zondag 28 mei 2017

Dorothy Wordsworth -- 29 mei 1823

Dorothy Wordsworth (1771–1855) was een Engels dichteres en dagboekschrijfster, en de jongere zus van de dichter William Wordsworth. Haar dagboeken staan hier online.
• In 1823 maakten broer en zus een rondreis door België en Nederland.

Leyden, Thursday 29th. — Arose, and found that our commodious chamber looked upon pleasure-walks, which we at once determined must be the University garden, naturally giving to this place the sort of accommodations found in our own seats of learning, but no such luxury belongs to the students of Leyden. The ground with its plantations through which these walks are carried, and upon which the sun now so cheerfully shone, was formerly covered with buildings that were destroyed, together with the inhabitants, by an explosion which took place in a barge of gunpowder in 1806, then lying in the neighbouring canal....

There are no colleges, or separate dwellings, in Leyden, for the students; they are lodged with different families in the town. Our guide had three at his house from England, as he told us. A wandering sheep lying at the threshold, as we passed a good-looking house in the street; were told that this was a pensioner upon the public, that it would lie there till it was fed, and then would pass on to some other door. This animal had been brought up the pet of a soldier once quartered at Leyden, and when he changed his situation his favourite was sent into the fields, but preferring human society, it could not be confined amongst its fellows, but ever returned to the town, and, begging its daily food, it passed from door to door of those houses which its old master had frequented, obstinately keeping its station until an alms was bestowed—bread, vegetables, soup, nothing came wrong, and as soon as this was received, the patient mendicant walked quietly away.

Haarlem. — ... Reached Haarlem at five o'clock; went directly to the Cathedral, mounted the tower, an hour too early for the sunset; a splendid and interesting view beyond any we have seen. Looking eastward, the canal seen stretching through houses and among the trees, to the spires of Amsterdam in the distance. A little to the right, the Mere of Haarlem spotted with vessels, the river Spaaren winding among trees through the town; steeple towers of Utrecht beyond the Mere. The Boss, a fine wood and elegant mansion built by —— Hope, now a royal residence; new kirk, fine tower; the sea, and sand-hills beyond the flats glowing under a dazzling western sky. The winding Spaaren again among green fields brings the eye round to the Amsterdam canal, up which we shall glide....

Robert Graves -- 28 mei 1915

• De Britse schrijver Robert Graves (1895-1985) was soldaat in WO 1. In Dat hebben we gehad (vertaald door Guido Golüke) zijn ook een aantal dagboekfragmenten van hem uit die periode opgenomen.

28 mei. In de loopgraven tussen de steenhopen van Cuinchy. Niet bepaald mijn soort loopgraven. Er is hier in de buurt veel gevochten. De loopgraven hebben min of meer zichzelf aangelegd in plaats van te zijn aangelegd, en lopen zonder vast patroon tussen de grote, tien meter hoge stapels bakstenen door; heel verwarrend. De borstwering van een loopgraaf die we niet gebruiken is gemaakt van munitiekisten en lijken. Alles is hier vochtig en stinkt. De Duitsers zitten heel dichtbij: zij bezetten de ene helft van de steenhopen, wij de andere. Aan beide kanten wordt vanaf de steenhopen door scherpschutters op de linies geschoten. Het is ook ideaal terrein voor de Duitse geweergranaten en loopgraafmortieren. We kunnen het vuur niet behoorlijk beantwoorden; we hebben slechts een magere voorraad geweergranaten, en niets dat gelijkwaardig is aan de worstvormige Duitse mortiergranaten. Vanmorgen tegen het ontbijt, toen ik net uit mijn schuilkelder kwam, sloeg er nog geen twee meter van me af een geweergranaat in. Hij kwam om de een of andere reden niet op zijn kop terecht om vervolgens te exploderen, maar belandde op zijn steel in de natte klei en bleef me vandaar staan aankijken. Je kunt ze haast niet zien aankomen; ze worden vanaf een geweer, dat met de kolf op de grond schuin omhoog is gericht, afgeschoten en gaan een heel eind de lucht in voor ze omkantelen en met de kop omlaag neerkomen. Ik begrijp niet waarom deze geweergranaat zo neerkwam; de kans dat zoiets gebeurt is vrijwel nihil.

De 'worsten' kun je gemakkelijk zien aankomen en ontwijken, maar ze maken een verschrikkelijk kabaal als ze inslaan. Vandaag zijn zo'n tien mensen van onze compagnie er het slachtoffer van geworden. Ik merk dat ik buitengewoon snel op gevaar reageer; maar zo wordt iedereen hier. We kunnen alle verschillende explosies van elkaar onderscheiden en verwaarlozen alles wat niet rechtstreeks tegen ons is gericht - zoals het artillerieduel, mitrailleursalvo's op de compagnie naast ons, lukraak geweervuur. Maar we herkennen ogenblikkelijk het zwakke plop! van het mortier dat een worst afschiet, of het gedempte geluid waarmee een geweergranaat wordt afgeschoten. De mannen zijn erg bang, maar ze maken voortdurend grapjes. De compagniessergeant-majoor staat achter steenhoop Nummer Elf en schiet met een geweer op overkomende worsten, om te proberen ze in de lucht te laten ontploffen. Hij zegt dat het leuker is dan kleiduiven schieten. Hij heeft er nog geen een geraakt.

Gisteravond vloog er een hoop Duitse rommel in het rond, waaronder artilleriegranaten, ik hoorde een granaat op me afgieren en ging plat. Hij explodeerde vlak achter de loopgraaf waar 'Petticoat Lane' uitkomt op 'Lowndes Square'. Mijn oren gonsden alsof er muggen in zaten, en alles baadde in een helrode gloed. Ik had mijn schouder bezeerd toen ik me liet vallen en ik dacht dat ik geraakt was, maar dat was niet het geval. De trillingen deden mijn borst ook op een eigenaardige manier zoemen, en ik was mijn gevoel voor evenwicht kwijt. Ik schaamde me toen de sergeant-majoor door de loopgraaf kwam aanlopen en me op handen en knieën aantrof, nog steeds niet in staat om overeind te komen.

Op de schietplaats ligt een lijk te wachten om vanavond naar de begraafplaats te worden afgevoerd: een man van de sanitaire ploeg, gisterennacht gedood toen hij op het open terrein tussen onze fronten ondersteuningslinie bezig was latrineafval te begraven. Zijn ene arm stak stijf opzij toen ze hem binnenbrachten en op de schietplaats legden; hij stak dwars de loopgraaf in. Zijn kameraden maken grappen als ze hem uit de weg duwen om erlangs te kunnen. 'Aan de kant, ouwe rotzak! Is die verrekte loopgraaf soms van jou ?' Of ze geven hem vertrouwelijk een hand. 'Blijf rustig liggen, maat.' Het zijn natuurlijk mijnwerkers, vertrouwd met de dood. Ze hebben heel beperkte morele normen, maar daar houden ze zich dan ook aan. Het is bijvoorbeeld moreel geoorloofd om iedereen van wat dan ook te beroven, behalve mensen van het eigen peloton. Ze behandelen iedere vreemde als een vijand tot hij bewijst hun vriend te zijn, en dan zullen ze alles voor hem doen. Ze zijn geil, de jonge soldaten in elk geval, maar zonder de valse schaamte van de Engelse geilaard. Ik moest een paar dagen geleden een brief van een korporaal aan zijn vrouw censureren. Hij zei dat de Franse meisjes fijn waren om mee te slapen, zodat ze zich geen zorgen over hem moest maken, maar dat hij veel liever met haar sliep en haar erg miste.

Irene Mokka -- 27 mei 1952

Irene Mokka (1915 -1973) was een Roemeense schrijfster die in het Duits schreef. Haar Tagebuch 1948-1973 is te lezen bij Google Books.

