woensdag 30 december 2015

Evelyn Waugh -- 31 december 1932

Evelyn Waugh (1903-1966) was een Britse schrijver. In 1932-'33 maakte hij een reis door Brits-Guyana en Brazilië, waar hij het boek 92 dagen over schreef.

December 1932
Een warme zon, rustig water, een zwakke wind in de rug. Na een week met ruwe zee was het eindelijk mogelijk te schrijven. De passagiers, die tot nu toe onzichtbaar waren, doken op en begonnen met dekspelen. Er was geen muziekband. Het schip was klein, oud en traag, een vrachtboot met een paar passagiers waaraan weinig aandacht werd besteed. Pas toen de zee kalm werd, zag je hoe traag het schip was. Met een comfortabeler schip had je in Trinidad moeten overstappen op een andere boot. Het reisgezelschap was waarschijnlijk kenmerkend voor deze route: drie of vier planters die terugkeerden naar de eilanden, mannen die er ouderwets uitzagen, met magere, bruine gezichten en zware horlogekettingen; twee dominees, één blank en één zwart en allebei minzaam; twee Engelse dronkelappen die deze 'rondvaart' voor hun gezondheid maakten en die beiden een slecht humeur hadden als zij nuchter waren; enkele onopvallende vrouwen met uiteenlopende huidskleur die op weg waren zich weer bij hun echtgenoot te voegen of een broer te bezoeken; een aardig Engels gezin op vakantie, dat elke dag van hun winter zorgvuldig van tevoren had gepland; een elegante jonge negerin met paarse lippen, een enigszins excentrieke jongeman van de Filippijnen die een zwak had voor eilanden. Slechts een paar gingen helemaal mee naar Georgetown.
Iets deprimerenders dan de eerste nacht van deze reis heb ik als volwassene nog nooit meegemaakt. Wij voeren af van de haven van Londen. Het was intens koud; de verwarming was kapot en de bar was gesloten tot we op zee waren. De meeste mensen hebben wel een reden om triest te zijn als het vertrek een feit wordt. In de schemering werd een sloepenrol gehouden; terneergeslagen en elkaar wantrouwende passagiers defileerden in rijen langs de haveloze en rillende Brits-Indische matrozen; wij waren overal omgeven door grauw water en grauwe fabrieken langs de Theems. Dat was het dieptepunt van de reis; alles wat erna kwam was vakantie.
Dat wil zeggen, voor diegenen onder ons die geen last van zeeziekte hadden. Vanaf het moment dat wij in het Kanaal kwamen tot een dag voorbij de Azoren, rolde en slingerde de boot ontzettend. Behalve zeeziekte, zijn er nog vele andere nadelen aan ruw weer verbonden: het lawaai is voortdurend aanwezig, elke beweging wordt een zware inspanning, slapen is moeilijk, de stewards worden luimig. Een gunstig gevolg van ruw weer is evenwel dat de kinderen zich rustig houden; want het is algemeen bekend dat kinderen op zee en bij mooi weer een van dc ergste beproevingen van de reiziger vormen. [...]

dinsdag 29 december 2015

Derek Jarman -- 30 december 1982

Derek Jarman (1942-1954) was een Britse filmmaker, schilder en schrijver. In Dancing Ledge beschrijft hij een deel van zijn leven in dagboekvorm.

26 december 1982. Monteverde, Tuscania
All through Christmas, spent in this old farmhouse high on a windy hill in Tuscany, I have told myself I must begin recording the labyrinthine saga of the Caravaggio film - 1.30 and the family has left for a hunters' lunch with the contadini, who have been chasing wild boar all morning through the maize fields and woods along the banks of the Ombrone, which glitters below. The first sporadic bursts of gunfire were to be heard at sunrise, and upon coming down for breakfast I found the maid, Zara, in tears: her dog had just died. Shot, I thought, like the butcher last year, by some local cowboy. As she brushed back the tears she told me her 'darling' had had a heart attack at the ripe age of fourteen, over-excited by the traditional Saint Stephen's Day massacre.

Six days ago, when Nicholas Ward Jackson, producer of the Caravaggio film, and I left very early in the morning for Rome, we had hoped to have the contracts signed by the Italian co-producers before the turn of the year... Nothing that I've worked on has ever produced such problems as this life of Caravaggio. Everyone is excited by it and everyone is suspicious. Friends find two years of delays perplexing, the lack of funds annoying. Why lose yourself in the chiaroscuro? Films about painters end up pleasing nobody; there is a visionary tug-of-war from which neither artist nor film-maker emerges victorious.

Michele C. (painter, 1572-1610)
Had Caravaggio been reincarnated in this century it would have been as a film-maker, Pasolini. It's impossible to have a conversation about the film in Rome without Pier Paolo's name being mentioned. Today Michele C. would toss his brushes into the Tiber and pick up Sony's latest video, as painting has degenerated into an obscure, hermetic practice, performed by initiates behind closed doors. There is a remarkable lack of emotional force in modern painting. Who could shed a tear for it now? But you can weep at Pasolini's Gospel According to Matthew, and Ricotta can make you laugh. In 1600, who knows, painting might have evoked the same immediate response. Of course Pasolini painted very badly.

30 december. The 'star' over Bedlam
A tabloid, the Star, has devoted its front page to an attack on Channel Four for its policy of buying certain 'gay' films, Nighthawks and Sebastiane, particularly the latter. 'It must not be shown on television.'
When he first met me last March, Jeremy Isaacs, the director of Channel Four, said that although they had bought my films they would probably never show Sebastiane. I was surprised when he said it would be too 'controversial'.
Nicholas has not rung from Rome and the article won't make the launching of Caravaggio any easier.

31 december
Today the Telegraph printed a statement trom Channel Four denying that they intended to show either Sebastiane or Nighthawks. They explaied that they had been bought as part of 'a package'. Times change. Last week they completed the show print tor transmission.

Adriaan Morriën -- 29 december 1951

Adriaan Morriën (1912-2002) was een Nederlandse schrijver. In Ik heb nu weer de tijd zijn ook dagboeknotities van hem opgenomen.

29 december. Na afloop van zijn lezing over Kafka in een bovenzaaltje van het Parkhotel met Aimé (van Santen) naar een café in de Leidsestraat. Gesprek over Tsjechoslowakije, waarover hij zich zeer voorzichtig uitlaat en met samenzweerdersmanieren spreekt. Verlangen zijn leven tot enkele ‘principes’ te herleiden. Afrekening met het marxisme, die nooit een volledige verloochening kan zijn. Pessimisme. Als ik Europa nog tweehonderd jaar geef, kijkt hij verwonderd op. Wanneer ik over Alissa begin te spreken, over haar mogelijke verveling later, waarvoor ik mij nu al verantwoordelijk voel omdat ik haar vader ben, haar heb ‘verwekt’, de dood die ik nu al in haar zie, legt hij mij ontzet het zwijgen op. Daarover spreek je niet, schrijf je hoogstens. Een typische schrijversreactie? Ik denk aan wat Léautaud daarover in de Entretiens met Robert Mallet zegt. Ook ik kan over verschillende dingen niet spreken met mensen met wie ik te intiem ben, vroeger mijn ouders, mijn zuster, nu mijn vrouw. Wel met buitenstaanders, die niet helemaal vreemden zijn. Behoor ik voor Aimé niet tot de buitenstaanders? Maar met buitenstaanders zou hij er waarschijnlijk bij voorbaat over zwijgen, omdat het hun niets aangaat. Aan de andere kant: hoe snel word je intiem met sommige mensen die geen ander beroep op ons doen dan dat van het ogenblik, een toevallige, vluchtige ontmoeting.

Op de veertiende jaarvergadering van De Bezige Bij. Koud boottochtje naar het Kalfje. Mok, minder verkommerd dan toen ik hem voor het eerst zag, vóór de oorlog, maar nog altijd met een verongelijkt gezicht, waaraan enige voldaanheid en spraakzame gezapigheid is toegevoegd. Klein muizengezicht met randloze bril, grote kromme, handvatachtige neus, borstelig snorretje, stevige, te rode, wellustige lippen, neergetrokken mondhoeken, nu en dan tics om de mond. Altijd bereid te discussiëren. Veralgemeent op doorzichtige wijze persoonlijke verlangens en grieven. Het lijkt mij duidelijk dat het hem niet goed gaat, dat hij ontevreden is, zich miskend voelt. Tegelijk heeft hij iets heel directs, amicaals, een zeker gemak om snel contact te maken, wat ik hem allemaal een beetje benijd. Meyers zou voor Voltaire kunnen spelen, wanneer de ironie op zijn gezicht wat minder bewolkt zou zijn. Men ziet op het eerste gezicht dat hij een kwaal heeft. Ik vraag hem waar zijn dochters zijn. Alledrie getrouwd: de ene met een Fin, de andere met een Engelsman, de derde met een Fransman. ‘Laat ik je zeggen, Morriën, dat het niet meevalt.’ Gezegd op zijn luide, voor ieder verstaanbare, geaffecteerde en toch oprechte toon.
Clara Eggink, die voortdurend lacht, misschien om er jonger uit te zien. Tijdens de lezing van Aimé zat ik naast haar en zag haar van terzijde aan, terwijl ze leek in te dommelen en met iedere ademtocht ouder en ouder werd. Het gezicht viel in fragmenten uiteen (de ene, scherpomlijnde neusvleugel die ik kon zien, bijvoorbeeld), het poeder dat de rimpels zichtbaar maakte als door een dactylografisch procédé; het haar, mooi van tint nog, maar niet zo vol als het geweest moet zijn en met krulletjes die het krulijzer niet doen vergeten. Toch, door haar volheid (op zichzelf een gevaar) nog begeerlijk. In het Kalfje zag ik haar bij de kachel staan, zonder mantel, en profil, met overvolle borsten die de bustehouder onweerstaanbaar omlaagtrokken, met ronde buik, maar nog mooie rechte schouders, slanke hals en meisjesachtige hoofdstand. Is de manier waarop zij soms haar hoofd vogelachtig schudt alleen maar een manier? Goede schedelvorm, heel lichte ogen. Haar huid doet nog aan zon denken. Armen en benen waarschijnlijk gaaf met sluitende huid. Of bedriegen de mooie kousen van netnylon? In elk geval een warmtebron. Ook iets fideels, flinks, de knoop doorhakkends, ‘mannelijke’ karaktertrekken die de begeerte kruiden. Rookt veel, maar weet haar vingertoppen schoon te houden.

Mijn houding tegenover Alissa te pathetisch? Snel tot medelijden bewogen, wat ook uit mijn stem, mijn manieren moet blijken. Beter om opgewekt te schijnen? Voortdurende angst voor haar ziekte. Objectloze woede en wrok. Zelf en uitsluitend verantwoordelijk voor haar bestaan. Ouderlijke schuld. Verlangen naar haar volwassenheid, alsof zij mij dan pas van mijn schuld bevrijdt, de verantwoordelijkheid zelf op zich neemt. Ik zie werkelijk de dood in haar en dat maakt mij bang. Ziekte en dood zijn tegenover kinderen op geen enkele wijze verklaarbaar of aannemelijk te maken. Het leven: een toestand waartoe wij door onze ouders, zonder enig recht, worden veroordeeld. Enig motief: ouderlijk egoïsme.
Hoeveel reeds in het kind van de vrouw. Een halsketting maakt de toekomst zichtbaar. Nu en dan bakvisachtige pudeur (zoals vanmiddag tegenover bezoek). Zij kent haar vrouwenrol blijkbaar nu al, heeft hem spelenderwijs geleerd. Merkwaardige, samengestelde, soms gesluierde oogopslag. Instinctief besef van het historisch belang van het opslaan van de oogleden.
De gedachte aan mijn vertrek, woensdag, benauwt mij.

