zondag 24 mei 2026

István Radnai • 25 mei 1914

István Radnai(1893-?) was een Hongaar die in 1914 in Deli terechtkwam. Hij hield toen een dagboek bij.

Medan 24 mei 1914
We hebben bijna besloten naar Singapore te gaan om van daar weer terug te keren naar Hongarije. Wat een schande! Nauwelijks zijn we hier aangekomen en we gaan meteen terug naar huis om alles weer op te pikken waar we het lieten liggen. Misschien krijgt Tarnay inderdaad gelijk: ‘Binnen zes maanden zijn jullie weer thuis. En dan blijft jullie niet eens de illusie over dat je in het buitenland wel je geluk kan vinden, als het hier niet lukt.’ En dan ben ik er ook zeker van dat ik mijn hele leven door ongeluk vervolgd word. Nu zou ik al graag van alle menselijke verlangens, heimwee en dergelijke afzien als mijn financiële situatie het verblijf hier mogelijk zou maken. Een onverwacht humane mededeling van onze hotelbaas, wat je van een voormalige matroos niet zou verwachten, maakt grote indruk op ons. Hij deelde ons mee: ‘U, heren, bent niet hier gekomen om na een paar weken weer naar huis te gaan. Als uw geld op is, dan kunt u hier blijven zolang u maar wilt. U heeft zich gedragen als gentlemen, ik zal het ook doen. Het geld groeit natuurlijk niet op mijn rug, maar als u een baan heeft gevonden kunt u het mij terugbetalen. Ik ga er trouwens niet van uit dat uw geld voortijdig opraakt. Het vinden van een baan is een kwestie van weken. Hooguit!’ We hebben vandaag met een administrateur kennisgemaakt die hier een hoog aanzien geniet. Hij heet Kemmler en hij is ook nog de baas van Mészáros. Hij lachte ons uit toen we over onze zorgen spraken. We hebben weer eens gehoord: ‘Seien Sie nicht besorgt, hier an der Ostküste kommt alles zurecht.’ Hij beloofde ons dat hij ons zeker morele steun zou verlenen. Vanavond was er een lichte aardbeving hier en we zagen een vampiervleermuis boven de stad vliegen, die was zo groot als een gans.

Daniil Charms • 24 mei 1931

Daniil Charms (1905-1942) staat tegenwoordig bekend als Ruslands grootste absurdistische schrijver en dichter, maar de weg naar deze roem was moeilijk.

[MEI 1931] De kracht die woorden in zich hebben moet worden vrijgemaakt. Er bestaan woordsamenstellingen, waarbij het effect van deze kracht aanmerkelijk sterker aan de dag treedt. Het is niet juist om te denken dat deze kracht voorwerpen tot bewegen dwingt. Ik ben ervan overtuigd dat woordkracht ook hiertoe in staat is. Maar het meest waardevolle effect van deze kracht is praktisch ondefinieerbaar. Een ruwe voorstelling ervan vinden we in het ritme van metrische verzen. Een gecompliceerd medium als de hulp van metrische verzen om een of ander lichaamsdeel te bewegen, moeten we evenmin als een verzinsel zien. Deze zeer grove werking van woordkracht is waarschijnlijk niet toegankelijk voor ons redenerend begrip. Als we al aan een methode van onderzoek naar deze krachten denken, dan moet deze totaal anders zijn dan die, welke tot nu toe in de wetenschap werden toegepast. Voorop staat, dat feit of ervaring hier niet als bewijs kan gelden. Ik vind het moeilijk om aan te geven, waardoor een en ander bewezen en gecontroleerd moet worden. Voorlopig ken ik vier soorten verbale werktuigen: gedichten, gebeden, liederen en toverspreuken. Deze zijn niet door berekening of redenering tot stand gekomen, maar langs een andere weg, die we ALFABET noemen.

Josep Pla • 23 mei 1918

• De journalen van de Catalaanse schrijver Josep Pla i Casadevall (1897-1981) omvatten zo’n 30.000 bladzijden vol dagboekaantekeningen, reisimpressies, invallen en literaire portretten. Het grijze schrift (vertaald door Adri Boon) bestrijkt de jaren 1918-1920, voordat de jonge Pla als dagbladcorrespondent naar Parijs vertrok.

23 mei. Na zijn lange winterse retraite heeft de schildpad uit de tuin weer tekenen van leven gegeven. Het is mogelijk dat hij al enige dagen rondloopt; ik had er tot op heden nog niets van gemerkt. Ik zie hoe hij met zijn geelgestreepte schild in de schaduw van de potten met hortensia's kruipt. Hij steekt zijn kop van goedmoedig reptiel uit, vertoont een belachelijke staart, beweegt zijn poten met dwaze en groteske traagheid. Ik weet niet welke parasitaire prikkel de schildpad ertoe brengt in de nabijheid van de mens te willen leven. In alle windstreken en in alle klimaten is de hond een kostganger van de mens. De rat is een parasiet van het mensenras. De kat is een parasiet van de ratten. De mens omringt zich met huisdieren om ze aan tafeel met vork en mes te verorberen. Wat vindt de schildpad in de nabijheid van de de mensen dat hij zich er zo uitstekend aan aanpast?
Onze schildpad is zeer oud. Wij zijn even gewend aan zijn aanwezigheid in de zomer als aan zijn afwezigheid in de winter. Wij slaan helemaal geen acht op zijn bewegingen. Hij is een onderdeel van de tuin, nel zo goed als de sinaasappelbomen, de palmen, de houtstapel dat zijn. Hij is niets meer dan een onbeduidend detail van de aarde. Sinds de schildpad in de tuin leeft, hebben we diverse honden gehad. De verhouding tussen de schildpad en de opeenvolgende honden was altijd slecht. De schildpad heeft de duivelse gewoonte, wat misschien alleen maar een voorwaardelijke reflex is, om op de slaapplaats van de hond te wateren. Deze betreurenswaardige realiteit brengt de hond tot grote woede. Zodra de hond de schildpad ontwaart, loopt deze op hem af en kiepert hem met zijn poot op zijn rug, keert hem om zoals iemand een bord soep omkeert. De schildpad ligt dan met zijn buik in de zon. Met zijn poten, zijn staart en zijn kop maakt hij allerhande bewegingen om overeind te komen. Tevergeefs. Hij slaagt er niet in overeind te komen. Hij zou zijn hele verdere leven met zijn buik omhoog blijven liggen als een van ons hem niet weer met zijn poten op de grond zette. Als de hond getuige is van die handeling, begint hij bij wijze van protest uitzinnig te blaffen. Zo het voortbestaan van schildpadden aan het criterium van honden onderworpen was, zou het soort dus waarschijnlijk al uitgestorven zijn. Een omgedraaide, ondersteboven gekeerde schildpad sterft op den duur. Uit zichzelf kan hij niet overeind komen en ik geloof niet dat een ander beest hem daarbij zou helpen. Maar mannen en vrouwen, jongens en meisjes, en zelfs kinderen kunnen een op zijn rug gekeerde schildpad niet aanzien en zetten hem op zijn pootjes. Ik weet niet of wij dat uit sentimentaliteit doen; wellicht doen wij het omdat we de aanblik van een schildpad met zijn buik in de zon — et de aanblik van die witte, slijkkleurige buik — afschuwelijker vinden dan een schildpad met zijn pootjes op de grond. En aldus zijn — ieder geval — de honden de boze geest van de schildpadden terwijl de mensen hun welwillende en aanbiddelijke voorzienigheid vormen.

donderdag 21 mei 2026

István Radnai • 22 mei 1914

István Radnai(1893-?) was een Hongaar die in 1914 in Deli terechtkwam. Hij hield toen een dagboek bij.

