donderdag 28 juni 2018

Benedictus van Doninck -- 29 juni 1918

Benedictus van Doninck (1858-1940) was een Belgische priester en abt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.

Vrijdag 28 juni 1918 (dag 1419)
Meneer Prior zei deze morgen in het kapittel dat de kardinaal op last van zijne Heiligheid de Paus alle pastoors verplicht heeft morgen de H.Mis op te dragen "contra iniquitatem et pro paceé" en dat de andere priesters seculieren en regulieren daartoe ook werden verzocht. Men vertelt dat er opnieuw op het Vaticaan ook op diplomatieken weg een vredesmotie wordt ingeleid.
Deze middag aan tafel onze eerste en laatste portie kersen.
Om 4 ½ onweder met een malse bui regen.
Er was eerst uitgeplakt dat men nieuwe patatten mocht uitdoen op 25 juni. Die datum werd dan weder gesteld op 17 juli. Deze namiddag kwam een kleine jongen met een korf nieuwe patatten in de Kloosterstraat een geheime Duitse politieman tegen die de patatten afnam! Onze oude patatten zijn op, wij hebben reeds de nieuwe flink aangesproken, al zijn er deze week mannen van de Erwtenzentrale komen opnemen hoeveel wij er geplant hebben?

Zaterdag 29 juni 1918 (dag 1420)
Geen kanon hoorbaar.
Onder de grote mis door de Prior gezongen zonder assistentie bespeelde Theodoor de Maeyer het orgel.
Nivardus heeft geen mis gelezen maar de H.Communie in zijn kamer, doch morgen hoopt hij weer te kunnen celebreren. De doctoor echter die hem deze avond bezocht, verbood het hem absoluut. Hij is niet ziek genoeg om berecht te worden, toch moet men hem in ’t oog houden.
Broeder Alanus heeft vandaag helpen bakken. Jef Ei is ziek en Jef Hermans van Sint-Amands komt leren bakken.
De pastoor, die zeker gehoord heeft dat de paters in sommige huizen het H.Hart hebben geintroniseerd, heeft vandaag berouw gekregen over zijn onverschilligheid en zal ook beginnen.
Leonardus gaat om 7 uur naar Mariekerke op assistentie.

woensdag 27 juni 2018

Stefan Zweig -- 28 juni 1914

• De Oostenrijker Stefan Zweig (1861-1942) – bekend van zijn Schachnovelle – was in het interbellum een van de beroemdste schrijvers ter wereld. Uit: De wereld van gisteren. Herinneringen van een Europeaan (vertaald door Willem van Toorn).

28 juni 1914
Ik zat toen […] een boek te lezen […] en ik was er heel geconcentreerd in verdiept. Maar toch was ik mij tegelijkertijd bewust van de wind in de bomen, het getsjilp van de vogels en de uit het Kurpark aanzwevende muziek. […] Dus stopte ik onwillekeurig met lezen toen de muziek ineens midden in een maat ophield. […] Ook de menigte die als een enkele golvende massa tussen de bomen flaneerde, leek te veranderen; ook zij stond ineens stil in haar heen en weer golvende beweging. Er moest iets gebeurd zijn. Ik stond op en zag dat de muzikanten het muziekpaviljoen verlaten. Ook dat was vreemd, want het Kurconcert duurde anders een uur of langer. Iets moest dit abrupte einde hebben veroorzaakt; toen ik erheen liep, zag ik dat de mensen zich in opgewonden groepjes voor het muziekpaviljoen verdrongen om een kennelijk net aangeplakt bulletin. Het was, wist ik een paar minuten later, het telegram waarin werd meegedeeld dat zijn keizerlijke hoogheid, kroonprins Franz Ferdinand en zijn vrouw, die voor de manoeuvres naar Bosnië waren gereisd, daar het slachtoffer waren geworden van een politieke moordaanslag.
Steeds meer mensen verzamelden zich om het bulletin. Ze gaven elkaar het onverwachte bericht door. Maar om de waarheid geen geweld aan te doen: van de gezichten was geen bijzondere geschoktheid of verbittering af te lezen. Want de troonopvolger was bepaald niet geliefd geweest.

Georges Perec -- 27 juni 1972

Georges Perec (1936-1982) was een Franse schrijver. De duistere winkel (vertaling Edu Borger) is een soort droomdagboek. Daaruit het onderstaande fragment.

Juni 1972
Het dubbele feest

Ik bezoek een huis samen met de barman van een café waar ik zeer regelmatig kom. Er is een glazen muur die trilt. De barman legt het me uit: dat komt doordat hij in contact staat met de metalen stijlen van de rolluiken. Er is een gootsteen verstopt. Om hem te ontstoppen moet je eerst een andere vol laten lopen: dankzij een soort systeem van communicerende vaten maakt het leeglopen van de normale gootsteen het leeglopen van de verstopte gootsteen mogelijk.

Er is een groot feest gaande in het huis van mijn familie. Ik zit op een canapé tussen P. en een jonge vrouw, met wie ik aan het flirten ben. P. staat heel boos op; ik begrijp niet waarom. Ik spreek met de jonge vrouw af om halftwaalf 's avonds.

Ik neem een trein. Ik doorkruis een stad. Op een bepaalde plaats is een holte in het wegdek vervangen door een transportband.

Ik kom in Dampierre aan, waar een groot feest gegeven wordt. Bijna alle mensen die op het feest in het huis van mijn familie waren zijn erheen gegaan.

Ik kom mijn tante in gezelschap van Z. tegen; Z. lijkt op een andere tante van me en heeft dezelfde stem als zij (een onaangename stem); ze zegt tegen me: 'Er is een concert in de tuin.'

P. zit aan tafel tegenover me; ze heeft ontzettend veel gedronken.

Ik heb met de jonge vrouw niet afgesproken waar we elkaar precies zullen ontmoeten.

Ik loop over het landgoed. Er zijn veel dingen veranderd. Het kost me moeite om oude kelders te herkennen die in grote gewelfde zalen zijn veranderd; ik kom mensen tegen die ik vroeger in dezelfde omgeving heb gezien, met name een vrouw die mijn minnares geweest zou zijn: ze kijkt me met een raadselachtige glimlach aan, die me duidelijk lijkt te maken dat die verhouding definitief voorbij is.

Het blijft me verbazen dat ik de stem van Z. zo onaangenaam ben gaan vinden.

Er wordt een grote lunch geserveerd op een ruim wandelplein boven de ingang van het landgoed. De mensen die helemaal beneden arriveren lijken wel mieren; soms zijn het inderdaad mieren: de weg wordt schoongeveegd zodat zij (niet) binnen kunnen blijven komen.

De jonge vrouw komt bij me zitten; ze draagt een hoed, een soort van tulband met een piepklein parapluutje erbovenop; ik ben blij dat ze begrepen heeft dat ze daar naar mij toe moest komen.

maandag 25 juni 2018

E. Knight -- 26 juni 1896

• E. Knight (?-?) was een 'Nightingale nurse'. In 1860, Florence Nightingale set up the Nightingale Training School at St Thomas’ Hospital in London (now called the Florence Nightingale School of Nursing and Midwifery, part of King’s College London). She insisted on thorough cleanliness, open balconies and airy wards, to counteract any hospital-generated ‘bad smells’, which she believed to cause disease. Whilst in training, her nurses were required to write diaries, recording their daily tasks. This is a page from one such diary - notice how much cleaning takes place.

 June 26 1896. Children’s Ward, Victoria.
 Commenced at 7am by washing 15 and 16, two little girls, one suffering from hip disease who has an extension, the other from abscess on back, washed and combed their heads with dust-comb, dressed them, made their beds and took temperatures. Then went over to other side of the ward and washed 5, a boy with hip disease who leg has an extension on. Went to table for prayers. Washed and dressed 6, a boy who is now convalescent after operation on cleft palate and is allowed to get up and run about, and 9, a boy with tubercular elbow, which is supported in a sling, washed and combed heads, took temperatures and made their beds. Filled a hotwater bottle for one of the babies, finishing by 8.30.

Dusted down both sides of the ward and small ward. Cleaned the bathroom, polishing taps, washing and drying basins, oiling slabs and wiping down window ledges, and tidied up generally. Scrubbed 3 sheet mackinstoshes and 6 or 7 small ones. Changed the stone-cloths and gave bedpans to the children all down night nurse’s side of ward, finishing by 10.15.

Florence Nightingale (1820–1910) became a legend in England for her two years nursing soldiers during the Crimean War starting in late 1854. Her tender care for the soldiers earned her the name the Lady of the Lamp. But her major achievement was to raise nursing to the level of a respectable profession for women.

zondag 24 juni 2018

Hilbrand Rozema -- 25 juni 2008

Hilbrand Rozema is een Nederlandse journalist. In het tijdschrift Liter publiceerde hij een schrijversdagboek.