27.5.1952
Ich bin verdrießlich. Ich komme aus der Sitzung der Schriftsteller. Das bedrückt mich immer. Ich kann so nicht denken, wie dort gedacht wird. Ich habe überhaupt nie dran gedacht. dass das Leben so aussieht. Warum habe ich nicht mehr meinen ungehemmten Glauben an das Leben? Ich kann nicht mehr denken wie ehedem. Überall dämmt mich etwas ein. Nicht, dass ich an Träumerei und verliebte Sentimentalität dachte. Ich kann nicht mehr schreitben. was aus mir quillt. Das Fieber des Gedrucktwerdens hat mich ergriffen. Und was zum Drucken nicht in Frage kommt aus diesen verschiedenen politischen Gründen (weil es nicht gerade eine Reklame der neuen Zeit hinausposaunt), das scheint mir so zwecklos. Auf diese Art aber “berühmt” zu werden (ach, das überhebliche Wort), ist es nicht hässlich und niedrig? Und doch treibt es mich wie ein Dämon dazu. Ich kann etwas, und wenn es gleich sehr wenig ist, und will es herausgeben. Wie töricht von mir. Wie viel habe ich verloren. Wenn ich meine lieben Bücher lese: Weinheber. Barthel, Hamsun, werde ich so verzagt und schäme mich. Wie schön ist es doch, wenn man jung ist und überheblich. Wenn man daran glaubt. etwas Großes zu werden. Jetzt ist man bescheidener und genügsam. Wenn auch der bittere Stachel noch oft sticht, dass man nicht genug mitbekommen hat. Ich könnte mich in Verzweiflung hineinreden. aber ich habe das Feuer dazu nicht mehr. Und ich muss darüber lächeln. Es ist nicht gut, zu wissen, wie wenig man weiß.

donderdag 25 mei 2017

Dorothy Wordsworth -- 26 mei 1823

Dorothy Wordsworth (1771–1855) was een Engels dichteres en dagboekschrijfster, en de jongere zus van de dichter William Wordsworth. Haar dagboeken staan hier online.
• In 1823 maakten broer en zus een rondreis door België en Nederland.

Rotterdam.— Walked to the "Plantation," a sort of humble Vauxhall. About sunset, seated upon the banks of the Meuse; sails gliding down, white and red; the dark tower of the Cathedral; a glowing line of western sky, with twelve windmills as grand as castles, most of them at rest, but the arms of some languidly in motion, crimsoned by the setting sun. A file of grey clouds run southward from the Cathedral tower. The birds, which were faintly warbling in the pleasure-ground behind us when we sate down, have now ceased. Three very slender spires, one of which we know to be the Hôtel de Ville, denote, together with the Cathedral tower, the neighbourhood of a large town.
Tuesday 27th.— ... Left Rotterdam at ten o'clock. As we crossed the bridge, the fine statue of Erasmus, rising silently, with eyes fixed upon his book, above the noisy crowd gathered round the booths and vehicles, which upon the market-day beset him, and backed by buildings and trees, intermingled with the fluttering pennons from vessels unloading their several cargoes into the warehouses, produced a curious and very striking contrast.... The stately stream down which we floated took us to the royal town of the Hague. Arriving there at five o'clock, we immediately walked to the wood, in which stands the Palace; charming promenades, pools of water, swans, stately trees, birds warbling, military music—the Brae Bells; the streets similar to those at Delf; screens of trees, sometimes on one side, but generally on both sides of the canal; bridges at convenient distances across.... Looked with interest upon the ground where the De Wits were massacred, to which we were conducted by a funny old man, of whom we purchased a box. The spot is a narrow space, passing from one square to another, if I recollect right, near to the public building, whence the brothers had been dragged by the infuriated rabble. Horse-chestnut trees in flower everywhere.

Theodor Fontane -- 25 mei 1884

Theodor Fontane (1819-1898) was een Duitse schrijver. Hij hield enige tientallen jaren een dagboek bij, waarin hij vaak hele periodes tegelijk beschreef.

Vom 12. bis 26. Mai, runde 14 Tage, blieb ich in Hankels Ablage und schrieb acht Kapitel zu meiner Novelle, Irrungen und Wirrungen, wodurch ich dieselbe im ersten Entwurf zum Abschluß brachte. Drei Tage von den 14 Tagen war ich wieder in Berlin, Fraülein Pauline Ulrichs Gastspiel halber, die als Pompadour im 'Narziß' uns als Gräfin Orsina auftrat. - Der Aufenthalt im Restaurant Kaeppel war außerordentlich angenehm, hübscher fast als irgendein Sommeraufenthalt, den ich bis jetzt genommen habe: Wasser, Wald, freundliche Leute, ausreichende Verpflegung und billig.

dinsdag 23 mei 2017

Elfriede Kuhr -- 24 mei 1915

Elfriede Kuhr (1902-1989) was een Duits meisje dat in de Eerste Wereldoorlog een dagboek bijhield, dat met andere dagboeken van jongeren de basis vormde voor een tv-docudrama.

24 mei 1915
Er is een nieuw, verschrikkelijk oorlogswapen: gifgas! Het is in de bloedige gevechten bij het IJzer-Ieperkanaal aan het westelijk front gebruikt. De soldaten dragen nu bij de gevechten zogeheten ‘gasmaskers’, dat zijn slurfvormige, lelijke, grauwgroene maskers met grote glazen vensters voor de ogen en zuurstoftoevoer om te kunnen ademen. Als aan het front gifgasalarm wordt gegeven, halen de soldaten de maskers meteen van hun koppel en duwen ze over hun gezicht. Maar vaak komt de waarschuwing te laat; het gas is al door de loopgraven gestroomd. De soldaten zijn banger voor de gasoorlog dan voor schrapnels, granaten, machinegeweren en dumdumkogels. In plaats van dat er vrede komt, wordt de oorlog steeds erger. Het eind is nog niet in zicht.

zondag 21 mei 2017

John Steinbeck -- 23 mei 1951

John Steinbeck (1902-1968) was een Amerikaanse schrijver. Op 13 februari 1951 begon hij te schrijven aan het beroemde East of Eden; hij hield een soort dagboek (Journal of Novel) bij tijdens het schrijven van dit boek.

May 23, Wednesday
The joyful thought came to me this morning that you may be getting god dam sick of this endless soapbox and there is not a thing in the world you can do about it. You are sunk. The one thing you can do is not to read it and I think you are too curious for that so I have you and I can be as dull as I wish. Ho! Ho! You will have noticed that this section is pretty beat up. It happened this way. Last night I took the day's work to bed to read to Elaine and I spilled a glass of water on it. So I dried it off and I am going to use it. The last half of 123 is a little rocky but it is better than breaking the sequence. Now — I have sketched in the background history of the Valley in the 1900s. With so much to be written sometimes it is difficult to know where to put what. The matter of arrangement can be very important indeed. But I thought about it a good deal last night when I didn't sleep much and I think I know what comes next. And it must be extremely well done and again underwritten. Summer being comen in and this morning I brought up my air conditioner and when I finish work today I will build the bracket to hold it and tomorrow morning I will mount it and then I will be fixed for the summer. Now — I guess that is about enough. I think you will be delighted over the episode of the naming of the twins. I am. Now I'll let you know and let you go.

zaterdag 20 mei 2017

August Willemsen -- 22 mei 1961

August Willemsen (1936-2007) was een Nederlandse vertaler en schrijver. Dagboeknotities van hem zijn verschenen in Vrienden, vreemden, vrouwen.

22 mei
Onvoorstelbaar: vorig jaar, een halfjaar lang, heb ik vrijwel elk moment dat ik wilde kunnen slapen met een mooie, lieve vrouw. Hoe onbereikbaar is dat nu. Maar, nog onvoorstelbaarder: die onbereikbaarheid is wat ik wil, nu, op dit moment.
Mijn angst voor verplichtingen is beslist panisch. Bijvoorbeeld: sinds de cocktailparty op de zaak, ca. 6 weken terug, denk ik er voortdurend aan met Astrid uit te gaan. Maar als ik dat doe, heb ik een soort verantwoordelijkheid voor het welslagen van de avond. En daar ben ik niet zeker van, want ik ken haar niet. Ik kan haar reactie op bepaalde dingen niet voorzien. Ik kan mijn eigen reactie niet eens voorzien.
Het overkomt me ook dat mensen die ik ken, of denk te kennen, opeens iets zeggen waardoor ze in één keer een vreemde worden. Dan denk ik: hoe hebben we ooit met elkaar kunnen omgaan? Hoe heeft ie dat kunnen zeggen? Ik begrijp eigenlijk niks van 'm.
Maar vaak, wanneer ik dat denk, denk ik in de ogen de ander te zien dat die precies hetzelfde van mij denkt.
Gezien dit alles is het een wonder dat er, zoals ik heb kunnen vaststellen, nog mensen zijn die aan me denken. Vorige week kwam Marian tussen de middag langs bij J. W.T., en zojuist belde ze op met de vraag of ik vrijdag a.s. bij haar kom eten, met Hansje en Jan.