Medan 22 mei 1914
Gemke heeft een prachtige baan gekregen. Hij werkte ooit al op Sumatra, maar hij moest voor genezing naar huis omdat hij door een Maleier met een mes lelijk toegetakeld werd. Dat hij hier werk heeft gevonden is voor mij echter geen troost. Voor de Nederlanders is het hier geen probleem een baan te vinden. Je wordt hier gek van verveling. Als ik ertoe veroordeeld zou worden hier mijn hele leven door te brengen, dan zou ik me zonder meer direct voor de kop schieten. De uitzichten om hier een baan te vinden zijn niet bijzonder goed. We krijgen de ene afwijzing na de andere. Meestal 2 à 3 stuks per dag. Misschien vinden we toch iets tegen 9 juni. Langer kunnen we vanwege ons gebrek aan geld niet meer wachten. Als het zover is dan moet ik naar Singapore en hoop dan binnen enkele dagen werk te vinden of ik word steward op een boot die naar Europa vaart. Van de hulp van de consul wil ik in het uiterste geval gebruik maken. Het was onverstandig van me naar László te luisteren en zonder meer naar dit onbekende land te reizen. Ik kende toch zijn onnozele ideeën. Nu is er niets meer aan te doen, het is mosterd na de maaltijd. Het is wel erg genant dat je je hele leven lang alleen van je eigen schuld iets kunt leren. Ik wil eindelijk eens volleerd zijn. Wat voor werk zal ik nog allemaal doen? Ik zou dolgraag weten waar en wanneer ik eindelijk mijn rust kan vinden. Ik was al aspirant-technicus in de textielindustrie, boer, soldaat, kantoorklerk, venter, bijna redacteur en nu ben ik aspirant-planter. Binnenkort word ik misschien ober op een boot of stoker en daarna fotograaf. Kan een jongmens van amper 22 zich een leven wensen dat meer afwisseling biedt?

woensdag 20 mei 2026

Zinaida Hippius • 21 mei 1917

Zinaida Nikolajevna Hippius (1869-1945) was een Russische dichteres en schrijfster. In De schittering van woorden zijn onder meer dagboekaantekeningen en brieven van haar opgenomen. Vertaling: Mieke en Mouring Lindenburg.

20 mei
Morgen is het Pinksteren. Het is vochtig weer. De weg is nog niet hersteld. De telegraaf is als gevolg van de sneeuwstorm die heel Rusland heeft geteisterd, uitgevallen.
Gezien de precaire toestand in het achterland en de ondoorzichtige situatie aan het front valt het niet mee om hier te zitten. Maar ik geef me niet aan somberheid over. Dat zou zondig zijn.
Kerenskij is minister van oorlog. Tot nu toe doet hij het uitstekend.
Kerenskij is de juiste man op de juiste plaats. The right man on the right place, zoals die slimme Engelsen zeggen. Of is hij the right man on the right moment? En als dat nu alleen maar for one moment is? Laten we er maar niet naar gissen. In ieder geval heeft hij het recht om zich over de oorlog en voor de oorlog uit te spreken — juist omdat hij tegen de oorlog is (an sich). Volgens de domme terminologie van de `overwinningsfanatici' was hij een `défaitist' (ik werd ook `défaitiste' genoemd).

dinsdag 19 mei 2026

István Radnai • 20 mei 1914

István Radnai(1893-?) was een Hongaar die in 1914 in Deli terechtkwam. Hij hield toen een dagboek bij.

Medan, 20-21 mei 1914
Alles is vergeefs, ik raak toch nooit gewend aan de Hollanders. Reeds op de boot vond ik hen onsympathiek, maar hier is het nog erger geworden. Hun scheldnaam in het Duits is Käsköpfe. Ze zijn gewoon onuitstaanbaar. Waarom? Ik kan het zo gauw ook niet zeggen. Misschien door hun lelijke krakende taal die ik niet begrijp. Maar wat ze hier in Deli doen, daarvoor neem ik mijn hoed af. Iedere plantage heeft een spoorwegverbinding. Naar die plantages, die met de trein toch niet te bereiken zijn, kun je met de auto op de prachtigste geasfalteerde straten rijden. Er is geen sprake van een ontzettend cultuurgebrek, zoals mijn vriend Béla Májerszky verteld heeft. Hier zijn weliswaar geen grote fabrieken, maar als je aan de verhoudingen hier went dan kun je je net zo goed voelen als in Europa. Het lukt wel als je ook gezelschap hebt, en dat kun je hier makkelijk vinden. Het duidelijkste bewijs dat je hier goed kunt leven, is het feit dat de blanken die al 1-2 jaar hier zitten, zich erg op hun gemak voelen en niet eens eraan denken Sumatra te verlaten. Ze zeggen: ‘Het is leuk in Europa als je geld hebt, maar als je het niet hebt dan is Deli honderdmaal beter.’ In de hoofdstad zijn er 3 bioscopen op Europees niveau. Iedere maand komt een Europees circus of variété naar de stad. Alle grote Europese kranten zijn hier te koop. Verdomme, de duivel mag hen halen! Het is al bij al toch niet de Andrássy straat, of het ‘bier cabaret’ op het Erzsébetplein. Wat zou het toch leuk zijn daar nog eens te zitten.

maandag 18 mei 2026

Guillaume Groen van Prinsterer • 19 mei 1822

Guillaume (Willem) Groen van Prinsterer (1801-1876) was een Nederlands politicus en historicus. Zijn dagboeken 1821-1876 staan online bij Historici.nl.

19 mei 1822
Deze dag was voor mij alleraangenaamst. Ik ging ter kerke bij prof. van der Palm, waar wij naar aanleiding van 1 J[oh]. 19 v. 19-21 eene heerlijke preek over het karakter der oude godsgezanten hoorden, welke de tegenwoordige nietsbeduidendheid tot staatkundige veinsaards zoekt te verlagen, terwijl zij door hunne hoogere stemming niet alleen boven het gros der menschen, maar boven de braafsten zelfs onder hen verheven waren en schenen de perken der stoffelijkheid reeds te hebben overschreden. Om half twaalf reed ik met [Jaap Elout] naar Den Haag in de hoop van [zijne Mathilde?] aldaar te zullen vinden; daar deze reeds vertrokken was, reden wij, na bij ons wafelen met madera gebruikt te hebben, wederom af en kwamen om 3V4 [?] uur op Blankenburg, de plaats van den heer Elout, aan. Wij vonden aldaar de heeren Smissaert. Met Henriette Elout en de freule Asthbeck, twee allerliefste meisjes, deden wij voor het dîner eene mooije wandeling. Na den eten wandelden de heeren naar de boerderij, waar alles naauwkeurig opgenomen werd. De heer Cambier met zijne vrouw en de heer van Lennep, alsmede de heer Rengers kwamen eene visite doen. Met den laatsten en de dames, drie jufvrouwen Elout, want Santje logeerde te Haarlem, de freule Asthbeck en de freule Kempenaar; wier broeder ook met ons gedineerd had, deden wij weder een zeer aangenaam tourtje. Om 9 uur reden wij af en toen ik te Leijden op de sociëteit kwam, vond ik tot mijn groóte verwondering Henri Hoffman, die mij een paar dagen tevoren geschreven had, dat de koorts het hem onmogelijk maakte mij te komen opzoeken. Met dezen onverwachten logeergast soupeerde ik bij mevrouw Fremery, 't geen dezen dag op eene pleizierige wijze besloot en om 12 uur gingen wij naar huis. Het overheerlijke weder had tot de genoegens door mij gesmaakt niet weinig toegebragt.


zondag 17 mei 2026

Thea Citroen • 18 mei 1940

Thea Citroen (1921- Auschwitz 1942) was kinderverzorgster. Ze was verliefd op hoogleraar Nico Donkersloot (als dichter bekend als Anthonie Donker), een soms obsessieve verliefdheid waar ze in haar dagboek veel over schreef.

