woensdag 9 december 2015

Jules Renard-- 10 december 1896

Jules Renard (1864-1910) was een Franse schrijver. Zijn Dagboek 1887-1899 is verschenen in de Privé Domein-reeks. Vertaling: F. de Haan & M. Kaas.

10 december
De ontvangstdag van Sarah Bernhardt.
Wanneer ze de wenteltrap van het huis afdaalt, lijkt het of zij stilstaat en de trap om haar heen draait.
[...]
Naast Georges Hugo zit Bauër. Hugo heeft zijn baard laten afscheren en deze waarschijnlijk aan Léon Daudet gegeven, die ik volledig bebaard zie. Bauèr zweet, en wrijft zichzelf droog alsof hij een tafel was. Ik stel me voor dat hij de ober om een spons zal vragen waarmee je een rijtuig schoonmaakt. Prachtig als een zon van suikergoed loopt hij uit over de bleke Sarah. Met haar blik inspireert ze iedereen. Ze heeft de onbeweeglijkheid van een beeld, alleen haar handen maken gebaren en haar ogen leven. Sardou, die lijkt op een Coppée die niet voor het voetlicht zou treden, omhelst haar.
'Ik heb gisteren uw naam geschreven/ zegt Haraucourt tegen me.
'Dat is nog eens aardig.'
'Op de aankondiging van mijn huwelijk.'
Ik weet niet hoe ik een vrouw een mantilla moet omdoen. Mevrouw Rostand sla ik de hare omgekeerd om, en ik geef haar de punt niet goed aan.
'Op een goede dag zal ook ik u toch eens de hand moeten kussen, als we ergens alleen in een hoekje zijn, om te zien wat er gebeurt,' zeg ik.
'Even boven de pols,' zegt ze, 'daar begint het prettig te worden.'
Sarah staat op. Zelfde aanbiddelijke spel op de trap. Bovenaan wacht Jules Chancel haar op en pakt haar hand als ze langsloopt.
In liet Théatre de la Renaissance. Ze wilde het te mooi maken. Phèdre speelt ze als een scène uit Amants, maar ze speelt het afschuwelijke geval van Parodi bewonderenswaardig. Sarah, een ongelooflijk 'hartediefje', om het zo maar eens te zeggen. Misschien heeft ze geen talent, maar na haar ontvangstdag die ons aller dag is, dag waarop we elkaar aardig vinden, waarop we dol op elkaar zijn, voelt iedereen zich een ander en beter mens. En die toestand van buitengewone opwinding is een weldaad, en als je de volgende dag geen talent hebt, ben je een ezel.
[...]
Dankzij de ogen van Sarah Bernhardt, ongehoord succes voor Rostand, wiens tekst van een indrukwekkende kracht is. Succes alsof zijn sonnet vijf bedrijven had, en het applaus voor Rostand vermengt zich met de bijval die naar Sarah gaat. Er komt geen eind aan, en het is onvergetelijk. En zij troont op eenzame hoogte, en wij zijn allen haar trouwe onderdanen die aan haar voeten liggen.
In de kleedkamer van zijn moeder is Maurice in tranen.
'Nog nooit heb ik het zo betreurd dat ik geen groot dichter ben,' zeg ik tegen Sarah Bernhardt.
'Maar u bent een groot dichter!'
'Ach welnee! Ik schrijf alleen maar niemendalletjes, maar ik heb oog voor verhevener dingen en ik kan ze bewonderen, en op dit ogenblik ben ik overgelukkig.'
'U vindt me dom, hè?'
'Ik vind u heel bijzonder.'
'Vandaag wil ik dom zijn. Wilt u me kussen?'
Ik geloof werkelijk dat ik me dat tweemaal heb laten zeggen. Ze kust me zonder omwegen op twee wangen. Ik kus haar zo'n beetje, uit een mondhoek, omdat ik geen druk durf uit te oefenen.
'Ben ik even in de wolken!' zeg ik tegen Rostand, tegen anderen. 'Sarah Bernhardt heeft me gekust! Ik heb Sarah Bernhardt gekust!'
En Maurice, die nog altijd huilt, zegt:
'Ze kennen mijn moeder niet. Ze is lief en goed.'
Ik wend me opnieuw tot haar en zeg:
'Wel, mevrouw, zal ik u eens wat zeggen? Weet u, u bent een goed mens.'
Ze heeft de uitspraak misschien niet gehoord, maar Rostand:
'Dat slaat de spijker precies op de kop.'
En allemaal zijn we vertederd, week gestemd, tot 's avonds laat.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen