maandag 30 april 2018

Willem de Clercq -- 1 mei 1816

Willem de Clercq (1795-1844) was een Nederlandse handelsman. Per karos naar St. Petersburg. Reisdagboek van de Amsterdamse graanhandelaar uit het jaar 1816.

Zevende dag, Tönning
Een weldenkend reisbeschrijver komt vaak bij het ter neder schrijven zijner belangrijke opmerkingen in grote verlegenheid, wanneer hij namentlijk plaatsen beschrijven moet, waarvan volstrekt niets te beschrijven is, en die zoo arm aan voorwerpen van natuur en kunst zijn, dat men er zelfs geen geestig uithangbord kan afschrijven. Onder deze soort kan men ook Tönning rangschikken, een zeer gewoon vlek, met huizen, kerk en plantaadje, doch verder ook niets bijzonders. De nationale trots vestigt zich hier op den haven, die ook vrij goed is, en den aanmerkelijken handel, die hier gedurende de blokkade van de Elbe gedreven wierd. Doch deze handel, die onnatuurlijk was, verdwenen zijnde, zoo zal niemand weigeren te bekennen, dat Tönning eene zeer doodsche en elendige plaats is, waarin men om 't half uur een mensch ziet en waarin buiten circa drie kooplieden niets in den handel omgaat, en bijna niemand kapitaal tot handel heeft. Men heeft hier dan zeer veel met den landbouw op en ieder heeft zijn buitengoed. Door dit buiten versta men echter geene Hollandsche buitenplaatsen, maar gewone boerderijen, op het open veld, behoorlijk met koe- en paardestallen voorzien, waar boomen nog struiken groeien en alwaar men aan wind en hitte op eene liefelijke wijze blootgesteld is. De zoogenaamde tuinen, die men hier en in geheel Holstein heeft, bestaan uit eenige bedden aspergiën met een regt pad tusschen beiden, en dit is dan ook alles. Vruchtbomen zijn hier, geloof ik, al zeer weinig, want men ziet dezelve op velden noch wegen. Landbouw is dus de grootste tak van bestaan, want over den handel hoort men bittere klachten, en deze bepaalt zich ook geheel tot uitvoer van granen en invoer van eenige kleine benodigdheden. Voorheen moet de weelde hier groot geweest zijn, doch thans heeft men daarover niet te klagen en eene partij whist, nevens een fles wijn in 't logement is zooal de gewone uitspanning. - Verder heeft men het hier overal druk over de staatkunde, over het al of niet blijven van Napoleon op St. Helena, over zijne Deensche Majesteit, die, dewijl hij van zijne magere Jutten weinig halen kan, zijne onderdanen uit de hertogdommen tot melkkoeien gebruikt, waarover men dan maar matig tevreden is, etc. Fabrieken vangt men hier nu en dan weleens aan, doch men legt spoedig met de beenen omhoog, en menig olymolenaar heeft zich reeds arm gemalen. Ieder nieuwling denkt slimmer als zijn voorganger te zijn, zooals het overal in de wereld gaat. Titelomanie is hier ook in den smaak, zoodat men zelfs nu en dan dengenen, die er genen heeft, met den titel van Herr Kaufmann aanspreekt.

zondag 29 april 2018

Josephine Giese -- 30 april 1882

Josephine Giese (1856-1926) publiceerde in in De Gids een fragment uit haar dagboek over een reis naar het Italiaanse eiland Ischia.

[30 april]
Des avonds zou de Tarantella worden gedanst op de verlichte terrassen der Piccola Sentinella. [...] Hier traden op Vincenzo, die zich als gids opwierp voor den vreemdeling, en Maria, die 's morgens met haar geitjes voor het hôtel kwam om de gasten van melk te voorzien. [...] Dit paar werd afgelost door een ander en toen ieder zijn beurt had gehad en wij ons hadden vermaakt met de verschillende expressies ga te slaan, die men aan de Tarantella geven kan, werden er eenige volksspelen vertoond, waarvan één spel voornamelijk onze lachlust opwekte. Het bestond daaruit dat de mannelijke leden van het danserstroepje zich met een flesch op het hoofd langzaam plat ter aarde moesten leggen ten einde een biljetje van vijf liren met den mond van de steenen op te nemen. Het duurde lang voordat dit iemand mocht gelukken, want zoodra de flesch wankelt en dreigt te vallen wordt deze van het hoofd genomen en aan een ander gegeven. Soms geschiedt dit wegnemen te spoedig naar den zin van den kunstenmaker en niet zelden ontstaan hieruit schermutselingen, waarbij de dolk al heel spoedig te pas komt.
Een jongman in witte hemdsmouwen en met een bijzonder donker en belangwekkend gelaat, droeg tot groote woede zijner mededingers den zegepalm weg, en Mevrouw Dombré zeide schertsend tot hem, dat hij zeker van het gewonnen geld iets moois zou koopen voor zijn bella Teresina. Wij vroegen waarom die schoone ook niet meegekomen was en Mevrouw Dombré zeide schouderophalende en lachend: ‘Vraag hem dit zelf eens.’
Wij richtten ons tot hem om te vernemen waarom hij zijn jonge vrouw niet had meêgebracht om de Tarantella met hem te dansen. Hij zag ons aan met zijn zwarte oogen en een dreigend licht vertoonde zich in hunne diepte: ‘Teresina zal niet dansen voor vreemden’, gaf hij kort ten antwoord.
Wij drukten onzen spijt uit dat wij de jonge vrouw, wier schoonheid wij zoo hadden hooren roemen, niet te zien kregen en zachter gestemd door onze belangstelling en misschien ook door de onverwachte winst zijner vijf liren, beloofde hij ons fluisterend dat hij haar des anderen morgens vroeg aan het hôtel zou brengen om haar aan ons voor te stellen.
[...]
Toen wij ons des anderen morgens vroeg aan het ontbijt bevonden en geen der andere gasten nog aanwezig waren, kwam een der kellners ons van de komst der ‘bella Teresina’ verwittigen; haar man had haar gebracht, en zou haar over een kwartier komen halen.
Teresina trad binnen. Haar gestalte was niet boven het middelmatige, maar rank en buigzaam; zij had een licht-geel kleedje aan met groote bloemen; zij droeg niet den bontgestreepten doek over het hoofd, maar haar prachtig zwart haar was gevlochten en opgebonden met een rood lint; een paar ronde gouden oorhangers deden de donkere tint van het ovale gelaat sterker uitkomen; haar oogen waren groot en zwart, de oogleden scherp afgeteekend door lange, zware wimpers; haar neus was fijn en gebogen, terwijl om den kleinen, hoogrooden mond een trek speelde, die iets demonisch had.
Inderdaad Teresina was schoon, maar het was de schoonheid van een Carmen, die velen ten verderve zou kunnen strekken.
Wij vroegen haar hoe lang zij getrouwd was en waarom zij gisterenavond niet was meegekomen. De trek om den mond verdiepte zich en zij trok haar roode lippen eenigszins op toen zij zeide:
‘Ik ben nog geen jaar getrouwd; ik houd dol van dansen, maar mijn man wil niet dat ik dans.’
En hoorende dat wij niet getrouwd waren riep zij, mijn reisvriendin en mij aanziende:
‘O wat zijt ge gelukkig dat ge geen man hebt!’

Astrid Lindgren -- 29 april 1940

Astrid Lindgren (1907-2002) was een Zweedse kinderboekenauteur. In 2015 is haar oorlogsdagboek gepubliceerd (Nederlandse vertaling).

29 april
In Noorwegen wordt in volle hevigheid geknokt. Veel dorpen zijn volledig door bommenwerpers verwoest. Veel mensen zijn dakloos. Volgens mij is het erger om nu in Noorwegen te leven dan het in Finland was, omdat in Noorwegen het thuisfront zo onrustbarend heeft verzaakt. Het lijkt of het Noorse verzet over de gehele linie tamelijk slap was. De bijdragen van de geallieerden zijn tot nu toe meer dan belabberd. Toch schijnen er daar tamelijk grote troepenmachten te zitten, zowel Engelsen als Duitsers. Helemaal in het noorden is de Noorse mobilisatie min of meer volgens plan verlopen en daar hebben de Engelsen de situatie vermoedelijk onder controle. Maar het hele zuiden van Noorwegen is in handen van de Duitsers en die gaan vreselijk krachtig en efficiënt te werk. In Berlijn was een grote persconferentie en Von Ribbentrop heeft een toespraak gehouden en documenten overlegd om te bewijzen dat de geallieerden een invasie van Noorwegen hadden voorbereid die uitsluitend verijdeld is omdat Duitsland die vóór was. Tegelijkertijd beweert men dat de Noorse regering niet absoluut neutraal is geweest. De Zweedse regering neemt daarentegen, zei Von Ribbentrop, een strikte neutraliteit in acht. In de buitenlandse pers wordt beweerd dat de positie van Zweden aanzienlijk is verbeterd. Maar we bevinden ons nog steeds in de hoogste staat van paraatheid en we hopen dat daar niets aan verandert voordat die ellendige oorlog een keer ophoudt.

2 mei
De lente is gekomen. 'O, wat lacht die meizon heerlijk,' zongen de studenten uit Uppsala op de radio tijdens het Walpurgisfeest [30 april] en je kon er bijna niet naar luisteren, zo mooi was het. De zon heeft de hele feestdag geschenen en het is eindelijk een beetje warm geworden na die vreselijke winter. Gisteren is bijna heel Stockholm naar [de wijk] Gardet getrokken om in een gezamenlijke burgeroptocht, die de partijbelangen overstijgt, te demonstreren. Mevrouw Stackig en Göran zijn met mij en dé kinderen meegegaan als toeschouwers. De hele stad was net een bijenkorf.
Vandaag zijn Karin en ik in [het bos van] Judarnskogen geweest en hebben we gezien dat de lente is gekomen. Dit jaar is er zoiets eigenaardigs met de lente; onwillekeurig verheug je je erover, maar tegelijkertijd geeft het een nog onverdraaglijker gevoel als je eraan denkt dat mensen elkaar doden terwijl de zon schijnt en de bloemen ontluiken.

vrijdag 27 april 2018

Arthur Japin -- 28 april 2004

Arthur Japin (1956) is een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken 2000-2007 zijn gepubliceerd als Zoals dat gaat met wonderen.