James Woodforde -- 21 mei 1778

James Woodforde (1740-1803) was dominee in het dorp Weston Longville in het Engelse Norfolk. Hij hield 44 jaar een dagboek bij; gedeeltes daaruit zijn gepubliceerd als The Diary of a Country Parson 1758 – 1802. Op 17 oktober 1802 schreef hij voor het laatst in zijn dagboek.

May 21. We all breakfasted, dined and slept again at Weston. I walked up to the White Hart with Mr. Lewis and Bill to see a famous Woman in Men's Cloaths, by name Hannah Snell, who was 21 years as a common soldier in the Army, and not discovered by any as a woman. Cousin Lewis has mounted guard with her abroad. She went in the Army by the name of John Gray. She has a Pension from the Crown now of 18.5.0 per annum and the liberty of wearing Men's Cloaths and also a Cockade in her Hat, which she still wears. She has laid in a room with 70 Soldiers and not discovered by any of them. The forefinger of her right hand was cut by a Sword at the taking of Pondicherry. She is now about 60 yrs of age and talks very sensible and well, and travels the country with a Basket at her back, selling Buttons, Garters, laces etc. I took 4 Pr of 4d Buttons and gave her o.2.6. At 10 o'clock we all went down to the River with our Nets a-fishing. .. At Lenswade Bridge we caught a Prodigious fine Pike which weighed 8 Pound and half and it had in his Belly another Pike, of above a Pound. We caught also there the finest Trout I ever saw which weighed 3 Pound and two ounces. Good Pike and Trout we also caught besides.

Emma Thompson -- 20 mei 1995

Emma Thompson (1959) is een Britse actrice. In 1995 hield ze een dagboek bij tijdens de opnames van Sense and Sensibility, een film naar het boek van Jane Austen, van regisseur Ang Lee.

Saturday 20 May: Cannes. Get on plane 9 a.m. -apparently it belongs to Chris de Burgh. My spot has made a third appearance and practically has features of its own. I try to improve my appearance and just end up getting a quantity of mascara in my hair. Press ahead.
7 p.m. Cannes rather quiet. They have less money from the govern-ment this year, Fm told. Pamela Anderson causing great excitement in black leather get-up. Went for a walk despite earnest pleas from the publicity folk not to: 'You'll be bothered by photographers and public,' they intone. Trotted off down the Croisette and no one took a blind bit of notice except one young person who clutched her companion and tossed, 'Is that Sharon Stone?' I was thrilled until I realised she was referrmg to the woman behind me (who didn't look like Sharon Stone either). Charming journos all day. Foreign.

donderdag 18 mei 2017

Julien Green -- 18 mei 1968

Julien Green (1900-1998) was een Amerikaans-Franse, religieus ingestelde schrijver. Fragmenten uit zijn dagboeken zijn door Greetje van den Bergh vertaald als Journaal 1946-1976.

• In mei 1968 brak in Parijs een studentenoproer uit, dat zich ontwikkelde tot een algemene staking in heel Frankrijk.

18 mei
De sfeer in Parijs was dreigend, de afgelopen dagen. Stakingen, demonstraties enzovoort. Het Odéon door de studenten bezet. De directeur van het theater zou onverwachte verklaringen hebben afgelegd, die naar verluidt met een donderend, ironisch gejuich werden ontvangen. Kostuums van spelers zijn verbrand, archieven vernield.
Terneergeslagen door het nieuws liep ik vrijdagochtend, omdat het schrijven toch niet wilde lukken, Saint-Thomas d’Aquin binnen. In de buurt van het altaar stond de pastoor van deze kerk naast een negerjongetje dat hardop de zaligsprekingen uit de Bergrede las en op een charmante manier struikelde over ‘barmhartigen’: ‘Zalig de bramhartigen.’ ‘B-a-r-m-hartigen,’ verbeterde de priester. Ik ben tot het eind toe blijven luisteren naar dat zuivere stemmetje dat deze onmetelijke dingen zei, en mijn hart kromp ineen van droefheid bij de gedachte aan wat er in de stad gebeurde, in deze stad die zich zo weinig aantrekt van het evangelie van Christus.

woensdag 17 mei 2017

Sergej Diaghilev -- 18 mei 1903

Sergej Pavlovitsj Diaghilev (1872–1929) was een Russische impresario. Op deze website zijn een aantal dagboekfragmenten van hem te vinden.
• Portret: Valentin Serov

(18 mei 1908) We were all in a state of fever. I was staying at the Hôtel de Hollande, which no longer exists, in the Rue de la Paix. We all went late to bed. In the early hours I heard a knock at my door.
"Who is it?"
"It is I, Chaliapine. Can I come in?"
"What's the matter, Feodor Ivanovitch?"
"Is there a settee in your room? I can't bear to be alone."
So that giant spent the night in my room, sleeping fitfully, curled up on a tiny sofa.

dinsdag 16 mei 2017

Søren Kierkegaard -- 17 mei 1843

Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Dagboeken.

17 mei
Als ik het geloof had gehad, zou ik bij Regine gebleven zijn. God zij geloofd, dat zie ik nu in. Ik ben er na aan toe geweest in die dagen mijn verstand te verliezen. Menselijk gesproken ben ik rechtvaardig tegenover haar geweest, ik had mij misschien nooit moeten verloven, maar vanaf dat moment heb ik haar eerlijk behandeld. In esthetisch en ridderlijk opzicht heb ik veel meer van haar gehouden dan zij van mij, anders zou ze niet zo hooghartig tegen me gedaan hebben, noch me later angst aangejaagd met haar kreten van wanhoop. Ik ben toen begonnen aan een verhaal, getiteld: 'Schuldig—Niet Schuldig', waarin natuurlijk dingen zouden komen te staan die de wereld zouden doen verbazen; want ik beleef in deze anderhalf jaar meer poëzie dan in alle romans bij elkaar; maar ik kan en wil dit niet, mijn verhouding met haar zal niet in poëzie vervluchtigen; die bezit een heel andere realiteit. Ze is geen theaterprinses** geworden, daarom zou ze, indien mogelijk, mijn vrouw worden. God weet dat dit mijn enige wens was en toch moest ik daar afstand van doen. En daarin had ik menselijk gesproken volkomen gelijk. Ik heb tegenover haar zeer nobel gehandeld door haar mijn verdriet niet te laten bevroeden. Ik ben, puur esthetisch gesproken, een groot mens geweest, ik mag mezelf de lof toezwaaien dat ik gedaan heb wat maar weinigen in mijn plaats gedaan zouden hebben; want als ik niet zozeer aan haar welzijn had gedacht, had ik haar immers kunnen nemen toen ze er zelf om vroeg (wat ze natuurlijk nooit had moeten doen, dat was een verkeerd wapen) en toen haar vader erom vroeg: ik had haar een weldaad kunnen bewijzen en mijn eigen wens kunnen vervullen en als ze er dan ooit genoeg van gekregen had, had ik haar met de opmerking kunnen tuchtigen dat ze het zelf gewild had. Dit heb ik niet gedaan. God zij mijn getuige dat ik geen andere wens had, God zij mijn getuige dat ik over mezelf gewaakt heb, opdat ik niet door te vergeten de herinnering aan haar uit zou wissen; ik geloof niet dat ik sindsdien met een jong meisje gesproken heb. Ik heb gedacht dat iedere lummel die verloofd was in mij een onvolkomen wezen zag, een schurk; ik heb mijn tijd een dienst bewezen; want in waarheid was het waarschijnlijk [hier is een bladzijde uit het dagboek gescheurd.]


