woensdag 31 januari 2018

Edmond de Goncourt -- 1 februari 1877

Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, criticus en uitgever, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) (en na diens dood alleen) een beroemd geworden dagboek bij.

Woensdag 1 februari
Een Engelsman kwam bij Renan binnen:
‘Mijnheer Renan?’
‘Die staat hier voor u, mijnheer.’
‘Wel, mijnheer, weet u of volgens de bijbel de haas een herkauwend dier is?’
‘Om u de waarheid te zeggen, neen, mijnheer, dat weet ik niet... Maar we zullen het even nakijken.’ Renan pakte een Hebreeuwse bijbel, keek bij de Mozaïsche geboden: ‘Ge moogt geen... Ge moogt geen haas eten, want hij is herkauwend.’
‘Ja, dat is geheel juist, de bijbel zegt dat het een herkauwend dier is.’
‘Ik ben heel tevreden!’ zei de Engelsman, die erg slecht Frans sprak.
‘Ik ben geen sterrenkundige en ik ben geen geoloog! Dingen waar ik geen verstand van heb, daar blijf ik af... Ik ben bioloog. Dus, aangezien de bijbel zegt dat het een herkauwend dier is en aangezien dat een vergissing is, is de bijbel geen geopenbaard boek... Ik ben heel tevreden!’ En daarop verdween hij weer door de deur, in één klap van zijn godsdienstige overtuiging bevrijd. Typisch Engels!

dinsdag 30 januari 2018

Eugène Delacroix -- 31 januari 1860

Eugène Delacroix (1798-1863) was een Franse schilder. Dagboekfragmenten en brieven van zijn hand zijn verzameld in Ik heb het niet over middelmatige mensen (vertaling: Joop van Helmond).

31 januari. [1860] – Over de ziel. Jacques [Delacroix refereert aan Jacques le fataliste van Diderot] had er moeite mee te geloven dat wat wij de ziel noemen, dat ongrijpbare wezen – als we met het woord wezen dat kunnen aanduiden wat geen lichaam heeft, wat niet vanzelfsprekend is net zomin als de wind, die hoe onzichtbaar ook... –, kan blijven voortbestaan als iets wat hij voelt en waaraan hij niet kan twijfelen, wanneer het uit bot en vlees opgebouwde omhulsel, waarin het bloed circuleert en de spieren hun werk doen, niet langer de bedrijvige werkplaats is, het laboratorium van het leven, dat blijft voortbestaan te midden van strijdige elementen en ondanks vele ongelukken en wisselvalligheden.

Wanneer de ogen niet langer zien, wat wordt er dan van de gewaarwordingen die de arme ziel, die ergens beschutting heeft gevonden, bereiken door het venster dat naar de zichtbare schepping openstaat? Ik hoor u al zeggen dat de ziel zich herinnert wat ze heeft gezien en voortleeft en vertroosting vindt door de herinnering; maar als de herinnering uiteindelijk ook dooft, de herinnering die op haar manier het gezicht, het gehoor en alle andere zintuigen die we langzaam maar zeker verliezen vervangt, wat zal dan de voeding zijn voor die onzichtbare vlam? Wat wordt er van de ziel als ze door verlamming of imbeciliteit naar haar laatste toevluchtsoord wordt gedreven en uiteindelijk door het definitieve doven van het leven en de eeuwige verbanning gedwongen is zichzelf los te maken van een organisme dat niet meer is dan levenloze klei? En eenmaal verbannen uit het lichaam, dat door sommigen haar gevangenis wordt genoemd, zal de ziel dan getuige zijn van de sterfelijke ontbinding, wanneer priesters plechtig gebeden komen mompelen boven deze levenloze klomp klei, of wanneer een of andere stem zich bij toeval verheft om een laatste afscheid uit te spreken? En blijft de ziel hangen naast het graf dat zich gaat sluiten, om haar deel van deze begrafenispoppenkast in ontvangst te nemen? Wat wordt er van haar op dat moment suprême, waarop ze gedwongen wordt zich volledig los te maken van het lichaam dat ze leven inblies of waardoor ze leven ingeblazen kreeg? Wat is haar toestand in dit weduwschap van alle zintuigen, wanneer het bloed wegvloeit en stolt en niet langer de impuls geeft aan dit vreemde samenstel van vlees en geest, net zoals de slinger van een klok, wanneer hij stilvalt, niet langer de raderen in beweging houdt? [...]

Waarom, als de geest niet verloren gaat, genieten de scheppingen van grote zielen dan niet hetzelfde voorrecht? Een mooi werk lijkt te zijn bevlogen door iets van de geest van zijn maker. Een mooi schilderij, dat niets anders is dan materie, is alleen mooi omdat het leven wordt ingeblazen door een bezieling die net zomin in staat is om het voor vernietiging te behoeden als onze zwakke ziel in staat is om ons zwakke lichaam in leven te houden. Integendeel, in het laatste geval is het vaak de ongebreidelde, dwaze en onstuimige ziel die haar lijfelijke en ik zou bijna zeggen onafscheidelijke metgezel in duizend-en-een gevaren en ongelukken drijft.

maandag 29 januari 2018

Klaus Mann -- 30 januari 1940

Klaus Mann (1906-1949) was een Duitse schrijver. Zijn dagboeken uit de periode 1933-1949 zijn vertaald als Opgejaagd, gedoemd, verloren (vertaald door W. Hansen).

New York, 30 januari 1940
Gisteravond een interessante ervaring: gesproken voor een publiek in Harlem dat voor 70% uit ‘kleurlingen’ bestond (’The European Situation’). Intelligente, aandachtige toehoorders. In de ‘question period’ origineler en intelligenter dan ‘blanke’ Amerikanen... (die vreemde, erg zwarte man, die er raadselachtig genoeg op uit was dat Beethoven een halve neger was, en mij berispte omdat ik dat niet had vermeld...). Aan het begin en het eind negerkoren, heel mooi. Later naar de woning van Harold Jackson, die alles had georganiseerd. Laat me interessante negerliteratuur zien, Parijse herinneringen, enz. Indrukwekkend milieu. Sterk intuïtief gevoel van de betekenis die het voor de toekomst zal hebben...
Nog lang alleen rondgedwaald. Rijkelijk veel whisky. Ten slotte een jongeling uit een bar hier mee naar toe genomen. Pianist, garcon sérieux, un peu trop efféminé, mais aux beaux yeux. Rien ne se passe, il part, je reste seul...
In de N.Y. Post een aardige, lange recensie over The Other Germany.

zondag 28 januari 2018

Nico Keuning -- 29 januari 2004

• Neerlandicus en biograaf Nico Keuning (1952) hield een dagboek bij toen hij schreef aan de biografie van Bob den Uyl.Fragmenetn daaruit zijn gepubliceerd in Biografie Bulletin.

Woensdag 29 januari 2004
Rotterdam Centraal. ‘Je moet er aan de achterkant uit,’ had Hugo, de zoon van de schrijver, mij door de telefoon verteld. Daar blijkt zich een heel ander Rotterdam te bevinden. Een groen, bijna dorps Rotterdam met singels en bomen. Ik loop over de Spoorsingel, steek de Walenburgerweg over, sla rechtsaf de Schepenstraat in en neem vervolgens de tweede straat links, de Nolensstraat. De buitendeur van de flat klikt open. In het trapportaal wacht ik bij de voordeur. Een lange man doet open. Ik herken de schrijver Bob den Uyl. Maar zijn haar ligt niet glimmend strak achterover, maar staat in korte plukjes recht overeind. Alsof hij net uit het ei is gekropen. Hij is kennelijk pas uit bed. Hij draagt een bordeauxrode trui en loopt op blote voeten.
‘Hugo den Uyl,’ zegt de zoon van de schrijver als hij mij een hand geeft.
Zo ongeveer heeft ook Bob den Uyl eens oog in oog gestaan met de zoon van Willem Elsschot: ‘Intussen is het een ontroerende ervaring een buitendeur in een Antwerpse straat te zien opengaan en daar Willem Elsschot voor je te zien, want Walter De Ridder is dan wel niet het exacte evenbeeld van zijn vader, maar lijkt toch sterk op hem.’ (‘De kroegen van Elsschot zijn ook al weg’ Uit: Vreemde verschijnselen)

Friedrich Hebbel -- 28 januari 1840

Friedrich Hebbel (1813-1863) was een Duitse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands verschenen als Een blinde bij zonsopgang.