[28 april 2004]
Zodra mensen groepsgewijs reageren, reageer ik tegenovergesteld. Zo heeft het leven mij geprogrammeerd. Hierdoor ben ik op mijn best in noodsituaties. De opwinding rond de Libris-tafels in het Amstel maakt mij dan ook alleen maar kalm. Het nieuws schijnt te zijn uitgelekt dat ik gewonnen heb. Prima, zou je denken, hoe eerder hoe beter, dan kan ik rustig verder eten. Maar het brengt iedereen in rep en roer. Bij Nova, het programma dat de uitslag later op de avond bekend had moeten maken, heerst uiteraard ergernis. Wanneer ik live in de uitzending kom, kan ik Paul Witteman niet zien, alleen horen. Hij klinkt boos, alsof het lekken mijn schuld is, maar dat stemt mij nog laconieker. De vrolijkheid van alle felicitaties die nog volgen maakt vooral dat ik denk: nou, zo bijzonder is het nou toch ook weer niet!
Verliezen lijkt me vreselijk, maar winnen doet me weinig. Hoe diep ik ook in mezelf graaf, het beste wat ik vind is tevredenheid dat mijn intuïtie me weer niet in de steek heeft gelaten. Blij ben ik in de eerste plaats voor iedereen om me heen. De opluchting van Lex en Ben, die naar de gang rennen om hun ouders te bellen! Maar zelf uitgelaten of opgetogen? Nee, in de verste verte niet. In plaats daarvan voel ik me ten diepste doordrongen van mijn voortdurende voorspoed op alle andere gebieden. Mijn levensgeluk is zo volledig dat zo'n bekroning daarbij vergeleken een bijkomstigheid lijkt. (In die zin doet het nogal denken aan het overlijden van een naaste, dat je wijst op alle zegeningen die je resten en je blik onweerstaanbaar naar het leven dwingt.) Dan ineens dringt tot me door dat ik dit allemaal alleen maar kan denken en zeggen omdat ik die prijs heb. Had ik verloren dan had ik me door mijn intuïtie bedrogen gevoeld, zo belabberd dat er helemaal geen ruimte was geweest om na te denken over wat voor geluk op welk vlak dan ook. Het werkelijke belang van die prijs is dus vooral dat hij je de afstand verschaft te beseffen hoe gelukkig je eigenlijk al was voordat je hem kreeg. Daar ben ik erg blij mee.

donderdag 26 april 2018

Eugène Delacroix --- 27 april 1850

• Eugène Delacroix (1798-1863) was een Franse schilder. Dagboekfragmenten en brieven van zijn hand zijn verzameld in Ik heb het niet over middelmatige mensen (vertaling: Joop van Helmond).

Champrosay, vrijdag 26 april. [1850] – Om halftwaalf naar Champrosay vertrokken. Dolgelukkig om weer hier te zijn. Het verrukkelijkst is het gevoel van de volledige vrijheid die ik hier geniet. Hier kunnen vervelende mensen me niet komen opzoeken, zij het dat me dat wel is overkomen, zo moeilijk is het om hun te ontlopen. De tuin was prima op orde en alles is goed gegaan.

Zaterdag 27 april. [1850] – ’s Avonds slaap ik buitensporig veel, en soms zelfs overdag. Het nadeel van het platteland, voor een man die ertegen opziet om veel te lezen, is de verveling en een zekere droevigheid die de aanblik van de natuur oproept. Dat voel ik allemaal niet als ik aan het werk ben; maar dit keer heb ik besloten om absoluut niets te doen, om rust te nemen van het wat abstracte werk aan de compositie van mijn plafond. [Delacroix had de opdracht gekregen voor een plafondschildering in de Apollozaal van het Louvre.]

Dinsdag 30 april. [1850] – Om negen uur de deur uit gegaan. Het steegje van de Markies genomen en tot aan de Hermitage gelopen. Tegenover de Hermitage is een groot stuk bos weggekapt. Ieder jaar zie ik weer met hartzeer een deel van het bos tegen de grond gaan, en altijd weer het mooiste, dat wil zeggen het dichtste en oudste deel. Er liep daar een lieflijk, lommerrijk pad. Rechts afgeslagen tot aan de eik die de Prior heet. Daar zag ik langs het pad een stoet mieren, waarover ik van natuurkenners wel eens de nodige uitleg zou willen horen. De hele stam leek in het gareel voorbij te trekken alsof ze emigreerden; een klein aantal werkmieren liep in tegenovergestelde richting tegen de stroom in. Waar gingen die naartoe? We zitten allemaal, rijp en groen, dieren, mensen, planten, opgesloten in deze immense doos die we het universum noemen.We pretenderen te kunnen lezen wat er in de sterren staat, gissen over de toekomst en het verleden die buiten ons blikveld liggen, en we begrijpen geen jota van wat zich onder onze ogen afspeelt. Al deze levende wezens, voor altijd van elkaar gescheiden en voor elkaar ondoorgrondelijk. [...]

woensdag 25 april 2018

Marina Tsvetajeva -- 26 april 1919

Marina Tsvetajeva (1892-1941) was een Russische dichteres. (Hier een gedicht van haar, hier nog een). In Ik loop over de sterren (vertaling door Anne Stoffel) zijn dagboekfragmenten van haar opgenomen.

Ik treed in dienst bij Monplenbezj, - in de Cartotheek.
26 april 1919.
Ik ben nog maar net thuis, en ziedaar, een grote eed: ik ga nergens meer werken. Nooit. Al ging ik dood.
Het ging zo. Smolenskiboulevard, een huis in een tuin. Ik kom binnen. Een kamer als een doodkist. Wandenvol kaartjes: geen sprankje licht. Papierlucht (niet de edele geur van boeken, maar die van stof. Ha, het verschil tussen een bibliotheek en een cartotheek: het een ruikt naar tempel, het andere naar stempels!). Schrikwekkend elegante juffertjes (de medewerksters). Met strikken en 'bottes'. Als ze me zien, zullen ze me verachten. Ik zit tegenover een getralied raam, het Russische alfabet in mijn handen. De kaartjes moeten gesorteerd op letter (alles met een A, alles met een B), dan op tweede letter, dus: Abrikosov, Achmedov), dan op derde. En zo van 9 tot half 6. De maaltijden zijn duur, ik kan hier niet eten. Vroeger kreeg je nog weieens wat van het een of ander, nu niet meer. Het paasrantsoen ben ik misgelopen. De cheffin is een kortbenige, veertigjare inktvis, korset, bril, verschrikkelijk. Ik ruik de gewezen inspectrice en de huidige gevangenbewaarster. Venijnig-naïef verwondert ze zich over mijn traagheid: 'Onze norm is tweehonderd kaartjes per dag. U bent blijkbaar niet bekend met dit werk'...
Ik huil. Gezicht van steen en tranen als keien. Het lijkt meer op een smeltende tinnen afgod dan op een huilende vrouw. Niemand ziet het, omdat niemand opkijkt: snelheidswedstrijd.
'Ik heb zo-en-zoveel kaartjes!'
'Ik zo-en-zoveel!'
En plotseling, zonder het te beseffen, sta ik op, graai mijn spullen bijeen en loop naar de cheffin: 'Ik heb me vandaag niet ingeschreven voor het eten, mag ik even naar huis?'
Haar scherpe bebrilde blik: 'Woont u ver weg?' 'Vlakbij.'
'Wel met een half uur terug zijn. Dit is hier niet de gewoonte.'
'O, natuurlijk.'
Ik loop naar buiten — nog steeds als een standbeeld. Op de Smolenskimarkt barst ik in tranen uit. Een vrouw, verschrikt: 'Ach juffrouw, hebben ze je bestolen!'
En ineens lach ik. Jubeling! Zon op mijn hele gezicht! Natuurlijk. Nergens. Nooit.

Niet ik ben bij de Cartotheek weggegaan: mijn benen hebben me weggedragen! En mijn ziel — mijn benen: buiten de rem van mijn bewustzijn om. Dat is nu instinct.

dinsdag 24 april 2018

Daniël Robberechts -- 25 april 1964

Daniël Robberechts (1937-1992) was een Vlaamse schrijver. Dagboek '64-'65.

 Za 2504 Droom: toevallig samenzijn met een jongen (Owen? Maar die had me nooit zo bekoorlijk geleken; een duivel?) die zich schaamt over zijn verdorvenheid (de bekoring die uit deze schaamte spreekt) en mij ertoe aanzet. (Coprofagie; de feces wit vloeibaar en brokkelig, smaak- en reukloos.) Het verder nog aan de stok gekregen met Maxime Mollet over een rekening die niet klaar is, met Pobé die me onuitstaanbaar vervelend vindt. Vanmorgen zeer mistroostig, zoals gewoonlijk na een homoseksuele droom. Misschien is het de laatste tijd alleen maar erger. □ Gisteravond een auto die met gedoofde lichten op de landweg stopt. Ik denk: wat zou er daarbinnen gebeuren? Cee slaapt. □ Het woord cultuur. In het oosten: Unsere Kultur. In het noorden: Kultuurkamer. In het zuiden: het radiostation Paris n dat onder het bewind van De Gaulle wordt veranderd in France Culture. De cultuur moet dus in het westen worden gezocht, bvb. bij Churchill: 'Verschil tussen beschaving en cultuur? Wie een badkamer heeft is beschaafd. Wie ze gebruikt, heeft cultuur.' □ Mijn grootvader langs moederszijde was een slager. Mijn vader heeft men de linkerarm moeten afzetten toen hij een tiental jaren oud was. Hierin verschil ik met mijn grootvader dat het mijn eigen vlees is dat ik debiteer, en dat hij rijk genoeg was om te gaan rentenieren toen hij 45 was. □ Vermoed een maneuver van Ontwikkeling om van Zesmaal niet dan bepaalde verhalen te publiceren. Ik zal het vertikken, behoudens uitzonderlijk voordelige voorwaarden. Met dat ik zo nijver werk is het me of ik er mijn voeten aan veegde, te worden uitgegeven of niet. □ Elf uur: misschien zijn het weeën die Cee nu voelt. □ Achttien uur: het ziet ernaar uit. Dankbaar - aan wie? - dat Cee zo mooi zwanger is geweest, wanneer ik een zwangere vrouw altijd afschuwelijk had gevonden. Ik vind haar mooier zoals ze nu is dan voor drie of zes maanden, want dan choqueert het, men kan niet overduidelijk zien wat het is.

maandag 23 april 2018

Nico Rost -- 24 april 1945

Nico Rost (1896–1967) was een Nederlands schrijver, vertaler en journalist. Door zijn verzetswerk in de oorlog kwam hij in Dachau terecht. Het (beroemde) dagboek dat hij daar bijhield is gepubliceerd als Goethe in Dachau.