Op de ochtend van die 10de mei is Donkersloot naar Rotterdam vertrokken.  Thea schrijft die week in algemene termen over het oorlogsleed, maar bekent al snel dat zij eigenlijk alleen maar ‘tot gekwordens toe’ bezorgd is om hém. Op zaterdag 18 mei houdt ze het niet meer uit:

M'n laatste redmiddel was: in de Wolkenkrabber [de flat waar Donkersloot woonde] informeren, maar er was nog geen bericht. En dus: op naar Rotterdam. In den Haag bij Oom Sieg [Siegfried Citroen] geslapen en nog wist ik niets. Zondagochtend per fiets via van Kranendonk naar Rotterdam, naar de Spoorsingel, naar hem. Toen hij me opendeed en 'k wist dat-ie leefde, gezond was, had ik wel direct weer rechtsomkeert willen maken, maar hij zei: ‘loopt U even door’ en toen moest ik wel. Goed dat ik mijn tranen heb ingehouden want hij vindt me nu toch al volkomen gek. Het wonderlijke is dat het me niets kan schelen of hij me uitlacht (en dat zal hij zeker en zich een beetje beledigd voelen dat zo een scharminkel om hem naar Rotterdam fietst) nu woog werkelijk het zwaarste: te weten of hij ongedeerd was. Ter Braak en de anderen vond hij overhaast (ik ben blij dat hij nooit zoiets zal doen, maar dat wist ik eigenlijk wel) en hij was vol lieve dingen over z'n jongetje [zoontje Henk].
Hij heeft anders heel wat meegemaakt: 5 uur over A'dam - R'dam met een auto'tje, tijdens het grote bombardement in de gang gestaan met z'n vader en Henk die vroeg: ‘Ik ben niet bang, hè Vader?’ Hij kan zich merkwaardig goed beheersen: ik meldde hem de dood van Ter Braak en zijn gezicht bleef volkomen onbewogen, terwijl dit hem toch diep geschokt zal hebben. Ik heb, meen ik, enkele keren gestotterd dat ik zo blij was dat hij er goed afgekomen was en op zijn vraag of ik familie in Rotterdam had, zei ik ‘nee’. 't Was misschien beter geweest om ‘ja’ te liegen. Maar jammer genoeg gaan leugens me nooit goed af. Toen naar Delft gefietst ‘met vreugde in het hart’ naar [Dirk] Coster die me ontving met de woorden ‘U zult wel erg blij zijn’. Ik wil graag geloven dat het van mijn gezicht af te lezen was! De vorige dag was ik ook even in Delft geweest maar toen was hij er niet. Coster vond me helemaal een vreemd insect, vroeg wat ik deed, of ik hem (D) allang kende (‘nauwelijks’ zei ik, en Coster luchtte merkbaar op) en zei toen: ‘Zeker vereert U Donker's werk dermate dat U wilde weten hoe hij het maakte.’ ‘Ja’, antwoordde ik braaf. Hij houdt veel van Donker, dat kun je wel merken, maar hij is veel materiëler, ik zou haast zeggen ‘kleinbehuisder’ van binnen. Terwijl Donker zegt: ‘als ze je gaan martelen kun je ze nog altijd vóór zijn door een pilletje te nemen’, zegt Coster: ‘tja, Donkersloot en ik zullen het misschien zwaar te verantwoorden hebben, we moeten nodig eens beraadslagen.’ Coster bood me direct aan: sigaret, koffie, limonade, die ik alle weigerde (‘tuurlijk, ik kom toch zeker niet om te eten!). Hij zat me op te nemen of ik een wonderlijk gedierte was. Toch moet het wel een aardig mens zijn als Donker van hem houdt.

Zonder iemand iets te vertellen is Thea midden in die chaotische dagen van huis gegaan. Bij terugkeer vindt ze maar weinig begrip in eigen kring, bij ouders, broer, nichtje Tini, tante Lena (Anna's zuster) en haar beste vriendin Alma.

Terug in Amsterdam: Vader die me aan z'n hart knelt midden op de Dam, Moeder thuis met Karel half daas van ongerustheid, Tini met tante Lena aanwezig. Tja, toen moest het wel verteld van Donker. Wàt moest verteld. Waarom waren jullie, Alma incluis ongerust? Waarom nemen jullie het gewichtig? Er is niets gewichtigs te nemen, wanneer hij het raar vindt. En ik mag toch wel van hem houden?

Ernst Jünger • 17 mei 1941

Ernst Jünger (1895-1998) was een Duitse militair en schrijver (en bloemenliefhebber). Uit: Das erste Pariser Tagebuch.

Vertaling onderaan.

Vincennes, 17. Mai 1941
Nachts lag ich lange beklommen im Dunkeln, wog die Sekunden nach. Dann kam ein entsetzlicher Vormittag auf dem Kasernenhof von Vincennes. Ich war wie jemand, der sehr durstig ist: in einer Pause erquickte mich die schaumige Frische der weißen Dolden am Festungswall. Wenn ich die Blumen so still im Sonnenlicht sich breiten sehe, erscheint mir ihr Behagen unendlich tief. Ich fühle, daß sie mit Sätzen und Worten zu mir sprechen, die süß und tröstend sind, und immer ergreift mich Schmerz, daß doch kein Laut von alledem zu meinen Ohren dringt. Man wird gerufen und weiß doch nicht wohin.

Am Mittag kam der Oberst mit einem Hauptmann Höll, der ein Bild von mir malen soll und einige Zeit hierbleiben wird. Ich war abends mit ihm in der Gegend der Madeleine und kaufte für Perpetua Geschenke ein. Im Laden eines Negers, Gespräche über Kolanüsse und weißen Rum. Der ganze Nachmittag war seltsam und bestätigte mich in meiner Ansicht, daß wir es sind, die das Erlebnis dirigieren; die Welt stellt uns die Instrumentation. Wir sind geladen mit einer bestimmten Art von Kraft; es springen dann die adäquaten Gegenstände an. So sind wir etwa männlich, und es stellen sich die Frauen ein. Oder sind kindlich, und es strömen uns Geschenke zu. Und wenn wir fromm sind — — —

Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT.

’s Nachts lag ik lange tijd benauwd in het donker, terwijl ik de seconden afwoog. Toen brak een verschrikkelijke voormiddag aan op de kazerneplaats van Vincennes. Ik was als iemand die hevige dorst heeft: tijdens een pauze verkwikte de schuimende frisheid van de witte bloemschermen aan de vestingwal mij. Wanneer ik de bloemen zo stil zie uitspreiden in het zonlicht, lijkt hun welbehagen mij oneindig diep. Ik voel dat zij met zinnen en woorden tot mij spreken die zoet en troostend zijn, en telkens grijpt het mij aan dat geen enkel geluid daarvan mijn oren bereikt. Men wordt geroepen en weet toch niet waarheen.

Tegen de middag kwam de kolonel met kapitein Höll, die een portret van mij zal schilderen en enige tijd hier zal blijven. ’s Avonds was ik met hem in de buurt van de Madeleine en kocht geschenken voor Perpetua. In de winkel van een neger spraken we over kolanoten en witte rum. De hele middag was vreemd en bevestigde mij in mijn opvatting dat wij het zelf zijn die de ervaring dirigeren; de wereld levert ons slechts de instrumentatie. Wij zijn geladen met een bepaalde soort kracht; vervolgens springen de passende voorwerpen daarop aan. Zo zijn wij bijvoorbeeld mannelijk, en dan dienen de vrouwen zich aan. Of wij zijn kinderlijk, en dan stromen de geschenken ons tegemoet. En wanneer wij vroom zijn — — —

Beb Vuyk • 16 mei 1945

• De Nederlandse schrijfster Beb Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.

Half mei 1945
De laatste maanden is het werk zwaarder geworden. Het heeft weinig geregend, en de kenteringsbuien bleven uit. Door de droogte moet er meer begoten worden. De oude plantersvrouw heeft het er erg moeilijk mee. Iedere dag is ze vierentwintig uur ouder geworden. Ze klaagt niet meer, ze heeft de kracht niet meer om te klagen, en zonder dat het afgesproken is, proberen we haar te ontzien. We zijn een kleine groep en Popeye [bijnaam voor hun Japanse toezichthouder] heeft dat blijkbaar ook in de gaten, want hij heeft beloofd dat we versterking krijgen als de nieuwelingen er zijn, de volgende week, heeft hij tegen Rien gezegd; dat weten we dus alweer.

16 mei 1945
Het restant van de Tjihapit-mensen [uit een ander kamp] is vandaag aangekomen. Het moeten er zo'n zevenhonderd of meer zijn, met overstelpend veel barang [bagage], in zware leren handkoffers en nog zwaardere houten hutkoffers. De Japanners zijn woedend over de grote hoeveelheid goederen (geborduurde lakens en damasten tafelkleden), waar sommige nieuwelingen mee zijn komen aanzetten. De fout ligt bij Nippon zelf, hun collega's in Bandoeng die dat hadden toegestaan. Maar zoals gewoonlijk wanneer in hun gelederen iets is misgegaan, koelen ze hun woede op ons, hun gevangenen. `Twintig kilo en niet meer,' schreeuwen ze, de rest wordt in beslag genomen. Ze laten alle bagage naar het grote veld brengen en controleren die stuk voor stuk. Als de schemer valt zijn ze er nog niet klaar mee. De vrouwen worden naar de barakken gejaagd, de geopende koffers blijven achter op het veld, bewaakt door de heiho's [inheemse hulpsoldaat]. In kussenslopen gestouwd, in bundels gebonden, dragen ze hun twintig kilo mee. Er zijn er nogal wat die huilen.

donderdag 14 mei 2026

Katja Staartjes • 15 mei 1999

Katja Staartjes (1963) bereikte in 1999 als eerste Nederlandse vrouw de top van de Mount Everest. Haar dagboek van die expeditie is te vinden in Hoog spel.


