zondag 24 september 2017

Romy Schneider -- 24 september 1955

Romy Schneider (1938-1982) was een Oostenrijkse actrice. in Ich, Romy: Tagebuch eines Lebens zijn dagboekfragmenten van haar opgenomen. In september 1955 was ze bezig met de opnames van de eerste Sissi-film.

24 september 1955
Ik ben zeventien geworden. Als je de scenarioschrijvers moet geloven, begint dan het leven pas echt. Ik ben benieuwd! Het was fantastisch. We hebben het met het hele personeel op een wijnoogstfeest gevierd. De wijnoogst - dat is hier in Wenen een fantastische traditie. Als de nieuwe wijn er is, zo ongeveer in deze tijd van het jaar, dan is heel Wenen soms uitgestorven. Iedereen zit buiten de stad in de wijnlokalen en drinkt 'op de nieuwe wijn'. Wij waren bij Anton Karas, dat is de citerspeler uit de film The Third Man, Hij heeft in Grinzing een wijnlokaal geopend. Alles was met lampions versierd, er hing een sprookjesachtige sfeer. Van mammie heb ik een set koffers gekregen, helemaal in wijnrood. Met het monogram R.S. Voor mijn zestiende verjaardag had ik een gouden poederdoos gekregen die met robijnen was bezet. Deze keer heb ik de bijbehorende lippenstift gekregen. Meneer Tischendorf, van het distributiebedrijf, heeft mij verrast met een radiotoestel. Knal!

26 september 1955
Ik moet allerlei kwellingen ondergaan. Omdat Sissi in haar jeugd lang zwart haar had, moet mijn haar natuurlijk ook langer lijken dan het in werkelijkheid is. Het liefst had ik mijn eigen haar laten groeien. Maar daar hebben ze me al over uitgelachen! Alsof de film kan wachten tot mijn haar de juiste lengte heeft. Daarom draag ik een pruik. Een heel raar gevoel. Zo ongewoon en vooral zo vermoeiend. Het is een heel gewicht dat ik de hele tijd met me mee moet slepen! Als je er niet aan gewend bent, zoals ik, krijg je al gauw een stijve nek, net alsof je in de bioscoop op de eerste rij zit.

30 september 1955
Buitenopnamen aan de Donau. Ernst [Marischka] heeft er een sprookje van gemaakt. Ik zak op een stoomboot de Donau af, het volk staat op de oevers en zwaait naar zijn toekomstige keizerin - mij dus, in de film. Stel je dat eens voor: al die mensen die daar staan als figuranten en zwaaien en klappen en jubelen! Die moeten daar eerst allemaal naartoe gebracht worden, want vrijwillig gaan er maar weinig als er geen echte keizerin, zoals bijvoorbeeld Soraya, voorbij vaart!

zaterdag 23 september 2017

Benjamin Franklin -- 23 september 1726

• In 1726 voer de Amerikaanse politicus Benjamin Franklin (1705-1790) aan boord van de Berkshire van Londen naar Philadelphia. Hij hield tijdens die reis een journaal bij.

Friday, September 23
This morning we spied a sail to windward of us about two leagues. We shewed our jack upon the ensign-staff, and shortened sail for them till about noon, when she came up with us. She was a snow from Dublin,9 bound to New York, having upwards of fifty servants on board, of both sexes; they all appeared upon deck, and seemed very much pleased at the sight of us. There is really something strangely cheering to the spirits in the meeting of a ship at sea, containing a society of creatures of the same species and in the same circumstances with ourselves, after we had been long separated and excommunicated as it were from the rest of mankind. My heart fluttered in my breast with joy when I saw so many human countenances, and I could scarce refrain from that kind of laughter which proceeds from some degree of inward pleasure. When we have been for a considerable time tossing on the vast waters, far from the sight of any land or ships, or any mortal creature but ourselves (except a few fish and sea birds) the whole world, for aught we know, may be under a second deluge, and we (like Noah and his company in the Ark) the only surviving remnant of the human race. The two Captains have mutually promised to keep each other company; but this I look upon to be only matter of course, for if ships are unequal in their sailing they seldom stay for one another, especially strangers. This afternoon the wind that has been so long contrary to us, came about to the eastward (and looks as if it would hold), to our no small satisfaction. I find our messmates in a better humour, and more pleased with their present condition than they have been since we came out; which I take to proceed from the contemplation of the miserable circumstances of the passengers on board our neighbour, and making the comparison. We reckon ourselves in a kind of paradise, when we consider how they live, confined and stifled up with such a lousy stinking rabble in this sultry latitude.

donderdag 21 september 2017

Jean-Paul Sartre -- 22 september 1939

• Jean-Paul Sartre (1905-1980) was een Franse filosoof en schrijver. Hij schreef vele, vele brieven aan zijn levensgezellin Simone de Beauvoir, (koosnaam Castor), die tezamen te lezen zijn als een soort van dagboek. De brieven zijn in het Nederlands vertaald (door P.P.J. Klinkenberg) als Brieven aan Castor.
In 1939 was Sartre soldaat bij de meteorologische dienst van het Franse leger.

22 september 1939
Vanmorgen een even vermakelijke ceremonie: de gaskamer. We zetten ons masker op en daalden in groepen van vijftig in een kelder af. Stel u het halfduister voor en vijftig kerels met varkenssnuiten in een kring. Een slanke officier in een helblauw uniform en van voeten tot schouders afschrikwekkend als een insect – maar met een varkenskop – schoot twee keer met zijn revolver. Aan de loop zijn gasampullen bevestigd die openbarsten. Daarna gaan de vijftig gemaskerden in een rij staan, leggen hun handen op elkaars schouders en beginnen in het rond te lopen. Ze worden geacht te zingen, maar je hoort enkel een verschrikkelijk geborrel dat me deed denken aan de geluiden die Kafka’s Gregor voortbracht als hij dacht te spreken. Het vreemde is die indruk in een giftige en verpeste ruimte te zijn en toch ongedeerd te blijven. Als je met je buurman praat heb je de indruk dat de woorden door een vergiftigde wereld gaan; als je naar de handen kijkt heb je de indruk dat ze door een gifnevel worden omgeven en toch ben je ongedeerd en bijna op je gemak. Toen we naar buiten gingen werden we er driftig toe aangespoord ons masker even op te lichten ‘om het verschil te zien’. Maar daarvan heb ik me wijselijk onthouden.

woensdag 20 september 2017

Anna Achmatova -- 21 september 1965

Anna Achmatova (1889-1966) was een Russische dichteres. Dagboekfragmenten van haar zijn opgenomen in De echte twintigste eeuw (vertaald door Alissa Leigh en Silvana Wedemann).

21 september 1965
Wij (Olga en ik) gingen naar de Remizovs om de boekmanuscripten van Skaldin te brengen. Er werd niet opengedaan. Na een paar uur was er al een valstrik gelegd - de dag ervoor waren ze naar het buitenland gevlucht. Op de terugweg kwamen we op de hof van de Fontanka Tamara Persits tegen. Ze huilde: Blok was dood.
In de doodkist lag een man die ik nooit had gezien. Mij werd gezegd dat het Blok was. Boven hem stond een soldaat-een grijze oude man, kaal, met waanzinnige ogen. Ik vroeg: 'Wie is dat?' -'Andrej Bjelyj'. Een dodenmis. De Jersjovs (zijn buren) vertelden dat hij van de pijn zo had geschreeuwd dat er voorbijgangers onder her raam waren blijven Maan.
De hele stad, het hele toenmalige Petersburg kwam hem, of beter gezegd dar wat er van hem over was, de laatste eer bewijzen. De inlanders die op het kerkhof het wijdingsfeest vierden, vroegen steeds: 'Wie begraven jullie?'
In de kerk bij de dodenmis was het drukker dan bij een paasochtenddienst. En alles gebeurde voortdurend als in Bloks gedichten. Dat is door iedereen toen opgemerkt en later vaak herinnerd.

FINIS
... Blok noteert dat ik met Delmas en Liza Koezmina-Karavajeva hem heb sufgebeld. Ik denk dat ik daarover wel enkele verklaringen kan geven. Ik belde op. Aleksandr Aleksandrovitsj vroeg met de directheid en manier van hardop denken die hem eigen was: 'U belt waarschijnlijk omdat Ariadna Vladimirovna Tyrkova aan u heeft verteld wat ik over u gezegd heb.
Van nieuwsgierigheid bijna bezwijkend ging ik naar Ariadna Vladimirovna op een van haar dagen en vroeg wat Blok had gezegd. Maar Ariadna Vladimirovna was onwankelbaar: 'Anitsjka, ik vertel nooit aan mijn gasten wat anderen over hen hebben gezegd.'

De Vroebel van Kiev. De Heilige Moeder Gods met de waanzinnige ogen... Dagen die van een harmonie vervuld waren die nadat zij eenmaal verdween, nooit meer terugkwam. En mijn hele leven daarna was slechts een overgang van de ene cirkel naar de andere. Alleen hield iemand streng en aandachtig in de gaten dat ik me niet in de omgekeerde richting zou bewegen, d.w.z. van het slechte naar het goede.

De non Maria (Liza Koezmina-Karavajeva) schrijft in haar Parijse memoires (de jaren dertig) dat Blok in de 'Toren', nadat ik gedichten had voorgelezen (hij had me al eerder horen voorlezen in de 'Dichtersacademie' en op de eerste bijeenkomst van het 'Gilde' bij Gorodetski) zei: 'Achmatova schrijft gedichten alsof er een man naar haar kijkt, terwijl een dichter moet schrijven alsof God naar hem kijkt.' Naast het feit dat een dergelijk optreden in de 'Toren' gewoon ondenkbaar was...

dinsdag 19 september 2017

Paul Morand -- 20 september 1970

Venetiës, het “literaire testament” van de Franse schrijver Paul Morand (1888-1976), bevat autobiografische schetsen, waarin Venetië steeds op de een of andere manier een rol speelt. Het boek werd in het Nederlands vertaald door Geerten Meijsing.