24 April 9 uur 's morgens
Er is dezen morgen voor de eerste maal geen appèl gehouden. De Joden hebben den heelen nacht op de appèlplaats gestaan - vanaf gister middag twaalf uur dus - en ze zijn pas een uur geleden vertrokken. De meesten waren zoo uitgeput, dat ze omvielen en de Russen van de Totenkammer hebben al meer dan zestig lijken weggedragen.
400 Joodsche vrouwen die gisteravond - nog heel laat - uit Käufering zijn gekomen, werden weer verder gestuurd. De meeste waren uit Hongarije en Letland afkomstig. We hebben hen eten gebracht, zeep en sigaretten.
Ze waren erg moedig en geen enkele van hen liet zich gaan, hoewel ze er van overtuigd waren, dat ze het er niet levend af zouden brengen.
Het gelukte ons een paar van hen, die bijzonder zwak waren, in het Revier bij de andere vrouwen te stoppen.

10 uur
A. komt me zoo juist vertellen, dat de Joden op het rangeerterrein bij het SS kamp in wagons zijn gestopt.
Hebben ze toch nog wagons?
Voor ons ook?
Voor 35.000 man? Dat weiger ik te gelooven.
Dus ons hier..... erledigen?
De heele ochtend reeds duikvliegers boven het SS kamp. Waarom verhinderen die de evacuatie van de Joden niet? Dat moet toch mogelijk zijn?

11 uur
De Joegoslaaf van de Lagerschreibstube wist alleen, dat Ruppert gisteren een lang telegram aan Himmler heeft gestuurd, maar dat er tot nu toe nog geen antwoord is.
Hoe zal het luiden? Daar zal wel alles van afhangen.....

12 uur
Ik ga nog rond met de doodenlijsten, maar ze kloppen niet meer.
150 dooden - alleen al in het Revier.
Van vele lijken die naar de Totenkammer gebracht worden, weten we niet eens waar ze vandaan komen.
In de straatjes tusschen de quarantaineblokken liggen weer tientallen lijken, die nog niet eens weggehaald zijn.
Sinds S. vlektyphus heeft probeer ik de namen van de gestorven Nederlanders bij te houden, maar ook dat wordt steeds moeilijker, want vandaag stond in mijn lijst: ‘50 Unbekannte - Abgang durch Tod.’

1 uur
De SS plundert de levensmiddel-magazijnen van het kamp, komt Nicolai vertellen.
Zou er morgen nog iets te eten zijn?

Een uur later
Ben met Piet naar het kleerenmagazijn gegaan; daar van Post-Uiterweert burgerkleeren gekregen, die niet gemerkt zijn. We willen ze aantrekken als ze ons toch nog ecavueeren.
Piet heeft bovendien een kaart van Beieren.
Afgesproken, brieven en de leeskaart van de kampbibliotheek mee te nemen, als legimitatie-papieren voor onderweg.
Voorloopig is het echter nog niet zoo ver.
Maar morgen?

's Middags 5 uur
Suire heeft zijn cursus over het werk van Peguy tòch vervolgd. Sprak over P. 's socialisme, (dat hij als een soort evangelisch socialisme karakteriseerde), over zijn opvattingen van de armoede - (‘Jean Coste’) - verder over ‘l'Argent.’
Er schijnt op het oogenblik in Frankrijk weer groote belangstelling voor zijn werk te zijn. S. sprak zelfs van een Péguy-Renaissance.
Dat is natuurlijk geen toeval, maar een gevolg van de sociale omwenteling die zich in Frankrijk al begint af te teekenen. Studie van Péguy kan misschien helpen om den afstand tusschen Katholieken en Communisten minder diep en minder breed te maken, een brug te bouwen tusschen het Vatikaan en het Kremlin. En dat zal - vooral in Frankrijk - misschien heel gauw een cardinaal probleem worden.

's Avonds 9 uur
Een uur geleden moesten plotseling alle Duitschers aantreden.
De Rapportführer heeft een soort toespraak gehouden, waarin hij zeide, dat de Häftlinge kalm moesten blijven. Het beste bewijs, dat de SS... nerveus begint te worden.
Hij heeft 70 man uitgezocht, een soort Polizei... ‘om de orde te bewaren’ zei hij, en hen - als bewijs van vertrouwen - beloofd, dat ze hun haar mochten laten staan.
Hun haar laten staan? Voor dat gegroeid is, leven zij - of wij niet meer.

zondag 22 april 2018

Samuel Pepys -- 23 april 1661

• De Engelsman Samuel Pepys (1633-1703) hield negen jaar (in geheimschrift) een dagboek bij, waarin hij op ongedwongen toon noteerde wat hij zoal meemaakte, van zijn moeilijkheden met de stoelgang en zijn amoureuze escapades tot allerlei zaken van landsbelang. Een selectie is in vertaling (van Heleen ten Holt) verschenen als Geheim dagboek van een puritein.

23 april 1661
Dag van de kroning [van Karel II]. Ben al om vier uur opgestaan en naar de Abbey gegaan. [...] Daar heb ik van vier tot elf uur geduldig zitten wachten tot de Koning zou komen. [...] Eindelijk kwam de Koning binnen, zijn scepter, zwaard en rijksappel werden voor hem uit gedragen en de kroon ook (my Lord droeg de scepter). […] Van de kroning zelf heb ik van de plaats waar ik zat helaas niets kunnen zien. Toen de kroon op zijn hoofd was gezet, ging er een luid gejuich op. […] Ik ben toen naar Westminster Hall gegaan, waar alles prachtig versierd was met mooie tapijten aan de wanden; en overal tribunes vol met elegante dames. Mijn vrouw zat er ook. [...] Ik ben toen met mijn vrouw naar de Bowyers gegaan, waar we nog tot laat op het dak hebben gezeten in de hoop iets van het vuurwerk te zien, maar er kwam niets. [...] Ik zelf ben met mijnheer Hunt nog bij mijnheer Thornbury van de wijnkelders van de Koning te gast geweest. Daar hebben we eindeloos op de gezondheid van de Koning zitten drinken, totdat een van de heren van ons gezelschap stomdronken onder de tafel rolde. Ik heb zonder ongelukken het huis van my Lord bereikt maar toen ik bij mijnheer Shepley in bed was gekropen begon mijn hoofd te gonzen en moest ik overgeven; als ik ooit dronken ben geweest, dan was het nu wel. [...] En zo eindigde deze dag voor iedereen in vreugde.

En nog een staartje uit het origineel:
Thus did the day end with joy every where; and blessed be God, I have not heard of any mischance to any body through it all, but only to Serjt. Glynne, whose horse fell upon him yesterday, and is like to kill him, which people do please themselves to see how just God is to punish the rogue at such a time as this; he being now one of the King’s Serjeants, and rode in the cavalcade with Maynard, to whom people wish the same fortune.

zaterdag 21 april 2018

Pitirim Sorokin -- 22 april 1917

• De bekende Russisch-Amerikaanse socioloog Pitirim Sorokin (1889-1968) maakte als lid van de regering na de Russische februari-revolutie van 1917 van zeer nabij de machtsovername door de bolsjewiki mee. In 1922 werd Sorokin gedwongen in ballingschap te gaan. Hij geeft in zijn dagboek (vertaald door Tinke Davids) een boeiend ooggetuigeverslag van de omwenteling van 1917, die voor Rusland van beslissende betekenis zou worden.

22 april 1917
De politieke emigranten blijven bet land binnenstromen. Van de leiding van onze partij zijn daarbij: Tsjemov, Avksentjev, Boenakov, Stalinski, Argoenov, Lebedev en anderen. Over een paar dagen verwacht men de bolsjevistische leiders, Lenin, Trotski, Zinovjev en anderen. Die keren terug via Duitsland met hulp van de Duitse overheid, die hun een speciale ‘plombierte’ trein heeft geleend. Sommige van onze mensen zijn kwaad op de Voorlopige Regering dat ze deze lieden toestemming heeft gegeven terug te keren, Het gerucht gaat dat Lenin en zijn metgezellen (ongeveer veertig in getal) ingehuurd zijn door de Duitse generale staf om het volk in Rusland op te roepen tot burgeroorlog en het Russische leger nog verder te demoraliseren. [...] Lenin en zijn metgezellen zijn gearriveerd. Hun eerste toespraken op de Bolsjeviekenconferentie waren gênant, zelfs voor extreem links. Lenin en zijn bentgenoten zijn nu heel rijk, en als gevolg daarvan zijn er veel meer bolsjevistische kranten, pamfletten, proclamaties en dergelijke gekomen. Trotski heeft een heel duur appartement gehuurd. "Waar halen ze al dat geld vandaan? Dat is de grote vraag. De ‘socialisatie’ is begonnen. De Bolsjeviki hebben beslag gelegd op de villa van de balletdanseres Ksjessinska, de anarchisten hebben de villa van Doernovo en andere huizen in bezit genomen, en de bewoners zijn op staande voet op straat gezet. Hoewel de bezitters beroep hebben aangetekend bij de rechtbank en de Regering, heeft men niets ondernomen om hun eigendom terug te geven. 

Georg Christoph Lichtenberg -- 21 april 1786

• De Duitse fysicus, sterrenkundige en denker Georg Christoph Lichtenberg (1742-1799) is vooral bekend vanwege zijn zogenoemde Sudelbücher (‘kladboeken’) vol briljant geformuleerde invallen, observaties en overpeinzingen over zaken “zo onbeduidend dat ze door de meesterdenkers uit zijn tijd over het hoofd werden gezien”. Als ‘kind van de Verlichting’ was hij nieuwsgierig en onderzoekend, en zo komt hij ook naar voren in zijn brieven, die zijn vertaald als Gekleurde SchaduwenVertaald door Marion Offermans.