28 januari
Vandaag heb ik de laatste scène van mijn Judith voltooid. Gisteren ontving ik van Rousseaus zuster een bijzonder aardige brief vergezeld van 100 goudgulden in Pruisische schatkistbewijzen. Hiervan heb ik de 70 fl. aan Elise terugbetaald die ze voor mijn jas had bijgedragen. 41 fl. moet ik naar Dithmarschen sturen en bovendien nog twee derde aan Johann die brandschade heeft geleden. Alles bij elkaar gaat het om 142 goudgulden. Als ik maar niet met die verdomde Campe zat! Dat Judith nu af is geeft me een gevoel van opluchting. Het belooft veel goeds dat Jahnens er zo van onder de indruk was. Hij heeft een zeer goed en onkreukbaar gevoel voor literatuur. Ik ben het meest verheugd dat hij het stuk wat betreft vorm en inhoud bijzonder origineel vond en dat hij er niet slechts een triomf des geestes over een weerbarstige stof van mij persoonlijk in zag, maar van de kunst in het algemeen.

Komisch tafereel
Een burger die op een vogel staat te mikken. Zijn jachtgeweer is geladen. Achter hem staan zijn zoon en zijn vrouw. De eerste houdt zijn oren dicht opdat hij de knal niet hoort. Zijn vrouw staat er met uitgestrekte armen bij teneinde hem, mocht hij achterover vallen, op te vangen. Op enige afstand de meid met reukzouten om eventuele flauwtes te verdrijven.

Oek de Jong -- 27 januari 2001

Oek de jong (1952) is een Nederlandse schrijver. In de jaren dat hij werkte aan zijn roman Hokwerda's kind (1997-2002) hield hij een dagboek bij, dat is gepubliceerd als De wonderen van de heilbot.

27 januari - Ik ben nu sedert twee jaar weer aan het romanschrijven en ik heb in die tijd veel geleerd. Vreemd om dat als schrijver op je achtenveertigste nog te zeggen: dat je de afgelopen twee jaar veel hebt geleerd over je vak. Vestdijk leerde tussen zijn zes- en achtenveertigste niets meer over het romanschrijven, hij hanteerde die vorm al jaren op dezelfde manier, W.F. Hermans was op die leeftijd al over zijn hoogtepunt heen. Van Schendel ontwikkelde zich nog wel: zijn beste romans, zoals De waterman en Het fregatschip, schreef hij na zijn vijftigste.
Zo langzamerhand kan ik wel zien wat bij het schrijven mijn sterke en zwakke punten zijn.
Om met de zwakke te beginnen: het komische. Mmm. In mijn eerste verhalen bleek ik talent te hebben voor komische en vooral absurde scènes. Met een zekere trots herinner ik me altijd dat Maarten Biesheuvel me vertelde, met zijn buik zo ongeveer tegen de mijne, dat hij enorm had moeten lachen om De mars van Giuseppe. Maar na dat eerste boek heb ik er niets meer mee gedaan, terwijl ik gek ben op tragikomische scènes, zoals Tsjechov ze voortdurend schrijft, scènes waarin het komische iets wrangs en pijnlijks heeft.
Ik ben geen briljant plotteur. Ik ben niet bijzonder geïnteresseerd in plot. Naarmate een roman meer op plot drijft, heb ik er minder belangstelling voor. Ik ben me wel meer bewust geworden van plot: ik probeer elk hoofdstuk een markante vorm te geven, ik verlies de dynamiek van het verhaal geen moment uit het oog. 'Spanning' speelt in deze roman een grotere rol dan in de twee voorafgaande.
Een sterk punt: mijn oog voor detail. Het beeldende, veelzeggende, onthullende detail. In feite vertel je in een roman bijna alles door middel van details. Je beschrijft een personage nooit van top tot teen, je noteert twee of drie details, naast een enkele algemeenheid, en daarmee zet je het neer. Hetzelfde doe je met situaties, locaties en alle andere elementen van de vertelling. De romanwerkelijkheid wordt opgeroepen door details. Ik heb ook een goeie dialoog in m'n vingers. Toneelschrijvers en dramaturgen hebben dat van meet af aan tegen me gezegd. Ik 'hoor' wat er gezegd wordt en hoe het gezegd wordt. De dialoog is voor mij eigenlijk het makkelijkste onderdeel van het schrijven.
Ik ben ook een goeie constructeur. Ik kan een groot geheel van honderden pagina's bij elkaar houden en tijdens het werken ontwikkel ik een computerachtig geheugen voor de details. Toen ik in 1975 in de trein langs de Rhône reed, bewonderde ik de constructie van Honderd jaar eenzaamheid. Ik herinner me een moment waarop ik opkeek uit het boek, opzij keek naar de rivier die daar in de diepte stroomde en bewondering voelde voor juist dat aspect van het boek: het weefsel, hoe hij alles bij elkaar hield. Toen was ik drieëntwintig. Al eerder had ik de dialogen van Couperus bewonderd. Ik weet ook waar ik die bewondering voelde en door welke roman ze werd veroorzaakt: De boeken der kleine zielen. In mijn herinnering is die blik op Couperus' dialogen trouwens het moment waarop ik voor het eerst op een technische manier kon kijken naar een boek. Ik was daar die avond wel een beetje trots op.
[...]

donderdag 25 januari 2018

Frits Bolkestein -- 26 januari 2001

• Politicus Frits Bolkestein (1933) was eurocommissaris van 1999-2004, en hield in die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Grensverkenningen.

Donderdag 25 januari
Sir Andrew Turnbull, Perm Sec van de Exchequer, kwam langs maar leek niet goed te weten waarvoor. We hebben maar wat gekletst. Geluncht met Franz Fischler over de hervorming van het landbouwbeleid. Vóór de Franse presidentiële verkiezingen komt daar niets van. Vervolgens anderhalf uur met een zeurderige Legal Affairs & Internal Market Committee. 's Avonds ontvangst voor kabinet plus de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging in het Breydel. De eerste keer dat zoiets was georganiseerd. Ongelooflijk maar waar.

Vrijdag 26 januari
Geluncht in Nieuwspoort met Joshua Livestro, Andreas Kinneging, Paul Cliteur, Hans Kribbe, Michiel Visser en nog een paar academici over de eeuwige onderwerpen Verlichting - Romantiek - Nationalisme - 1968, enz. Ik mis veel kennis. Kissinger: 'Men verlaat de politiek met evenveel cultureel kapitaal als waarmee men binnenkwam. Het enige wat men leert, is hoe dingen te doen.' Zeer waar. Vervolgens de Hofstadlezing gehouden: volle kerk met zo'n 300 personen in hartje Den Haag. Goed verhaal, hoofdzakelijk geschreven door Derk-Jan.

Woensdag 31 januari
[...] Naar de Koning voor de nieuwjaarsreceptie. Stomvervelend. Om 17.00 uur interview met The Daily Telegraph (Ambrose Evans-Pritchard). Vervelende vent. Vrees het ergste. Om 18.00 uur Prodi's nieuwjaarsreceptie. Ook stomvervelend. Tot slot een rapport te behandelen in het EP (minisessie dus in Brussel).

woensdag 24 januari 2018

Cesare Pavese -- 25 januari 1948

Cesare Pavese (1908-1950) was een Italiaanse schrijver. In 2003 verscheen Leven als ambacht, met daarin dagboeken en brieven. Vertaling: Anton Haakman.

25 januari 1948
Het is niet zo dat iedereen dingen overkomen als gevolg van een lotsbestemming, nee, iedereen duidt de dingen die zijn gebeurd, als hij er de kracht toe heeft, door ze zo te rangschikken dat ze een bepaalde betekenis krijgen, dat wil zeggen, een bestemming.

Er zijn in Turijn straten, boulevards waar mensen hebben gelopen en gewoond die de oorlog heeft geveld en vermoord. Tevreden, verstandige mensen die toen van belang waren en die je nauwelijks kende. Het was een hele samenleving. Waarom is die er geweest?

dinsdag 23 januari 2018

George Gissing -- 24 januari 1893

George Gissing (1857-1903) was een Britse schrijver. Zijn treurige leven wordt uit de doeken gedaan door Geerten Meijsing in Tirade, aan de hand van dagboekfragmenten van Gissing.

Dinsd. 24 januari [1893]. Druilerig, warm. Vier bladzijden aan verhaal geschreven. - 's Avonds, op weg naar huis, een folterende pijn in de gedachte dat ik nooit kan hopen thuis een intellectuele gesprekspartner te hebben. Ben veroordeeld om voor eeuwig met minderen om te gaan - en dan nog van zulke grove stompzinnigheid. Nooit een woord gewisseld behalve over het schamele alledaagse huishouden. Nooit een woord tegen mij, van niemand, van begrip en sympathie - of van aanmoediging. Weinig mensen, daar ben ik zeker van - hebben zo'n bitter leven gekend. De helft van boek 3 van Sint Augustinus gelezen en enige bladzijden van [Cicero's] “De Oratore”.’

maandag 22 januari 2018

Hendrik Brouwer -- 23 januari 1814

• Hendrik Brouwer (1769-1817) was een Middelburgse wijnkoper. Hij hield een dagboek bij, waaruit enkele fragmenten zijn gepubliceerd in Journaal van een wijnkoper.