September 1970
Soms wil ik mijn aderen open snijden, als ik mij voorstel dat Venetië vóór mij sterft, dat het ten onder gaat zonder uiteindelijk iets van zijn gedaante na te laten op het wateroppervlak. Zinkend, niet in de diepte, maar een paar voet onder de oppervlakte; zijn kegelvormige schoorstenen, zijn uitkijktorens, vanwaar de vissers hun lijnen zouden uitwerpen, zijn campanile, toevlucht voor de laatste katten van Sint-Markus. Vaporetti die overhangen onder het gewicht van de bezoekers, zouden de oppervlakte sonderen, waarover het slijk van het verleden verwatert; toeristen zouden elkaar met de vinger het goud van een of ander mozaïek aanwijzen, tussen vijf drijvende waterpoloballen: de koepels van de San Marco; de Salute zou als baken dienen voor de vrachtschepen; boven het Canal Grande zouden luchtbelletjes naar boven borrelen, uitgestoten door kikvorsmannen die op de tast zoeken naar de juwelen van Amerikaanse vrouwen in de kluizen van een ondergedompeld Grand Hotel. 'Welke profetie heeft ooit een volk van de zonde afgebracht?' zegt Jeremias.
Venetië verdrinkt; is dat misschien niet het mooiste dat het kon overkomen?

maandag 18 september 2017

Jeanne Meeter Endt -- 19 september 1944

• Jeanne Meeter-Endt (1880-1971) was een Nederlandse huisvrouw die ten tijde van de slag om Arnhem een dagboek bijhield.

Dinsdag, 19 September. [Oosterbeek]
De nacht was onrustig, veel lawaai. Sietske en Onno zijn om 11 uur maar weer naar beneden gehaald. ’t Dorp zit weer vol Duitsers en bij Station-Hoog schijnen ze zich te verschansen in een groot huis; ‘k vrees dat het Waldfriede is, waar de Kochs zitten of zaten. De brug bij Arnhem schijnt telkens van bezitter te wisselen en Arnhem heeft veel te lijden. Achter ons kerkje is een zwaarder kaliber-kanon bijgezet dat ons zojuist heftig verschrikt heeft, zodat we allemaal weer naar ’t trapgat vlogen. Tegen twaalven verschenen er Duitse jagers die boven ons een poosje bleven cirkelen. We waren bang voor een luchtgevecht, maar Engelsche jagers waren zoo gauw niet hier, dus bleef ’t bij kanongebulder. Op straat is ’t doodstil; alleen Engelsche soldaten komen nu en dan voorbij. Elektra is er weer; gas nog niet. Friso heeft een kookkachel van zolder gehaald, waar nu voor beide partijen samen op gekookt wordt. En het schieten gaat maar onophoudelijk door.

6 uur

De middag begon in angstige spanning. De Tommies, met wie velen nu in contact zijn, vertellen dat ze versterking zéér nodig hebben, anders houden ze ’t hier niet. Vanmiddag verwachten ze Polen. Intusschen hooren we dat Waldfriede afgebrand is, evenals verschillende andere huizen o.a. van Crayenhage, die met zijn gezin opgenomen is bij de Brevée’s. Arnhem brandt ook op verschillende plaatsen: Lombok, Klinkelbeek, Heyenoord. Of ’t huis van de Mijnlieffs nog staat? Om een uur of drie komen er troepjes losgelaten gevangenen uit de “Koepel” in Arnhem. Ze komen om kleeren en hulp vragen, en vertellen dat de gevangenis doorzeefd is met kogels; het heeft een paar bewakers ’t leven gekost; de directeur heeft de gevangenen toen losgelaten. Friso met z’n vrinden spant er zich voor om de menschen voort te helpen. Na ze van kleeren voorzien te hebben heeft hij ze over ‘t Drielsche veer gezet; hoewel de veerman riep dat het verboden was, heeft hij zelf de veerboot maar bediend. De Betuwsche boeren moeten hen maar weer verder helpen. In de lucht is ’t een poosje stil, behalve eenige Duitsche jagers op verkenning. Daar ineens, tegen half 5, komt er weer een heele troep zware 4-motorige vliegtuigen uit Engeland aanzetten. Toen ze ongeveer boven Oosterbeek Hoog waren, poef – daar lieten ze een heele bende parachutes los: rood, wit, blauw, bruin, oranje, groen – een prachtig gezicht. We konden alles duidelijk door de ramen zien; telkens weer meer, de lucht was er vol van. Zwaar kanongebulder was ’t antwoord er op – en we krompen weer inéén van schrik. Maar je went toch langzamerhand aan de helsche geluiden. Of ’t soldaten waren of munitie dat er uit de parachutes neerdaalde, konden we toen nog niet uitmaken, maar later vertelden de Tommies ons, dat er voornamelijk voorraden neerdaalden en dat er aan de kleur van de parachute te zien was, of het munitie of mondvoorraad of verbandmiddelen enz. waren. Één van de vliegtuigen werd getroffen en zagen we brandend neerkomen. Ze gooiden toch nog twee parachutes uit, waarschijnlijk de piloten

zondag 17 september 2017

Marten Toonder -- 18 september 1982

Marten Toonder (1912-2005) was een Nederlandse striptekenaar. In 1982 hield hij gedurende enige dagen voor NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij. Aanleiding was de toekenning van de Stripschapprijs.

16/9 | 17/9

Zaterdag [18 september]
Beter geslapen door afnemende hitte. Mist maakt Munttoren toch weer onzichtbaar, zodat enige zorg over vliegreis. Wind echter naar westen draaiend volgens geleerde in ochtendblad. Marilou kwam ons halen. Het lieve kind had een kolossale verzameling foto's bij zich van Phiny's verjaardag. Hadden die hier op dinsdag passend gevierd met familie en vrienden. Ook toespraken, zelfs van jongst aanwezende neef Bernt Jan Marten. Helaas geen foto's van dinsdagmiddag, toen kleinkinderen lunch opluisterden. Hadden die graag gehad, maar men kan niet alles hebben. Tocht naar Schiphol verliep gunstig door optrekkend wolkendek en rijkunst van Marilou, terwijl Phiny op de achterbank dapper haar meerijden verzweeg.
Vlieghaven overvol, evenals vliegtuig. Sardines in blikje. Vliegen is interessanter dan men denkt. Vertrokken slechts een kwartier te laat door misttoestanden en geraakten daarop in een onmeetbare wolkenlaag, die in onzekerheid verkeerde omtrent de te volgen koers: west of oost. Herhaalde troostend, wat weerkundige had geschreven. Zonder baat echter. Phiny's herinnering verwijlde bij vorige tocht toen toestel tot twee keer toe weer moest optrekken omdat landingsbaan onzichtbaar was en radarmannen met onlustgevoelens in staking waren gegaan. Moesten toen door naar Shannon. Tja, men woont niet voor niets in Ierland. Dit keer ging het echter beter. Boven Dublin bleek zich gewone lucht onder wolkenmassa te bevinden en radarlieden deden hun plicht. Was goed, weer zuivere lucht te ademen en paspoorten te laten bekijken door vriendelijke Ieren in burgermanskleren. Werden afgehaald door Eiso en bereikten huis in namiddag, alwaar hond Cleo en kat Peony in alle staten. Legen van koffers vergde veel tijd: hadden tweemaal zoveel bagage als toen wij weggingen. Grotendeels bijdragen van aardige mensen, maar ook eigen schuld.
Werden afgelopen dinsdag aangetrokken door winkel in schrijf-en verfbehoeften, waar papiergeur hing, die herinneringen uit jeugd opriep. Toen waren het schelvis- en kroontjespennen, waterpaspenhouders en olifantstuf. Schitterend. Maar deze onderneming overtrof alles wat wij gezien hadden, op jeugdige leeftijd buitenlands gegaan zijnde. Brachten er enkele uren door en schaften mappen, verven, inkten, papier, karton en enveloppen aan. Ook kaartjes waarop gouden letters, die met pincet en kleef-band op van allerlei konden worden aangebracht, aldus gebruiksaanwijzing.
Hoe prachtig; zwarte mappen met gouden letters. Zulke winkels zouden rijkssubsidies moeten krijgen. Het was hele vracht en Phiny moest koffer en uitzetbare tas bijkopen om met alles thuis te kunnen komen. Heb haat aan tassen en koffers. Als vrachtdier zeulen met loden last tussen zwetende mensenmassa's door onmetelijke vlieghallen zonder kruiers of van die handige wagentjes, die nergens te vinden zijn als men ze nodig heeft. Hangen en schuiven in oneindige rijen bij een balie waarachter een overspannen meisje vliegkaartjes zit uit te schrijven. Geef mij maar lichte handbagage. Egoïstisch natuurlijk. Ben slechts een primitief man, die met een verfijnd wezen als een vrouw op reis gaat en daar rekening mee moet houden. Het ledigen van bagage vergde dus veel tijd. Aten zelf-gebakken brood en gingen op tijd naar bed. Een verloren dag, hoewel tuin en bloemen erg mooi waren, en het goed is weer thuis te zijn, ondanks alle aardige mensen in Holland.

Dang Thuy Tram -- 17 september 1968

Dang Thuy Tram (1942-1970) was een Vietnamese arts. Haar dagboek kwam pas lang na haar dood en na de Vietnam-oorlog boven water. Het is in het Nederlands vertaald als Dagen van vuur (door Marion Drolsbach).

17 september 1968
Zuster Cap vertelt over de dag dat Khiem zijn leven heeft geofferd. Het verhaal breekt mijn hart. Khiem is dood, zijn hoofd verbrijzeld, een arm en een been afgerukt. Hij lag op het zand van zijn vaderland. Khiems vader was gewond, zijn beide armen waren vastgebonden en het bloed gutste uit zijn schouder Toen hij het lichaam van zijn zoon zag, kon hij zijn tranen niet bedwingen. Zijn ogen. die brandden van verdriet en haat, straalden een diepe vaderliefde uit.
Khiem is gestorven. Zijn moeder stond bij het lijk van haar zoon, maar kon geen woord uitbrengen. Ze is er nog steeds niet overheen en wanneer ze wakker is, huilt ze aan een stuk door om haar zoon.
Och Khiem. Kun je vanuit het hiernamaals het verdriet van de levenden zien? De tranen van je ouders zijn nog niet opgedroogd en het hart van deze vriendin bloedt nog steeds.

