendeine Gesellschaft in Deutschland beschlossen habe, 25 junge Mädchen herauszuschicken zur raschen Bevölkerung der Kolonie. Heiratslustige Männer gibt es hier genug, aber keine passenden Vertreter des weiblichen Geschlechts. Ich fürchte nur, die Nachricht beruht auf einer Zeitungsente. –

Heute verlässt uns unser Koch für einen Monat, den er sich als Neujahrsurlaub erbeten hat. Hoffentlich kommt er wieder, denn er leistet auf seinem Gebiet Vortreffliches. Das sind in buntem Gemisch die Neuigkeiten der letzten 4 Wochen. –

zondag 13 januari 2019

Elizabeth Demmer -- 14 januari 1916

• Elizabeth Demmer–Bruijn (1857-??) was de echtgenote van hoofdonderwijzer Berend Demmer (1858-1944). Berend Demmer was hoofd van de openbare lagere school in Volendam. In haar dagboek schreef ze o.m. over de watersnood van 1916 in Volendam. Zij en haar gezin behoorden tot de zeer weinige Volendammers die niet tijdens de watersnood en de weken daarna hun huis hebben moeten verlaten. In het dagboek komen, behalve haar man, die zij als D. aanduidt, ook haar zoon Piet, haar dochters Frederiek en Marie , haar schoonzoon Aart, haar kleinzoon Japie, Gré, de verloofde van Piet en het dienstmeisje Aagtje voor.

[14 Jan.]
Om 8 uur zagen wij overal water op de straten komen en weldra kwam D. thuis, die ons aanraadde maar het noodigste naar boven te brengen daar hij vreesde, dat er ergens een doorbraak zou zijn, maar aan een andere kant dan waar het van nacht gevreesd werd. Wij togen dadelijk aan ’t werk, om eerst het allernoodigste naar boven te brengen wat later gevolgd werd door allerlei lichte meubelen enz. Intusschen was het water al harder en harder komen aanzetten; weldra in stroomen en later gelijk een waterval zoo hevig dat wij soms ons werk vergaten en met ontzetting naar de watermassa stonden te kijken.

Japie vond het prachtig, had geen oogenblik angst en stond erbij te huppelen en te springen en riep dan af en toe: Opa en Oma komt U nu toch weer eens kijken zooveel water. Eerst vleiden wij ons nog met den hoop, dat ons huis misschien droog zou blijven, daar het zooveel hooger staat dan de huisjes in de … ; wij hadden zooiets nog nooit bijgewoond, maar toen het daar weldra vol werd kwam het water in onzen tuin: wij wilden onze kippen nog in het schuurtje dien te bergen, maar zij werden met de stroom meegevoerd tot achter in den tuin en zoo moesten wij al onze mooie kippen, 17 kippen met een haan, voor onze oogen zien verdrinken, och, wat vond ik dat vreeselijk: later waren wij toch maar blij, dat het dadelijk gebeurd was, want ook in het schuurtje waren ze toch verdronken. Uben had ons verteld dat om 11 uur het water misschien nog zakken zou, doordat de eb dan intrad, maar toen het 11 uur was bemerkten wij er niets van en het water naderde al meer en meer ons huis en wij brachten maar naar boven, zette het buffet en de groote waschtafel op kisten, plaatsten de boekenkast op de vensterbank en deden wat wij maar konden, tot wij eensklaps overal het water op de vloer zagen komen. Toen vlogen wij nog naar boven met allerlei noodige zaken, doch toen wij weer beneden kwamen was het water al zoo hoog in de kamers, dat wij er niet meer in konden. Wij moesten het dus opgeven en waren ook doodmoe.

De familie van Aagtje kwam haar nog halen, maar zij wilde ons niet alleen laten, wat wij bijzonder aardig van haar vonden.