Echte winter lijkt op zomer. Spanning van het zonlicht, waaraan een kaal landschap misschien meer recht doet wedervaren dan een zomers.

Nachtstilte. Het suizen in mijn oren, dat mij als een netwerk van de volkomen stilte scheidt.

De dood: het ophouden van het bewustzijn en als zodanig onvoorstelbaar. Men sluimert in met of zonder pijn, schrikbeelden, dromen, geluiden. Strijd om een laatste tel besef, om nog heel even wakker, helder te zijn.

maandag 28 december 2015

Cosima Wagner -- 28 december 1881

Cosima Wagner (1837-1930) was de echtgenote van de Duitse componist Richard Wagner. De fragmenten uit haar dagboeken die handelen over Friedrich Nietzsche, zijn verzameld in Nietzsche contra Wagner.

28 december 1881
Helaas voelt R.[ichard Wagner] zich niet zo lekker, het menu was niet goed gekozen vandaag; God weet door welke samenloop van omstandigheden, maar als we ’s avonds bij elkaar zitten en hij begint te vertellen over München en onder andere de koets die de koning toentertijd liet maken, ontsteekt hij in woede over de beeldende kunst en de beoefenaren daarvan; hij beschrijft hoe zij, Gedon, Lenbach, als kinderen zo blij waren over deze gouden koets, terwijl hij met zijn plannen in de steek werd gelaten. Dat deze beeldende kunstenaars in rang meteen na de courtisanes komen. ‘Maar zelfs iemand als mijn moeder is nog in staat zich over zoiets als een koets te verheugen.’ – Ik weet maar al te goed dat wanneer hij zo heftig en kwaad wordt en de een of de ander probeert te kwetsen, het onbehagen bij hem de overhand heeft en dat alles wat men zegt, ook al is het bedoeld om hem tot bedaren te brengen, slechts olie op het vuur is: ik trek me dus voor een poos terug. Hij komt even later na, is al gauw gekalmeerd, verklaart zijn maar al te gegronde redenen tot bitterheid en we spelen een spelletje whist, nadat ik me, wat de omgang met mensen betreft, heb verontschuldigd voor het feit dat ik het vermogen mis om op elk moment de slechte ervaringen voor de geest te halen; dat ik me bijvoorbeeld van Nietzsche enkel zijn vriendelijke kanten herinner, evenals van Lenbach, Gedon etc. R. zegt dat dit het gevolg is van mijn opvoeding, van de invloed van mijn biechtvader, de latere bisschop, aan wie ik de ‘vrome blijmoedigheid’ heb te danken.

Friedrich Hebbel -- 27 december 1846

Friedrich Hebbel (1813-1863) was een Duitse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands verschenen als Een blinde bij zonsopgang.

27 december
Heden de 27ste december 1846, de zondag na Kerstmis, te tien minuten voor twee in de namiddag, heeft mijn dierbare echtgenote mij een gezond kind van het mannelijk geslacht gebaard dat we, omdat het immers ook een meisje had kunnen zijn, al een tijd terug schertsenderwijs de naam Ariel hadden gegeven. De eerste weeën traden op om half twaalf, het was dus een snelle en voorspoedige bevalling, ofschoon zo zwaar dat ik op het laatste moment niet in staat bleek mijn bittere tranen te bedwingen. Op dit moment is het zeven uur in de avond en de kraamvrouw voelt zich zo wel als het maar enigszins mogelijk is. Hetzelfde geldt voor het kind. Moge het zo blijven.

zaterdag 26 december 2015

Jervis McEntee -- 26 december 1883

Jervis McEntee (1828-1891) was een Amerikaaanse schilder. Hij hield van 1872 tot 1890 een dagboek bij.

Wednesday, Dec 26, 1883 We took a long and beautiful sleigh ride after breakfast. Two or three inches of snow fell last night and this with the hoar frost which still remained made a most fairy like landscape. Sara, Gussie, my father and I drove up to Kingston where we got Louise Broadhead and Frank and drove out to the Aunt Katrine cross road and came home by Flat-bush, a most beautiful ride, which we all enjoyed thoroughly. Sat down to a nice dinner and I went to N.Y. by 4.32 W.S. train. Arrived at my studio I found a note from Booth expressing great dissatisfaction that Downing had called at his house and requested to see Edwina. This made me almost sick. I hurried over to Vauxs and found a card on the door asking callers not to ring the bell as Mrs. Vaux was ill. Went in and saw Calvert & Marion and found Mary had a renewal of her Erysipelas, but was better. Showed Calvert and Marion Booths note which dumbfounded them. It was decided that I should go to Yonkers where Downing is, on the New Aqueduct work. Found I could not get back that night. Went to Getty House. Downing had gone out in his dress suit. Left a note for him and went to bed. He came in after an hour and awoke me. I had a serious talk and found him perfectly cool and as I felt pretty sound. He said he demanded from them an interview in order to vindicate himself from the calumnies going about concerning him which he felt was prejudicing them unjustly. He defended himself with spirit and I urged him to keep away from them to which he would not promise, but adhered to his right to demand of them, together if they preferred, a meeting and a hearing. I confess I could not help seeing a sense of justice in this while I advised as a more dignified course to let time be his vindication, and so we went to our respective beds.

Koos van Zomeren -- 25 december 2004

Koos van Zomeren (1946) is een Nederlandse schrijver. In Nog in morgens gemeten werkt hij dagboekaantekeningen uit 2003/2004 uit.

25 december Ik heb mijn vader en moeder opgehaald uit Zuid om bij ons (met Daan & Wendy en Jan & Rian) te eten. Nog een week, dan begin ik aan een nieuw boek (dit boek) en ik voorzie dat ik dan algauw gewag zal willen maken van de eerste mensen over wie ik in mijn leven hoorde zeggen dat ze dood waren. Dus even wat checken.
De naam had ik goed (ome Berend). De relatie had ik ook goed (een broer van mijn grootmoeder, de Carmiggelt-kant). Zelfs de locatie had ik goed (het spoorwegviaduct tussen Arnhem en Oosterbeek). Maar de toedracht had ik fout (hij is niet door de Duitsers uit de bus gehaald en doodgeschoten).
Wat mijn moeder daar, diep in haar geheugen tastend, over te zeggen had: hij was schoenmaker in de Broekstraat en hij preekte voor zekere kerkgemeenschappen (er zit een apostolische afwijking aan die kant van de familie - ja, dat zei mijn moeder niet, dat zeg ik). Die zondagmorgen was hij op de fiets op weg om te gaan preken in Wageningen. Zondag 17 september 1944, de eerste dag van de Slag om Arnhem. Hij is tussen de strijdende partijen geraakt, de oprukkende Engelsen aan de ene kant, de verraste Duitsers aan de andere, en verdwenen.
Verdwenen? Dagen? Weken? Maanden?
'Misschien wel jaren,' zei ma aarzelend. Toen hoorde Martina, een dochter van ome Berend (en net als mijn moeder vernoemd naar haar oma), bij de kapper vertellen dat er destijds mensen provisorisch begraven waren in het spoorwegtalud. Zo werd hij uiteindelijk teruggevonden. (Dat is me ook een verhaal, 's Avonds duik ik al in de telefoongids om te zien of er in Arnhem nog Carmiggelts over zijn.)

donderdag 24 december 2015

Harmen Meijndertsz van den Bogaert -- 24 december 1634

Harmen Meijndertsz van den Bogaert (1612-1648) was een Nederlandse zeeman die in 1634 te maken had met indianen die in Nieuw Nederland (waar nu New York is) leefden. Zijn journaal uit die tijd is opgenomen in Indianenverhalen.

Adi :24: ditto
Wesende sonnendach, soo sach Ick in een huijs een persoon die sieck was. Dese hadden bij hem ontbooden 2 van haer Meijsters die hem souden cunnen genesen die sij sunachkoes hieten. Ende met dat die quaemen begonsten te singen ende een groot vier [vuur] aen te legen. Deden het huijs rontom wel dicht toe maecken dat daer geen wint in conde coemen ende doen deden ider van haer een slangevel om haer hooft ende wossen haer handen ende aengesicht. Naemen doen den siecken persoon ende leijdcn hem doen voor dat Groote vier. Naemen een back met waeter daer sij wat medecijn in deden, wossen doen een stock daer in 1/2 elle langh ende staecken haer daer mede in den keel dat men daer geen endt van sien conden ende spoogen doen den patienten op sijn hooft ende over sijn heele lijf. Ende doen hadden sij seer veel parten ende grillen [streken en kuren] met roepen en rasen, inde hande te clappen gelijck haer manier is met veel bewijsen dan op het een ende dan op het ander dingh dat sij sweeten dat haer dat sweet van alle canten afloopt.

dinsdag 22 december 2015

Henry David Thoreau -- 23 december 1841

• Henry David Thoreau (1817-1862) was een Amerikaans essayist, leraar, sociaal filosoof, natuuronderzoeker en dichter. Fragmenten uit zijn dagboeken zijn hier te lezen. Meer hier.

23 December 1841
The best man’s spirit makes a fearful sprite to haunt his tomb. The ghost of a priest is no better than that of a highwayman. It is pleasant to hear of one who has blest whole regions after his death by having frequented them while alive, who has prophaned or tabooed no place by being buried in it. It adds not a little to the fame of Little John that his grave was long “celebrous for the yielding of excellent whetstones.”

A forest is in all mythologies a sacred place, as the oaks among the Druids and the grove of Egeria; and even in more familiar and common life a celebrated wood is spoken of with respect, as “Barnsdale Wood” and “Sherwood.” Had Robin Hood no Sherwood to resort [to], it would be difficult to invest his story with the charms it has got. It is always the tale that is untold, the deeds done and the life lived in the unexplored secrecy of the wood, that charm us and make us children again,—to read his ballads, and hear of the greenwood tree.

maandag 21 december 2015

Luuk Gruwez -- 22 december 1996

• Luuk Gruwez (1953) is een Vlaamse schrijver. In Het land van de wangen kijkt hij terug op episodes uit zijn leven. Het hart van het boek vormen de dagboeknotities die hij enige jaren bijhield naar aanleiding van zijn bezoeken aan zijn steeds verder aftakelende grootouders.

Deerlijk, 22 december
1996 Om kwart voor elf heb ik het eten voor Liesje klaar: een Zwitserse schijf die ik in brokjes heb gesneden, wat geplette aardappelen, broccoli. Zij heeft haar gebit niet in, waardoor het eten uiterst moeizaam verloopt. Ik probeer het bovenstuk alsnog in haar mond te passen, maar dat lukt me niet. Dan maar zo, al vergt dat heel wat geduld. Bovendien hamstert zij. Drie kwartier na de maaltijd heeft zij nog altijd bolle wangen. Ik duw mijn wijsvinger in haar mond, haal er een leeggezogen vleesprop uit: dit heeft ooit een varken toebehoord.
Intussen roept Knor vanuit zijn fauteuil: ‘Luuk, ’k weet het weer, dat liedje waarvan da’k u gisteravond sprak.’ Op de melodie van ‘O denneboom’ begint hij te zingen: ‘O winter-time, cold winter-time...’ Hij verhaspelt hier en daar een regel, zegt: ‘Ooit heb ik het beter gekund.’

