vrijdag 24 november 2017

Nico Rost -- 24 november 1944

Nico Rost (1896–1967) was een Nederlands schrijver, vertaler en journalist. Door zijn verzetswerk in de oorlog kwam hij in Dachau terecht. Het (beroemde) dagboek dat hij daar bijhield is gepubliceerd als Goethe in Dachau.

24 November
Vanmorgen wel een uur lang met een nieuwe ‘gebekt’, maar ben nu weer eenigszins met hem verzoend.
Hij heet Miesen, is een Duitscher, doctor in de wijsbegeerte en heeft college geloopen bij prof. Ernst Bertram en prof. E.R. Curtius en later ook bij Jaspers in Heidelberg. Nog heel jong - misschien 26 of 27. Zijn nieren zijn niet in orde en hij heeft - als gevolg van een bombardement in Keulen iets aan zijn hart. Vanmorgen, toen Heini en Suire hem onderzochten, zag ik het op en neer gaan - zoo hard klopte het.
Hij is in het begin van den oorlog een jaar in ons land geweest - vertelde hij me - en schreef toen artikels voor de ‘Kölnische Zeitung’, maar was in dien tijd weinig met Nederlanders in aanraking gekomen. Natuurlijk werd ik giftig....
Hij is geen Nazi - dat voel ik wel, en anders zat hij hier ook niet - maar hij had, volgens mij, juist om te bewijzen, dat hij het niet was, in ons land contact moeten zoeken met antifascistische Nederlanders en hen moeten helpen. Indien hij er ook ‘tegen’ was, waren hun belangen immers dezelfde geweest.
Hij wist me daar niet veel op te antwoorden, alleen dat hij dit wel graag gewild had, doch niet durfde, met het oog op de Gestapo.... die hem toch al niet vertrouwde.
Tijdens het gesprek (van mijn kant eigenlijk meer een soort ondervraging door een rechter van instructie) bleek, dat hij alleen een paar wetenschappelijke artikelen had geschreven, vooral over Huizinga, die hij zeer bewondert - wat me reeds verteederde. Verder had hij den meesten tijd in het Spinoza-huis doorgebracht, zoodat mijn woede langzamerhand verdween.
Alleen toen hij over Hans Carossa begon, ben ik weer nijdig geworden. Dat die zich door Goebbels tot voorzitter van een zoogenaamde Europeesche Schrijversvereeniging - met als represantant voor Nederland: Eekhout en de een of andere Friesche NSB-scribent - laat bombardeeren en met zich laat sollen, is eenvoudig verraad aan den Geest. Ik kan daar geen enkel excuus voor aanvraaden, en heb dat Miesen ook gezegd. Hij is van meening, dat Carossa het tegen zijn wil deed: ‘Er hat geweint als er es tun musste’ vertelt hij me, maar dat kan me niet imponeeren. Hij heeft het gedaan - of met of zonder tranen, dat is oninteressant. Hij had evengoed kunnen emigreeren als Thomas en Heinrich Mann en zoovele anderen.

donderdag 23 november 2017

Nadine Wedel -- 23 november 1998

Nadine Wedel was in 1998 zestien jaar en verliefd op Christoph.

Deel 1
Deel 2

Hi! 23.11.98
So'n Scheißleben. Man kommt kurz vor 5 Uhr von der Schule heim. Und dann muß man noch lernen.
Zur Zeit klappt nichts. Mike hat eine Freundin. Felix hat seine Zunge bei Mia reingesteckt. Leon hat 'ne neue Frisur wie Adolf H. Und Christoph hab ich schon so lange nicht gesehen. Wenn man durch die Stadt latsch sieht man immer nur den Brixton, Aleksej, …
Aber nie Christoph (mit 2. Namen heißt er übrigens Ottmar (HaHa) wie sein Vater! Und seine Nummer ist 4596321894.
Ich ruf mal an u. lege wieder auf, wenn ich ihn diese Woche nicht treffe. Aber ich muß ihn treffen! Mein Leben hängt davon ab! Bitte es zählt nur dies! Bitte, 1000x bitte sonst bin ich am Ende!
In Verzweiflung Nadine

Hi! 24.11.98
Wann?

Hi! 25.11.98
siehe oben!
Mir geht's bauchwehübel. Weißte, ich warte jeden Tag auf C… Aber sehe ihn sowieso nie. So'n megascheiß. Wann u. warum nicht? Hä?
Also, drück mir mal ganz fest die Daumen, daß ich entweder heute, morgen, Freitag oder Samstag Christoph treffe. Natürlich ist mir früher als später lieber! Danke im Voraus!

Hi! 26.11.98
Hab' mich megamäßig blamiert. Vorher hab' ich beim Christoph daheim angerufen. Da war der Anrufbeantworter drin. Auf jeden Fall hab' ich drauf gelabert: "Hallo Christoph, hier ist die Nadine, weißt du die mit den Rastas. Ich wollt' nur fragen, ob du nicht mal wieder sturmfrei hast? Und was du so am Wochenende machst? Also ich bin im Handkuss, kannst ja auch kommen … Tschüß bis dann!"
Ich hatte leider vergessen meine Telefonnummer anzugeben. Also rief Mia ein 2tes Mal an. Gab' ihm meine Handynummer und sagte: "Vielleicht können wir ja mal Kaffeekochen oder ins Okay oder ins Top Ten gehen!" Voll peinlich! Jetzt warte ich schon 1 Stunde, daß er anruft, aber ich glaub's nicht, daß er anphont.
Jungs melden sich meist sowieso nicht bei Girls. Naja, ich warte trotzdem weiter. Man darf ja noch hoffen. Vielleicht kommt er ja dann doch in den Handkuss. Hoffentlich! Ich glaub' daran! Chris läßt mich nicht im Stich! Ich weiß es ganz genau! Drück mir bitte megamässig die Daumen. Ich will endlich Christoph sehen, hören … Jetzt sofort!

Hi! 28.11.98
Bis heute hast sich Christoph nicht gemeldet, kann nur noch hoffen, daß er heute Abend in den Handkuss kommt. Wenn nicht geb' ich auf und weiß wenigsten ziemlich sicher, daß er nicht mehr an mir interessiert ist. Aber vielleicht kommt er ja doch …!

Hi! 29.11.98
Fuck you!
Scheiß Christoph ist nicht gekommen. Ich geb's auf! Aber vielleicht hatte er ja wirklich keine Zeit oder war verhindert oder … er wollte einfach nicht! Wirklich schade, hat er eben Pech gehabt und was ganz Süßes verpasst. Doch wenigsten anrufen hätte er ja können oder kann er noch. War ja keine Verarschung!
Wenigsten hab' ich gestern 4 andere nette Jungs kennengelernt. Wir waren auf einer Party, da war ein geiler Typ mit 'ner weißen Hose u. nem geilen Arsch! Der hat sich nach mir umgedreht! Das hat mich wenigstens entschädigt, daß Christoph nicht kam. Ach, was soll's ich hab' doch bei Jungs immer Pech, wie hätte es auch diesmal anderst sein sollen, oder? Vielleicht klappt's ja noch mal irgendwann!? Auf jeden Fall hätte ich Chris echt gemocht.

dinsdag 21 november 2017

Hugo Brems -- 22 november 1982

Hugo Brems (1944) is emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de KU Leuven. In 1983 publiceerde hij Onze armoede is doorzichtig als glas Fragmenten uit een Pools dagboek, Warschau 14 tot 28 november 1982.

Maandag 22
Vrijaf nog. Ik ga winkelen. Dit zijn dus de zogenaamde gezellige winkelstraten van het centrum: drie borstels, een kraan, een nachtjapon. Met Kerstmis en Sinterklaas zullen de kinderen hier ook niet verwend worden. In speelgoedwinkels: plastieken beestjes voor in bad, een fluitje, wat houten blokken. In sportwinkels: niet veel meer dan tweedehands ski's en een fietspomp. Niet te verwonderen dat C., wanneer hij de volgende week terugkomt uit België, voor de winkeljuffrouw van zijn slager een pop moet meebrengen (voor haar dochtertje). Zij zorgt er dan wel voor dat hij de mooiste stukjes vlees krijgt.

Dinsdag 23
's Avonds lees ik wat in het boek dat ik van een collega leende. Het is de Nederlandse vertaling van een roman van Tadeusz Konwicki, ‘De kleine apocalyps’. Een boek dat hier verboden is. Ik citeer deze bijzonder juist typerende passage: ‘In mijn land is geen armoede. Op de hoeken van de straten staan weinig bedelaars, en als er iemand bedelt doet hij dat zonder overtuiging. (...) Niemand deelt nog lucifers in vieren en niemand telt nog zoutkorrels.
Lucifers in vieren delen loont tegenwoordig de moeite niet. Nauwelijks een op de drie wil ontvlammen.
Onze armoede is doorzichtig als glas en onzichtbaar als lucht. Onze armoede bestaat uit kilometers lange rijen, uit onophoudelijk gedrang van ellebogen, snauwerige ambtenaren, uit zonder reden vertraagde treinen, een door fatale krachten afgesloten waterleiding, dus gewoon gebrek aan water, uit onverwacht gesloten winkels, een razende en tierende buurman, uit leugenachtige kranten en urenlange toespraken op t.v. in plaats van een sportuitzending, uit de dwang tot de partij te behoren, uit een kapotte wasmachine die je in de staatswinkel hebt gekocht, uit speciale winkels waar je dingen voor dollars kunt kopen, de monotonie van een leven zonder hoop, instortende historische steden, verdorrende provincies en vergiftigde rivieren. Onze armoede is de genade van de totale staat, de genade dank zij welke wij leven.’

maandag 20 november 2017

J. Slauerhoff -- 21 november 1926

Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) was een Nederlandse dichter en schrijver (en scheepsarts). Summiere dagboekaantekeningen van hem zijn gepubliceerd in Dagboek.

21 Nov. Eindelijk, eindelijk weer gewerkt. Dadelijk opgewekt en ontrukt aan de atmosfeer waarin drank, rook, lawaai de vroolijkheid er in moet houden. Nog eens gevoeld hoe 't mogelijk is naast het leven te leven. Door te scheppen; scheppend geen vraag: hoeveel de opbrengst?

                       ----------

Er komt beweging in de slapende. Hij zucht, rekt zich uit en grijpt de pijp en ontsteekt het licht en rookt. Beseft hij mijn jammer? Hij bereidt mij een.
Dit is de laatste toevlucht: de oorzaak van de ellende, de eenigste uitkomst uit de ellende. Al zou ik ook een dag rampzalig zijn, uit de leegte van dit uur wil ik ontkomen en adem, adem in, diep, diep.
Béatitude.
Morgenschemer. S. staat op en rookt tweemaal voor petit déjeuner, drinkt thee en gaat. Service a bord. Ik dommel opnieuw.
Av. Het Astor hotel. De wufte menigt. Het béte paar nog steeds belust, diep teleurgesteld door de onverwacht groote weerstand die hun fatsoen opleverde tegen de zonde-aanschouwing. Poor, poor ones. In vestibule Bos, forlorn, zich vastklampend. Ook deze man Gods belust op vermaak. Let us join the party. Hoe dwaas deze presbyteriaan met deze leege vaten.
Bijbelsch, Amerikaansch, Hollandsch met society chat.
Wat bent U stil, Dr?... Wie zelf nooit zijn mond houdt werpe de eerste steen.
Majestic groot, leeg, koud, groen marmer, ijdelheid, stompheid, Engelsen. Plaza. Volte. De negerin, smoking groen. Charleston, wegschuivend, rythmisch tot in de vingertoppen, stilstaand deinend als een waterplant in wild kort bewogen zee. B-~. Spaansch.
Tiffin bij de kantoorlui. Drank, drukte, gegrinnik, na dessert gesepareerd, schuine moppen. Dolend door de concessie. Prikkeldraad. Chinese life. Europeesch park, zachte zachte herfst. Kinderen, vijvers, perken, paters in prieelen. Is dit China? Ach, een Europeesch vierkantje in gele oneindigheid.
's Avonds toenadering tusschen gezin en vreemdeling. Verwijdering snel. Vroege aftocht.

