donderdag 22 juni 2017

Peter Handke -- 23 juni 1976

• De Oostenrijkse schrijver Peter Handke (1942) publiceerde in 1977 een journaal onder de titel Das Gewicht der Welt - door Hans Hom in het Nederlands vertaald als De last van de wereld. De observaties vormen een bespiegelend dagboek van zijn leven als schrijver en filmregisseur in Parijs, waar hij van 1971 tot 1978 woonde.

23 juni 1976
Als A. woedend is op mensen, heeft ze zin om iets van hen te roven

De moeder van school, die haar kind, dat in de auto iets had omgegooid, een uitbrander gaf en toen plotseling, ineengedoken achter het stuur, luid begon te snikken

Voorstelling dat de man van de stervende vrouw me aan het eind van het schooljaar mijn adres zal vragen om me het overlijdensbericht van zijn vrouw in de vakantie na te kunnen sturen

Een groot acteur: iemand die in staat is een gevoel dat hij voor zich zelf, in stilte, heeft gehad, voor anderen nog een keer te hebben

A., voor de laatste maal op haar school, huilde tranen met tuiten ‘Waar doet het dan pijn?’ – ‘Overal.’

Je naakt uitkleden, om na te denken

‘Als we voor u een uitzondering maken, moeten we de volgende keer voor een ander ook weer een uitzondering maken, enzovoort’ – ‘Als u in dit geval alleen maar volgens de voorschriften handelt, zult u ook in een ander geval onmiddellijk naar een voorschrift zoeken – en op het laatst zult u alleen nog aan voorschriften onderworpen zijn en daaraan sterven.’

woensdag 21 juni 2017

John Adams -- 22 juni 1784

John Adams (1735-1826) was een Amerikaanse staatsman en de tweede president van de VS. Gedurende enige jaren was hij ambassadeur in Nederland. Hij hield gedurende een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

THE HAGUE JUNE 22. 1784. TUESDAY.
Last night at Court one of the Ladies of Honour, told me, that the Supper was given, in a great Measure, for Mrs. Bingham. Cette Super a t donne, en grande Partie, pour elle. There was great Enquiry after her, and much Admiration expressed by all who had seen her, of her Beauty. As the Princess of Orange was enquiring of me concerning her, and her journey to Spa, Paris, Italy, the Spanish Minister said "She would form herself at Paris." I replied very quick but smiling "J'espere qu'elle ne se formera a Paris qu'elle est deja forme." This produced as hearty a laugh as is permitted at Court both from the Princess and the Comte. The Princess asked me immediately, if I had not been pleased at Paris? I answered that I had: that there was something there for every Taste but that such great Cities as Paris and London were not good Schools for American young Ladies at present. The Princess replied that Mrs. B. might learn there the French Language.

I made Acquaintance with Mr. Kempar of Friesland, once a Professor, at Franaker, who says there are but two Millions of People in the 7 Provinces. He quoted to me two Authors who have written upon the Subject, one 20 Years ago, and the other 10, and that they have decided this Subject. Stated the Numbers in each Province, City, Village. Accurate Accounts are kept of Births and Deaths, Baptisms and Funerals. The Midwives and Undertakers are obliged to make returns of all they bring in or carry out of the World. -- This last fact I had from Linden de Blitterswick the first Noble of Zealand.

Mirabel repeated what he had said often before, as well as Reichack and Calischef, that their Courts expected a Letter from Congress, according to the Rules and Precedents, to inform them of their Independence.
-- Mem. I think Congress should inform them that on the 4 July 1776 they assumed their Sovereignty, that on the day of France made a Treaty, on the 7 of Oct. 1782, Holland -- on the G.B. -- on the day of Sweeden.

dinsdag 20 juni 2017

Marie Bashkirtseff -- 21 juni 1879

Marie Bashkirtseff (1858-1884) was een Oekraïense schilderes, die na haar dood - ze overleed aan tbc - vooral bekend is geworden door haar dagboek, dat als Waarom zou ik liegen in het Nederlands vertaald is (door Marianne Kaas).

Zaterdag 21 juni. – Al bijna zesendertig uur huil ik vrijwel onafgebroken, gisteren ben ik uitgeput naar bed gegaan.
We hadden twee Russen te dineren, Abigink en Sevastianoff, edellieden van de Chambre van de tsaar, en Tchoumakoff en Bojidar; maar ik was nergens goed voor. Mijn sceptische en spotzieke geest is weg. Ik heb al eens verwanten verloren en ander verdriet gehad, maar ik geloof niet ooit om iemand te hebben getreurd zoals ik nu degene betreur die zojuist is gestorven. En dat is vooral zo opmerkelijk omdat het me eigenlijk in het geheel niets zou moeten doen, ik zou me er eerder over moeten verheugen. – Gisteren aan het einde van de ochtend ging ik weg uit het atelier toen Julian de dienstmeid floot, die haar oor tegen de spreekbuis legde en meteen daarop tegen ons zei, nogal ontdaan: ‘Dames, monsieur Julian laat u weten dat de keizerlijke prins dood is.’
Ik verzeker u dat ik werkelijk een kreet heb geslaakt. Ik ging op de kolenkist zitten. En aangezien iedereen door elkaar praatte: ‘Een beetje stilte, alstublieft, dames. Het is officieel, het telegram is zojuist aangekomen. Hij is gedood door de Zoeloes. Dat heeft monsieur Julian tegen me gezegd.’
Het gerucht had al de ronde gedaan. Toen ik dan ook L’Estafette in handen kreeg waarin met grote letters stond: Keizerlijke prins gestorven, kan ik niet zeggen hoe dat me aangreep.
Trouwens, tot welke partij je ook behoort, ongeacht of je Fransman of buitenlander bent, je moet de algemene stemming wel voelen, en dat is er een van verbijstering.
Deze afschuwelijke, deze vroegtijdige dood is iets vreselijks.
[...]
Sterven? Op zo’n ogenblik. Sterven op drieëntwintigjarige leeftijd, gedood door wilden en vechtend aan de zijde van Engelsen!
Ik denk dat in het diepst van hun hart zijn hardvochtigste vijanden een soort berouw voelen.
Ik heb alle kranten gelezen, zelfs die welke beledigend zijn; ik heb ze besproeid met mijn tranen.
Als ik Française was, man, bonapartist, dan nog zouden mijn opstandigheid, mijn verontwaardiging en mijn verdriet niet groter zijn. Denk toch eens aan die jongen, die door de spot van de smerige radicale kranten is verjaagd, aan de jongen die is aangevallen, vermoord door wilden!
De uitroepen die hij heeft geslaakt, het radeloze schreeuwen om hulp, de pijn, de verschrikking van de machteloosheid. Te moeten sterven in een afgrijselijke onbekende uithoek, in de steek gelaten, nagenoeg verraden. Weggaan ook, op die manier, helemaal alleen met Engelsen!
En de moeder!
En de Engelse bladen zijn zo infaam om te insinueren dat er geen enkel gevaar dreigde op de plaats waar de verkenning werd uitgevoerd. Kan het ergens veilig zijn in zo’n land, te midden van vijandige wilden, voor een eenheid van een paar mannen?

Je moet wel dwaas of idioot zijn om dat te geloven. Maar lees de details. Ze hebben hem daar drie dagen gelaten, en die Carrey heeft pas te laat gemerkt dat de prins ontbrak.
Toen hij de Zoeloes zag, is hij ervandoor gegaan met de anderen, zonder zich om de prins te bekommeren.
Nee, ziet u, dat zwart op wit in hun kranten te zien staan en te bedenken dat die natie niet is vernietigd, dat hun vervloekte eiland niet van de kaart kan worden geveegd samen met dat koude, barbaarse, perfide en infame volk! Oh, als dit zich in Rusland afspeelde, zouden onze soldaten zich tot de laatste man hebben laten afslachten!
Maar deze trouwelozen hebben hem in de steek gelaten, verraden! Maar lees dan de details, en als u dan niet verbijsterd bent over zoveel trouweloosheid, lafheid!
Op de vlucht slaan zonder je kameraden te verdedigen, zoiets doe je toch niet?
En luitenant Carrey zal niet hangen!
En de moeder, de keizerin, die arme keizerin! Alles is afgelopen, verloren, vernietigd! Niets meer! Alleen een arme moeder in zwarte kleren.

Klaartje de Zwarte-Walvisch -- 20 juni 1943

Klaartje de Zwarte-Walvisch (1911-1943) werd begin 1943 gevangen gezet in kamp Vught. Later werd ze overgebracht naar Westerbork , en omgebracht in Sobibor. Van de eerste maanden van haar gevangenschap hield ze een dagboek bij.