14 mei. Vannacht is Michael niet komen opdagen. Ik voel me als verdoofd. Ik staar voor me uit. Om me heen is het een puinhoop. Alles is bedekt met ijskristallen. Ik heb het steenkoud en de tent klappert als een gek. Ik zet het tentdoek vast met de zware zak sneeuw. Mike is intussen naar buiten gegaan om te over-eggen met Nick en Lhakpa Gelu. Ik kan me tot niets zetten. Aankleden hoeft in ieder geval niet, want ik heb alles aangehouden. Wel krap, met een donsbroek in een mummieslaapzak. Mike kruipt de tent binnen. Hij en Nick zullen samen met vier Sherpa's op Zuidcol blijven als de rest afdaalt naar kamp 2. Hij overtuigt me dat we moeten gaan, ondanks Michael en de storm. Ik weet dat Mike gelijk heeft. Inmiddels zit ik al ruim drie etmalen in de Zone des Doods. De tijd begint te dringen...
[...]
Terneergeslagen zitten we bij elkaar in de grote tent. Niemand zegt iets. Alleen de geluiden van de bulderende storm zijn te horen. Om de tent overeind te houden fungeren om de beurt twee teamleden als extra tentstok. Tergend langzaam tikt de klok door. Deze keerzijde van de berg hadden we tot nog toe niet gezien. Op dit moment beslist De Berg. Michael Matthews, onze jongste teamgenoot, heeft het niet gehaald. Wel de top, maar niet terug. Hij heeft de top met de dood moeten bekopen. Het Everest-spel is voor hem niet goed afgelopen.

15 mei. Verder afdalen. De zon schijnt en de wind is weg. Alsof hij nooit gewaaid heeft vannacht. Het is zelfs warm. Ik ben na de afgelopen dagen bijna vergeten wat dat is, warmte. Ik doe enkele kledingstukken uit en prop ze in mijn overvolle rugzak. Hij gaat nauwelijks nog dicht. Ik draai me om en kijk naar boven. Nog net is zij te zien, de Everest. De laatste keer van zo dichtbij. Ik doe mijn ogen dicht. Ik ben van deze berg gaan houden, met haar wat lompe, maar zo karakteristieke vorm. 'Bedankt voor de beklimming van uw hoogste flanken. Ik voel me bevoorrecht,' fluister ik. Mijn gedachten gaan naar Michael. Het is niet eerlijk. Hij was nog zo jong. Ik kende hem niet bijzonder goed, omdat hij tijdens de aanloop en de maaltijden in de andere helft van de ploeg zat en we toevallig ook nauwelijks samen geklommen hebben. Onvoorstelbaar eigenlijk. Al die weken maakten we deel uit van dezelfde expeditie.
[...]

woensdag 13 mei 2026

Bert Voeten • 14 mei 1941

Bert Voeten (1918-1992) was een Nederlandse schrijver en vertaler. Zijn oorlogsdagboek werd in 1946 gepubliceerd onder de titel Doortocht.

14 Mei
„Partijgenoot Hess wordt vermist".
Headline-nieuws voor de wereldpers. Wij mochten het bericht slechts in zeer bescheiden opmaak geven.
De plaatsvervanger van Hitler had immers „een tick", zoo liet Berlijn doorschemeren.
Ja, hij was in zoo hevige mate geestesziek, dat hij rustig te Augsburg in een goed-uitgeruste machine klom en rechten koers vloog naar een punt in Schotland: het landgoed van Lord Hamilton.
De geüniformeerde fantasten van Goebbels' ministerie hebben nachtwerk gehad met het verhaal van den „tragischen idealist", die op zijn eentje met Engeland vrede wilde gaan sluiten en die een briefje had achtergelaten met de boodschap: „ïk ben over twee dagen weer terug. Rudolf".

17 Mei
In het zuidelijk deel van den Stillen Oceaan worden koortsachtig militaire toebereidselen gemaakt. De Jap praat, naar het voorbeeld van den Europeeschen pact-genoot, steeds meer over een „Groot-Oost-Aziatische levensruimte", waartoe ook onze archipel moet worden gerekend.
Het vuur kruipt langzaam voort, tot aan de randen der wereld.

25 Mei
Terwijl de Tommies Tobroek reeds weken lang hardnekkig verdedigen en den asgenooten een opdringen naar Egypte verhinderen, hebben de Duitsche luchtlandingsdivisies den sprong naar Kreta reeds gedaan en naderen zoo van deze zijde het Midden-Oosten.
Ik ben verstrikt geraakt in dit gebeuren buiten de grenzen, in aanval en tegenaanval, in verrassingen, overwinningen en terugtochten. Ik moet mijzelf vaak met geweld ontvoeren naar een verzenboek en lees dan meestal Slauerhoff. Zijn D s j e n g i s dwong mij opnieuw naar de zomersche slagvelden.
Er is geen grooter wellust dan te dooden —
Het evangelie van de horde.

dinsdag 12 mei 2026

Katja Staartjes • 13 mei 1999

Katja Staartjes (1963) bereikte in 1999 als eerste Nederlandse vrouw de top van de Mount Everest. Haar dagboek van die expeditie is te vinden in Hoog spel.

13 MEI. Het grootste gedeelte van de topklim heb ik achter de rug. Vanaf de Zuidtop op 8750 meter, kijk ik naar de rest van de route met de Hillary Step, de beroemde twaalf meter hoge rotspassage. Technisch gezien is dit het lastigste onderdeel van de hele Everest-beklimming. Ik draai de zuurstofregelaar van twee naar drieënhalve liter per minuut en verlaat de Zuidtop. De top van de wereld kan me bijna niet meer ontgaan. Ik ga de Moedergodin Chomolungma nu echt een hand geven.
Eerst een stukje omlaag. Valt niet mee. Hier viel de Amerikaanse Lauri een week geleden dus tien meter naar beneden. Zomaar door dit gat in de sneeuw. Blijven opletten. Daar zijn de touwen. Ik klim in mijn eigen tempo door. Ja, hier moet het zijn, de Hillary Step. Opstoppingen? Niets van te merken. Mijn hand zoekt steun tegen de rots en ik spreid mijn voeten met de logge schoenen. Weer een stapje verder. Ik tuur omhoog. Kan ik dit touw wel vertrouwen? Naast me bungelen enigszins luguber nog drie andere touwen, waarvan er twee met zekerheid van vorige jaren zijn. Behoedzaam zoek ik met mijn rechterhand opnieuw goed houvast in de rots. Zoveel mogelijk op mijn eigen handen en voeten vertrouwen en niet te veel in het touw hangen. Het gaat eigenlijk uitstekend zo. Is dit alles? Me voor niks zenuwachtig gemaakt of ik deze klim wel aankan. Natuurlijk kan ik dit! Ik kijk heel even naar links. Meer dan twee kilometer lager ligt kamp 2. Nee, ik ga niet vallen. Geen sprake van. Ook niet naar rechts, want dan lig ik drie kilometer lager in Tibet.
Gelukt. Ik ben weer op de sneeuw, nu nog het laatste stukje topgraat. Geen touw, blijven concentreren. Daar is het groepje, ik kom steeds dichterbij. Ineens mist. Een rood pak. Dave Rodney. We lachen naar elkaar. Ga maar voor, gebaart hij met zijn arm. Ik ga hem voorbij. Slechts heel licht stijg je hier nog. De laatste corniche voorbij, flauw naar rechts en daar ... Hoe ver is het nog? Veertig meter? Ik weet dat ik de afstanden hier niet goed meer kan inschatten. Op het topplateau van de Cho Oyu zat ik er helemaal naast. Ik zie een aantal donspakken. Dat moet de top zijn. Ik voel tranen opkomen. Wat jammer dat ik dit niet meer aan mijn vader kan vertellen. Rusten na een paar passen hoeft niet meer. In één ruk ga ik door, het gaat als vanzelf. Ik zweef, net als lang geleden tijdens een hardloopwedstrijd. Vermoeidheid bestaat niet meer.
Ik sta op de top! Het hoogste punt ter wereld, 8848 meter boven zeeniveau. Er staan een stuk of tien andere klimmers, onder wie Cos, Augusto, Lhakpa Gelu plus nog een drietal van onze Sherpa's. Ze kijken blij verrast dat ik het ben. We omhelzen elkaar. Rugzak af. Bobby zit onder de ijskristallen. Zou hij het eerste teddybeertje zijn op de top van de Everest? Ik doe mijn zuurstofmasker af. Wat een gevoel van vrijheid. Pak de fles uit mijn jaszak. Een slok. Bah, ijsthee. Nee, niets eten. Te veel werk. Jammer, weer voor niets meegesleept. Dave roept dat het half tien is. Ik reken en moeizaam kom ik tot de conclusie dat ik elf uur over de beklimming heb gedaan.
Nu nog op de foto, als bewijs. Hoe kom ik er in mijn eentje op, met dit samengepakte groepje? Maar even naar de andere kant van het kleine topje. Dan gaat het mis. Ik struikel over een rugzak. Val languit op mijn gezicht. Schuif drie meter naar voren. De mannen schrikken zich een ongeluk. Beduusd krabbel ik weer overeind. Je zult maar van de top vallen. Ik neem een paar foto's. Als ik het toestel weer wil wegstoppen, zie ik dat het niet goed ingesteld was: onderbelicht. Een nieuwe poging. Tweemaal klik. Het moet maar goed zijn zo. Op hoop van zegen.