Göttingen, 21 april 1786
In Holland heb ik weinig of geen kennissen. Ik houd niet van die mensen daar, de steden zijn prachtig en u zult daar woninginrichtingen zien zoals je je die in je dromen voorstelt. Er is geen belangrijke stad in Holland die ik niet heb gezien. Ik heb zijn scheepvaart en zijn huizen bekeken maar zijn bewoners vond ik, enkele geleerden uitgezonderd, onverdraaglijk. Ze halen het op geen stukken na bij de Engelsen. Wie vanuit Engeland naar Holland komt denkt van een gezelschap welopgevoede officieren terecht te zijn gekomen tussen tamboers en provoosten. Als u de zee in al haar luister wilt zien, verzuim dan vooral niet Scheveningen of Schevelingen, één uur van Den Haag, aan het eind van een aangenaam bos, zowat het enige in Holland, te bezoeken. Het uitzicht is daar fantastisch, omdat er geen eilanden tegenover liggen en er ook geen diepe haven vol schepen het uitzicht belemmert; u ziet de zee daar zoals de dennenbossen1 vanaf de nieuwe poort in Darmstadt. Maar, beste vriend, probeer vooral een tochtje op zee te maken, al was het maar op een vissersboot, in elk geval drie tot vier mijl vanaf het land. U zult daar dingen zien waar iemand die in het binnenland woont geen benul van heeft.

donderdag 19 april 2018

Carry Ulreich -- 20 april 1942

• Het Joodse meisje Carry Ulreich (1926) zat in de oorlog ondergedoken in Rotterdam. Ze hield van 1941-1945 een dagboek bij, dat onlangs is gepubliceerd als 's Nachts droom ik van vrede.

Maandagavond 20 April
't Is al 1 1/2 week geleden dat ik voor het laatst schreef. Mijn belofte niet nagekomen, maar dit kwam omdat ze vorige zaterdag schoten, en ik niet boven mocht slapen, dus ook niet geschreven. Zondag en maandag had ik nog vakantie en dinsdag weer naar school, juist op tante Doras verjaardag 14 april. Nu zitten we weer volop in het werk en de repetities. Vanmiddag heb ik gespijbeld van school, want ik had n tikkeltje buikpijn, mijn lessen voor s middags niet geleerd en waarschijnlijk aardrijkskunde schriftelijk, en de zon scheen zo mooi, en ik had nog zoveel andere dingen te doen. Dus ging ik s middags naar huis. Heb gegeten, kamer gestofzuigd en boodschappen gedaan. Was wel gezellig.
Gisteren was ik in Den Haag. Net word ik zaterdagavond ongesteld ('mijn tante kwam op visite', noem ik dat) en dan heb ik altijd vreselijke pijnen. Ik ben al bij de dokter geweest, maar die gaf mij poeiers, die niets helpen. Hij zei, dat ik maar eens onder de lamp moest, als het zo erg bleef. Maar het blijft zo erg en mama wil de dokter niet opbellen of hij komt met de lamp. Wij zijn niet zo dokterig. Maar ik heb altijd zo'n pech. Als ik al ergens naar toe moet, dan komt mijn tante op visite' en moet ik thuisblijven. Na 4 uur is het meestal over, dan heb ik overgegeven en trappel niet meer met mijn benen, maar lig rustig en ga slapen. Als ik opsta, is het dan voor 99% verdwenen. Maar zaterdagavond voelde ik nog niets en heb rustig geslapen. Toen ik opstond, had ik pijn en heb van alles geslikt en het elektrisch kussen op mijn buik genomen' Doorgezet en weggegaan. In de trein beetje pijn nog, maar verder niet. Sonja was heel aardig. We zijn naar Scheveningen gegaan, naar een meisje (cursusleidster), waar een gezellige bijeenkomst was, meest Mizrachisten [orthodoxe zionisten]. Ze voerden een Poerim-stuk op, omdat het meisje dat de regie had ziek was en zodoende kregen we na Pesach een Poerimstuk. Sonja was Esther. Wel aardig gedaan. Kennissen waren er haast niet, ik ken ze alleen maar van Gideon en die was er niet. Jongens waren er helemaal niet.
Maar mijn middag was verstoord door een buurmeisje van Sonja, dat er ook was. Het kind heeft luizen. Je zag ze op en neer wandelen. Vreselijk. Ik werd er gewoon misselijk van. En ze kwam de hele tijd naar me toe, en ik ging maar van haar weg, want ik heb geen zin ze weer te krijgen, want ik heb ze gehad. Rachel heeft ze geloof ik uit kantoor meegebracht en zo ik ook. We hebben 't flink uitgekamd en ingesmeerd met één of ander goedje. Nu hebben we alleen maar eieren, als die uitkomen worden het luizen, maar daar waken wij voor. 's Avonds heb ik bij Sonja gegeten. Was erg lekker: kwam pas 9 uur thuis. De rest was er nog niet, kwam pas 10.30 uit Woerden, waar Daisy Rynderman jarig was.
Met Bram gaat het goed. Komt ± 3 maal per week Rachel van cursus halen en sjabbathmiddag wandelen, 's avonds met Borah pianospelen en zondag fietsen. Dag, ik ga slapen, het is al half twaalf.

woensdag 18 april 2018

Ernst Jünger -- 19 april 1943

• Op een beklemmende, transparante manier beschrijft de Duitse schrijver Ernst Jünger  (1895-1998) in zijn Parijs dagboek 1943-1944 (vertaald door Tinke Davids) de noodlotsjaren 1943 en 1944. De naderende catastrofe is overal voelbaar en dringt dominant door in Jüngers conversatie met Parijse kunstenaars en intellectuelen.

Parijs, 19 april 1943.
Neuhaus, een groot bloemenliefhebber, had het verstandige idee opgevat samen met mij een uurtje ons kantoor te verlaten en een bezoek te brengen aan de Botanische Tuin van Auteuil, waar de azalea’s in bloei staan. Een grote koude kas stond vol met duizenden van deze struiken, zodat het geheel leek op een zaal met een bont geweven tapijt en kleurige wanden. Een grotere rijkdom, meer levendige tere kleuren had men niet bijeen kunnen brengen. Toch ben ik geen vriend van de azalea’s, wier tinten ik ervaar als ametafysisch; zij bieden kleuren van slechts één dimensie. Dat is waarschijnlijk de reden van hun grote populariteit; zij spreken puur tot het oog, maar het drupje van het arcanum arcanorum supracoeleste* ontbreekt in de zuiver geëxtraheerde tinctuur. Daarom is ook de geur afwezig.


* Arcanum arcanorum supracoeleste = geheim der geheimen boven de hemelen


dinsdag 17 april 2018

Agostino Franciotti -- 18 april 1668

Het dagboek van den Keulschen Nuntius Agostino Franciotti, gehouden tijdens zijn voorzitterschap van het Vredescongres te Aken (1668). De Vrede van Aken regelde de vrede tussen Frankrijk en Spanje na de Devolutieoorlog, waarin Frankrijk op de Spaanse Nederlanden (zeg maar België) aasde. Tijdens het vredescongres bemiddelden Nederland (dat de Fransen niet als buren wilde), Engeland en Zweden, en de Heilige Stoel - die werd vertegenwoordigd door Agostino Franciotti.

[18 april]
Woensdagmorgen kwam de gezant van Frankrijk mij de minuut brengen van het tractaat en het gesprek kwam op de bedoelingen der Hollanders en hij zeide mij, dat hij absoluut geloofde, dat al deze bedoelingen op den vrede gericht waren, dat echter iemand hun er mede angst had willen aanjagen, dat de koning van Frankrijk zich na den vrede zou wreken over het tractaat en een verbond sluiten met de Spanjaarden.

In deze minuut zal U.E. zien, dat, wat betreft de verschuldigde eer aan Zijne Heiligheid, alles in orde is en ik voeg er bij, dat ik er niet aan twijfel om een apart document te doen maken voor de bemiddeling van de Engelschen en Hollanders en de vorsten en keurvorsten van het Rijk, die zich zonder onderscheid aan de zijde der ketters stellen.

Na het eten kwam de bisschop van Straatsburg mij zeggen, dat Zijne Allerchristelijkste Majesteit den wapenstilstand voor heel de maand Mei had toegestaan en dat men zeker wist, dat de Hollanders zich niet zouden laten binden door den markies van Castel-Rodrigo, die aan hun gezanten in Brussel had verklaard, dat hij in werkelijkheid noch de beslissing in handen kon leggen van hun gezant te Parijs noch hijzelf eenig artikel in Brussel kon teekenen, maar dat het noodzakelijk was hier te komen, waar hij ze gestuurd had1). Bovendien zeide hij mij, dat er een nieuwe ijlbode uit Madrid bij den markies aangekomen was en een andere regelrecht naar Den Haag aan Don Stefano de Gamarra1) gezonden was, die, naar Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid meende, hier zou komen en dat het waarschijnlijk was dat Don Juanni di Austria2) meer dan wie ook den vrede wilde.

Na dit bezoek ging ik naar baron van Bergheyck en bracht hem de minuut, die mij 's morgens door den gezant van Frankrijk gegeven was, en verzocht hem om een onmiddellijk en precies antwoord en als hij het niet uit zichzelf kon geven, dat hij expres een edelman zou zenden om het te krijgen van den markies. Ik bood hem aan, hem een paspoort te verschaffen van Colbert, als hij dat noodig achtte. Hij zeide, dat hij het doen zou; maar ik geloof niet dat hij met spoed zal voldoen aan het algemeen verlangen. Hij bevestigde mij de overgave van de onderteekening der artikelen door den markies in deze stad, zooals de bisschop van Straatsburg gezegd had en de komst van den ijlbode uit Spanje voor den markies, maar niet dien voor Don Stefano, en ik oordeelde het niet gewenscht hem daarnaar te vragen. Hij zeide, dat hij niet wist, wat deze gebracht had, maar dat hij een expres uit Brussel verwachtte.

maandag 16 april 2018

Rutger Kopland -- 17 april 1996

Rutger Kopland (1934-2012) was een Nederlandse dichter en hoogleraar. In 1996 gaf hij na zijn emeritaat colleges over poëzie in enige Oost-Europese landen. Hij hield over die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jonge sla in het Oosten. Het onderstaande fragment beschrijft de eerste dag van de reis naar Boedapest en Bratislava.