Januarij 23. Wierd ik bij Keizerlijk Decreet benoemd als Adjoinct Maire dezer stad [Middelburg], in plaats van den Heer Mr. P.I. Boddaert, ontslagen. Den Heer Maire Bijleveld kwam mij den 19 Februarij [Januarij?] in persoon daar van berigten, met uitnodiging om den anderen dag op te komen om beëedigt te werden.
Ik was op deze onverwagte boodschap als buiten mijzelven van ontsteltenisse en van zorg wat mij nu zoude te doen staan om op den schijn van een getrouw en gehoorzaam onderdaan die werkzame en nuttige roeping van mij af te leiden.
Na een bedaard overleg schreev ik den andere dag eene missive aan zijn Ed. mij ten dien effecte aan zijn Ed. medewerking bij den Prefect Pijke aanbevelende op grond van mijne actuele bezigheeden, van mijn zwak lichaamsgestelen wel principaal dat ik in deze eervolle benoeming niet zoude durven treden uit hoofde van mijn onbekwaamheid in de Fransche Taal welke mij ten eenemale was ontwend geworden. Nevens de voorseide missive heb ik met voorzigtigheid nog andere demarches beproeft, met zodanig een gewenst gevolg, dat ik voorts ongemoeid gelaten ben om als Adjoinct Maire op te treden. En waar over ik altoos juigchen zal, dat ik onder Gods hulpe de courage gehad hebbe om aan den tijran Bonaparte regtstreeks eene weigering te doen wedervaren, daar ik schadeloos van af gekomen ben.

zondag 21 januari 2018

Abraham Rutgers van der Loeff -- 22 januari 1846

Abraham Rutgers van der Loeff (1808-1881) was predikant te Noordbroek, Zutphen en Leiden. Zijn dagboeken staan hier online. Begin 1846 verloor Rutgers zijn anderhalf jaar oude dochtertje Gonne.

[Over het overlijden van Gonne]

donderdag 22 januari 1846
Wij sliepen wel wat beter maar toch niet regt rustig. De dag liep onder velerlei bezoek dat wij ontvingen ten einde. De poging van Caroline gelukte uitmuntend. Savonds werd het lijkje gekist en Wijnaends en Caroline bleven daarom nog bij ons terwijl het ons ook overigens niet aan aangenaam Gezelschap ontbrak.

vrijdag 23 januari 1846
Wederom bestendig condoleance visites ontvangen. Smiddags bragt ik eens een half uurtje in den tuin door. Johannes vertrok weder tot onze groote droefheid ook om zijnen wil, daar hij toch niets dan treurigheid had bijgewoond. Savonds bragt ik ons kinderlijkje naar de laatste rustplaats. Griethuijsen en vrouw kwamen te half acht om Romelia gezelschap te houden en ook de goede van Rhijn. Tegen 8 uur kwam Verweij [collega-predikant], dien ik verzocht had mij te vergezellen, en wij stapten spoedig daarna in de koets met het kistje voor ons. Gelukkig mogt ik ook hier kalmte bewaren. Eenvoudig plegtig was in den donkeren avond onze optogt naar het kerkhof en zwijgende zag ik het lijkje (de schelp van het pareltje) voor mijn weemoedig oog in den schoot der aarde nederdalen. Thuiskomende vond ik Romelia nog even kalm en geloovig redeneerende en wij hadden samen nog nuttige en stichtelijke gesprekken. Na een smakelijk avondmaal en een hartelijk gebed gingen wij naar bed, nadat ik nog eerst mijn Dagboek had ingeschreven - Zulke dagen zijn smartelijk maar leerzaam en nuttig.

zaterdag 24 januari 1846
Heden morgen weder een en ander op mijn kamer in orden gebragt. Smiddags met Truitje [zuster] eens gewandeld naar Warnsfeld en onderweg eens op het kerkhof geweest om het grafje te zien. 'Savonds na mijn kaartjes rondgebragt te hebben stil bij elkander. Ik las wat in W en L ['Waarheid in Liefde', een religieus tijdschrift].

Abraham Rutgers van der Loeff -- 21 januari 1846

Abraham Rutgers van der Loeff (1808-1881) was predikant te Noordbroek, Zutphen en Leiden. Zijn dagboeken staan hier online. Begin 1846 verloor Rutgers zijn anderhalf jaar oude dochtertje Gonne.

donderdag 15 januari 1846
[...] Onze kleine Gonne was gisteren reeds niet wel en ook heden nog niet regt monter. Doch wij maakten ons nog niet zeer ongerust. Heden avond echter scheen zij vrij wat aan koorts te lijden. [...]

vrijdag 16 januari 1846
Gonnetje scheen wat beter, maar wij bragten haar toch met het wiegje naar beneden en hielden haar warm. Romelia [echtgenote] ging er reeds vrij vaak onder gebukt. [...] Savonds bij den kolonel Knoote gesoupeerd. Romelia ging natuurlijk niet mede. Wij kwamen laat thuis en bragten Gonne in haar wiegje naar boven. Dien nacht was zij nog tamelijk rustig.

zaterdag 17 januari 1846
[...] Het kind was onrustig en ik besloot om met Truitje [zus van Rutgers] de voornacht op te zitten.

zondag 18 januari 1846
Smorgens was het iets beter zoodat ik mij met rust voor de avondgodsdienstoefening gereed maakte. Smiddags kwam Johannes. Ach wij hadden ons van zijne komst een feest voorgesteld en nu werpt de ziekte van ons kindje zulk een donkere glans over alles. Ondertusschen vond van Rhijn [arts] het iets beter. Ik preekte met opgewektheid over Davids val en ging na de kerk, daar het redelijk was, nog een pijp rooken bij Erdbrink. Thuiskomende bespeurde ik weinig beterschap, maar eerder vermindering en wij gingen niet zonder groote zorg naar bed. Doch sliepen zeer gerust.

maandag 19 januari 1846
Truitje en Johannes hadden gewaakt en ons vroeg geroepen. De toestand werd niet beter. En opeens baarde zich belemmering in de ademhaling en bezetting op de borst. Ik liet mijne katechizaties afzeggen. Van Rhijn komende ordonneerde bloedzuigers. Onder deze kuur bezweek het kindje bijkans, doch herstelde zich, maar had helaas weinig verligting bekomen. De dag liep onder vrees en hoop teneinde. Leentje Kroon bleef snachts bij Truitje op, zoo dat Romelia met mij dien ganschen nacht weer rust kreeg.

dinsdag 20 januari 1846
Smorgens vroeg bragt ik Leentje thuis. Het scheen op de borst wat ruimer. Doch de zwakte was groot en baarde ook den doctor zorg. Gaande weg bespeurden wij afneming van krachten en in den namiddag gaven wij de hoop schier op. Ik liet de kinderen Kinderen afscheid van haar nemen dat zeer aandoenlijk was. Van Rhijn ordonneerde de muscus [?] en wij waren nu geheel op het sterven voorbereid. Het werd volkomen present naarmate de doods-benauwdheid toenam. Benauwend was ook het ouderhart iedere ademhaling en ieder leedvol oog, dat zij tot ons opsloeg.

woensdag 21 januari 1846
Eindelijk geraakten in den vroegen morgen van heden tegen 1 uur het beslissende oogenblik. Dankbaar en gemoedigd dekten wij het wiegje toe en hadden nog lust en opgewektheid God die gegeven en genomen had te loven. Romelia was bijzonder gesterkt geworden en volgde nu ook mijn raad om naar bed te gaan terwijl ik met Truitje opbleef om brieven te schrijven. Ik was er ook bij toen het lijkje uitgekleed werd en was opgetogen van het engelachtige voorkomen. Daarop ging ik naar bed. Romelia had niet geslapen en ik sliep ook zeer onrustig; gedurig eenigzins verschrikt wakker wordende. Gelukkig sliep Arnoud [zoontje] bij ons op de kamer in Gonnetjes ledikantje. Smorgens opkomende gevoelde ik mij wel versterkt en getroost, maar ook zeer weemoedig. Alles in de kamer was opgeruimd en in orden gebragt. Spoedig kwamen ons eenige goede vrienden bezoeken en ondervonden innige deelneming. Het lijkje werd nog gedurig met welgevallen door ons beschouwd en Caroline Wijnaends die savonds bij ons was bood ons aan eene proef te nemen om het lijkje af te teekenen.

Graham Greene -- 20 januari 1954

• Graham Greene (1904-1991) was een Britse schrijver. In Vluchtwegen (vertaald door P.H. Ottenhof) zijn ook dagboekfragmenten van hem opgenomen.