Zondag 20 juni
We zijn niet meer in de quarantaine en gelukkig behoeven we ook niet meer naar de grote appelplaats. Hier ben ik toch zo blij om. Ik kan er zelf geen geschikte verklaring voor vinden, maar het feit op zichzelf niet meer daarheen te moeten, heeft me verblijd. Nu worden we weer net als voorheen geteld op de weg langs de barakken. Voor hen die s morgens en 's avonds de mannen even zagen, is het wel jammer, maar ik vond het altijd afschuwelijk. Ik heb altijd het echte gevoel gehad in een concentratiekamp te zijn. Er gebeuren hier dagelijks zulke zotte dingen. Een paar dagen geleden op een ochtend tijdens de schoonmaak, kwam een van de leidsters' de barak binnen. Ze begon als altijd te schreeuwen en te schelden, en vond dat we niet netjes genoeg schoongemaakt hadden. Ze nam iemand een emmer water af en gooide hem over de grond. Gedeeltelijk kwam het water terecht over de voeten van een vrouwtje. We stonden beteuterd te kijken, want het was nogal snel in zijn werk gegaan. Wat vond ik dat een vuile lage streek. We konden met de schoonmaak weer opnieuw beginnen.

Een uur later komt de leidster terug. En een vrouwtje, hetzelfde brutale ding dat voor mij slaapt, stond niet op toen ze binnenkwam. Voor straf moest ze de gehele dag in de hoek staan. Gisteren weer iets dergelijks. Nadat er gegeten was, moesten de etensketels naar het hek gebracht worden. Vandaar werden ze in ontvangst genomen door de Häftlinge, die ze dan naar hun keuken vervoerden. De ketels werden door vier personen gedragen. Elke ketel door twee. In plaats van dat ze nu de hoofdweg overliepen, gingen ze de zandweg op om vlugger naar het hek te komen. Daar komt de Oberscharführer aan, en begint te schreeuwen, om bang van te worden. Alle vier moesten gestraft worden, want ze hadden zich aan een groot vergrijp schuldig gemaakt. Stel je voor: op de zandweg te lopen. Dat was immers levensgevaarlijk? Ze moesten tot gisteravond negen uur op de berm langs de weg staan. Om half drie nam hun straf een aanvang en eerst kregen ze nog een standje, omdat ze aan de verkeerde berm gingen staan. Om half zes kwam onze administratrice langs en mochten ze van haar naar de barak terug. Ze werden met gejuich ontvangen. We gingen met ons clubje, dat in een buurtje bij elkaar sliep, tijdig naar bed, maar om zeven uur werden ze weer uit hun bed gehaald en moesten ze weer naar de berm, want de Oberscharführer had gevraagd waar ze gebleven waren. En vlug moesten ze zich aankleden en blijven staan tot kwart over negen. We waren allen hevig verontwaardigd over zo een smerige daad. Gelukkig heeft het vierspan erom gelachen en vonden ze het feit op zichzelf niet zo heel erg. Erger was echter dat die kerel zo tegen ze had staan brullen alsof ze een grote misdaad begaan hadden. Het was ook werkelijk een groot vergrijp wat ze gedaan hadden. Een van het vierspan, een klein kindvrouwtje, zei: 'Nooit van mijn leven breng ik meer een ketel naar het hek. Wat een walgelijke massa.' Het is inderdaad beter om alles maar van de vrolijke kant te bekijken en niet zo diepzinnig op alles in te gaan. Het is nu een gewoonte van de leidsters geworden om, als we op appel staan, er hier en daar eentje uit te pikken en tot negen uur op de berm te laten staan. Daar hoeft men niets voor gedaan, of beter gezegd misdaan, te hebben. Je moest net het ongeluk hebben om uitgepikt te worden en je hing. Ik zorg wel dat ik niet zo erg in de gaten loop, want het lijkt me niet prettig om tot negen uur te moeten staan.

zondag 18 juni 2017

Frederik van Eeden -- 19 juni 1919

Frederik van Eeden (1860-1932) publiceerde in 1920 een soort aforismedagboek, Gedachten geheten.

19 Juni.
CLXIX. Er kunnen altijd, onder àlle omstandigheden, genieën voorkomen, die zich, naarmate zij hooger begaafd zijn, ondanks àlle tegenwerking van buiten, ontwikkelen.
CLXX. Niemand wane zich eenig meester van begeerte of daad.
CLXXI. Armoede verlaagt en verdierlijkt, ontwikkelt al de lagere neigingen en onderdrukt het geestelijke en goddelijke in den mensch.

22 Juni.
CLXXII. De liefde, absoluut gedacht, is het volmaakte begrip en de volmaakte vergeving.
CLXXIII. Een schare neigingen, gevoeld als plichten, spoort ons tot handelen naar geheimen raad eens veldheers.
CLXXIV. Alle leden onzer samenleving, zoowel bezitters als niet-bezitters, hebben kapitalistische levensuitingen, moraal en begrippen.

25 Juni.
CLXXV. De goede, waarachtige woordkunst of literatuur is: het hooger stijgen in waarheid en schoonheid, en die in 't woord belichamen.
CLXXVI. Wie iets moois maakt, lijkt mij meer artist dan wie iets goeds maakt.
CLXXVII. Armoede is een vreeselijke vloek, in dreigende oppositie met de hoogere deugden, kunst, wijsheid, wetenschap en beschaving.

28 Juni.
CLXXVIII. Niet kapitaal en rente afschaffen, zooals de dwepers willen, want de maatschappij heeft ze noodig, maar er wijs, rechtvaardig en eerlijk mede handelen.
CLXXIX. Kunsttermen worden wel eens gemeengoed.
CLXXX. De spraak heeft schoonheden, die geen zang kan weergeven of vergoeden.

30 Juni.
CLXXXI. Rijkdom was de onmiddellijke oorzaak van de glorie der beroemde centra van hooge menschelijke cultuur.
CLXXXII. Voor een normaal mensch ligt het geluk van den dag zoowel in het werk dat hij doet, als in de uren van rust en de uren van geestesoefening.

zaterdag 17 juni 2017

James Boswell -- 18 juni 1764

James Boswell (1740-1795) verbleef in 1763-1764 in Nederland, om er te studeren in Utrecht. Hij leerde er Belle van Zuylen kennen, met wie hij zeer goed bevriend raakte, maar Boswell zag af van een huwelijk. De dag voor hij wegging uit Nederland, deelde hij haar mee dat hij niet verliefd op haar was. Alle brieven en dagboekfragmenten uit deze periode staan hier.

MONDAY 18 JUNE. My wakeful night well past, I was in glow of spirits. Zelide's letter [Belle van Zuylen] was long and warm. She imagined me in love with her, and with much romantic delicacy talked of this having rendered her distraite. I was honest or simple enough to leave her a short letter, assuring her that I was not amoureux, but would always be her fidèle ami.
I had all my affairs in order. Honest Carron came and took leave of me. And next comes a most flagrant whim. Some days ago I called to me François, told him that he had served me honestly and well, and that I could give him a good character as a servant. I said I hoped that I had been a good master. To know this certainly, I ordered him to write out a full character of me, since he entered to my service, and charged him to mark equally the bad and the good which he had observed, and to give it me carefully sealed up. I accordingly received it this morning [zie hieronder].
I took leave of my house in which I have had such an infinity of ideas. At seven we set out in a coach and four. . . .



• Brief van François Mazerac, waarin hij de goede en slechte eigenschappen van Boswell opsomt.

Utrecht, 17 June 1764
MONSIEUR: My small ability makes it almost impossible for me to comply with your orders, and I hope that Monsieur will take my remarks kindly and regard them as coming from a person who is only trying to obey you.
First: I have found that Monsieur is extremely negligent about his money, his watch, and other effects, in leaving them on the table, or in leaving the key on the bureau, and going out of the room leaving the door open, as happened several times at The Hague. If it should ever happen that you have the misfortune to lose something in this way, you might entertain suspicions of your servant or some other innocent person. There is a saying, "Oppor- tunity makes the thief."
Secondly: I have found that Monsieur has a good heart, in doing good to the poor: a virtue which is dictated by humanity and prescribed by religion.
Thirdly: Monsieur is not at all given to backbiting, a vice very common among great minds.
Fourthly: 6 Very punctual in performing the duties of your religion, by going to church, not swearing, and above all by saying your prayers every morning.
Fifthly: I have found that when Monsieur has invited com- pany, the guests always arrived before you, which might expose you to some reproach, especially in another country where they care more for social formalities than they do here.
Sixthly: I have found that Monsieur applies himself too much to study, which is noble in itself but ruinous to health if not done judiciously.
Seventhly: I find that Monsieur goes to bed too late, which, with the study, will make you lose your health, which Monsieur will regret when it is too late and there is no help for it.
Eighthly and last item: I have found in Monsieur a really Christian and noble heart, especially towards me, which I shall never forget. May the Father of fathers take you under His holy protection, and keep His eye on you, guarding you as a beloved child. May He guide your steps and direct your thoughts, so that no harm may come to you, and that when you have returned home safe and sound, you will bless Him therefor eternally.
I end by thanking Monsieur again for all his goodness, begging him to think of me sometimes. As for me, I believe I shall never forget Monsieur. Permit me to beg you, Monsieur, that, should you ever have a chance, you will let me know how you are. Your very grieved and faithful servant,

FRANCOIS MAZERAC.



Edmond de Goncourt -- 17 juni 1882

Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, criticus en uitgever, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) (en na diens dood alleen) een beroemd geworden dagboek bij.