Na de siësta: ‘Onze-Lieve-Vrouwe, die is niet van Palestina, maar van Turkije. Wist gij dat? En weet gij ook waarom dat zij met dien Jozef getrouwd is? Aja, vrouwen die vol zaten en die niet getrouwd waren, die werden toch gestenigd? Wist gij dat dan niet?’
Liesje, in bed, geeft geen krimp.
‘Ik zie daar geen leven meer in,’ zegt hij.
Ik: ‘Waarin?’
Hij: ‘In uw grootmoeder verdomme.’
Drie keer loeit hij haar naam. Dan pas zegt zij ja.

zondag 20 december 2015

Adriana Modoo -- 21 december 1942

• Adriana Modoo (1902-?) was in 1942 onderwijzeres in Djokjakarta. Net als alle andere Nederlanders werd ze na de Japanse bezetting geïnterneerd in een kamp. Van de jaren in het kamp hield ze een dagboek bij, waaruit fragmenten zijn opgenomen in De Japanse bezetting in dagboeken. Vrouwenkamp Ambarawa.

21 december 1942
Het zal er inderdaad van komen: vandaag hebben vele vrouwen (volbloed Hollandse) een oproep gekregen om woensdag [23 december 1942] op het kantoor van de Nipponse bestuursinstanties te komen. Ik behoor ook tot de uitverkorenen. Dan zullen we dus vernemen, waarheen we getransporteerd zullen worden. Vrouwen, waarvan de man nog thuis is, hebben geen oproep ontvangen.

22 december 1942
Vandaag hebben de overige totokvrouwen dezelfde oproep gekregen voor aanstaande donderdag.

30 december 1942
Hier zitten we nu in 'het kamp', 80 kilometer van Djokja, 40 kilometer van Magalang en even ver van Semarang. Ut zal zo regelmatig mogelijk vertellen hoe alles gegaan is. Verleden week woensdag verzamelden de circa 100 dames van de eerste groep zich in de hal van het Nippons Gouvernementsgebouw. Op de bepaalde tijd moesten we naar binnen, waar we één voor één opgeroepen en van een genummerd lapje voorzien werden, waarmee we ons naar een van stoelen voorzien zaaltje moesten begeven. Hier ontvingen we een stel gewichtig uitziende formulieren. Toen allen binnen waren, kwamen er enige Nippon en Javanen binnen. De Nippon beklommen het podium. Wij moesten allemaal opstaan en een buiging maken, die door de heren plechtig beantwoord werd waarop de hele vergadering ging zitten, op één Nip na. Dezelfde bij wie ik eind augustus [1942] op bezoek geweest ben om te solliciteren. Deze hield een zeer schone redevoering in de Japanse taal, waarvan we natuurlijk geen syllabe verstonden.
Eén der Javanen, die in Boven-Digoel geïnterneerd geweest is, in Holland gestudeerd heeft voor advocaat en dus uitstékend Hollands kent, deed daarna hetzelfde verhaal in het (Hoog)Maleis, wat de zaak uiteraard slechts weinig duidelijker maakte. Wel verstonden we, dat we naar een plaats in de residentie Semarang gebracht zouden worden. Tenslotte verscheen de Hollandssprekende Nip op het toneel, die zich bereid verklaarde allerlei vragen van ons te beantwoorden. Toen weer een buiging en naar huis.
Nou, dat was woensdagochtend en donderdagochtend om half 7 moest onze grote bagage aan de trein zijn. Op zaterdagochtend moesten we zelf vertrekken. De omvang van de toegestane bagage stond in verband met de grootte van het gezin en bestond voor ons uit: een kast, een buffetje, twee bedden, twee koffers, twee emmers. Zaterdags konden we als handbagage meenemen wat we zelf konden dragen. [...]
't Is te begrijpen, dat er van slapen die nacht niets kwam. We hadden er eenvoudig geen tijd voor: de ledikanten waren namelijk al uit elkaar genomen en verpakt, de klamboes in de kast gestopt, in gezelschap van zoveel mogelijk boeken. We hebben nog wel een paar uur op de grond op onze matrassen gelegen, maar van slapen kwam niets. Daar zorgden de muskieten wel voor! Om 5 uur kwamen de bedienden (sinds ik weer wat verdiende, werkte de zoon van koki [de kokkin] ook bij ons, dat vond ik een veiliger idee als ik van huis moest) weer binnen. En toen 't daglicht verscheen, stond alles klaar om naar 't station gebracht te worden. Mijn spiegelkast ging zo maar mee, oningepakt, terwijl anderen hun kasten helemaal met matten hadden omwikkeld, dus ik hield mijn hart vast voor de spiegel, maar hij is heelhuids overgekomen. Het gekke was dat ze ons maar steeds niet wilden zeggen waar we heen gingen, ze zeiden alleen: naar een plaats met een koel klimaat. De naam Ambarawa deed echter hardnekkig de ronde.

Robert Falcon Scott -- 20 december 1911

Robert Falcon Scott (1868–1912) was een Brits marineofficier en ontdekkingsreiziger, die beroemd is geworden als leider van twee expedities naar Antarctica. Tijdens zijn tweede expeditie kwam hij samen met zijn vier metgezellen om het leven. Het onderstaande fragment komt uit zijn expeditiedagboek. De vier mannen uit dit fragment die Scott terugstuurt, overleefden de tocht, in tegenstelling tot Scott zelf.

Wednesday, December 20
Camp 42. 6500 feet about. Just got off our last best half march--10 miles 1150 yards (geo.), over 12 miles stat. With an afternoon to follow we should do well to-day; the wind has been coming up the valley. Turning this book** seems to have brought luck. We marched on till nearly 7 o'clock after a long lunch halt, and covered 19 1/2 geo. miles, nearly 23 (stat.), rising 800 feet. This morning we came over a considerable extent of hard snow, then got to hard ice with patches of snow; a state of affairs which has continued all day. Pulling the sledges in crampons is no difficulty at all. At lunch Wilson and Bowers walked back 2 miles or so to try and find Bowers' broken sledgemeter, without result. During their absence a fog spread about us, carried up the valleys by easterly wind. We started the afternoon march in this fog very unpleasantly, but later it gradually lifted, and to-night it is very fine and warm. As the fog lifted we saw a huge line of pressure ahead; I steered for a place where the slope looked smoother, and we are camped beneath the spot to-night. We must be ahead of Shackleton's position on the 17th. All day we have been admiring a wonderful banded structure of the rock; to-night it is beautifully clear on Mount Darwin.

I have just told off the people to return to-morrow night: Atkinson, Wright, Cherry-Garrard, and Keohane. All are disappointed--poor Wright rather bitterly, I fear. I dread this necessity of choosing--nothing could be more heartrending. I calculated our programme to start from 85 deg. 10' with 12 units of food and eight men. We ought to be in this position to-morrow night, less one day's food. After all our harassing trouble one cannot but be satisfied with such a prospect.



** In the pocket journal, only one side of each page had been written on. Coming to the end of it, Scott reversed the book, and continued his entries on the empty backs of the pages.

Jens Gerdes -- 19 december 1992

Jens Gerdes was in 1992 15 jaar. Fragmenten uit zijn dagboek van toen zijn opgenomen in een Duitse bloemlezing van dagboekfragmenten van jongeren.

Samstag, 19.12.1992
Immer noch kein Weihnachtsfeeling.

Ich habe keine Ahnung, was ich mit diesem Abend noch anfange. Wäre zu cool, wenn Denni noch anrufen würde, wegen Disco. Ich glaub’s aber nicht. Eigentlich ist heute nämlich auch wieder ein Tag, an dem ich mir nicht die Kante geben darf. Sonst laber ich wieder so viel Scheiße, die ernst gemeint ist. Bekloppt, oder?
An unserer Schule ist wieder 'ne Mieze, die tierisch gut aussieht. Ich musste heute ein paar Mal an sie denken, glaub' aber nicht, dass ich verknallt bin. Außerdem habe ich mir ja geschworen, erstmal 'ne geraume Zeit mich nicht mehr zu verlieben. Und wer weiß, wie jung die wieder ist. Langsam glaube ich, dass ich mich vor Minderwertigkeitskomplexen nicht mehr an Gleichaltrige 'rantraue. Aber andererseits sehen die in meinem Alter entweder scheiße aus oder sind zu beliebt (Warteschlange).

Aber ich glaub echt, dass ich Minderwertigkeitskomplexe hab. Das merkt man besonders dann, wenn ich blau bin. Irgendwie muß ich dann dauernd im Mittelpunkt stehen. Und wenn ich nüchtern bin, verstehe ich es nur ziemlich gut, das zu verstecken. Aber wenn mal jemand was Negatives zu mir sagt, oder einfach nur aus irgendeinem (nichtigen) Grund nicht mit mir spricht, bin ich gleich verletzt, auch wenn ich das nicht offen zeige. Ich glaube, dass Frederik auch nicht unbedeutend schuld daran ist. Ich tu fast alles, um bei ihm gut dazustehen, sogar meine Meinung läßt sich irgendwie von ihm beeinflussen. Ich bin total links, aber wenn er vor mir zum Beispiel seine rechten Witze reißt, lache ich lauthals los. Ich kritisiere sogar dauernd an mir rum und ändere mein Verhalten, um ihm zu gefallen.

Als ich neulich blau war, erzählte ich ihm, Denni habe gesagt (stimmt!), er wäre nur solange nett und freundlich zu mir und hielte mir den Platz frei, wie ich genug zu trinken hätte. Er stritt alles ab und beteuerte, er würde doch auch sonst immer mit mir rumlaufen und voll oft mit mir zusammen sein. Tatsächlich bin ich irgendwie voll stolz, wenn ich mit ihm durch die Schule laufe. Ich glaube, wegen ihm fange ich tatsächlich noch mal an zu rauchen, um bei ihm dabei zu sein, wenn er in der Pause mit Kalle Baumann und Co. hinterm Fahrradständer „erst mal eine durchzieht".

Hoffentlich kommt es nicht so weit. Das krasse Gegenbeispiel dazu sind Matze König und Co., obwohl auch rauchend. Aber die wollen mich seit letztem Wochenende erst mal nicht mehr dabeihaben, glaub ich. Tja, in den Ferien wird’s ja vielleicht noch was. Langsam tut mir meine Hand weh, auch wenn's noch nicht alles war, was es zu schreiben gäbe. Und Schluss!

vrijdag 18 december 2015

Wolfhilde von König -- 18 december 1939

Wolfhilde von König (1925-1993) was als meisje lid van de Hitler-Jugend en hield in de oorlogsjaren een dagboek bij, dat in het Engels is vertaald als Wolfhilde’s Hitler Youth Diary 1939-1946.

Munich, 13 December 1939
Heavy naval engagement between the German armor-plated battleship Admiral Graf Spee and three British cruisers at La Plata Bay. After inflicting severe damage to the stronger opponent, Graf Spee enters the Uruguay harbor of Montevideo to repair its damages.

Munich, 16 December 1939
Reich's Street Collection. A huge success. Over half a million beautiful wooden figurines were sold in Munich alone. Not to mention the many old medals, which were also sold rapidly. It was really cold. The wind blew fiercely and there was heavy snowfall, but we pulled it off anyway.

Munich, 17 December 1939
On Saturday afternoons and Sunday mornings, our school has Day of Home Music, during which we girls sing and play instruments. Vati is not coming for Christmas. The Fatherland demands this sacrifice and we accept it. Countless others make this sacrifice as well. Admiral Graf Spee has been destroyed by its own crew. The Führer gave this command after the Uruguayan government denied the port-time which would have been necessary to repair this battleship.