20 januari 1954. Phnom Penh
Na het diner reed ik met mijn gastheer naar het centrum van Phnom Penh waar we de auto parkeerden. Ik wenkte naar een riksja-koelie, waarbij ik mijn duim in mijn mond stak en een gebaar maakte of ik een lange neus trok. Hieruit wordt altijd opgemaakt dat men wil schuiven. Hij bracht ons naar een nogal luguber binnenplaatsje aan de rue A... Er stonden een hoop vuilnisbakken, waartussen een rat rondscharrelde, en er lagen een paar mensen onder muskietennetten. Boven op de eerste verdieping bevond zich achter een balkon de fumerie. Het was er aardig vol en de broeken hingen er als banieren in het schip van een kathedraal. Ik rookte er acht pijpen en een deftig uitziend heer in onderbroek hielp bij het vertalen van mijn wensen. Het bleek dat hij leraar Engels was.

vrijdag 19 januari 2018

Karel van de Woestijne -- 19 januari 1915

Karel van de Woestijne (1878-1929) was een Belgische schrijver. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog hield hij enige maanden een dagboek bij.


19 Januari.
Ik weet niet wat ze vandaag zoo lollig maakt, de Duitschers.

Er zijn weêr veel, veel nieuwe troepen aangekomen, - geene die van het slagveld terug zijn: dezen zijn licht te erkennen, maar mannen frisch uit Duitschland, die blijkbaar nog niet door Brussel zijn geweest. Ze marcheeren, opgesteld in groepen van een paar honderd, geleid door piepjonge luitenantjes met stijve en veerkrachtige beenen. En zij zingen met gemoedelijke krijgshaftigheid van ‘Gloria Victoria’, terwijl hun oogen zwaluwen van den eenen straatkant naar den andere, en naar de gebouwen, en naar de meisjes.

De luitenantjes, zij zijn van tweeërlei aard. De eenen kijken met dweepersblikken en een onvermurwbaar-harden hals onbekende horizonnen te gemoet; de anderen zijn te gevoelig voor het Ewig Weibliche, om de Brusselsche schoonen niet met geïnteresseerde blikken te vereeren. Zoo stappen zij voorbij, dat de aarde ervan ronkt als een trom. En dat zij naar het slagveld gaan, schijnen zij niet te begrijpen.

Anderen hebben, voor de afleiding, wat muziek meêgebregen: mannetjes die zich op schrille dwarsfluitjes een scheeven nek blazen. En dezen spelen het liedje, dat ik u in notenschrift niet overbrieven kan, maar klinkt naar Vlaamschen tekst, uit Vlaamschen monden:
'k Heb dikwijls hooren zeggen
van 'n pater-Kapucijn
dat al de schoonste meisjes
de vuilste wijvekens zijn.
- Aldus, bij dat monter krijgsvertoon, verloopt de ochtend. 's Namiddags draagt een soldaat een reuzenschoof bedwelmend-geurende lila's naar de kazerne. Geen half uur nadien rijdt een break voorbij vol voldaten, die rooken en druk praten. Tusschen de banken en soldaten in, op den bodem van het rijtuig, eene doodkist. Op de doodkist, die bloemen. - De paarden voor den wagen loopen in vurigen draf. Niet den minsten indruk van weemoed.

En het wordt een prachtige ijs-avond. En 's nachts word ik gewekt door een gekend gesnor: aan het venster zie ik, middenin de schroot-scherpe schittering der sterren, een Zeppelin die vaart in een warmen orangen halos.

woensdag 17 januari 2018

Shireen Strooker -- 18 januari 1974

Shireen Strooker (1935) is een Nederlands actrice en regisseuse. In 1974 hield ze op verzoek van NRC Handelsblad een week lang een 'Hollands Dagboek' bij.

Vrijdag [18 januari]
Ze waren al om half zeven wakker, de heren - spelen - eten -goed Daantje - kom maar Jesse - opschieten Devi, je appel. Een beetje erg haasten, nog net de trein van drie voor half negen gehaald. Op de club eerst de voorstelling van gisteravond nabesproken. Een wonder hoe Marja net de dingen zegt, waar je wat aan hebt en hoe iedereen zich nog zo betrokken voelt na 75 keer spelen en durft te zeggen wat hij vindt van eigen en andermans scènes. Met z'n allen opgebouwd, dan is 't in een scheet gebeurd. Daarna alles waar we deze week aan gewerkt hebben aan elkaar laten zien. Heel rustig en ontspannen, niet meer dat opgefokte van nou moet 't goed zijn. Ik had een volgorde gemaakt, het een ging in het ander over. Erg boeiend om naar te kijken, wat een schat aan materiaal - hoe moet dat? Daarna hebben we besloten nog een tijdje zo door te werken, bezig zijn met dingen die je interesseren, spelen watje graag wilt spelen. Als we dat volledig doen, komt er vanzelf een thema uit. Met Peter boodschappen gedaan, veel, dan hoeft het zaterdag niet. Naar huis, spelen — eten - vlug en de trein van zeven voor zeven gehaald. Was weer heel vol vanavond. Weer erg verschillend publiek, jong, kind, oud, alles door elkaar, bij het onderwerp betrokken en ook mensen die er niets mee te maken hebben. Voor 't eerst sinds heel lang ging Nel van Vliet goed. 't Is ook erg moeilijk met z'n vieren één vrouw spelen. Net de trein van 11.06 gehaald. Morgen wordt Jesse 1. Thuis deed Peter [Faber] de slingers en cadeautjes.

dinsdag 16 januari 2018

Keith Vaughan -- 17 januari 1975

Keith Vaughan (1912-1977) was een Britse schilder. Zijn dagboeken zijn in het Nederlands vertaald door Harry Oltheten, onder de titel Dagboek 1939-1977.

17 januari 1975 Twee Japanners zaten tegenover me in de ondergrondse vanuit Euston. Een met het Samoerai-gezicht van een strijder: gemeen, viriel en angstaanjagend in zijn bewegingen, de amandelogen en de wenkbrauwen van een Hokusai-prent. De ander nogal plomp, een luisteraar, keek naar mij, keek naar de andere, die maar door wauwelde, zich onbewust van zijn omgeving.
Ik veroorloofde me een korte seksuele fantasie waarin hij een rol speelde maar die leverde weinig bevredigends op. Zijn schoonheid was die van een wilde kat. Lotuslippen, havikswenkbrauwen, olijfkleurige huid, gespreide dijen met weinig ertussen. Maar als hij gegrepen zou worden en uitgekleed, als hij aan zijn polsen vastgebonden zou worden aan een hoge balk en heftig en fel tussen zijn benen zou worden gegeseld, dan zou zijn marmeren uiterlijk opengebroken kunnen worden.

maandag 15 januari 2018

Arthur Japin -- 16 januari 2004

Arthur Japin (1956) is een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken 2000-2007 zijn gepubliceerd als Zoals dat gaat met wonderen.

Januari 2004
Een aantal schrijvers windt zich en plein public enorm op over de vermenging van talen. Dat vinden ze zoiets heerlijks Henk van Woerden verklaart zich vreselijk kwaad te maken over het feit dat iemand heeft voorgesteld buitenlandse invloeden op het Nederlands te willen indammen. ‘Alle talen zouden juist met elkaar moeten mengen,’ roept hij, ‘hoe meer invloeden hoe liever. Nou ja... alleen niet de invloed van het Engels.’ Niemand vraagt waarom die ene taal dan juist niet, maar men beloont deze moedige stellingname met applaus. Ik kan niet ongezien weg, dus moet ik ook aanhoren hoe ze allemaal bezig zijn de juiste registers voor hun karakters te vinden: grappige woorden, typerende cadans, eigenaardige klanken. Dat houden ze allemaal in gedachte als ze een nieuw boek beginnen. Voor mij is dit de omgekeerde wereld. Ik wek karakters tot leven door me in hun plaats te stellen en daarna laten zij mij weten hoe ze spreken. Veel romanschrijvers nemen, alsof het dichters zijn, taal als vertrekpunt. Ik vertrek van heel ergens anders, een gevoel, een vraag, een beeld, en daarmee kom ik uiteindelijk bij de taal uit. Woorden zijn mijn doel. Daar ga ik op af. Deed ik het andersom en zou ik bij de taal beginnen, ik zou zeker verdwalen.

zondag 14 januari 2018

Eefje Jonker -- 15 januari 1936

• Schrijver Robert Anker (1946-2017) kreeg enkele jaren geleden de beschikking over een dagboek van een achternicht van wie hij niet wist dat ze überhaupt had bestaan. Als Eefje, zoals ze werd genoemd, in 1918 te horen krijgt dat ze een onecht kind is, begint ze haar dagboek, waarin ze met tussenpozen schrijft tot 1956. Het dagboek was zo openhartig, ontroerend, schokkend en goed geschreven dat Anker ervoor zorgde dat het werd uitgegeven. Want er gebeurt nogal wat in het leven van dit ogenschijnlijk eenvoudige meisje. In haar eigen woorden: 'Eerst vertellen je ouders dat je hun kind niet bent. Dan ontmoet je de liefste van je leven maar het is wel een vrouw en dat kan dus niet. Dan krijg je een kind dat je achterlaat als ze drie is. En dan spreek je in de trein een vrouw die je echte moeder blijkt te zijn.' Robert Anker bezorgde het dagboek van zijn tante en voorzag het van een uitvoerig nawoord. Er wordt hier en daar flink getwijfeld aan de echtheid van het dagboek.