Ruïne in Old Cathay. Byzantijnsche kunst.
D. v. d. V. mooie mond en oogen, 't neusje minder. Geest nog minder. Jeugd! Schei nou uit, Kokerotje. Haaivangst. Billiton. Koelie-aftocht. Brieven R.H. en Prins!
M. v. d. V. somnabulistisch, Blavatsky-achtig. En Amerikaansch! 's Avonds jeugdiger dan overdag, vooral in 't zwart. Droomt.
B. bericht van overplaatsing. Vragen minder dan vroeger. Bam-boula aan boord. Oostenrijker. Oude dandy (Smirynka, Bahkhof!). Andre ochtend monter, soms doet drank goed.

zondag 19 november 2017

Koos van Zomeren -- 20 november 2004

Koos van Zomeren (1946) is een Nederlandse schrijver. In Nog in morgens gemeten werkt hij dagboekaantekeningen uit 2003/2004 uit.

17 november Neerlandistiek in Oldenburg. Als we Duits spreken is het 'Sie' en betrekkelijk formeel. Als we overgaan op Nederlands is het meteen 'je' en 'jij' en heel ontspannen. Buitengewoon hartelijke en attente mensen, die spitsvondige en naar het ondeugende neigende grapjes maken. Na verloop van tijd realiseer je je dat ze Nederlands zijn gaan doen omdat ze denken dat Nederland leuk is. Wat een pijnlijk misverstand. De schijn ophouden.

20 november Gisteravond - tv uit, bosuil aan. Zijn roep in de bosrand. Toen we op het balkon gingen staan, hoorden we dat er een bosuil was én een bosuil die hem van repliek diende, een tweestemmig rommeltje.
Vanmorgen-natte sneeuw, witte veldjes in de volkstuintjes in Klarenbeek.
Zo verloopt hier de herfst en ik vraag me steeds af hoe hij op Herwijnen verloopt. In de vluchtige beelden van het dorp die me steeds voor de geest komen, is het nog volop zomer. Het uitzicht vanaf de dijk over de Diepe Put, de ligging van de uiterwaarden tussen d'n Oven en d'n Hoek enz. Tegelijkertijd het besef dat je daar niets te zoeken hebt, tenzij je er toevallig woont (wat in juli twee weken het geval was) of werkt (idem).

21 november Milan Kundera (in Onwetendheid): '(...) overdag zag ze voortdurend landschappen van haar geboortestreek voor zich opdoemen. Nee, het was geen lange, bewuste, opzettelijk opgeroepen dagdroom, het was iets heel anders: visioenen van landschappen lichtten plotseling, abrupt, razendsnel op in haar hoofd, om meteen weer uit te doven. Ze praatte met haar baas en ineens, als een bliksem, zag ze een paadje tussen de velden. Ze werd heen en weer geduwd in een metrowagen en plotseling dook er gedurende een fractie van een seconde een laantje in een groene wijk in Praag in haar op. De hele dag bezochten die vluchtige beelden haar om het gemis van haar verloren Bohemen te verzachten.'


zaterdag 18 november 2017

Constantijn Huygens jr. -- 19 november 1689

Constantijn Huygens jr. (1628-1697) was een Nederlandse staatsman. Hij was daarnaast bekend om zijn werk aan wetenschappelijke instrumenten en als kroniekschrijver van zijn tijd.

19 Saterd.
Hoorde 't gepasseerde tusschen Capn Welderen van̅ garde en̅ Milord Pawlet, soon van Myl. Bolton, hebbende den laetsten, naer dat heel droncken zijnde, tot de vr. v. 's Gravemr, gequerelleert [ruzie gemaakt] had met de Hr van Ruyven, soon van̅ Hr van Sterrenburg, eyndelijck sonder eenighe reden, een soufflet [muilpeer] gaf aen Welderen, daerdoor hij seer veel bloets verloor uyt sijn neus, en̅ wierdt noch gearresteert, den anderen daervan exemt [onschendbaar] zijnde, als een member van 't Parlament.

Willem Pieterse Poort -- 18 november 1710

• Willem Pieterse Poort (?-?) schreef Het Journaal en Daghregister van Dirk Jacobsz. Tayses Avontuurelyke Reyse na Groenlandt, gedaen met het Schip Den Dam, in ’'t Jaar 1710 (uitgave 1711).

Den 18 dito waeyden 't sulcken vliegenden Tempeest dat Heemel en Aerden soo men dan seght scheenen aen malkander te zijn, na de middagh nam de windt een weynigh af, savonts in de eerste waght begon 't weer soo sterck te waeyen als ooyt, in de hondewaght nam de windt af en liep n. w. halsden om, setten onse Fock en groot Zeyl by, en namen onse coers z. ten w. kort daer na nam de windt soo sterck aen, dat wy onse Schooverzeyl moesten vast maecken, liepen doe voor een Fock ter lens met een vervaerlijcke windt.

Den 19 dito smorgens nam de Windt af, setten onse Schoover-zeyl by: in de voormiddagh deelden wy onse laetste Broot, dat omtrent vier Beschuyten voor yder Man bedroegh, smiddaghs sagen wy de Zuydt-hoeck van Stadt, en 3 Eylanden daer besuyden, dat is Ornael, Olde en Kien altemael hoogh lant, dogh altemael Eylanden: Olde dat ist zuydelijckste, leggende op de aerdkloots breete van 61 graden 16 breete en 19 graden 12 minuten lengte. Dit Eyland Olde hadden wy z. o. ten o. van ons omtrent 7 mijlen: Nu setten wy onse Groot Marszeyl by en kort daer na ons Voor Marszeyl meede: savonts de wint west-zuyd west, de coers zuydelijk, snagts liep de wint zuydelijk, leyden 't doe over staeg, de coers w. z. w., namen onse Marszeyls in, met reegen.

donderdag 16 november 2017

Hidde Dirks Kat -- 17 november 1777

Hidde Dirks Kat (1747-1824) was een nederlandse walvisvaarder die in 1777 schipbreuk leed bij Groenland. Zijn ervaringen tijdens deze schipbreuk en de vele ontberingen die hij moest doorstaan tijdens de hierop volgende overlevingstocht, heeft Kat opgetekend in een dagboek.

Den 17 November. Ik wist de Wilden in dien tijd te beduiden, dat zij tabak voor mij moesten halen; vermits ik wist, dat er, het zij van nabij, het zij op eenen verren afstand, Christenen op deze kusten moesten wonen. Op sterk aanstaan besloten zij eindelijk hiertoe en namen de moeijelijke reis met hunne snel varende schuitjes aan. Zij gaven mij te verstaan, dat ik schrijven moest. Ik gebruikte daartoe een wit Robbevel en schreef daarop mijnen naam, met vermelding van mijnen toestand, met Robbenbloed.
Ik gaf aan de aanzienlijksten in huis mijn horologie, voorzien zijnde van eene gedreven kas, waarop zij zeer gesteld schenen, tot een geschenk. Hierop gingen zij naar de volkplanting op reis.
Heden ontving ik eenen brief van mijnen Stuurman, die mij meldde, dat Kommandeur MARTEN JANZEN en JELDERT JANS DE GROOT bij hem waren geweest. Zij waren gelukkig om Kaap Vaarwel met twee vrouwe-booten heengekomen.
Doordien de Wilden met deze snelvarende schuitjes in den tijd van 12 uren 20 mijlen kunnen afroeijen, zoo kan men daaruit opmaken, welk een eind weegs zij konden afgelegd hebben, toen zij, na een tijdsbestek van drie dagen, weder terugkwamen. Zij lieten volstrekt niet blijken, dat zij iets voor ons hadden en droegen hunne schuitjes naar hunne woning, waaruit zij mij, uit het achtereinde, eenen brief, benevens pennen, inkt, papier en tabak overreikten. Dit alles kwam van eenen Hernhutter met name JAN SIBRANDS. Het lezen van den Hoogduitschen brief, die door een' Christen geschreven was, veroorzaakte ons groote blijdschap. Dezelve is naauwelijks te beschrijven. Bij dien brief ontvingen wij tevens vierentwintig Eendvogels, die ons grootelijks verkwikten. Doch, wegens gebrek aan zout, waren dezelve min smakelijk. Wij namen daarvoor in plaats Robbenbloed met zout water gekookt, hetgeen ons echter in 't geheel niet voldeed.
De brief van den Duitschen broeder behelsde, dat wij ons onder goede Wilden bevonden; hebbende zij last gegeven aan dezelve, om ons, wanneer de gelegenheid gunstig was, bij hem te brengen. Uit hoofde van slecht weêr en harde vorst bleven wij, na de ontvangst van dien brief, er nog tot den 19 October (No 28.) wanneer wij in den ochtendstond, bij goed weder, met eene vrouwen-boot, onder het geleide van verscheidene mannen en vrouwen, die deels in onze boot, deels in afzonderlijke schuitjes nevens ons roeiden, vertrokken. Des avonds waren wij bijna dood gevroren. Wij kwamen echter in den nacht bij andere Wilden om de Noord behouden aan land. Een der Wilden gaf ons te verstaan, dat hij een Christen was, met name LODEWIJK. Hij bragt ons in den nacht in zijn huis, zijnde hetzelve van het vroeger omschreven maaksel. In dit huis woonden verscheidene huisgezinnen. Ik beschouwde dit alles met verwondering. Aan een' pilaar, waarop het huisdak rustte, zag ik onder andere Duitsche zaken een vaderlandsch spiegeltje. Dit verrukte ons ten hoogste. Het huis verder in oogenschijn nemende vond ik voorts, aan denzelfden pilaar, maar tot mijne droefheid, eene Hoogduitsche Courant. Een mijner vier mannen dezelve lezende vernam ik daaruit, tot mijn innig leedwezen, dat mijn zwager, Kapitein KORNELIS HIDDES, van Amsterdam uitgevaren naar de Middellandsche Zee, door den Turk genomen, en te Larassy in Turkije opgebragt was. Dit verdubbelde mijne smart. Kort daarna kwam de Duitsche broeder JAN SIBRANDS bij mij in huis en verwelkomde mij met groote liefde. Hij nam mij mede naar zijn huis, dat, gelijk hier te lande, van steenen gebouwd was, doch klein, bevattende drie vertrekken. Zijne vrouw reinigde mij van het ongedierte en gaf mij een schoon hemd, dat mij zeer verkwikte. Hier waren drie Duitsche Hernhutters, van welke twee gehuwd waren, hebbende één kind. Wie zal zich een duidelijk begrip vormen van de streelende gewaarwording, welke mijn afgemat ligchaam nu alreede te beurt viel! Dit is in waarheid onbeschrijfelijk. – Eerst verwelkomden zij mij met een glaasje liqueur, daarna in den nacht met melkspijs, welke wij met zilveren lepels aten – vervolgens sliep ik op een zacht bed van veren. – Ach! hoeveel dankbaarheid gevoelde ik wegens dat alles jegens den goeden barmhartigen God, die ons tot dus verre door zijne genade geleid had. Ik genoot dezen nacht goede rust.

woensdag 15 november 2017

Rutger Kopland -- 16 november 1996

Rutger Kopland (1934-2012) was een Nederlandse dichter en hoogleraar. In 1996 gaf hij na zijn emeritaat colleges over poëzie in enige Oost-Europese landen. Hij hield over die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jonge sla in het Oosten. Het onderstaande fragment beschrijft de allerlaatste dag.