Munich, 18 December 1939
An extraordinary victory for the German Air Force above the German Bay [The Bay of Heligoland], After a hard-fought battle, fighters of the Schuhmacher Squadron shot down 36 out of 52 English warplanes.

Munich, 20 December 1939
Last Jungmädel home afternoon gathering before Christmas. We had a small Christmas party. Christmas tree branches and candles decorated the room. We sang our beautiful old Christmas songs. Our little ones performed "Snow White" and "Goose Girl," both old German fairytales. The childlike sincerity of their performance was a joy to behold. With best wishes for Christmas and the New Year, we said good-bye to each other.

Munich, 23 December 1939
Vati came home unexpectedly. He will stay with us for a while. The Christmas season will now be even better.

woensdag 16 december 2015

Henri-Frédéric Amiel -- 17 december 1854

• Henri-Frédéric Amiel (1821–1881) was een Zwitserse filosoof, dichter en criticus. Uit: Amiel's Journal (vertaald door Mrs. Humphrey Ward).

December 17, 1854.— When we are doing nothing in particular, it is then that we are living through all our being; and when we cease to add to our growth it is only that we may ripen and possess ourselves. Will is suspended, but nature and time are always active and if our life is no longer our work, the work goes on none the less. With us, without us, or in spite of us, our existence travels through its appointed phases, our invisible Psyche weaves the silk of its chrysalis, our destiny fulfills itself, and all the hours of life work together toward that flowering time which we call death. This activity, then, is inevitable and fatal; sleep and idleness do not interrupt it, but it may become free and moral, a joy instead of a terror.
Nothing is more characteristic of a man than the manner in which he behaves toward fools.
It costs us a great deal of trouble not to be of the same opinion as our self-love, and not to be ready to believe in the good taste of those who believe in our merits.
Does not true humility consist in accepting one's infirmity as a trial, and one's evil disposition as a cross, in sacrificing all one's pretensions and ambitions, even those of conscience? True humility is contentment.

A man only understands that of which he has already the beginnings in himself.

Let us be true: this is the highest maxim of art and of life, the secret of eloquence and of virtue, and of all moral authority.

dinsdag 15 december 2015

Achilles Cools -- 16 december 2004

• Achilles Cools (1949) is een Belgische kunstenaar die zijn inspiratie vindt in de biologie. Uitgebroed. Dagboek van een beeldenmaker.

16 december Midden in de stad, bij een struikenperkje zat een groepje pestvogels. Het ging als een lopend vuurtje bij de vogelaars rond. Niet altijd storm ik op zeldzaamheden af, maar het was niet ver en het was lang geleden dat ik die zigeunervogels nog eens tegenkwam.
Er zaten er negentien. Ze waren niet schuw, zelfs heel dichtbij bleven ze nog zitten. In de dunbevolkte taiga's, de eeuwig zingende bossen rond de poolcirkel, hebben ze nooit mensen gezien, daarom kennen ze hier ook geen angst voor ons. Maar lang zal dat niet duren.
Wat zochten die pestvogels hier? Ze ritsten aan de bessen van Gelderse roos vlak bij een fietspad. Heel bedeesd klonk hun fijne trillen. Een verrekijker hadden we niet nodig. Hoge kuiven en alleraardigste versieringen op hun geel omzoomde vleugels; fijne rode wasplaatjes op de armpennen. Hun zijdeachtig verenpak had niets dat aan pest doet denken. Ik zou ze liever 'besvogels' noemen, want in bessen-struiken zijn ze altijd te vinden. Als het moet maken ze daar hele wereldreizen voor. Het zijn eigenlijk hongertochten naar het zuiden. Hun komst vertelt ons dat de natuur, als het aan haar ligt, gewoon wil doorgaan.

maandag 14 december 2015

Benoîte Groult -- 15 december 1941

Benoîte Groult (1920) is een Franse schrijfster. In 1963 publiceerde ze een oorlogsdagboek, dat ze samen met haar zus Flora geschreven heeft: Journal à quatre mains, in het Nederlands door Nini Wielink vertaald als Dagboek voor vier handen.

12 december 1941
'Wat is het verschil tussen Hitler en iemand die rijp is voor het gesticht?' vraagt papa aan wie het maar horen wil. Antwoord: 'Dat hij geslaagd is.'
Hij heeft de Verenigde Staten de oorlog verklaard in termen die de profeten en stichters van de meest zelfingenomen godsdiensten nooit hebben durven gebruiken: 'De huidige strijd zal beslissend zijn voor de volgende vijfhonderd of duizend jaar in de geschiedenis van de mensheid. De Schepper heeft ons opgedragen over te gaan tot een historische herziening van ongekende omvang: we zijn gedwongen die uit te voeren.'
Dat Amerika zich in de strijd heeft gemengd, betekent de dood van honderdduizenden mannen. Maar ik ben een egoïstisch meisje zonder werk en het is voor mij het symbool van onze overwinning die op gang komt.

15 december 1941
De avondklok is opgeheven, bioscopen en theaters hebben hun deuren weer geopend. In ruil daarvoor hebben de Duitsers de joden uit de bezette gebieden een boete van een miljard frank opgelegd en er zullen onmiddellijk honderd joden worden gefusilleerd.
Het is afschuwelijk om te zeggen, maar dankzij die honderd gefusilleerde joden kon ik zondag naar het concert gaan. Berlioz, Ravel en Wagner. Ik blijf in de muziek waarachtig bij de XVIIIde eeuw steken en het lukt me niet om verder te komen. Van Wagner krijg ik barstende koppijn en Ravel is te ingewikkeld voor mijn onbehouwen geest. Ik ben er niet trots op, maar het is niet anders.

l8 december 1941
Grootvader dooft heel langzaam uit. Hij zei vanochtend nog tegen papa: 'Goedemorgen, mijn zoon!' en 'Ik wil opstaan, ik heb het druk.' Maar tussen die paar woorden door slaapt hij. Grootmoeder - onbewust of onverschillig, wie zal het zeggen? - bergt als gewoonlijk onbewogen haar dozen op. 'Jullie zullen zien dat alles netjes is als ik dood ben. Overal zitten etiketten op.'
Hoe komt het dat ze niet doorheeft dat haar erfgenamen niks om haar handwerken geven en er een puinhoop van zullen maken in haar laden?
We zijn grootvader een kus wezen geven, maar hij merkte het niet. Hij proeft met kleine slokjes van zijn dood en hij zal het laatste slokje drinken zonder het te beseffen.

zondag 13 december 2015

Kees Kokke -- 14 december 1944

Kees Kokke (1915-1985) was in de oorlog gemeentearchivaris van Venlo. Hij hield in die jaren een dagboek bij.

donderdag 14 december 1944
Major Pralle heeft medegedeeld dat de hele stad moet evacueren. Uit militair oogpunt. Slechts 150 mensen zullen kunnen achterblijven plus ziekenhuis.
Zal alle mogelijke hulp verlenen om mensen met karren en paarden naar station in Kaldenkirchen en Straelen te brengen.
Burgemeester gaat morgen naar Düsseldorf [naar] Zweedse consul-generaal om diverse zaken te bespreken. Eventueel ook Florian.
Zoveel mogelijk ook Tegelen bewerken dat er uit Tegelen mensen met proeftrein meegaan.
Ingaande vandaag wordt 30% van het graan, aan de molen aangeboden, in beslag genomen ten behoeve van degenen die niets meer hebben.
Dinsdag is een geval van buiktyfus geconstateerd in schuilkelder Rummer[kamp]straat. Verder heersen er mazelen, roodvonk, kreps, difterie en dysenterie. Alles nog in zeer beperkte mate.
Hans van Aersen gestorven ten gevolge van verwonding door granaatscherf op zondagmorgen, tijdens uitoefening van zijn plicht.
Fototoestellen van Stelder in kluis opgeborgen in stadhuis.
Brandweer er van door? Vannacht drie autobanden van brandweer gestolen.

Frans Pointl -- 13 december 2007

Frans Pointl (1933-2015) was een Nederlandse schrijver. Voor zover bekend hield hij geen dagboek bij, maar hij schreef wel dit dagboekgedicht, gepubliceerd in De laatste kamer (2013)






Piaget
(dagboek 13-12-07)

in Bonebakkers etalage aan het Rokin
schitterde die overrompelende platina Piaget
handgemaakt mechanisch
champagnekleurige wijzerplaat
zwarte wijzers en romeinse cijfers
zo plat als een euromunt
(prijs wel 20.000 euro)
het wond me op
(wenste het omgekeerde)
stel je voor
die pracht om mijn pols
hoe laat
zou nog even
niet aflatende bewondering worden

vanwaar mijn hebzucht
terwijl mijn dood zo aanspreekbaar dichtbij
ik in mijn continue schemertoestand
niet anders kan dan
schuifelen op onzekere benen

talmend bleef ik daar
achter me haastige mensen
met harde stemmen
die de fragiele gestalte
met grijs haar en witte baardstoppels
zijn grote neus
tegen het glas gedrukt
nauwelijks opmerkten

wat droeg hij die dag?
een beige jack van de Cuyp
blauwe katoenen trainingsbroek
zwart/wit geblokt gevoerd flanel overhemd van Zeeman
schoenen van de Dappermarkt
om zijn rechterpols een Chinees
kwartshorloge van acht euro
merk New Times

de zegenende minuten voor de etalage
ontnamen hem zijn zwakte
en als bevond hij zich in een kathedraal
fluisterde hij eerbiedig
de namen van de oude Zwitserse horlogehuizen
als riep hij heiligen aan:
Piaget, Audemars Piguet, Jaeger- LeCoultre
Ulysse Nardin, PatekPhilippe, Vacheron Constantin
Breguet, Zenith

op die donderdag om drie uur
hing er kortstondig een zwakke wierookgeur
bij Bonebakkers etalage aan het Rokin