17 april 1996
Op twee kilometer hemelsbreed van ons huis stijgen we op. Het is een beetje mistig, windstil lenteweer. Nederland ligt er keurig bij. Afgezien van wat kromme riviertjes en wat rommelige stukjes 'natuur'—wanneer ruimen ze die nu eens op - is ons land geheel in vierkanten en rechthoeken opgedeeld. Hoeken van negentig graden zijn de mooiste. Het vliegtuigje vliegt laag, en de wereld is zo mooi plat en vlak dat ik onze schaduw zie meegaan over de aarde. Voor de landing zie ik tot mijn geruststelling dat onze wieltjes zijn uitgeklapt. Alles is onder controle.
Op Schiphol begint altijd dat licht eufore gevoel van vervreemding. Al die mensen met die gezichten, die benen die allemaal een andere kant op lopen, al die rare namen die naar informatiedesks worden geroepen, zouden wij ook van die mensen zijn, die daar lopen, dat gevoel. Onze Malev staat eindeloos ver weg, een kwartiertje over transportbanden. In het grote vliegtuig zit een handjevol mensen. Tja, wat moetje daar ook in Midden-Europa?
Maar een paar uur later zitten we gewoon waar we zitten, op een terrasje in Boedapest met Birgit Lijmbach, een Groningse docente Nederlands, voor een jaar werkzaam in het instituut waar ik het over poëzie zal gaan hebben. Groningen, ach, het is in een paar uur tijd al helemaal weg. Het is aangenaam vreemd in alle opzichten, de conversatie, het weer, het pilsje, de Parijsachtige straat.
De eerste wandeling. Naar de Donau, die alles beheersende, enorme, kolkende rivier, langs een kade met uitzichten op Boeda met het Habsburgse kasteel en op Pest, die prachtige laat negentiende-eeuwse stad, naar Hotel Gellert. Ik logeerde daar ooit een jaar of tien geleden. Hier ben je echt ver weg. Lederen fauteuils waarin men wegzinkt met uitzicht op een klaterend fonteintje, marmeren zuilen, kleurige boogconstructies, duistere lambrizeringen, wijnrode tapijten. Wat is dit? Grandeur of kitsch, allure of decadentie, operette of werkelijkheid? We kijken elkaar aan: wie zijn we?
Op de terugweg naar het hotel komen we voorbij een schitterend gigantisch Jugendstil warenhuis. Door de hoge in gietijzer gevatte ramen valt het licht in brede bundels over de duizenden winkelende mensen, de tot in de nok opgetaste koopwaar. Zware geuren van mensen, worst en manufacturen. Vooral het strijklicht over de salami en de flessen Palinka, de abrikozenjenever, treft ons. Bijna vanzelf gaat mijn hand naar de portemonnaie.
In ons eigen hotel in het centrum van Pest, heerst de gezellige sfeer die de Mercure-keten all over the world zo feilloos weet te treffen. In de duistere lobby een pianist aan een witte vleugel: tea for two, ain't she sweet, blue moon, met dat timbre datje het gevoel geeft dat er slagroom door de muziek zit. Marmeren trappen naar boven, een nieuwe lobby met vitrines vol roze gebak, tafeltjes en fauteuiltjes, uitzicht op de nachtclub Aphrodite, waar in de etalage een meisje staat te dansen, met de motoriek van een eenzaam dier in een kooi van een dierentuin. Mannen in pakken, altijd een hard koffertje naast zich, vrouwen in iets te krappe jurken, diensters in namaak folklore, de zakenwereld dus. Onze kamer hetzelfde vierkante vertrek waarin ik nu al dertig jaar op mijn reizen over deze aardbol heb geslapen.

zondag 15 april 2018

Willem IJsbrantsz. Bontekoe -- 16 april 1623

• Willem IJsbrantszoon Bontekoe (1587-1657) was een Nederlandse schipper en koopman. Hij is tot op de dag van vandaag bekend door zijn verslag van een reis naar Oost-Indië.

Den 15. dito waren die maets inde jonck doende om een bas [kanon] te beproeven, die sy op een nieu roopaertje [affuit] gheleydt hadden. Laden het met dubbel scherp; settent met de mondt nae de deur vande jonck. Met soo komter een jonghman uyt een vande ruymen, gaet inde deur staen om sijn water te maecken, niet wetende van de anderen haer doen. Daer op komt een met de lont-stock vande ander kant (de jonghman niet siende) en steeckter de brandt in, en schiet de jonghman door sijn been. Voorwaer een droevigh ongeluck en groote onvoorsichtigheydt van den aensteecker.
Wy slachten in ons schip des achter-middaeghs een buffel met een vercken, om alsoo des anderen daeghs onse Paesch-Feest daer mede te houden.
Terwijl de maets doende waren, plock-haerden onse Domine met een assistent, die beyde in de boeyen geset worden.

Den 16. dito, sijnde Paesch-dagh, wierden sy beyde daer weder uyt ghelaten. Doe quam het volck uyt de jonck altemael in ons schip, om de predicatie te hooren202, en bleven voort onse gast [104]op de buffel. Des ander daeghs quamen sy weder om predicatie te hooren; was alle daghen onghestuymigh weder en variabele winden.

Den 19. dito werdt de jonghman, die in sijn been gheschoten was, het been afgheset, die ontrent een uer daer nae sturf.

Frans Kellendonk -- 15 april 1986

• De Nederlandse schrijver Frans Kellendonk (1951-1990) vond zijn dagboeken niet het publiceren waard, maar De Revisor publiceerde er wel een selectie uit.

15 april 1986
Mijn boek, Mystiek lichaam, is af en wordt momenteel gedrukt. Nog een paar weken, en het ligt in de boekhandel. Dit zijn voor mij de mooiste dagen in het leven van een boek. Het manuscript ligt in de kast en is ongeldig geworden - het is immers al gedrukt. Maar het boek is er nog niet en de tekst is er momenteel een die ik niet kan opslaan, die ik 's nachts kan dromen. En die gedroomde tekst, harde werkelijk geschreven zinnen maar rokerig en pastel van onnauwkeurig herinneren, is de mooiste die ik ooit geschreven heb - misschien is mijn herinnering wél nauwkeurig, alleen heeft de tekst niet het onherroepelijke van zwart op wit, ze zou, als het moet, nog alle kanten op kunnen.

30 mei 1986
De bloeddorst van onze weldenkende opiniemakers [naar aanleiding van Mystiek lichaam] is ongelooflijk. Eerst de Volkskrant - Willem Kuipers, Martin Ruyter, Aad Nuis, Piet Grijs, toen Carel Peeters, een onbekende briefschrijver (ook in VN), Beatrijs Rjtsema in NRC/H - en nu ben ik Koot en Bie nog vergeten. Zonder te weten waar ze het over hebben hollen ze achter elkaar aan en stellen ‘principiële kwesties’ - altijd een manier om het niet over het geval zelf te hoeven hebben. Wanneer je je verdedigt, zoals ik in een interview met VN heb gedaan, wordt dat opgevat als een teken van zwakte. Wie een rein geweten heeft verdedigt zich toch niet? Het geweten van je beschuldigers is altijd zo rein als een formica tafel.
Ik heb kennelijk een aantal kwesties aangeroerd waaraan mensen liever niet herinnerd worden. Wanneer je religie ziet als iets levends - iets dat de levens van alle mensen doordringt en niet zomaar een liefhebberij is van een paar zotten - dan krijgen de verlichte geesten die in de kranten schrijven ontzettend veel kriebels. Blijf van mijn lijf!

3 juni 1986
Het gemoed zoekt evenwicht. Het mijne is een paar weken in hevige beroering geweest en komt nu tot bedaren. Maar is het huidige evenwicht hetzelfde als dat van voorheen? Er is minder vertrouwen in de wereld waarop het kan steunen en mogelijkerwijs is het wat wankel geworden.

zaterdag 14 april 2018

G.H.C. Hart -- 14 april 1941

George Henry Charles Hart (1893-1943) was een hoge bestuursambtenaar. Tijdens het eerste oorlogsjaar (dat hij doorbracht in Londen) hield hij een dagboek bij.

Maandag 14 april 1941
Ik ben sedert een tijdje begonnen uitvoering te geven aan mijn eigen ‘ravitailleeringsplannen’, nl. geleidelijk inkoopen te doen van dingen, waaraan in Holland zeker een tekort zal zijn, als we terugkomen en die hier ook langzamerhand schaarsch worden; mijn huishoudster is daarbij een uitstekende hulp; zoo heb ik al toilet-, scheer- en waschzeep, koffie, thee, rijst, cacao, spaghetti, e.a. Ik schreef je vandaag een brief waarin ik je o.m. vertelde, dat ik een ‘antiquiteiten’-verzameling aanleg van 'Parinangka- en Robusta-spullen, ‘saboen’, enz., zooals jij dat zoo leuk had gedaan in je ‘kast en je kleedkamer’ in je vorige huis, je ‘hamsterkast’, nl.; ik hoop, dat de brief doorkomt en dat het duidelijk is! Overigens vlot het met de post tegenwoordig volstrekt niet: sedert begin Maart hoorde ik niets van je (brief van 15/2) en ik vrees jij evenmin van mij. 't Wordt beklemmend.

De Paaschdagen hier op Hatch End zijn niet denderend geweest: op zulke dagen voel je de eenzaamheid dubbel. En 't einde schijnt nog lang niet nabij. 't Gaat ons noch in de Atlantic, noch in de Balkan voor den wind!

donderdag 12 april 2018

Lou Andreas-Salomé -- 13 april 1934

• Drie mannen speelden een grote rol in het leven van de Russisch-Duitse Lou Andreas-Salomé (1861-1937), namelijk Friedrich Nietzsche, Sigmund Freud en Rainer Maria Rilke (de Rainer uit onderstaand fragment). In Terugblik op mijn leven (vertaald door Thomas Graftdijk) stelt ze herinneringen op schrift, waaruit ook een boeiend beeld van het Duitsland rond de eeuwwisseling naar voren komt.

April 1934
April, onze maand, Rainer* – de maand waarin wij tot elkaar werden gebracht. Ik moet dan veel aan je denken, en dat is allerminst toevallig. In april komen immers alle vier de seizoenen samen, met ijzerkleurige sneeuwluchten als in de winter, en dan weer een gloeiende zon, of herfstige stormen, die de vochtige grond niet met vergeelde bladeren maar met talloze knophulsels bedekken, – en weet men niet voortdurend de lente in deze grond aanwezig, nog vóór men haar ziet ? En van dit alles ging die stille natuurlijkheid uit, die ons verenigde en er altijd al geweest leek te zijn.

Ik ben jarenlang je vrouw geweest, omdat je voor mij het werkelijke was, lichaam en mens voor het eerst onscheidbaar één, met alle onbetwijfelbare waarachtigheid van het leven zelf – Je liefdesbekentenis zou ik woordelijk kunnen herhalen: ‘Jij alleen bent werkelijk’. Nog vóór we vrienden waren geworden, werden we hierdoor man en vrouw, en onze vriendschap was nauwelijks vrij gekozen, maar het gevolg van een in het verborgene voltrokken huwelijk. We waren geen complementaire helften die elkaar zochten: het overrompelde geheel herkende zich huiverend in het onbevattelijke geheel. Zo waren we dan als broer en zuster, maar net als in de oertijd was incest geen heiligschennis.