16 november 1996
Onze laatste dag. Niets te doen. We gaan naar Krakau. Niet naar het daar dichtbijgelegen Auschwitz. Niet omdat wij 'het' niet willen weten, maar omdat wij 'het' wel weten. Wie het nog niet weet zal er daar ook niet achterkomen. Liever gaan we naar de ongeschonden stad Krakau, waar de nazi's de tijd niet gehad hebben om haar te verwoesten. De plannen lagen keurig klaar, maar de Russen kwamen net iets te vroeg. En Warschau, die grootschalige socialistische treurnis in de motregen en de oostenwind is weinig aantrekkelijk.
De trein voert ons door een landschap dat het midden houdt tussen Twente en Drente, maar dan Twente en Drente uit mijn jeugd. Er wordt nog geploegd met dezelfde dikke paarden als toen, de weggetjes zijn nog van zand, de boerderijtjes nog geen tweede woning. Hier en daar lopen bolronde, gehoofddoekte, gelaarsde, wollige vrouwtjes met koeien over de winterse velden. In de buurt van Krakau begint het landschap de romantische trekken van Zuid-Limburg te vertonen, aangename huizen met prettige moestuinen. Tenslotte echter verdwijnt de landelijkheid langzaam maar zeker in het troosteloze industriële park met oudroest dat ik in die landen inmiddels gewend ben. We zijn er.
Maar wat een stad. De zon schijnt voorzichtig door de licht nevelige lucht, alsof zelfs het licht hier middeleeuws is. Wat doe je zo'n dagje loopt wat rond, drinkt een pilsje op een terras, vertelt elkaar wat je nu eigenlijk van het leven vindt, voelt je wat melancholiek omdat het zo plezierig is ' en eigenlijk al is geweest bijna, het is al bijna die mooie verleden tijd waarin je leeft en je koopt een cadeautje voor thuis. Gewoon normaal.
Terug in Warschau kiezen we voor het duurste restaurant aan de Markt in de oude stad. De portretten in het portaal voor het restaurant tonen wie hier ooit hebben gegeten: Kohl, Mitterand, Doris Day en vele, vele anderen. Hier moeten wij dus zijn. Bij een Schubert strijkend strijkje, met mooie wijnen en een flink bord Pilzen Groszmutter Art nemen we afscheid van deze reis.

17 november 1996
Warschau—Schiphol. Lijkwitte kip met oude sla.

dinsdag 14 november 2017

Miriam Wattenberg -- 15 november 1940

Miriam Wattenberg was een Joods meisje dat in 1940 in het getto in Warschau terechtkwam. Dankzij de Amerikaanse nationaliteit van haar moeder kon ze in 1944 naar de Verenigde Staten vertrekken, waarna ze haar naam veranderde in Mary Berg. Ze hield een dagboek bij van 1939-1944, dat na de oorlog gepubliceerd werd. Het fragment hieronder gaat over de oprichting van het getto in Warschau.

November 15, 1940
Today the Jewish ghetto was officially established. Jews are forbidden to move outside the boimdaries fonned by certain streets. There is considerable commotion. Our people are hurrying about nervously in the streets, whispering various rumors, one more fantastic than the otlier. Work on the walls—which wil] be three yards high—has already begun. Jewish masons, supervised by Nazi soldicrs, are laving bricks upon bricks. Those who do not work fast enough are lashed by the overseers. It makes me think of the Biblical descriplion of our slavery in Egypl. But where is ihe Moses who will release us from our new bondage?
There are German sentries at the end of those streets in which the traffic has not been stopped completely. Germans and Poles are allowed to enter the isolated quarter, but they must not carry any parcels. The specter of starvation looms up before us all.

November 20, 1940
The streets are empty. Extraordinary meetings are taking place in every house. The tension is terrific. Some people demand that a protest be organized. This is the voice of the youth; our elders consider this a dangerous idea. We are cut off from the world. There are no radios, no telephones, no newspapers. Only the hospitals and Polish police stations situaled inside the ghelto are allowed to have telephones. The Jews who have been living on the Aryan side of the city were told to move out before November 12. Many waited until the last moment, because they hoped that the Germans, by means of protests or bribcs, might be induced to countermand the decree establishing the ghetto. But as this did not come to pass, many of our people were forced to leave their beautifully furnished apartments at a moment's notice, and they arrived in the ghetto carrying only a few bundies in their hands.
Christian firms within the limits of the isolated Jewish quarter are allowed to remain temporarily if they have been there for at least twenty-five years. Many Polish and German factories are situaled within the ghelto, and ihanks lo their employees we have a little contact witb the outer world,

November 22, 1940
The ghetto has been isolated for a whole week. The red-brick walls at the end of the ghetto streets have grown considerably higher. üur miserable settlement hums like a beehive. In the homes and in the courtyards, wherever the ears of the Gestapo do not reach, people nervously discuss the Nazis' real aims in isolating the Jewish quarter. How shall we get provisions? Who will maintain order? Perhaps it will really be better, and perhaps we will be left in peace?
This afternoon all the members of our LZA group gathered at my home. We sat in a stupor and did not know what to undertake. Now all our efforts are useless. Who cares for the theater these days? Everyone is brooding over one thing and one thing only: the ghetto.

maandag 13 november 2017

Anneke Bosman -- 14 november 1944

• De Nederlandse Anneke Bosman zat in de oorlog in een interneringskamp in Indonesië. Ze hield in die periode (en daarna) een dagboek bij. Het fragment hieronder is geschreven dag nadat ze naar een ander kamp was overgebracht.

14-11-1944
We hadden nog geen bultzakken, klamboes of dekens, maar we hebben als blokken geslapen. We sliepen op onze jassen en mam samen met Woutertje op een kleine bultzak van tante Aaf (mevrouw Graafstal). Vanmiddag kwamen de bultzakken binnen, alles door elkaar. Eindelijk vonden we na een hele poos zoeken drie van de vier terug. Wat zullen we heerlijk slapen! Dat is tenminste wat beters dan de grond in de trein, waar je gekronkeld tussen vele benen door moest liggen. Onze buren zijn mevrouw Leefers met Hansje en Bubi en aan de andere kant mevrouw Beckman met haar zoontje Bernie. Dat arme jongetje heeft lang blond haar, want zijn moeder vindt het jammer dat af te knippen, voordat zijn vader het gezien heeft. Verder is ze erg aardig.
Ik ben vanmorgen al onze vuile kleren gaan wassen in het washok. Dat is een grote kamer met ingebouwde waterbakken aan weerskanten en in het midden een grote stenen tafel om op te boenen. Gelukkig konden we de teil van tante Aaf lenen, want onze emmers zijn nog steeds niet binnen.
Dit kamp was eigenlijk een ziekenhuis. Nu zijn er grote barakken bij gebouwd en bestaat het uit twee delen: het Solokamp en het Boemikamp, onder verdeeld in 31 blokken. Weet je wie ik hier ook weer terugzag? Tineke Fokkinga. Ze is erg mager geworden. We vonden het zo leuk elkaar weer te ontmoeten en veel Lyceumdingen op te halen. Er worden hier in het kamp geen lessen gegeven. Alleen kinderen van 3-6 jaar mogen naar een schooltje. Dat is jammer, maar we zijn van plan zelf verder te gaan en mam zal ons dan helpen. Nu hebben we er nog geen fut voor, want we zijn nog allemaal erg moe en slap. Roelie maakt het gelukkig goed.

15-11-1944
Vandaag zijn onze koffers binnen gekomen, maar eerst zijn ze bij de poort helemaal doorzocht. De Jappen en de Kleponners [Indische soldaten in Japanse dienst] haalden er van alles uit, vooral ook kaarsen en lucifers. Van ons ook het mooie potlodenétui van Heleen en van Paul wat loden soldaatjes en vliegtuigjes. Eén dame had een kilo spek in haar koffer. De Jap vroeg haar bars: “Dari mana?” ['Waar komt dat vandaan?'] Ze antwoordde vrolijk: “Dari gedèk” ['Van buiten'(?)]. Toen moest hij ook lachen en na haar een poos te hebben laten wachten, tekende hij haar koffer toch af.
Eén van de Kleponners sneed een knot wol door, waar hij iets hards in voelde. Het was ..... een leeg klosje! In de loods hebben we de koffers meteen uitgepakt. Boven de britsen hebben we een plank, waar we van alles op kunnen leggen. De koffers zelf gaan onder de britsen. Heleen en Paul hebben het in de buik en krijgen nu een week nassi-tim. Die is hier uitstekend, altijd met worteltjes en bouillon erin. Woutertje krijgt dat ook maar dan gezeefd.
's Morgens om 8 uur en 's avonds om 9 uur is er appèl en om 10 uur gaat het licht uit. Dus net als bij de mannen. We hebben geboft, want we hebben een plaatsje net onder een lamp.

16-11-1944 Donderdag. Vanmorgen kregen we onze klamboes, dekens en emmer. We hebben gelukkig nog weinig last van muskieten gehad.
Woutertje was vandaag erg lastig tot mam hem ten einde raad met een touw aan één van de palen vastbond, zo dat hij toch nog wat lopen en spelen kon. Hij vond het vreselijk. We missen zijn box toch zo. Alle jongens boven de 6 jaar zijn hier kaal ge knipt en vanmorgen zijn ook die van onze loods onder handen genomen. Paul vond het verschrikkelijk. Eerst heeft hij een hele tijd met zijn hoofd onder zijn kussen gezeten, want hij durfde zich niet te laten zien. Maar het troostte hem wel, toen we zeiden, dat pappie en Friso nu waarschijnlijk ook kaal waren. Hij ziet er nu wel zielig uit.
Alle mensen moeten hier officieel 6 uur kampdienst verrichten, maar haast niemand doet het. Riet Lips en ik hebben tot kamptaak de rijst- en soepteilen af te wassen, als het eten uitgedeeld is. We voelen ons allemaal nog erg loom en tollen 's avonds ons bed in.

zondag 12 november 2017

Omer Karel De Laey -- 13 november 1903

Omer Karel De Laey (1876-1909) was een Vlaamse literator. In 1903 hield hij een dagboek bij tijdens een reis door Italië.

Firenze, Woensdag 13 November 1903.
Lijk een schicht, ben ik door Zwitserland gevlogen, omdat het daar even mistachtig en nog kouder, was dan in onze Vlaamsche winter-terra desolata. Opeens, omtrent den Gotthard, dunde de nevel en, in een draai van de bane, lag een hooge bergtop, witbesneeuwd in de zonne. Bij 't eerste zicht, scheen dit een droom. Dan wierd de lucht donkerblauw en de Alpen stonden, in reke of wijds en zijds uiteengesmeten, lijk een kegelspel. Tot aan Milano toe, van tijd tot tijd, naakte rotsen, met spleten vol sneeuw en, in de dalen, groene waterloopen over een bed van dikke keien, lijk doodskoppen. Naar Venezia reisde ik in de beste gesteltenis, onder een hemel zuiver zonder weerga. De fel overdreven vermaardheid der Dogenstad houdt stand, omdat Wagner er, in een der minst bouwvallige paleizen, den geest gaf en, nog meer misschien, omdat madame de Staël Corinne geschreven heeft. Met der daad, is de oude bakermat der Oostersche zeemacht vuil, arm, eng en, 's avonds, duister lijk een rooverskuil. Mijn aangenaamste stonde was deze van 't vertrekken, omdat ik den poel, achter den rug had en, onder weg, in Sint Jeremiaskerk, den uitvaart zag van een kind. Vijftien of twintig meisjes, in 't wit gekleed, kwamen met den pastoor, de missedieners, twee vrouwen en een hoog koperen kruis, de kerke binnen. Het wemelde van bloemkronen, tusschen de waskeersen en al die pekzwarte kinderoogen, loechen onder hunne zwarte wimpers. Op de lippen van den padre zelf, speelde een bescheiden, jolig geglim. De kist rustte, in een rood laken gewonden, op een gewrongen linnen doek, met zwierig gebaar, over de schouders der jonge draagsters geslingerd en, als de stoet naar de zwarte gondola trok, stonden de menschen, langs de bane, blootshoofds stil en monkelden. Zoo verbeeld ik mij de ware reize, naar den Hemel. Later, in de Corriere della sera, las ik over minister Rosano's dood: La morte ha sempre una grande poesia en, te Firenze, langs de straten, waren bambini aan het zingen vóór een reeks tentoongestelde liedjes:
Mia madre e morta,
Me l'han seppelita,
Venuti son gli angeli,
Me l'hanno rapita.