maandag 11 mei 2026

Henry de Montherlant • 12 mei 1972

• De in 1896 geboren Franse schrijver Henry de Montherlant, die op 21 september 1972 zelfmoord pleegde omdat hij de belemmeringen voor zijn gezondheid te groot geworden vond, schreef naast zijn omvangrijke œuvre aan romans en toneelstukken veel korte, soms bijna aforistisch aandoende notities.

12 mei 1972
Voor bepaalde mensen is het feit dat ze geen zelfmoord plegen op gevorderde leeftijd een waarachtige afwijking. De afname van je vermogens, de ziektes, soms het lijden, de last die men is voor zichzelf en die men anderen oplegt, het geld dat dat jou en de anderen kost, en dat zonder enige hoop op iets plezierigs in de toekomst! De kinderen verdragen ons met tegenzin, gesteund door de erfenis; de kleinkinderen, laten we daar maar niet over praten. Het genot, voor zover je daartoe nog in staat bent, wordt ook verwerpelijk geacht, je weet niet waarom: je bent een ‘oude geilaard’ of een ‘oud varken’. Waarom dus dat alles verdragen?
Het christendom heeft gedurende zeventien eeuwen, zonder er enige reden voor te geven, de mensen opgelegd deze afwijking te verdragen; vandaag de dag is het de maatschappij, door rond de zelfmoord een atmosfeer van strafbaarheid te scheppen. Degene die de openbare mening over de zelfmoord zou veranderen en de manieren om zelfmoord te plegen zou verbeteren, zou een weldoener van de mensheid zijn – maar gehouden worden voor een monster.

[Vertaald door Ed. Jongma]

zondag 10 mei 2026

Karin Spaink • 11 mei 2012

• Ter gelegenheid van het Het nationale Canta-ballet hield schrijver Karin Spaink (1957-2026) voor NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

10 mei
14, 15 mei
16 mei

Vrijdag 11 mei
Onderweg spot ik een rode Canta, ik kan hem nog net aanhouden. ‘Heeft u al gehoord van Het Nationale Canta Ballet?’ vraag ik de bestuurders. ‘We maken een voorstelling met een heleboel Cantaatjes en de dansers van Het Nationale Ballet. We zoeken nog deelnemers! Danst u mee?’ Verrast nemen ze de folders aan. Ze beloven erover na te denken.

Bij Waaijenberg in Zuidoost bekijk ik het pièce de résistance dat Marco, een van de Canta-monteurs, heeft gemaakt voor de etalage van Atheneum Nieuwscentrum: we zetten daar komende week een doormidden gesneden autootje neer. Een plakje Canta!

’s Avonds rijd ik naar de boekpresentatie van Monique Samuels. Ik geef haar De benenwagen en krijg in ruil haar Mozaïek van de revolutie. ‘Van Karin, die geen Arabisch spreekt; voor Monique, die niet kan autorijden,’ schrijf ik voorin.

Zondag 13 mei
Met de trein naar paps en mams. We gaan gezamenlijk op bezoek bij goede vrienden van mijn ouders: Hij is ernstig ziek, er wordt al over euthanasie gesproken. Die grote charmeur is veranderd in een stil en dun popje…

Onderweg merk ik hoe krampachtig mijn moeder rijdt. Ze was altijd een goede chauffeur, maar de ouderdom speelt haar parten. Ze houdt het stuur onhandig vast, ze remt te abrupt en stopt soms voor groen. ‘Lieverd,’ zeg ik, ‘eigenlijk denk ik dat je niet meer rijden moet.’ Ze zucht. Ze weet het zelf ook: ze voelt zich niet langer prettig op de grote weg. ‘Misschien moet jij ook aan de Canta?’ opper ik voorzichtig. We giechelen.

In Almelo kunnen we nog een uurtje in de tuin zitten. De kat nestelt zich naast ons en snuift vergenoegd de rook van mijn sigaret op, hij is dol op nicotine. Mooi moment: mijn vader die naast me gaat zitten en trots mijn nieuwe boek openslaat.

Han de Wilde • 10 mei 1945

• Han de Wilde (1907-1974) was in zijn tijd een bekend Leidenaar. Hij was winkelier in de Breestraat, zijn Manufacturen- en Beddenhandel was gevestigd in het pand dat later Boekhandel Kooyker zou worden. In de oorlog hield hij een dagboek bij, dat vorig jaar is uitgegeven bij Ginkgo.

Donderdag 10 Mei 1945 - Hemelvaartsdag
Vandaag juist 5 jaar geleden viel de gehate mof ons land aan en begon een periode van bezetting, rechtsverkrachting, terreur, roof en ellende voor ons volk. Thans hangen overal in de stad de vlaggen, rijden de Canadeezen door de stad, arresteeren de Binnenlandsche Strijdkrachten, gekleed in grijze overalls, met blauw-wit-oranje armbanden en gewapend met geweer of tommygun, de zoo gehate NSBers, collaborateurs en profiteurs en zie je nog slechts uiterst sporadisch een mof.
Op Zondag 6 Mei is door generaal Blaskowitz de capitulatieacte onderteekend en hebben de moffen zich dus in Holland onvoorwaardelijk overgegeven.
Op Maandag 7 Mei 1945 onderteekende generaal Jodl, de nieuwe chef van de Duitsche weermacht, de onvoorwaardelijke overgave van Duitschland. Van de vroegeren chef, Keitel, geen spoor meer, evenmin van admiraal Dörütz, wiens oproep tot doorvechten geen succes meer kon hebben, nu allerwege de macht van Duitschland in elkaar zakte. Op dezelfden dag zagen we de eerste Canadeesche kwartiermakers binnentrekken, den volgenden dag gevolgd door een geweldige stoet vrachtauto's, gewone auto's en wagens op rupsbanden. Hierbij was ook de Prinses Irene-brigade (Nederlanders). Stormachtig werden de manschappen toegejuicht; op vele auto's zaten drommen kinderen - velen reeds afkomstig uit de Rijnstreek, ja, zelfs uit Utrecht - die in hun enthousiasme om met de bevrijders mee te rijden, tijd en plaats volkomen vergaten.
Het enthousiasme is onbeschrijfelijk. Van vroeg tot laat worden de straten bezet door feestelijk gestemde menschen, die elke Amerikaansche auto, elke Canadees toejuichen. Losloopende soldaten worden omringd - tot 't hinderlijke toe! - door om sigaretten of handteekeningen bedelende kinderen.
De gehate Landwacht is Maandagavond reeds gearresteerd; de bevolking was dol van vreugde. Verder zijn in den loop dezer dagen vrijwel alle bekende NSBers gepikt, tot groote voldoening van iedereen. Over 't algemeen is dit vrij rustig verloopen - al omzwermde een joelende menigte de arrestanten; alleen enkele bijzonder gehate NSBers, zoals Kareltje van Duuren enz. hebben 't zwaar te verduren gehad. Ook zijn er reeds enkele moffenmeiden gearresteerd en kaal geschoren.
De bevrijding is voor ons land op 't nippertje gekomen. Broodmeel was er niet meer, deze week is 't laatste regeeringsmeel als Roode Kruis brood verbakken. We hebben nu, deze week nog, de eerste gave van de op Valkenburg uitgeworpen rantsoenen ontvangen - een prachtige prestatie, 1 1/2 week na de eerste afworp van zoo'n verdeeld assortiment boter, gedroogd eieren-meel, reepen chocolade en een blikje bacon. Naar verluidt, is er gisteren reeds 45 ton vleesch aangekomen en krijgen we vanaf de volgende week 7 ons vleesch per week p.p. en andere rantsoenen eveneens belangrijk verhoogd, (vleesch tot dusver 100 gram vleesch, been inbegrepen!)
Mussert is in Utrecht gearresteerd; Seyss-Inquart, die per motortorpedoboot gevlucht was, in Denemarken door Engelsche troepen gegrepen.
Het lijk (??) van Hitler nog steeds niet gevonden, wel dat van Goebbels.