Woensdag 15 januari 1936
Ik heb een kind gekregen. Een dochter. Heleen. Het is geboren op donderdag 18 oktober om half zes 's middags. De weeën waren verschrikkelijk maar met drie uur was het gepiept. Toen de baker het mormeltje voor mijn neus hield, dacht ik... niks. Een kind. Mijn kind. Schreeuwen en bloederig, nog met mij verbonden door de navelstreng. Maar toen ik een beetje bijgekomen was vond ik het heerlijk en toen het, kleertjes aan, in mijn armen lag, geluidjes maakte, toen was ik heel erg blij. Chris moest huilen, die stoere man en toen moest ik ook huilen en toen het kindje ook maar meteen. 'Heleen,' mompelde Chris, 'Heleen.' Dat vond ik tof van hem want hij had nogal wat bezwaren gemaakt tegen de naam. Toen we het er voor de geboorte over hadden, zei ik 'David' als het een jongen wordt. Chris schrok, hij wilde 'Dirk', naar zijn vader. 'Komt niks van in,' zei ik, 'we gaan hier niet ouderwets doen, met vernoemen en zo, ik wil een mooie naam en dat is David, dat vind ik al mijn hele leven.' 'Maar,' pruttelde hij, 'dat is toch een joodse naam?' 'O ja?' zei ik. 'En wat dan nog? Wat dacht je trouwens van "Eva", want zo heet ik natuurlijk, daar begint de hele Bijbel mee, ben je soms antisemiet, jij? Kijk eens wat er allemaal in Duitsland gebeurt, hè, met de joden.' Ik denk dat ik zo heftig reageerde omdat ik kort tevoren voor het eerst de stem van Hitler op de radio had gehoord en dat had me verbijsterd. Ik kon hem natuurlijk nauwelijks verstaan maar dat een politicus, de mensen die ons moeten regeren, dat zo iemand zo kan schreeuwen en tekeergaan en dat mensen achter zo iemand aanlopen, hun Führer, in plaats van zich om te draaien en de beschaving op te zoeken, daar begrijp ik niets van. Al die joden-wetten, die arme mensen, ik vind het echt afschuwelijk, en hier heb je ze ook, meneer Mussen en zijn trawanten. Nu ja, Chris zei niks meer maar ik ging nog even door. 'En als het een meisje wordt, en dat wordt het, dat voel ik, dan heet het Heleen.' 'Ik dacht Aaltje,' zei hij bedeesd. Aaltje, zijn grootmoeder. 'Ben je nou gek worren,' schreeuwde ik, 'Aaltje, Alie, ik kin dat mens geniesse!' Ik sprak in mijn opwinding West-Fries. 'Dat is wel de lelijkste naam die ik ooit heb gehoord, dat vergeeft dat kind ons later nooit. Het wordt Heleen, hoor je me, Heleen! Of weet jij wat beters?' Hij boog zijn hoofd, de lieverd, hij zei niets meer. 'Ze zijn trouwens dood alle twee,' smeet ik er nog eens achteraan, 'dus hun kan het niks schelen.' Ja, ik kan erg zijn. En ik ben het vaker, sinds de geboorte van Heleen, kribbig, snauwerig, arme man. En hij blijft maar lief en geduldig.

Het geboortekaartje heb ik zelf ontworpen, Chris moest lachen, dacht dat het een grapje was, zei toen 'maar dat kan toch niet,' en vond het later 'in ieder geval bijzonder'. Zijn moeder vond het bespottelijk. Ze bemoeit zich nooit ergens mee maar dat zei ze, 'onwois' zei ze. Je ziet een roze wiegje en daarboven hangt een blote baby aan een witte parachute met een wolkje erboven. 'Geland' wilde ik er eerst bij zetten en dan haar naam maar dat werd te gek, dat begreep ik ook wel. 'Wij zijn ontzettend blij met de geboorte van onze dochter Heleen.' Elsa aan de telefoon: 'Wat een fantastisch leuk kaartje! Maar weet je wat ik even dacht? Dat je christelijk was geworden.' Dat begreep ik niet. 'Het daalt toch uit de lucht, uit de hemel? Het komt toch uit de hemel?' Ik moest vreselijk lachen.

We hadden beschuit met muisjes en iedereen is langs geweest. Vader en moeder apetrots, Elsa en Fons natuurlijk, met de kleine David, helemaal uit de Betuwe. Ze zijn verhuisd. Ze moesten hun Jordaanse krot uit omdat het werd gesloopt en Fons wilde altijd al graag buiten wonen en toen konden ze een arbeidershuisje huren met een grote schuur, dat wordt hun atelier. Ik vind het heel erg, ja, zo ver weg. Hup, wie nog meer: oom Klaas en tante Marijtje, Jantien, helemaal uit Dieren, dat vond ik zo leuk! Heerlijk om haar weer eens te zien, geen spat veranderd, een beetje dikker nog. Wil ook graag een kindje maar dat lukt nog niet erg. Een kaartje van Nel, uit Polen. Nel is stepdanseres [tapdanseres] geworden en treedt overal op met haar man, Buster, een neger, 'creool' moet je geloof ik zeggen, een Engelsman. Een kaartje van meneer Van den Berg waarop staat 'teken haar maar snel'. Dat heb ik inmiddels al tien keer gedaan, ook met waterverf, heel teer. En een kaartje van Hans! Elsa had het hem verteld, die ziet hem nog wel eens. Expres een heel lelijk kaartje, met ingekleurde bloemen, maar lief, 'mag ik haar es zien?' Hij komt een keer met Elsa mee. Een kaartje van Elsa's ouders en van die van Jantien. Bloemen van de buren die ik inmiddels op de thee heb gehad, twee aan iedere kant en vier aan de overkant, dat zijn je buren (maar aan de overkant woont niemand). Zoef was ook blij toen ik Heleentje optilde en hij haar voor het eerst zag: hij jankte ingehouden, sprong half naar haar op, draaide rondjes om ons heen. 'Zal je haar altijd goed beschermen, Zoef?' Hij blafte twee keer bij wijze van antwoord.

Paul de Wispelaere -- 14 januari 1991

Het verkoolde alfabet. Dagboek 1990-1991 van de Vlaamse schrijver Paul de Wispelaere (1928-2016) volgt gedurende een jaar met een soort zigzag-beweging het leven van de auteur, die er allerlei episoden en gebeurtenissen uit de actualiteit en het verleden associatief met elkaar in verbindt.

Januari 1991
Nog maar net zijn we bekomen van het Van Goghjaar, met al die spektakels, de hele poespas van de reclame, de veilingen met hun fantastische bedragen, de Japanse en andere geldmagnaten, al dat carnavaleske gedoe: de T-shirts bedrukt met zonnebloemen, de zwembroeken bedrukt met aardappeleters, het Van Gogh-bier, de Van Gogh-condooms, enzovoort, of het Mozart-jaar is al aangebroken. Het kan werkelijk niet op.
Driekwart eeuw geleden, op 9 april 1914, publiceerde de jonge dichter Paul van Ostaijen zijn eerste stukje, Kunst van heden, in het Antwerpse blad Carolus. Het is nog brandend actueel:’[...] Wat hebben wij deze maand al niet over Van Gogh, in alle mogelijke en onmogelijke gazetten en tijdschriften gelezen? Alles is Van Gogh: het is het werk van Van Gogh langs hier, het leven van Van Gogh langs daar – le raté de génie, zegt gene pennewip, die onbeholpen kladder zegt een andere, en een derde komt, een snob of een artiest, of beter nog een artiest-snob, en die zegt: "Wat vertellen jullie? Jullie begrijpt geen jota van heel Van Gogh." Zoo hebben wij gelezen en gehoord over Van Gogh. Zonder den gulden middenweg te willen, durven wij toch zeggen dat het werk van Van Gogh zeker geweldig is, doch van eenen anderen kant door de tingeltangelreklaam wel wat overschat. En dat spijt ons voor den grooten kunstenaar; maar het staat nu eenmaal zoo geschreven, dat kunstrevolutie de aandacht van alle leegloopende en centenhebbende snobsen moet trekken.’

Susan Sontag -- 13 januari 1960

Reborn bevat (dagboek)notities van schrijfster Susan Sontag (1933-2004) uit de periode 1947-1963.