Wij begonnen het ons nu maar boven wat gezelliger te maken en ook te beraadslagen wat we voor het middagmaal zullen klaar maken en hoe: gelukkig hebben wij 2 emmers aardappelen uit den kelder meegenomen (wij hadden er nog wel voor ƒ 25,-) en 10 à 12 flesschen postelein, ook nog wat vleesch, dan hadden we nog een oud 3 pits petroleumstel en een 1 pits en ook een Belgische lamp: hoewel dus ‘behelperig’ kregen we ons diné tegen 4 ongeveer klaar: om 5 uur konden wij Marie bij ons roepen: zij was met Piet in een bootje op zij van ons huis. Wij konden met hem spreken door het raam, maar ze konden niet bij ons komen. Wij hoorden toen, dat de doorbraak bij Katwou was gebeurd, Marie had het vernomen door bulletins, die in Purmerend rondgestrooid werden, dat de dijk door en Piet had het in de courant gelezen, terwijl ze elkander in de trein ontmoet hadden. Piet had een tasch met mondvoorraad meegenomen, vooral voor mij, brood, room, eieren en chocola en voor Japie kwattarepen; alles werd dankbaar naar boven gehaald aan een touw door het raam van de bovenvoorkamer, waarna zij de terugreis weer ondernamen, wat, naar wij later vernamen, door het water overal een zeer moeielijke reis was.

In ons huis was het water ’s avonds al boven de vensterbanken; toen wij eens tot rust kwamen, bemerkten wij, dat onze geheele wijk verlaten was, ’s avonds zagen wij aan het licht, dat wij met ons 3 huisgezinnen hier in de omgeving nog woonden.

Frits Veldhuizen, die altijd boven woont, de garnalenpeller en wij, terwijl er 418 huisjes geheel of gedeeltelijk in het water staan, allen door de bewoners in allerijl verlaten sommigen zonder iets te kunnen redden.

Elizabeth Demmer -- 13 januari 1916

• Elizabeth Demmer–Bruijn (1857-??) was de echtgenote van hoofdonderwijzer Berend Demmer (1858-1944). Berend Demmer was hoofd van de openbare lagere school in Volendam. In haar dagboek schreef ze o.m. over de watersnood van 1916 in Volendam. Zij en haar gezin behoorden tot de zeer weinige Volendammers die niet tijdens de watersnood en de weken daarna hun huis hebben moeten verlaten. In het dagboek komen, behalve haar man, die zij als D. aanduidt, ook haar zoon Piet, haar dochters Frederiek en Marie , haar schoonzoon Aart, haar kleinzoon Japie, Gré, de verloofde van Piet en het dienstmeisje Aagtje voor.

13-14 Jan.
Het stormt hevig, maar wij, die voor geen kleintje vervaard zijn, gaan op gewone tijd naar bed; ’s nachts 3 uur worden wij opgebeld, waarvan wij erg schrikken, daar wij dachten dat er weer ergens brand was: de herinnering aan den brand van de school zit ons nog altijd te versch in het geheugen. Deze keer was het echter iemand, die kwam vertellen, dat het water in zee zoo hoog was, dat men bang was voor dijkbreuk: hij moest de boeren waarschuwen uit naam van de Burgemeester en hij dacht dat het daarom beter was het ook hier maar even te vertellen. D. ging dadelijk naar de dijk om te zien hoe het er bij stond, maar ik, die toch niet uitgaan kon, omdat Japie van Fr[ederiek]. en A. bij ons logeerde dacht: ik heb liever met water dan met vuur te doen en ging weer naar bed. Wij hadden het in die 32 jaar, dat wij hier woonden, al zoo menigmaal beleefd, dat de zwarte vlag op de Zeedijk woei, omdat men bang was voor doorbraak, het was altijd goed afgeloopen. Zoo zou het nu ook wel weer gaan en wij maakten ons dus niet zoo erg ongerust: om 6 uur ongeveer kwam D. thuis: hij vertelde dat er de geheele nacht met man en macht gewerkt was aan de dijk bij het magazijn met burgers en militairen, dat de Burgemeester en Overste Luden hier de geheelen nacht geweest waren, maar dat zij wel dachten, het grootste gevaar te boven te zijn. D. vreesde slaperig te zullen zijn op school en ging daarom nog even naar bed tot half 8 ongeveer, waarna hij oudergewoonte de post haalde.

Om 8 uur zagen wij overal water op de straten komen en weldra kwam D. thuis, die ons aanraadde maar het noodigste naar boven te brengen daar hij vreesde, dat er ergens een doorbraak zou zijn, maar aan een andere kant dan waar het van nacht gevreesd werd. Wij togen dadelijk aan ’t werk, om eerst het allernoodigste naar boven te brengen wat later gevolgd werd door allerlei lichte meubelen enz. Intusschen was het water al harder en harder komen aanzetten; weldra in stroomen en later gelijk een waterval zoo hevig dat wij soms ons werk vergaten en met ontzetting naar de watermassa stonden te kijken.

Graham Greene -- 12 januari 1954

• Graham Greene (1904-1991) was een Britse schrijver. In Vluchtwegen (vertaald door P.H. Ottenhof) zijn ook dagboekfragmenten van hem opgenomen.