* Rainer Maria Rilke

woensdag 11 april 2018

Konstantin Paustovski -- 12 april 1944

• Konstantin Paustovski (1892-1968) was een Russische schrijver, die in Nederland werd hij vooral bekend van zijn autobiografie Geschiedenis van een leven. Onderstaand fragment is afkomstig uit Goudzand. Verhalen, dagboeken en brieven.

12 april 1944
Ons leger is de Krim binnengetrokken. Dzjankoj is ingenomen. Kertsj is ingenomen. De lage sterrenhemel van Tauris vlamt in deze dagen alweer boven de hoofden van onze soldaten. Deze hemel begroette ons noorderlingen altijd zodra wij Tsjongar en Sivasj voorbij waren en deed in de buurt van Dzjankoj je hart kloppen van blijdschap bij het besef dat binnen enkele uren een luisterrijke mengeling van blauwe baaien, schepen, portieken van gele steen, bloeiende amandelbomen aan je voorbijtrekken zou en de geliefde Zwarte Zee, een van de allermooiste zeeën ter wereld, je in de ogen zou blinken.
Wij hebben altijd geweten dat de Krim, vertrapt door de laarzen van Duitse soldaten en vernield, opnieuw onze bodem zou worden. Wij wisten dat wij hem zouden bevrijden. In de luisterrijke parken waar wij elke boom, elke bocht in de weg koesterden, zaten Duitsers te kakelen. Het heroïsche Sebastopol was door toedoen van de Duitsers gereduceerd tot bergen verbrijzelde dakpannen.
De Duitsers hadden de heilige grond van de Krim bezoedeld. Maar wij wisten dat wij de Krim zouden bevrijden, onze Krim waar steile kapen in een blauwe blikkering verzinken en de zee afgevallen bladeren aan hun voet drapeert. Die Krim waar ieder van ons graag even de tijd wil stilzetten om het gevoel dat je in je jonge jaren had niet kwijt te raken. Waar het leven, zoals de morgenstond aan zee, weer verfrissend zal zijn en zich zo ver zal ontwikkelen dat de contouren van een gouden eeuw duidelijk zichtbaar worden. De Krim is voor ons altijd tot aan de laatste wegsteen toe omgeven met herinneringen. Poesjkin woonde hier, in Goerzoef. Over de Krim schreef hij de geniale versregel: 'Vliegende wolkenketens vervagen in een ver verschiet.'
Op de Krim schreef Lev Tolstoj zijn eerste verhalen over een heel bijzondere Russische soldaat. Bij de verdediging van de Krim hebben de grote 'matrozenadmiraals' Nachimov en Kornilov het leven gelaten. Op de Krim begon de opstand op de Potjomkin, op de Krim streed luitenant Schmidt en schreef Tsjechov in zijn witte huis in het dorp Aoetka wonderschone verhalen. Het Rode Leger veroverde Perekop. Duizenden vissers, matrozen en boeren, opgegroeid op de bodem van de Krim, schonken hun land en de cultuur ervan veel overwinningen, vrijheidsliefde en vrolijk bijeenzijn.
Je ziet zo'n onverhoedse betovering dat je er maar een keer hoeft te zijn geweest om je leven lang liefde te koesteren voor deze stevige aarde.
Ons leger is de Krim binnengetrokken. Weldra zal heel het schiereiland, heel de schitterende zwier van zijn kusten, van Kertsj tot Sebastopol aan toe, gezuiverd zijn van de brutale en zwarte fascistische bendes. Zware salvo's van saluutschoten zullen donderend boven onze hoofdstad klinken en in de bossen rond Moskou verdwijnen. Zij verkondigen de bevrijding van Feodosia, Soedak, Jalta, Aloepka, Balaklava, Simferopol, Sebastopol en daarmee van de hele Krim.
Wij zullen de Krim weer opbouwen. Zijn gulle aarde, door de zon verwarmd en door een bries omwaaid, zal ons daarbij helpen. De Krim zal weer met duizenden weerspiegelingen van zijn kustlichten wiegen in de nachtelijke zee, bloeien met zijn tuinen, blinken met zijn zonlicht en de geneeskrachtige geur uitademen van de wijnstok en van de krimspar.
Wij begroeten de bevrijders van de Krim. Wij zijn trots op hen. Wij benijden hen. Zij hebben als eersten de Krimse aarde betreden. Hun is de grote eer, de grote roem en de grote vreugde ten deel gevallen de lente op de Krim te mogen aanschouwen, de lente van de bevrijding gedurende zo'n nevelige en frisse Krimse aprilmaand wanneer de hele Krim in bloei staat en iedere minuut miljarden bladeren, jonge scheuten en bloeiende bloemkronen uitkomen. En voor deze lenteweelde op de bevrijde aarde nemen de strijders wanneer ze bij de Zwarte Zee komen, en deze aanschouwen, onwillekeurig hun helm af en welt er een kreet in hen op: 'Een gezegende streek! Nu is deze voorgoed van ons!'

dinsdag 10 april 2018

Jacob Bicker Raye -- 11 april 1748

• Amsterdammer Jacob Bicker Raye (1707-1777) hield gedurende 40 jaar een stadskroniek van Amsterdam bij.

[11 April]
De Heer de Beaufort was door Zijne Hoogheid kort te voren tot Commissaris van het Uitgaande Recht op de Admiraliteit aangesteld en was met die benoeming zoo in zijn nopjes, dat hij uit erkentenis en achting voor het huis van Oranje, ter eere van de geboorte van den jongen Prins, het huis, waar hij als commensaal woonde, op 't Water bij de Papenbrug, in den avond van den 9den April, extra fraai liet illumineeren en ook een mooi vuurwerk liet afsteken. Hij was daarmee een paar dagen te vroeg geweest, want op 11 April waren alle huizen in de stad geillumineerd. Op dien dag werd n.l. de jonge Erfprins in den Haag door dominee Pilat gedoopt en ter eere van dit heugelijke feit werd er 's avonds in de stad ‘een onuitsprekelijke vreugde bedreven’.
Het feest was 's morgens om half negen al begonnen, met het losbranden van het grof geschut rondom de stad. Dat werd om twaalf uur nog eens herhaald en 's avonds om half negen weer. De illuminatie was ‘so uitmuntend fraay, dat het na waarheyt onmogelijk was te beschrijven; verscheydene magnifieke vuurwerken werden afgestoken.’ Vooral de huizen van den Schepen Lestevenon van Berkenrode en van den rijken Portugeeschen jood de Pinto muntten uit.

[12 April]
Op 12 April een tragisch sterfgeval. Lady Grey, de ongelukkige weduwe van den liederlijken Mr. Gillis van Bempden, wiens overlijden hiervoor vermeld werd, was op 37 jarigen leeftijd na een langdurige en kwijnende ziekte uit haar lijden verlost.
Na den dood van haar man had zij al haar vaste en roerende goederen te gelde gemaakt en was zij van plan naar haar familie in Engeland terug te keeren. In haar testament had zij aan haar vriendin, de huisvrouw van den heer Clifford, 40.000 gulden gelegateerd en aan den Engelschen dominee 6000. Deze laatste was met den heer Clifford tot executeur over haar nalatenschap benoemd. Haar familie in Engeland was erfgenaam.
Verder had zij gewenscht, dat na haar dood haar lichaam moest worden geopend, opdat geconstateerd zou kunnen worden aan welke kwaal zij overleden was. Dit geschiedde en de geleerde heeren bevonden, dat haar eene long geheel vergaan was.
Op haar verzoek werd haar stoffelijk overschot naar Velsen gebracht en aldaar bij haar eersten man Jan Trip, haar jeugdliefde, die haar zoo spoedig ontvallen was, begraven.

maandag 9 april 2018

Witold Gombrowicz -- 10 april 1963

Witold Gombrowicz (1904-1969) was een Poolse schrijver. Zijn Dagboek 1953-1969 is door Paul Beers in het Nederlands vertaald.

Mijn reisnotities? Hier zijn ze.

WOENSDAG 10 APRIL
De storm is voorbij. Rustige zee. Een dame spreekt mc aan: 'Senor Gombrowicz?' Zij kent Ernesto Sabato en werkt op het Argentijnse ministerie van buitenlandse zaken. Zij stelt me voor aan haar vriendin, een miljonaire die voor de vijfentwintigste keer de reis naar Europa maakt. Van hen hoor ik dat zich op de boot de nieuwe zaakgelastigde van de Argentijnse ambassade te Warschau bevindt.
De zaakgelastigde nodigt me uit voor een drink.
Het gesprek gaat over de dramatische situaties die een gevolg zijn van het feit dat in de ogen van de Poolse regering een Pool die in Argentinië woonachtig is en het Argentijnse staatsburgerschap verwerft, niet ophoudt een Pools staatsburger te zijn.
Cognac.
De ontmoeting met de multimiljonairc en de zaakgelastigde geeft me weer hoop met betrekking tot mijn tweehonderdvijftig.
Koffie.
Correspondentie. Schaakpartij met een vlieger.
Aan mijn linkerhand, aan de uiterste horizon, glinsteren nog steeds, spookachtig, de bergachtige kusten van Brazilië.

DONDERDAG 11
Gisteren Santos. Vandaag Rio de Janeiro.
Naar de duivel met al die vergezichten! Ontzettend dom, die vergezichten! Geef mij maar een diefstal, desnoods een kleine. Voor een uur aan land gaan, zich opstellen op de hoek van een onbekende straat en stelen... al was het maar dat een straatventer struikelde en een tros bananen laat vallen, aangestoten door een kind... iets stelen waar men geen recht op heeft, wat nu juist gebeurt 'daar in Santos'-het pakken, meenemen.
Eentonige euforie der Negers.

zondag 8 april 2018

J. van Drielst -- 9 april 1915

• J. van Drielst (?-?). Dagboek van mijne reis door het binnenland van Honduras naar Guatemala.