1/13/60
... It may take me five years to understand why I don't like to answer the telephone ...
... So many levels on which I understand the telephone knot . . . And contemporary language, with its facile vocabulary of self-analysis, helps me to continue to live on the surface of myself. I can say I am shy; or neurotic; or sensitive to the barbaric insult to privacy represented by the telephone. (This was Wolf Spitzer's theory chez Helen Lynd the other night when I raised the problem in a bottle to their eyes.)— I exclude as not even worth considering the "psy"-type insights such as "My mother made me use the telephone when I was two," "Black telephones are sexual symbols," etc.

Read Justin Martyr's dialogue with Rabbi Trypho — 2nd century A.D. (Christianity vs. Judaism)

Re-reading Anna Karenina

For several centuries B.C. some Greek temples were maintained as retreats, where the emotionally disturbed could recover in a calm + restful atmosphere ('milieu therapy')

zaterdag 13 januari 2018

Lord Byron -- 12 januari 1821

George Gordon Byron (1788–1824), beter bekend als Lord Byron, was een Engels schrijver en dichter. Byrons reputatie berust niet alleen op zijn geschriften, maar ook op zijn leven vol aristocratische excessen, enorme schulden en talrijke liefdesaffaires. Lady Caroline Lamb noemde hem "mad, bad, and dangerous to know". Zijn brieven en dagboeken zijn integraal gepubliceerd.  De Nederlandse vertaling verscheen in Brieven en dagboeken (vertaald door Joop van Helmond).

12 op 13 januari 1821
Ik moet echter vooropstellen dat ik niets heb gelezen van Adolph Müllner (de schrijver van Die Schuld) en veel minder van Goethe en Schiller en Wieland dan ik zou willen. Ik ken ze alleen door middel van Engelse, Franse en Italiaanse vertalingen. Van de oorspronkelijke taal weet ik hoegenaamd niets, – alleen vloeken die ik heb opgepikt van postkoetsiers en officieren tijdens ruzies. Ik kan krachtig in het Duits vloeken als ik dat wil – ‘Sacrament-Verfluchter-Hundsfott’ – en zo voort; maar ik beheers weinig van hun minder verhitte gesprekken.
Overigens houd ik wel van hun vrouwen, (ik ben eens wanhopig verliefd geweest op een Duitse vrouw die Constance heette,) en van alles wat ik vertaald van hun literatuur heb gelezen, en alles wat ik op de Rijn van hun land en volk heb gezien – alles, behalve de Oostenrijkers, die ik veracht, van wie ik walg en – ik kan geen woorden vinden voor mijn haat en ik zou het betreuren daden tegen te komen die in overeenstemming zijn met mijn haat; want ik verafschuw wreedheid meer nog dan ik de Oostenrijkers verafschuw – behalve in een opwelling, want dan ben ik gruwelijk – maar niet met opzet.
Grillparzer is geweldig – antiek – niet zo kinderlijk als de klassieken, maar zeer eenvoudig voor een eigentijdse schrijver – ook zo af en toe à la Madame de Staël – maar al met al een groot en uitstekend schrijver.

woensdag 10 januari 2018

Arnold Bennett -- 11 januari 1918

Arnold Bennett (1867-1931) was een (destijds bekende) Britse schrijver. Zijn dagboeken staan hier online.

Comarques, Friday, January 11th.
Marguerite bought a pig at the end of the year. It was a small one, but we have been eating this damned animal ever since, in all forms except ham, which has not yet arrived. Brawn every moming for breakfast. Yesterday I struck at pig's feet for lunch, and had mutton instead. They are neither satisfying nor digestible, and one of the biggest frauds that ever came out of kitchens. All this is a war measure, and justifiable. I now no longer care whether I have sugar in my tea or not. We each have our receptacle containing the week's sugar, and use it how we like. It follows us about, wherever we happen to be taking anything that is likely to need sugar. My natural prudence makes me more sparing of mine than I need be. Another effect of war is that there is a difficulty in getting stamped envelopes at the P.O. [Post Office] The other day the postmaster by a great effort and as a proof of his goodwill, got me £1 worth, which won't go far.
It occurred to me how the war must affect men of 70, who have nothing to look forward to. The war has ruined their ends, and they cannot have much hope.

Comarques, Sunday, January 13th.
I outlined in the bath this morning an idea of a play about a man being offered a title and his wife insisting on his accepting it against his will. Spender told me that such a man had once asked him for advice in just such a problem, and he had advised the man to suppress his scruples and accept the title. Ross said that this would be a good idea for a play, and it is.

dinsdag 9 januari 2018

Frida Vogels -- 10 januari 1964

Frida Vogels (1930) is een Nederlandse schrijfster. Haar door kritiek en publiek gewaardeerde dagboeken 1954-1971 zijn gepubliceerd in 8 delen.

9 jan. - Mijn vierendertigste verjaardag.
We hebben weer een poes. Het is een volwassen poes en ik denk niet dat we een ander tehuis voor hem zullen vinden, noch zoeken. Toen E. gisteravond naar huis liep, zat hij mauwend op een muurtje. Een halfuur later ging E. naar hem toe met kattebrood. Hij zat er nog, maar at niet. E. ging kaas voor hem kopen. Toen hij terugkwam, was de poes weg. 's Avonds gingen we samen nog eens kijken, maar hij was er niet meer. Ik zei 'misschien is hij voor de nacht in een kelder gekropen' (er zijn in dat straatje veel keldergaten), 'ik zal morgenochtend nog eens gaan kijken'. Vanmorgen zat hij er weer, op dezelfde plaats waar E. hem gezien had, rillend van de kou en zwart van kolengruis. (Het is een wit met grijze poes.) Ik had lever voor hem meegebracht. Ik gaf hem een paar stukjes en pakte hem daarna op om hem mee te nemen. Hij Het zich dat zonder veel protest welgevallen, deed maar één keer een ernstige poging om te ontsnappen. Toen we de trap op klommen, begon hij hevig te mauwen. We kwamen mevrouw Gandolfi tegen, die glimlachte. Thuisgekomen gaf ik hem nog wat lever, in het groene bakje dat voor het vorige poesje heeft gediend (het eerste heeft al zijn benodigdheden als uitzet meegekregen). Daarna ging hij meteen liggen, in de doos met de halve fluwelen broek van mij waarin het vorige poesje niet geslapen heeft, want die verkoos de doos met oude kranten onder het aanrecht.

10 jan. - Het poesje dat we van de zomer gevonden hebben en waarvoor E. via een meisje op kantoor een huis had gevonden, is dood. Het heeft tyfus gehad.

maandag 8 januari 2018

Jeroen Krabbé -- 9 januari 1984

Jeroen Krabbé (1944) is een Nederlandse acteur en schilder. In 1984 hield hij vanwege zijn rol in een tv-serie over Willem de Zwijger een week lang een 'Hollands Dagboek' bij voor NRC Handelsblad. In die week was hij ook alweer aan het repeteren voor de theaterproductie 'Anne Frank'.

Maandag
Lichtelijk verlept type met klein gebrek aan rechterschouder zoekt rustig werk, liefst thuis, is mijn eerste gedachte vandaag. De auto voor dag en dauw naar de garage gebracht. Vandaag begin ik om 10 uur met 'mijn kinderen' Jip (Anne), Wilka (Margot) en Frank (Peter). Werken met ze is fantastisch, maar de moeilijkheid is om in stand te laten wat ze zelf hebben, en het ze toch zó bewust te maken dat 't met dezelfde onbevangenheid steeds maar weer opnieuw gespeeld kan worden.
Tegen 11 uur lopen we het tweede bedrijf door. De moed zinkt me in de schoenen. Zou dit ooit nog goed komen? Na de lunch (± 3 min.) schiet het vuur er weer in, en doen Nellie (mevr. Van Daan) en Adriënne (mevr. Frank) plotseling wonderbaarlijk mooie dingen. Iedereen wordt erdoor meegenomen. Vincent Mentzel neemt zijn foto voor dit dagboek op het moment dat ik van de rep. naar de taxi loop die me komt halen om in Bussum Cinevisie te gaan opnemen. Ik ben daarin ditmaal de hoofdpersoon. Een hele eer, omdat ik dit programma van Cees van Ede als beste van alle filmprogramma's beschouw. Tot mijn verbazing hoor ik dat 't volgend seizoen verdwijnt... Zouden ze gek zijn geworden bij de NOS? Je ziet maar weer hoe noodzakelijk zo'n evt. 3de Net kan zijn! Een leuk gesprek van meer dan een uur, waaruit Cees 20 min. moet halen... Eigen schuld, dikke bult. 's Avonds komt Eelka (prod. secretaresse Anne Frank) met reisschema voor Avoriaz (gaat dus door!) en allemaal zaken betreffende de produktie. Ze is haar gewicht in goud waard. Ik ga maar 's in bad, en daarna in bed wat tekst leren. Zoals meestal val ik onmiddellijk in slaap. Gelukkig word ik door mijn topvriendin Winnie wakker gebeld. Het gesprek verloopt zo geanimeerd dat ik na afloop klaarwakker ben. Zoals meestal in dat soort gevallen krijg ik gelijk honger. Ik doe een ongeremde aanval op de ijskast.

zondag 7 januari 2018

Keith Vaughan -- 8 januari 1973

Keith Vaughan (1912-1977) was een Britse schilder. Zijn dagboeken zijn in het Nederlands vertaald door Harry Oltheten, onder de titel Dagboek 1939-1977.