** [In de marge] Wie zou ooit gedacht hebben dat zo'n jong meisje er zulke ideeën op na kon houden. Het was dan ook een heel onrijp en ijdel idee, zoals de toekomst uitgewezen heeft; want als er werkelijk aanleg aanwezig was geweest, had de manier waarop ik de verloving verbroken had meer dan voldoende moeten zijn. Dan zou er sprake geweest zijn van de nodige elasticiteit. Maar zo was mijn meisje nu eenmaal, koket, een en al trots en overmoed, dan weer laf.

maandag 15 mei 2017

Hans van Straten -- 16 mei 1969

• De omgevallen boekenkast van journalist, schrijver en boekenliefhebber Hans van Straten (1923-2004) is een verzameling gevarieerde anekdoten, herinneringen, droomverslagen, dagboekfragmenten en aforismen, die vrijwel allemaal op de een of andere manier over boeken en schrijvers gaan.

16 mei 1969
De Amsterdamse studenten hebben het Maagdenhuis bezet. Als ik daarbij had kunnen zijn! Marsman klaagde dat hij eeuwen en eeuwen te laat was geboren, ik ben het precies twintig jaar te vroeg.

Ik ben verzot op anekdoten, dat blijkt afdoende uit dit schriftuur, maar er is een bepaald soort verhalen waarvoor je een beetje moet oppassen. Dat zijn oude anekdoten over leden van het koninklijk huis. Het aantal apocriefen moet wellicht bij gebrek aan werkelijk interessant materiaal aanzienlijk zijn.
Voorbeeld. Toen de Boerenoorlog voor de Boeren een ongunstige wending nam, stuurde de nauwelijks twintigjarige koningin Wilhelmina een kruiser om de grijze president Paul Kruger in veiligheid te brengen. Stel u voor, het moment waarop Oom Paul door de jeugdige vorstin werd ontvangen! De oude man wist echt niet hoe hij zich moest houden. Uit ontroering of uit onwetendheid, wie zal het zeggen, nam hij zelfs een slok uit zijn vingerkommetje. En hoe hartelijk, hoe onbevangen reageerde daarop onze koningin! Zij nipte ook maar even aan haar kommetje.
Een allerliefst verhaal, maar in Engeland vertelt men dezelfde historie met in de hoofdrollen koningin Victoria en een van haar hoge onderdanen uit de Commonwealth, en in Amerika was het een president die een Indiaans opperhoofd ontving.
Voorbeeld 2. Prins Hendrik zat eens aan bij een diner waar een lakei zich over zijn schouder boog en fluisterde: "Wollen Sie Gruyère-Kase?" Waarop hij gezegd zou hebben: "Wo ist das Luder?"
Ik wéét het niet, die kale Mecklenburger was er misschien niet te goed voor, maar anderzijds ook weer niet spiritueel genoeg. Waarmee ik niet wil zeggen dat dit geen aardige verhalen zijn om een dood punt in de conversatie mee te overwinnen.

Ook een vorm van onsterfelijkheid: acht jaar nadat wij Nescio hebben begraven, vermeldt de telefoongids van Amsterdam nog altijd J. H. F. Grönloh, Linnaeushof 57, 50522.

zondag 14 mei 2017

J.J. Peereboom -- 15 mei 1972

J.J. Peereboom (1924-2010) was schrijver en journalist. Dagboeknotities van zijn hand verschenen in onder meer Ik ben niets veranderd.

Mei 1972. [...] Een jaar geleden, hoor ik, is een jongen met wie ik op de lagere school bevriend was gestorven. Toen ik hem opbelde na de zomervakantie van het jaar waarin wij toelatingsexamens hadden gedaan voor verschillende scholen, toonde hij geen belangstelling meer: 'Ik heb nu allemaal andere vriendjes.' Ik herinner mij dat mijn vader en moeder onderzoekend opkeken toen ik de telefoon neerlegde, niet wat er gezegd werd. Wij passeerden elkaar nog wel eens, in Haarlem, maar groeten werden er niet meer gewisseld. Ik denk dat wij al in de twintig waren toen ik hem tegenkwam dicht bij zijn ouderlijk huis en hij mij staande hield: 'Het spijt mij dat ik je vroeger zo vervelend behandeld heb.' Ik zei hem dat dat niet erg was. Daarna zouden wij elkaar waarschijnlijk weer gegroet hebben, maar er heeft zich geen kans meer voorgedaan.
Hij had hoogverraad gepleegd, maar het was al verjaard. Zinnend op onrecht mij aangedaan, herinner ik mij het vriendje in de gymnasiumtijd dat het meisje van mijn eerste vrijage afpikte. Later vertelde zijn beste vriend dat het begonnen was om mij te pesten, want ik deed te triomfantelijk over haar. Ik schreef een verhaal dat ik haar aanbood, waarin wij ons in een tropisch land na vele jaren toch nog verenigden. Zij wilde zendingsarts worden, maar zij geloofde niet in mijn verwachting, en die is ook niet vervuld.
Ook dat is verjaard, en de ervaring in mijn persoonlijkheid verwerkt. Als je mij gereserveerd vindt, denk dan eens wat ik doorgemaakt heb. Niet dat de meeste anderen het zonder vernederingen gesteld hebben; als wij onze verschillen willen verklaren, zullen wij veel meer op moeten halen. Dat is geen gewoonte, hoewel het tenminste makkelijker zou zijn om ondergane vernederingen te vertellen dan toegebrachte. Als ik voorbeelden zoek van de poetsen die ik mensen gebakken heb, raakt mijn geheugen in oproer. Uit schuldbesef, denk je dan eerst; of uit schrik voor de grieven die zich nog tegen mij kunnen laten gelden. Nee, niet die schrik; want de gevallen waarin ik welbewust iemand iets aandeed geven weinig last. Het zijn vooral de halfbewuste poetsen, uit onverschilligheid of nalatigheid, die mij ontstellen; alsof het de grootste zonde was om niet in het bijzonder iets te willen.
Op die grond kan worden aangenomen dat de meisjesdief mij niet op zijn geweten heeft. Het vriendje van de lagere school had het wel - zie boven.

Adrianus Dirkzwager -- 14 mei 1940

Adrianus Dirkzwager (1888-1983) was jurist en hield in de oorlogsjaren een dagboek bij. Onderstaand fragment gaat over het bombardement van Rotterdam.

Zoo gingen wij dinsdag 14 Mei in. In den loop van den morgen werd ik opgebeld door Nestelaar. Deze bevestigde mij, wat ik reeds had gehoord, dat de Rechtbank dien dag gesloten zou blijven, en hij deelde mij mede, dat een aantal preventieven was vrijgelaten, doch dat vele krijgsgevangenen hun plaats hadden ingenomen. Het leger was zijn morel kwijt. Eten kregen zij niet meer, zij hadden geslapen in het gras en in den brandgang. Onze dienstboden gingen liever weg, en wij zaten dus zonder hulp. Het huis werd hoe langer hoe vuiler, en een dreigende stilte hing over de stad. Het gerucht ging, dat Kralingen gebombardeerd zou worden, en dat men moest evacueren, doch niets hiervan werd ons bekend gemaakt. De radio gaf geen berichten,en het eenige consigne, dat ons bereikte was, om niet op straat te gaan. Iedere nacht hoorde men schieten, en het was levensgevaarlijk op straat. Mijn collega Schalkwijk belde nog op om te vertellen dat het gerucht ging, dat de Duitschers Kralingen zouden bombarderen, doch ik heb naar aanleiding daarvan geen maatregelen genomen.

Het was akelig stil op straat en in de lucht. Om 1 uur ging het luchtalarm, en we gingen in den kelder. Daarop begon het bombardement. Wij hoorden in de buurt de bommen inslaan, en ons huis schudde als bij een hevige aardbeving. Allen hielden zich kalm, doch we waren er ons van bewust, dat ieder ogenblik onze laatste minuut kon zijn aangebroken. Na een kwartier hield het bombardement op. Ik ging naar boven en zag dat de geheele Plaslaan nog ongedeerd stond. Het was mooi weer, doch een wolk van kruitdamp hing over de plas en onttrok de molens aan ons gezicht. De soldaten kwamen te voorschijn, en ik kwam tot de conclusie dat het aangenamer was te gaan zitten op het gras voor het huis, in de buurt van het water, dan in de donkere kelder, waar men niets kon zien. Mijn dochters waren het met deze opvatting eens, mijn vrouw niet, doch het slot was, dat wij naar buiten gingen. Ik droeg de kleine John naar buiten, pakte een paar jassen op, en legde hem daarop neer in het riet.