zaterdag 12 december 2015

Adriaan van Dis -- 12 december 1996

Adriaan van Dis (1946) is een Nederlandse schrijver. In 1996 hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Vrijdag
In de auto naar de universiteit voor een openbaar college; weer een dik uur in de file. Enkele studenten van de sectie Nederlands (170 eerstejaars, 300 bijvak. Heel wat meer dan op een Nederlandse universiteit), hebben een paar scènes uit Tropenjaren voorbereid. Bizarre ervaring om een meisje met een moslimhoofddoek mijn recalcitrante dialogen te horen uitspreken: “Geil, zeg.” “Ja ja, de vrouw van de kolonel neuken.” Alles met de klemtóón op de motór (ze moeten nog veel mondgymnastiek doen, zegt het hoofd van de afdeling). Doe mijn best me niet te schamen. Na afloop veel vragen over kleur, identiteit en het zogenaamde Italiaanse bloed van mijn vaders familie. Of ik graag bruin had willen zijn? Ja, vroeger als kind wel. Dan hoorde ik er in ons huis tenminste iets meer bij. Hier bleken de mooiste meisjes zich.
Na afloop feestlunch. Wij rekken de maag op. Eric: “Wie hier veel wil meemaken, moet veel eten.” Hup, in de auto naar een bekend historicus die een gezelschap schrijvers en kunstenaars heeft uitgenodigd. Een armer, maar even exotisch huis. Javastijl, pendopo. Losse vertrekken met dak zonder binnenmuren, uitpuilend van de boeken. Vrolijke bende. Badkamer in de openlucht. Ik maak kennis met een uitgever, de hoofdredacteur van een verboden dagblad, een zojuist wegens kritische opmerkingen ontslagen hoogleraar, een dichter van in beslag genomen bundels en andere vrolijke gekken. De meesten hebben elkaar begin jaren zestig in de studentenbeweging leren kennen in hun strijd tegen het Soekarno-communisme en voor een grotere democratie. Zij publiceerden en werden in hun vrijheid belemmerd, onder anderen door de toenmalige literaire voorman Pramoedya Ananta Toer. De dichter naast mij die zelf net als Pram in de gevangenis heeft gezeten, heeft het zijn oude tegenstrever al lang vergeven, maar er zijn er ook nog die bittere herinneringen aan hem bewaren. De vader van de dichter werd in '49 door de Nederlanders doodgeschoten. Aan mijn andere kant zit de tijdschriftredacteur wiens vader door Soeharto werd vermoord. En als ik vertel over de mijne, door de Japanners half gek gemaakt, schept dat toch een band. De 'drie zonen door de Indonesische geschiedenis verbonden', zegt de redacteur (die mij een tijdschrift geeft met een vertaald verhaal van mij. Nooit geweten!).
“En die klap van de geest” [Van Dis is een paar dagen eerder in zijn slaap door een geest geslagen], zegt de dichter, “dat spijt me.”
“Ik zie het als een welkom”, zeg ik.
“That is very generous of you.”
Aan het andere eind van de lange tafel hoor ik: “Als iemand die ik niet goed ken mijn naam en politieke mening vraagt, antwoord ik: ik zeg niets, dan weet je wat ik wil zeggen.” Ik neem mij voor mij hierbij aan te sluiten. Dus geen namen noemen. Helaas geen ruimte voor de tientallen moppen die ik over Soeharto hoor (Soeharto heeft gouden telefoon. Directe lijn met God. Vijfduizend dollar per minuut. Rabin komt op bezoek. Ik heb plastic telefoon, ook directe lijn met God. Hoeveel? Local call). “Vroeger durfde je bij de etensstalletjes geen grapjes over Soekarno te maken”, zegt een van de tafelgenoten, “over deze regering hoor je ze overal. We gaan vooruit: van een totalitair regime naar een autoritair regime.” Om 2.15 uur naar huis. Ik walm zo van de drank dat geen muskiet mij meer bijt. Neef Edwin (20) gaat nog uit dansen.

woensdag 9 december 2015

Jules Renard-- 10 december 1896

Jules Renard (1864-1910) was een Franse schrijver. Zijn Dagboek 1887-1899 is verschenen in de Privé Domein-reeks. Vertaling: F. de Haan & M. Kaas.

10 december
De ontvangstdag van Sarah Bernhardt.
Wanneer ze de wenteltrap van het huis afdaalt, lijkt het of zij stilstaat en de trap om haar heen draait.
[...]
Naast Georges Hugo zit Bauër. Hugo heeft zijn baard laten afscheren en deze waarschijnlijk aan Léon Daudet gegeven, die ik volledig bebaard zie. Bauèr zweet, en wrijft zichzelf droog alsof hij een tafel was. Ik stel me voor dat hij de ober om een spons zal vragen waarmee je een rijtuig schoonmaakt. Prachtig als een zon van suikergoed loopt hij uit over de bleke Sarah. Met haar blik inspireert ze iedereen. Ze heeft de onbeweeglijkheid van een beeld, alleen haar handen maken gebaren en haar ogen leven. Sardou, die lijkt op een Coppée die niet voor het voetlicht zou treden, omhelst haar.
'Ik heb gisteren uw naam geschreven/ zegt Haraucourt tegen me.
'Dat is nog eens aardig.'
'Op de aankondiging van mijn huwelijk.'
Ik weet niet hoe ik een vrouw een mantilla moet omdoen. Mevrouw Rostand sla ik de hare omgekeerd om, en ik geef haar de punt niet goed aan.
'Op een goede dag zal ook ik u toch eens de hand moeten kussen, als we ergens alleen in een hoekje zijn, om te zien wat er gebeurt,' zeg ik.
'Even boven de pols,' zegt ze, 'daar begint het prettig te worden.'
Sarah staat op. Zelfde aanbiddelijke spel op de trap. Bovenaan wacht Jules Chancel haar op en pakt haar hand als ze langsloopt.
In liet Théatre de la Renaissance. Ze wilde het te mooi maken. Phèdre speelt ze als een scène uit Amants, maar ze speelt het afschuwelijke geval van Parodi bewonderenswaardig. Sarah, een ongelooflijk 'hartediefje', om het zo maar eens te zeggen. Misschien heeft ze geen talent, maar na haar ontvangstdag die ons aller dag is, dag waarop we elkaar aardig vinden, waarop we dol op elkaar zijn, voelt iedereen zich een ander en beter mens. En die toestand van buitengewone opwinding is een weldaad, en als je de volgende dag geen talent hebt, ben je een ezel.
[...]
Dankzij de ogen van Sarah Bernhardt, ongehoord succes voor Rostand, wiens tekst van een indrukwekkende kracht is. Succes alsof zijn sonnet vijf bedrijven had, en het applaus voor Rostand vermengt zich met de bijval die naar Sarah gaat. Er komt geen eind aan, en het is onvergetelijk. En zij troont op eenzame hoogte, en wij zijn allen haar trouwe onderdanen die aan haar voeten liggen.
In de kleedkamer van zijn moeder is Maurice in tranen.
'Nog nooit heb ik het zo betreurd dat ik geen groot dichter ben,' zeg ik tegen Sarah Bernhardt.
'Maar u bent een groot dichter!'
'Ach welnee! Ik schrijf alleen maar niemendalletjes, maar ik heb oog voor verhevener dingen en ik kan ze bewonderen, en op dit ogenblik ben ik overgelukkig.'
'U vindt me dom, hè?'
'Ik vind u heel bijzonder.'
'Vandaag wil ik dom zijn. Wilt u me kussen?'
Ik geloof werkelijk dat ik me dat tweemaal heb laten zeggen. Ze kust me zonder omwegen op twee wangen. Ik kus haar zo'n beetje, uit een mondhoek, omdat ik geen druk durf uit te oefenen.
'Ben ik even in de wolken!' zeg ik tegen Rostand, tegen anderen. 'Sarah Bernhardt heeft me gekust! Ik heb Sarah Bernhardt gekust!'
En Maurice, die nog altijd huilt, zegt:
'Ze kennen mijn moeder niet. Ze is lief en goed.'
Ik wend me opnieuw tot haar en zeg:
'Wel, mevrouw, zal ik u eens wat zeggen? Weet u, u bent een goed mens.'
Ze heeft de uitspraak misschien niet gehoord, maar Rostand:
'Dat slaat de spijker precies op de kop.'
En allemaal zijn we vertederd, week gestemd, tot 's avonds laat.

dinsdag 8 december 2015

Jacob van Loo -- 9 december 1791

• Jacob van Loo (1754-1797) was predikant te Ootmarsum. Zijn Dagboeken 1777-1797 zijn te lezen bij Google books.

Den 9 December.
Ach! ik moet over mij zelven klagen — bittere, bittere tranen weenen. Den ganschen dag bragt ik in eene ontevredene, ondankbare, morrende gemoedsgesteldheid door, die mijzelven veel onrust baarde, vele verdrietelijkheden in mijnen omgang gaf, en mij den morgen, den middag, den avond geheel bedierf. Ik verveelde mijzelven, was onvriendelijk, gemelijk, stuursch, vit-achtïg in mijne antwoorden en gesprekken; ik dacht met geen geloof, geene liefde, geenen dank, geen vertrouwen aan God, en was nalatig in alle mijne pligten.

Den 10 December.
Bij mijn ontwaken — de vorige ontevredenheid scheen eenigermate bedaard te zijn — geraakte ik in een gesprek met C. Zij herinnerde mij zeer ernstig aan mijn ondankbaar bestaan van gisteren, aan alle de onaangename gevolgen, die dit had gehad, en had kunnen hebben. Ik beantwoordde haar eerst met verschooningen, verontschuldigingen daarvoor bij te brengen — doch ik voelde zelfs wel, dat deze weinig beteekenden, en geen gewigt hadden, om mij van schuld vrij te pleiten — toen begon ik stil te zwijgen. Zij hield met hare ernstige herinneringen aan; sprak over Gods ongemeene weldadigheid; bepaalde zich bij sommige uitnemende proeven daarvan, in den loop van ons leven ondervonden; over het schandelijke van de ondankbaarheid, het ongeloof, het wantrouwen, het vooruitloopend zorgen, en verhoogde alles, wat zij hierover zeide, met de bijzondere bedoelingen Gods, zoo zigtbaar goed en weldadig, die Hij aan ons heeft betoond. Eindelijk — zij roerde mij. Ik keerde in mijzelven, gevoelde schaamtevol mijne slechtheid, en was den dag door meer tevreden, en dankbaar.

maandag 7 december 2015

William Soutar -- 8 december 1933

• Bij de Schotse dichter William Soutar (1898-1943) werd op jonge leeftijd de ziekte van Bechterew geconstateerd. De laatste veertien jaar van zijn leven was hij aan zijn bed gekluisterd. In die periode hield hij een dagboek bij, waaruit gedeelten zijn gepubliceerd onder de titel Diaries of a dying man (Nederlandse vertaling (van Harry Oltheten): Dagboek van een stervende).

vrijdag 8 december Het wekt geen verbazing dat de poëzie van onze tijd lyrisch is, want lyriek is het natuurlijke medium om wisselende stemmingen uit te drukken, en het tijdperk waarin wij leven wordt in humeurigheid door geen ander in de wereldgeschiedenis overtroffen. Omdat we op drijfzand staan, grijpen we naar de vluchtige beelden van de realiteit die zich aan ons voordoen en proberen een soort geloofsfundament te destilleren uit de opeenstapeling van ongrijpbare stukjes waarheid die we her en der aantreffen. Deze eeuwige onbepaaldheid van onze stemming is voor de lyricus voldoende, maar zij biedt ons slechts een onbetrouwbaar inzicht in de realiteit - een keuze uit zijn werk zal dus eenheid tonen, zijn verzameld werk niet.

zondag 6 december 2015

Adam Tas -- 7 december 1705

Adam Tas (1668–1722) was een Afrikaanse boer die een belangrijke rol speelde in een conflict tussen de Kaapse gouverneur Willem Adriaan van der Stel en de "vryburgers" van die Kaap die Goeie Hoop. Zijn dagboek is gepubliceerd bij de DBNL.

Maandag den 7e. S'morgens warm weer. Op dato is ons volk met snijden van rogge en Ciciliaansche Tarwe bezig geweest. Tegens den middag ben ik na Stellenbosch gereden. Nadat ik aan 't huijs van Hans de Smit met eenige vrunden hadde gesprooken ben ik weder t' huiswaard gekeert. Dezen middag zijn de Juffrouwen van der Bijl en van der Heijden hier ten eeten geweest, des namiddags quamen hier mede Juffw. Coetsé met haar dogter Griet; Eenigen tijd daarna quam den land-drost hier nevens de Messrs. van der Bijl en van der Heijden. Na en wijnig keuvelens is Mr. van der Bijl en van der Heijden vertrokken, dog den Land-drost bleef hier tot dat het donker wierde; toen is hij mede vertrokken, nadat nonje Coetzé een wijnig te vooren met haar moeder was gaan stappen.