Zaterdag 17 juni
De Salon bezocht.
Als een schilderij, door de manier waarop het gemaakt was,door iets nieuws, iets origineels, mijn aandacht trok en ik kwam dichterbij om te zien wie het geschilderd had, dan bleek het steeds weer het schilderij van een buitenlander te zijn,van een Oostenrijker,een Scandinaviër, een Rus, een Spanjaard. Wij zijn verslagen, absoluut verslagen. Wat mij in deze Salon opviel, was de invloed van Jongkind. Ieder landschap dat op het ogenblik van enige betekenis is, stamt van hem af. De manieren waarop de lucht, de atmosfeer, de bodem worden weergegeven, zijn aan hem ontleend. Dat springt echt in het oog en het wordt door niemand gezegd.


Zaterdag 24 juni
Een bijzonder aardige en opvallende uitspraak van een kind. De kleine Daudet stond op het punt om de afgelopen winter naar een bal masqué te gaan. En nadat hij lange tijd zijn bontgekleurde kostuum had bekeken, vroeg hij heel serieus: ‘Wat zouden de papegaaien in de dierentuin wel zeggen, als ze me nu zagen?

vrijdag 16 juni 2017

Honoré Blijdenstijn -- 16 juni 1941

• Op vrijdag 10 mei 1940 begon de 57-jarige directeur van de Rijkskweekschool in Amersfoort, Honoré Blijdenstijn, in een eenvoudig schriftje, dagelijks te noteren wat hem bezighield. Vijf jaar en 23 schriftjes later hield hij daar mee op.

16 juni 1941 (maandag)
Bij Peper. Jan wordt 65. Hij vertelt. Een mijnheer S. geeft in een Chr. School een middenstandscursus. Een van zijn jongens schrijft na de „vlucht” van Hess iets op een bank, wetende, dat dit zal gelezen worden door Duitsers, die ook van dat lokaal gebruik maken. Een paar dagen later heeft de groep van S. weer les. Er komt een Duitser met 10 manschappen binnen. De dames en een paar toevallig aanwezige oudere bestuursleden moeten zich verwijderen. Daarna worden de overigen afgeranseld! (Strafmaatregel; eigenmachtig, zonder vorm van proces). Van Rossum, de vredestichter, schijnt er uit „gegooid” te zijn.

Rost van Tonningen schijnt ook te zullen verdwijnen, evenals Piek.

Lineke vertelt, dat een Berlijns Duits officier, bij hen ingekwartierd, vertelt, dat wie Berlijn na den oorlog wil zien, minstens 4 jaar na de vredessluiting moet wachten. Dat klinkt weer anders, dan ’t verhaal van den neef van Toos Visscher.

In Berlijn zit een Hollander in de bioscoop. Er verschijnt een portret van Hitler; algemeen geloei. Licht op. Een van de Gestapo op ’t toneel; waarschuwt, dat bij herhaling de zaal zal ontruimd worden. Weer donker: Hitlers beeld verschijnt weer. Nieuw geloei, nog sterker. De zaal wordt ontruimd. De Hollander wordt scherp ondervraagd en hem wordt aangezegd, dat hij den volgenden dag uit Duitsl. moet vertrekken. Dit geschiedt onder onophoudelijke controle. Later vindt hij een briefje, gestoken tussen zijn valies: „Wir wollen Frieden”.

’s Avonds de Polakken; zij worden gematigder. Ook doen wij ons best geen controversen uit te lokken. Roos vertelde den mop van de schoenverkoopsorganisatie; Greet – het vervolgstuk. Zeer geestig. Er zijn er nu maar weinigen meer, die geloven, dat de oorlog dit jaar afloopt. Dat zijn zij die menen, dat de eindstrijd in Engeland moet gestreden worden en menen, dat Hitler gauw zal moeten varen, vóór Duitsl. ineenstort.

Voor hen is ieder succes der Duitse wapenen, dat niet op Engeland direct gericht is, een afleidingsmanoeuvre om het Duitse volk met een schijnsucces te paaien, maar tevens een verzwakking door uitrekking van ’t front en vastleggen van waardevolle troepen in nauwelijks te bezetten en te bedwingen gebieden. „Zie je, Engeland moet winnen, want Eng. kan altijd achteruit en dwingt Duitsland vooruit te gaan – en dat laatste zal spoedig boven zijn kracht blijken.”

En men verkneukelt zich maar weer in de Engelse overwinningen op de opstandelingen in Irak en op de vorderingen, die men tegen de Vichy-Fransen in Syrië maakt. (’t Zijn hier weer de Australiërs, die het spits moeten afbijten). Nog steeds blijft men bij zijn naïeve voorstelling van een spoedig en glansrijk herstel van Nederland, ingeval Engeland wint.

Men weet te vertellen, op grond van „De Stenen spreken”, of van Bellamy of van astrologische peilingen, dat wij het geluk op aarde snel naderen. Wij zijn thans in de afbraak-periode; Hitler is de grote sloper. Maar in ’43 begint de opbouw, - en wel, van Nederland uit! Nederland krijgt een zelfgenoegzaam economisch stelsel; daarbij sluit „de rest van de wereld” zich geleidelijk aan en in ’48 is de wereld geheel gewonnen voor Bellamy.

De Polakken vinden dat nog zo gek niet! Merkwaardig, twee gestudeerden, doctoren in de medicijnen! Zij zijn in dat opzicht kinderen en ik kan mij daar niet genoeg over verbazen. Ik ben in ’t geheel geen econoom en van financiën weet ik op 58-jarigen leeftijd nog niet veel meer, dan dat ’t moeilijk is in dezen tijd met f 35.- zakgeld per maand toe te komen. Maar ik kan toch wel zien, dat de toekomst van Nederland, bij een Engelse overwinning met herstel van de goud- of ook de dollarwaarde, hopeloos is.

Afgezien nog van de onmiddellijke ineenstorting van ’t Duitse regiem en de communistische chaos, die daar ontstaat, aannemende dat een ijzeren militair regiem in Nederland het communisme de baas zou blijven (wat met de aanstormende Rode Golf uit Rusland, Duitsland en Frankrijk tegelijk onmogelijk geacht moet worden, daar men op ’t verzwakte en op lijfsbehoud bedachte Engeland niet rekenen kan: die zullen ’t met Stalin wel op een accoordje gooien!), afgezien daarvan dus, zal Nederland moeten trachten a. grondstoffen en machines te krijgen; b den tijd, tot die renderen, te overbruggen en zoeken naar middelen om 8 mill. mensen te eten te geven.

De middelen daartoe zijn: 1° het naar Engeland en Amerika geredde goud der Nederl. Bank. Maar wat zal daarvan over zijn, nadat daarvan de bewapening van Indië is gefinancierd, onze vloot gedurende den oorlog in gevechtstoestand heeft verkeerd en de geëmigreerde Nederl. regering met haar ontzaglijken aanhang is gevoed? 2° onze opeisbare credieten in Amerika, Engeland en Indië; dat zijn dus de achterstallige dividendsuitkeringen aan Nederlandse particulieren. Wat zullen deze betekenen voor de Nederl. schatkist? Niets, want zij zullen er niet komen.

Welke Nederl. kapitalist zal zoveel vaderlandsliefde bezitten, dat hij zijn kostelijk dollarbezit hierheen zal laten komen om ’t als goederenruilvaluta door den Ned. Staat in beslag genomen te zien? en Nederl. „waarde”papieren in ruil te ontvangen? En dat bij een tot (naar men zegt) 3½ gedepreciëerden gulden-koers? Zal men integendeel geen scherpe dictatoriale maatregelen moeten treffen om onmiddellijk na de vredessluiting een massale kapitaalvlucht te voorkomen?

Dat zullen de mooie vaderlandslievende tiraden, waarmee nu de „tot beter ontwaakten” elkaar de oren vol zingen, niet beletten. Zij denken geheel als volgens een Duitse witz Churchill denkt: Na den oorlog moet alles weer worden als vroeger, maar dan heel anders.” Ja-wel, ik ken onze brave Nederlanders; de wekelijkse vergaderingen van ’t Senioren-Convent zijn in dat opzicht zéér leerzaam. Fischböck is daar geenzins populair! Of men die voor de hand liggende consequenties niet zien kan, niet zien wil of niet durft uiten, weet ik niet.

Jan Peper is ’t in ieder geval geheel met mij eens en de vorige week verschenen een paar financiële opstellen in ’t Handelsblad, die ik hier bijvoeg en die dezelfde inzichten weergeven. Peper zegt: men populariseert dat niet, anders gaat de weerstandskracht verloren. ’t Is mogelijk; een paedagogisch-politieke reden dus. Maar de massa der betere middenstanders, die zich graag tot de intellectuelen rekent, de mensen dus, waarmee wij hier in Amersfoort omgaan, schijnt dan toch uit zichzelf heel moeilijk boven ’t sprookje uit te komen (F zie verder).

De lectuur van Mavors heeft mij doen zien, dat Sjoerd Rond gelijk heeft, en dat onze terugtocht uit de Grebbelinie allesbehalve het tactische meesterstuk is geweest, waarvoor men het heeft willen doen doorgaan, een opvatting, waarin welwillende Duitse beoordelaars ons, met het oog op ´t behoud onzer krijgsmanseer, wel hebben willen sterken! ’t Is een ordeloze vlucht geweest, een paniek haast, waarvan de D. geen gebruik hebben willen maken om bloedbaden aan te richten.