Valentin Boelgakov • 9 mei 1910

Valentin Boelgakov (1886-1966) was Tolstojs secretaris in het laatste jaar van diens leven. Zijn dagboek over die periode is vertaald (door Charles B. Timmer) als Het laatste levensjaar van Tolstoj.

9 mei
Sofja Andrejevna [Tolstojs vrouw] en Tolstojs zoon Andrej zijn aangekomen. Het ging aan tafel levendig toe, bij het middageten zowel als 's avonds. Tolstoj stond tamelijk vroeg van tafel op.
'Wat nou, papa, zo vroeg naar bed?' vroeg Andrej.
'Ik moet nog heel wat afdoen, moet nog een patience leggen...'
En in de gang zei hij tegen Tsjertkov: 'Kom mee naar mijn kamer, Vladimir Grigorjevitsj!'
Ik kwam met de post bij hem. In een van de brieven had ik, in opdracht van Tolstoj, aan een jongeman die een hoogdravende en honingzoete brief had geschreven, de raad gegeven 'eenvoudiger en oprechter in zijn omgang met de mensen te zijn'.
'Maar misschien was zijn brief wel oprecht?' merkte Tsjertkov op.
'Nee,' antwoordde Tolstoj. 'Ik weet dat ik op dat punt niet gezondigd heb. Maar dat deed ik wel ten aanzien van Andrej.'
'Hoe zo? Alles was toch koek en ei, dacht ik?' vroeg Tsjertkov.
'Nee, tegenover hem heb ik gezondigd. Hij was gaan vertellen hoe iedereen in Petersburg beweert dat Molotsjnikov niet wegens mijn boeken zit, maar vanwege zekere propaganda. Waarop ik zei dat lui die dat beweren, geen greintje van de eerbied waard zijn die Molotsjnikov toekomt. Kortom, niet zo best... Aan de andere kant heb ik me tegen Sofja Andrejevna beter gedragen. Vandaag heb ik haar voor het eerst eens gezegd hoe zwaar mij deze manier van leven valt, hoe direct lichamelijk zwaar! Ik heb vol overtuigingskracht gesproken en tegelijk heel rustig. En ik geloof dat mijn woorden tot haar zijn doorgedrongen. Maar voor hoe lang, dat weet ik niet.'
Kort vóór dit gesprek had Tsjertkov Tolstoj uitgenodigd om na Kotsjety bij hem in Stolbovaja te komen logeren (dat lag dichter bij Toela en daarom was Tsjertkov er uit Krjoksjino heen verhuisd). Tolstoj nam die uitnodiging met beide handen aan. Tijdens het gesprek over die aanstaande reis had Tsjertkov opgemerkt: 'Als het u tenminste niet ongelegen komt zo lang uit Jasnaja Poljana weg te blijven,' waarop Tolstoj schamper had gelachen.
Ik heb hier in Kotsjety al voor de derde maal Tolstojs voorwoord bij zijn Gedachten over het leven overgeschreven in zijn laatste versie. Het is nu een beknopte samenvatting van zijn wereldbeschouwing geworden. Vandaar dat Tolstoj er zo veel aandacht aan besteedt en er zo hard aan werkt.

donderdag 7 mei 2026

Marga Minco • 8 mei 1983

• Marga Minco (1920-2023) was een Nederlandse schrijfster. In 1983 hield ze voor NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Zondag [8 mei]
Droomde vannacht dat ik terug was in mijn ouderlijk huis in Breda. Ik keek naar buiten en zag dat de voortuin geheel bedekt was met donkergrijze tegels. Alleen in de hoek bij het raam stond een kale struik waarin een vogel rondhipte. De volgende dag ontdekte ik in de tuin een laag okerkleurig zand. In het midden waren van hetzelfde zand en ongeveer 20 cm hoog, vier hakenkruisen geboetseerd. De dag daarop bleek de voortuin opnieuw veranderd; er lag zwarte aarde in, keurig bijgeharkt. Tussen de sporen van de hark kwamen (weer), heel duidelijk, vier hakenkruisen op. B. vraagt welk foefje ik gebruik om mijn dromen te onthouden. 'Geen foefjes,' zeg ik, 'je moet ze 's morgens meteen noteren.' 'Tegen dat ik daar aan toe ben, zijn ze bij mij al onder de bordewisser verdwenen,' zegt hij.

Maandag [9 mei]
Ronald Sweering, die een foto van me komt maken, in dezelfde serrestoel waarin hij me tien jaar geleden fotografeerde, roept bij het weggaan: 'Nou, tot over tien jaar dan maar weer, hè?' Wat heb ik al die jaren gedaan, behalve veel schrijven en weinig publiceren? Ver over de honderd lezingen gegeven. Door het land getrokken met mijn mapje, als een vertegenwoordiger met zijn aanbieding. Vragen beantwoord, zoals: 'Had u voor de oorlog ook Nederlandse vriendjes en vriendinnen?' 'Wanneer gaat u weer terug naar Israël?' 'Kunt u mij ook zeggen hoe het komt dat joden zo anders zijn en anders doen?' Dan dacht ik: het kan geen kwaad om er nog even mee door te gaan. Ik zoek de foto uit '73 op. Wat mij betreft hadden ze die weer mogen gebruiken, want wanneer ben je het echt? Bert B. zei me eens: 'Ze zouden alleen foto's van schrijvers moeten afdrukken die gemaakt zijn in de periode van hun debuut.' Daar zal ik het zeker mee eens zijn tegen de tijd dat Ronald zich voor de derde keer met zijn camera in de serre komt vervoegen.

woensdag 6 mei 2026

Mensje van Keulen • 7 mei 1976

Mensje van Keulen (1946) is schrijver. In 1976 hield ze een dagboek bij dat is gepubliceerd als Alle dagen laat (2006).

7 mei
Hoeveel tijd verstreek? Ik schrijf aan de opnieuw gelakte, ronde, ijzeren tafel bij het licht van een nieuwe buitenlamp. Het moet een uur of twee zijn en het is nog steeds warm. Ik dronk mijn glas pils leeg, rookte. Ik weet niet hoe ik het op moet schrijven. Al 4 dagen niet.
Een nieuwe fles bier halen. Dat eerst.