19 september 1968
Tijdens het jeugdcongres op districtsniveau bevind ik me tussen de jongeren die zijn opgegroeid in de strijd. Ik maak kennis met de tieners en luister naar hun rapporten.
Hoang, veertien jaar, heeft in de eerste zes maanden vijf Amerikaanse soldaten gedood, twee tanks laten kantelen met zijn eigen geïmproviseerde wapens en zeven vijandelijke kanonnen buitgemaakt, waaronder twee mortieren en andere typen.
An Pho Chau heeft vijf kanonnen buitgemaakt, waarvan twee mortieren, en een radio.
De broertjes zijn op hun jonge leeftijd al helden.
Wees trots op onze jongeren!

27 september 1968
Ik ben toegelaten tot de Partij.
Mijn overheersende gevoel vandaag is dat ik moet vechten om de titel 'communist' te verdienen. Wat blijdschap betreft, waarom is die zo gering in verhouding met de betekenis van zo'n heuglijke dag? Hoe komt dat, Thuy? Waarschijnlijk is het zoals ik laatst zei: voor een kind dat al zo lang naar de moedermelk heeft gesmacht, smaakt die lang niet zo lekker.
Tijdens het mediteren ter nagedachtenis aan hen die zich hebben opgeofferd voor de missie van de Partij, voelde ik het gemis van de dierbaren in Duc Pho die in deze strijd op leven en dood zijn gevallen.

zaterdag 16 september 2017

Franz Kafka -- 16 september 1915

Franz Kafka (1883-1924) was een Tsjechische schrijver. Zijn dagboeken 1910-1923 zijn te lezen bij Gutenberg.

16. September. Anblick der polnischen Juden, die zum Kol Nidre [joods gebed] gehn. Der kleine Junge, der, unter beiden Armen Gebetmäntel, neben seinem Vater herläuft. Selbstmörderisch, nicht in den Tempel zu gehn.
Bibel aufgeschlagen. Von den ungerechten Richtern. Finde also meine Meinung oder wenigstens die Meinung, die ich in mir bisher vorgefunden habe. Übrigens hat es keine Bedeutung, ich werde in solchen Dingen niemals sichtbar gelenkt, vor mir flattern nicht die Blätter der Bibel. Die ergiebigste Stelle zum Hineinstechen scheint zwischen Hals und Kinn zu sein. Man hebe das Kinn und steche das Messer in die gestrafften Muskeln. Die Stelle ist aber wahrscheinlich nur in der Vorstellung ergiebig. Man erwartet dort ein großartiges Ausströmen des Blutes zu sehn und ein Flechtwerk von Sehnen und Knöchelchen zu zerreißen, wie man es ähnlich in den gebratenen Schenkeln von Truthähnen findet.
›Förster Fleck in Rußland‹ gelesen. Napoleons Rückkehr auf das Schlachtfeld von Borodino. Das Kloster dort. Es wird in die Luft gesprengt.

vrijdag 15 september 2017

May Sarton -- 15 september 1972

• May Sarton (1912-1995) was een Amerikaanse schrijfster. Een van haar bekendste werken is Journal of a solitude. Op Brainpickings staat Maria Popova stil bij deze en andere fragmenten over eenzaamheid.

September 15, 1972
It is raining. I look out on the maple, where a few leaves have turned yellow, and listen to Punch, the parrot, talking to himself and to the rain ticking gently against the windows. I am here alone for the first time in weeks, to take up my “real” life again at last. That is what is strange—that friends, even passionate love, are not my real life unless there is time alone in which to explore and to discover what is happening or has happened. Without the interruptions, nourishing and maddening, this life would become arid. Yet I taste it fully only when I am alone…
[...]
For a long time now, every meeting with another human being has been a collision. I feel too much, sense too much, am exhausted by the reverberations after even the simplest conversation. But the deep collision is and has been with my unregenerate, tormenting, and tormented self. I have written every poem, every novel, for the same purpose — to find out what I think, to know where I stand.
[...]
My need to be alone is balanced against my fear of what will happen when suddenly I enter the huge empty silence if I cannot find support there. I go up to Heaven and down to Hell in an hour, and keep alive only by imposing upon myself inexorable routines.

September 18, 1972
The value of solitude — one of its values — is, of course, that there is nothing to cushion against attacks from within, just as there is nothing to help balance at times of particular stress or depression. A few moments of desultory conversation … may calm an inner storm. But the storm, painful as it is, might have had some truth in it. So sometimes one has simply to endure a period of depression for what it may hold of illumination if one can live through it, attentive to what it exposes or demands.

donderdag 14 september 2017

Hans Christian Andersen -- 14 september 1843

Hans Christian Andersen (1805-1875) was een Deense (sprookjes)schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is gepubliceerd in Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd (vertaald door Edith Koenders).

• Toen de destijds wereldberoemde Zweedse sopraan Jenny Lind in 1843 in Kopenhagen verbleef, werd Andersen verliefd op haar. De gevoelens waren niet wederzijds - hoewel de twee altijd vrienden zijn gebleven. Andersen schreef De Chinese nachtegaal voor haar. Naar verluidt heeft Lind daar haar bijnaam 'de Zweedse nachtegaal' aan te danken.

Zondag 10 september 1843 [Kopenhagen] Jenny Linds eerste optreden als Alice, ze werd teruggeroepen; ’s avonds met haar bij de Bournonvilles, er werd op haar en op mij gedronken, verliefd.

Woensdag 13 september 1843 [Kopenhagen] Jenny Lind zong voor de tweede keer in Robert, ik heb haar een boeket en een gedicht gegeven; ontstemd omdat ze zaterdag vertrekt.

Donderdag 14 september 1843 [Kopenhagen] De reis uitgesteld; iedere dag bij haar; haar mijn gedichten gestuurd, met haar naar de tentoonstelling van Thorvaldsen geweest. [...]

Zaterdag 16 september 1843 [Kopenhagen] Concert van Jenny Lind, ’s avonds bij de Bournonvilles; Jenny en ik vertrouwelijk.

Zondag 17 september 1843 [Kopenhagen] [...] Gegeten bij de Oehlenschlägers. ’s Avonds kwam Jenny L. Ik heb niet met haar gesproken; jaloers op Günther. We reden met de omnibus naar de stad en ik heb haar thuisgebracht.

Maandag 18 september 1843 [Kopenhagen] Haar bezocht, de gedichten van de anderen gelezen, overwogen haar een aanzoek te doen. – In het water geweest; ze zingt voor de koning.

Dinsdag 19 september 1843 [Kopenhagen] De diamanten van Jenny Lind door de koning geschonken, haar mijn portret gestuurd, liedjes geschreven. ’s Avonds bij Nielsen waar 300 studenten haar een serenade brachten; ik houd van haar. ’s Nachts om half twee thuisgekomen, brief geschreven.

Woensdag 20 september 1843 [Kopenhagen] Op Toldboden om half vijf ’s ochtends Jenny vaarwel gezegd, haar een brief toegestopt, die ze moet begrijpen. Ik heb lief! [...]

Donderdag 21 september 1843 [Kopenhagen] In slecht humeur! – Gekweld.

Vrijdag 29 september 1843 [Kopenhagen] Jenny Lind geschreven. In het water.

Maandag 2 oktober 1843 [Kopenhagen] Melancholiek; besloten mijn gedichten te bundelen en op te dragen; erotische gedichten geschreven.

Dinsdag 3 oktober 1843 [Kopenhagen] Bij de Collins gegeten, slecht humeur; geldzorgen.

Zaterdag 7 oktober 1843 [Kopenhagen] Het sprookje ‘Het zwanenjong’ [Het lelijke jonge eendje] voltooid.

Dinsdag 10 oktober 1843 [Kopenhagen] Bij de Collins gegeten. Het sprookje De engel geschreven.

Woensdag 11 oktober 1843 [Kopenhagen] Naar Tivoli, avondje bij de familie Carstensen. Begonnen aan het Chinese sprookje [De nachtegaal].

Donderdag 12 oktober 1843 [Kopenhagen] Thuis gegeten. Visites; het Chinese sprookje voltooid.

dinsdag 12 september 2017

Mischa de Vreede -- 13 september 1983

• De Nederlandse schrijfster Mischa de Vreede (1936) hield in september 1983 een 'Hollands Dagboek' bij voor NRC Handelsblad. Ze doceerde toen Nederlands aan de universiteit van Ann Arbor, in Michigan.

Dinsdag [13 september]
Eindelijk weer eens een boek kunnen lezen en ongebreideld uit het raam kunnen kijken. Tien uur lang in trein op en neer naar Chicago, alwaar nuttig gesprek met heer Van Nispen, onze consul-generaal in Mid-West-Amerika, ongeveer zo groot als West-Europa, schat ik. Weet nu zo'n beetje wat er van mij verwacht wordt en waar ik terecht kan met vragen en voor behartiging van geldproblemen, want mezelf goed verkopen kan ik nu eenmaal niet. WVC en Michigan University betalen ieder helft van mijn loon. Moet trachten zowel de universiteit te behagen door in Residence te blijven, dus aanwezig zijn als docent, terwijl prof. Cowen mij als afgezant van zijn departement graag overal in het land laat spreken, desnoods voor niets. Delicate positie; ik zal wel zien wat er op mij afkomt, zo goed mogelijk doen waarvoor ik ben ingehuurd en intussen hoop ik ook voor mezelf te kunnen werken.
Heb me onderweg in knowledge voor rijexamen verdiept. Vind nog steeds treinen aardiger dan auto's. Ze vreten zich niet zo door het landschap heen, maar strijken erlangs en laten mij kijken. Lake Michigan zo groot als de zee en met schuimkopjes.

Woensdag [14 september]
Helder koud herfstweer, extra deken op bed. Op tv mijn favoriet Phil Donahue die zo leuk heen en weer loopt. Ditmaal over Depo-provera, prikpil, als sexual appetite oppressor voor verkrachters. Op campus mijn lesmateriaal voor morgen gexeroxed. Mag op 10 leerlingen rekenen. Om 4 uur met Cowen plus vrouw naar receptie van faculteit waar hij me aan de dean voor moet stellen. Precieuze hapjes, rare wijn, mooie ruimte, veel handen geven, veel namen niet verstaan, een paar aardige gezichten. Verkeer nog in stadium: onderzoek alles, behoud het goede, dus beschouw het niet als tijdverlies.
Thuis lange brief van zoon. Bewaar zijn cadeau, bandje van zijn zanggroep Tamam voor mijn verjaardag, de 17de.
Hoor mezelf terug in interview voor WUOM: het is net of daar een vreemde zit te praten en lacht.