Hoeveel halfheid, onbekwaamheid, maar ook hoeveel lafheid en gemis aan verantwoordelijkheids-besef komen hier tussen de regels door tot uiting. Persoonlijke moed plaatselijk en episodisch genoeg, en dan bij minderen en subalterne officieren. Maar hersens? Wat men vele maanden had kunnen voorbereiden, was niet eens af! En hoe heeft zich onze schrielheid gewroken! De burger had uit de krant vernomen van proefnemingen en aanschaffingen, en was gerust. Toen ’t er op aan kwam, was er van die schone zaken niets, of wanneer er soms iets was, kon men er niet mee omgaan.

Wat Wim Hagens mij even na die capitulatie had verteld, was het beeld van heel ons leger. En wat baat dan de strijdlust en de offerbereidheid van een hoop brave jongens! Die wilden wel – maar wat konden ze anders dan zich laten doodschieten? Dat er „maar” 3000 gesneuvelden en 7000 gewonden zijn, danken wij geheel aan de superieure tactiek en de menselijkheid der Duitsers.

Er zal nog wel eens grote, zeer officiële daverende „geschiedenis der 5 dagen” geschreven worden; daar zijn de woordenrijkdom, de gemechaniseerde bombastvaardigheid en de schrijflust onzer hoofdofficieren-in-ruste voldoende borg voor. Dat boekdeel zal misschien wel gebonden zijn in oranje en prijken met het portret onzer Koningin in goud en met de wapens van Nederland, Nassau en Lippe-Biesterfeldt. Dat zal de waarheid bevatten voor ’t nageslacht met vele portretten van hoge militairen – kort om, ’t zal schallen en daveren!

Maar de echte onverbloemde waarheid, althans voor zover zij onder Duitse bezetting toelaatbaar is en geen der thans, helaas, heilige huisjes beroert (dat deel der waarheid mist men er in!), die waarheid vindt men in de dagboek-uittreksels van jonge reserve-officieren in Mavors Mei 40 - Mei 41! Ik kan ieder Nederlander deze lectuur aanbevelen.

(Ofschoon met veel smaak de mop wordt voortverteld van de teleurstelling van Rost van Tonningen, die meende Directeur-Pres. der Ned. Bank te worden en per saldo „papier”fabrikant bleek te zijn, vragen maar weinigen zich in ernst af, welken invloed ’t product van dien papiermolen op den stand van den gulden zal hebben, als die eenmaal weer voor ’t goudfront komt).

Van der Stadt, de kapper vertelde, dat alle officieren, onderofficieren en manschappen, die hier als Opbouwers bij de luchtbescherming werk hadden gevonden, op den eis zich bij de N.S.B. aan te sluiten, ontslag hebben genomen.

Ook vertelde hij staaltjes van bruut optreden der D. weermacht: een jongen, die op straat stond te praten en niet voor een passerend militair op zij ging, werden de tanden uit geslagen.

In de Wieringermeer hadden een paar honderd jodenjongens bij de boeren gedaan gekregen. Dezen liepen nu in Amsterdam werkloos rond. Asscher, de middelaar der joden, vroeg werk voor hen. Hij kwam met een lijst; men nam die aan, hield hem een geruime poos aan de praat, en stelde hem toen de lijst weer ter hand: de jongens hadden al werk! Zij waren in dien korten tijd opgepakt en op transport gesteld naar een concentratie–kamp. (zo vertelt V.d. Stad)

Anton Kruithof kwam gisteren per fiets uit Utrecht tussen een groep arbeiders uit de Gero-fabr. Tegenover de Zwaan bij den smid de gewone opstopping van tankende auto’s en motoren met belemmering van het fietspad. Eén der arbeiders maakt een ontevreden opmerking. Terstond 2 Duitsers in een auto den man na. „Mitt”!” Meegepakt in de auto.

Vanavond vergadering v/h Bestuur der Volksuniversiteit aan huis bij Dr Miedema. De cursussen van den afgelopen winter zijn alle goed geslaagd, ondanks de moeilijke omstandigheden. Wij zullen dezen winter op denzelfden bescheiden voet voortgaan. ’t Nieuwe program is samengesteld; het onderwerp „rassenkunde” lag nog niet in de lijn. Wel folklore en prehistorie. – Ter Pelkwijk, burgemeester van (Leiden) Utrecht, die een groepportret van ’t Koninklijk huis in zijn burgemeesterskamer had hangen, kreeg daar een opmerking over van den prov. Commissaris Müller: de prins mocht er niet op. Ter P. heeft er een papier overgeplakt met de woorden: tijdelijk afwezig.

In Barneveld heeft men ’t standbeeld van Jan van Schaffelaar een bordpapier om den hals gehangen met ’t opschrift: de enige inwoner van Barneveld, die niet naar de Eng. radio luistert. – . De Boerhaave-kliniek in Amsterdam zou vol liggen met meisjes, die een Duitsen baby verwachten: de kliniek heet thans de Baarhoeve. – Er zijn (volgens Dr Leopold) ook Hollandse Ehrenbräüte. Deze verdienen f 100.– voor één avond dienst. In Utrecht natuurlijk.

Ik vroeg hem, of er in Amersfoort ook zo’n etablissement was. „Neen, nooit van gehoord”. Ik zei hem, die verhalen meer te hebben gehoord, o.a. van Soest, maar bij navraag aan serieuze mensen uit Soest bleek zoiets niet te bestaan. Ik vrees nu, dat Leopold mij ook niet voor 100% houdt.

Volgens Mebius en Leopold staat in Moskou de revolutie voor de deur: de rode legers weigeren de concessies goed te keuren, die Stalin aan Hitler dezer dagen heeft gedaan. Nu gaat „het” gebeuren!

Leopold vertelde, dat ook de H.B.S. op haar nieuw program blijft wachten; dat rassenkunde er zeer waarschijnlijk op zal voorkomen (voor rekening van den bioloog) en ... dat Prof. Van Dam, de Secretaris Generaal wankel staat of weg wil. Ik zou dat erg jammer vinden, want Van Dam was goed. Hij heeft in ’t afgelopen jaar voortreffelijke dingen gedaan. En wat zou men terug krijgen?!

woensdag 14 juni 2017

Curzio Malaparte -- 15 juni 1948

Curzio Malaparte (1898-1957) was een Italiaanse schrijver. In 1947-1949 verbleef hij in Parijs. Zijn dagboek over die periode is verschenen als Dagboek van een vreemdeling in Parijs (vertaling Jan van der Haar).

10 juni. Ik kom er steeds meer achter dat ik liever echte collaborateurs heb dan valse verzetsstrijders.

15 juni. Het beeld dat de Fransen van zichzelf hebben klopt in hoofdzaak wel: dat van een ontwikkeld, fijnzinnig, roembelust, ambitieus volk, waarzonder Europa een stuk minder af zou zijn. Maar wat mij verbaast is wat vreemdelingen volgens de Fransen van hen denken. Laten we de verschillende buitenlanders onder wie Frankrijk zo vlijtig aanhangers ronselt, zoals de Roemenen, Grieken, Balkanbewoners, Oost-Europese Joden even voor wat ze zijn; hun oordeel is van geen belang. En laten we evenmin kijken naar het oordeel dat gevormd wordt door eenvoudige volkeren, de buitenlandse boeren en de volkeren die zich in beschaving en raffinement niet met Frankrijk kunnen meten. De eenvoudige volkeren hebben in de Fransen altijd een buitengewoon, bijna bovenmenselijk volk gezien, heel anders dan andere volkeren. Ik weet niet hoe en waarom dit idee is ontstaan. Zo weet ik dat de Italianen, ik bedoel het volk, aan de Fransen denken als harde en tegelijkertijd ridderlijke soldaten, want bij het volk leeft nog de herinnering aan Franse militaire invallen sinds Karel de Grote. Langs de door Karel de Grote in 800 naar Rome afgelegde weg om er als keizer te worden gekroond leven nog steeds dichterlijke verhalen over die reis, en over de gratie, de kracht, de grootmoedigheid en het christelijk geloof van de Karolingische ridders. Veel van die in de Ardennen ontstane legenden zijn overgebracht naar Italië, vooral naar de buurt van Spoleto etc.

dinsdag 13 juni 2017

Harry Graf Kessler -- 14 juni 1927

Harry Graf Kessler (1868-1937) was een Duitse kunstverzamelaar, museumdirecteur, schrijver, publicist, politicus, diplomaat en pacifist. Hij hield 57 jaar lang een dagboek bij. Een selectie daaruit is (door Peter Claessens) in het Nederlands vertaald als Dans op de vulkaan.

Berlijn, 14 juni 1927. Dinsdag
Diner bij de Sammy Fischers met Gerhart Hauptmann en echtgenote, de Einsteins, de Hugo Simons, Jessner, het echtpaar Kerr, staatssecretaris Hirsch enz. Na het eten gesprek met Hauptmann en Einstein, dat zijn vertrekpunt had bij mijn brief aan Hauptmann. Hauptmann zei dat hij de suggestie voor de sterfscène in dank aanvaard had. Hij zou de dood van Uilenspiegel absoluut toevoegen. Ai was hij er nog niet helemaal uit hoe hij het zou aanpakken; hij had een aantal versies in gedachten. Mijn suggestie dat Uilenspiegel zich over 'de laatste dingen', die Cheiron hem zojuist had laten zien, zou moeten 'doodlachen', kenschetste hij tegenover Einstein als 'erg gewaagd'.