Ongelukkigerwijze kwamen wij juist te liggen in de brandnetels en in een mierennest, en onder het verdere bombardement, dat nog wel een paar uur duurde, hadden wij meer last van mieren en netels dan van de bommen. Toen we daar zoo bijeen lagen, zagen wij dat we verder geen gevaar te duchten hadden. Wij zagen de vliegtuigen drie aan drie uit het Oosten naderen, hun last uitwerpen, en daarna met een boog over de plas naar het Oosten vertrekken. Wij zagen van Lennep en van Stolk,onze buren thuiskomen, en dezen voegden zich kort daarop bij ons in het gras. We lagen daar rustig naar het verschrikkelijkste schouwspel, dat men zich kan denken te kijken. Ik had een koffertje bij mij,en daaruit heb ik als noodration aan ieder een reep chocolade verstrekt.

Het bombardement was om vier uur ongeveer afgeloopen. Alle bewoners van de Plaslaan kwamen buiten, haalden hun auto's en verdwenen. Uit de Kortekade kwamen tallooze vluchtelingen te voet en per voertuig met kinderen, bagage en beddegoed .Een treurig gezicht. Zij richtten zich naar het Bosch. Terwijl de stroom aan den gang was kwam de stroom uit het westen; een onafzienbare stroom vluchtelingen kwam langs de Kralingsche Plas, en liep naar buiten. Sommigen zetten zich bij ons in de buurt neer, doch ze werden dan weer aangestoken door het voorbeeld der anderen, verder te trekken. Ook mijn vrouw wilde weg, doch ik wilde blijven. Om 5 uur waren we weer in huis, ik sprong op de fiets, en reed naar het ziekenhuis aan de Bergweg, waar ik Kees ongedeerd doch ontdaan in bed vond [hij was de dag ervoor in het ziekenhuis opgenomen met een blindedarmontsteking]. Hij had zich heel goed gedragen, zeide de zuster. Staande op een brug over het Rotte-kanaal zag ik de stad branden: Nero had zich geen schooner schouwspel kunnen wenschen. Zware ontploffingen, vlammen: dit was inderdaad de hel.

Ik had, toen ik weer thuis was,een gevoel van groote opluchting. Het gevaar was geweken, want Nederland had zich zooals wij hoorden, overgegeven. Er waren nog, zelfs op de Plaslaan, moeilijkheden tusschen de militairen: uit het Oosten kwam een ordonnans, met de mededeling dat er werd doorgevochten. Op het antwoord, dat de commandant bevolen had te stoppen werd gezegd,dat ze dan een rot-commandant hadden. De melkboer belde aan: hij had tijdens het bombardement geschuild en vervolgde nu zijn wijk.

We hebben dien nacht heerlijk geslapen: geen luchtalarm, en in pyama geslapen. Gevaar voor overslaan van de brand naar ons huls bestond niet omdat de wind pal Noord was. Margriet had nog wat helpen blusschen in de Voorschoterlaan.

zaterdag 13 mei 2017

Alexander Ver Huell -- 13 mei 1860

Alexander Ver Huell (1822-1897) was een nederlandse tekenaar en schrijver. Uit: Het dagboek van Alexander Ver Huell 1860-1865.

De droevigste dagen van mijn leven
Zondag 6 Mei kreeg ik 's morgens om half tien in Bonn op mijn kamer bij Forsbach, Sternstrasse No 107 een brief waarin Moeder mij schreef niet langer te durven verhelen dat de gezondheid mijns vader verminderde: hij was echter nog niet bedlegerig; liep nog door de kamers op en neer enz.: - Den volgenden dag moest ik juist de 3e behandeling bij Baunscheidt te Endenrich tot genezing van mijn oog ondergaan. - De trein van 9 uur was reeds vertrokken. - Die van 4 uur ging slechts tot Emmerik. - Ik liep zoo snel mogelijk naar Baunscheidt, nam een rijtuig naar Bonn terug, ging om 12 naar Keulen in de hoop van met de boot door te kunnen gaan, die echter slechts tot Dusseldorff voer. - Om 4 uur spoorde ik naar Emmerik en om 9 uur kwam ik daar aan; bestelde terstond postrijtuig naar Arnhem à ƒ11. Een halfuur voor Westervoort schrokken de paarden voor een vrouw die een boezelaar [schort] over het hoofd had geslagen, stortte het rijtuig om en brak de disselboom. - Terwijl de koetsier de paarden voor een afgelegen boerderij bragt stond ik alleen op den eenzamen weg bij het rijtuig. De maan scheen helder - eindelyk kwam de koetsier terug; kort daarna hoorde ik de bel van het postkarretje: het vroor. - maar hoe gelukkig was ik, in mijn dun jasje op de open postkar meê naar Arnhem te mogen rijden! - Mijn moeder dacht dat het beter was dat ik mijn vader, zoo midden in den nacht, niet sprak - kon ik het laten? - ik verlangde te zeer hem te zien - doch barstte in tranen uit, zozeer vond ik hem veranderd. - de tong gezwollen; de spraak schier onverstaanbaar; tweemaal zeide hij ‘Alexander’ en was hevig ontroerd. - Tegen den morgen ging ik een uurtje slapen. - Maandag 7 mei vond Docter Nienabbar de pols veel kalmer; de tong veel minder ontstoken. - Hoop. - 'S avonds dezelfde toestand. - steeds lijdende: steeds hevige brand in de keel en mond - 's nachts waakte ik tot 3 en ging toen slapen. - 8 Mei's morgens nog hoop en dezelfde toestand. - Onbeschrijfelyke droefheid. - papa zegt steeds te verlangen naar den dood - spreekt anders niet - tegen 6 ure komt een pakje van den Naturalist Snellen van Vollenhoven, een vriend mijns Vaders - ik zeg het aan papa - naauwlyks verstaanbaar fluistert hij - ‘zend het aan de Roo van Westmaas [het ging om een zending vlinders] en schrijf hem dat het iets hoogst belangrijks bevat, wel waardig om door hem vervolgd te worden. - Kort daarop kwam ik weêr aan zijn bed - hij sprak niet doch ik zag dat hij ongerust was, of ik wel goed alles geschreven had - ik zeide hem letterlyk wat ik aan de Roo had gemeld. - Dien geheelen nacht dezelfde toestand. - 9 Mei De doctor vindt de toestand verergerd. - Den heelen dag benaauwd - spreekt niet dan om te zeggen dat hij verlangt te sterven - welke uren, welke minuten! - 'S avonds komt een antwoord van de Roo - ik vraag of papa het verlangt te hooren - hij gaf een teeken van toestemming - ik lees het voor - met een onduidelyke stem corrigeert mijn vader nog de Latijnsche namen der vlinders die ik niet juist uitsprak. - ik zeide hem dat ik met zulk een genoegen de afbeelding gezien had van den schoonen vlinder die naar hem genoemd was. - Hij zeide ‘die hebt gij al vroeger gezien, gij zijt dat vergeten’ en het +was zoo - ik herinnerde het mij terstond. - Na dien tyd steeds zwaarder benaauwdheid. Van mij wil mijn vader nog om het uur een lepeltje innemen tot vermindering van de brand in tong en keel. - Mama geeft de medecijn in. - De pupillen der oogen meestal gedilateerd [opengesperd]. - Spreekt niet. - met groote moeite en bevende handen blijft mijn vader steeds met een zakdoek zijn mond afvegen. - in die groote zindelykheid, die den ouden militair door zijn geheele leven eigen was, is voor mij iets hartverscheurends om aan te zien. - 10 Mei de toestand hoogst bedenkelyk - ik smeek den doctor toch wat tot leniging te geven - kan het 's middags naauwlyks langer aanzien - wijk niet van zijn bed - laat den Doctor tegen 4 uur halen - hij schrijft den laatste medicijn (poeyers) voor: - ... een oogenblik dat ik de lieve, vermagerde hand van papa kus en mijn tranen er over biggelden zegt papa zacht: ‘Alexander, Alexander’. dit zijn de laatste woorden die ik van hem hoorde. - Wat later had hij nog aan Mama die hem het drankje wilde ingeven toegevoegd ‘laat mij toch maar sterven’. Om 7 uur komt de poeyer: - daarna ging papa achterover in het kussen liggen - na tweemaal getracht te hebben op zijn regter zijde te gaan rusten. - wij dachten dat de medicijn af moet drijven. Het benaauwd rogchelen hield op - de ademhaling werd zacht, ongeregeld - de pupillen gedilateerd - wij hoorden driemaal hikken - en het was doodstil in de kamer, om 9 uur.
Den volgenden avond heb ik zelf - niet willende dat een vreemde het lijk van mijn vader zoude aanraken - hetzelve met mijn oppasser Hendrik+ afgelegd;
Een brief van zijn Moeder, die door mijn vader zoo innig bemind werd, heb ik op zijn hart gelegd. - Hoewel mijn vader nimmer iets daaromtrent heeft willen bepalen en ik zelfs nimmer een zweem van verklaring daarvan uit hem konde lokken, heb ik echter mijne Moeder er toe overgehaald (die Arnhem prefereerde) om zijn stoffelyk overblijfsel te Doesborgh in het famillegraf bij dat van zijn vader en geliefden broeder Frederik+ te doen bijzetten. - Zaturdag 12 mei om 7 uur des avonds reed ik met mijn Oom Henri de Vaijnes van Brakell achter de lijkkoets naar Doesborgh; de Koster en Hendrik volgden in een tweede rijtuig. - Aan de tol wachtten ons de dragers en lantaarndragers. - ook nog een paar koetsen uit Doesborgh. - J. Tengbergen, H. Aberson en J. Ketjen waren bij de begrafenis tegenwoordig. - Afzonderlyke pakjes met een fooi voor elken drager moest ik zelf in mijn zak hebben en uitdeelen: - stuitende gewoonte. - Om half vier in den nacht was ik terug bij mijne Moeder. - (den 11u zware onweders).
In een leegen duivenkooi onder de veranda had een vogeltje zijn nestje gemaakt. - wat zoude mijn gevoelige vader daar een genoegen in gehad hebben! -
Onbeschrijfelyk gevoel van verlatenheid.