April 9. Vroeg weder is het aantreden, doch Leonardo deelt mij mede dat de beide dieren weggeloopen zijn en hij ze gaat zoeken. Intusschen vertrekken de arrieros successievelijk met hunne respectieve mulas. Tegen 8 uur ontwaar ik beneden in het dal twee muildierkoppen, die rustig grazend blijkbaar geen haast maken zich te presenteeren. Het zijn de verloren schapen; ik laat ze spoedig opvangen, doch..... Leonardo is in geen velden of wegen te bekennen! Tegen 9 uur komt hij aangewandeld, hij meende ze wel op den weg naar Colinas te zullen ontmoeten, was daarom maar gemoedelijk naar C. gekuierd! Men moet hiervoor toch weder het laconische karakter van een Hondureno bezitten. Snel wordt opgezadeld en ik hoop nog tegen lunchtijd bij mijnen vriend Cosman te arriveeren. Het gebergte is hier woest en kaal, overal liggen groote losse steenbrokken verspreid, hetgeen een indruk maakt of het hier eenmaal vroeger steenen geregend heeft, misschien door een of andere thans onzichtbare vulkaan uitgeworpen? De bergen, welke wij op en afklimmen met onze dieren, zijn meest allen kaal met hier en daar eenige boomgroepen; het onbelemmerd gezicht levert daarom een grootsch natuurtafereel. Overal een rotsachtige bodem, af en toe zeer moeilijk te berijden, doch.... niets is zekerder als eene mula, die haren weg immer voorzichtig, doch zonder aarzeling uitzoekt, af en toe wel eens naar beneden glijdt, doch nooit haar evenwicht verliest of valt. Deze dieren schijnen een geweldig instinct te bezitten, zoo zullen zij bv. nooit een modderplek doorschrijden wanneer zij niet weten dat de bodem moerassig is, hoe ze dit weten?.... Quien sabe, doch de natuur schijnt ze nu eenmaal met gaven bedeeld te hebben waarover tweebeenige stervelingen geene beschikking hebben! Een muildier, éénmaal een zekeren weg afgelegd hebbende, zal dezen immer terug kennen, terwijl hij, wanneer men hem rustig zijn gang laat gaan, steeds tot zijne vroegere verblijfplaats terugkeert, hoe ver hij ook hiervan verwijderd zijn moge.

Om op de Piedra Pintada terug te komen (in de figuurlijke beteekenis altijd!), volgens de overlevering heeft dit gebergte haren naam van “Gekleurde Steen” te danken aan het feit, dat ergens een groote witgeverfde steen moet liggen, waarschijnlijk dateerend uit den tijd der Spanjaarden, alzoo uit de 16e eeuw.

Welk een hitte! Na verscheidene uren passeeren wij eene steenen Puenta (brug) ook waarschijnlijk nog uit den ouden tijd dateerend, welke hoog over de Chamelecon voert. (De lezer zal reeds gezien hebben, dat deze rivier, welke wij telkens weder passeeren, door hetzelfde district loopt als onze bestemmingsplaats; de rivier de Chamelecon ontspringt dan ook in de Montana del Merendon, op de grenzen van Guatemala).

Ik besluit hier weder een bad te nemen, wat als altijd zijne gunstige werking op mij uitoefent; geheel verfrischt vervolg ik het laatste gedeelte der reis. Wij dalen weder af in Plan, eene uitgestrekte vlakte, zoover het oog reikt, de hitte is hier weder buitensporig, doch in het vooruitzicht spoedig in La Florida aan te zullen komen, houd ik vol! Ofschoon ik anders weinig of bijna nooit whisky drink, had ik op aanraden toch eene veldflesch met dit geestrijk vocht meegenomen, welke, ik moet het bekennen bij zulke gelegenheden, waar men vrijwel uitgeput, af en toe wanhopig, uitziet naar het einde der reis, uitstekende diensten bewijst. Zoo’n slok uit de whisky-flesch geeft dan weder nieuwen moed!

Ik denk reeds tot mijne vreugde mijne bestemming te zullen naderen, als ik links van den weg een dorp in het midden der Planada zie liggen, doch deze vreugde wordt niet weinig getemperd als Leonardo mij meedeelt, dat dit La Jigua is, onze weg rechts voert, en nog wel een uur in de brandende zon voor den boeg ligt! O, in zulke oogenblikken verwensch je eerst terdege dit ongelukkige land met zijne treurige wegen, en denk je met “Sehnsucht” terug aan de gemakkelijke spoorwagen-coupés met hare zachte kussens in het beschaafde Europa, waar eene als hierboven beschrevene reiswijze tot de onmogelijkheden behoort! Deze eeuwigdurende schokkende beweging in den zadel op de langzame mula kan een mensch tot wanhoop voeren!

Doch mijn lijden komt thans spoedig ten einde; bij eene kromming van den weg passeeren wij een klein kerkhof, ik weet dus Goddank, dat Florida dichtbij moet zijn, en inderdaad, op eenigen afstand vertoont zich het dorp aan mijn oog, met in het midden eene oude onooglijke kerk. Het dorp is zeer schoon gelegen, aan drie kanten met bergen omgeven en aan den vierden kant eene uitgestrekte vlakte, waardoor de Chamelecon vloeit. In het midden der eenige aanwezige dorpstraat (voor zoover men in Honduras van zulk eene luxe zou kunnen spreken!) zie ik een wit steenen huis met een uithangbord, waarop met groote witte letters prijkt “Carlos Cosman”. Welk eene vreugde, wanneer men weder de hand kan drukken van een paar brave landslui, men gevoelt zich hier op éénmaal weder in de beschaafde wereld. Ik maak kennis met Cosman’s vrouw, welke, uit Guatemala afkomstig, zeer goed hollandsch spreekt; haar vader was hollander en getrouwd met eene Guatemalteca. Ik werd direct aan eenen maaltijd gezet, en ik behoef wel niet te zeggen, dat ik mij de verschillende goede gerechten (er is soep, groenten, versch gebakken brood, etc.) uitstekend laat smaken, terwijl mijn gastheer mij met een flesch wijn en een kop heerlijke thee weder geheel opfleurt. Zijn huis staat geheel te mijner beschikking, ik heb gelegenheid mij te verfrisschen, en mij weder van frisch ondergoed te voorzien, wat een genot is voor iemand, die iets dergelijks niet gekend heeft, moeilijk te beseffen! Na een bad in de rivier, in den middag genomen, ben ik weder geheel opgeknapt, terwijl ik niet vergeten moet melding te maken van het feit, dat ik mij weder eens scheren kan, wat ik in 4 dagen niet heb kunnen waarnemen.

De winkel, dien mijn landsman hier heeft, gaat zeer goed, den geheelen dag staat het vol voor de toonbank, en van heinde en ver komen de lui on bij den “Gringo” (eigenlijk scheldnaam voor buitenlander) hunne inkoopen te doen; hij is de eenige in de buurt, en ik merk reeds spoedig, dat iedereen met zeer veel respect spreekt over de eigenschappen van Don Carlos en zijne ega, waardoor zij zich dan ook in den loop der tijden van de klandisie der menschen hebben verzekerd. Dat zoo’n leven te midden dezer Hondurenos, welke nog veel dommer en onhandelbaarder zijn dan aan de kust, waar de beschaving tenminste reeds eenigszins is doorgedrongen, niet zeer aangenaam is, valt te begrijpen, doch... wanneer men goed geld verdient, is er allicht eene lichtzijde aan te vinden.

zaterdag 7 april 2018

Matthieu Galey -- 8 april 1979

Matthieu Galey (1934-1986) was een Franse schrijver. Zijn na zijn dood (hij overleed aan ALS) verschenen Dagboek 1953-1986 (vertaald door Joop van Helmond) wordt als een literair meesterwerk beschouwd.

8 april 1979
Jouhandeau op zijn sterfbed. Zo bleek als ik nog nooit een mens heb gezien. Eerder nog ivoorkleurig, als een crucifix, en zijn bleekheid wordt nog onderstreept door een soort beige boernoes die ze hem hebben aangetrokken. Hij is geheel ton-sur-ton met zijn gezicht omlijst door de capuchon van het gewaad. Ik moet denken aan de heilige Bruno van Zurbaran. Naast hem op zijn linkerschouder de foto van Elise* en die van zijn moeder, in kleine lijstjes, en een opgerold vel ruitjespapier met een lintje eromheen, beschreven in een kinderlijk handschrift. Marc? Mysterie.*
Aan zijn handen, die van marmer zijn geworden, lijkt de opaal van zijn ring ingelegd.
Sinds enkele dagen wilde hij niet meer eten. Zeer verzwakt. Toch is hij gisteravond tegen vijf uur naar beneden gegaan. Hij is niet meer boven gekomen. Ze hebben hem geïnstalleerd in dat grafkelderachtige cementen vertrek, kil en sinister, dat Elise heeft laten bouwen. Overal mensen, Jean Danet, jonge mensen die ik niet ken – onder wie een donker type dat zeer is aangedaan – de nicht, de kleine Marc die in andere sferen lijkt te vertoeven, onwaarschijnlijke personages, ongetwijfeld familie van Céline, die geloof ik een zuster had, en natuurlijk de dienstbode, de enige die huilt.


• Elise is de overleden vrouw van de homoseksuele Jouhandeau, waarmee hij jarenlang in onmin leefde. Marc is zijn kleinzoon – de zoon van zijn overleden adoptiedochter Céline.

Frances Woolfolk Wallace -- 7 april 1864

• De Amerikaanse Frances Woolfolk Wallace (1835-1904) hield van maart-augustus 1864 een reisdagboek bij van haar reis van het zuiden van de VS naar Canada (waar ze naartoe verbannen was), dat bekend is onder de titel A Trip to Dixie.

April 7, 1864.
Much hurry and bustle to get ready for the cars. We part with our kind friends, leave at 8 o'clock on the cars for Big Black. Reach that place, feel very disconsolate, pulling up the bank with our heavy baskets, et cetera. Soldiers all around us but no assistance. We have had so many escorts seems quite hard to go alone, so up to the Camp--meet Captain Kuhn, very polite, invites us to his tent and takes us to General Dennis. He gives us but little encouragement. Much to our surprise he gives us two ambulances, a wagon, and escort. Captain Kuhn goes with us as far as the Confederate pickets. We go for several miles and stop and send a flag of truce. While waiting it rained furiously--trunks all wet--soon the escort returns with Confederate soldiers who permit us to pass. We got to Mr. Cook's house five miles from Big Black--Big Black very high--dangerous crossing-- one of our horses fell--part of bridge broken--next morning fell in. At Mrs. Cook's met the first Confederate troops-- the first I saw & who helped me out of the ambulance was a young Lieut. Wren--handsome Louisianian--how strangely I felt--then they met--Federals & Confederates--shook hands-- both drank to our success--apparently good friends. Oh the horror of this war. We parted with the Feds who had been very kind indeed to us. Came in and talked a while with the Southern soldiers--find we have to remain here for several days--have sent to Gen. Armstrong for conveyances. George seems to be delighted to get to Dixie Land--is quite a pet with all.

donderdag 5 april 2018

Richard Grayson -- 6 april 1970

• De Amerikaanse schrijver Richard Grayson (1951) houdt al bijna zijn leven lang een dagboek bij. Fragmenten uit de jaren '70 staan hier online.