Ernesto Che Guevara -- 12 september 1967

Ernesto Guevara (1928-1967) hield tijdens de laatste elf maanden van zijn leven een dagboek bij. Het is in het Nederlands gepubliceerd als Boliviaans dagboek (Vertaling: Tineke Hillegers-Zijlmans en Frieda Kleinjan-van Braam).

12.9.67
De dag is begonnen met een tragi-komisch voorval: precies om 6 uur, het tijdstip van het reveil, kwam Eustaquio me waarschuwen dat er mensen aankwamen, langs de bergstroom; appèl, te wapen, iedereen staat klaar; Antonio heeft ze gezien en als ik hem vraag met hoeveel ze zijn gebaart hij met zijn hand dat het er vijf zijn. Het bleek tenslotte een hallucinatie te zijn, gevaarlijk voor het moreel van de, troep want men begon meteen over psychose te praten. Ik ben daarna wat met Antonio gaan praten en hij is klaarblijkelijk niet normaal; hij begon te huilen maar hij zei dat hem niets dwars zat en hij legde uit dat het slechts gebrek aan slaap was, omdat hij al zes dagen corvee heeft sinds hij die keer op zijn post in slaap gevallen is en dat niet wilde toegeven. Chapaco heeft een bevel niet opgevolgd en is met 3 dagen corvee gestraft. Vanavond vroeg hij mij of hij naar de voorhoede overgeplaatst mocht worden, omdat hij niet met Antonio op kan schieten; ik heb het geweigerd. Inti, León en Eustaquio zijn de bergstroom wat grondiger gaan verkennen om te zien of die gebruikt kan worden om aan de andere kant van een grote bergketen te komen die men in de verte kan zien. Coco, Aniceto en Julio zijn stroomopwaarts getrokken om te proberen doorwaardbare plaatsen te ontdekken en te onderzoeken hoe de dieren meegenomen kunnen worden als we die richting ingaan.
Het aanbod van Barrientos heeft, zo lijkt het, een zekere sensatie verwekt; in elk geval is een journalist die het goed bedoelt van mening dat 4200 dollar weinig is voor het gevaar dat ik zou zijn. Radio Havana heeft bekendgemaakt dat de OLAS een adhesiebetuiging had ontvangen van het Nationaal Bevrijdingsleger van Bolivia; een wonder van telepathie!

zondag 10 september 2017

Miriam Wattenberg -- 11 september 1940

Miriam Wattenberg was een Joods meisje dat in 1940 in het ghetto in Warschau terechtkwam. Dankzij de Amerikaanse nationaliteit van haar moeder kon ze in 1944 naar de Verenigde Staten vertrekken, waarna ze haar naam veranderde in Mary Berg. Ze hield een dagboek bij van 1939-1944, dat na de oorlog gepubliceerd werd. Het fragnment gaat over een show waar ze aan deelnam, die bedoeld was om geld in te zamelen voor de Joodse vluchtelingen uit Lodz.

SEPTEMBER 11, 1940
Our first performance took place early this month at 5 Przejazd, in the Joint Distribution Committee office. Our success surpassed all expectations, and the receipts were considerable. We were immcdiately asked to give other performances, all of which were very successful. Our Lodz group is proud of making such a hit in Warsaw. Some of us are now quite famous with the Jewish population. Harry's voice fascinates all the girls, Stefan's witty introductions arouse stormy applause, and Olga is praised for her playing. As for myself, the most fantastic rumors are spread about me—this is Harry's work. People wonder whether it is really true that I know very little Polish and that I performed in America. At every show I have to repeat my first song, "Moonlight and Shadow," several times. The other members of our group are also very popular. We call ourselves the "Lodz Artistic Group," or, as it is abbreviated in Polish, the LZA. This is curiously symbolic: the word "lza" in Polish means "tear."
At about the same time as we organized our group, a few cafés were opened on the Aryan side, where famous Polish artists who refused to perform in the Nazi-controlled theaters serve simultaneously as artists and waiters.

zaterdag 9 september 2017

Salvador Dali -- 10 september 1956

• Niet gehinderd door valse bescheidenheid, zoals de wereld dat van hem gewend was, schetst de Spaanse schilder Salvador Dali (1904-1989) in de dagboekfragmenten in Mijn leven als genie (vertaling Gerrit Komrij) een zelfportret met surrealistische trekjes.

10 september 1956
Ik moet alles vertellen, zelfs wanneer het ongeloofwaardig is. Mijn persoonlijkheid sluit iedere mogelijkheid tot snoeverij of mystificatie uit, aangezien ik een mysticus ben, en aangezien mystiek en mystificatie formeel aan elkaar tegengesteld zijn door de wet van de communicerende vaten. Laatst op een morgen kwam een oude vriend van mijn vader, die wilde dat ik een oud schilderij van mij uit het bezit van zijn familie identificeerde, bij mij op bezoek. Ik zei hem dat dit schilderij authentiek was. Het verbaasde hem dat ik het zomaar voor authentiek kon verklaren, zonder het doek zelfs gezien te hebben. Maar voor mij was het voldoende dat ik hem had gezien. Hij drong er bij mij op aan me het doek, dat in de gang was blijven staan, te laten zien.
'Bekijk het eens... Ik heb het laten staan naast de opgezette beer.'
'Onmogelijk,' zei ik, 'Zijne Majesteit de Koning staat net achter de beer zijn zwembroek aan te trekken.'
Hetgeen volstrekt waar was.
'O,' antwoordde hij met een lichte vermaning in zijn stem, 'o, als u niet de grootste clown ter wereld zou zijn, dan zou u de grootste schilder worden!'

Margaretha Ferguson -- 9 september 1960

Margaretha Ferguson (1920-1992) was een Nederlandse 'Indische' schrijfster. Dagboeknotities van haar zijn gepubliceerd onder de titel Brief aan niemand.
• portret: Bep Rietveld

9 september 1960
De bijeenkomst met Tjalie Robinson, Hein Buitenweg, Rob Nieuwenhuys (Hein de aardigste van de drie). De oprichting van het tijdschrift Onon. Zal het gaan leven? Na borrels kwam het gesprek op Hella Haasse en Aya Zikken, werk en persoon. Vandaag dacht ik ineens, wat betrekken ze toch altijd ook het al of niet vrouwelijk-aantrekkelijke erbij. Heb geen flauw idee hoe ze mij eigenlijk vinden, noch als schrijfster, noch als vrouw. Ik denk dat ze een soort kameraadschappelijk geschiktheidsgevoel ten opzichte van mij hebben. Hetgeen voor deze werksituaties ook het beste is, wat mij betreft.
Gisteravond: Mary Kiehl en Dersjovitsj, het volkomen meeleven van Dersj bij wat ik voorlas, zijn kop die van een oude satyr en een gekweld mysticus tegelijk, bij de doodringende joodse muziek. Door naar Dersj te kijken beleefde ik het Einmalige in zijn absoluutheid. Dersj heeft Lodewijk van Deyssel nog gekend, was bevriend met Victor van Vriesland. Na de oorlog leeft hij volkomen teruggetrokken; fungeert als waker bij bouwwerken, maar drinkt zijn koffie in The House of Lords.

vrijdag 8 september 2017

Karen Geurtsen -- 8 september 2009

Karen Geurtsen (1983) is een Nederlands journaliste, die begin 2010 opzien baarde toen bekend werd dat ze undercover bij de PVV had gewerkt. Haar dagboek uit die periode is verschenen als Undercover bij de PVV.

DINSDAG 8 SEPTEMBER
Mijn vaste Tweede Kamer pas is klaar. Vanaf nu kan ik zelf in de PW-vleugel komen. Die vleugel is, anders dan die van de andere partijen, afgesloten voor iedereen, behalve de eigen fractie en eigen fractiemedewerkers. Mijn nieuwe pas heeft ook als voordeel dat ik niet meer door de detectiepoortjes bij de ingang van het Tweede Kamergebouw hoef. Ik kan dus in principe meenemen wat ik wil, besef ik verbaasd. Ook pistolen en bommen.
Op het secretariaat staan saucijzenbroodjes en kaasbroodjes voor ons klaar, omdat Wilders afgelopen zondag 46 is geworden. Zelf is hij er niet. Wéér niet. Ik heb hem tot dusver nog niet vaak gezien.
Terwijl we ons tegoed doen aan de broodjes, mokt Jolanda na over de weigering van het kabinet om te vertellen wat de kosten zijn van massa-immigratie. "Ik kreeg gelijk rillingen over mijn rug toen ik het hoorde! Dan zullen de cijfers wel heel negatief zijn"
Floor vertelt dat een verslaggever zaterdag bij een training van kandidaat-gemeenteraadsleden Ehsan Jami, in 2007 oprichter van het Centraal Comité voor Ex-moslims, heeft gespot, "Heel irritant. En die journalist had natuurlijk al een foto gemaakt voor we hem weg konden sturen." De Roon is bijna de hele dag weg voor vergaderingen. Als hij s middags even achter zijn computer zit, begint hij opeens hard te lachen. Zijn fractiegenoot Dion Graus heeft Kamervragen gesteld over een man die zijn drie katten op wrede wijze om het leven heeft gebracht. De dader is weggekomen met dertig uur taakstraf.
Raymond: "Wij opperden gekscherend tegenover Dion dat de dader geconfronteerd zou moeten worden met foto's van zijn slachtoffers. Nu zie ik dat Dion die eis ook echt in zijn Kamervragen heeft opgenomen, haha." Maar liefst negen P W-medewerkers hebben hem het kan-tenbericht over de dierenbeul toegestuurd; Floor was precies dertig seconden eerder dan Wilders, heeft Graus verklaard.
Toch had hij, toen ze de kwestie in de fractie bespraken, verbaasd gereageerd dat hij überhaupt Kamervragen over de kattenmoordenaar mocht stellen. De vorige keer kreeg hij in een soortgelijk geval geen steun van zijn collega's. "Het is alweer een tijdje geleden, dus nu kan het wel weer een keer" had Geert volgens De Roon geantwoord. Graus profileert zich in de pers als hardcore dierenliefhebber. Inmiddels weet ik dat PVVers, om de krant te halen, hun weerzin jegens of passie voor iets maar al te graag aandikken, maar Dion is écht verzot op dieren. De Tweede Kamer kampt met een muizenplaag; ik zie ze regelmatig langs de verwarmingsbuizen lopen en Evelien had laatst zelfs visite in haar bureaula. De facilitaire dienst van de Kamer probeert de beesten te verdelgen met doosjes gif. Bij de PW heeft dat evenwel geen enkele zin; Graus haalt alle gifdoosjes weg.
Ik maak nog een praatje met Peter. Hij vertelt dat hij blij is dat hij bij Brinkman zit, en niet bij De Roon. "Hero is een flapuit. Raymond staat er juist om bekend dat hij nooit wat leuks zegt. Hij is zo gesloten als een oester, vooral als het over fractieaangelegenheden gaat." Daar ben ik dan mooi klaar mee, denk ik.