Quando, una sera,
Mi benedisse,
Baciommi in fronte
E ‘Addio’ mi disse.
Ik heb dit Canzonetta di dolore gekocht en zit het te vergelijken met onze noordsche, zwijgende, stomme droefgeestigheid. Vreugde en zang, bloemen en blauwe lucht ecco Firenze. De lieden leven hier, dunkt het mij, nader het Paradijs dan wij en er zal hun zeker veel vergeven worden, omdat zij veel liefde voelen per la grande poesia.

Willem Kloos, Aegidius W. Timmerman -- 12 november 1892

• Willem Kloos (1859-1938) was een nederlandse dichter. Het onderstaande komt uit Zelfportret, en refereert aan de avond dat Paul Verlaine en Kloos naast elkaar aan tafel zaten, maar geen woord met elkaar wisselden. Het voorval wordt beschreven (zie hieronder) in de memoires van Aegidius W. Timmerman. Verlaine zelf schrijft er niet over in zijn verslag van zijn bezoek aan Nederland.

Timmermans: Wij waren allen vol spanning en verwachtingen, diep onder den indruk van Verlaine's komst. De drie grootste dichters, die er leefden, Willem Kloos, Verlaine, Herman Gorter zouden elkander ontmoeten. [...] De vriendelijke en zachtaardige Verlaine, die een verleden achter zich had en daarom gehoond of genegeerd werd door de officieele kunst-bonzen met hun officieele botheid en bekrompenheid, was het voorwerp van een uitgezochte en dankbaar genoten hulde-betooging. Ik heb tranen over zijn wangen zien vloeien, toen bij Couturier in Amsterdam, het geheele publiek, zonder voorafspraak, zwijgend en geruischloos oprees bij zijn binnentreden. Hij aarzelde even en keek om, alsof hij niet begreep, dat het hém gold en meende, dat áchter hem pas de gehuldigde moest binnenkomen. Dat was den armen verschoppeling - Pauvre Lélian - nog nooit overkomen en zijn gevoelige ziel te machtig. [...] Ook niet op het diner, dat hem aangeboden werd in Den Haag bij Riche... Daar zaten Verlaine en Willem naast elkaar aan. En nu hadden wij er ons allen op gespitst toe te zien en vooral te horen hoe de beide Genieën zich tegenover elkaar zouden gedragen. Precies kleine kinderen... En, om geen woord van de Godentaal te missen, werd er hardnekkig gezwegen en elk eenigszins luidgesproken woord door gesis onderdrukt. [...] Want de heele bijeenkomst begon op een begrafenismaal te gelijken of ook wel op een wedstrijd van kanarievogels. Iedereen zat zenuwachtig te fluisteren en te wachten tot het gezang zou beginnen. Maar de dichters, die allebei veel te naief en te onbevangen waren, om er iets van te merken, zaten rustig te genieten van hun maal, totdat eindelijk, eindelijk Verlaine zich naar Kloos boog en... ‘Hou je mond, hou nou toch éven je bek...’ - met zijn zachte stem zeide - het was doodstil geworden - ‘Monsieur Klooze, aimez-vous la salade?...’

Kloos:  Ik had en hield voortdurend, ook als ik een enkele keer met vele anderen aan het feestvieren ging, diepst-in helemaal van zelf te veel geestelijke dingen in mijn hoofd, zodat ik wel eens schertsend door mijn vrienden Willem de Zwijger ben genoemd. En zó zat ik ook, gelijk Dr. Willemse meedeelt, ik weet nu niet meer hoe lang reeds naast de zielsvoorname Verlaine aan tafel in het Haagse restaurant. Er was al enige malen op hem gespeecht geworden en zelf zat ik enige Franse zinnetjes te bedenken, die ik tot Hem richten kunnen zou, maar er wou niets in mij rijzen, en dus bleef ik slechts luisteren, en prikte van tijd tot tijd een klein hapje van mijn bord, vreedzaam maar inwendig een beetje absent. Toen richtte de door mij bewonderde opeens een gewoon vraagje tot mij en ik antwoordde met een paar Franse woordjes even gewoon. Ik ben eigenlijk nooit een mens voor vergaderingen of andere gezelligheidjes geweest. Ik was eigenlijk nooit iets anders als een geest, die helemaal op zichzelf staat en uit zichzelf denkt en soms plots iets doet.

Youp van 't Hek -- 11 november 1983

Youp van 't Hek (1954) is een Nederlandse cabaretier. In 1983 hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Vrijdag
Vroeg op. Om half tien meld ik me op hel impresariaat en praai met Lou de lopende zaken door. Vaak heeft men de indruk dat een impresariaat opgevuld wordt door types met ruiten jasjes en gouden tanden, die met dollartekens in de ogen naar het saldo zitten te kijken. Bij ons is dat niet zo. Het gesprek is (zoals altijd) verre van zakelijk en meer dan plezierig. We zitten artistiek op dezelfde lijn en dat is dan ook de reden dat we al jaren meer dan goed met elkaar kunnen opschieten.
Daarna naar Centrum om mijn toneelstuk 'Gebroken Glas' ie repeteren. Rond lunchtijd een beknopt interview gegeven aan Paul Hellmann (van de NRC). Hij moet een stukje maken voor een in samenwerking met deze krant uit te brengen schoolagenda van de Vereniging voor OKW. Zoals ik vroeger een jaar lang werd geteisterd met Rob de Nijs en Bob Bouber mogen kinderen volgend jaar een heel schooljaar tegen mijn gezicht aankijken. Ik zie al de snorretjes die op mijn foto getekend zullen worden. Vervelende wiskundelessen lenen zich daar uitstekend voor. Naar de platenmaatschappij om de 'Eerste Officiële Nederlandse Echtscheidingselpee' op te halen. Maandag wordt hij officieel uitgereikt. Ik heb er lang aan gewerkt en als je hem dan kant & klaar in handen hebt... leuk gevoel. Toch wel trots.
's Avonds vrij. Eigenlijk moesten we spelen op het congres van de Jonge Balie (500 jonge advocaten in congres en volgens mij moet je denken aan benauwde toestanden als juniorkamers, rotary's of dat soort dingen. Waarom moeten allerlei vakidioten zich altijd organiseren?), maar de voorstelling gaat niet door omdat David & Patrick niet genoeg tijd hebben om het decor op te bouwen. Ze hadden weken geleden al contact met me opgenomen. Ik zei nog dat we ook wel na het diner konden spelen, maar volgens de organisatie bleven er dan maar honderd en ging de rest naar huis.
Daarom heb ik er geen spijt van dat de voorstelling niet doorgaat. Ik heb vroeger te veel gespeeld in situaties waarbij men eigenlijk voor iets anders kwam en ons verplicht mee moest pikken. Die voorstellingen waren nooit echt leuk. De laatste jaren speel ik in de kleine zalen van de schouwburgen en de kleine theaters en al het publiek dat er zit heeft heel bewust een kaartje voor ons gekocht en dat is het beste.
's Avonds gegeten met vrienden. Leuk & lekker.

donderdag 9 november 2017

Walter Kempowski u.a. -- 10 november 1989

• Na de dood van schrijver Walter Kempowski werd een manuscript voor het boek Whispering. Ein kollektives Tagebuch von 1989* gevonden, waarin dagboekfragmenten van verschillende min of meer bekende Duitsers een beeld moesten gaan schetsen van de bewogen dagen na de val van de Berlijnse muur (9 november 1989). Hieronder een aantal dagboekfragmenten van 10 november.

Over de auteurs.

Julien Green, Paris
 Heute fällt die Berliner Mauer. Die Folgen dieses Sieges des gesunden Menschenverstandes sind unabsehbar. Jetzt befindet sich im Herzen Europas eine Nation von beträchtlicher Stärke. Die Ostdeutschen kommen ruhig über die Mauer. Weder Hurrageschrei noch wildes Gestikulieren. Es sind Deutsche, die von zu Hause aufbrechen, um woanders hinzugehen, nach Hause nämlich ... Ich entsinne mich der lächelnden Mienen, als ich dort 1984 vorhersagte, was heute eingetreten ist. Ich nehme an, daß man in Berlin daran denkt.

 – Patrick Delaroche habe ich folgende Frage gestellt: In den Museen des Vatikans und andernorts auf der Welt tragen die nackten Männerstatuen ein Weinblatt. Können Sie mir sagen, warum das Geschlecht der Frau niemals angegeben ist, weder in der Malerei noch in der Bildhauerei? Keine Antwort. Ich füge hinzu: Außer bei den primitiven, fast tausendjährigen Statuetten. Ich warte noch immer auf eine Antwort.

 Pavel Kohout, Wien
 Durch geöffnete Mauer strömt Demokratie nicht nur nach der DDR! Bald muß sie Prag erreichen!

Christoph Hein, Ost-Berlin
Anzeige Die Tageszeitungen berichten nur knapp von einer neuen Reiseregelung. Rundfunk und Fernsehen berichten ununterbrochen von Hunderttausenden von DDR-Besuchern, die Westberlin und die grenznahen Orte Westdeutschlands überfluten. In der ganzen Stadt gibt es nur noch ein Gesprächsthema. Die Straßen und Geschäfte in Ostberlin wirken wie ausgestorben. In der – freitags sonst überfüllten – Kaufhalle frage ich eine Verkäuferin, ob das heute den ganzen Tag so ruhig bleiben wird. Nein, sagt sie, kann nicht sein, die Leute müssen sich ja was zu essen kaufen, die hundert Mark West reichen dafür nicht.