Dingsdag den 8e. S'morgens was het mistig weer dog ten duurde niet lang of de zon brak door. Met snijden van Siciliaansche Tarwe en Rogge zijn onze slaven en de Hottentots weder bezig geweest. Dezen morgen ten 6 uuren is Zuster Louw met haar twee rijs gezellinnen van hier na Juffw. Elbertsz gereeden, om vandaar na Monsr. van der Heijden en verder na de Caab te vertrekken. Ik ben desen voormiddag na 't snijden der rogge wezen zien; op dato is 't snijden van de rogge en 't Siciliaanse Coorn ten einde gebragt, zo dat de Hottentots weder na Juffw. Elbertsz staan te vertrekken.

Woonsdag den 9e. S'morgens tamelijk warm weer. Dezen morgen quam broer Jacobus van Brakel hier; hij verhaalde mij eenig nieuws, onder anderen dat den gouverneur vier menschen aan de Caab zoude vervolgen en drukken, zoo veel hij konde, namelijk Husing, Meerland, van der Heijden, en Tas, dat waren de voornaamste aanlijders van 't quaad dat hem berokkent was, en 't konde die menschen wel eens overkomen dat eenige oproermakers en Roovers in den Amsterdamsen oproer overquam, die van de waag uijt een venster wierden opgehangen, een droevige gelijkenis dat men mannen van eere, die de gemeente met kragt soeken voor te staan, bij schelmen en oproermakers wil gelijk stellen. Wijders meende den gouverneur in 't kort aan Stellenbosch te verschijnen, en eenige menschen aldaar wat te Capittelen, of wat lesjes voor te leesen. Men maakt in ons land de kinderen met een bulbak bang, maar mannen die in eer en deugd leeven, en zig geens misdrijfs bewust zijn, hebben voor niemand te schroomen. Ook hadde zekere vrouw (T.D.) gepraat dat den gouverneur wel eenige menschen bij de Cop mogte vatten, waar op geantwoord was, dat ze dan den gouvernr. wel eens den hals konden breeken, dog hij heeft 't op niemand met meer ijver gemunt als op Oom Huzing. Ondertusschen kan hij de man niet in 't minste deeren. Hij hadde ook gezegt datter drie zaaken door hem waren verricht die hem 't meeste quaad soude doen, 't eerste was dat hij wegens 't slagten met oom Huzing een Contract hadde aangegaan, ten tweeden dat hij hadde laten ruijlen, het derde dat hij aan Pheijffer alleen de wijnpagt hadde gegeven, zoodat hij thans vervaarlijk in 't nauw is, niet wetende waar hij 't sal soeken. Ondertusschen is hij bezig met volk op zijn hand te krijgen. De Juffr. voorengemt. hadde ook gezegd dat den gouverneur seer verwonderd was dat Diepenauw hem was afgevallen, en dat hij zulx van die vent niet was verwagtende geweest. Na verloop van tijd sullen hem wel meer saaken onverwagt voorkomen. De goede God geef' er zijn zeegen toe, want het gaat hier thans soo uijtsporig grof dat 'et kant nog wal raakt. Nadat broer van Brakel hier wat ontbeeten en eenige glaasjes wijn gedronken hadde, is hij na Juffr. Elberts gereeden. Op dato is ons resteerend Coorn ten bedrage van 16 mudde in de moole gebragt. Des namiddags zijn onse slaven met het rijpste Coorn af te snijden beezig geweest; des avonds quam Mr. van der Heijden hier, om mij te spreeken; ik hebbe hem het voorenstaande nieuws medegedeeld. Na 't smooken van een pijp Tabak is hij vertrokken.

Anaïs Nin -- 6 december 1932

Anaïs Nin (1903-1977) was een Franse schrijfster, die vooral bekend is vanwege haar dagboeken. Vertaling: Margaretha Ferguson. Het fragment gaat over schrijver Henry Miller en zijn vrouw June.

December 1932
Nooit zou ik gedacht hebben toen ik Henry [Miller] het geld gaf om naar Londen te ontvluchten dat June [Miller] de avond voor zijn vertrek zou komen en het hem allemaal afnemen. Hij schrijft mij een zwakke brief:
Ik ben boos, woedend op mijzelf, ik vertrek vanavond naar Londen. Fred kwam me redden. Ik vertrek, dus het zal niet weer gebeuren. Ik haat June. Na een verbitterd, wal ging wekkend gesprek voel ik me vernederd, diep beschaamd. Het was een marteling die ik verduurde. En waarom ik het uithield weet ik niet, tenzij het is dat ik een gevoel van schuld heb. June is niet voor rede vatbaar. Ze is een gekkin geworden. De smerigste bedreigingen en beschuldigingen. Dat is waarom ik instortte en ging huilen. Ze is in staat tot alles. Ze is angstaanjagend in haar heftigheid.
Henry kan alleen vechten in boeken. In het leven loopt hij weg. Nu is hij in Londen. Ik maak geld los voor Junes ticket naar New York, omdat ze me erom heeft gevraagd. Ik moet het achterlaten bij de American Express.
June laat een afscheidsindruk achter die niet fraai is. Henry's portefeuille legend, Henry bangmakend.

Henry & June Miller
Henry werd aan de Engelse grens tegengehouden omdat hij te weinig geld bij zich had. Ondervraagd. Weggeleid. Hij droeg zijn sjofelste kleren. Hij vertelde de autoriteiten dat hij wegliep voor zijn vrouw!
In het café waar we elkaar ontmoetten barstte hij uit in verhalen over June. En twee dingen tekenden zich af: zijn goedheid, zijn ware gevoelens. De zwakte van de man, zijn luisteren naar June helemaal tot aan het eind van wat ze te zeggen had wordt, in het geval van de schrijver, de passiviteit van de kunstenaar als beschouwer van het leven. Luisterend naar june hield hij op de man te zijn die haar tot stilzwijgen had moeten brengen; hij werd een onderzoeker, luisterend naar wat een normale man niet had willen observeren. 'Ik ontdekte de laaghartigheid van June. Door haar boosheid heen, wat er werd prijsgegeven was haar enorme egoïsme. Erger dan dat. Smakeloos. Toen ze me verliet draaide ze zich bij de deur om, om te zeggen: 'En nu heb je je laatste hoofdstuk voor je boek!'
Henry had tranen in zijn ogen toen hij dit laatste tafereel beschreef. Smakeloos. Wat een onverwacht woord om June mee te brandmerken.
Op dit moment zag Henry er afgetobd uit, droevig, diep.
Toen begon hij te praten over D. H. Lawrence en Dr. Otto Ranks Art and Artist. Zijn geest maakt immense omwegen. Dan raakt hij verdwaald. En dan ben ik in staat hem terug te voeren, niet omdat ik iets meer zou weten dan hij, of omdat ik meer een geheel ben, maar omdat ik in de wereld der ideeën gevoel voor richting heb.
Veel van wat ik aan het lezen ben in Art and Artist draagt bij tot bevestiging van de vermoedens die ik omtrent de kunstenaar heb gehad. Wat span ik me in om tot begrip te komen. Er zijn momenten, als Henry aan het praten is, dat ik me waarachtig vermoeid voel, als een vrouw die reikt naar kennis boven haar macht. Ik rek mijn geest uit om de bochten en zwenkingen van de geest van de man te volgen. Het zijn altijd de grote, onpersoonlijke ruimten die mij angst aanjagen, de enorme woestijnen, het universum, kosmologieën. Hoe klein mijn bijlichtende lantaren, hoe kolossaal het universum van de mens. Het schijnt me toe dat het het menselijke is waaraan ik me vastklem, en het persoonlijke. Ik wil geen onpersoonlijke, niet-menselijke werelden betreden.
Heeft Henry gelijk? Hij wil dat ik helemaal geen dagboek meer schrijf. Hij denkt dat het een ziekte is, een uitwas van eenzaamheid. Ik weet het niet. Het is ook het aantekenboek geworden van mijn extravertie, een reis-schetsboek: het is vol van anderen. Het heeft zijn aanzicht gewijzigd. Ik kan het niet voorgoed in de steek laten. Henry zegt: 'Doe je dagboek op slot, en ga zwemmen. Wat ik zou willen dat je deed is leven zonder het dagboek, je zou andere dingen schrijven.'
Ik zou me voelen als een slak zonder zijn huisje. Iedereen heeft mijn dagboek altijd dwarsgezeten. Mijn moeder drong er altijd op aan dat ik buiten zou gaan spelen. Mijn broers plaagden me, stalen het, en maakten het belachelijk. Mijn vriendinnetjes op school mochten het niet lezen. Iedereen zei dat ik er bovenuit zou groeien. In Havana zei mijn tante dat het mijn ogen zou bederven en de jongens afschrikken.
Henry is bezig zijn talrijke aantekenboeken te sorteren zodat ik ze eventueel kan laten inbinden. Zijn schrijftafel is bezaaid met manuscripten. Zijn naslagboeken staan op een rijtje vóór hem. Hij is in hemdsmouwen. Ik breng hem een nummer van de surrealistische publikatie This Quarter. Fred zit ook te typen. Iemand anders is in de keuken aan het koken.




donderdag 3 december 2015

Hubregt Kempe -- 4 december 1725

• Onderstuurman Hubregt Kempe deed verslag van een mislukte handelsexpeditie naar de Stille Zuidzee, in 1724-1727 - een tocht vol ontberingen. Het verslag is gepubliceerd als Voor zilver en Zeeuws belang. De rampzalige Zuidzee-expeditie van de Middelburgse Commercie Compagnie, 1724-1727.

Den 4e ditto gingen wij met al het volck na het eijlandt om te zien off wij nog meer schapen konden becomen. Maer wij konden die niet meer vinden.

Den 5e ditto hadden wij smorgens mooij weer. Zoo gink ik met de oppermeester nog eens met de sloep na de vaste wal toe, heel in de bogt, om te zien off wij daar nog eenigte ververssinge konde becomen. Als wij aan het land met de sloep qumen, soo quamen der wel 20 indianen te paerde na ons toereijden, want zij meenden dat wij Spangjers waren, maar als wij bij haar quamen, zoo wierden wij seer vriendelijk van haar verwellecomt, en quamen ons nog te hulpe om de sloep in een sloot te halen daar zij geen schade konde krijgen. Want wij kregen zooveel wint uijt het zuijden dat wij in dien avont of nagt niet aan boord konde komen, zoodat wij daer moesten overnagten. Wij versogten haar dat zij ons dogh eenigte veverssinge zoude bijsetten, hetwelck zij niet bij haar hadden. Maar 4 à 5 dagen reijsens hadden zij vee in overvloet landwaart in gebragt. Als zij ons met de sloep zagen aancomen, want zij waren bevreest, denckende dat wij Spanjers waren, want als die hier quamen, roofden en namen zij aldat zij sagen en konden vinden. En gaven de indianen nog slagen toe. Zoodat zij zeer benaeuwt voor de Spanjers waren. Ook zaeijden en plantentede sij niet meer, ook hadden zij anders geen vee bij haar als dat zij dagelyx konde verconsumeren, omdat zij verscheidemalen alles waren afgenomen dat zij in de wereld hadden. Ook was hier een fortres, hetwelck zij de naam gaven van Arauco, hetwelck ook in de boecken en caerten beschreven staat. Daer de indianen de Spangjaerden verscheidemalen uijt hadden verdreven, want zij konden het daar niet houden desen oorlog tusschen de Spanjaerden en de indianen hier. Arauco heeft al over de 200 jaren geduurt, maar de Spanjaerden en kunnen daar geen meester van blijven. Het heeft niet meer als een vlacke sand-strandt daar de zee geweldig tegen aan slaat, zoodat men daar niet gemackelijck aan kan komen. Ook is het eijland Sinte Maria en de vaste kust een seer vrugtbaar eijland daar van alles opgroeit en wast, het zij van tarwe en gerst, papatas, erten, boonen, appelen, peren, kersen, druijven, appelekoosen, rapen, aardbesien, als kleijne hoendereieren, en meer andere fruijten en groente meer. Zoodat dit hier een zeer vrugtbaar land is, maar het werd niet terdegen onderhouden. Omdat zij den eenen dag daar meester af zijn en den anderen dag wederom niet. Zoodat wij hier zeer weinig ververssinge konde becomen.

woensdag 2 december 2015

Freerk Pieters -- 3 december 177?