Donderdag 25 juni
Na de wedstrijd Nederland-Mexico (2-0) gaan Thomas en ik op vakantie. We stappen op de nachttrein naar München. Daar woont zijn vriendin. Thomas is een van mijn beste vrienden, we zien elkaar bijna elke dag en lukt dat niet dan bellen we als oude wijven.
We delen de coupé met een Somalische Canadees en een oude Duitser. En die Duitser, 't is gek maar echt gebeurd, die Duitser zegt binnen twee minuten dat alle rottigheid in de wereld de schuld is van de joden. Pas door documentaires op televisie jaren na de oorlog had hij ontdekt dat de nazi's misdadig waren, legt hij uit. Hij had daar geen idee van gehad, als 18-jarige soldaat bij de Wehrmacht. Nu is hij een vredelievend man met een zwak voor modelspoortreinen. Zijn tweede hartstocht geldt het ideaal van een verenigd Europa, wat je kunt zien aan zijn Europabriefmarkensammlung. Treinen dus, en Europa. Een consequente hobbykeuze vonden wij, gezien zijn verleden.
Doen we zó ons best om genuanceerd over Duitsland te zijn, gaat Thomas zelfs zover om een Duitse vriendin te krijgen - zitten we naast zo'n zeldzame bruine brontosaurus! De rest van de week beleven we veel plezier met het nadoen van zijn onoprechte grijns. Het was een liegbeest, hij sprak met twee tongen, aan zijn handen zat bloed.

Thomas laat de man maar, en bladert door de Surf Guide. Zijn grote passie is golfsurfen, hij vergaapt zich voor de zoveelste keer aan foto's die de golven op het hoogtepunt vangen, het moment van omkrullen. Foto's die vooral heel vaak de tube laten zien. De tube is de watertunnel die ontstaat als een monstergolf helemaal omkrult. Thomas zat ooit zélf, in het kader van zijn gevarenverzameling, in zo'n legendarische tunnel, bij Kaapstad.
Thomas is niet bij het water weg te slaan. Zijn nachtmerrie is: later met Cleo in München wonen. Da's veel te ver bij de zee vandaan. De vorige keer liet hij me de Isar zien, een beek die door de Beierse hoofdstad stroomt. Soms zo smal dat je er bijna een surfplank overheen kunt leggen, als bruggetje. Toch doen mensen verwoede pogingen om in dat stroompje op hun plank te blijven staan. Een potsierlijk gezicht middenin een drukke stad, maar het is de enige plek waar ze kunnen oefenen.
There is, one knows not what sweet mystery about this sea, whose gently awful stirrings seem to speak of some hidden soul beneath... (Herman Melville on the Pacific Ocean, Moby Dick). Thomas wordt eerst helemaal lyrisch van zo'n citaat, en zingt dan zonder dralen de lof van de schepping. Zich er tegelijk van bewust dat die lofzang Jahweh geldt, de Schepper. Voor Thomas gaat er niets boven lopen over water.

Wilhelm Waiblinger -- 24 juni 1821

Wilhelm Waiblinger (1804-1830) was een Duitse dichter en schrijver. Tagebücher 1821-1826.

Den 24. Juni
Ich hatte im Träume eine freundliche Erscheinung. Ich sah Mina'n wieder: In einem Holz bei einigen verfallnen Türmen hinter tiefen Graben lagen wir. Junges Gebüsch schwang sich schlingelnd und umfassend um die alten Mauern, wie ein Jugendlicher Kranz um das Silberhaupt eines Greises. Wir sahen in die Unermeßlichkeit der Zeiten, und erblickten die weitesten Geschichten in kleine glanzende Minuten zusammengezogen, wenn wir die grauen Steine, die blitzahnlichen Risse, und die hohen, schaurigen Gestalten betrachteten. So zeigt uns der Himmel unendliche Räume in dunkles Blau gekleidet, und wie milchfarbene Schimmer, so unschuldig, wie die Wangen eines Kindes, die fernsten Heere seiner schweren ungeheuren Weiten. Neben mir lag das Madchen, in derselben Gestalt, unverandert, eben so bewegsam, unruhig im Auge, rasch, aber unendlich liebevoll. Ich betrachtete mit tiefer Sehnsucht wieder ihre anmutigen Züge, und wie sie so freundlich und lachelnd mich ansah, und die Hand auf das Herz legte, als seien wir nie getrennt gewesen. Der Anblick war unendlich tröstend und erquickend, ich lag lange in heiliger Entzückung, als ein glühender Kuß mich weckte, und die Erscheinung wieder hinweggenommen war. Der heilige Strahl hatte alle Schmerzen und Bekümmernisse aus meinem Herzen gesogen, so daß mein Gemüt wieder rein und leicht, und mein Geist wieder frei und fröhlich war, wie vorher. Nichts war übrig geblieben, als ein stilles inniges Sehnen, und ein wehmütiger Klang im Aller-Innersten. Aber die wilden Qualen der Einsamkeit, die herbe Pein der marternden Gegenwart, die trübe entsetzliche Leere, das zweifelnde Schwanken zwischen Furcht und Hoffnung war gewichen, und ich sah mich wieder, mit neuer Hoffnung, in Ruhe, in stillem Bewußtsein künftiger Dinge, ein Pilger in einer vollen bedeut-samen Welt. Stimme und Sprache waren wieder lebendig geworden, und es dünkte mir nunmehr alles viel bekannter und weis-sagender, als ehmals, so daß mir der Tod wie eine höhere Offenbarung des Lebens erschien, und ich mein eigenes, schnell vorüberschwebendes Dasein mit kindlich-heiterer Rührung betrachtete. Zukunft und Vergangenheit hatten sich in mir berührt und einen innigen Verein geschlossen: ich stand weit auSer der Gegenwart, und die Welt ward mir erst teuer, als ich sie zu verlieren glaubte, und mich nur als ein Fremdling in ihr fand, der ihre weiten bunten Sale noch eine kurze Weile durchwandern sollte.
-------------
Könnte die Natur nicht über den Anblick Gottes versteinert geworden sein?

Nico Keuning -- 23 juni 2004

• Neerlandicus en biograaf Nico Keuning (1952) hield een dagboek bij toen hij schreef aan de biografie van Bob den Uyl.Fragmenetn daaruit zijn gepubliceerd in Biografie Bulletin.

Woensdag 23 juni
Gisteravond werd er al in het tv-Journaal gewaarschuwd voor ‘krachtige tot zeer krachtige windstoten’ en vanmorgen werd deze waarschuwing op de radio nog eens herhaald, waarbij bovendien het advies gegeven werd thuis te blijven als je niet per se de weg op moest.
Ik moest de weg op, want ik had een afspraak met Martin Mooij in Capelle aan den IJssel. Martin Mooij, de man van Poetry International. Bob heeft veel poëzie vertaald voor Poetry. Onder anderen van Les Murray. Den Uyl werd beroerd van al die Australische woorden en uitdrukkingen. Maar Murray was zeer enthousiast over de vertalingen van Den Uyl, met het gevolg dat Den Uyl nog meer Australische gedichten van Murray voor zijn kiezen kreeg. Typische toon van Den Uyl, deze vervorming. In wezen vereerd, maakt hij er schampere opmerkingen over.
De kamers in het huis van Mooij op de bovenverdiepingen zijn volgestouwd met boeken. Beneden wijst Mooij mij even later (hij heeft boven vertalingen door Bob voor mij gekopieerd) op een rijtje boeken uit de Sonde-reeks. Er staat een exemplaar van Mensen, uit 1975. Vijftien interviews door Den Uyl. Het is gesigneerd ‘Voor Martin Mooij’. De andere titels van Den Uyl staan op een plank in de boekenkast die haaks op deze wandkast staat. Ik loop er naartoe, zie de bekende kleuren, ruggen en titels. Nog een exemplaar van Mensen.
Ik overwin mijn schroom en vraag of ik dit deeltje van hem mag kopen. ‘Is het gesigneerd?’
Het is niet gesigneerd.
‘Dan mag je het hebben.’