8 januari 1973 Het schijnt absurd dat seksuele activiteiten zo onevenredig belangrijk zijn op je zestigste. Misschien komt het vaker voor (mannelijke menopauze?). Het is bekend dat mannen na hun zestigste vaak hun toevlucht nemen tot masturbatie. In de leegte die me omgeeft zal ik dagelijks mijn dagboek proberen bij te houden. Ik wil het zo feitelijk mogelijk maken, dat wil zeggen dat ik opschrijf wat ik deed, niet wat ik voelde of dacht. Arnold Bennett noteert kort de gruwelijke hoofdpijn, zenuwpijn en slapeloosheid die hem kwellen voordat hij tot de feiten komt.
Hoe hij, terwijl hij toch in Frankrijk woonde, elke avond brood en melk tot zich kon nemen gaat mijn voorstellingsvermogen te boven. Zijn vrouw (en maitresse?) zette zich dan aan het verorberen van de 150 slakken die ze die middag in de tuin had verzameld.

22 januari 1973 Toen ik even keek naar mijn lemma in de internationale Who's Who zag ik dat als mijn vrijetijdsbestedingen eten en drinken met vrienden en zwemmen in de Ionische Zee' staan genoteerd. Ik vraag me af wanneer ik dat heb gezegd. Waarschijnlijk na terugkeer van Corfu. Wat ik zou moeten zeggen is 'Drinken in mijn eentje en zelfbevrediging met elektrische apparaten'. Maar dat zal ik niet doen. [...]

Sylvia Plath -- 7 januari 1959

Sylvia Plath (1932-1963) was een Amerikaanse dichteres, die ook een bekend dagboek bijhield. Daarin geeft ze blijk van grote ambitie, maar tegelijkertijd ook van grote twijfel aan eigen kunnen. Het dagboek is in het Nederlands vertaald door Nelleke van Maaren. 

7 januari 1959, woensdag
Word ’s ochtends niet wakker omdat ik terug wil in de baarmoeder. Probeer van nu af aan het volgende: zet de wekker om 7.30 en sta dan op, moe of niet. Vliegensvlug ontbijten en huishoudelijke klussen afwerken (bed en afwas, dweilen of wat dan ook) voor 8.30. Ted zorgde vandaag voor koffie en havermout: graag doet hij het niet, maar hij doet het. Ik ben een idioot dat ik hem dat laat doen. Door de wekker te zetten ben ik af van dat lastige wakker worden op vreemde, onhandige tijden rond negen uur. [...]
Neus opgezwollen als een lekkend worstje: grote poriën vol pus en vuil, rode vlekken, die rare bruine moedervlek aan de onderkant van mijn kin die ik graag zou laten weghalen. Herinnering aan dat meisjesgezicht in de film in de medische faculteit, met een klein zwart schoonheidsvlekje: een moedervlek die kwaadaardig is: over een week is ze dood. Haar onverzorgd, gewoon bruin en kinderachtig opgestoken: weet niet wat ik er anders mee moet doen. Te slap en te steil. Lichaam heeft een bad nodig, huid is het ergst – komt door dit klimaat: kloven door de kou, uitgedroogd door de hitte: ik moet gebruind zijn, van top tot teen gebruind, dan wordt mijn huid gezond en ben ik in orde. Ik moet een roman, een dichtbundel, een verhaal voor Ladies’ Home Journal of de New Yorker hebben geschreven, dan zal ik zonder poriën zijn en stralen. Mijn moedervlek zal niet kwaadaardig zijn...

vrijdag 5 januari 2018

Els Polak -- 6 januari 1941

• Els Polak (1922) is 17 jaar oud wanneer de oorlog uitbreekt. Ze doet een opleiding tot kleuterleidster in Amsterdam en gaat daar ook op kamers. Hier begint ze aan haar dagboek. Ze schrijft over de oorlog en de situatie van de joden. Haar vader is joods, haar moeder niet. Zij gaat rond 1942 weer in Hilversum wonen. Haar vader wordt opgepakt en overlijdt vlak na de bevrijding van Auschwitz. Haar moeder overleeft het concentratiekamp Dachau. Els overleeft de oorlog in Hilversum.

Maandag 6 januari 1941, Amsterdam
(...) 's Middags hebben we geschaatst. Er was een hevige rel op de ijsbaan. Twee NSB'ers in uniform kwamen. De hele bende stoof op ze af. Ze werden terrible gepest, beentje gelicht et cetera. 'Oranje zal overwinnen'-geroep en 'Wilhelmien zal overwinnen'. Het einde van het kabaal was dat een meisje van een jaar of zestien werd opgepakt, daar ze een ander meisje voor 'smerige landverraadster' uitschold. De hele bende is van de baan gestuurd. Tweede kerstdag ben ik naar Rotterdam gegaan. Na de verwoesting van de stad was ik er niet meer geweest. Ik had me heel goed ingedacht hoe het daar zou zijn. Het was dus niet nog eens een extra domper op m'n logeerpartij daar. Het grootste deel van het puin was al opgeruimd. Wim en Map waren er ook. Bijna aldoor moesten Wim en ik samen de tijd doorbrengen, waar ik niets op tegen had. Map was als coassistent in het kinderziekenhuis, oom en tante waren druk door de beslommeringen van het kantoor aan huis. De eerste avond ging Wim in bad. Ik lag al in bed toen hij naar z'n kamer ging. Ik trok de stoute schoenen aan en riep hem. We hebben heel gezellig een poosje gebabbeld. Toen hij wilde gaan vroeg ik een nachtzoen. En daar had je de poppen aan het dansen. Hou jij wel van zoentjes? En daarna ging het los. Zalig. We hebben ongeveer een uur zalig liggen flirten. Verder kreeg ik iedere avond een echte nachtzoen. Op oudejaarsavond echter weer een hele zoenpartij tot afscheid. (...) Vandaag was ik weer in Amsterdam om de boel te regelen.

donderdag 4 januari 2018

Tonko Brem - 5 januari 1978

Tonko Brem (Antoon Van den Braembussche, 1946) is een Vlaamse dichter. In het tijdschrift Yang zijn dagboekfragmenten van hem te vinden.

5 jan.
Estheticisme en dronkenschap: de wiegende chaise-longue.

6 jan.
Een blinde op de tram die in mijn richting kijkt, mij aankijkt, en ik die niet opgewassen ben tegen deze blik.
    Op het Kasteleinplein zie ik in het voorbijgaan een zwaar toegetakelde autodeur die tegen een boomstam leunt: een voorsmaakje van de algehele vernielzucht.
    Er zijn interessante en oninteressante hallucinaties: de kunst is er interessante op het spoor te komen die het eigen lichaam betreffen.
    Zelfwegcijfering, maar nog steeds met de hoop mezelf opnieuw te ontdekken.
    Om het wanbegrip van mijn leerlingen tegen te gaan tot tweemaal toe in ellenlange bespiegelingen vol maatschappijkritiek scheep gegaan, totdat er een absolute stilte viel: zij dachten na.
    Nog eens op de tram: een negenjarig meisje met wallen onder de ogen en de blik van een rijpere vrouw. Misschien wel de aanblik van de nabije toekomst, het dagelijks karakter ervan.
    Nu en dan ervaar ik bij het vergeten van een naam de twijfel aan de eigen geestesvermogens. Als een steek in de zij.
    Hoe ik in de huiskamer rondloop, zoals men in kruiswoordraadsel naar het juiste woord zoekt.
    Grootsteedse ontnuchtering: de oorverdovende, niets-ontziende, dissonante drukte van het spitsuur en mijn teder lied dat weer tot zwijgen wordt.

woensdag 3 januari 2018

Maarten 't Hart -- 4 januari 1970

• In 1969-1970 hield de Nederlandse schrijver Maarten 't Hart (1944) een onregelmatig dagboek bij.