Ik weet niet hoe het gesprek daarna op de astrologie werd gebracht. Hauptmann verdedigde haar tegenover Einstein, of beter gezegd, vroeg Einstein wat hij ervan vond, kennelijk in de veronderstelling verkerend dat Einstein er toch wel enig belang aan zou hechten. Maar Einstein verwierp haar volledig en zo resoluut als bij zijn verzoeningsgezinde aard maar mogelijk is. Het copernicaanse systeem had voor eens en altijd met het antropocentrische wereldbeeld afgerekend waarin het hele uitspansel rond de aarde en de mensheid draait. Het was waarschijnlijk de grootste klap geweest die het menselijke wereldbeeld eigenlijk ooit te verwerken had gekregen. De aarde was er om zo te zeggen door geprovincialiseerd, tot 'provincie' gereduceerd, in plaats van kardinaal punt en middelpunt te zijn. Daarmee was ook de passio Christi, de kruisiging, in een nieuw licht komen te staan.

Hauptmann was niet van de astrologie af te brengen. Binnenkort zou Einstein een boek van Johannes Schlaf ontvangen waarin bewezen werd dat het hele copernicaanse systeem op een vergissing berust (dat zei Hauptmann met een lichte glimlach): nou ja, ook al was dat objectief beschouwd wellicht onzin, dan moest je toch toegeven dat bij het ontwerpen van onze wereldbeschouwing ook de verbeeldingskracht een rol speelt, dat deze subjectieve factor zich niet volledig laat wegcijferen. Dat was ook het geval met het woord; de formulering van de een of andere zienswijze in woorden gaf haar een ruggengraat, een basis.

Einstein: beslist; hij was op het moment Lévy-Bruhls boek over het primitieve denken aan het lezen, demonen alom. Waarschijnlijk was het geloof aan de invloed van demonen in wezen de oorsprong van ons causaliteitsbegrip. (Hij wilde er kennelijk mee aangeven dat de ontwikkeling die begonnen was met het geloof in demonen, in de astrologie had geresulteerd [invloed der gesternten] en vandaar via het copernicaanse kosmologische systeem was uitgemond in de zuiver causaal-mechanische opvatting van de natuur.)

Kerr, die er met zijn vulgaire kleine echtgenote bij was, onderbrak het gesprek steeds weer met kwinkslagen die spitsvondig bedoeld maar niet eens grappig waren; hij dreef met name de spot met Onze-Lieve-Heer. Ik trachtte hem zijn mond te laten houden en verzocht hem Einstein, die diepgelovig is, niet onnodig te krenken. 'Wat,' zei Kerr, 'dat bestaat niet! Dat moet ik hem dan meteen maar eens vragen. Zeg eens, beste professor, klopt het dat u diepgelovig bent?' Met grote waardigheid en beheersing antwoordde Einstein: 'Zeker, als je het zo wilt opvatten. Als we met onze beperkte middelen in de natuur binnendringen, dan ontdekken we achter alle voor ons nog kenbare samenhangen iets heel subtiels, ongrijpbaars, onverklaarbaars; het ontzag hiervoor, voor wat aan gene zijde van het voor ons bevattelijke werkzaam is, is mijn religie; in zoverre ben ik inderdaad religieus.' Voordien had hij op mijn opmerking dat zijn ontdekkingen een even revolutionair effect op onze wereldbeschouwing gehad hadden als die van Tycho Brahe en Copernicus, afwijzend en heel resoluut, ja zelfs ietwat geërgerd geantwoord: 'Mijn inzichten zijn helemaal met zo revolutionair!'

Hauptmann zei me onder het eten over de tafel heen toen ik zijn gelijkenis met Goethe aanstipte: 'Ja, ik ben toch ook een zoon van Goethe.' Op mijn ietwat verbaasde vraag 'Hoe moet ik dat begrijpen?' zwakte hij het echter af door te zeggen dat hij tot dezelfde stam behoorde. Ook met Alexander von Humboldt had hij een soortgelijke bloedverwantschap. Benvenuto (zijn zoon) had eens, toen hij vier was en met zijn kindermeisje langs de Berlijnse universiteit liep, naar het beeld van de zittende Alexander von Humboldt gewezen en gezegd: 'Kijk, daar zit pappie!' Die nauwe verwantschap met Goethe en Alexander von Humboldt schijnt bij Hauptmann een soort mystiek geloofsartikel geworden te zijn.

maandag 12 juni 2017

Bertolt Brecht -- 13 juni 1921

Bertolt Brecht (1898-1956) was een Duitse schrijver. Dagboeknotities van hem zijn gepubliceerd in Tagebücher 1920-1922.

Montag, 13.
Alles wieder Panorama.
In diesem Land sind die Farben schlecht. Es ist alles graue, oft gewaschene Tinte. Wenn sie einmal einen roten Mond hineinbringen, hat man nicht genug Naivität, ruhig zu bleiben. Daher sollte wenigstens der Schnaps umsonst sein. In einem Land mit solchen Farben sollte der Schnaps nichts kosten.

Vor einer Woche die Marianne. Wir reden zuviel. Nachts bin ich müd und schlafe, sie aber wacht, sitzt auf dem Sofa in der Hölle und weint über meine gestorbene Liebe. Ich halte, aufgeweckt, eine Rede darüber, daß sie R[echt] wieder alles verheimlichen, dann entfliehen will oder was sonst? Sie bereut, sie will R[echt] gestehen, sie fährt zuversichtlich ab und schreibt einen eifersuchtstollen Brief drei Tage später: sie wolle überhaupt allein in die Welt.

Mitunter halte ich mich in der Pinakothek auf. Jetzt wird es mir übel vor dem Fleischbazar der Rubensorgien. Davon hatte ich selber zuviel intus, muß aber zum Tizian kommen. Hier ist so gedunkelter Prunk, ein satter Goldton, balsamische Ruhe bei starker Kraft und die Monumentalität des Shakespeare. Man sollte doch irgendwo ein gelbes Haus gründen, wie van Gogh meint, in das man Leute mit Ideen und Wuchs zusammenpfercht, die dann sehen müssen, wie sie miteinander zurechtkommen. Etwas so Gesellschaftliches wie Theater läßt sich nicht von einzelnen Punkten aus in Angriff nehmen, hier braucht man vernünftiges übereinkommen.

Freitag, 17.
Als ich heut vor dem Spiegel Kirschen fraß, sah ich mein idiotisches Gesicht. Gegen die geschlossenen, schwarzen Kugeln, die im Mund versanken, wirkte es noch ungebundener, lasziver und widerspruchsvoller. Es hat viele Elemente von Brutalität, Stille, Schlaffheit, Kühnheit und Feigheit in sich, aber nur als Elemente, und es ist abwechslungsvoller und charakterloser als eine Landschaft unter wehenden Wolken. Deshalb können viele Leute mein Gesicht nicht behalten (»es sind zuviele«, sagt die Hedda).
[...]

zondag 11 juni 2017

S.A. Buddingh -- 12 juni 1857

S.A. Buddingh (1811-1869)-- Dagboek mijner overland-mail-reis van Batavia naar Nederland, via Triëst, in 1857.

Tegen den avond van, den 12den Junij passeerden we het eiland Lucipara, en ten half 12 uren viel het anker op de reede van Muntok (hoofdplaats van het eiland Banka.) Lucipara is als het ware de wachter aan den ingang van straat Banka, welke engte, gelijk bekend is, gevormd wordt door de eilanden Banka en Sumatra. Voor de zeevaarders is de berg Menoembing, gewoonlijk bij verbastering Monopijn genaamd, het verkenningspunt voor Muntok.

13 Junij stoomden we weder straat Banka uit. Sumatra verliest men straks uit het oog, maar het hooge en bergachtige land van Banka ziet men nog uren lang, vooral den berg Paniabang. Weldra passeerden we de rotsen Karang Hodjie, en de zeven-eilanden, welke groep geformeerd wordt door de eilanden Joe, Lalang, Marantej, Tjebia, Katjangan, Toekang-Kombong en Poeloe Satoe. We hadden ze aan stuurboord-zijde, terwijl we aan de linkerhand weldra Poeloe Taja passeerden, en iets verder het eiland Linga en de daartoe behoorende grootere en kleinere eilanden.

George Orwell -- 11 juni 1942

George Orwell (1903-1950) was een Britse schrijver en journalist. Van 1941-1943 werkte hij voor de op India gerichte Eastern Service van de BBC, waardoor hij de politieke en militaire ontwikkelingen op het vasteland op de voet volgde. Zijn dagboeken zijn gepubliceerd als Diaries. gedeeltes eruit zijn hier te lezen. De Nederlandse vertaling (van Nelleke van Maaren) is gepubliceerd in de reeks Privé Domein.