Bij thuiskomst bij de post het boek Angst Fobieëen en Dwang, van Prof dr. P.M.G. Emmelkamp e.a., dat ik eergisteren via internet www.antiqbook.com bij Verzendboekhandel Calliope in Roermond had aangevraagd. Maandag bij Kok in de Damstraat Leven met angst gekocht van E.J. Zwaan en M.N. de Wolf-Ferdinandusse. Secundaire literatuur over de angsten van Den Uyl. Deze titels zijn mij via Maarten Oltheten van de Valeriuskliniek aangeraden door psychiater Joost Beek.
In een ander populair wetenschappelijk boek werd verwezen naar Een vlucht regenwulpen van Maarten 't Hart. ‘Maarten’ in het boek heeft pleinvrees (=straatvrees).
Gisteravond met Koen Hilberdink (biograaf van Paul Rodenko) getelefoneerd over Olga Rodenko. Bob den Uyl zou bij haar in therapie zijn geweest om van zijn stotteren af te komen. ‘Volgens haar is stotteren ingeslikte woede,’ zegt Koen. Olga leeft nog, in Zutphen.

donderdag 21 juni 2018

S.A. Buddingh -- 22 juni 1857

S.A. Buddingh (1811-1869) was predikant, onder meer te Batavia. Dagboek mijner overland-mail-reis van Batavia naar Nederland, via Triëst, in 1857.

22 Junij. [...] De tijdverdeeling is nu aan boord aldus geregeld : des morgens om half 7 uur koffij en thee, doch zonder melk (!) ; om half 9 uur een warm ontbijt met wijn en bier, en thee en koffij , — de laatste artikelen thans met melk (!) ; om 12 uur de lunch; om 4 uur dinner; om 7 uur thee, en van 9 tot 10 uur allerlei dranken, als Claret, Sherry, Port, Ale, Rum en Brandy. Tot het dejeuner en diner en tot de lunch en thee wordt men militairement geroepen , d. i. men hoort een appèl op de trom, begeleid door een klein fluitje, dat door een Bengaleesche pijper goed bespeeld wordt. [...]

Onze levenswijze is tot heden zeer treurig. Men hoort geen' zang of spel. Er is wel een melodium aan boord, maar niemand speelt er op. Hij gelegenheid mijner vorige Landmail-reis in 1852 zag men des avonds de Salon helder met Engelsche lampen verlicht en een aantal passagiers bezig met Wihst, Hombre, Schaken, Tric-trac enz. enz. Er waren Piano- en guitar-spelers, en zangers en zangeressen. Ken corps muzykanten en doorgaans een bal op het dek verlevendigden het eentoonige eener zeereis. Thans is er niets. De Salon is slechts verlicht met vijf kaarsen, zoodat men naauwelijks zien, en dus ook niet eens lezen kan. Het diner loopt om 5 uur af, en dus blijven er tot 10 uren vijf lange vervelende uren over, die men niet weet te besteden. De passagiers zitten dan ook om 7 uur reeds op het dek te dommelen en soms gerust te slapen. Het is tot nu toe een droevig reizen.
De eentoonigheid werd echter des avonds van den 23sten plotseling afgebroken door het aanheffen van eenige Engelsche liedjes door sommige Engelsche passagiers. Het blijft echter waar, wat zoo dikwijls reeds gezegd en herhaald is, de Engelsche muzijk is niet melodieus, en de Engelsche mannen-stemmen zijn.... ja, akelig om te hooren. Het gezang nam dan ook maar weinig op.

Ofschoon ik reeds in mijn Dagboek van 1852 een bill of fare, d.i. een menu van het diner gegeven heb, zoo wil ik nu toch nog een paar bills overschrijven.
Bill of fare. June 22nd 1857. Mullagatawny soup.Roast mutton. Roast Goose. Roast Capon. Roast Fowls, Bild Mutton. Bild Fowls. Stewd Beef. Mutton Cutlets. Ships Pork.Compó d'Pigeon. Sausage Rolls. Cold Ham. Curry and Rice. ------ 2nd course: Fruit Tarts. Sponge Cakes. Fancy Pastry. Tartlets. Rice Pudding. Cabinet Pudding. Stewd Pine-apples. Sandwich Puffs.
Men ziet dat er genoeg te dineren valt, maar zoo weinig is er dat goed smaakt! Hadden we maar een achtste gedeelte van de geregten op tafel, maar goed toebereid en in toereikende hoeveelheid, -- we zouden beter dineren. Waarheid is het dan ook, dat wij, Hollandsche passagiers, bijna niets aten dan wat brood en rijst, of eenige andere spijs, die toevallig in de keuken niet smakeloos geworden was.

Marcellus Emants -- 21 juni 1875

• De Nederlandse schrijver Marcellus Emants (1848-1923) bezocht Zweden en Lapland in 1875. Zijn journaal van die reis publiceerde hij in Op reis door Zweden.

Een Sint Jansdag in Lappmarken
[...] Evenals in noordelijk Zweden des winters een eeuwige nacht de uitgestrekte sneeuwvelden bedekt, zoo gloeit er des zomers een eeuwige dag aan den hemel, die in bewonderenswaardig korten tijd knoppen, bloemen en vruchten te voorschijn roept. In de laatste dagen van Mei wordt er gezaaid, acht dagen later dringen de ontkiemende plantjes door de aardkost henen, in het midden van Augustus wordt er geoogst en in September vangt de winter weder aan. Een sterrenhemel en een maneschijn behooren hier niet tot de bekoorlijkheden van den zomer. Hij is geheel aan den dienst van den god Baldur gewijd, den schoonste, den beste en zachtaardigste der Asen, die uit zijn van goud vonkelend paleis Breidablik, de schitterendste en rijkste der goddelijke woningen, vol liefde en wijsheid op de wereld neerziet. De langste dag des jaars is in 't bijzonder tot zijne vereering bestemd. Dan worden de huizen groen gemaakt, groene eerepoorten opgericht, volksspelen gevierd en onder den christelijken naam van St. Jan leeft Baldur nog immer in de herinnering der Zweden voort. Zijn regeering duurt kort en zijn taak is zwaar. Daarom rust hij niet, daalt slechts een oogenblik in de armen der nevelen neder meestal zonder den slaap te genieten, stijgt dan weer onvermoeid naar boven, en kust de aarde warm opdat zij bloemen voortbrenge en tot vruchten rijpen doe, voordat zijn opvolger de blinde Hodur geholpen door Loke hem met den doodelijken pijl zal treffen.

Drie weken lang verlaten de zonnestralen den top van den Galtesbouot niet, zonder meer dan wat schraal mos uit het kale gesteenten te voorschijn te brengen. Het middenpunt der drie weken vormt de St. Jansnacht waarin de lente sterft, en de jeugdige aarde na een kort tijdperk van genot zich haasten gaat onder 't moederlijk zorgend oog der zomerzon tot rijpheid te komen.

't Is er eenzaam en plechtig stil op dien Galtesbouot. - Een saamgeraapte steenhoop, waarop ieder bezoeker zijn steentje nederlegt, is de eenige versiering van den breeden top. Naar alle kanten strekken zich in de diepte de onafzienbare, sombere dennenwouden uit, door lange, blinkende meeren doorsneden met tallooze vertakkingen en duizende eilandjes. In het noordwesten vormen Noorwegens hooge sneeuwvelden de grensscheiding, in alle andere richtingen zijn tot in de verste verte niets dan dezelfde heuvels, dezelfde lange waterspiegels en dezelfde donkere bosschen te ontdekken. Behalve Arjeploug - één uur te water van den Galtesbouot wiens bestijging wederom één uur vereischt - is er geen menschelijke woning te zien. De schaarsche, grauwe visschershutten zijn te klein en liggen te veel verscholen in het geboomte. Een scherpe noordenwind alleen leeft op de kale hoogte en draagt de opgejaagde fjällripa1, die schel ratelend in wijde kringen rond de vreemde bezoekers heenzwiert.

De zon, die nog helder wit aan den hemel glansde, toen wij de ongebaande, steile helling beklommen, zonk nu met warmen gloed naar den horizont af. De korte jeugd van het noorden spoedde ten einde; het stervensuur der lente was nabij.

dinsdag 19 juni 2018

Willem Janszoon Verwer -- 20 juni 1572

Willem Janszoon Verwer (ca. 1533-ca. 1595) was advocaat en regent van het Weeshuis en van het Leprozenhuis te Haarlem. Van 1572-1581 hield hij een 'Memoriaelbouck' bij van gebeurtenissen te Haarlem, onder meer van het beleg van de stad door de Spanjaarden in 1572-1573.

[18 juni 1572]
Den 18 deser maent heeft die stadt Hooren die Geusen ontfangen.

[20 Juni 1572]
Wonder. Den 20 Juni zijn ghesien hagelsteenen neder vallen zoe groot als Walsche noten [walnoten] ofte kieffs eijeren [kievitseieren], met groten stercken wijnt [wind], donder, blixem, ende swaren regen. Dit is ghesciet in die Weteringe bij die Haarlemeermeer ende daer omtrent.
Item den (deser maent) 20 dach hebben die Geusen Alckmaer geinvadeert nae middage omtrent vier uuren.