4 jan. Vorig jaar ruim honderdduizend bladzijden gelezen, waarvan twintigduizend van Trollope, meestal in de trein. Walpole zegt in zijn boek over Trollope dat we, als we de zes romans over Barsetshire gelezen hebben, wel alles weten over Barset maar niet veel wijzer geworden zijn over onszelf en ik heb de indruk dat Walpole dat oordeel ook best van toepassing vindt op de andere romans van Trollope. Nu, wat dan nog? Ik heb verbazingwekkend veel plezier beleefd aan de romans van Trollope en dat alleen al is voldoende reden om ze te lezen. Maar ben ik meer over mijzelf te weten gekomen? Zeker wel. Ik heb veel meer inzicht gekregen in datgene wat men een ‘zwakke persoonlijkheid’ noemt, in het ontbreken van durf, van bravoure. Van Trollope heb ik geleerd dat de zachtmoedigen het aardrijk niet beërven en de brutalen niet de halve wereld bezitten maar dat het erop aankomt ‘firm’ te zijn en een ‘will of your own’ te bezitten. Zachtmoedigheid kan alleen respect afdwingen als het niet, (net als bij een baard die een zwakke kin verbergt), een masker is voor lafheid. Van je af bijten kan soms domweg hard nodig zijn. Je weet dit alles natuurlijk allang maar bij Trollope wordt het zo overtuigend en doorlopend getoond dat zijn romans lessen zijn in het ballen van je vuist op het juiste moment.

dinsdag 2 januari 2018

Max de Jong -- 3 januari 1947

Max de Jong (1917-1951) was een Nederlandse dichter. Zijn dagboeken zijn onlangs gepubliceerd.

Di 30 dec. De kamer is om half twee gedaan. 1k ben intussen naar Hespa geweest, de portable [tikmachine] komt 2 jan.!!! , vader al geschreven.
Uiteenzetting met hospita over bomvrijheid! Ze begon van dat ze er geen bordeel van maakte en dat me alles verboden was, gevolg van het incident met mevrouw Krebs. Toen even doorgepraat. Dat ze me uit zichzelf niets in de weg gelegd zou hebben, en waarom ik er dan met anderen over lulde en dat ze er met haar man over zou praten, enfin, behoorlijk begrip, en werkelijk ongecontroleerde vrijheid toch een illusie.

Vrij 2 jan. De portable afgehaald. Vader zanikte van te voren een beetje, maar was in gezelschap van Sonja voorbeeldig, betaalde vlot, daarna een meningsverschil, ik moest een 'contract' tekenen, dat hij vaders eigendom bleef en dat ik hem niet uit zou lenen, heb uitgelegd dat het laatste juist wel de bedoeling was, maar ik moest met alle geweld die bepaling tekenen, en heb dat dus maar gedaan. Overigens heb ik reden tot dankbaarheid.

Za 3 jan. Met oom Joop anderhalf uur in Americain gezeten. Uitvoerig gepraat over het thema sociaal-asociaal. Hij vindt de prestatie niet eens van doorslaggevend belang, dit meent hij wel, als de type maar leeft. Het gesprek werd wat lang, ik praatte wat erg veel en zei dus ook dingen, die ik beter niet had kunnen zeggen, kortom alles normaal.

Ma 5 jan. Biekorff eng. Bert en Trudy verloofd, ik: Ik zal er zoveel mogelijk rekening mee houden.' Zeer op prijs gesteld, was ook een goeie opmerking. Die advocaat, mr. Floris Raamsteker, kende me uit Leiden als kennis van Hans van Straten en Paul Rodenko, wou niet zeggen hoe, zat maar te lachen, trouwens eiige vent.
Me verdiept in de diverse knopjes en hefboompjes van de schrijfmachine, bij het opendoen smakte hij neer en het tandrad van de rechter lintrol heb ik ook op een zware proef gesteld, maar nu heb ik dan ook door hoe hij in elkaar zit.

Di 6 jan. De hele dag gek geworden van radio Simons. Biekorff: niet meer met die advocaat gepraat, gesprek met Simon van het Reve [= Gerard Reve], gepraat over zijn hofje, een halfzachte gemeenschap, erg, en over Die Verwandlung van Kafka, dat hij niet kende, het gesprek was wat hobbelig maar niet slecht.

maandag 1 januari 2018

Theo Olof -- 2 januari 1974

Theo Olof (1924-2012) was een Nederlandse violist. Op verzoek van NRC Handelsblad hield hij in 1974 een week lang een 'Hollands Dagboek' bij.

Woensdag 2 januari
Een nieuw jaar, een paar nieuwe geluiden. Met artistiek gekrab en gekras ijs van autoruiten weggestreken. Met dit voertuig naar Concertgebouw verplaatst om voor 't eerst van mijn leven - voorlopig nog als gast - als concertmeester van Concertgebouworkest te functioneren. Getracht dit wel artistiek, maar zonder gekrab of gekras te doen. Onder leiding van Colin Davis. Prettige dirigent, prettig werker. Orpheus van Strawinsky. Symf. Fantastique van Berlioz. Orkestleden bijzonder vriendelijk. We kennen elkaar al zo lang. Noor (mijn vrouw) zit al sinds jaren in 't orkest, Iedereen informeert hoe 't met haar gaat. Of de baby er nou nog niet is. In pauze Haitink om iedereen goed jaar toe te wensen: gratis koffie en amandel- of saucijzebroodje. Thuis telefoontjes. Nico v.d. Linden zag artikel in Televizier over mij met oude, oude foto waar ook hij op staat, als eigenaar-demonstrateur van eerste bandopnameapparaat in Nederland. Getracht artikel over muziektherapie rond te krijgen. Brief aan Hare Majesteit om te bedanken voor onderscheiding.
Eindelijk aangemeld bij Amnesty International. Hiertoe gedreven door vele artikelen over martelen. Bezorgen me steeds weer kippevel. Ook kippevel van bericht over hond die baby doodbeet. Krijgen van alle kanten raadgevingen hoe onze Coco onmiddellijk aan baby te wennen. Naar belastingconsulent voor ondersteuning aanvraag extra benzine-toewijzing.
's Avonds weer repetitie.
Nog geen baby.

Italo Svevo -- 1 januari 1896

Italo Svevo (1861-1928) was een Italiaanse schrijver. In 1896 hield hij enige maanden een dagboek bij, op verzoek van zijn toekomstige echtgenote, Livia Veneziani (1874-1957).

1 januari 1896
Hinderlijk en gevaarlijk, die noordenwind. Vandaag, op de derde verjaardag (we rekenen met weken) belette hij me de avond met Livia door te brengen. Ik vergezelde haar in het rijtuig tot aan Sant'Andrea (in het rijtuig zat ook mevrouw Posser) en liet hen toen lafhartig in de steek. Aanvankelijk werd ik alleen maar gekweld door het vermoeden dat Livia blij was voor een avond van mij verlost te zijn; o! een pijnlijke kwelling, de plotselinge schrik voor ons toekomstige leven dat me opeens in gevaar leek. Dadelijk daarna bedacht ik dat ik er goed aan zou hebben gedaan in het rijtuig te blijven, al was het alleen maar om het door mijn gewicht wat vaster op de weg te houden. En toen ik bij de bank kwam, waar Livia me per telefoon het bericht van haar behouden aankomst zou doen toekomen, ging ik zitten, niet in staat iets anders te doen dan het nieuws afwachten dat mijn blondine, mijn enige, onmetelijke hoop op een echt, duurzaam geluk, behouden was thuisgekomen. Waarachtig, ik heb in een hoekje van mijn hart iets dat op religie lijkt. Ik herlees deze regels en constateer dat ik een onverbeterlijke egoïst ben.
So innig zwei Menschen einander lieben mögen, sie können doch nicht vollständig ineinander aufgehen. Nur diejenigen werden sich stets nahe bleiben welche fortwährend das Bedürjniss jühlen, sich einander zu nähern.

- Joseph Freiherr von Eötvös

Nescio -- 31 december 1953

Nescio (J.H.F. Grönloh, 1882-1961) was een Nederlandse schrijver. In zijn Natuurdagboek (1946-1955) deed hij verslag van onder meer zijn tochtjes en wandelingen.

31 December 1953
Iets nevelig, 's Morgens 2 takjes prunus gekocht voor Os, bij Buttstedt. Tegen 5 uur: de Ringkade in de schemering, met de lantaarns aan. Een roode anjelier gekocht voor Os. 's Avonds naar de Remonstrantsche kerk aan de Keizersgracht. De stille verlaten donkere stad. De straten vochtig en vaag glimmend, hier en daar wat pikkeltjes sneeuw op de grond. Geen wind. Dam, Leliegracht, een klok slaat. De weerspiegelingen van de lantaarns in het donkere water en van de lijsten en kozijnen van de ramen. De sterker verlichte hoek van de Westermarkt en Keizersgracht met meer licht in het water en de huizen duidelijk weerspiegeld. De kale trappen van de kerk, eikenhout uit 1600 zooveel. De Blauwburgwal en de steegjes naar het Damrak.
Vrede en de behagelikheid en het geluk van in Amsterdam te leven.