WOENSDAG 9 SEPTEMBER
Op het toilet - de herentoiletten en het damestoilet zitten in één ruimte - tref ik Hero Brinkman, die druk bezig is met zijn haar. Hero is dol op spiegels, heeft Peter al eens gegrinnikt. Brinkman schrikt van mijn entree. "Hallo," zeg ik.
"Eh, hallo," stamelt hij en loopt dan snel naar buiten. De Roon vertelt over een boze burger die heeft gemaild dat de politie botweg heeft geweigerd zijn aangifte van mishandeling in behandeling te nemen. Gedecideerd: "Hier kunnen we verder niks mee, behalve de burger doorverwijzen of op de goede weg helpen."
Even later treft hij op een website iets aan over hooligans. "Hé, hiermee kunnen we in de krant komen!"

woensdag 6 september 2017

Søren Kierkegaard -- 7 september 1849

Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Dagboeken.

7 september 1849
Stel dat ik met haar getrouwd was. Laten we dit eens aannemen. Wat dan? Binnen een halfjaar, ja, zo niet eerder zou ze zichzelf totaal van streek hebben gemaakt. Ik heb – en dat heeft zowel zijn goede als zijn slechte kanten – iets spookachtigs over me, iets dat ervoor zorgt dat niemand die mij in het leven van alledag meemaakt en in een echte relatie tot mij staat, het met mij uit kan houden. Tja, in de lichte overjas waarin ik mij over 't algemeen vertoon, is dat wat anders. Maar thuis zal blijken dat ik in een geesteswereld leef. Ik ben een jaar met haar verloofd geweest, maar in feite kende ze me niet. – Ze zou er dus aan onderdoor gegaan zijn. Mij zou ze waarschijnlijk ook stuk gemaakt hebben, want ik heb haar gewicht fout getaxeerd, haar werkelijkheid was in zekere zin te licht. Ik was te zwaar voor haar, zij te licht voor mij, maar zowel het een als het ander kan heel gemakkelijk tot overbelasting leiden. Zo zou ik het niet tot iets gebracht hebben, of ik zou me misschien toch ontwikkeld hebben, maar zij zou me tot een last geworden zijn, omdat ik in zou zien dat ze volkomen misplaatst was als mijn vrouw. – Dan zou ze gestorven zijn. En dan zou alles voorbij zijn. Haar als mijn vrouw de geschiedenis mee innemen, nee, dat was echt niet mogelijk.

• Vanaf zijn eenentwintigste heeft de Deense schrijver-filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855) een dagboek bijgehouden. Deze notities zijn voor veel hedendaagse lezers toegankelijker dan zijn grote werken, en tonen vooral de oorspronkelijke denker en zonderling die hij was.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een dagboekfragment en een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

dinsdag 5 september 2017

Menno ter Braak -- 6 september 1939

Menno ter Braak (1902-1940) was een Nederlandse schrijver. Na de Duitse inval in Polen (1 september 1939) hield hij een maand lang een journaal bij.

6 Sept.
Belangrijke oorlogsberichten blijven tot dusverre uit, evenals de beroemde Blitzkrieg, waarmee men de Duitse burger heeft zoetgehouden. Ik weet niet, of men ooit aan de oorlog went, maar aan de gedachte, dat er ergens anders oorlog is, went men zeer snel. Alle organen zetten zich aan het werk om dat feit te verteren.

Gisteren enige bladen aan soldaten gebracht, die in een school ingekwartierd zijn. Ik bedacht, dat ik dit 25 jaar geleden ook gedaan had. Het was de twaalfjarige toen nog mogelijk, het voornaamste deel van de oorlogsobsessie over te dragen op de ouderen; hoofdprobleem was, ik herinner het mij zeer goed, of mijn vader al dan niet in dienst zou moeten als officier van gezondheid. Toen dat niet het geval was, was een deel van de oorlog al voorbij, en voor de rest: wij prikten vlaggetjes op een kaart en ik schreef een verhaal over de zaak. Zijn er nu mensen, die met vlaggetjes werken? Ik geloof, dat deze ‘aardigheid’, behalve bij vaklieden, weinig aanhangers meer heeft. Gemis aan hoera-patriotisme.

Iemand vertelde mij gisteren, dat hij de orthodoxe communist K. als een gebroken man had aangetroffen, na het Duits-Russisch verdrag. Maar met dat al hield hij stijf en strak vol, dat dit de geniaalste zet van Stalin was tegen de fascisten! Hij wilde zelfs vechten tegen Hitler. Ik ken deze K. zelf als een door en door eerlijk man. Van deze soort gelovigen waren er nog vele in de communistische partij. Voor hen begint thans de taak, om alles wat er aan Jezuïetisme in hen is te mobiliseren, ten einde in godsnaam (in marx' naam) maar te kunnen blijven geloven, wat zij altijd geloofd hebben. Zij zullen ‘twijfelen’, misschien voor het eerst, want tegen het argument, dat Stalin door zijn verdrag te sluiten de oorlog heeft mogelijk gemaakt, kunnen zij alleen met de wanhopigste ‘ptolemaeïsche’ redeneringen nog iets inbrengen. Hun haat tegen Chamberlain, ‘die het verdrag gesaboteerd heeft’, is een van die ‘ptolemaeïsche’ argumenten... en het is best mogelijk, dat deze ietwat vage figuur dat gedaan heeft; alleen komt daardoor de marxistische theorie van het Heilige Rusland nog niet weer op orde, en voor eerlijke mensen als K. zal daarom de innerlijke twijfel voortduren. Ik heb zelden iemand met een zo eerlijke en dogmatische schedel gezien als deze K.

maandag 4 september 2017

Samuel Pepys -- 5 september 1666

Samuel Pepys (1633–1703) was een Britse hoge ambtenaar, die vooral beroemd is geworden vanwege zijn dagboeken. Hieronder doet hij verslag van de laatste dag van de Grote brand van Londen, die duurde van 2-5 september 1666.

Wednesday 5 September 1666
I lay down in the office again upon W. Hewer’s, quilt, being mighty weary, and sore in my feet with going till I was hardly able to stand. About two in the morning my wife calls me up and tells me of new cryes of fire, it being come to Barkeing Church, which is the bottom of our lane. I up, and finding it so, resolved presently to take her away, and did, and took my gold, which was about 2350l., W. Hewer, and Jane, down by Proundy’s boat to Woolwich; but, Lord! what sad sight it was by moone-light to see, the whole City almost on fire, that you might see it plain at Woolwich, as if you were by it. There, when I come, I find the gates shut, but no guard kept at all, which troubled me, because of discourse now begun, that there is plot in it, and that the French had done it. I got the gates open, and to Mr. Shelden’s, where I locked up my gold, and charged, my wife and W. Hewer never to leave the room without one of them in it, night, or day. So back again, by the way seeing my goods well in the lighters at Deptford, and watched well by people. Home; and whereas I expected to have seen our house on fire, it being now about seven o’clock, it was not. But to the fyre, and there find greater hopes than I expected; for my confidence of finding our Office on fire was such, that I durst not ask any body how it was with us, till I come and saw it not burned. But going to the fire, I find by the blowing up of houses, and the great helpe given by the workmen out of the King’s yards, sent up by Sir W. Pen, there is a good stop given to it, as well as at Marke-lane end as ours; it having only burned the dyall of Barking Church, and part of the porch, and was there quenched. I up to the top of Barking steeple, and there saw the saddest sight of desolation that I ever saw; every where great fires, oyle-cellars, and brimstone, and other things burning. I became afeard to stay there long, and therefore down again as fast as I could, the fire being spread as far as I could see it; and to Sir W. Pen’s, and there eat a piece of cold meat, having eaten nothing since Sunday, but the remains of Sunday’s dinner. Here I met with Mr. Young and Whistler; and having removed all my things, and received good hopes that the fire at our end; is stopped, they and I walked into the town, and find Fanchurch-streete, Gracious-streete; and Lumbard-streete all in dust. The Exchange a sad sight, nothing standing there, of all the statues or pillars, but Sir Thomas Gresham’s picture in the corner. Walked into Moorefields (our feet ready to burn, walking through the towne among the hot coles), and find that full of people, and poor wretches carrying their good there, and every body keeping his goods together by themselves (and a great blessing it is to them that it is fair weathe for them to keep abroad night and day); drank there, and paid two-pence for a plain penny loaf. Thence homeward, having passed through Cheapside and Newgate Market, all burned, and seen Anthony Joyce’s House in fire. And took up (which I keep by me) a piece of glasse of Mercers’ Chappell in the streete, where much more was, so melted and buckled with the heat of the fire like parchment. I also did see a poor cat taken out of a hole in the chimney, joyning to the wall of the Exchange; with, the hair all burned off the body, and yet alive. So home at night, and find there good hopes of saving our office; but great endeavours of watching all night, and having men ready; and so we lodged them in the office, and had drink and bread and cheese for them. And I lay down and slept a good night about midnight, though when I rose I heard that there had been a great alarme of French and Dutch being risen, which proved, nothing. But it is a strange thing to see how long this time did look since Sunday, having been always full of variety of actions, and little sleep, that it looked like a week or more, and I had forgot, almost the day of the week.

zaterdag 2 september 2017

Samuel Pepys -- 4 september 1666

Samuel Pepys (1633–1703) was een Britse hoge ambtenaar, die vooral beroemd is geworden vanwege zijn dagboeken. Hieronder doet hij verslag van de derde dag van de Grote brand van Londen, die duurde van 2-5 september 1666.