[21 Juni 1572]
Den 21 is de stadt Gouda ende Leijden an die prince van Orangen gecomen.

[23 Juni 1572]
Den 23 Dordrecht.
Terstont hiernae is Gorricum mede overgegaen.

maandag 18 juni 2018

Piet Hagen -- 19 juni 2003

• Journalist Piet Hagen (1942) schreef een biografie over Pieter Jelles Troelstra, en hield in die tijd een dagboek bij. Gedeelten daaruit zijn hier gepubliceerd.

19 juni 2003
Iemand heeft me verteld dat ik de 102-jarige Marinus van der Goes van Naters, oud-fractieleider van de PvdA, nog wel kan opbellen om een afspraak te maken. Hij is de enige politicus die Troelstra nog goed heeft gekend. Maar helaas heeft de rode jonkheer zijn dag niet. ‘Weet u wel hoe oud ik ben? Hoe haalt u het in uw hoofd mij te bellen!’ Er is iemand bij hem op bezoek die het gesprek overneemt. Ik moet maar een briefje schrijven, zegt ze. Dar doe ik, maar tot een ontmoeting komt het niet meer. Als Van der Goes twee jaar later overlijdt, schrijf ik opnieuw. Nu om de familie te condoleren en te vragen of er nog materiaal is dat nog niet naar het Nationaal Archief of het IISG is gebracht. Dat blijkt niet het geval. Ik moet oud-PvdA-voorzitter Felix Rottenberg maar eens bellen, die is vaak bij Van der Goes op bezoek geweest en heeft het Troelstra-beeldje geërfd dat op diens bureau stond.

zondag 17 juni 2018

August Willemsen -- 18 juni 1961

August Willemsen (1936-2007) was een Nederlandse vertaler en schrijver. Dagboeknotities van hem zijn verschenen in Vrienden, vreemden, vrouwen.

Zondag 18 juni
Deze hele afgelopen week, de laatste week in de Achillesstraat, teveel gedronken en te laat naar bed gegaan. Het was mooi weer, en dan kon ik het in huis helemaal niet meer uithouden. Het werd dus vaak 1 uur, 2 uur in de stad.
Vrijdag was ik jarig. Op de zaak 's morgens al sherry gedronken. Tussen de middag sherry gedronken met Oela in Reijnders. 's Middags liep ik verbrand en halfdronken, zwetend en ongeschoren in (opgerolde) hemdsmouwen door de zaak, en dronk sherry, 's Avonds tamme avond in de Achillesstraat. :;. Gisterochtend vroeg op, dus onuitgeslapen en nog ongeschorener terug naar het Singel. Overdag, onder het drinken van verjaardagsbeaujolais, fanatiek Brahms gespeeld, tot uitputtens toe.: Om 10 uur naar het feest van Hansje. Al in de tram begon ik te suffen. Marian, Jaap, Fietje - de hele reutemeteut. Het feest boeide me niet, maar dat kon niet schelen, er was te drinken. Ik zat onbeweeglijk in een luie stoel en keek naar de mensen die zich uitsloofden en dat dansen noemden. Ik voelde mijn vermoeidheid groeien. Plotseling stond ik op.
"Ik ga naar een hoer."
"Guus!"
"Ja, ik verveel me stierlijk. Ik ga naar een hoer." "Maar Guus! Jij!" "Ja ik. Waarom niet?" "Maar, maar..."
"Ik ben in Valencia naar een hoer geweest, nou wil ik ook wel es in Amsterdam."
De consternatie was onbeschrijfelijk. Ik moet zeggen dat het ook wel een beetje onverwacht kwam. Er waren ook mensen die erom lachten, in de mening dat ik maar wat zei. Maar ik ging de deur uit, ± 12 uur. Naar de Reguliersdwarsstraat. Niets, niemand. Toen naar Hoppe, voor "nog eentje voor het slapengaan". Daar ontmoette ik Hilbert, die ik een tijd niet had gezien. Gepraat, geknobbeld. Tot 2 uur, godbetert. Toen had ik geen zin meer in slapen. Dat heb ik wel meer: een soort genieten van vermoeidheid. Me de vermoeidheid voorbij voelen en daaraan een soort overmoed ondenen. Weer door de Reguliersdwars. Nu was er wel een.
"Hoeveel?"
"Een tientje."
Ze was met onaardig om te zien. Beetje klein, leuk gezicht, mooie boezem. Jong.
"Helemaal nakend, voor nog een tientje erbij?"
Dat had ik met. Ik kon met moeite nog vijf gulden bij elkaar schrapen. Daarvoor deed ze het ook. Het lukte.
"Moet je hier nou op toeleggen?" vroeg ik.
"Dat verhaal ik wel weer op de volgende."
Gek, ik ben zó vaak door de Reguliersdwarsstraat gelopen, heb er zó vaak aan gedacht, ben er zó lang bang voor geweest, en het stelt niks voor. Maar ik zie het verschil met aftrekken niet zo goed. Ik doe het toch liever met een vrouw die ik echt aardig Vind, met wie ik ook kan praten. Maar dat wist ik al lang.
In elk geval: ik zit weer op het Singel.

Astrid Lindgren -- 17 juni 1945

Astrid Lindgren (1907-2002) was een Zweedse kinderboekenauteur. In 2015 is haar oorlogsdagboek gepubliceerd (Nederlandse vertaling).

17 juni
De wereldpolitiek heeft zichzelf een poosje moeten redden, ik het geen tijd gehad me ermee bezig te houden, Karin heeft toelatingsexamen voor het lyceum aan het Sveaplan gedaan en is godzijdank toegelaten, net als Matte.
Lasse is aangemonsterd op een boot, de Ardennia, die via Sundsvall op weg is naar Rotterdam, en ik denk veel aan hem en vraag me af hoe het zal gaan. Karin had geweldige cijfers en Lasse had drie onvoldoendes, het arme kind; ik begrijp niet hoe het met hem moet!
Sture heeft blijkbaar weer een comeback gemaakt, zo lijkt het.
En koning Haakon en kroonprinses Martha zijn teruggekeerd naar Noorwegen. Koning Leopold wil terugkeren naar België, maar het lijkt alsof het Belgische volk hem niet wil hebben. Er is vast nog veel meer gebeurd, maar er wil me op dit ogenblik niets te binnen schieten. Sture en ik zitten hier alleen, terwijl de kinderen alle kanten zijn uitgewaaierd; wanneer het avond wordt, mis ik hen.
Het is meestal stervenskoud, winderig en regenachtig, bah! Gisteren zijn Sture [echtgenoot] en ik naar de bioscoop geweest om Dodsworth te zien, een oude film waar Sture niks an vond.

Midzomerdag
Mooier weer is het waarschijnlijk nooit geweest op Midzomer; na een ongelooflijk koude en akelige voorzomer is de warmte precies voor de feestdagen eindelijk gekomen. Maar misschien verdwijnt die weer net zo snel.
Sture en ik hebben Midzomer in ons eentje aan de Dalagatan gevierd, een heel tedere Midzomer en een tikje vochtig. We gaan zo dadelijk kip eten en vertrekken dan naar de veranda van Strand om koffie en likeur te drinken en daarna gaan we naar de revue van Kar de Mumma in [theater] Blanche. Vanochtend, nadat ik had schoongemaakt, ben ik in mijn eentje naar Haga gefietst, terwijl Sture thuis de krant lag te lezen. Ik heb bij [café] Mor pa Höjden in de zon gezeten en ben bijna weggesmolten.
Ik hoop dat Karin een fijne en leuke Midzomer heeft op Solö. Lasse is in Sundsvall; hij heeft me eergisteravond gebeld. Gaat eerst naar Göte-borg en daarna naar Engeland en Holland. Het was fijn een poosje met hem te kunnen praten.
Gisteren zijn Sture en ik naar een hervertoning van You can't take it with you geweest, een oude Capra-film. De bewerking van Pippi is klaar, en nu wou ik aan een nieuw, wat normaler kinderboek beginnen. Maar Per-Martin [Hamberg] deed me het idee aan de hand om te proberen een nieuwe gezinsserie voor de radio te maken. Het zou echt leuk zijn, als me dat lukte. Maar het zal waarschijnlijk gewoon rommel worden, ben ik bang.
Over een week is het afgelopen met het werk bij Pcb - en daama vertrek ik naar het platteland.

vrijdag 15 juni 2018

Anna Achmatova -- 16 juni 1962

Anna Achmatova (1889-1966) was een Russische dichteres. Dagboekfragmenten van haar zijn opgenomen in De echte twintigste eeuw (vertaald door Alissa Leigh en Silvana Wedemann).