Monday, April 6, 1970
A difficult day, for I had to face myself. Dr. Wouk and I got down to the real nitty-gritty today. We discussed my homosexual feelings and fantasies.
He doesn’t think I should tell my parents anything; that would just worry them. He says gay people can be changed, but only if they want really to, and he doesn’t see anything that makes him feel I do. Neither do I.
Dr. Wouk suggested I don’t look for any gay encounters in the near future; it would upset me too much right now. We have to find out why I took my mother’s role instead of my father’s. This was the most revealing session Dr. Wouk and I have had.

After lunch at Wolfie’s, I went to the Student Center and talked with Jeanne. In Psych, Dr. Bonchek lectured on the phallic stage and Erikson’s theories.
In English, we discussed Benito Cereno, which hardly anybody had read. I was tired and depressed and so I cut Science. It was good seeing my classmates again after the vacation. I got the new College Bulletin, which is interesting reading.

The Senate killed the move to send the Carswell nomination back to the Judiciary Committee, so it looks like he’ll be confirmed on Wednesday.

Tonight I read the Melville story and watched a silly preview of tomorrow night’s Oscar awards.

David Eisenhower threw out the first baseball of the year.

Both the Knicks and the Rangers got into the playoffs.

woensdag 4 april 2018

Deborah Bradley -- 5 april 1968

Deborah Bradley was Assistant Professor of Music Education, en publiceerde in 2005 dit dagboekfragment. Authentiek?

 Friday, April 5, 1968
What an awful day! I don’t want to be here at all. Someone shot Martin Luther King, Jr. last night in Memphis. Everybody at school is crazy today. Some people are laughing and making jokes about him; some people are saying they are glad he is dead. I can’t stop crying. What makes anyone think that killing someone is a good way to solve a problem? Just when I thought maybe white and black people in this country were beginning to learn to get along with each other, someone kills Martin Luther King. Now what is going to happen? I bet whoever is responsible will try to convince us all that Rev. King was shot by one crazy person acting all alone. Maybe it’s possible. I wonder if I’ll ever find out who really killed John Kennedy? I probably could believe Lee Harvey Oswald did that all by himself except that I watched him executed on live TV. I remember my dad saying exactly that as we watched Oswald bleeding: “if he dies we’ll never know the truth.” He died.

I had a really hard time concentrating at school today. I wish my mom hadn’t made me go – she knew I was upset but she thought going to school would take my mind off Rev. King’s assassination. She doesn’t realize how rotten a place school can be sometimes. If it weren’t for chorus and my music theory class I would absolutely hate it. . . . .Oh well, only two more months until we graduate. . . . I guess I can stand it that much longer.

dinsdag 3 april 2018

Lyndon B. Johnson -- 4 april 1968

• Het dagelijkse doen en laten van de Amerikaanse president Lyndon B. Johnson (1908-1973) werd tamelijk minutieus opgetekend in een 'diary'. Ook de moordaanslag op Martin Luther King en de formele reactie van de president daarop zijn erin vermeld. De fragmenten die over de aanslag gaan, zijn hier opgenomen, de overige activiteiten van de president zijn weggelaten.

April 4, 1968
7:24 pm - Tom Johnson with news that Martin Luther King shot in Memphis.
7:40 pm -8 pm - President signing mail and listening to dinner TV news reports about King's assassination.
8:20 pm - Message from George Christian that Justice Dept. advised King is dead. President decided not to go to Congressional Fund Raising Dinner.
8:25 pm - George Christian, Tom Johnson, Joe Califano [Special Assistant to the President] - to say that TV was almost ready for President's talk. Then Christian and Johnson out through mdjr's office to say tonight's trip to Hawaii cancelled.
 8:56 pm - President, accompanied by Joe Califano, went to the barber shop, and while there called Mrs. Martin Luther King in Atlanta at her residence - - flowers also sent to Mrs. King for funeral,
9:05 pm - President en route from barber shop to Press Room for talk on TV about Martin Luther King, his assassination, violence, devisiveness, about working together in unity.
9:10 pm - To Oval Office - dictated telegram to Mrs. King.  Signing mail and official business papers while listening to TV news reports from Memphis, Tenn.
 9:36 pm - [telephone call] Governor Buford Ellington, in Memphis, Tenn, who said he wanted to let the President know that he had called the Atty. Gen, right away and was keeping him informed of everything that was being done in Memphis; that it was a real rough situation, and he was putting in as much protective strength as possible including the Guard.  President continued to sign mail, listen to the newscasts, and talk to office staff that arrived.

April 5, 1968
11:00 am - The President approved and dispatched a telegram to Dr. and Mrs. Martin Luther King. Sr. - condolence on the death of their son.
11:10 am - To Cabinet Room for meeting with  civil rights leaders.
11: 2 am Joe Califano wrote memo to the President-- "McKissick just came to gate of WH w/ two other negroes whom he demanded be allowed to attend the meeting. McKissic k was invited to the mtg and other two could wait in the basement . McKissick said unless he could bring them to the meeting he was leaving ... and he left."
 1 l:59 am -  12:10 pm - The President departed the White House - via motorcade - [...]  for Memorial Service for Dr. Martin Luther King.
12:54 pm Departed National Cathedral ibb c w/ same group.
1:00 pm - To Fish Room - for statement - televised.
1:56 pm - President to little lounge with Harry McPherson. McPherson said Mayor Washington came in & said rioting in D.C. getting out of control and troops would be needed.
5:40 pm - [telephone call] Mayor Richard Daley - Chicago.  The President just wanted to see how things were going. The Mayor said that he had called out 6,000 guardsmen as a precautionary measure, they were having window breaking and some fires. The President said that there were fires and window breaking and general "hell raising" in Washington and he had called out army troops and guardsmen. The President said he just wanted to keep in touch and wanted the Mayor to know that anything he needed to keep law and order would be at his disposal.
7:59 pm - [telephone call] Mayor Joseph Alioto of San Francisco - returning his call [...] The Mayor told the President that they had a - 10,000 people rally for Dr. King on the City Hall steps, and "took the steam out of them."
10:40 pm - Tom Johnson.  The President asked Tom for a report on how things were going with the press, and Tom replied that he thought they had handled themselves well today. They were still in the lobby, and were waiting for some sort ending. Tom began drafting a statement for him to read to the press saying that the President was keeping in close touch with the situation and talking on the telephone to his advisers.
10:58 pm - Dinner. During dinner the President turned on the television and watched televised reports of burning and looting. He said that he had information which indicated that Mayor Daley of Chicago was marked for assassination, and asked JAC to see that the FBI got this information to Daley's police people.

April 6, 1968
10:40 pm - [telephone call] The Attorney General - "What is going on in Chicago, and have you heard about Jimmy Brown the soul singer who spoke to the negro people this afternoon on television."

April 7, 1968
11:47 am - The President decided to go to 12:15p Mass at St. Dominic' s Cathlic Church in view of this being the day he declared as the official day of mourning for Dr. Martin Luther King.  He asked that Joe Califano and Jim Jones accompany him.
1:15 pm - The President departed St. Dominic' s Catholic Church (after a very touching departure from the Church. After the final hymn, each person in the church kept his seat, and stood as the President walked up the aisle with his family. . . . smiles and warm eyes and hearts seemed to reach out to the President, and a feeling of love and understanding was on each face.)

April 9, 1968
4:35 pm - The President returned to Aspen Lodge and sat in the living room where staff members were watching coverage of the funeral of Martin Luther King.

maandag 2 april 2018

Charles Darwin -- 3 april 1836

• "In 1831-1836 ondernam het engelsche schip de Beagle, onder de bevelen van den kapitein Fitz-Roy, eene reis rondom de wereld, waaraan ook deelgenomen werd door den sedert zoo bekend geworden natuuronderzoeker Charles Darwin (1809-1882), die zich hoofdzakelijk de bestudeering der geologische gesteldheid en van het dieren- en plantenrijk der verschillende landen ten doel had gesteld. Na zijne terugkomst, gaf deze, in den vorm van een dagboek, een reisverhaal uit, waarin hij de uitkomsten zijner onderzoekingen mededeelde."

Zondag 3 April. — Na afloop van den dienst, ging ik met den kapitein Fitz-Roy naar het etablissement, op de uiterste punt van een geheel met hooge kokospalmen begroeid eilandje; kapitein Ross en de heer Lisk wonen hier in een soort van loods, aan de beide einden open, en ter zijde bekleed met matten, uit boomschors gevlochten. De woningen der Maleiers staan aan den oever der lagune; het geheel ziet er akelig en treurig genoeg uit: nergens een tuintje of bebouwd plekje grond. Al de inlanders spreken dezelfde taal en hooren thuis in den indischen archipel; zij zijn afkomstig van Borneo, van Celebes, van Java en Sumatra. Hunne gelaatstrekken, hunne kleur vooral, gelijken op die der bewoners van Taïti; sommige vrouwen naderen meer tot de chineesche type. Deze lieden schijnen zeer arm; in de woningen ziet ge vergeefs naar meubelen om; maar de welgedane kinderen schijnen te pleiten voor de voedzame kracht van kokosnoten en schildpadvleesch.

Op datzelfde eiland bevinden zich de putten, waaruit de schepen het benoodigde drinkwater halen. Op het eerste gezicht schijnt het vreemd, dat het water in deze putten rijst en daalt met ebbe en vloed. Men heeft beweerd, dat de putten met zeewater waren gevuld, dat door het zand gefiltreerd en van de zoutdeelen gezuiverd werd. Ditzelfde verschijnsel vindt men ook op sommige lage eilanden in West-Indië. Het saamgeperste zand of het poreuse koraal slurpen het zoute water op, even als een spons; de regen, die op de oppervlakte valt, daalt natuurlijk tot het peil der omringende zee, daarbij eene gelijke massa van zout water verplaatsende. Dit laatste rijst of daalt met het getij; de bovenste laag van zoet water volgt die beweging, en wanneer de massa genoegzame dichtheid heeft, grijpt er geene vermenging van de beide wateren plaats. Overal waar de bodem uit groote losse brokken bestaat, is de toestand anders: graaft men daar een put, dan vindt men brak water.