Freerk Pieters (?-?) raakte als commandeur van een walvisvaarder ergens voor 1770 vast in het ijs. Zijn journaal is gepubliceerd als Aan-teekening, gehouden op het schip de Vrouw Maria.

Saturdag, 2 December, de wind n.w. De Cours als vooren. Aaten toen onze laatste Gort. Kort daar na zaagen wy een Hoeker; Daar wy op aan hielden, toonende onze Nood-vlag: Dog, hy kwam niet na ons toe, denkende dat wy een Kaaper waaren. Naderhand merkende dat ons Schip een Groenlands-Vaarder was, kwam hy na ons toe en Praayden ons, vraagende Hoe het met onze Victualie was? Waar op den Commandeur antwoorden, Dat wy onze laatste Gort dien Dag hadden Gegeeten en dat wy den volgenden Dag onze laatste Erwten zouden moeten Eeten. Hier op riep de Captein, Zet een Sloep uit: Ik zal u by zetten wat ik miszen kan. Dit deeden wy en kreegen een half vat Gort, een half vat Zoute Vis, vier half vaaten hard Brood en vier half vaaten Waater. Naamen toen Afscheid van malkander en hy zeide ons Dat wy Oost op moesten Zeilen. Des Avonds gingen wy ten Anker.

Zondag, 3 dito, des Morgens mooije Koelte uyt het w.+ Voor de Middag kreegen wy een Loots aan Boord en Aaten des Middags onze laatste Erwten. Des Avonds gingen wy ten Anker.

Maandag, 4 dito, in de Dag-wagt, Ligten wy ons Anker en gingen onder Zeyl. Kwaamen des Voor-middags, God zy geloofd, het Oude Gat van Texel binnen; Daar wy schielyk Ververszing kreegen.
Nooit heeft een Schip in Groenland tot zoo Laat in het Jaar Bezet gezeeten. Wat wy uit-gestaan hebben is niet wel te melden. De Ongemakken zyn groot: maar, nog grooter de Voor-Uyt-Gedagten wat met ons worden moest, indien God ons niet zoo Barmhartig als met zyne Handen uit het Ys had gerukt. Die Gedagten alleen konnen my nog doen t'zidderen.
God, den Almagtigen Bewaarder, zy alle Eere en Heerlykheid tot in Eeuwigheid, Amen.

dinsdag 1 december 2015

Jan Terlouw -- 2 december 2004

Jan Terlouw (1931) is een Nederlandse schrijver en voormalig politicus. In het najaar van 2004 hield hij op verzoek van uitgeverij De Prom een 'herfstdagboek' bij, dat is gepubliceerd als Achter de barricaden.

Donderdag 2 december
Gisteravond is prins Bernhard overleden, drieënnegentig jaar oud. Hij was een man met sterke en zwakke kanten, zoals zovelen van ons. De woorden Greet Hofmans en Lockheed zullen niet van de lucht zijn, de komende dagen. Wat ik nooit heb begrepen is dat iemand die zei zo van de natuur en van dieren te houden, ook graag jaagde. Premier Balkenende noemde hem een man om van te houden'. Dat gaat misschien wat ver, maar ik begrijp wat hij bedoelt. Ook ik heb prins Bernhard natuurlijk de nodige malen ontmoet. Het viel op hoe hartelijk hij me begroette. Je zou denken dat we intieme vrienden waren. Ik neem aan dat dat zijn gewone manier van doen was, maar het zegt toch wel iets: warmte. Ik herinner me de Ginkelse hei, september 1994. Het was vijftig jaar na de slag om Arnhem. Er waren droppings en oefeningen, veel militairen op de been. We stonden, urenlang. Ik zei tegen de prins: 'Gaat u toch zitten op die bank daar, bij de oud-commandant van de paratroopers'. Die was ook in de tachtig. Maar daar wou hij niets van weten. Zolang de manschappen stonden, stond hij ook. Wel klopte hij op een gegeven moment op mijn jas en zei: 'Zeg commissaris, heb je daar niet een heupflesje zitten?' Toen dat niet het geval bleek, stuurde hij een luitenant-kolonel op pad, die na verloop van tijd terugkwam met een fles jonge jenever en een blad vol glaasjes.
De oud-strijders hebben hun commandant zijn misstap met Lockheed allang vergeven. Ik begrijp dat. Sommige relaties zijn zo positief dat ze een stootje kunnen hebben. Ik had met hem te doen toen hij een tijdlang zijn uniform niet mocht dragen, al leek de maatregel me juist. Op een ochtend eind jaren zeventig schoot de toenmalige premier Van Agt me aan in het gebouw van de Tweede Kamer. Ik was toen een van de fractievoorzitters van de oppositie. Hij zei dat hij de prins toestemming had gegeven om in uniform naar de begrafenis van zijn oude strijdmakker lord Mountbatten te gaan. 'Ik weet dat ik fout zit,' zei Dries, 'maar ik kon het niet laten. Als je er politieke stampij over wilt maken, dan moet dat maar.' Die heb ik natuurlijk niet gemaakt. En mijn collega-fractievoorzitters evenmin. We konden de overwegingen van Van Agt heel goed navoelen.

maandag 30 november 2015

Willem de Clerq -- 1 december 1813

• Willem de Clerq (1795-1844) was een Nederlandse schrijver en koopman. Zijn journalen uit november-december 1813 zijn gepubliceerd als Woelige weken.

Woensdag 1 december 1813
De maand november heeft zulk een reeks van belangrijke gebeurtenissen opgeleverd, dat dezelve in de jaarboeken onzer geschiedenis steeds, en met reden, beroemd zal zijn. Moge deze maand ons een reeks van rustiger tonelen opleveren, moge zij de schitterende vooruitzichten, waarvan de vorige ons een flauw denkbeeld aangegeven heeft, meer en meer tot rijpheid doen komen en bij de aanvang van een nieuwe tijdstreng, de zon des heils in haar oude luister aan onze gezichtseinder pralen.

2 december
Sinds enige dagen zijn de oneindige optekeningen, welke geen einde schenen te hebben, enigszins opgehouden en de gebeurtenissen zijn ook van die tijd af van minder belang geworden. Wij zullen nu weer een volk, en de prins onze soeverein worden.
Binnenlands. Alles begint zich nu te schikken. Het verlaten van Utrecht heeft zich bevestigd. De bezetting van Naarden heeft in een der afgelopen nachten een aanval op Weesp gedaan, heeft daar enige levensmiddelen geplunderd en de heer Dehad [?], een zeventigjarige grijsaard meegenomen. Gisteren is Muiden ingenomen. Voor het eerst hebben daar de Hollanders aan de zijde der Russen en Kozakken gestreden. Het garnizoen ten getale van vierhonderd man is gevangengenomen. Eén Garde National is gesneuveld, en vier van dezelve zijn gewond.
Alles is hier dus voor onze vijanden verloren, en indien het gerucht van de inneming van Naarden zich bevestigt, is weldra deze gehele landstreek van Fransen gezuiverd.
Aanrukken van troepen. Deze beginnen nu van alle kanten op te trekken. Reeds zijn de Britse benden aan onze kust geland. Het getal der Kozakken vermeerdert. Gisteren is hier een bende Russisch voetvolk binnen getrokken. De Kozakken zijn hier en daar ingekwartierd. Zij bevallen vrij wel, doch hetgeen men van hen hoort, is altijd: Fransozen kaput.

Amsterdam
Alles is hier in volkomen rust geweest. Men heeft alleen de edele drift van het volk enigszins moeten beteugelen, dat zijn eigen meester willende zijn, overal de Fransen vervolgde, hen met kracht van manschap gevangennam, en sommigen, onder anderen een vrouw die onder het vorige bestuur iemand verraden had, deerlijk afgerost heeft. Door een decreet heeft men eindelijk de Fransen, die in deze stad slechts bevend leefden, enigszins gerustgesteld. De patrouilles gaan voort met hier alle nachten te waken, doch derzelver belang bestaat nu grotendeels niet meer. Er is ook een patrouille van studenten die de gehele stad doorkruist. Alles begint van tijd tot tijd tot de oude stand van zaken terug te keren.
De offerkisten, in alle kerken geplaatst, worden vrij druk bezocht. Sommigen storten een à twee zakken guldens in dezelve.

Intocht van de prins
Een geheel nieuw toneel opent zich nu weer, en met dezelfde pen waarmee ik voor twee jaren de intocht van de keizer beschreven heb, zal ik de gedenkwaardigheden van die des prinsen optekenen, doch ook met de vreugde die elk waar vaderlander bij het verdrijven der overheersers gevoelt. Gisteren is 's nachts om twee uur de proclamatie van de prins met veel plechtigheid bij fakkellicht voorgelezen; dit is 's middags door de heer Canneman herhaald. Men had gedacht dat de prins toen reeds onze stad zou bezoeken en had dientengevolge veel autoriteiten en de afgevaardigden der geestelijkheid op het paleis genood. Doch deze, om toch niet onverrichter zake naar huis te keren, hebben, op het balkon getreden, het voorlezen der proclamatie nog meer luister bijgezet. Gisteren was op het gerucht van de aankomst des prinsen een aanzienlijke gemeente op de Haarlemmer- en Nieuwendijk samengevloeid. Alles toonde volksvreugde aan. De oranjeliedjes werden wederom met nieuwe kracht langs straat en gracht gezongen. Het volk heeft te Kattenburg geroepen: ‘De prins moet koning van Holland zijn,’ en Kemper verklaart dat wij geen Willem de 6e of 7e maar Willem de 1e zullen hebben. Er is een regiment van Gardes d'Honneur opgericht. Zijne hoogheid moet heden komen.
Deze dag zal altoos in de geschiedenis van Nederland gedenkwaardig blijven. Ik heb na een negentienjarig afzijn, de naneef van Willem de Eerste en van Frederik Hendrik weer door het juichende Nederland als een verlosser zien ontvangen, en deze gebeurtenis is voor mijn gehele leven met treffende beelden in mijn boezem geplant. Geve de God onzer vaderen dat deze gebeurtenis voor ons zo lang gefolterd vaderland, de gewenste gevolgen moge hebben en dat eindelijk de welvaart alom weer moge nederdalen. Hij geve dat het huis van Oranje zich de gunst van het volk waardig moge maken, en dat ieder Nederlander zegen en voorspoed over dit vorstelijk huis moge toewensen en de naam van Oranje nog bij ons laatste nakroost in eer zal mogen zijn.