De Zweed is geweest. Ik was verrast door zijn onvermoeibare belangstelling voor het epos en over het feit dat hij er Schoppenvrouw in terugvond. Bij het afscheid zei hij: 'De zoon van Panova zal het u vertellen.'

Twee dagen later verscheen bij de familie Gitovitsj de zoon van Panova (achtentwintig jaar oud, Boris Borisovitsj - sinoloog). Ik was uitgenodigd om te komen eten. Gitovitsj en zijn gast dronken wodka. Aleksandr Iljitsj was volkomen beschonken en zweefde ergens in zijn eigen wereld. De gast was volledig nuchter. Er werd op mij gedronken, en de gast zei: 'Erik Masterton verzocht mij aan u door te geven dat u dit jaar voor de Nobelprijs bent voorgedragen.' In de hele zaak interesseerde mij maar één ding: waarom heeft Erik mij dit niet zelf verteld?
(Opgeschreven 16 juni)

Willem Bilderdijk -- 15 juni 1797

• Schrijver Willem Bilderdijk (1756-1831) werd tijdens zijn verbanning naar Engeland verliefd op zijn leerlinge Wilhelmina, twintig jaar jonger dan hij. Hij overreedde haar hem na te reizen naar het vasteland, ondanks dat hij een getrouwd man was. De bovenstaande brief is zijn laatste voor zijn vertrek uit Engeland. Pas vele jaren later zou hij Wilhelmina trouwen. Uit: Liefde en ballingschap. Brieven 1795-1797 (hertaald door Marita Mathijsen).

Yarmouth, 15 juni 1797
Geliefde van mijn hart. Ik ben hier gisteren aangekomen met een verschrikkelijke hoofdpijn, maar ik kan het verdriet niet uitdrukken dat mijn hart voelt bij het verlaten van de kust waarop zij ademt die de enige zegen, de enige vreugde van mijn ziel is. O wat een eindeloos lange tijd voor we elkaar weer zullen ontmoeten op het vasteland! Zeker, ik zou dit vertrek niet kunnen verdragen als het geen onvermijdelijk offer was dat gedaan moest worden voor het geluk van zowel mijn enige liefste als mijzelf. Maar je gaf me de zekerheid dat je gelukkig zou worden op die manier, en mijn hart (dat anders door zielsangst ten onder zou gaan) wordt ondersteund en verlicht door die troostrijke gedachte. Ik zal dus jouw wrede afwezigheid verdragen, mijn liefste, met moed, met berusting, met vreugde, want het brengt me dichter bij jou. Ik smeek je, mijn teder beminde! probeer hetzelfde te doen, en hopelijk zul je na een paar dagen in mijn uitgestrekte armen kunnen vallen! Verlies dat verrukkelijk vooruitzicht niet uit het oog, en je zult de kracht vinden die je nodig hebt om je te gedragen met dat gemak, die kalmte die zo noodzakelijk getoond moet worden in deze ogenblikken. – Ik heb geen tijd nog meer te schrijven, mijn hart breekt als ik eraan denk dat ik een hele zee tussen ons beiden plaats als ik aan boord ga, maar je zult die afstand snel opheffen, en we zullen verbonden worden met onverbreekbare banden om nooit meer gescheiden te worden.

woensdag 13 juni 2018

Knut Hamsun -- 14 juni 1945

• De Noorse Nobelprijswinnaar Knut Hamsun (1859–1952) werd kort na de oorlog gearresteerd wegens collaboratie met de Duitse bezetter. Langs overwoekerde paden schreef hij tijdens zijn gevangenschap. Uiteindelijk zou hij veroordeeld worden tot een hoge geldboete. Uit Langs overwoekerde paden (vertaald door Cora Polet).

Op 26 mei komt de chef van politie van Arendal naar Norholm en deelt mee dat mijn vrouw en ik dertig dagen huisarrest hebben. Ik was niet gewaarschuwd. Mijn vrouw overhandigde hem op zijn verzoek mijn schietwapens. Ik moest de chef van politie naderhand schrijven dat ik ook nog twee grote pistolen had van de laatste Olympische Spelen in Parijs; hij kon ze komen halen als hij het nodig vond. Tegelijk schreef ik dat het huisarrest toch zeker niet letterlijk opgevat moest worden, omdat ik tot ver in de omtrek van het landgoed annex boerderij grond had, dat toezicht vereiste.
Na enige tijd stuurde dc districtsambtenaar in Eide iemand om de twee pistolen te halen.

Op 14 juni werd ik van mijn huis naar het ziekenhuis in Grimstad gebracht – mijn vrouw hadden ze een paar dagen eerder overgebracht naar de vrouwengevangenis in Arendal. Nu kon ik dus geen toezicht meer houden op de boerderij. Dat was in zoverre ongelukkig omdat er alleen maar een jonge knaap was om voor alles te zorgen. Maar daar was niets aan te doen. […]

dinsdag 12 juni 2018

Frans Kellendonk -- 13 juni 1978

• De Nederlandse schrijver Frans Kellendonk (1951-1990) vond zijn dagboeken niet het publiceren waard, maar De Revisor publiceerde er wel een selectie uit.

13 juni 1978 - Ontmoetingen
Twee personen zitten, onafhankelijk van elkaar, op een onbekende te wachten in een openbare gelegenheid. Zien elkaar rondkijken en concluderen dat ze elkaar moeten hebben.

Of: Je komt een minnaar van vroeger tegen in de stad, iemand aan wie je niet bijzonder gehecht bent, aan wie je nauwelijks meer gedacht hebt, en je weet niet wat je tegen hem moet zeggen. Je staat met je mond vol tanden. En juist omdat je niet weet wat te zeggen ga je de verkeerde gemeenplaatsen uitslaan: ‘Waarom ben je toen verdwenen? En hoe gaat het? Waarom heb ik je nooit meer gezien?’ etc. Je stelt die vragen, die stompzinnige vragen, uit irritatie en zo klinkt er iets in door van verwijt, waardoor een affectie gesuggereerd wordt, een sentimentele herinnering, die er nooit geweest is. Je komt die persoon kort daarop weer tegen en hetzelfde herhaalt zich, versterkt, en nog eens, zodat er een romance ontstaat, alleen gebaseerd op misverstand, op leegte.

Dhr. Woudenberg (Nanke Minnema uit Matsiers Minnema-variaties) stuurt gedichten rond onder mijn naam. Aan de sectie Nederlands te Nijmegen (‘Geachte heer Kellendonk, Hierbij uw gedichten retour. Wij weten niet wat we ermee aan moeten’, het waren gedichten uit de reeks ‘Elegante Gebaren’) en aan Maatstaf. Martin Ros belde me bezorgd op.

31 oktober 1978
Idee voor roman: man is sinds vroege jeugd heimelijk verliefd op andere man (die anderszins genegen is) en laat die met zijn zus trouwen. Waardoor hij toch, bij volmacht, de zijne is.

maandag 11 juni 2018

Stijn Streuvels -- 12 juni 1916

Stijn Streuvels (1871–1969) was een Vlaamse schrijver. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.

12 juni 1916
Vandaag is er grote beroering onder de marktgangers en de bevolking te Kortrijk, bij 't vernemen van de overwinning van de Russen. De wezens die ingekeerd en nors waren, zijn opgeklaard en men merkt dat er zo gauw weer moed komt bij de mensen en men een uitkomst verwacht.

19 juni 1916
De tijden verslechten - de honden worden in Kortrijk verkocht aan 1,20 fr. de kilo - en de katten aan 1,80 fr. Hier op de streek gingen de aardappels verleden week 10 fr. - en nu zijn ze aan 45 fr. Er wordt van niets anders gesproken dan van levensduurte - maar van waar het geld komt waarmede de mensen blijven kopen ~ is een raadsel. De smokkelaars zijn in volle bedrijf langs alle wegen.

zondag 10 juni 2018

Frans Lebret -- 11 juni 1863

• Frans en Jan Hendrik Lebret maakten in de eerste helft van 1863 een reis naar Java. Het verslag daarvan is vastgelegd in Op reis met pen en penseel. Het fragment hieronder gaat over Triest, een paar dagen voor hun thuiskomst in Dordrecht.