4 mei, omstreeks 1 uur: Loesberg belde en vroeg of hij me die dag af en toe mocht bellen.
Natuurlijk Loes, waarom?
Er was een treinongeluk gebeurd, bij Schiedam, en Carry was niet op haar werk en hij had nog niets van haar gehoord. Haar vader had dit om 11 uur aan de telefoon verteld.
Hij zei: ‘Ik heb hetzelfde gevoel als de keer dat ik écht zelfmoord wilde plegen.’
‘Ach Loes, de treinen erna zullen ook vertraagd zijn, misschien zat ze daarin, misschien kan ze je niet bellen, is het een chaos.’
Misschien. Paniek om het hart.
‘Twintig doden. Tot nu toe.’
Ik smeekte hem zich te concentreren op het verkrijgen van een kalmeringsmiddel en beloofde niet te bellen. (De telefoon als moordenaar. Neem niet op en er gebeurt je niks.)
In een roes, misselijk, reed ik naar de Hobbemakade waar ik een afspraak met Dory had om een huis te zien. Te klein. Driehoog. We dronken thee. Dory belde de heer M., schakel in de woningbouwvereniging. We gingen langs. Dezelfde praatjes van M. over mooie meiden, de maat van borsten, hoeren op zolders, etc. Hij streek met zijn vingertop over die andere top onder de rand van zijn broek, zei dat hij me misschien een 8-kamerwoning met tuin kon aanbieden.
Loesberg, god jezus Loesberg. Voortdurend ging het door me heen.
Ik bracht een defecte cassetterecorder naar Duivendrecht, reed met het gevoel van honderd ongelukken.
L. belde niet.
Ik belde weer het ANP. Het nieuws over de ramp was nauwelijks gewijzigd. De telefoonnummers voor mensen die de namen van de slachtoffers wilden horen, werden niet meer genoemd.
Hij belde kwart voor 6. Een huilend wrak.
‘Ze is dood! Ze is dood!’
Alles wat ik zou zeggen, zou fout zijn. Alles wat ik niet zou zeggen, zou fout zijn. Hij liet de hoorn los, onder geschreeuw: ‘Ik snijd m'n polsen door! Ik verbrand alles! Het moet er nu dan maar eens van komen!’
Loes! Loes! Loes! schreeuwde ik aan één stuk.
Hij kwam terug. Wanhoop, kalmer, wanhoop, kalm, kil.
‘Ik ben nog nooit gelukkig geweest, idioot. Het is zo banaal, zo... o god, was het dan maar een dronken automobilist geweest.’
Banaal. Wat overkomt een schrijver die de banaalste rottigheid zo sec en weergaloos beschrijft en ridiculiseert?
Een briefje op de keukentafel waarin zijn vriendin schrijft dat ze later thuis komt omdat ze niet, zoals anders, van en naar Rotterdam meerijdt in de auto van een collega. Liefs, Carry. Twee kaartjes voor Parijs, de avond ervoor gekocht. Ze gingen nooit met vakantie, waren in een juichende stemming, hij zou een verhaal verifiëren (een van de verhalen die hij me zojuist had toegestuurd). En 4 mei. Dodenherdenking. Wanneer houdt dat eens op? Gedenk dan alle oorlogen, iedere dag, en er is nooit meer een normale dag.
‘Haal niet dat toppunt van banaliteit in je hoofd, Loes. Nog niet, asjeblieft.’
‘Ja ja, tijd heelt.’
‘Hebben de poezen eten gehad?’
‘Houden jij en Lon van me?’
‘Natuurlijk Loes, ja.’
‘Ik moet een spuit om te slapen.’
‘Ik stuur iemand. Beloof dat je opendoet.’
Hij beloofde het. Ik belde R. in Den Haag en kreeg een antwoordapparaat: ‘Dokter Blom is tot tien mei afwezig, voor dringende... etc.’
De bank trilde, alles trilde. Ik belde H. Die ging en gaf hem een spuit. Hij werd agressief benaderd, maar kreeg L. uiteindelijk in bed. Gewend als hij is met labiele patiënten om te gaan, zag hij weinig reden tot ongerustheid: ‘Geen suïcidaal type.’
O, psychiater! Direct nadat je de hoorn had neergelegd, belde L's buurman om te zeggen dat L. almaar aan het rondstommelen was.

dinsdag 5 mei 2026

Fernando Pessoa • 6 mei 1920

• De enige liefde van de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935) was de twaalf jaar jongere Ophélia Queiroz, die bij hem op kantoor werkte. Hij schreef haar een groot aantal liefdesbrieven. Uit: Mijn droom is van mij. Brieven, dagboeken, beschouwingen (vertaald door Harrie Lemmens).

6 mei 1920
Lief klein baby’tje,
Dus mijn baby’tje trok bekken naar me toen ik langskwam? Dus mijn kleintje, die zei dat ze me gisteren zou schrijven, heeft mij niet geschreven? Dus baby’tje houdt niet van Nininho? (Niet vanwege de grimassen, maar vanwege het niet-schrijven.) Kijk, Nininha, en serieus nu: ik vond dat je er vrolijk uitzag vandaag, dat je goedgehumeurd leek. Ook lijkt het of je het leuk vond Ibis [= Pessoa] te zien, maar dat durf ik niet te zweren, uit angst me te vergissen. Drijf je nog veel de spot met Nininho? (A. de C.). Ik weet niet of ik morgen naar Belém ga; hoogst waarschijnlijk wel, zoals ik je al heb gezegd. In ieder geval weet je dat ik na half zeven niet meer kom, zodat je na die tijd niet meer op je Ibis hoeft te wachten. Heb je dat gehoort? [sic] Veel kussen en een arm om het middel van mijn baby.
Altijd en eeuwig jouw Fernando


maandag 4 mei 2026

Edmond de Goncourt • 5 mei 1877

Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, criticus en uitgever, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) (en na diens dood alleen) een beroemd geworden dagboek bij.

Zaterdag 5 mei
Gisteren, tijdens het diner ter gelegenheid van het vertrek van Toergenjev naar Rusland, hebben we over de liefde gesproken, over de liefde zoals er in boeken over geschreven wordt.
Ik zei dat tot nu toe de liefde niet wetenschappelijk in een roman was behandeld en dat wij er alleen maar de poëtische kanten van hadden laten zien. Zola, die het gesprek op dit onderwerp had gebracht om ons uit te horen met het oog op zijn nieuwe boek, beweerde dat liefde niet iets bijzonders was, dat de mensen er niet zo totaal door gegrepen werden als men het wel wil doen voorkomen, dat de symptomen die men erin aantreft, ook gevonden worden in vriendschap, in vaderlandsliefde enzovoorts, en dat de grotere intensiteit van het gevoel alleen maar wordt veroorzaakt door het vooruitzicht op de coïtus.
Toergenjev zei dat dat niet waar was, dat liefde een gevoel was met een heel bijzondere kleur en dat Zola zich ernstig vergiste, als hij die kleur, dat kwalitatieve verschil, niet wilde erkennen. Hij zei dat liefde een effect op de mens heeft dat door geen enkel ander gevoel wordt veroorzaakt en dat iemand die echt verliefd is, als het ware van zijn persoonlijkheid wordt beroofd. Hij sprak over een zwaarte in je hart die niets menselijks meer heeft. Hij sprak over de ogen van de eerste vrouw van wie hij gehouden had als over iets volstrekt onstoffelijks, iets wat in het geheel niets meer met de materie te maken had...
Een ongelukkige omstandigheid bij dit alles was dat noch Flaubert, ondanks al zijn opschepperij op dit gebied, noch Zola, noch ikzelf ooit heel zwaar verliefd zijn geweest en dat wij niet in staat zijn de liefde te beschrijven. Alleen Toergenjev zou het kunnen; maar hem ontbreekt nu juist weer de kritische zin die wij zouden kunnen aanwenden, als wij verliefd waren geweest zoals hij het is geweest.

zondag 3 mei 2026

Edmond de Goncourt • 4 mei 1871

Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, criticus en uitgever, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) (en na diens dood alleen) een beroemd geworden dagboek bij.