De route van de prins was bepaald. De Haarlemmerdijk, Herenmarkt, Herengracht tot aan het Koningsplein, de Kalverstraat en de Dam. Op deze gehele weg was alles in de grootste beweging. De inwoners hadden bevel tot versiering hunner huizen verkregen, en deze bevelen werden overal met de volvaardigste ijver uitgevoerd. Aan alle gevels praalde de Hollandse vlag, ginds die van Oranje en hier en daar vertoonde de Leeuw van Holland zijn eertijds zo gevreesde klauw. Overal werden de gevels met groene takken of met guirlandes naar de meer of mindere smaak hunner bewoners versierd. Alle kamers waren van mensen opgepropt, oranje strikken waarden alom en overal streelde de levendigste drukte. Eindelijk, na half drie uur verscheen de prins. Zijn optocht was verre van dat glansrijke te bezitten, hetwelk de intocht zijner voorgangers levendigheid moest bijzetten. De trein werd door ruiters van de Garde Soldée geopend. Hierop volgden de muzikanten der Nationale Garde en weldra deze Garde, die een zeer goede vertoning maakte. De straten, bruggen, stoepen, vensters alles grimmelde van nieuwsgierigen. De prins zat op een open barouche door zes paarden bespannen. Met hem zaten de heren Kemper, Fannius Scholten en Fagel, allen gelijk hij blootshoofds. Hij was zeer eenvoudig in een groene jas gekleed. Het levendigste geroep van ‘Hoezee’ en ‘Oranje boven’ klonk en weergalmde van alle zijden naast zijn rijtuig. Nu volgden de Gardes d'Honneur, in haast opgericht, met blauwe rokken en gele broeken, een lange reeks van koetsen met de hoge personages en officieren, de studenten in het zwart, en tussen dit alles verschrikkelijke benden van volk dat overal in een ijselijk geschreeuw met hele benden meetrok. Ik kwam vervolgens op de Dam waar ook alles in beweging was en overal de ontzettendste drukte heerste. Nu zag ik de prins na zijn aankomst op het balkon verschijnen, zich voor het volk buigende. Het gejuich bij dit ogenblik was onbeschrijfelijk en ik schaam mij niet om na alles wat ik heden gezien en gehoord heb, deze drift van het volk Nationale Geestdrift te noemen. Ja, zij heerste overal en ik zal niet ontveinzen dat deze dag op mij een plechtige indruk gemaakt heeft. De volksmenigte was ontzettend. Sommigen reikten de prins hun handen toe en alles ademde vreugde.

zondag 29 november 2015

Lodewijck Huygens -- 30 november 1660

Lodewijk Huygens (1631–1699, de derde zoon van Constantijn Huygens en Susanna van Baerle) was een bestuurder. In 1660-1661 maakte hij een reis naar het Spaanse hof, waarvan hij verslag deed in zijn Spaans journaal.

30 november 1660. Het huis van Don Diego de Espinosa in Martín Munoz.
Op de 30ste vertrokken we vrij vroeg uit Montejo de Arévalo. We hadden beter weer dan de dag tevoren, want het had de hele nacht tamelijk hard gevroren. Niet ver van de bovengenoemde plaats kwamen we langs een ander dorp dat Sanchidrian heet, en vandaar kwamen we aan in Martin Munoz de las Posadas, dat een mooi stadje is. Het lag op drie mijl afstand van de herberg van vorige nacht. Mijnheer Van Merode at in Martin Munoz, maar wij kochten alleen wat leeftocht uit vrees dat we 's avonds niets meer zouden vinden. In de haast bekeken we nog een behoorlijk mooi huis van een edelman, Don Diego de Espinosa geheten, dat dichtbij de plaza mayor van het genoemde stadje staat. Een mijl verder kwamen we door Adanero en nóg een mijl verder moesten we door een riviertje waden, dat Voltoya heet. Er ligt daar, op die plaats, namelijk helemaal geen brug over de rivier. Na nog over enkele bergen getrokken te zijn, kwamen we 's avonds tenslotte aan in Labajos. Het is een vrij mooi dorp, maar we troffen er een vreselijke waardin. Het scheelde niet veel of ze was ons te lijf gegaan omdat we in de korenschuur op zoek waren geweest naar stro om op te slapen.

Jules Renard -- 29 november 1894

Jules Renard (1864-1910) was een Franse schrijver. Zijn Dagboek 1887-1899 is verschenen in de Privé Domein-reeks. Vertaling: F. de Haan & M. Kaas.

29 november
Ik ben nergens succesvol geweest. Gil Blas, l'Echo de Paris, le Journal, le Figaro, la Revue hebdomadaire, la Revue de Paris enzovoort heb ik de rug toegekeerd. Niet een van mijn boeken haalt een tweede druk. Ik verdien gemiddeld vijfentwintig franc in de maand. Als de vrede in mijn gezin bewaard blijft, is dat de verdienste van een engelachtig lieve vrouw. Van mijn vrienden heb ik snel genoeg. Wanneer ik te veel op ze gesteld ben neem ik ze dat kwalijk, en wanneer ze niet meer op mij gesteld zijn, veracht ik ze. Ik deug nergens voor, niet om me als landeigenaar te gedragen, ook niet om liefdadigheid te bedrijven. Laten we het over mijn talent hebben. Ik hoef maar een bladzijde Saint-Simon of Flaubert te lezen en ik krijg een kleur. Mijn fantasie is een fles, de ziel van een fles die al leeg is. Met een beetje routine zou een verslaggever datgene evenaren wat ik zo zelfvoldaan mijn stijl noem. Ik vlei mijn collega's in brieven en ik verafschuw ze als ik ze zie. Mijn egoïsme stelt buitensporige eisen. Een eerzucht zo huizehoog dat ze makkelijk over de Arc de Triomphe heen kijkt, en dan die onoprechte geringschatting voor onderscheidingen! Als ze me het Kruis van het Legioen van Eer op een presenteerblaadje kwamen aanreiken, zou ik ziek worden van vreugde en alleen even tot mezelf komen om te zeggen: 'Neem dat ding maar weer mee!' De rimpel in mijn voorhoofd wordt iedere dag dieper, nog even en de mensen zullen er niet meer naar durven kijken en zich afwenden, alsof het een grafkuil was. Ik werk zelfs niet zoals iemand die na gedane arbeid uitgeput wil genieten van verdiende rust, en desondanks zijn er, ik zweer het, kwartiertjes dat ik tevreden ben met mezelf.

Paul Léautaud -- 28 november 1933

Paul Léautaud (1872-1956) was een Franse schrijver. Onderstaand fragment komt uit Particulier dagboek 1933.

Dinsdag 28 november 1933. -- Ik bedenk mij, sinds twee dagen, dat ik des te minder wroeging hoef te hebben in verband met de 'Gesel', als ik mij in herinnering breng wat ik allemaal van haar heb moeten verdragen: grauwen en snauwen, vernederingen, scheldwoorden, plotseling de deur gewezen worden, waanzinnig egoïsme zelfs tijdens het vrijen, als ze mij uit haar bed stuurde naar een ijskoude slaapkamer, ogenblikken die ik heb doorgemaakt dat ik, met mijn afschuw van goedkope restaurants en hun klandizie, niet wist waar ik zou moeten lunchen, al die dingen waardoor ik, met mijn overgevoelige karakter en zo snel geneigd tot verdriet, zo diep en zo dwaas ongelukkig geweest ben. Nee, ik hoef niet de minste wroeging te hebben.
Ik heb dit jaar, zonder bediende thuis, een heerlijke zomer gehad, met mijn werk en mijn afspraken met M.D. Ik denk al aan die van de komende zomer.
Ik heb mij niet te beklagen. Ik ben in mijn 62ste jaar, heb wat uiterlijke lichamelijke gebreken (een mond waarin zoveel tanden ontbreken), maar voor de rest uiterst jong qua voorkomen en manier van doen, en ik vind een vrouw van 46 jaar, mijn God! Toch erg plezierig, zij weet dat ze geen cent van mij te verwachten heeft en trouwens, zij heeft dat niet nodig, en zij valt mij om de nek en doet als eerste toenaderingspogingen.

vrijdag 27 november 2015

Martine Bijl -- 27 november 1983

Martine Bijl (1948) is een Nederlands zangeres, actrice, schrijfster en cabaretière. In 1983 hield ze voor NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Zondag [27 november]
De nachtelijke storm heeft de bomen tot op hun bast uitgekleed. Er is geen redden meer aan: we zullen het de komende maanden met dit schilderij moeten doen. De roeiboot in de Vecht moet leeggehoosd. Ik realiseer me dat ik in geen weken een voet in de tuin heb gezet. De donkere zondag hoort thuis in een nachtboek. Tussen twee buien door knipt Henk de kale druiveranken bij. Verder doen we niets nuttigs en daar voel ik me, zoals altijd, schuldig over.
Vijf uur. Op naar Rijswijk. De hele dag hebben we geen trek in eten gehad, maar nu opeens wel. Bij de cafetaria in ons dorp slaan we twee zakken frites en een milkshake in, voor een wat simpele maagvulling onderweg. Bij de eerste bocht tuimelt de beker milkshake van het dashboard en stort zijn ijskoude, kleverige inhoud langs mijn kuit in mijn laars. Bij het eerstvolgende benzinestation bekijken we de schade. De wegenkaarten in het zijvakje blijken tevens doorweekt te zijn. Henk krijgt nu óók de pest in. 's Avonds, na de voorstelling, breekt een tand van mijn voorzet-gebitje, dat - met pruik en bril - een typetje moet ondersteunen. Geen dolle zondag, al met al.

woensdag 25 november 2015

Lidija Tsjoekovskaja -- 26 november 1958

Lidija Tsjoekovskaja (1907-1996) was een Russisch schrijfster en dichteres. Ze was bevriend met de dichters Anna Achmatova. Een dagboek van haar ontmoetingen met Achmatova is verschenen als Ontmoetingen met Anna Achmatova 1938-1962.

26 november 1958
Gisteren heb ik, op verzoek van Ljoesja, Anna Andrejevna mee naar huis gebracht. Ljoesja heeft een nieuwe hartstocht: de bandrecorder, en ze wilde de stem van Achmatova opnemen. Anna Andrejevna las zes gedichten en het derde hoofdstuk van het Epos zonder held, nadat ze eerst mijn exemplaar dat sinds lang verouderd was, had verbeterd. Ze waarschuwde ons dat haar stem bij een opname altijd lager klinkt dan in werkelijkheid en inderdaad, toen we de band afluisterden, klonk in de eerste twee gedichten een misplaatste bastoon, maar verderop bleek de opname vrijwel juist te zijn wat het timbre betreft, en helemaal correct qua intonatie. Ze las de verzen uit haar nieuwe rode Soerkov-bundel, waarin ze pagina's had geplakt met een groot aantal verzen die niet waren opgenomen.
Bij de thee vertelde ze me vol bitterheid dat Boris Leonidovitsj [Pasternak] haar had gebeld.
Aanvankelijk was ze verheugd, maar later toen hij zei: 'Een vrouw die mij na staat is van de zomer met haar dochter in Leningrad geweest, maar zonder een brief van mij heeft ze u niet durven opzoeken,' werd ze woedend: 'Dat gaat natuurlijk over Olga. Op baar aandringen heeft hij mij ook gebeld. Maar ik hou mijn deur op slot. Ik wil die oplichtster niet ontvangen.'
Ze zei echter dat ze van plan was met Nina Antonovna [Olsjevskaja] een bezoek te brengen aan Boris Leonidovitsj in zijn buitenhuis.
'Het zal een onuitgesproken condoleantiebezoek zijn. Ik laat de taxi wachten en blijf een halfuurtje. Niet langer. Over zijn zaken rep ik met geen woord; ik zal over het weer praten, over de natuur, over wat hij maar wil. Als hij niet thuis mocht zijn, laat ik een briefje voor hem achter, en daarmee is de kous af.'
Ze is woedend op hem. Jammer. Dit is niet het moment voor woede.
Tegen twaalven heb ik haar naar buis gebracht.