11 juni 1942
De Duitsers maken via de radio bekend dat ze, aangezien de inwoners van een Tsjechisch dorp genaamd Ladice (ongeveer 1200 inwoners) schuldig waren aan het verbergen van de moordenaars van Heydrich, alle mannen in het dorp hebben doodgeschoten, alle vrouwen naar concentratiekampen hebben gestuurd, alle kinderen voor ‘heropvoeding’ hebben weggezonden, het hele dorp met de grond gelijk hebben gemaakt en een nieuwe naam hebben gegeven. Ik bewaar een afschrift van de bekendmaking, zoals opgenomen in het afluisterverslag van de BBC. [...]
Het verbaast me niet echt dat mensen zulke dingen doen, zelfs niet dat ze bekendmaken dat ze die doen. Wat echter wel indruk op me maakt, is dat de reactie van andere mensen op dit soort gebeurtenissen enkel en alleen door de politieke mode van dat moment wordt bepaald. Zodoende geloofden de rozeroden voor de oorlog elk horrorverhaal dat uit Duitsland of China kwam. Nu geloven de rozeroden niet langer in Duitse of Chinese gruweldaden en doen ze alle horrorverhalen automatisch af als ‘propaganda’. Nog even of je wordt belachelijk gemaakt als je suggereert dat het verhaal van Lidice weleens waar zou kunnen zijn. En toch, de feiten zijn er, bekendgemaakt door de Duitsers zelf en opgenomen op grammofoonplaten die ongetwijfeld nog steeds beschikbaar zijn. Vergelijk de lange lijst met gruweldaden sinds 1914 [Duitse wreedheden in België, Bolsjewistische wreedheden, Turkse wreedheden, Britse wreedheden in India, Amerikaanse wreedheden in Nicaragua, naziwreedheden. Italiaanse wreedheden in Abessinié en Cyrenaica, rode en witte wreedheden in Spanje, Japanse wreedheden in China...] die in alle gevallen naar gelang de politieke voorkeur al of niet werden geloofd, terwijl men helemaal niet geïnteresseerd was in de feiten en men maar al te graag bereid bleek om de eigen overtuigingen te veranderen zodra de politieke situatie verandert.

vrijdag 9 juni 2017

Sigurd von Ilsemann -- 10 juni 1920

Sigurd von Ilsemann (1884-1952) was vleugeladjudant van de Duitse keizer Wilhelm II. Een ruime keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands vertaald als Wilhelm II in Nederland.

Amerongen, 10juni 1920
De keizer is nu al meer dan vier weken in Doorn. De keizerin ligt sinds kort na Pinksteren in bed. Een kleine beroerte leidde tot een ernstige crisis. De keizer sprak met mij al over de dood van de keizerin. Zij is intussen weer wat opgeknapt, maar de dood is weer een stap dichterbij gekomen. Men moet er rekening mee houden dat het hart spoedig plotseling zal stilstaan. Haar lichaam zal dan, naar wens van de keizerin, worden overgebracht naar Potsdam. Eerst had men gedacht aan voorlopige bijzetting in Amerongen.

Met de keizer gaat het goed. Hij voelt zich goed in het nieuwe huis. Op de laatste dag voor mijn verlof gebeurde nog iets... karakteristieks voor de keizer! Op de 7de arriveerde graaf Moltke, die mij gedurende mijn verlof zal vervangen. Toen ik mij de volgende dag na het middageten bij de keizer wilde afmelden, zei hij: 'Nee, nog niet, u begeleidt mij vanmiddag nog naar graaf Lynden op Kasteel Sandenburg [in Langbroek, bij Doorn red.] en dan eet u 's avonds nog hier.' Toen Gontard, Berg en de dames probeerden mij vrij te krijgen, werd hij boos: 'Nee, ik zal jullie laten zien dat ik hier nog steeds de bevelen geef!' De keizer vond het simpelweg onaangenaam dat hij mij nu niet iedere dag om zich heen zou hebben. Mij deed het een beetje pijn geen begrip te vinden, nadat ik nu anderhalf jaar hier in Nederland mijn dienst heb gedaan. En wat voor een zware dienst! Gontard meende dat het toch voldoening moest geven om te merken hoe moeilijk het voor de keizer is het tijdelijk zonder mij te moeten stellen. Dus begeleidde ik de keizer naar Lynden. Toen hij daar weer vertrok, zei hij tegen de chauffeur: 'Naar Amerongen, waar ik Ilsemann bij zijn bruid zal afleveren!' 'Bravo!', zei Berg tegen de keizer. Ook ik was zeer ontroerd.

Mijn dienst in Doorn is als volgt: 's morgens ga ik met de keizer van 8 tot 9 uur in het park wandelen, daarna volgt de morgendienst samen met de keizerin. Aansluitend werk ik met de keizer in het park aan wegen, bomen en planten. Daarna volgt het voorlezen van de kranten en het middageten met de majesteiten, die zich tussen 2 en 3 uur terugtrekken. Dan rijd ik naar Amerongen, waar ik met kranten en schrijverij steeds genoeg te doen heb. Om 7 uur ga ik dan weer naar Doorn, waar ik 's avonds met de majesteiten moet eten. 's Nachts blijf ik in de Daisy Cottage, later 'Villa Plön' genaamd, en dan heb ik de volgende dag de avond vrij. Een regelmatige wisseling dus; om de andere dag ben ik altijd 's avonds vrij.

donderdag 8 juni 2017

Robert Graves -- 9 juni 1915

• De Britse schrijver Robert Graves (1895-1985) was soldaat in WO 1. In Dat hebben we gehad (vertaald door Guido Golüke) zijn ook een aantal dagboekfragmenten van hem uit die periode opgenomen.
In 1916 zou hij zelf zwaargewond raken tijdens de bijna vijf maanden durende Slag aan de Somme, waarbij meer dan een miljoen doden en gewonden vielen.

9 juni. Ik begin me te realiseren wat een geluk ik heb gehad om in de loopgraven bij Cambrin zo rustig kennis te maken met het front. We zitten nu in een akelige spits iets ten zuiden van de steenhopen, waar het aantal slachtoffers altijd hoog is. Gisteren had de compagnie zeventien slachtoffers door bommen en granaten. De frontlinie is gemiddeld maar zo'n dertig meter van de Duitsers verwijderd. Vandaag liep ik, in een gedeelte dat maar twintig meter van een bezette Duitse loopgraaf ligt, The Farmer's Boy te fluiten om de moed erin te houden, toen ik ineens een groepje over een man gebogen zag staan die op de bodem van de loopgraaf lag. Hij maakte een snurkend geluid, vermengd met een dierlijk gekreun. Aan mijn voeten lag de pet die hij op had gehad, bespat met zijn hersenen. Ik had nog nooit menselijke hersenen gezien; ik beschouwde ze op de een of andere manier als een produkt van dichterlijke fantasie. Met een zwaargewonde man kun je grapjes maken, je kunt hem ermee feliciteren dat hij nu van de ellende hier is verlost. Een dode kun je negeren. Maar zelfs een mijnwerker kan geen grapje maken dat klinkt als een grapje over een man die er drie uur over doet om te sterven, nadat het bovenste gedeelte van zijn hoofd is afgerukt door een kogel die van twintig meter afstand is afgevuurd.
Beaumont, over wie ik in de vorige brief heb verteld, is ook gesneuveld - de laatste ongedeerde overlevende van het oorspronkelijke bataljon, afgezien van de mannen in de bevoorradingsploegen. Zijn benen zaten tegen zijn rug. Iedereen liep kwaad te vloeken, maar toen kwam er een genie-officier aanlopen die tegen me zei dat hij een tunnel tot onder de Duitse frontlinie had gegraven, en dat dit het geschikte moment was als mijn mannen wat granaten wilden gooien. Daarop liet hij de mijn ontploffen - het was geen grote, zei hij, maar hij maakte een geweldig lawaai en we werden met modderkluiten overdekt. We wachtten een paar tellen tot de andere Duitsers kwamen aanrennen om de gewonden te helpen, en gooiden toen alle granaten die we hadden.
Beaumont had me nog verteld dat hij na de voorstelling bij de Rue du Bois voor vijf pond aan francs had gewonnen in de sweepstake: een sweepstake van het soort dat geen bitterheid veroorzaakt. Voor een voorstelling verzamelen de soldaten van het peloton al hun geld in een gemeenschappelijke pot die naderhand door de overlevenden wordt verdeeld. De gesneuvelden kunnen niet klagen, de gewonden zouden veel meer dan dat hebben gegeven om er zo af te komen en de niet-gewonden beschouwen het geld als een troostprijs voor het feit dat ze hier nog steeds zitten.

woensdag 7 juni 2017

A. Vink -- 8 juni 1940

Dagboek van sergeant A. Vink, groepscommandant bij 1e sectie 1-II-8 R.I. Na de capitulatie van het Nederlandse leger werd hij als krijgsgevangene enige tijd in Duitsland tewerkgesteld.

Zaterdag 8 Juni 1940
Om half vijf worden we gewekt door de chauffeur, die ons een uur later naar de fabriek brengt. Onze bewaker is Vrijdagmorgen weggegaan en eerst om 2 uur komt er een andere bewaker. We werken van 6 - 9 uur. Van 9 uur tot half tien hebben we "Frühstück". Gedurende deze rust maak ik kennis met onze nieuwe "Wachtmann", die eens poolshoogte komt nemen. Om half tien gaat het werk weer door tot half twee, dan is het "Feierabend".