Peter Rühmkorf, Hamburg
 BILD: „Geschafft! Die Mauer ist offen!“ – Mopo: „Die Mauer ist weg!“ – Welt: „SED öffnet Grenze nach Westen“. Nur bei FR hinkt die Zeitung dem Zeitgeist wie gewöhnlich um einen Tag hinterher: „SED folgt Ruf nach Krisenparteitage“. „Anzeige der Fördergemeinschaft GUTES HÖREN“: Bildausschnitt Versammlung des ZK der SED, Honecker mit einem Finger hinter dem Ohr angestrengt in die Ferne lauschend – darunter: „TAUBE OHREN MACHEN BLIND.“ (Links im Bild mit 95prozentiger Eisenmiene und einem ganz hauchfeinen 5-Prozent-Lächeln Gorbatschow) 

Gestern Abend und ganze Nacht TV. Wieder mal deutsches Schicksalsdatum, 9. November („Marsch zur Feldherrnhalle“ und sogenannte, von den Nazis so genannte „Kristallnacht“) und die Folgen noch gar nicht abzusehen. – 18.57 Pressekonferenz mit 200 Journalisten aus aller Welt und „Hoffnungsträger“ Schabowski als offensichtlich überforderter Freudenbote. Berichtet zunächst etwas dröhnig über Sitzung des Zentralkomitees, um sich bei der unvermeidlichen Frage, wie die SED es in Zukunft mit den Flüchtlingsströmen halten werde, rettungslos zu verheddern. Sein gemeinhin sonor in sich ruhender Bierbaß verbrodelt im Bodenlosen. Seine Finger fahrig, sein Mienenspiel nervös, nun beginnt er etwas in den Taschen zu suchen – eine Botschaft des Weltgeistes? Na wo ist sie? – ein Papier wird ihm zugereicht, „etwas haben wir ja schon getan ich denke, Sie kennen das? Nein? Oh, Entschuldigung, dann sage ich es Ihnen: Mir ist eben mitgeteilt worden, dass ... Mitteilung verbreitet worden ist ... Sie müßte eigentlich in Ihrem Besitz sein ...“ Dann übergibt er der Öffentlichkeit, was er offenbar selbst noch nicht glauben kann, daß die Grenzen geöffnet sind und „die Ausreise über alle Grenzübergangsstellen erfolgen“ könne. Frage: „Wann?“ – Schabowski (überfordert, durcheinander, improvisierend): „Das tritt nach meiner Kenntnis sofort, unverzüglich-“

Ernst Jünger, Wilflingen
Wir saßen bis über Mitternacht vorm Bildschirm und nahmen am Jubel rund um das Brandenburger Tor teil. Die Enkel riefen aus Berlin an – sie haben auf der Mauer getanzt. Endlich einmal auch eine gute Nachricht für unser Land. Sie wirkte wie ein Regen in der Wüste nach langer Trockenheit. Daß es einmal zur Wiedervereinigung kommen würde, daran habe ich nie gezweifelt – ob ich sie noch erleben würde, jedoch sehr. Dabei habe ich weniger an ein nationales Erwachen als ?an das Einschmelzen der Grenzen innerhalb der allgemeinen Entwicklung ?zum Weltstaat gedacht. Umso mehr erstaunte mich die Zuversicht, mit welcher der Bundeskanzler kürzlich hier in der Bibliothek das baldige Ende der ?„Zone“ voraussagte.

Thomas Rosenlöcher, Dresden
Die irrsinnigste Meldung wieder früh am Morgen, da ich noch mit ohropaxverpaxten Ohren auf meinem Notbett in der Stube liege: Die Grenzen sind offen! Liebes Tagebuch, mir fehlen die Worte. Mir fehlen wirklich die Worte. Mit tränennassen Augen in der Küche auf und ab gehen und keine Zwiebel zur Hand haben, auf die der plötzliche Tränenfluß zu schieben wäre.

Hanns-Christian Catenhusen, NVA, Ost-Berlin
Ab 14.00 Uhr erhöhte Alarmbereitschaft, die Waffen werden verladen – Angst, Angst vor dem Bruderkrieg, Angst vor der Entscheidung. Müssen wir ans Brandenburger Tor? Wenn ja, so werde ich mich auf jeden Fall nicht mißbrauchen lassen, komme, was wolle. 21.50 Uhr die Vorbereitung zum Einsatzbefehl. Falls kein Ernstfall in der Nacht kommt, werden wir morgen im Schnelldurchgang an MPi u. Geschütz ausgebildet.

Reinhard Dietrich, Demo in Ribnitz-Damgarten
Funktionäre vom Kreis versuchen ins Gespräch zu kommen und Kooperation zu zeigen – Streit um weitere Nutzung des Hauses der SED-Kreisleitung. Magda (meine Frau) sehr aktiv am Runden Tisch wo es u. a. um Naturschutz/Nationalpark Vorpommersche Boddenlandschaft geht.

Die Demo wie immer in der Stadtkirche am Stasi-Gebäude vorbei – zu Ende. Die Kirche in der Renovierung, viel Bauschutt, die mächtigen Pfeiler mit abgeschlagener Putzverkleidung als rohe Balkenkonstruktion – eindrucksvoll als Übergangsstadium eines mächtigen Bauwerks. Einige Bekannte aus dem Künstlerverband auch als Organisatoren des Neuen Forums aktiv. Insgesamt eine erhebende Stimmung, wir sind voller Hoffnung!

Barbara Bartos-Höppner, Nottensdorf
Jetzt läßt sich nicht mehr aufhalten, was wir gehofft, aber zu unseren Lebezeiten kaum für möglich gehalten haben: Die Grenzen sind offen. In der Nacht ?waren Tausende Menschen von drüben bereits hier. Es wird die Wiedervereinigung geben.

Jürgen Becker, Im Zug nach Leipzig
Im Dunkeln fährt mich Rango zum Bahnhof. Allein im Abteil. Müde, kann nicht schlafen, begreife nichts, sprachlos. Gestern abend ist in Berlin die Grenze geöffnet worden ... Zwölf Uhr Gerstungen. Erste Kontrolle. „Hier liecht nischt vor aus Bonn.“ Der Uniformierte begreift meine Nervosität nicht wegen falscher Passnummer im Visum. „Sowas kommt ehm vor.“ Zeigt mir seinen Kuuuchelschreiber und korrigiert damit einfach die Nummer. Zweite Kontrolle: „Sie wolln sich doch nicht selber besuchen.“

Habe statt Leipzig Kölner Adresse in Einreiseformular eingetragen. Umtausch DM 100,-. Weiterfahrt 12 Uhr 40. Verwinkeltes Grenzgebiet. Sättelstädt. Fröttstädt. Vor Gotha treten die Berge zurück. Neudietendorf: der Mann hinterm Pflug, den ein Ochse zieht. Gärten voller Obst und Hühner. Bischleben, der Bachstelzenweg an der Gera entlang. Einfahrt Erfurt.

Zug hält auf Brücke über Schillerstraße. Vor Augen die Thomaskirche, meine Konfirmationskirche, gegenüber meine Schule, Langemarck-Gymnasium. Häuser alle wie vor fünfzig Jahren. Die Linie 5 unten auf der Schillerstraße. Bahnhof, steige aus, Bahnsteige scheinen unverändert, russische Offiziere in langen Mänteln. Weiterfahrt, hin und her zwischen den Abteilfenstern. Im Süden die Hügel des Steigerwaldes, auf den der Blick aus unseren Fenstern ging. Bergkaserne. Artilleriekaserne.

Weimar, die alten Stationsschilder. Apolda. Bad Sulza. Bad Kösen. Naumburg. Namen wie alte, vertraute Musik. Notizen wie rasches Einschlagen von Nägeln, an denen die Säcke der Erinnerung hängen ... Leipzig. Riesiger Bahnhof, in dem immer Onkel Otto zum Abholen stand. Zuletzt 46, Umsteigen nach Cottbus. Büro Hotel Astoria. Lange Formalitäten. Eingewiesen Hotel Stadt Leipzig. Pass wird einbehalten. Zimmer 625. Blick auf Bahnhof gegenüber, erste Gänge ...

Abends Fernsehen im Hotelzimmer. „Aktuelle Kamera“. Muß ich erst noch begreifen: zum ersten Mal in der DDR, sehe dort im DDR-Fernsehen, was gestern in der Berliner Nacht gelaufen ist, Öffnung der Mauer, der Anfang vom Ende von etwas, das ich so gefürchtet habe und gehaßt, und jetzt kommt fast Mitleid in mir hoch, alle die Existenzen hier, die sich fragen müssen, haben wir denn falsch gelebt, und dann vor den Fernsehbildern kann ich nur noch heulen ...

Armin Mueller-Stahl, Baltimore
Gespräch mit Israel Rubinek: Es kann sich nicht mehr umdrehen, du wirst sehen, auch in der Sowjetunion, auch in Polen, auch in Ungarn; Bulgarien und Rumänien werden ebenfalls fallen, du wirst es erleben, es geht nicht mehr rückwärts. Es geht immer rückwärts, sage ich.

Häufig, nicht immer, diesmal geht’s nur noch vorwärts. Du wirst es erleben.

Woher weißt du das?

Ich weiß das.

Frania nickt: Doch, er weiß das. Frania und Israel hatten sich 28 Tage in einem Erdloch versteckt, um die Nazis zu überleben.

Johannes Gross, Frankfurt
Ein Optimist, den man zum Idioten erklären kann, wird unseren Intellektuellen erträglich, indem sie ihn zum Zyniker ernennen.

Walter Kempowski, Nartum
Warum hat niemand den Choral: Nun danket alle Gott! angestimmt – Weil niemand mehr den Text kennt. – Aber woher kennen sie den Schlager: So ein Tag so...?

8.30 Uhr: Die Bohley hat unglaublichen Quatsch geredet. Sie wünscht den westdeutschen Politikern Schweißtropfen. / Daß wir den Glauben nie verloren haben, und daß die DDR-Bürger den Glauben an sich selbst gefunden haben. / Schutzräume, Hilfskrankenhäuser, Kasernen. / Eine Million wird kommen, sagt man. / Die Bohley meint, es werde der Ausnahmezustand erklärt werden, mit Militär usw. / Die Mitarbeiter seien „hochmotiviert“. (Niedersachsen-Innenministerium) / „Ich glaube, ich spinne.“ / „Ich hab’ dafür anderthalb Jahre im Knast gesessen!“ / „Hauptsache, man kann mal kucken!“ / 100 Mark Ost für 9 Mark West gab’s an der Post. / „Vielleicht ist noch ’ne Disco auf!“

Helmstedt auch. / Das Ganze wirkt wie eine Science-Fiction-Sendung, als ob sich das einer ausgedacht hat. / Er ist das zweite Mal schon da, heute. / „Datt dett allet eins ist, wie sich datt gehört.“ / Der Sprecher wie Pfarrer Sommerauer. / Dieser Jubel richtet sich natürlich nicht nur auf Stereogeräte. / „Einwandfrei!“ / Eine menschliche Wiedervereinigung sei das.

Luxus will er nicht, er will nur ganz einfach leben. / Vopo: „Ick fühl’ mir ganz schön verscheißert.“ / Kursverfall, 5 Mark West für 100 Mark Ost. / Momper betätigt sich als Verkehrspolizist, denkt nicht dran, daß das historische Aufnahmen sind, die Wege müssen freigehalten werden.

„Wir haben ja unsere Wohnung, alles schön! Wir gehen wieder zurück.“ / Es seien Leute mit dem Fahrrad gekommen. / Der Stempel sei ein Andenken an eine unvergeßliche Nacht. / Marienfelde, stündlich Hunderte. / Fluchthelfer, es komme ihnen vor wie 100 Jahre. „Wie wahr“, sagt der Kommentator. Ich verstand: „Vivat!“

Über die Mauer klettern Menschen. / Im Takt der Lieder, die gesungen werden, ein Mann mit Hammer und Meißel.

„Hier ist allet so jroszügig, man is dett allet nich jewöhnt.“

So ein Tag, so wunderschön wie heute. / Krim-Sekt und McDonald’s, die Ost-West-Koexistenz. / S-Bahn. / Wie Sylvester. / Mal andere Luft schnappen. / Trabis, wie auf Kinderkarussell sehen sie aus. / „Dett war astrein jewesen, wa?!“ / „Zum Wochenende noch mal, mit die Kinder.“ / „Erstmal gucken, erstmal gucken ...“ / „Alles neu für Sie?“ – „Aber ganz schön neu!“ / „Das ist mein Deutschland, und sonst nichts! Wa?“ (So eine Art Frontkämpfer) / Die Wilms sagt: „Herzlich willkommen.“ / „Es ist herrlicher Herbstmorgen geworden ...“ (Journalistenlyrik)

Zarrentin.

Eine Torte hat ein Polizist geschenkt bekommen, hat dem DDR-Mann 10 Mark gegeben dafür, daß er mal einen bundesdeutschen Kaffee trinken kann. Nun ist wieder alles abgesperrt.

Ein doller Schritt sei das, sagt ein DDR-Philosoph, das Wort „Wahnsinn“ sei am häufigsten gefallen. / Viele Schulkinder. / Ein winziger DDR-Polizist und ein großer Westpolyp. Tragisch! Könnte der Ostmensch nun nicht wenigstens gleich groß sein? / Das Grab der Mutter kommt auch zur Sprache. 