Donderdag 4 mei [1871]
Vanaf het stadhuis vertrokken om in een van de meer afgelegen wijken Jongkind op te zoeken. Ik ben een van de eersten die de verdiensten van de schilder gezien heeft, maar ik kende de man zelf nog niet.
Stel u voor een blonde reus met blauwe ogen, het blauw van Delfts aardewerk, en een naar beneden getrokken mond, terwijl hij aan het schilderen is in een gebreid vest en met een Hollandse schipperspet op.
Op zijn ezel heeft hij een schilderij van een Parijse voorstad, met een lemige rivieroever van een allerkostelijkste makelij. Hij laat ons schetsen zien van Parijse straten, van de wijk rond de rue Mouffetard, van de omgeving van de Saint-Médard, en het lijkt of daar de apotheose van de grijze en vlekkerige Parijse pleisterkalk, in de glans van de vochtige atmosfeer, door een tovenaar is vastgelegd. Daarna volgen voorstudies, kladjes op papier, fantastische beelden van lucht en water, een vuurwerk van de kleuren van de hemel.
Hij liet het ons allemaal heel goedig zien, terwijl hij een mengeling van Hollands en Frans brabbelde, waarin soms de bitterheid doorklonk van een groot talent dat 3.000 frank per jaar vraagt om te kunnen leven, een bedrag dat hij niet altijd bij elkaar had gekregen, zelfs niet in de tijd dat hij een schilderij van Bonington voor 80.000 frank van de hand had zien gaan. Maar direct daarop bedaarde hij weer en sprak hij met een trieste ondertoon over zijn kunst, zijn strijd en over zijn voortdurende zoeken, waardoor hij, naar zijn zeggen, ‘de ongelukkigste mens was die er rondliep’.
Intussen was er steeds een vrouw in zijn onmiddellijke nabijheid, die zich in woord en gebaar tegenover hem gedroeg zoals een moeder met haar kind omgaat, een vrouw die hem gered had van de honger en de waanzin. Zij was gedrongen en had zilvergrijs haar en een flinke snor; het was een engel van toewijding met het uiterlijk van een bordeelhoudster.
Het bezoek nam geruime tijd in beslag, het bekijken van de portefeuilles duurde verscheidene uren, Jongkind kwam los, hij wond zich op over de politiek van de Commune. Plotseling begon zijn spreken zich te verhollandsen en raakte hij in de war, zijn woorden werden heel vreemd en onsamenhangend. Er was sprake van agenten van Lodewijk XVIII, van afschuwelijke dingen waarvan de schilder getuige zou zijn geweest. Hij sprong ineens op, alsof er een veer in hem losschoot: ‘Daar ging een elektrische stroom vlak langs me heen, zag u wel.’ En met zijn mond deed hij het geluid van een fluitende kogel na. Hij ging weer zitten en begon opnieuw over de geheime politie, over mensen die hem wilden laten verdwijnen, enzovoorts. Het is treurig, het is afschuwelijk om te zien hoe deze talentvolle man, die al een keer uit de afgrond is teruggehaald, wankelend op het punt staat er opnieuw in te vallen bij het eerste het beste gesprek van enige duur, bij de minste prikkeling van zijn zenuwen, bij de minste inspanning van zijn hersenen.

Otto van Lidth de Jeude • 3 mei 1940

Otto van Lidth de Jeude (1881-1952) was een Nederlandse waterbouwkundige en politicus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in Londen. Hij was voorzitter van het Nederlandse Rode Kruis en vanaf 1942 minister van Oorlog. Over de periode 1940-1945 hield hij een dagboek bij.

3 Mei 1940
8 uur aankomst T. Pandang, afgehaald door Ir. van Hasselt. Hij deelt mede, dat Ir. van Capelle is ontslagen, omdat hij, evenals zijn vrouw, verwoed N.S.B. is. Ik acht dit een wijs besluit, mede met het oog op de houding van de N.I. Regeering. Mr. Brons te Batavia, waarover ik op 14 Maart schreef, is in dienst gehouden, omdat hij mededeelde, dat hij den N.S.B. had afgezworen en met de mededeeling, dat indien hij zich daarmede te eeniger tijd zou bemoeien, dan onmiddellijk ontslag zou volgen.
In Nederland werd het standpunt ingenomen, dat N.S.B.-neigingen geen reden voor ontslag waren, zoolang daarvan in den dienst geenerlei hinder of nadeel werd ondervonden. Dit standpunt wordt in Ned. Indië, waar met geheel andere omstandigheden is rekening te houden , niet houdbaar geacht en dient een veel strengere maatstaf te worden aangelegd. Zonder hierop uitvoerig in te gaan, wordt eraan herinnerd, dat het bestuur van Nederlandsch-Indië door de Nederlandsche autoriteit ernstig geschaad zou worden, indien daarbij een diepgaand verschil van politiek inzicht tusschen de Nederlanders aan den dag zou treden, terwijl bovendien toelating en doorvoering van totalitaire beginselen weinig goeds voor de inlandsche bevolking voorspelt hetgeen tot vérgaande consequenties zou kunnen leiden.
[...]
Een als steeds voortreffelijke rijsttafel bij Ir. van Hasselt met Van den Broek, Van Kuyk, mej. Bijl, de secretaresse, die Van den Broek uit Holland heeft medegenomen, een beschaafd, bescheiden meisje, de dochter van den gezagvoerder van de Nieuw Amsterdam, die voor de correspondentie en administratie bijzonder nuttig is. Haar zuster is getrouwd met een zoon van Weiter, die in Batavia gevestigd is. Zij is in Den Haag werkzaam op de Billiton Mij en kent dus alle ins and outs van het kantoor, hetgeen voor Van den Broek een groot gemak is, weshalve hij haar ook medegenomen heeft. Na den rijsttafel keeren wij aan boord van het M.S. Siberg terug om 3 uur, teneinde den reis naar Singkep voort te zetten. Aan boord ten afscheid aanwezig Ir. van Lier en Dr. Leeuwenburgh met echtgenoote. Ir. van Hasselt zal ons op den verderen reis vergezellen.

Beb Vuyk • 2 mei 1945

• De Nederlandse schrijfster Beb Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.

Begin mei 1945
Vandaag was het broodje bijna niet eetbaar, weinig maïs, veel cassave, zuur en onsmakelijk. Ons dagelijks brood, letterlijk in het zweet ons aanschijns verdiend. ik zeg tegen Rudi dat ik op pay-day ragi [zuurdesem] zal kopen, waarmee we gegiste broodpap kunnen maken. Mijn overbuurvrouw biedt mij een ragi-bolletje aan en ik gebruik mijn laatste schepje suiker om de gisting op gang te brengen.

Het is een ongewone geste in dit milieu, want hoewel we alleen gescheiden door een gangpad van krap drie meter overburen zijn, kennen we zelfs elkaars namen nog niet. We zeggen alleen goedemorgen bij het wakker worden, daar blijft het bij. Tot een gesprek zijn we nog niet gekomen; door mijn tuinwerk ben ik weinig in de hut.

Ze is een wat oudere vrouw, ik schat haar op even in de vijftig, maar daar informeer ik niet naar. Altijd als ik met een van de vele anoniemen praat, stel ik geen persoonlijke vragen. Tenslotte zijn wij net als wrakhout aangespoeld aan een barre kust, met de kans dat een nieuwe golf ons weer uit elkaar drijft.


Deze keer praten we wel nog wat na, terwijl ik de ragi behandel Ze werkt niet want ze heeft een achterlijk dochtertje van een jaar of zestien, een stil introvert kind dat weinig zegt en alleen heel verlegen lacht als ze aangesproken wordt. Ze heeft geen aansluiting bij de meisjes van haar leeftijd, die allemaal werken. De moeder vertelt mij dat zij zelf graag zou willen werken, maar ze durft het kind niet onbeschermd in de hut achter te laten. Ze wandelt veel met haar; beweging hebben ze beiden nodig.

'In de hut praten ze alleen maar over geruchten. De mensen hebben veel te weinig te doen,' klaagt ze. Er zijn een stel oude vrouwen, stakkers, zwak en ziekelijk, en moeders met nog hele kleine kinderen en echte zieken met koorts, maar niet hoog genoeg om naar het hospitaal overgebracht te worden. Geruchten over landingen in alle grote havensteden van Java en Sumatra en over dingen die het kamp onmiddellijk treffen. We zullen nóg minder brood krijgen en kleinere porties rijst. Er is een grote groep nieuwelingen op komst, voor wie we moeten opschuiven. En het allernieuwste: we krijgen Rode-Kruispakketten. Dat is wel het meest onwaarschijnlijk, daar zijn we het over eens. Het vorige jaar hebben wij een keer een Rode-Kruispakket gehad. Dat was in Kareës, toen ik nog tot de kongsi An, Chris, Beb en kinderen behoorde. Dat was in mei dat we ze kregen, precies op Hans' verjaardag, en nu is het weer mei. Hiermee meen ik de oorsprong van het gerucht getraceerd te hebben en ik vertel het mijn buurvrouw. Meimaand, Rode-Kruismaand, zo ontstaat de kampfolklore.