11 juni - Triest [...] Hij gaf ons te kennen hoe we 't moesten aanleggen om van vele lastige visitatiën af te wezen. Daartoe was het slechts noodig bij 't uitladen der koffers dezelve apart te zetten en aan de zorg van den hofmeester toe te vertrouwen, die, op eene fooi rekenende in waarheid voor alles zorg droeg en we geen de minste moeite hadden, terwijl het bekend is, dat de visitatiën in Oostenrijk zeer lastig zijn.
Tot hiertoe hadden we onze paspoorten nog niet terug bekomen, die we te Alexandrië bij 't nemen onzer plaatsten moesten afgeven.
Zij werden aan boord gehouden en na aankomst te Triest op het bureau van politie teruggevorderd, 't Behoeft weinig nadenkens om de deugdelijkheid dezer manoeuvre te erkennen, om zoodoende den verkeerde in handen te krijgen. Een Grieks medepassagier was met drie jongens en een allerliefst meisje aan boord, die, daar de moeder het gezin verlaten had, nu met zijne kinderen naar Triest voer om ze daar school te brengen.
Die arme kinderen waren verpligt elkander uit en aan te kleeden, te wasschen en te reinigen, waar de vader niets aan deed, en zoo ik geloof te lui er toe was, daar hij veelal op zijne kooi gekleed lag te rooken.
Hij verhaalde in zeer gebrekkig Fransch zijne koopmans avonturen, met Egyptenaren ten platten lande, alwaar hij dikwerf genoodzaakt was om met behulp van Egyptenaren van een andere stam, die onderling elkander altijd vijandig zijn, zijne schuldenaren te overvallen en hun dan een deel van den buit afstond. Zulke handelingen waren daar zeer algemeen, vertelde hij ons en hij had zelfs op levensgevaar af, alléén met een stok gewapend een dergelijk nachtelijk avontuur ondernomen, waarbij hem alleen zijne onverschrokkenheid en moed redde.
[...]

zaterdag 9 juni 2018

Mensje van Keulen -- 10 juni 2006

Mensje van Keulen (1946) is een Nederlandse schrijfster. In 2006 hield ze ter gelegenheid van haar 60ste verjaardag een 'Hollands Dagboek' bij voor NRC Handelsblad.

Zaterdag
Zondagmiddag geeft de uitgeverij een verjaardagsreceptie voor me op sociëteit De Kring. Tevens zal de presentatie gehouden worden van Alle dagen laat. Ik raak met de dag nerveuzer.
Donderdag werd ik gebeld met de mededeling dat de eerste exemplaren gearriveerd waren. Zouden ze er een paar per koerier laten bezorgen? Nee, hoe nieuwsgierig ik ook ben (Hoe ziet het eruit? Is het portfolio mooi? Hoe voelt het aan? Hoe ruikt het papier? O, laat er niet meteen een fout uitspringen als ik het opensla...), ik besloot dat ik zondag nu eens écht het eerste exemplaar overhandigd wilde krijgen.
Mijn zoon, door de warmte zijn woonruimte uitgejaagd, werkt hier op zijn laptop. Hij laat zich graag storen door Louis/Loetje en de een jaar oudere Bosi. Het ene moment klinken hun pootjes in een roffelende ren, het volgende moment wordt er gelikt en luid gesponnen. Ik ga me zo aanstonds buigen over een dankwoord, nu ja, het moet er wat anders uitzien. Als een later geschreven dagboekfragment, stel ik me voor, waarin verslag wordt gedaan van de receptie. Ik zal doen of mijn wens is verhoord: ik ben wel bij het feest aanwezig, maar word niet herkend. Sommige gasten gaan op de vuist, door de drukte bezwijkt het balkon, etc. Ik zal wel zien wat het wordt.

Curzio Malaparte -- 9 juni 1948

Curzio Malaparte (1898-1957) was een Italiaanse schrijver. In 1947-1949 verbleef hij in Parijs. Zijn dagboek over die periode is verschenen als Dagboek van een vreemdeling in Parijs (vertaling Jan van der Haar).

9 juni. Madame Cli Laffont nodigt me vanavond uit voor het diner bij haar thuis om Albert Camus te ontmoeten.
Het is warm, Parijs is gehuld in een deken van hitte die de huizen half optilt, zoals in de dromen van Chagall.
Madame Véra Korène wacht me op in de bar van het Plaza om me voor te stellen aan een paar Braziliaanse vriendinnen, die ze heeft leren kennen tijdens haar lange, pijnlijke ballingschap in Rio de Janeiro. Haar Braziliaanse vriendinnen zijn jonge lange, slanke, ranke vrouwen met een ongelooflijk klein, rond hoofd. Een piepklein neusje, de grootste ogen die er bestaan, een hoog, smal voorhoofd, een pruimenmondje, doorschijnende oren en een huid met de doffe glans van gezichten bij maanlicht. Ze bewegen zich traag, loom, ze bewegen hun armen, wenden hun schouders, draaiend met hun bovenlijf, hun hoofd roerloos, met de lome losheid van reptielen. In die groep jonge beeldschone dames met hun merkwaardige schoonheid ziet Véra Korène eruit als een Dorische zuil. Ze doet me denken aan een eenzame zuil in Delphi, in het witte licht van Delphi. Véra’s stem is prachtig, de mooiste stem van Europa. Ze roept me uit de verte, glimlachend, haar lippen lichtjes uiteen. Bijna aan het zicht onttrokken door de beeldschone Braziliaanse vrouwen staat naast haar een prins de Braganza, ik weet niet welke en waarom hij daar is, vriendelijk, glimlachend, discreet, beschroomd. Bij dergelijke jonge beeldschone vrouwen heb ik altijd de indruk dat ze hun geslacht onder hun oksels hebben. Als ze hun armen optillen, schemert er iets rozigs, iets dieps, iets vochtigs tussen het zwarte haar waar ik van moet blozen, waar ik draaierig van word. Ik merk dat ze ongemakkelijk worden van mijn blik, die voortdurend in de holte van hun oksels glijdt. Maar het maakt mij ook ongemakkelijk om hen allemaal daar in het openbaar, in de bar van het Plaza, te bezitten. Er is er een bij, treurig en ondeugend, met luikende oogleden, die me hangend aan de bar voortdurend aankijkt, een elleboog op de bar geleund, met een glas stijf in haar slanke hand, de andere arm langs haar zij naar beneden. Ze kijkt me aan en heft haar armen niet op. Ik zeg tegen Véra: ‘Dat meisje vind ik leuk. Waarom vraagt u haar niet haar armen op te heffen?’ Het meisje glimlachte en mij strak van onder haar halfgeloken oogleden aankijkend hief ze langzaam haar arm op. Ik heb nog nooit een vrouw zo verraderlijk haar benen zien openen. Iets rozigs, iets dieps, iets vochtigs verscheen tussen het zwarte glanzende krulhaar. Met haar hand haar haren in haar nek schikkend blikte ze me strak aan, terwijl ze glimlachte. Ik zei tegen Véra: ‘Laten we hier weggaan.'
[...]

vrijdag 8 juni 2018

J.L. Heldring -- 8 juni 1958

J.L. Heldring (1917–2013) was journalist en 4 jaar hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Zijn 'Pools dagboek' bevat de notities gemaakt tijdens een veertiendaags bezoek aan Warschau in de eerste helft van juni 1958.

Maandag 8 juni
[...] Prof. G., die ik vervolgens bezocht, zei dat omdat gedurende de oorlogsjaren er in Polen geen hoger onderwijs was gegeven en omdat bepaalde leeftijdsgroepen grote aderlatingen hadden ondergaan, er een grote hap was in de piramide van de intellectuele beroepsbevolking. Dat was vooral erg merkbaar in die beroepen waarin vroeger veel Joden praktiseerden, zoals het artsen- en tandartsenberoep. Van de laatsten waren er na de oorlog geen vijftig procent over. Ook het glazenmakersberoep - weliswaar geen intellectueel beroep - was nagenoeg geheel verdwenen, omdat dat vóór de oorlog bijna uitsluitend door Joden werd beoefend. Dat hield verband, zei hij, met het feit dat diamantwerkers in Amsterdam en Antwerpen ruwe diamanten naar Polen stuurden om hun familieleden te helpen een eigen bedrijfje op te richten.

H. laat mij de oude stad zien, waar hijzelf ook woont. Mijn geliefkoosde theorie, dat het een bewijs is van gebrek aan geloof in eigen scheppingskracht dat vernielde steden en gebouwen (Middelburg, Rhenen, Leids stadhuis) worden herbouwd in de oude stijl, krijgt het hard te verduren in Oud-Warschau. Dit is werkelijk charmant en charmanter dan b.v. Oud-Brussel van de Expo, waaraan Middelburg me altijd een beetje doet denken. Oud-Warschau is overigens niet herbouwd zoals het er in 1939 uitzag, maar naar de schilderijen van Canaletto. Dus niet terug tot 1939, maar terug tot de achttiende eeuw. We gaan een glas wijn drinken in een kelder op de oude markt, waar een studentenclub is gevestigd. Er wordt jazz gespeeld en het publiek bestaat uit jongens in spijkerbroeken en meisjes met paardestaarten. Het is er niet erg vol en heel rustig, maar soms raakt, naar ik hoor, de hele troep in trance door de muziek. Vroeger werd er wodka geschonken, maar na een paar orgieën die er plaatsvonden mag dat niet meer. Wij drinken wijn en blijven sober.

woensdag 6 juni 2018

Clarice Lispector -- 7 juni 1969

Clarice Lispector (1920–1977) was een Braziliaanse schrijfster en journaliste. Uit: De ontdekking van de wereld (vertaling: Harrie Lemmens).