Turnhallen zum Verweilen ... / „Der Mantel der Geschichte zieht an uns vorbei, den werden wir schnappen und nicht fahren lassen.“ (Wilms) / Die Luft sei geschwängert vom Trabi-Treibstoff, aber eine Westberlinerin hat gesagt, man fange an, den Geruch liebzugewinnen. Die Autos würden mit Sekt getauft, so könne man sagen. / Elektronische Einheiten. / Templin durfte nicht über Transit. Das sei ein Skandal. / Ein Mecklenburger: „Für mich ist das ein Gack (Gag).“

Berlin: Schöneberger Rathaus.

Kohl schüttelt den Kopf, weil Momper zu lange redet. / Brandt verschwindet hinter dem Mikrophon. Das Gesicht kann man gar nicht sehen. Keine große Rede! / BRDDR-Fahnen im Vordergrund.

Brandt erzählt Stories aus seinem Leben. / Die Pfiffe für Kohl kapiere ich nicht. / Genscher: große Rede! / Kohl in einer Weise ausgebuht, die mir völlig unverständlich ist. Brandt und Momper versuchen zu beschwichtigen. Kohl auswendig und sehr beherrscht. Mit diesem Chaotenaufruhr kann man den Menschen in der DDR die Demokratie schmackhaft machen. Wer hat diese Saat gesät! Wir wissen es. – Und dann die Nationalhymne! Im Schusterbaß, es war schrecklich. Nicht zu verstehen ist es, daß man die Redner nicht auf den Balkon des Rathauses gestellt hat, und wenn man schon weiß, daß die Nationalhymne gesungen werden soll, warum war keine Blaskapelle zur Stelle? Entwürdigend, beschämend, widerlich.

„Dett iss ganz Schau!“

Ich gucke immer noch ins TV, 20.15 Uhr, mich rührt es, und mich stößt es ab, man ist so zerrissen! Die Fremdheit in so manchem! In 3sat sehr qualifiziertes Gespräch. Die Wieczorek-Zeul als westlicher Wendehals. Sie meint, daß hier bei uns nicht untersucht werden soll, wer früher Recht oder Unrecht hatte. Eben! Sie hat nämlich Unrecht gehabt. – Genug davon. Es fiel auf, wie schlecht, hilflos und unprofessionell die Journalisten fragen, und wie schlecht sie zuhören. – Der Ostreporter meinte, die Ostbürger kämen hocherhobenen Kopfes, aufrecht wieder zurück in ihre Republik. – Man stelle sich das vor.

Es ist wahnsinnig und „typisch deutsch“. Die Ausgelassenheit an der Mauer, befreiend, unerwartet, und dann das Talk-Show-Gerede über das Phänomen. So was Verqueres kann sich kein Mensch vorstellen! – Die Vollmer will hier einen Ostgeld-Fonds einrichten, damit drüben davon was gebaut wird! Ostgeld haben sie doch weiß Gott genug.Die Hündin Emily ist wieder da, fühlte sich gleich wieder ganz zu Hause. Wieviele Jahre ist das her? – Kannte offensichtlich alles wieder, Haus, Garten und Umgebung. Ein seelenvolles Tier. Mit dem Munterhund gleich gut Freund.

---------


* Whispering. Ein kollektives Tagebuch von 1989: Auszügen aus einem unveröffentlichten Manuskript des Schriftstellers Walter Kempowski. Bekannte Persönlichkeiten gewähren Einblicke in ihre Gedankenwelt während der bewegenden November-Tage von 1989.

woensdag 8 november 2017

Friedrich Nietzsche -- 9 november 1868

• Uit een dolenthousiaste brief van de jonge Friedrich Nietszsche (1844-1900) aan zijn vriend en collega-wetenschapper Erwin Rohde. Opgenomen in Afgemat als een eendagsvlieg bij avond. Een selectie uit de brieven 1858-1879 (vertaald door Hans Driessen).

Leipzig, 9 november 1868
Toen ik thuiskwam, lag er een aan mij geadresseerd briefje met daarop deze korte notitie: ‘Als je Richard Wagner wilt leren kennen, kom dan om kwart voor 4 in café Théâtre. Windisch.’ Dit nieuwtje bracht me – neem me niet kwalijk! – danig van mijn stuk, zodat ik de gebeurtenissen van zopas helemaal vergat en volkomen van de kook raakte. […] Ik word aan Richard voorgesteld en spreek in het kort mijn waardering voor hem uit: hij wil heel precies weten hoe ik met zijn muziek vertrouwd ben geraakt, scheldt vreselijk op alle uitvoeringen van zijn opera’s, met uitzondering van de beroemde in München en drijft de spot met de dirigenten [...] Voor en na het eten speelde Wagner, en wel alle belangrijke passages uit Die Meistersinger, waarbij hij alle stemmen imiteerde en zeer uitgelaten was. Het is namelijk een wonderbaarlijk levendige en vurige man, die heel snel praat, heel komisch is en een besloten gezelschap als dit heel vrolijk maakt. Ondertussen had ik een lang gesprek met hem over Schopenhauer, en je voelt wel welk een genot het voor me was hem met een onbeschrijflijke warmte over deze te horen praten, wat hij aan hem te danken had, dat hij de enige filosoof was die het wezen van de muziek had begrepen [...] Aan het eind van de avond [...] drukte hij me heel hartelijk de hand en nodigde mij heel vriendelijk uit hem te komen bezoeken om muziek en filosofie te bedrijven.

dinsdag 7 november 2017

Willem Oltmans -- 8 november 1957

Willem Oltmans (1925-2004) was een Nederlandse journalist. Zijn dagboeken (76 delen) zullen in hun geheel online worden gezet bij de dbnl. De papieren versie wordt uitgegeven on der de titel Memoires.

8 november 1957
Om 02:10 kwam Jim naar mijn kamer in de Paramount. Hij kwam bij me liggen en fluisterde: ‘Ik wil je in me voelen, please.’ Ik zei tegen hem, dat ik een Indische jongen in Amsterdam had gekend, die zich steeds door jongens anaal had laten gebruiken, en tenslotte een darmkronkeling had opgelopen, waaraan hij was overleden. ‘Mijn dokter heeft me uitgelegd, wat ik aan oefeningen moet doen om iets dergelijks te ontlopen,’ antwoordde hij.
‘Ik heb zoiets nog nooit gedaan,’ zei ik. Hij had zijn anus met crême ingesmeerd en nam mijn penis en drukte die langzaam naar binnen. Daarop begon hij een soort wiegende bewegingen, die op mij het effect hadden, tegenbewegingen te willen gaan uitvoeren. Binnen de kortste keren waren we echt bezig en copuleerde ik, zoals hij wilde, in hem. We namen een douche. Hij bleef slapen.
Mijn ticket terug naar Amsterdam was geregeld en haalde ik bij de K.L.M. op. Ook kreeg ik op het consulaat-generaal van Indonesië een courtesy-visa voor vier weken.

9 november 1957
Vanavond woonden Frieda en ik het jaarlijkste U.N.O.-bal bij, ditmaal gegeven door de President van de Algemene Vergadering en Lady Monru evenals de Secretaris-Generaal, Dag Hammerskjold. Ik droeg een smoking. Frieda verkleedde zich in het hotel in een half-lange jurk met een bont-cape. Zij vroeg me het platina collier van mijn Moeder bij haar om te doen. Het muzikale programma viel mee. Nadien werd champagne geschonken en een receptie gehouden. We bleven niet te lang. Tot diep in de nacht spraken Frieda en ik over ons leven. We neigden er steeds meer toe samen een appartement te gaan bewonen in Kew-Gardens, halverwege de airport en Manhattan, zodat we ieder de helft zouden afleggen op weg naar onze bezigheden.

William Cobbett Skinner -- 7 november 1876

William Cobbett Skinner (1857-1947) was een Amerikaanse zijdefabrikant. In 1876 hield hij als 19-jarige een dagboek bij. Dit dagboel eindigt op 31 december 1876, dus Skinner kon geen melding maken van de uiteindelijke uitslag van deze zeer lang uitgesponnen verkliezingsstrijd, die werd gewonnen door de republikein Hayes

November 7, 1876, Tuesday Rainy – Went to the polls with Uncle Geo. also to the factory and several places with G— Read in the after-noon. In the evening Tom & William Iles came up also. Geo later as they wanted a fourth hand at whist – I played we (Tom, myself) were three out of five – Election day – Tilden is the democratic candidate and Hayes the Republican. the chances are in favor of Tilden I am glad to say.

November 8, 1876, Wednesday Missed the 9:34 so did not get to the city until about 12 o’clock. Found two letters one from Mother and aother from Libbie. the latter has fallen down and sprained her ankle so I went to see if I could do any good. Mothers letter was full of news – Business was pretty good – I saw the Tribune at Uncle Geo. it said Tilden is elected – The excitement is intense as the election of T- is doubtful –

November 9, 1876, Thursday Father arrived in New York on the five o’clock train. Had tea with father and afterwards went to see the “Loan Exhibition” with him – All are well at home. Great excitement as to who is elected. No change since yesterday.

November 13, 1876, Monday Wrote to Nell & Libbie – Very fine = Arrived at the store at about 9 o’clock. Business is very dull and will be until it is decided whether Tilden or Hayes is to be our next president for the question is not yet settled – Bought myself a cane –

December 2, 1876, Saturday Took Aunt Ruth over to Uncle James’ and stayed for over an hour. The funeral takes place tomorrow at 2 o’clock – The democrats are trying to persuade father to run for Mayor but he positively declined – They held their caucus this evening and nominated Ross Crafts for Mayor – The majority of people are worried about the state of the country as neither Tilden nor Hayes are yet elected – a great many people fear a civil war.

December 6, 1876, Wednesday Last night a most awful calamity happened here in Brooklyn. The Brooklyn Theatre was burned and as was afterwards found out over 300 lives – the fire originated by some combustible matterial coming in contact with the foot-lights – The presidential question is expected to be settled today and Hayes is expected to be the lucky man.

December 18, 1876, Monday Snow about six inches deep, awful walking, rained very hard, awful cold – Wrote to Libbie & Belle – Bought myself some rubbers 0 Trade is very dull – Neither Tilden or Hayes are yet president although the Republicans will probably count Mr. Hayes in – Expect to go home next Saturday to spend the holidays.

zondag 5 november 2017

Thomas Rosenlöcher -- 6 november 1989

• Thomas Rosenlöcher 1947) is een (Oost-)Duitse schrijver. In zijn Dagboek uit Dresden. Herfst '89 (vertaling: Mike Schellekens) beschrijft hij de weken van vlak voor de val van de Muur.

6 november
Het aantal mensen dat naar West-Duitsland vertrekt wordt nu al per uur aangegeven en nadert langzamerhand de driehonderd.
In de Kaufhalle hebben ze voor de echte blijvers Radeberger bier. Ik vis, gemaakt nonchalant, twintig flesjes voor mezelf uit de krat en krijg van mezelf het idee dat ik wat bereikt heb in het leven.
Rond de gaslantaarns in Kleinzschachwitz zitten briefjes gebonden: ‘Ik wil hier blijven stralen’ - Mijn god, ik ook.
Ulrike zit op haar kamer te huilen, omdat na die Hagen van haar nu ook oma naar de andere kant wil, ze heeft zich haar pensioen al laten voorrekenen, maar voor haar betekent het vooral een nieuw begin. Toen ze gisteren uit het Westen terugkwam, leek ze meteen al wat zelfverzekerder, meer een oma-uit-het-Westen, wat vast niet alleen door haar onverwachte ronde oorbellen kwam.

8 november
Gisteren is de regering afgetreden. De tijd die zolang stil stond is in een stroomversnelling geraakt, alsof ze de verloren 40 jaar weer wil inhalen. In heel het land staan zetels op omvallen en worden er berouwvol haren uitgetrokken.
Als we het plotseling gewonnen gemak maar niet toch nog moeten betalen: dat zou tegen de onzinnigheid van de geschiedenis zijn.

10 november
Het ontzettend idiote bericht, weer 's ochtends vroeg, terwijl ik nog met met ohropax ver-pax-te oren op mijn kermisbed in de huiskamer lig: de grenzen zijn open! Lief dagboek, ik weet niet meer wat ik moet zeggen. Ik weet echt niet meer wat ik moet zeggen. Ik loop met betraande ogen door de keuken te ijsberen, en heb niet eens een ui waaraan ik de plotselinge tranenstroom zou kunnen wijten.

11 november
Nadat Doornroosje wakker was gekust, ontwaakten de majesteiten en de ‘...gehele hofhouding en ze keken elkaar met grote ogen aan. En de paarden buiten stonden op en gingen met hun hoofd staan schudden; de jachthonden begonnen te springen en te kwispelstaarten; de duiven op het dak haalden hun koppetje vanonder hun vleugels te voorschijn, keken rond en vlogen de wijde wereld in’... en zelfs de vliegen op de muur waren verbaasd waarom ze zo lang hadden geslapen.

Jan Wolkers -- 5 november 1972

Jan Wolkers (1925-2007) was een Nederlandse schrijver en kunstenaar. De dagboeken die hij in de jaren '70 bijhield zijn vrijwel allemaal uitgegeven.

ZONDAG 5 NOVEMBER 1972
Belgen zeggen als hun gevraagd wordt wat ze willen drinken: 'Fruitdrank.' Als ze een handtekening op een velletje papier aan je vragen om in een boek van je te plakken, zeggen ze: 'Ik zal het erin kleven.' Als ze bepaalde dingen van je werk willen doornemen zeggen ze: 'Dat zullen we even overlopen.' Een pan noemen ze een kastrol. Een vraag over Olga met die afschuwelijke jonge duiven: 'Die ziekelijke jongskes.' Een meisje dat een handtekening in Turks Fruit wil en het daarvoor uit de envelop heeft gehaald, zegt, zich versprekend: 'ik heb mijn broek al uitgedaan.' De hele dag wat werken in huis. Luisteren naar het voetbal. 'Langs de Lijn'. Gaan om zes uur met Maria en Jeroen in de Prinsenkelder eten omdat het boven bij Dikker & Thijs dicht is. Duur, omdat ik met de lezingen in België 1400 gulden heb verdiend. Kreeft met champagne en chateaubriand. Als ik kreeft bestel komt de ober en vraagt fluisterend of ik wel weet hoe duur de kreeften zijn. Hij houdt een papiertje voor me op waar ƒ 140,- op staat.

Jan Wolkers -- 4 november 1972

Jan Wolkers (1925-2007) was een Nederlandse schrijver en kunstenaar. De dagboeken die hij in de jaren '70 bijhield zijn vrijwel allemaal uitgegeven.

VRIJDAG 3 NOVEMBER I972
Om twee uur naar België door het mooie grijze weer. Dichte nevel. We zijn om tien over drie al in Antwerpen. Halverwege Brussel wordt de mist dik. Nog maar twintig meter zicht.

ZATERDAG 4 NOVEMBER I972
Om half elf wakker door keiharde telefoon. Als ik aangekleed de kamer binnenkom, nadat Karina en ik samen in het bad hebben gezeten, neemt Angèle me even apart in de keuken. Ze zegt dat ze een luxe uitgave van de Max Havelaar gaan maken en of ik daar illustraties bij wil maken. Of een voorwoord schrijven. Bij het ontbijt, met het prachtige door de opgetrokken mist nu weer zichtbare glooiende landschap voor ons, eten we de door ons meegebrachte paté en caviar rouge. In de hoge bomen, waar nog zo hier en daar maar een blad in zit, een golf staartmeesjes. Boer Jan van de boerderij beneden komt een borreltje drinken. Heeft het over de gootvogel. Dat is goudvogel: de wielewaal. Hij weet veel van dieren af. Hij zegt dat tegenwoordig bij het hooien met die moderne landbouwmachines de weinige kikkers die er nog over zijn in het hooi gepakt worden bij het bundelen. Ze kunnen er dan niet meer uit komen en verdrogen.
Om half twee rijden we achter Angèle aan naar Antwerpen. Eerst drinken we cider in een café bij de boekenbeurs. Daar komt ook weer die domme Roggeman bij ons zitten met de nog dommere Van de Waarsenburg.
Lees eerst weer een uurtje voor met een stem als een klok, nadat Roggeman de zogenaamde inleiding, die verkort zou worden maar waar niets van te merken is, heeft gehouden. Erna een forum, waarvan de kern gevormd wordt door Bruggenaren van de culturele vereniging 'Moeritoen1 die met een paar bussen aangevoerd zijn, en die vragen aan me stellen. Waarom er geen boodschap in mijn werk gebracht wordt, maar wel veel seks en ontlasting. Ik zeg dat ontlasting bij ons in Holland ook vaak een grote boodschap wordt genoemd. Zodoende.

donderdag 2 november 2017

Gerbrand Bakker -- 3 november 2015

Gerbrand Bakker (1962) is een Nederlandse schrijver. Van eind 2014 tot begin 2016 hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jasper en zijn knecht.

3 november[Amsterdam] Jasper houdt niet van personen die zich verdacht gedragen. Die houdt hij scherp in de gaten en op een bepaald moment begint hij tegen ze te blaffen. Op een parkeerplaats bij een benzinestation langs de A2 liep een vrouw in een rode jas. Ik vond haar ook verdacht, net als Jasper keek ik naar haar, vroeg ik me af wat ze van plan was. Heel langzaam liep ze, ze rookte, en op een gegeven moment begon ze traag dingen van de grond te pakken. Ik kon niet zien wat, daarvoor liep ze net iets te ver weg. Jasper blafte haar keihard uit. 's Avonds komt hij de meeste verdachte personen tegen, vooral ook omdat er dan überhaupt veel minder personen op straat zijn, of - in zijn ogen wellicht - behoren te zijn. Ik ben het vrijwel altijd met hem eens, snap precies waarom hij opgewonden wordt. Ik denk wel eens dat hij vroeger op het Griekse eiland Thassos een heel speciale politiehond was.
Eergisteren, tijdens een van de eerste rondjes in Amsterdam, herkende ik de assistente van de dierenkliniek, die stond met haar Portugese hondje gezellig te keuvelen met andere hondenbaasjes bij het nagelnieuwe honden-uitlaatperk. 'Wat valt jou op aan mijn hond?' vroeg ik. Ze knielde bij hem neer. 'Hij is wel een beetje schraal.' Zo kan je het ook zeggen, ik zeg: gratenpakhuis. We liepen allerlei scenario's door, hadden het over poep en gewicht en kwaliteit van voer en van alles en we kwamen tot de conclusie dat hij niet ziek is. 'Lekker een beetje bijspekken,' zei ze. 'Brinta, dat is erg goed.' Al drie dagen eet Jasper daarom tussen de middag een bak Brinta. De eerste keer had ik het te dik gemaakt en stikte hij er bijna in. Dikke Brinta is als behangsellijm. Hij kuchte en slikte en proestte en zijn snuit zat vol met klodders Brinta. Nu maak ik het dunner en hij slobbert het vol genot op.

Vreemd dat ik er het afgelopen jaar nooit bij stilgestaan heb, maar onderweg van de Eifel naar Amsterdam besefte ik dat ik jaren aan dagboeken heb. Van die mooie grijs gemarmerde schriften met dikke kaften, schriften waarin je eigenlijk uitsluitend met vulpen hoort te schrijven. Die ga ik morgen openslaan, dat heb ik nooit meer gedaan.

woensdag 1 november 2017

Paul Verlaine -- 2 november 1892

• Op uitnodiging van een aantal Nederlandse bewonderaars bracht de Franse dichter Paul Verlaine (1844-1896) van 2 tot 14 november 1892 een bezoek aan Nederland. Hij hield lezingen in Den Haag (waar Henriette van der Schalk haar toekomstige echtgenoot Richard Roland Holst leerde kennen) en in Amsterdam. Toen hij weer terug was in Frankrijk schreef hij Quinze jours en Hollande, een soort van (ongedateerd) dagboek, dat door Karel Jonckheere in het Nederlands is vertaald als Twee weken Holland.

Gij liet me uw verlangen kennen een geschreven relaas van mijn Hollandse reis te lezen. Hier dan, in enkele bladzijden, die ik zo gevuld mogelijk wil maken.
Uitgenodigd door een groep artiesten en letterkundigen ginds bij hen een reeks lezingen te houden, ben ik gaarne op hun wens ingegaan, daar ik sinds lang nieuwsgierig was naar dit land, door een ondankbare Voltaire, die er lichamelijk en geestelijk te gast was, aangeklaagd als overlopend van ‘kanalen, eenden en canaille’ [Frans: canals, canards, canaille], - land, dat ik op mijn beurt vanzelfsprekend overal verklaar met kanalen en eenden, maar met nog meer erfelijk talent en aanwezige overgeleverde geschiedenis.

Op 2 november 1892, precies op Allerzielen, goed voorteken, vertrok ik uit de Gare du Nord, dank zij fondsen, die bij mirakel uit Nederland waren overgewaaid, in een speciale eerste-klassewagen, zij het niet als soeverein, dan toch als nog uiterst toonbare prins: paneelspiegels, mahoniehouten tabletten om op te klappen bij noenmaal, avondeten, enz. Onnodig, vermoed ik, u het trieste landschap van de Parijse omgeving te beschrijven, behalve voor Saint-Denis met zijn eertijds koninklijke, nog altijd goddelijke kloosterkerk, en zijn 's zomers vrij mooie eilandjes, maar in deze kwijnende herfst, vervelend zonder end. En dan maar fabrieken van ik weet niet wat, loodsen, hokken, krotten, afbraak, tot wat dient het allemaal? Opgevolgd door wat landelijke rust na twintig kilometer eerder matige vaart. Maar ginds reeds draaien echt bewerkte velden voor, autentieke bomen schuiven voorbij, zwenken weg om plaats te maken, ongeveer na een uur, voor het station van Creil, helemaal omringd door nieuwsoortige fabrieken op deze lijn, plateelbakkerijen, ketelmakerijen, zuiver- en ontsmettingsmachines, denk ik, te midden van een bijna aanvaardbare buiten.

Zodra hij Creil heeft verlaten, bolt de trein met volle wielen door tot in Saint-Quentin: de opeenvolgende landschappen, door de nevels van deze tijd van 't jaar verwaasd, trekken onverschillig voorbij, als in een droom die goed is noch slecht, terwijl de telegraafdraden afwisselend op- en neergaan en de palen met hun isoleerpotjes, als bij pelgrimsstaven, magere door kinderen opgezette speelkaarten schijnen, gereed om te worden omvergeblazen. De witte pluim uit de lokomotief, de enige zo te zeggen, maar dan een mooie, uit onze effen geschaafde maatschappij, ontplooit zich lief en zwierig boven en over de wentelende streek.