vrijdag 12 mei 2017

Sigurd von Ilsemann / Elisabeth Bentinck -- 12 mei 1920

Gravin Elisabeth Bentinck (1892-1971) was de dochter van graaf Godard van Aldenburg Bentinck, die de Duitse keizer en keizerin na hun verbanning uit Duitsland enkele jaren onderdak biedt in zijn kasteel in Amerongen. Elisabeth trouwt in 1920 met de adjudant van de keizer, Sigurd von Ilsemann (1884-1952). Zijn dagboeken zijn onlangs in het Nederlands vertaald. In het boek zijn ook dagboekfragmenten van Elisabeth Bentinck opgenomen.

[over het schilderij]

12 mei 1920
Een persoonlijke gebeurtenis: ik heb mij verloofd met de dochter van de graaf, Elisabeth gravin van Aldenburg-Bentinck. Gisteren werd de verloving bekendgemaakt. Eergistermorgen toen ik met de keizer naar Doorn reed, zei hij mij in de auto: 'Mijn arme vrouw is weer helemaal uitgeput van de zenuwen, Zojuist huilde zij erg omdat wij nu naar Doorn moeten. Dat was een nieuw hoofdstuk in ons treurige lot en vooral voor mij moest het toch verschrikkelijk zijn dat wij nu alleen zijn in een vreemd land. Ons lot zou ons straks te midden van onze oude meubelen bijzonder helder voor ogen staan. Ik zei haar dat dit bij mij met het geval is; ik heb mij er na anderhalf jaar innerlijke strijd bij neergelegd en verwacht niet veel meer van het leven. Ik zal in Doorn een rustig leven leiden en mijn sterke geloof zal mij daarbij helpen,' De keizer sprak deze woorden vanuit het diepst van zijn hart, waardoor ik geloofde dat hij ervan overtuigd was. Dat daarnaast de hoop op terugkeer steeds weer opduikt, is gezien het karakter van de keizer begrijpelijk.

Uit het dagboek van Elisabeth Bentinck.
14 mei. De laatste dag van de keizer in Amerongen, De keizer bracht mij weer kraaienveren uit de tuin en gaf mij bij het ontbijt een stuk van zijn gebak. Toen reden ze naar Doorn, met Sigurd.
De keizerin kan niet begrijpen dat Sigurd en ik geen ringen dragen en wilde mij er toe brengen hem er een te geven. Wij hechten er echter beiden geen waarde aan. De keizer en Sigurd hebben in de toekomstige werkkamer van de keizer schilderijen opgehangen.
's Middags was ik met Sigurd voor het eerst alleen uit rijden. Toen wij op de terugweg langs de laan kwamen, zagen wij in de tuin de keizer en keizerin voor de laatste maal wandelen. De keizerin zat in haar rolstoel, de keizer liep naast haar. Het sneed mij door de ziel en ik dacht bij deze aanblik dat de arme keizerin in een van de kamers in Doorn zou sterven. God, maak dat dit uur voor de keizer niet te snel komt.
Zoals dagelijks in de afgelopen achttien maanden stonden papa en ik ook deze avond boven in de galerij om de majesteiten voor het diner naar beneden te begeleiden. Een eigenaardig gevoel: de laatste keer!
De heren waren in volledig uniform. Papa droeg het uniform van de Johanniter Orde en hield een toespraak. De keizerin vocht tegen haar tranen en dankte papa zeer voor de warme woorden. Zij liet door alle aanwezigen hun handtekening op het menu zetten. Weede dankte de keizer voor het ziekenhuis dat hij de dorpsbewoners ter herinnering aan zijn verblijf hier schenkt. Wij zaten de rest van de avond in papa's kamer en voordat de keizer naar bed ging, schreef hij zijn naam in het gastenboek. Als een droom liggen nu de afgelopen anderhalf jaar achter mij.

15 mei. Een heerlijke zonnige dag. Als gewoonlijk woonden de majesteiten de morgendienst bij. De keizer bracht voor de laatste keer kraaienveren uit de tuin mee van de ochtendwandeling. De keizerin nam van iedereen afscheid. Om 10 uur reed de grote, grijze Mercedes voor. De keizer dankte iedereen die beneden bij de trap stond voor de trouwe dienst die zij hem hadden bewezen. Diep ontroerd nam de keizerin afscheid van papa en mij. Met warme woorden dankte zij papa voor alles wat hij voor haar en de keizer in hun zware Amerongse tijd was geweest. Voor u heeft Doorn nu een heel bijzondere aantrekkingskracht, lieve Elisabeth', zei ze. Toen zij haar voet in de auto zette, overhandigde papa haar een boeket gele rozen en sprak de hoop uit nog vaak de eer te mogen hebben hare majesteit hier weer te kunnen begroeten. Zonder een woord te zeggen keek zij papa aan. Op haar droevige gelaatstrekken stond geschreven wat zij op dat ogenblik voelde: dat zij Amerongen vermoedelijk nooit zou terugzien. Uitspreken wilde zij het niet; de keizer mag immers niet weten hoe ziek zij is.
Ook de keizer dankte papa zeer hartelijk en stapte toen in de oude oorlogswagen die hem over zo vele slagvelden had gereden. Deze keer zou hij hem naar zijn thuis in den vreemde voeren. Uit de auto riep de keizer mij als laatste toe: 'U moet mij eeuwig dankbaar blijven, want ik heb uw Sigurd hierheen gebracht!' Langzaam zette de grote grijze auto zich in beweging en reed geruisloos over het slotplein. Toen hij de poort naderde, vloog het ijzeren hek open. Het politieteam, dat de ingangen zo lang trouw had bewaakt, salueerde en langzaam onttrok zich de wagen aan onze blik. Enige ogenblikken later werden alle poorten wijd opengezet, om nooit meer gesloten te worden. De toegang tot Kasteel Amerongen was weer vrij voor de hele wereld!

woensdag 10 mei 2017

Karin Spaink -- 11 mei 2012

• Ter gelegenheid van het Het nationale Canta-ballet hield schrijver Karin Spaink voor NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

10 mei
14, 15 mei
16 mei

Vrijdag 11 mei
Onderweg spot ik een rode Canta, ik kan hem nog net aanhouden. ‘Heeft u al gehoord van Het Nationale Canta Ballet?’ vraag ik de bestuurders. ‘We maken een voorstelling met een heleboel Cantaatjes en de dansers van Het Nationale Ballet. We zoeken nog deelnemers! Danst u mee?’ Verrast nemen ze de folders aan. Ze beloven erover na te denken.

Bij Waaijenberg in Zuidoost bekijk ik het piece de résistance dat Marco, een van de Canta-monteurs, heeft gemaakt voor de etalage van Atheneum Nieuwscentrum: we zetten daar komende week een doormidden gesneden autootje neer. Een plakje Canta!

’s Avonds rijd ik naar de boekpresentatie van Monique Samuels. Ik geef haar De benenwagen en krijg in ruil haar Mozaïek van de revolutie. ‘Van Karin, die geen Arabisch spreekt; voor Monique, die niet kan autorijden,’ schrijf ik voorin.

Zondag 13 mei
Met de trein naar paps en mams. We gaan gezamenlijk op bezoek bij goede vrienden van mijn ouders: Hij is ernstig ziek, er wordt al over euthanasie gesproken. Die grote charmeur is veranderd in een stil en dun popje…

Onderweg merk ik hoe krampachtig mijn moeder rijdt. Ze was altijd een goede chauffeur, maar de ouderdom speelt haar parten. Ze houdt het stuur onhandig vast, ze remt te abrupt en stopt soms voor groen. ‘Lieverd,’ zeg ik, ‘eigenlijk denk ik dat je niet meer rijden moet.’ Ze zucht. Ze weet het zelf ook: ze voelt zich niet langer prettig op de grote weg. ‘Misschien moet jij ook aan de Canta?’ opper ik voorzichtig. We giechelen.

In Almelo kunnen we nog een uurtje in de tuin zitten. De kat nestelt zich naast ons en snuift vergenoegd de rook van mijn sigaret op, hij is dol op nicotine. Mooi moment: mijn vader die naast me gaat zitten en trots mijn nieuwe boek openslaat.

dinsdag 9 mei 2017

Gaston Burssens -- 10 mei 1940

Gaston Burssens (1896-1965) was een Belgische dichter. Zijn dagboek werd gepubliceerd in 1988.

10 mei
Om 6 u. verdwaasd wakker geschoten door een soort dof gestommel dat ik niet direct kon thuis brengen. In de buurt hoor ik de vensters openrukken en iemand schreeuwt: oorlog!
Madeleine en ik staren elkaar verstomd aan. Ze wipt het bed uit naar het raam en blijft sprakeloos en zonder beweging staan kijken. Als ik naast haar sta zie ik honderden kleine brandstapels in de weide. Brandbommen! Dan eerst horen we een gegons in de lucht en zien we tientallen zwarte stippen die boven het vliegplein van Deurne moeten hangen. Plots een lange reeks van ontploffingen. De vloer davert onder onze blote voeten. Boy rent waanzinnig blaffend door het ganse huis. De lafaards! Zij die ons gisteren nog verzekerden...!

Ik schrijf dit thans in mijn bureau van mijn fabriekje in Hoboken. Wij hebben het veiliger gevonden uit de nabijheid van het vliegveld te blijven. Wij hebben het hoogstnodige in mijn wagen geladen. We zullen hier voorlopig blijven. Voor niet lang hopelijk, want wij zijn overtuigd dat de Duitsers hier over enkele dagen zullen staan.
Alvorens te vertrekken heb ik in reuzenletters op de muur van de garage deze verzen van Pindaros geschreven:
Eendagsvliegen die wij zijn!
Wat is het Zijn? Wat is het Niet-Zijn?
De mens is de droom van een schaduw!
Madeleine tikte met haar vinger tegen haar voorhoofd, maar keek toch vriendelijk. Plots rukte ze mij het potlood uit de handen en schreef eveneens op de muur: Patriottisme: het veiligste toevluchtsoord der schurken. Als ik haar vroeg of dit van eigen vinding is, zei ze: Neen, het is van een zekere Johnson. - Samuel Johnson? - Nu vraag je te veel, zei ze.

De ganse dag bij F.M. naar de radio geluisterd. Land verdedigen!
Eer! Vorst! Totterdood!
Ik ken dat, van 1914!
Iedereen is gek van schrik en woede!

In de fabriek één van mijn werklieden tot zijn maat: 'Gaat het eeuwig blijven duren dat een handjevol staatsleiders zo maar naar willekeur oorlogje mogen spelen? Zou je denken als ze maar alleen de regeringen tegen elkaar lieten vechten dat er nog ooit oorlog zou zijn?' Heb al stommer vragen horen stellen!

Onze Minister van Buitenlandse Zaken heeft zich moedig gedragen. Toen de Duitse ambassadeur hem vanochtend de Duitse oorlogsverklaring overhandigde en zijn bonniment wilde beginnen, zei de minister trots: 'Moi d'abord, Monsieur!' en schold hij de ambassadeur behoorlijk de huid vol. Ja, wij zijn wel sterker met de woorden dan met de wapens, en dientengevolge zullen de Duitsers hier over enkele dagen staan, en, vrees ik, zal de moedige minister de eerste zijn om het hazepad te kiezen. Ik zal hem geen ongelijk geven, al behoren wij tot de dappersten der Galliërs.*



* Julius Caesar: Horum omnium fortissimi sunt Belgae ('Van hen allemaal [alle Galliërs] zijn de Belgen de dappersten').

maandag 8 mei 2017

Klaartje de Zwarte-Walvisch -- 9 mei 1943

Klaartje de Zwarte-Walvisch (1911-1943) werd begin 1943 gevangen gezet in kamp Vught. Later werd ze overgebracht naar Westerbork , en omgebracht in Sobibor. Van de eerste maanden van haar gevangenschap hield ze een dagboek bij.

9 mei
Gisteren was het weer een dag die een stuk geschiedenis voor het jodendom betekent. Het transport naar Westerbork nam een aanvang om half drie en duurde tot laat in de nacht, 's Middags ben ik naar de oudeliedenbarak geweest, maar wat zich daar afspeelde is afschuwelijk. Stokoude vrouwtjes zag ik op de grond zitten en ze mompelden wat tegen zichzelf. Ik bood aan de dekens voor iemand te dragen, maar ik geloof dat die oudjes in alles en iedereen hun vijanden zien. Tenminste ik mocht de dekens niet dragen, want ze was bang dat ik ze niet terug zou brengen. In een andere barak kreeg een vrouw een aanval van waanzin. Ontzettende tonelen speelden zich af. Het afscheid van ouders en kinderen. Het leed van al deze mensen te moeten aanzien was meer dan ik verdragen kon en ik ging maar even terug naar mijn eigen barak, in de hoop dat het daar rustiger zou zijn. Maar hoe kon ik zo naïef zijn om dat te denken. Onder de onzen bevond zich een zielig vrouwtje. Ze had geloof ik tien of twaalf kinderen. Ook zij moest mee met het transport, maar haar kinderen boven de vijftien jaar mocht ze niet meenemen. Die moest ze achterlaten en zelfs toen deze meisjes zich vrijwillig wilden melden, werden ze afgescheept dat er geen vrijwilligers mee mochten. Het gaf een hele scène in de barak, maar dergelijke feiten deden zich in alle barakken voor. Het werd een emotievolle dag, maar deze was nog niet om. Er zou nog meer gebeuren. Het gerucht deed de ronde dat onder de twaalfhonderdvijftig vertrekkenden achtenzeventig waren die zich probeerden schuil te houden. Ik had voor mezelf de overtuiging dat dit absoluut een grove leugen was, want welke jood zou de moed hebben zich trachten te verschuilen, terwijl misschien hun leed niet te peilen zou zijn als ze gevonden werden? Wie zou zich aan de terreur van de barbaren, aan wie wij waren overgeleverd, durven onttrekken? Er werd lang en breed over gesproken, want ze moesten en zouden voor de dag komen. Het was ongeveer acht uur toen de meesten van ons al in bed lagen. We waren allen nogal huiverig en het leek ons maar het beste om een beetje bijtijds naar bed te gaan. De barakleidster kwam binnen en zei dat er uit alle barakken nog enige personen gehaald zouden worden, want het transport moest en zou aan het aantal voldoen. Een hevige schrik beving ons. Stel je voor dat ze dat werkelijk eens zouden doen. We wisten dat het mogelijk was, want op Westerbork was het al herhaaldelijk voorgekomen dat, wanneer er een transport naar Polen zou gaan en het was naar het idee van de 'heren' niet groot genoeg, er dan een razzia op grote schaal werd gehouden. Dan werden de mensen midden in de nacht uit hun bed gehaald en, alsof het even een kwestie van een paar minuten was, mee op transport gesteld.