Deze morgen breng ik grotendeels door als "Dollmetscher". Daar ik het best de Duitse taal machtig ben en bovendien als leider van onze groep optreed, moet ik verschillende keren op zijn kantoor komen om het een en ander betreffende onze voeding enz. te bespreken en zo onze belangen te behartigen. Om kwart over elf ga ik met de trekwagen eten halen in de stad en breng dat naar ons kwartier. Ons eten in Wismar wordt door de National - Sozialistische Volksfürsorge (NSV) gekookt, een gaarkeuken voor de armen in de stad. Als hulp krijg ik een oud mannetje mee. Deze blijkt veel haast te hebben, want om half twee wil hij klaar zijn, want dan begint ook voor hem de "Feierabend". Daar we ook voor Zondag eten moeten halen, moeten we twee keer rijden. Hij wil het in één keer meenemen, wat voor ons schadelijk is, want dan krijgen we minder. Ik breng hem aan het verstand dat dat niet gaat en nu moet hij ook wel de tweede keer mee.

Als ik in het kwartier terug kom is daar ook reeds spoedig onze nieuwe bewaker. De tuniek maakt hem soldaat, maar al gauw loopt hij rond met een burgervest en een geel huisjasje. Het is een gemoedelijke Duitser tegen de 50 jaar, die zich als onze kameraad beschouwt en ook zo handelt. Hij voorziet ons in de komende dagen van alles wat we nodig hebben, huisraad, lectuur, sigaretten, enz. Als de anderen thuiskomen eten we weer. De middag besteed ik o.a. aan de was. Mijn ondergoed dat ik al drie weken heb moeten aanhouden heeft wel een goede beurt verdiend. Het knapt dan ook werkelijk op, al is het nog niet hagelwit. 's Avonds eten we weer middageten.

In verband met het warme weer heeft men ons aangeraden het eten niet tot de volgende dag te bewaren daar het eten dan misschien zuur wordt. Daar ons werk onder de term "zware arbeid" valt krijgen we extra brood.
Menu: 2 x aardappelsoep met vlees, spek,
peen en erwten
1/2 Schwarzbrot, 2 eieren, 1/2 p suiker
zout en 1 blik marmelade

dinsdag 6 juni 2017

Charles Burney -- 7 juni 1770

Charles Burney (1726-1814) was een Engelse muziekhistoricus en componist. In 1770 maakte hij een studiereis naar het vasteland. Zijn reisjournaal is in het Nederlands vertaald (door Sas en Lucas Bunge) onder de titel Een posthoorn vol muziek.

Op donderdag 7 juni 1770 voer ik met een flinke bries naar Calais. Het enige normale incident was dat ik tijdens de overtocht onverdraaglijk zeeziek werd, iets dat mij bij iedere reis naar Frankrijk steevast berooft van het genoegen halverwege de twee landen de kustlijn van allebei te zien. Met een goede telescoop gewapend kan men zich dan een mening vormen over de hypothese dat ons Eiland ooit een deel van het continent zou hebben uitgemaakt alvorens een aardbeving of soortgelijke natuurramp het daarvan losscheurde, een gedachte die me wel zeer waarschijnlijk voorkomt. Stenen, bodemgesteldheid, planten en de algemene indruk van het landschap vertonen veel overeenkomst. Laat ik mij echter bij mijn onderwerp houden en het probleem aanbevelen in de aandacht van natuuronderzoekers die op dit terrein thuis zijn en over de nodige kennis van zaken beschikken om een zo duistere en belangwekkende zaak nader te doorvorsen.
Niet minder treffen mij bij iedere reis opnieuw bepaalde tegenstellingen in voorkomen, zeden, gebruiken en taal tussen de bewoners van dit land en die van Engeland van wie zij door niet meer dan een paar luttele mijlen gescheiden zijn. Het verschil in pigment is altijd weer een reden tot verbazing. De Engelsen in Dover zijn even blond als die in andere delen van het Koninkrijk, uitzonderingen daargelaten. De Fransen in Calais daarentegen zijn net zo gebruind en hebben even donker haar als hun landgenoten In de Provence of een andere hoek van dit uitgestrekte land. Vreemd is ook het contrast tussen de eenvoud van kleding en een beter soort zwijgzaamheid aan de ene zijde van het Kanaal en de opschik, de spraakzaamheid, de hoofsheid aan de andere; de hygiëne van de gemiddelde Brit en het gebrek daaraan bij de Fransen.
Helaas, het tempo van mijn reis ligt nu eenmaal te hoog om mij in algemeenheden te vermeien. Mensen zoals ik, die als trekvogels over een koninkrijk vliegen, kunnen zich dat niet veroorloven: ze zien alleen een panorama. Ik zal dan ook uitsluitend melding maken van omstandigheden en feiten waarvan ik persoonlijk en met eigen ogen kennis heb kunnen nemen.
In Calais gaf het ceremonieel van de douane reeds een voorproefje van zelfingenomenheid gemengd met gebrek aan houding: de commies troonde achter zijn bureel in een fluwelen costuum met het air en uiterlijk van een heer-van-stand. Na mijn paspoort getekend te hebben, antwoordde hij op de vraag wat ik hem schuldig was: 'Ah, Monsieur! Ce n'est que la politesse', maar toen ik hem vierentwintig sous gaf, het equivalent van een shilling, begonnen zijn ogen te glinsteren en keek hij even vergenoegd als een man in zo'n pak bij ons wanneer men hem een positie aan het hof zou aanbieden, of een heel regiment.
Aangezien ik bij de voornaamste herberg geen reisgenoot kon vinden met bestemming Parijs, huurde ik zelf een koets tot Lille en vertrok diezelfde avond nog naar St. Omer, een traject van ongeveer dertig mijl. Bij aankomst bleek de stadspoort gesloten te zijn en ik moest onderdak zoeken in een ellendig huis buiten de wallen waar ik, na mijn zeeziekte en totale verpietering, niets anders te eten kon krijgen dan wat muffe makreel, sla met ranzige olie en een omelet van rotte eieren. Nergens was vlees te krijgen. Kamer en bed van dezelfde aard als het eten. De wijn zuur, het geheel oncomfortabel. Hoe het ook zij, de mensen waren beleefd en ik was besloten mijn humeur te bewaren; dus bleven we vriendelijk voor elkaar. Uit vrees voor wandluizen en vochtig beddegoed durfde ik me niet uit te kleden, want voor zo ver ik had gezien maakte het hele huis een smerige indruk. Men beweert dikwijls dat precieze huisvrouwen zo pinnig zijn—deze was dan ook bijzonder tegemoetkomend.

maandag 5 juni 2017

Virginia Woolf -- 6 juni 1918

Virginia Woolf (1882-1941) was een Engelse schrijfster. Ze hield vrijwel haar hele leven een dagboek bij.

Thursday 6 June
These gaps [in the diary] are accounted for by the weather. It's not weather for drawing up to the fire and settling in. Carrington came to tea with me [and] stayed over two hours; and I think that by itself is a sign of youth. She is odd from her mixture of impulse and self consciousness; so eager to please, conciliatory, restless, and active. I suppose the tug of Lytton's influence deranges her spiritual balance a good deal. She has still an immense admiration for him and us. She looks at a picture as an artist looks at it; she has taken over the Strachey valuation of peopie and art; but she is such a bustling eager creature, so red and solid, and at the same time inquisitive, that one can't help liking her. She posted me up in all the gossip. Lytton complains that the critics haven't attacked his judgments. They have copied each other and complimented him without much fineness. Still his book goes into another edition. I haven't yet read it through.

Friday 7 June
L.[Leonard, Virginia's husband] was told the other day that the raids are carried out by women. Women's bodies were found in the wrecked aeroplanes. They are smaller and lighter, and thus leave more room for bombs. Perhaps it is sentimental, but the thought seems to me to add a particular touch of horror.

zondag 4 juni 2017

David ben Goerion -- 5 juni 1967

David ben Goerion (1886-1973) was een van de stichters van Israël en de eerste premier van dat land. Voor en tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 hield hij een dagboek bij.