Tuesday 4 September 1666
Up by break of day to get away the remainder of my things; which I did by a lighter at the Iron gate and my hands so few, that it was the afternoon before we could get them all away. Sir W. Pen and I to Tower- streete, and there met the fire burning three or four doors beyond Mr. Howell’s, whose goods, poor man, his trayes, and dishes, shovells, &c., were flung all along Tower-street in the kennels, and people working therewith from one end to the other; the fire coming on in that narrow streete, on both sides, with infinite fury. Sir W. Batten not knowing how to remove his wine, did dig a pit in the garden, and laid it in there; and I took the opportunity of laying all the papers of my office that I could not otherwise dispose of. And in the evening Sir W. Pen and I did dig another, and put our wine in it; and I my Parmazan cheese, as well as my wine and some other things. The Duke of Yorke was at the office this day, at Sir W. Pen’s; but I happened not to be within. This afternoon, sitting melancholy with Sir W. Pen in our garden, and thinking of the certain burning of this office, without extraordinary means, I did propose for the sending up of all our workmen from Woolwich and Deptford yards (none whereof yet appeared), and to write to Sir W. Coventry to have the Duke of Yorke’s permission to pull down houses, rather than lose this office, which would, much hinder, the King’s business. So Sir W. Pen he went down this night, in order to the sending them up to-morrow morning; and I wrote to Sir W. Coventry about the business, but received no answer.1 This night Mrs. Turner (who, poor woman, was removing her goods all this day, good goods into the garden, and knows not how to dispose of them), and her husband supped with my wife and I at night, in the office; upon a shoulder of mutton from the cook’s, without any napkin or any thing, in a sad manner, but were merry. Only now and then walking into the garden, and saw how horridly the sky looks, all on a fire in the night, was enough to put us out of our wits; and, indeed, it was extremely dreadful, for it looks just as if it was at us; and the whole heaven on fire. I after supper walked in the darke down to Tower-streete, and there saw it all on fire, at the Trinity House on that side, and the Dolphin Taverne on this side, which was very near us; and the fire with extraordinary vehemence. Now begins the practice of blowing up of houses in Tower-streete, those next the Tower, which at first did frighten people more than anything, but it stopped the fire where it was done, it bringing down the houses to the ground in the same places they stood, and then it was easy to quench what little fire was in it, though it kindled nothing almost. W. Hewer this day went to see how his mother did, and comes late home, telling us how he hath been forced to remove her to Islington, her house in Pye-corner being burned; so that the fire is got so far that way, and all the Old Bayly, and was running down to Fleete-streete; and Paul’s is burned, and all Cheapside. I wrote to my father this night, but the post-house being burned, the letter could not go.

Samuel Pepys -- 3 september 1666

Samuel Pepys (1633–1703) was een Britse hoge ambtenaar, die vooral beroemd is geworden vanwege zijn dagboeken. Hieronder doet hij verslag van de tweede dag van de Grote brand van Londen, die duurde van 2-5 september 1666.

Monday 3 September 1666
About four o’clock in the morning, my Lady Batten sent me a cart to carry away all my money, and plate, and best things, to Sir W. Rider’s at Bednall-greene. Which I did riding myself in my night-gowne in the cart; and, Lord! to see how the streets and the highways are crowded with people running and riding, and getting of carts at any rate to fetch away things. I find Sir W. Rider tired with being called up all night, and receiving things from several friends. His house full of goods, and much of Sir W. Batten’s and Sir W. Pen’s I am eased at my heart to have my treasure so well secured. Then home, with much ado to find a way, nor any sleep all this night to me nor my poor wife. But then and all this day she and I, and all my people labouring to get away the rest of our things, and did get Mr. Tooker to get me a lighter to take them in, and we did carry them (myself some) over Tower Hill, which was by this time full of people’s goods, bringing their goods thither; and down to the lighter,








which lay at next quay, above the Tower Docke. And here was my neighbour’s wife, Mrs. [Buckworth], with her pretty child, and some few of her things, which I did willingly give way to be saved with mine; but there was no passing with any thing through the postern, the crowd was so great. The Duke of Yorke of this day by the office, and spoke to us, and did ride with his guard up and down the City, to keep all quiet (he being now Generall, and having the care of all). This day, Mercer being not at home, but against her mistress’s order gone to her mother’s, and my wife going thither to speak with W. Hewer, met her there, and was angry; and her mother saying that she was not a ‘prentice girl, to ask leave every time she goes abroad, my wife with good reason was angry, and, when she came home, bid her be gone again. And so she went away, which troubled me, but yet less than it would, because of the condition we are in, fear of coming into in a little time of being less able to keepe one in her quality. At night lay down a little upon a quilt of W. Hewer’s in the office, all my owne things being packed up or gone; and after me my poor wife did the like, we having fed upon the remains of yesterday’s dinner, having no fire nor dishes, nor any opportunity of dressing any thing.

Samuel Pepys -- 2 september 1666

Samuel Pepys (1633–1703) was een Britse hoge ambtenaar, die vooral beroemd is geworden vanwege zijn dagboeken. Hieronder doet hij verslag van de eerste dag van de Grote brand van Londen, die duurde van 2-5 september 1666.

Sunday 2 September 1666
(Lord’s day). Some of our mayds sitting up late last night to get things ready against our feast to-day, Jane called us up about three in the morning, to tell us of a great fire they saw in the City. So I rose and slipped on my nightgowne, and went to her window, and thought it to be on the backside of Marke-lane at the farthest; but, being unused to such fires as followed, I thought it far enough off; and so went to bed again and to sleep. About seven rose again to dress myself, and there looked out at the window, and saw the fire not so much as it was and further off. So to my closett to set things to rights after yesterday’s cleaning. By and by Jane comes and tells me that she hears that above 300 houses have been burned down to-night by the fire we saw, and that it is now burning down all Fish-street, by London Bridge. So I made myself ready presently, and walked to the Tower, and there got up upon one of the high places, Sir J. Robinson’s little son going up with me; and there I did see the houses at that end of the bridge all on fire, and an infinite great fire on this and the other side the end of the bridge; which, among other people, did trouble me for poor little Michell and our Sarah on the bridge. So down, with my heart full of trouble, to the Lieutenant of the Tower, who tells me that it begun this morning in the King’s baker’s house in Pudding-lane, and that it hath burned St. Magnus’s Church and most part of Fish-street already. So I down to the water-side, and there got a boat and through bridge, and there saw a lamentable fire. Poor Michell’s house, as far as the Old Swan, already burned that way, and the fire running further, that in a very little time it got as far as the Steeleyard, while I was there. Everybody endeavouring to remove their goods, and flinging into the river or bringing them into lighters that layoff; poor people staying in their houses as long as till the very fire touched them, and then running into boats, or clambering from one pair of stairs by the water-side to another. And among other things, the poor pigeons, I perceive, were loth to leave their houses, but hovered about the windows and balconys till they were, some of them burned, their wings, and fell down. Having staid, and in an hour’s time seen the fire: rage every way, and nobody, to my sight, endeavouring to quench it, but to remove their goods, and leave all to the fire, and having seen it get as far as the Steele-yard, and the wind mighty high and driving it into the City; and every thing, after so long a drought, proving combustible, even the very stones of churches, and among other things the poor steeple by which pretty Mrs. [Horsley] lives, and whereof my old school-fellow Elborough is parson, taken fire in the very top, an there burned till it fell down: I to White Hall (with a gentleman with me who desired to go off from the Tower, to see the fire, in my boat); to White Hall, and there up to the Kings closett in the Chappell, where people come about me, and did give them an account dismayed them all, and word was carried in to the King. So I was called for, and did tell the King and Duke of Yorke what I saw, and that unless his Majesty did command houses to be pulled down nothing could stop the fire. They seemed much troubled, and the King commanded me to go to my Lord Mayor from him, and command him to spare no houses, but to pull down before the fire every way.