7 juni
WAT IS WAT?
Als ik een cadeautje krijg dat met liefde wordt gegeven door iemand op wie ik niet gesteld ben - hoe heet het dan wat ik voel? Iemand van wie je niet langer houdt en die niet meer van jou houdt - hoe heet dat verdriet en die wrok? Ergens mee bezig zijn en daar ineens mee ophouden, omdat je bevangen wordt door een zalig, wonderbaarlijk, heerlijk en idioot nietsdoen - hoe heet het wat je dan voelt? De enige manier om te benoemen is vragen: hoe heet? Tot op heden heb ik alleen maar kunnen benoemen met de vraag zelf. Hoe heet? en zo heet het dan.

dinsdag 5 juni 2018

Robert Graves -- 6 juni 1915

• De Britse schrijver Robert Graves (1895-1985) was soldaat in WO 1. In Dat hebben we gehad (vertaald door Guido Golüke) zijn ook een aantal dagboekfragmenten van hem uit die periode opgenomen.
In 1916 zou hij zelf zwaargewond raken tijdens de bijna vijf maanden durende Slag aan de Somme, waarbij meer dan een miljoen doden en gewonden vielen.

6 juni. We zijn ingekwartierd in Béthune, een vrij grote stad ongeveer tien kilometer achter de frontlijn. Er is alles wat je je kunt wensen: een zwembad, allerlei winkels, vooral een banketbakkerij, de beste die ik ooit heb gezien, een hotel waar je echt goed kunt eten, en een theater waar we brigadevoorstellingen hebben. Ik zag vanmorgen een aanplakbiljet op de muur van een gebouw aan het kanaal van Béthune naar La Bassée: 'Op last van de plaatselijke commandant is het de troepen verboden vissen te bombarderen.' Béthune heeft heel weinig schade geleden, behalve de wijk Faubourg d'Arras, bij het station. Ik ben ingekwartierd bij de familie Averlant Paul in de Avenue de Bruay, mensen van de ambtenaarsstand: vluchtelingen uit Poimbert. Ze hebben twee zoontjes en een wat oudere dochter, die in de vierde klas van de plaatselijke middelbare school zit. Ze had gisteravond problemen met haar kuiswerk en vroeg me haar te helpen met het schrijven van de theorie van de decimale breuken. Ze liet me haar aantekeningen zien; ze zaten vol afkortingen. Ik vroeg waarom ze zoveel afkortingen had gebruikt. Ze zei: 'De lerares praatte heel vlug omdat we erg veel haast hadden.' 'Waarom hadden jullie zo'n haast?' 'O, omdat jullie troepen in een gedeelte van de school zijn ingekwartierd en de Duitsers de school beschoten, moesten we steeds de schuilkelder in, en telkens als we terugkwamen was er minder tijd over.'

maandag 4 juni 2018

Amos Claycomb - 5 juni 1900

Amos Claycomb uit Sycamore, Illinois was in 1900 14 jaar oud.

Tuesday, June 5, 1900
It has been a very nice day today. It was 80º above at noon.
I rode Louise’s wheel to school this morning and walked home tonight.
It is George’s birthday today and he is eleven years old.

Wednesday, June 6, 1900
It has been either cloudy or raining about all the time today. It was 84º above at noon.
When I went after the cows it began raining and I got very wet.
I lost my knife going after the cows tonight.

Thursday, June 7, 1900
It has been a very nice day today. It was 80º above at noon.
I went to a ballgame this afternoon. The Sycamores played the Warrens of Chicago and got beat 4 to 2.

Friday, June 8, 1900
It has been a very nice day. It was 89º above at noon.
I had the pony shod this morning. I had one of my teeth filled with silver this afternoon.

Saturday, June 9, 1900
It has been a very nice day.
The nine that I am in played another nine this morning and we beat them 14 to 11.
I pulled mustard out of an oat field and while doing it I found an Indian arrowhead.

Sunday, June 10, 1900
It has been a very nice day to day.
I went to Sunday school at noon.
Papa and Eleanor went to a funeral this afternoon.
I had eleven little chickens hatch today. I have now more than 40 little chickens.

Monday, June 11, 1900
It has been a nice day today. It was 80º above at noon.
I played ball a little after school tonight.

Tuesday, June 12, 1900
It has been a very nice day today.
We are having a new hardwood floor being laid in our front hall.
I played ball a little after school tonight.

Wednesday, June 13, 1900
It rained quite a while this morning but it cleared up this afternoon. It was 78º above at noon.
I went up town for a while after supper tonight.

Thursday, June 14, 1900
It has been a very nice day but is a little cooler than usual tonight.
School let out today and I am now in the eight grade.
Grandma came home from Idaho last night. She went into Chicago this morning but is back now.

zondag 3 juni 2018

Cola Debrot -- 4 juni 1956

Cola Debrot (1902-1981) was een Antilliaanse schrijver, arts, diplomaat en staatsman. Van een verblijf in Genève in 1956 hield hij een dagboek bij, onder de titel Dagboekbladen uit Genève.

4.6.1956
- Het is de bedoeling, dat ik de tijd op het hordes van het hotel kort met het maken van enkele aantekeningen voor mijn dagboek, in afwachting dat E. terugkomt. Wij zullen dan hier het diner gebruiken, terwijl de avond intreedt. In een dergelijk milieu kan men nauwelijks eten, men meet op zijn minst ‘het avondmaal nuttigen’. Ik ben alweer aan de fontein gewend (‘le jet d'eau’ wel te verstaan). Hij valt niet meer op, mogelijk wel, omdat de stralen uit het centrum van ons zonnestelsel er geen regenboogschakeringen meer verwekken. Mijn belangstelling is weer anders gericht. Ik let op het heuvel- en berglandschap aan de overzijde (Rive Gauche). Men zou kunnen spreken van een landschap in vier plans. Daar heb je om te beginnen het zomergroen van de parken. Men noemt Genève wel de ‘stad van de duizend parken’. Mogelijk spreekt men alleen maar van de ‘stad der parken’, het hoofdtelwoord is van mij afkomstig; de overdrijving moet voor het schilderachtige, het ‘pittoreske’ zorgen. Dan volgt een vrij hoge heuvelreeks aangebracht in donkerder groen. Vervolgens de eerste bergketen, groengrijs van kleur. En ten slotte, in de verste verte, de blanke silhouetten van de allerhoogste bergtoppen, waaronder ook Hare Majesteit de Mont Blanc. Het zijn eerder witte dan blanke silhouetten, zo ik mij deze subtiliteit zou mogen veroorloven. Men spreekt van blanke zielen, blanke steden, blanke minaretten: het komt mij niet oirbaar voor van blanke bergen te spreken. Het zijn in ieder geval silhouetten, ik zou het niet anders kunnen uitdrukken. Zij bezitten geen volumen, het zijn tweedimensionale vormen. Zij kunnen ieder ogenblik verwazen en in de onzichtbaarheid terugtreden. Als de hoogste bergtoppen onzichtbaar zijn, laten de gidsen zich verleiden een van de middelhoge als de Mont Blanc aan te wijzen. Men mag de toeristen niet teleurstellen; er zijn hele volksstammen die speciaal voor het uitzicht op de Mont Blanc hierheen komen. De middelhoge toppen staan dan ook bekend als de ‘Mont Blanc van de toeristen’. Genève telt 210 000 inwoners, onder wie 40 000 buitenlanders. Op het ogenblik, met de jaarlijkse Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie, is het aantal vreemdelingen aanzienlijk toegenomen. Het is bovendien zo, dat het aantal vreemdelingen relatief nog meer is toegenomen. De deelnemers aan de Conferentie blijven niet binnenskamers, zij zijn er altijd op uit. Het aantal vrouwen is verre in de meerderheid, mogelijk ook dat zij meer opvallen. Van een commissaris van politie heb ik de mededeling, dat aan vijfhonderd prostituées vergunning tot tijdelijk verblijf is verleend. Dit gebeurt, zo voegde hij eraan toe, in de eerste plaats met het oog op de leden van de Arabische en Latijnse delegaties. Voor de ene groep ter wille van de polygame overtuiging, voor de andere ter ontduiking van de monogamie. De opvallende dames hebben de charmes van l'Eve Future van Villiers de l'Isle-Adam: de bekoringen van vrouwen met weinig persoonlijkheid, maar des te meer maquillage en sex-appeal.