 5 June 1967 (Monday)
— Hostilities began this morning with our air strike in the south. There was also an assault on Khan Yunis and Rafiah [cities in the Gaza Strip]. I’m convinced that this is a grave mistake. We should have told Washington and London that we would initiate hostilities if the Straits of Tiran were not opened. Dayan sent General .... this morning to inform me of events. He needn’t have.
— At ten-thirty, Zvi Zur [assistant to the Defense Minister] phoned. 137 Egyptian planes were damaged, 6 or 7 of ours. Moshe will soon address the nation. The Knesset meeting has been canceled. It’s planned to convene at four in the afternoon. — At a quarter to eleven, Moshe addressed the army. Egypt, Jordan, Syria, Iraq, and Kuwait are aligned against us; Algeria is also sending an army. They are many, and we are brave. He did not mention our losses or the Egyptians’, but said that our settlements in the south are under heavy artillery fire.
— At a quarter to twelve, Shimon and Yosef [Almogi] came to see me. I said to Shimon, “It’s been done. But it seems to me that they shouldn’t have attacked without first informing England and America and explaining our action.” Shimon says we did speak with them ...
— Four o’clock in the afternoon. I’ve just returned from the basement of the Air Force Headquarters. I spoke with Moshe and Zur and Yigal Yadin [appointed by Eshkol as Special Advisor on Defense Affairs], and afterwards with Motti (Hod) [Commander of the Israeli Air Force] and Ezer Weizman [Deputy Chief-of-Staff]. Victory has been won by our Air Force. We’re in a class of our own. We’ve destroyed 362 Arab planes, mostly Egyptian. We’ve knocked out almost all of the airfields in Egypt and Syria. We’ve taken Khan Yunis and Rafiah. Only the Jordanians are still fighting. Egypt and Syria are defeated. Moshe still forbids publicizing our achievements. It’s possible that we’ll inform American Intelligence this evening. I advised informing French Intelligence too. Our great victory might influence De Gaulle. The Knesset meeting scheduled for four in the afternoon was postponed until six thirty. Moshe will go over for the swearing in ceremony and return immediately. I was advised not to attend.
— We’ve lost nine or eleven planes, including a Mirage and Vauteur. The rest were Mysteres, Orans, etc. One of our pilots has fallen in Egyptian hands. Another one parachuted into Sinai and there’s hope for his recovery. It’s likely that the number of Arab casualties is somewhat exaggerated, but it can be said that their air forces have been totally wiped out ...
— Eshkol told the Knesset about “our [Rafi’s] initiative” to broaden the government; the addition of Moshe, Begin, and Sapir to the government; and especially his own “release” from the Defense Ministry ...
— At the end of the debates, we returned to Tel-Aviv and heard about other events on the front. We’ve lost 17 planes and destroyed around four hundred; we’re advancing in Sinai, and fighting is still going on in Jerusalem.

August Strindberg -- 4 juni 1896

• August Strindberg (1849-1912) was een Zweedse schrijver. Zijn autobiografische boek Inferno bevat ook 'Uittreksel uit mijn dagboek over het jaar 1896'.

4 juni. Ik breng een bezoek aan de Deense schilder in de Rue de la Santé. De grote hond is verdwenen, de ingang is vrij. We gaan eten op een terras aan de Boulevard Port-Royal. Mijn vriend heeft het koud en voelt zich niet erg behaaglijk. Omdat hij zijn jas vergeten heeft leg ik de mijne over zijn schouders. Op hetzelfde moment wordt hij rustig; hij schikt zich naar mij en ik heb de overhand. Hij durft niet meer tegen mij in te gaan en we zijn het volledig over alles eens. Hij geeft toe dat Popoffsky een schurk is en dat ik mijn tegenslagen aan hem te danken heb. Plotseling wordt hij zeer nerveus; hij zit te trillen als een medium dat onder hypnotische invloed staat, schuift onrustig op zijn stoel heen en weer, gooit mijn jas af, kan niet meer eten, legt zijn vork neer, staat op, geeft me mijn jas terug en neemt afscheid.
Wat zou dit betekenen? De mantel van Nessus? Had de tegengestelde polariteit van mijn fluïdum, dat zich in de stof van de jas opgezameld had, hem aan mij onderworpen?
Is dit niet waar Ezechiël op duidt in hoofdstuk 13, vers 18: “Zo zegt de Here, Here: wee haar, die toverbanden binden om alle polsen en die sluiers winden om het hoofd van groot en klein, om zielen te vangen… Daarom, zo zegt de Here, Here: zie, ik keer Mij tegen uw toverbanden, waarmee gij de zielen als vogels vangt, Ik zal ze van uw armen rukken, en de zielen vrijlaten, die gij als vogels vangt.”
Ben ik dan misschien een tovenaar geworden zonder het zelf te weten?

Cola Debrot -- 3 juni 1956

Cola Debrot (1902-1981) was een Antilliaanse schrijver, arts, diplomaat en staatsman. Van een verblijf in Genève in 1956 hield hij een dagboek bij, onder de titel Dagboekbladen uit Genève.

• Portret: Carel Willink

3.6.1956
- Het Franse woordenboek geeft twee vertalingen voor ‘fontein’: ‘la fontaine’ en ‘le jet d'eau’. Toch bestaat hiertussen een groot verschil. ‘Jet d'eau’ is een waterstraal, die slechts een onderdeel vormt van een fontein. ‘Fontein’ is waterstraal plus haar natuurlijke of kunstmatige omgeving, die zich in het bijzonder leent als zinnebeeld voor alles wat als bron van het volledige leven kan worden beschouwd. ‘Je meurs de soif auprès de la fontaine’, deze prachtige regel van Villon zou niet vervangen kunnen worden met de variatie ‘je meurs de soif auprès du jet d'eau’.

Als ik uit het raam kijk, word ik telkens weer verrast door de fontein van Genève. Het is een waterstraal, die door een installatie aan de linkeroever opgespoten wordt tot een hoogte van honderdwintig meter. Volgens de Guide Bleu zou ik te maken hebben met de hoogste ‘jet d'eau’ in geheel Europa. Ik zou mij bijna verkeerd hebben uitgedrukt en hebben gezegd, dat hij als een waaier terugvalt. Dat zou bepaald een verkeerd beeld zijn geweest. Het gebeurt wel dat een waterstraal aan beide kanten gelijkelijk ombuigt, als een waaier. Met deze ‘jet d'eau’ is dit niet het geval, hij buigt slechts naar één kant om. Hij lijkt meer op een enorme ganzeveder, het schrijfinstrument van een tot over de oren verliefde, reusachtige godin. Hij kan ook met een sluier bij een windvlaag worden vergeleken.

Het is op het ogenblik twaalf uur 's middags, de zonnestralen worden in de sluier opgevangen en vormen er een regenboog, die zich boven een kleurig waterlandschap welft. Het meer is groen met nuances van blauw. Op de boulevard krioelt het van de mensen in fleurige kleding. Op de pier van het Paquis wemelt het van zwempakken in harde elementaire kleuren. De oppervlakte van het meer is druk bevolkt met zeiljachten van verschillende lengte, met zeilen, helwit, maar ook roze, bruin en groen, en uitgerekte raderboten, die de grote lappen van Zwitserse en Franse vlaggen achter zich aanslepen. Mensen en schepen vormen centra van kleur, die zich spiraalsgewijze voortzetten in de trillingen van de lucht. Het is duidelijk een van de eerste mooie zomerdagen.

vrijdag 2 juni 2017

J.L. Heldring -- 2 juni 1958

J.L. Heldring (1917–2013) was journalist en 4 jaar hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Zijn 'Pools dagboek' bevat de notities gemaakt tijdens een veertiendaags bezoek aan Warschau in de eerste helft van juni 1958.

Dinsdag 2 juni
Voor de lunch ben ik uitgenodigd door prof. A. Het blijkt in een van de duurste restaurants van Warschau te zijn, aan de Marszalkowska, de in Poolse Stalinstijl gebouwde boulevard in het midden van de stad. Zoals zovele dingen in socialistische staten, is ook dit restaurant, dat in 1955 gebouwd moet zijn, al wat versleten. Er zitten veel proletarisch uitziende mensen (schillerkragen enz.). Waar die het geld vandaan halen, weet ik niet. Ik vraag het maar niet aan mijn gastheer, want ik weet ook niet waar hij het geld voor de lunch vandaan haalt. De bediening is overigens langzaam. Dit is, zoals A. opmerkt, een van de nadelen van het socialistische systeem. De mensen zien er geen eigen belang in om harder te werken. Dat is natuurlijk bekend, maar het is goed het eens te horen uit de mond van een communist. Want dat is A. kennelijk. Hij is een beetje teleurstellend onorigineel in zijn opmerkingen over de koude oorlog (‘waar beide zijden schuld aan hadden’), over de blokpolitiek etc. Maar hij schijnt werkelijk te geloven in het ‘revanchisme’ van Adenauer of misschien niet van Adenauer, dan van zijn opvolger, wie dit ook zijn moge. De Europese integratie, waarover hij zojuist een artikel heeft geschreven, ziet hij ook als een produkt van de koude oorlog (dat is juist) en daarom veroordelenswaard (dat is op zichzelf niet juist). Ook ziet hij die integratie volkomen gedomineerd door Duitsland. De Gaulle is een satelliet van Adenauer. Hij zegt vertrouwd te zijn met mijn tegenargument, dat het beter is Duitsland in de club te hebben dan erbuiten, laat staan ertegen. De Bundesrepublik moge dan een democratische staat zijn (dat wil hij wel aannemen), maar de Weimarrepubliek was nog democratischer en toch bracht die binnen vier jaar na de sociaal-democraat Müller en binnen een jaar na Brüning (‘Adenauers partijgenoot’) Hitler. Mijn wederwoord: als we met historische parallellen beginnen, moeten we dan ook niet de Poolse delingen te berde brengen? Kortom, een vrij frustrerend, zij het levendig gesprek. Het is natuurlijk honderdmaal waar wat hij zegt: de Polen zullen nooit vergeten, dat de Duitsers hen bewust als Untermenschen hebben behandeld en een stad als Warschau b.v. systematisch - dus niet tijdens een oorlogshandeling - hebben vernield - een stad die de Polen na de oorlog zonder hulp uit het buitenland hebben moeten opbouwen. Vergeleken met de Polen, hebben wij tijdens de bezetting een gulden tijd gehad.

[lees verder]