The Duke of York bid me tell him that if he would have any more soldiers he shall; and so did my Lord Arlington afterwards, as a great secret.1 Here meeting, with Captain Cocke, I in his coach, which he lent me, and Creed with me to Paul’s, and there walked along Watlingstreet, as well as I could, every creature coming away loaden with goods to save, and here and there sicke people carried away in beds. Extraordinary good goods carried in carts and on backs. At last met my Lord Mayor in Canningstreet, like a man spent, with a handkercher about his neck. To the King’s message he cried, like a fainting woman, “Lord! what can I do? I am spent: people will not obey me. I have been pulling down houses; but the fire overtakes us faster than we can do it.” That he needed no more soldiers; and that, for himself, he must go and refresh himself, having been up all night. So he left me, and I him, and walked home, seeing people all almost distracted, and no manner of means used to quench the fire. The houses, too, so very thick thereabouts, and full of matter for burning, as pitch and tarr, in Thames-street; and warehouses of oyle, and wines, and brandy, and other things. Here I saw Mr. Isaake Houblon, the handsome man, prettily dressed and dirty, at his door at Dowgate, receiving some of his brothers’ things, whose houses were on fire; and, as he says, have been removed twice already; and he doubts (as it soon proved) that they must be in a little time removed from his house also, which was a sad consideration. And to see the churches all filling with goods by people who themselves should have been quietly there at this time. By this time it was about twelve o’clock; and so home, and there find my guests, which was Mr. Wood and his wife Barbary Sheldon, and also Mr. Moons: she mighty fine, and her husband; for aught I see, a likely man. But Mr. Moone’s design and mine, which was to look over my closett and please him with the sight thereof, which he hath long desired, was wholly disappointed; for we were in great trouble and disturbance at this fire, not knowing what to think of it. However, we had an extraordinary good dinner, and as merry, as at this time we could be. While at dinner Mrs. Batelier come to enquire after Mr. Woolfe and Stanes (who, it seems, are related to them), whose houses in Fish-street are all burned; and they in a sad condition. She would not stay in the fright. Soon as dined, I and Moone away, and walked, through the City, the streets full of nothing but people and horses and carts loaden with goods, ready to run over one another, and, removing goods from one burned house to another. They now removing out of Canning-streets (which received goods in the morning) into Lumbard-streets, and further; and among others I now saw my little goldsmith, Stokes, receiving some friend’s goods, whose house itself was burned the day after. We parted at Paul’s; he home, and I to Paul’s Wharf, where I had appointed a boat to attend me, and took in Mr. Carcasse and his brother, whom I met in the streets and carried them below and above bridge to and again to see the fire, which was now got further, both below and above and no likelihood of stopping it. Met with the King and Duke of York in their barge, and with them to Queenhith and there called Sir Richard Browne to them. Their order was only to pull down houses apace, and so below bridge the water-side; but little was or could be done, the fire coming upon them so fast. Good hopes there was of stopping it at the Three Cranes above, and at Buttolph’s Wharf below bridge, if care be used; but the wind carries it into the City so as we know not by the water-side what it do there. River full of lighters and boats taking in goods, and good goods swimming in the water, and only I observed that hardly one lighter or boat in three that had the goods of a house in, but there was a pair of Virginalls in it. Having seen as much as I could now, I away to White Hall by appointment, and there walked to St. James’s Parks, and there met my wife and Creed and Wood and his wife, and walked to my boat; and there upon the water again, and to the fire up and down, it still encreasing, and the wind great. So near the fire as we could for smoke; and all over the Thames, with one’s face in the wind, you were almost burned with a shower of firedrops. This is very true; so as houses were burned by these drops and flakes of fire, three or four, nay, five or six houses, one from another. When we could endure no more upon the water; we to a little ale-house on the Bankside, over against the ‘Three Cranes, and there staid till it was dark almost, and saw the fire grow; and, as it grew darker, appeared more and more, and in corners and upon steeples, and between churches and houses, as far as we could see up the hill of the City, in a most horrid malicious bloody flame, not like the fine flame of an ordinary fire. Barbary and her husband away before us. so as we were forced to begin to pack up our owne goods; and prepare for their removal; and did by moonshine (it being brave dry, and moon: shine, and warm weather) carry much of my goods into the garden, and Mr. Hater and I did remove my money and iron chests into my cellar, as thinking that the safest place. And got my bags of gold into my office, ready to carry away, and my chief papers of accounts also there, and my tallys into a box by themselves. So great was our fear, as Sir W. Batten hath carts come out of the country to fetch away his goods this night. We did put Mr. Hater, poor man, to bed a little; but he got but very little rest, so much noise being in my house, taking down of goods.
We staid till, it being darkish, we saw the fire as only one entire arch of fire from this to the other side the bridge, and in a bow up the hill for an arch of above a mile long: it made me weep to see it. The churches, houses, and all on fire and flaming at once; and a horrid noise the flames made, and the cracking of houses at their ruins. So home with a sad heart, and there find every body discoursing and lamenting the fire; and poor Tom Hater come with some few of his goods saved out of his house, which is burned upon Fish-streets Hall. I invited him to lie at my house, and did receive his goods, but was deceived in his lying there, the newes coming every moment of the growth of the fire;

donderdag 31 augustus 2017

Thomas Mann -- 1 september 1939

Thomas Mann (1875-1955) was een Duitse schrijver. Hij hield zijn leven lang een dagboek bij. Gedeeltes daaruit zijn in het Nederlands vertaald in Dagboeken 1918-1939 (vertaling Hans Hom).

Vrijdag, 1 september 1939, Saltsjöbaden
Bombardement van Warschau en andere Poolse steden, Hitlers troepen marcheren Polen binnen. Bombardement van Danzig, inlijving van deze stad geproclameerd. Algehele mobilisatie van de westerse mogendheden. Chamberlain: 'Als de proclamatie van de heer H. betekent dat Duitsland Polen de oorlog verklaart -.' Statement van Molotov, zeer overtuigend. Hitler declareert de afzijdigheid van Italië. – Na net ontbijt wat geschreven, verstrooid, omdat ik meende dat ik in het stadhuis moest spreken. Lunch daar na een rondleiding door de burgemeester. Door dienstauto van de gemeente gehaald en teruggebracht. Onder de gasten Bert Brecht en vrouw. Raadskelder, persoonlijke toasts op een gelukkige wending uitgebracht. Op de terugweg aanschaf van een radio, waarop K. en E. helaas de 'rede' van Hitler voor zijn Rijksdag hoorden. Protest van een echtpaar in de kamer hierboven tegen de Hunnenstem. – Dat wij wegkomen van hier problematisch. Het interview van gisteren in alle kranten. De datum van ons vertrek onvoorzichtig genoeg genoemd.-Zeer moe en prikkelbaar. – Proeven gelezen.


2 september

woensdag 30 augustus 2017

Rienk Prins -- 31 augustus 1915

• Rienk Prins (1895-1984) was tijdens de Eerste Wereldoorlog soldaat, Hij hield over die periode een dagboek bij.

 Op den 31sten augustus 1915 had bij het baden een vreselijk ongeluk plaats. Daar we gezamenlijk met de hele compie in ’t bad waren, verdween plotseling iemand in een onbekend gat, en daar alle pogingen die we in ’t werk stelden hem te redden mislukten is hij jammerlijk verdronken. Een diepen indruk bracht dit voor een tijd onder de soldaten. Na een half uur in ’t water gelegen te hebben werd het lijk opgehaald door een sergeant van de 2de compie, na geen tien tellen onder water te zijn geweest, weer met de verdronkene onder de arm boven kwam met een vloek, daarna zeggende ’t is ook nog een werkje van niks. De persoon was afkomstig uit De Lemmer en is een paar dagen later naar Frieschland vervoerd om daar begraven te worden.

dinsdag 29 augustus 2017

Dietrich Bonnhoefer -- 30 augustus 1943

Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) was een vooraanstaand Duits kerkleider, theoloog, verzetsstrijder tegen het nazisme en schrijver van christelijke boeken. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij veel, vooral brieven, die zijn gebundeld in Verzet en overgave (vertaling L.W. Lagendijk). Hij werd in april 1945 ter dood gebracht.

[Augustus]
God wordt uit de wereld teruggedrongen en dat is de diskwalificatie [?] van de religie leven zonder God

Maar als het christendom] eens helemaal geen religie was? wereldlijke/niet-religieuze interpretatie van de christelijke begrippen. Christendom ontspringt uit de ontmoeting met een concrete mens: Jezus.

Ervaring van transcendentie

de beschaafden? Ineenstorting van de christelijke ethiek

Geen sociale ethiek

Het confessionele

'Ik geloof alleen wat ik zie'.

God - geen religieus begrip [?]

Terugkeer naar de Middeleeuwen

Onbewust christendom: de linkerhand weet niet wat de rechterhand doet. Mattheüs 25.

Weten niet wat te vragen.

Motto: Jezus sprak tot hem: 'Wat wilt gij dat ik doen zal?'

Alexander Herzen -- 29 augustus 1863

• De Russische filosoof en schrijver Alexander Herzen (1812-1870) verbleef een groot deel van zijn leven in West-Europa. Zijn leven beschreef hij in het monumentale werk Feiten en gedachten (vertaald door Charles B. Timmer).

Augustus 1863
In onze Novgorod-tijd placht Ogarjov vaak te zingen Cari luoghi, io vi ritrovai. – Oók ik zal ze weervinden en ik huiver voor dit weerzien. Ik zal dezelfde route nemen over de Esterel naar Nizza. Dat is de route die wij in 1847 hebben gevolgd, toen wij voor het eerst uit de Alpen naar Italië afdaalden. En langs diezelfde weg ben ik in 1851 naar Hyères gereden om naar sporen van mijn moeder en mijn zoon te zoeken – zonder iets te vinden.
De natuur die maar heel, heel langzaam ouder wordt, was dezelfde gebleven, het was de mens die veranderd was. En niet zonder grond. Toen ik de Maritieme Alpen voor het eerst over trok, had ik naar leven gezocht, naar genietingen... Enkele kleine wolken hadden wij achter ons gelaten, over ons geboorteland spande zich een treurig, blauw waas en voor ons uit was geen wolk te bekennen. Met mijn vijfendertig jaren voelde ik mij jong en ik leefde in een onbekommerd bewustzijn van mijn kracht.
De tweede maal was ik hier als verdoofd, als in een mist langs gereden op zoek naar lijken, naar een gezonken schip – en niet alleen achter mij joegen verschrikkelijke schaduwen voort, maar ook voor mij uit was alles duister.
En nu, deze derde keer – nu reis ik naar mijn kinderen., naar een graf – mijn wensen zijn bescheidener geworden: ik zoek wat soelaas voor mijn denken, een beetje harmonie in mijn omgeving, ik zoek rust, dit noli me tangere van vermoeidheid en ouderdom.

zondag 27 augustus 2017

Hanny Michaelis -- 28 augustus 1942

Hanny Michaelis (1922-2007) was een Joodse Nederlandse schrijfster. Haar oorlogsdagboek is onlangs in twee delen verschenen bij Van Oorschot (bezorgd door Nop Maas).

Maandag 24 augustus '42 [rood streepje]
Ik zal nooit een goede moeder worden, te oordelen naar de woede, die me overmant bij het horen hoe een kind vergeefse pogingen doet tot huilen. De langgerekte, snerpende uithalen roepen mijn kwaadaardigste instincten op: drift, wreedheid, moordlust...

Dinsdag 25 augustus '42
Charme en tegelijkertijd melancholie van het naderend afscheid: een omgeving, die men wekenlang heeft verafschuwd, wordt plotseling bijna dierbaar in het besef, dat men haar binnenkort moet ruilen tegen een (nog onbekende) andere.