Afwisselend, als ge wilt, mag het trajekt van de sneltrein heten tussen Creil en Saint-Quentin: ruime, aaneengesloten landouwen zonder verveling tenzij voor het vleselijk oog, alleszins niet voor het geestelijke of, zeg ik liever, het sociale? Want ze spreken deze velden, als één grote en forse kultuur, die op dit moment nagenoeg bestaat uit lange voren, wachtend op de uittocht van de winter om te groenen, en op die van de lente, als groen, om op te rijzen tot halm en aar. Langzamerhand wordt het land zwarter, zeldzame bomen staan zich te wringen en verschrompelen tot verminkte geraamten. Rokende fabrieken, zwart, en daar hebben we de baksteen! De baksteen van het Noorden, zich ophopend, bloedrood, tot geweldige of belachelijke bouwsels voor industrieel nut. In de verten, hoge sombere, bijna onheilspellende schouwen met het trage stijgen van ontrolde vlokken, - om dan als roeten slangen recht te staan, de nakende geboorte voorspellend van de mijnstreken... - ‘Saint-Quentin! Twintig minuten stilstand!’

Dit wordt geroepen door een bediende in donkergroene geribde jas, die de Engelsen corduroy heten, met blinkende zwartleren pet en de koperomrande klep van de Compagnie du Nord, in de langzame, zachte, vette en koppige uitspraak van de Picardiërs (met Picardiër bedoel ik een bewoner van het gebied gelegen tussen Amiens en Duinkerke, meer niet, -Duinkerks gaat over in Vlaams). O dit accent! Ch'l' acchin! Onlangs las ik een trouwens uitstekend geschreven artikel over Desrousseaux, de in gewesttaal schrijvende Rijselse dichter, de terecht beroemde auteur van het meesterlijk gedicht, één gratie en weemoed, P'tiot Quinquin, dat ginds, vooral ginds het accent, overwegend in de streektaal, mat en dof klinkt. Dof? zeker, - welke ernstige gewesttaal is het niet, opgedrongen door de gebukte, letterlijk neerdrukkende arbeid op het veld? Maar mat? Ha, neen! En verder, wat er ook van zij, deze gewestspraak heeft Marceline Desbordes-Valmore ongetwijfeld gekend, gekregen, gesproken...

Maar ik ben reeds aan het afwijken, denk ik, zelfs aan het afdwalen om niet te zeggen uitweiden, en ik zit nog niet eens tussen een lamp en een glas suikerwater. Gij vraagt me geen lezing, gij wilt een reisverslag. Ik herneem dus, vooruit, rijden maar!

Laten we echter toch maar, eer de wagens voor het buitenland aan het schokken gaan, het profiel van de stad groeten, met haar prachtige van ver massief aandoende basiliek, dit dank zij de afwezigheid van elke toren, van elk torentje, - en de Aisne, zeer mooi in haar loop. En langzaam zet de trein zich in beweging, zwaarweg, om de voorsteden met de lage, witgekalkte huisjes aan elkaar te rijgen, terwijl het ganse kindervolkje op de drempel komt gelopen om de ‘ijzerweg’ te zien voorbijrijden, ‘smoutstuiten’ te eten en zich de vlaskop te krabben, - of de pikdonkere bos, want dit is het gebied waar ‘jaren aan een stuk vurig Kastillië neerstreek’.

Wat die Spanjolen betreft, ons opgedrongen gasten eeuwenlang, laten we op de drempel van het vaderland een groet brengen aan deze nooit van glorie gespeende en zo beproefde vlakten, waar, na enkele heldhaftige inspanningen, na vier, vijf en zes generaties afstand, wel Frankrijks moed, opgezweept tot het krankzinnige toe, zou ten ondergaan, niet echter zijn eer, om de duivel niet! Groeten we een laatste maal Saint-Quentin, dat, parallel met ons Parijs Buzenval, de laatste donderslagen van dit onweer hoorde, die gemene oorlog van 1870-71!

Niets meldenswaardigs tot aan de Belgische grens, behalve een onbeduidende bijzonderheid: de telegraafpalen zijn geen lange staken meer, maar staan kegelvormig gesplitst en hellen achterwaarts over. Dit keer alsof het om de benen ging van strakzatte reuzen, die om zichzelf draaien en op het punt staan te vallen. Deze waggelende gezellen moeten mij gezelschap houden tot in Den Haag en, iets later, tot in Leiden en Amsterdam.

Klaas Hoekstra -- 1 november 1826

• Nadat zijn schip in het ijs was vastgelopen en gezonken, kwamen gezagvoerder Klaas Hoekstra en zijn bemanning op Groenland terecht, waar ze met sloepen probeerden verder te komen. Het verslag van de tocht vol ontberingen is vastgelegd in Dagverhaal van het verongelukken van het Galjootschip Harlingen, in Straat-Davids. Ondertitel: De togt van de Equipagie met sloepen over en langs het ijs, en overwintering van dezelve in het Noordelijk gedeelte van Groenland.

Den 1 November ʼs morgens de wind N.W. en sterke koelte, was de reis naar Niakonak ondoenlijk, doch wij maakten ons gereed, om bij de eerste gelegenheid de beste, te kunnen vertrekken, dat ook noodzakelijk wierd, daar wij anders zeer spoedig al des mans provisie zouden verteren, daar zijne voorraad zeer gering was. Des avonds bezochten wij de kranken, vonden hen zeer bedroefd, kermende van pijn, konden niet anders doen dan hen beklagen. Niemand onzer ook was vrij van vorst en allen zwak. Des nachts stormweer.

Den 2 November ʼs morgens de wind N.W. met beter weer, doch het water zeer hol, zoodat wij alweder niet konden vertrekken, daar wij in de zee op, een mijl moesten roeijen, en zulks door zwakte niet konden doen, behalven dat het ook zeer koud was. Wij besloten dus nog een dag te wachten. Intusschen rekende ik op nieuw af met onzen Deen en gaf hem een adsignatie van 320 pond brood, 7 schepels gort, 4 schepels erwten, 15 pond spek, alsmede van 2 groote balieʼs robbespek, gebruikt tot brand om het eten te kunnen koken. Na den middag leerden de Esquimaux hunne kinderen met de kajak te roeijen en pijlen schieten. Ik verzocht een Esquimaux eens een pijl op het land afteschieten, om te zien, hoe ver zij zulks konden doen. Hij schoot 138 voeten, de pijl zoo vast in den grond, dat één man dezelve er niet konde uittrekken. Des avonds en nachts mooi weer.

Den 3 November ʼs morgens de wind Z.W. mooi weer met een weinig sneeuw, gingen wij op reis, latende genoemde zwakken benevens zeven anderen, te zamen dertien man te Nogsoak blijven, naar Niakonak, zijnde toen ʼs morgens 4 uren. Voor den middag de wind Z.O. met een harde koelte en hol water, waarvan veel in de sloepen stortte, dat terstond ijs was. [...]

dinsdag 31 oktober 2017

Peter R. de Vries -- 31 oktober 2005

• Peter R. de Vries (1956) is een Nederlandse misdaadverslaggever. In 2005, toen hij kortstondig lijsttrekker was van een door hem opgerichte politieke partij, hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij.

Maandag
Dit is dan de dag. Ik hoef er hier niet veel over uit te weiden. Het was bijna niet te missen in de media. De proclamatie mochten we inderdaad niet op de deur timmeren, maar het kwam allemaal goed. Ik heb het gevoel dat ik mijn verhaal goed heb kunnen doen. Ik had me ingesteld op kritische vragen van de parlementaire pers, maar het niveau viel me zwaar tegen. Onbenullige, soms bijna lachwekkende vragen: `Waarom wilt u zes uur gymnastiek op school per week en geen zeven?' Wie is hier nu eigenlijk de populist, vraag ik me na een poosje af en verberg mijn irritatie hierover onvoldoende. Ik krijg tenminste een kleine reprimande van Jac die ook aanwezig is en ook Peter Schouten zegt dat ik de `zeurende' verslaggever van De Telegraaf geen sneer had mogen geven. Ik begrijp wat ze bedoelen, maar ik houd nu eenmaal niet van zoete broodjes bakken. De vraag die ik had verwacht (`kan een politicus bevriend zijn geweest met een crimineel als Heineken-ontvoerder Cor van Hout?') blijft overigens uit. 's Avonds race ik van Nova naar Barend & Van Dorp en Met het oog op morgen. Als ik om half twee in bed plof, ben ik niet ontevreden.

zondag 29 oktober 2017

Raymond Queneau -- 30 oktober 1940

Raymond Queneau (1903-1976) was een Frans schrijver, dichter, dramaturg en wiskundige. Notities en fragmenten uit zijn dagboeken zijn opgenomen in Mijn moeder zong (vertaling door Jan Pieter van der Sterre).

30 oktober 1940
Ik klop aan bij bakkerij Queneau. Een jonge vrouw komt opendoen. Ik vind dat mijn nicht er een stuk jonger uitziet, twaalf jaar heb ik haar niet gezien. Mijn neef wordt wakker gemaakt. Hij komt. Ik denk mijn vader te zien, maar dan tien jaar jonger, dezelfde puilende ogen, dezelfde politieke bezieling, dezelfde taal. En ik ben verbaasd dat mijn nicht niet aardiger tegen me doet. Ik durf niet te veel vragen te stellen. Bij het weggaan wil ik mijn nicht een complimentje maken omdat ze zo jong is gebleven; maar ik kom er niet goed uit en zeg alleen: 'Tot ziens, lieve: nicht.' Afgezien daarvan vertelt Edmond leuke verhalen. Ook hij heeft astma; zit in de familie.
Vervolgens wandeling rue de Flandre.
Thuisgekomen ruim ik brieven op. Ik vind er een terug van mijn vader uit maart van dit jaar, waarin hij me meldt dat mijn nicht overleden is. En dat ik Edmond moet condoleren. Wie was die jonge vrouw dan? Een jongere zuster van de ander? Een nieuwe vrouw?
Ik heb ze beslist niet op een rijtje, zoals mijn vader zegt. Dat herinnert me eraan dat ik bij Domela binnenstapte terwijl ik van plan was naar Hartung te gaan. Twee jaar geleden ongeveer. Geloof ik.


• De dagboeken van Raymond Queneau (1903-1976) vormden als het ware het achterhoofd van de schrijver, een opslagplaats met zeer uiteenlopende voorraden, waarin hij verwerkte wat hij las (veel) en beleefde (minder veel).

Vasili Rozanov -- 29 oktober 1912

• De autobiografische publicaties van de Russische schrijver Vasili Rozanov (1856-1919) zijn “een uiterst boeiende en vooral tegendraadse collectie literaire fragmenten, aforismen en persoonlijke notities van iemand die rustig een van de meest opzienbarende fenomenen van de Russische letteren genoemd kan worden”. Een selectie uit zijn werk (vertaald door Yolanda Bloemen) is verschenen on der de titel Roem is een slang.

[29-31 oktober 1912]
De opzet van Dode zielen is eigenlijk een anekdote; zoals ook De revisor een anekdote is. Hoe een heer dode zielen wilde opkopen om ze te belenen; en hoe een andere oplichter in een stad voor een revisor werd aangezien. En al zijn toneelstukken, Het huwelijk, De spelers en zijn novellen, zoals De mantel, zijn gewoon Petersburgse anekdotes, die waar en die niet waar konden zijn. Zij hebben niets bijzonders en hebben geen inhoud.
Frappant is die eenvoud, het elementaire van zijn opzet: Gogol had niet de kracht zijn opzet gecompliceerd te maken; een roman of een verhaal in de zin van ontwikkeling of de ontvouwing van hartstocht kon hij zich, zo voel je, ook niet voorstellen, en aanzetten daartoe zijn in zijn aantekeningen niet gevonden.
Wat wil dat zeggen? Zijn ziel was merkwaardig elementair. Frappant dat ook Gogol zelf zich niet ontwikkelde; zijn ziel bleef dezelfde, zijn overtuigingen veranderden niet.
Bij de overgang van de Kleinrussische verhalen naar de Petersburgse anekdotes, richtte hij zijn blik alleen van het zuiden naar het noorden, maar zijn wijze van kijken bleef dezelfde.