12 januari 1954. Vientiane
Vroeg op om een militair vliegtuig naar Vientiane te halen, de bestuurlijke hoofdstad van Laos. Het vliegtuig was een transporttoestel zonder stoelen. Ik zat op een pakkist en was blij toen we er waren.
Na de lunch maakte ik een snelle rondwandeling door Vientiane. Afgezien van één pagode en de uitgestrekte stranden van de rivier de Mekong is het een oninteressante stad met slechts twee echte straten, één Europees restaurant, een club en zoals ^overal een groezelige markt waar behalve etenswaren alleen maar de afval van de beschaving te vinden is - verfomfaaide tubes tandpasta, verlegen stukken zeep, potten en pannen uit de Bon Marché. Vis was er klein en duur, en overdekt met vliegen. Er lagen pakjes gekleurd snoepgoed en walgelijke, paars en roze gekleurde koekjes van rijst. De fortuinmaker van Vientiane was een man met een terreintje dat hij als fietsenstalling verhuurde-honderden fietsen voor twee piaster per keer (ongeveer twintig centimes). Wanneer hij voor zijn vergunning betaald had maakte hij zeker 600 piaster winst per week (ongeveer 6000 francs). In oosterse landen zijn er echter altijd radertjes binnen de raderen, en het was waarschijnlijk dat de vergunninghouder slechts de stroman was voor een van de prinsen.
Soms vraag je je af waarom je de moeite van het reizen neemt, waarom je dertienduizend kilometer ver reist om aan het eind van de weg alleen maar Vientiane te vinden, en toch voel je later een merkwaardige voldoening, wanneer je in Engeland de oorlogscommuniqués leest en de vertrouwde namen uit de pagina's naar voren springen-Nam Dinh, Vientiane, Luang Prabang-die er op dat moment op een krantenpagina zo belangrijk uitzien alsof ze deel uitmaken van de geschiedenis, en er dan aan terug te denken als aan paarse rijstkoekjes, de rat die over de vloer van het restaurant loopt zoals op die avond, tot hij achter de bar werd gejaagd. Plaatsen zijn, leer je op den duur, voor de geschiedenis niet zo belangrijk.
Na het eten naar het huis van mijnheer X, een Euraziër en een geregelde opiumschuiver. Vermagerd door zijn pijpen, met knokige polsen en enkels en de armen van een jochie, was mijnheer X aangenaam en zwaarmoedig gezelschap. Hij sprak prachtig duidelijk Frans, terwijl hij door zijn bril met stalen montuur naar zijn naald tuurde. Zijn huis was een stulpje, zo klein dat hij er geen ruimte had voor zijn vrouw en kind, die hij in Phnom Penh had achtergelaten, 's Avonds viel er niets te beleven-in de bioscoop werden enkel de Oudste films gedraaid en ook overdag was er werkelijk niets anders te doen dan voor het regeringsgebouw waar hij werkte op boodschapjes te wachten. Een palmboom was zijn boekenkast en wanneer hij naar binnen werd geroepen stopte hij zijn boek of krant tussen de spleten in de stam weg. Op een keer had ik een stuk pakpapier nodig en hij liep naar de palmboom om te kijken of hij nog wat over had. Zijn opium was voortreffelijk, pure Laos-opium, en hij maakte de pijpen verrukkelijk klaar. Het zou niet lang meer duren voor zijn werkgevers Laos zouden verlaten, hij zou naar Frankrijk gaan, daar zou hij geen opium meer hebben-zijn hele gemakkelijke leventje zou voorbij zijn, maar hij was niet bij machte de toekomst onder ogen te zien. Zijn droef, geamuseerd, Aziatisch gezicht tuurde naar de pijp terwijl zijn knokige vingers het bruine zaad der tevredenheid kneedden en verwarmden, en hij sprak melodieus en precies, als een docent in de opiumsoorten en -jaren - de opium van Laos, Yunan, Szechuan, Istanböèl, Benares-ah, Benares, dat was een soort om je door de jaren heen te blijven herinneren. (Een kenner spreekt over 'de No. 1 Xieng Khouang-opium uit Laos' wanneer hij het over de beste opium uit dat land heeft, zoals bijvoorbeeld de rubber uit Malakka wordt aangeduid als No. 1 R.S.S. Xieng Khouang is een provincie ten noordoosten van Vientiane waar de beste opium vandaan komt).