Ik herken voortdurend gelijkenis met mensen die ik van elders ken: hoge functionarissen en vrouwen van verdacht allooi uit Hollandse en Caribische steden. Ik zal hier met stilzwijgen aan voorbijgaan. Dagboekbladen kunnen anderen onder ogen komen. Zelfs in een dagboek kan men zich niet geheel openhartig uitspreken. Er trekken files auto's en scooters voorbij. Ik ontdek steeds meer gelijkenissen. Ik heb het gevoel of ik dit alles al eerder heb gezien. De wereld is in wezen overal eender. Ik ben op het randje van het ‘déjà vu’. Ik ben misschien alleen maar vermoeid. Ik zou mijn gezicht in een spiegel moeten bekijken, dat zou de enige manier zijn om een gevolgtrekking te maken.

Ik besef opeens dat de lange kelner, die mij bedient, nu tegen de muur leunt, de armen voor de borst gekruist, en langzaam voor zich uitlacht. Vanwaar die binnenpret? Daar staan twee verkeersagenten in keurige grijze uniformen. Zij houden alle scooters aan en laten papieren tonen. De auto's mogen doorrijden, maar de scooters worden alle aangehouden. Zij hebben het op de scooters gemunt, want ook de bromfietsen mogen doorrijden. Ik richt mij tot de kelner met de binnenpret.
‘Wat is er aan de hand?’ vraag ik.
‘Zij zoeken naar een dievenbende.’
Hij vindt het blijkbaar een reuze bak, hij kan het niet houden van de lach.
Ik meen dat ik het gesprek moet voortzetten.
‘Het zijn zeker Italianen.’
De kelner kijkt mij strak aan, ik beweeg mij blijkbaar op glad ijs. ‘Waarom zouden het Italianen zijn?’ vraagt hij.
Ik weet geen raad en vertel hem dat ik een uitstekende film gezien heb over Italiaanse fietsendieven. Hij kijkt mij mistroostig aan. ‘Maar signore, een film is maar een film.’
Het is eindelijk tot mij doorgedrongen. De man is een Italiaan.
Ik heb mijn eerste bok geschoten in Genève. Daar valt niet aan te twijfelen.

William Van Poyck -- 3 juni 2013

• De Amerikaan William Van Poyck (1954-2013) hield als terdoodveroordeelde (voor moord) gedurende enige tijd een dagboekblog bij. Hieronder zijn laatste post.

June 3, 2013
Ten days 'till departure time. You already know that they killed my neighbor, Elmer, 5 days ago. Then they moved me into his cell. After they execute someone they move the rest of us down one cell, working our way to cell#1, the launching pad to the gurney next door. This is a bad luck cell; very few of us get out of here alive! In two days I'll go onto Phase II and they'll move all my property from my cell, and post a guard in front of my cell 24/7 to record everything I do. These will be hectic days, freighted with emotion, all the final letters, all the final phone calls, final visits, final goodbyes. Things have become even more regimented as "established procedures" increasingly take over. More cell front visits from high ranking administration and DOC officials asking if everything is O.K., forms to fill out (cremation or burial?). I declined the offer of a "last meal". I'm not interested in participating in that time-worn ritual, to feed some reporter's breathless post-execution account. Besides, material gratification will be the last thing on my mind as I prepare to cross over to the non-material planes. Watching Elmer go through his final days really drove home how ritualized this whole process has become; the ritual aspect perhaps brings some numbing comfort - or sense of purpose - to those not really comfortable with this whole killing people scheme. This is akin to participating in a play where the participants step to a rote cadence, acting out their parts in the script, with nobody pausing to question the underlying premise. It's like a Twilight Zone episode where you want to grab someone, shake them hard, and yell "Hey, wake up! Don't you know what's going on here?!!!"

My very accelerated appeal is before the Florida Supreme Court; my brief is due today, (Monday), the state's brief tomorrow and oral arguments are scheduled for Thursday June 6th (D-Day Anniversary). I expect an immediate ruling, or perhaps on Friday. By the time you read this you'll already know the result and since there's no higher court to go to on this you'll know if I live or die on June 12th. I am not optimistic, Sis. Although I have some substantial, compelling issues, as you know (e.g., my appointed direct appeal attorney who turned out to be a mentally ill, oft-hospitalized, crack head, convicted of cocaine possession and subsequently disbarred whose incompetence sabotaged my appeal) the law provides the courts with countless ways to deny a prisoner any appellate review of even the most meritorious claims. I won't turn this into a discourse on legal procedures; but many years of observation has taught me that once a death warrant is signed it's near impossible to stop the momentum of that train. Issues that would normally offer you some relief, absent a warrant, suddenly become "meritless" under the tension of a looming execution date. Nobody wants to be the one to stop an execution, it's almost sacrilegious.

So many people are praying and fighting to save my life that I am loathe to express any pessimism, as if that's a betrayal of those supporting me. And, there is some hope, at least for a stay of execution. But honestly my worst fear is a temporary stay of 20, 30 days. Unless a stay results in my lawyers digging up some new, previously undiscovered substantial claim that will get me a new sentencing hearing, a stay simply postpones the inevitable. What I don't want is to be back here in the same position in 30 days, forcing you and all my loved ones to endure another heart-breaking cycle of final goodbyes. I cannot ask that of them. I'd rather just go on June 12th and get this over with. This may be disappointing to those who are trying so hard to extend my life, even for a few days, but there it is.

Time - that surprisingly subjective, abstract concept - is becoming increasingly compressed for me. I'm staying rooted in the here and now, not dwelling on the past or anxiously peering into the future, but inhabiting each unfolding moment as it arrives in my consciousness (F.Y.I., I highly recommend The Power of Now, by Eckhart Tolle, for anyone facing imminent execution!) I'm still able to see the beauty of this world, and value the kindness of the many beautiful souls who work tirelessly to make this a better place. I am calm and very much at peace, Sis, so don't worry about my welfare down here on death watch. I will endure this without fear, and with as much grace as I can summon. Whatever happens, it's all good, it's just the way it's supposed to be.

Ralph Josselin -- 2 juni 1650

Ralph Josselin (1616–1683) was the vicar of Earls Colne in Essex from 1641 until his death in 1683. His diary records intimate details of everyday farming life, family and kinship in a small, isolated rural community, and is often studied by researchers interested in the period, alongside other similar diaries like that of Samuel Pepys.

June. 2. Called up this morning to see my dear friend Mrs Mary Church who departed to an eternal rest, and Sabbath about 9 of the clock, she is free from pain and free from sin which is the greatest happiness of all. There is another good friend in heaven against my going there, for which I desire the lord to fit me every day more and more, my dear Ralph very ill we cannot long enjoy him, the lord wash his nature from his filth, and defilement, and do him good, the love sanctify these sad strokes to us, for the lord Christs sake. God was good to me, my wife and other two children in our health, I had a little pose and stuffing in my head, taking cold on my feet, the lord was good to me in the duties work and exercise of the Sabbath, the lord in mercy heal my heart, nature, and do me good for Christs sake. [N] my navel issued on Friday god in his due time will heal it. when he sees it best for me, and to him, I do commit myself, and all my ways, my dear Ralph before midnight fell asleep whose body Jesus shall awaken, his life was continual sorrow and trouble, happy he who is at rest in the lord, my dear wife , ill as if she would have died, the Lord revived her again for which his holy name be praised, it was one of the most lovely corpses that ever was seen. 

4: This day my dear friend Mrs Mary Church and my sweet Ralph were buried together in the church, I preached her funeral on Mathew. 25. 34 verse god has taken from me a choice special friend, the good Lord in mercy sanctify that his dealing unto me, and truly my heart looks wholly to god herein, who is my life, my grace, my all, I am poor and empty. in some respect I see great mercy therein, for Satan lies in wait to corrupt our affections and that mine were not, was gods abundant grace, who keeps me that though I fall yet I am not utterly cast down. when Mrs Mary died, my heart trembled, and was perplexed in the dealings of the lord so sadly with us, and desiring god not to proceed on against us with his darts and arrows, looking back into my ways, and observing why god had thus dealt with me, the lord followed me with that sin no more unless a worse thing happen to you, and the intimation of god was he would proceed no further against me or mine, and he would assist me with his grace if I cleaved to him with a full purpose of heart, which I resolve, oh my god help me, oh my god fail me not, for in thee do I put my trust.