Donderdag 27 augustus '42
Tijdens het doorbladeren van een fotoalbum van juffr. H., starend naar zelfvoldane degelijkheid en godsvrucht, doet het besef, dat de tijd waarin men zich een mensenleven in foto's ziet afspelen, niet zoveel korter is dan die waarin het zich wérkelijk afspeelt, me de tranen in de ogen springen.

Verder beklemt me de gedachte, dat ik hier maandag weer wegga (zozeer ik er ook naar heb gesnakt), omdat het me het gevoel geeft nog weer verder te worden afgedreven van de vertrouwde, eigen wereld die alleen nog in mijn herinnering bestaat.

Vrijdag 28 augustus '42
Vanavond een wandeling naar de Stuifheuvel gemaakt en er de volle maan zien opkomen. Ondanks het gezelschap van 2 mij onbekende en dus onbeminde dames (één wel een lief, iets minder burgerlijk Hongaars leraarsvrouwtje, tenger en donker en moeder van 3 kleine kinderen, die onophoudelijk het discours uitmaakten) en de hinderlijk schalkse toespelingen van juffr. H. op mijn poëtische aanleg (ze heeft me blijkbaar in een onbewaakt moment met een gedicht bezig gezien'), toch nog zo goed en kwaad als het ging genoten van het prachtige uitzicht: in de diepte een slapende miniatuurheidevlakte met heuveltjes en slechtverduisterde villa's, en donkere dennebossen langs de Oostelijke einder, - boven ons hoofd een oneindige, onmerkbaar donker wordende zomerhemel waaraan de sterren als speldeknoppen ontsprongen en de maan langzaam opklom als een oranje lampion. Hoewel er later nog een rumoerige troep jongelui bijkwam, was het toch mooier dan de vorige keer, onder een somberdreigende, grauwe avondhemel die te groots was voor het poppenlandschapje eronder.
Het liefst zou ik er alleen naartoe willen. Maar dat hoort tot de onmogelijkheden van dit bestaan.

zaterdag 26 augustus 2017

Anaïs Nin -- 27 augustus 1934

Anaïs Nin (1903-1977) was een Franse schrijfster, die vooral bekend is vanwege haar dagboeken. Dit fragment is afkomstig uit Incest (vertaling Aafke van der Made).  Rank = Otto Rank, haar psychiater, en Henry = Henry Miller, de schrijver. Ze had met allebei een verhouding.

27 AUGUSTUS 1934
Mijn leven zal altijd een tragedie zijn. Nu ben ik in Louveciennes met Henry, waar we boeken inpakken voor ons huis, plannen maken, onze manuscripten opbergen, en ondertussen denk ik steeds aan Rank, hunker naar zijn liefde, hoop dat Henry me niet zal begeren. Ik wil eigenlijk niet met Henry leven, toch heb ik dit leven zelf gemaakt. Tegenwoordig wil ik alléén wonen, omdat ik van te veel mannen houd.
Nu is het Henry die zich vastklampt, die jaloers is, maar krijgt hij niet waar zijn egoïsme om vraagt? Een halve liefde.

Dinsdag. Ben bij een arts geweest die ontdekte dat de sage-femme [vroedvrouw] niets bereikt heeft. Ik moet geopereerd worden, en het kind is zes maanden oud, en leeft en is normaal.* Het zal bijna een gewone bevalling worden. Ik was zo zwaar geworden, en ik voelde lichte schokjes in mijn baarmoeder. Ik kijk naar beneden en zie de ronde witte buik. Mijn borsten zijn vol melk, een melk die nog niet zoet is. Terwijl ik de heuvel oploop naar Rank denk ik aan het kind. Ik zou het aan Moeder kunnen geven, en dat zou een verlossing voor Joaquin kunnen zijn. Maar verder zou het alleen maar een blok aan het been zijn. Het hoort niet in mijn leven met Henry; het hoort niet bij Rank, die al een kind heeft en toch al overbelast is; het hoort niet bij Hugh omdat het niet zijn kind is en hem alleen ongelukkig zou maken. Het hoort nergens. Ik ben een minnares. Ik heb al te veel kinderen. Er zijn te veel mannen zonder hoop en vertrouwen in de wereld. Te veel werk te doen, te velen om te dienen en voor te zorgen. Ik heb al meer dan ik dragen kan. Ik probeer aan Hugh, aan Henry en aan Rank te geven.

Toen ik bij Rank kwam was hij treurig en somber. Er wordt druk op hem uitgeoefend om naar New York te gaan, veel geld geboden en een baan. Hij heeft schulden. Maar hij wil hier blijven. 'Hoe kan ik daar naar toe gaan en alleen maar werken, zonder te leven? Mijn leven is hier bij jou. Ik wil niet gaan. Ik heb nooit succes willen hebben. Nu minder dan ooit.'
Deze conflicten, die hij anderen helpt oplossen, moet hij alleen oplossen. Ik kan hem niet helpen. Het gaat niet om zes maanden of een jaar, maar om een onbeperkte tijd. Waarom ga ik niet met hem mee als assistente?
Ik zou hem overal volgen.
Ik weet dat ik met hem mee wil gaan. Ik houd van zijn treurigheid, zijn vasthoudendheid, zijn toewijding. We zouden New York samen aankunnen, samen werken. 'Als ik gelukkig in mijn leven kon zijn,' zei Rank.

* Een paar dagen later werd het kind geaborteerd.

G.H.C. Hart -- 26 augustus 1940

George Henry Charles Hart (1893-1943) was een hoge bestuursambtenaar. Tijdens het eerste oorlogsjaar (dat hij doorbracht in Londen) hield hij een dagboek bij.

Maandag 26 augustus 1940
Vannacht weer eenige airraids: verschillende - de meeste - menschen, welke ik sprak, zijn eenige uren in de shelters geweest: ze zullen m.i. daarmee vanzelf moeten ophouden, want dit wordt voor hen een cumulatief, opstapelend tekort aan slaap, dat zich zeker wreken zal.
[...] 's Avonds vertelde Welter mij in strikt vertrouwen, dat de Koningin erop is blijven staan, dat De Geer ontslag neemt, niet slechts als premier, doch ook als Minister van Financiën. Vanmiddag behandelde de Ministerraad deze zaak en besloot zijn portefeuilles ter beschikking van de Koningin te stellen: dat is aanstonds geschied. Wat nu?
Het besluit is m.i. niet juist: de Koningin moge het ontslag van De Geer op zeer onelegante wijze hebben behandeld, vaststaat, dat hij tegenover Haar ernstig en défaut is geweest en bovendien momenteel volstrekt ongeschikt is.

Dinsdag 27 augustus 1940
Vannacht bijna zeven uur lang airraid boven Londen, verreweg de langste dien wij nog gehad hebben.
Natuurlijk verspreiden de Duitschers fantastische berichten over hun successen in Engeland: wat zouden jullie ervan hooren en denken? Zouden jullie je ongerust maken? Of beluisteren en gelooven jullie de radio uit Londen?[...]

Middernacht
Wat ben ik blij, dat ik jullie portretten en je briefje van 14 Mei heb; elken avond lees ik het vóór je - even - glimlachende portret door, mijn Gioconda. God behoede jullie.

Woensdag 28 augustus 1940
De luchtaanvallen op Engeland nemen, naar het voorkomt, nog steedsin intensiviteit toe. Meestal is er overdag twee tot vier of vijfmaal luchtalarm: dan zijn het groote Duitsche formaties van honderd tot vier- of vijfhonderd, die de zee oversteken en dan op de kust en in het binnenland groote hoeveelheden brandbommen werpen. In het algemeen bereiken tot dusverre deze aanvallen Londen nog niet. Maar 's nachts is de situatie anders: sinds enkele dagen is er geregeld luchtalarm tusschen 9 en 9.30 namiddag en dat duurt dan uren voort. Gisternacht duurde het zelfs zes en een half uur.

Donderdag 29 augustus 1940
Aan Gerbrandy, Minister van Justitie, heeft de Koningin opdracht gegeven een nieuw kabinet samen te stellen, dat wel niet veel zal afwijken van het vorige: de heele crisis wordt - terecht - diep geheim gehouden en ook als er een nieuwe premier is, zal niet worden bekend gemaakt, dat de geheele ministerraad demissionnair is geweest. Lamping en ik zullen, buiten Beelaerts en Van Tets, wel de eenigen buiten het kabinet zijn, die van de zaak afweten. [...]

vrijdag 25 augustus 2017

Adriaan Morriën -- 25 augustus 1946

Adriaan Morriën (1912-2002) was een Nederlandse schrijver. In Ik heb nu weer de tijd zijn ook dagboeknotities van hem opgenomen.

25 augustus. Is er ooit een volk geweest dat zich een god van de lach heeft uitgedacht, of een samenleving die een standbeeld voor de humor heeft opgericht? En toch, als er iets is wat verheerlijkt en aanbeden moet worden, dan is het het vermogen om de mond en de geest te plooien, een kracht die ons zalig of alleen maar gezond en wel maakt, of ook in de zwartste wanhoop een straal van het helderste licht toelaat. Alle ontdekkingen en uitvindingen ter wereld wegen niet op tegen de glimlach waarmee de mens, nauwelijks geboren en nog onbewust van alles wat hem te wachten staat, zijn leven begint, en ik geef alle godsdienstige en wijsgerige stelsels cadeau voor een geestige opmerking op mijn sterfbed, waarmee ik de tranen van mijn vrouw en de angstige verlegenheid van mijn kind zou kunnen veranderen in een lach die zij zich nog zullen herinneren wanneer ik reeds lang dood zal zijn. Wij zouden werkelijk van een hel op aarde kunnen spreken, wanneer er in de ziekenhuizen, gevangenissen, huiskamers en concentratiekampen niet werd gelachen en wanneer voor een uitgehongerd lichaam de laatste boterham meer waarde bezat dan de glimlach, waaruit het enige blinkt wat in de mens onvernietigbaar is: een levenskracht even geheimzinnig als reëel. Er is veel gelachen in de geschiedenis der mensheid, anders hadden wij het nooit tot de twintigste eeuw volgehouden. Daarom wil ik geen kwaad horen van mensen die ons aan het lachen brengen, ook al is hun geestigheid misschien een beetje flauw. Ernst is altijd nog flauwer.