Aangezien wij nu wisten dat Vught geen Auffanglager, maar een Durchgangslager was geworden, wisten wij dat ons eenzelfde lot te wachten stond. Alles was even triestig. De hele dag een gure koude wind. Hevige hagelbuien en alles kletterde neer op de bagage die buiten de barakken stond. Weer zo op en top het toonbeeld van emigratie. Het kon waarlijk niet demonstratiever. Ik lag hier nog over na te denken, toen plotseling het bevel klonk. Allemaal aantreden voor appel. We konden dit eerst niet geloven. Was het werkelijk mogelijk dat we allemaal ons bed uit moesten en aantreden om uitgezocht te worden? We hielden ons nogal rustig en kleedden ons snel aan zo warm als maar kon. Sommigen dachten dat we gauw weer mochten aftreden en trokken hun jassen aan over hun pyjama's. Met blote voeten in de schoenen. En daar traden we aan in de vinnige koude wind. Grote modderplassen, zodat we moeilijk konden staan in rijen van vijf. Mensen die met hoge koorts de hele week in bed hadden gelegen, moesten eruit. De stemming onder de mensen was dreigend. Weer hoorde ik een massa zegeningen uitstrooien over de hoofden van de barbaren die ons dit aandeden en in gedachte deed ik de mijne erbij. We waren zo ontzettend verbitterd. Drie, vier keer kwamen de 'heren' op de motorfiets aanstormen op de massa en stoven we allen voor- of achteruit door de grote modderplassen heen. Wat hadden ze dan een schik dat ze dit ons joden konden aandoen. Wat voelden ze zich moedig, deze helden, want hier was werkelijk moed voor nodig om weerloze vrouwen te treiteren. Sommigen onder ons die waarschijnlijk nog niet eens beseften hoe diep we in de ellende zaten, lachten er nog om. Hier kon ik niet om lachen. Dat heb ik wel gekund tijdens de ontluizing, maar dit maakte me zo verbitterd door machteloosheid, dat ik hen die erom lachten graag een draai om hun oren had gegeven. Daar stonden we, paars en verkleumd van de kou, en het begon al knap donker te worden. Bijna twee uur lieten ze ons staan. Vanaf half negen tot half elf. Toen mochten we aftreden. Er was geen mens uit de rijen gehaald. Of de achtenzeventig gevonden zijn, weet ik ook niet, alleen wist ik dat we er ellendig aan toe waren. Enkelen waren flauw gevallen. Er zullen wel weer grieplijders van komen, want dit kan niet uitblijven. Daar waren we 's ochtends om vier uur voor opgestaan.

Onderwijl ging het transport haar gang. Zieke kindertjes en zieke oudjes stonden aan de poort te wachten op het lot dat ze zouden ondergaan. Weer heb ik enige van mijn kennissen moeten missen. In het mannenkamp lagen de zieken die moesten aantreden op de berm langs de weg. Deze heldendaden wekten een gemoedsstemming die geen grenzen meer kende. Zelfs kinderen hebben moeten aantreden. En dat alles uit louter pesterij, want een andere verklaring heb ik hiervoor niet kunnen vinden.

Om half elf mochten we aftreden, en verkleumd van de kou en met gevoel van vernedering en belediging zochten we onze bedden op.

zondag 7 mei 2017

Erika Mann -- 8 mei 1955

• Schrijfster Erika Mann (1905-1969) was de dochter van Thomas Mann. In Mijn vader, de tovenaar (vertaling Paul van Beers) zijn herinneringen en brieven van haar opgenomen.
• Thomas Mann was in 1955 eregast op de Schiller-herdenking in Oost-Duitsland. Zijn vrouw Katia en zijn dochter Erika vergezelden hem.

8 mei
...Middageten bij de minister-president (dr. Müller). Fraai klein paleis, gebouwd in 1912, met een prachtig gelegen, parkachtige tuin... Eten voortreffelijk. Ik zit naast dr. Werner Schütz, minister van eredienst van Nord-rhein-Westfalen. Schütz verrast me met zijn grondige kennis van Z. 's werk. [Z staat voor Zauberer, de 'tovenaar', zoals Thomas Mann door zijn kinderen werd genoemd.] Maakt me half schertsend een verwijt van mijn bekortingen van de Faustus; weet uit de Entstehung, dat ik 'een hele professor met zijn college en al eruit heb gesmeten'; kan trouwens uit allerlei citeren, hele passages uit de Krull. ... Weerzien - na zesentwintig jaar! - met dr. Neinhaus [dr. Karl Neinhaus, president van de Landdag van Baden-Württemberg], nu eerste burgemeester van Heidelberg, zoals in 1929, toen Z. daar de 'Festspiele' opende (Versuch über das Theater)... Koffie in de tuin. Een poosje bij Heuss gezeten, die in het beste humeur en joviaal was. Z. gelukkig, opgewekt, ogenschijnlijk onvermoeid... 's Avonds Maria Stuart. Een bevredigende opvoering voor de tegenwoordige omstandigheden - maar wat zegt dat? Elisabeth Flickenschildt werkelijk goed. In de pauze samen met Heuss. Daarna gezellig samenzijn in zijn hotelsalon. Zoon (Ludwig Heuss, fabrikant in Lörrach) en schoondochter lunchten in Rottweil aan het tafeltje naast ons. Waarover zouden we toen gepraat hebben? Niets kwaads over Heuss. Maar verder? Gezelschap van vandaag van een zeer Duitse gemoedelijkheid. Heuss vertelt anekdotes. Is blij met zijn populariteit... Trek me vroeg terug, omdat ik morgen vroeg in een vraaggesprek 'voor de band' moet spreken (Zuidduitse Radio: 'De gelukkige jaren twintig - Mythe en werkelijkheid')...

Thomas Mann -- 7 mei 1945

Thomas Mann (1875-1955) was een Duitse schrijver. Hij hield zijn leven lang een dagboek bij. Gedeeltes daaruit zijn in het Nederlands vertaald (door Paul Beers) in Duitsland heeft me nooit met rust gelaten. Amerikaans dagboek 1940-1948.

Pacific Palissades, maandag 7 mei 1945
Capitulatie van Duitsland verklaard. [...] Uitgezonderd is het commando van Praag dat rebelleert en de strijd voortzet. Mededeling aan het Duitse volk: Het overwicht van de tegenstander aan mensen en materiaal dwingt tot het neerleggen van de wapens. Duitsland moet rustig blijven en een nieuw leven beginnen. Was dit laatste maar eerlijk gemeend!-De vreugde in Londen en New York moet groot zijn. [...]-Is dit nu de dag, corresponderend met de 15de maart 1933, toen ik deze reeks aantekeningen begon — dus een allerfeestelijkste dag, al ben ik niet echt in een jubelstemming. Natuurlijk is de huidige Duitse regering slechts voorlopig, instrument van de capitulatie, omdat Eisenhower geen Himmler in zijn tent kon laten. Maar overigens zal er niet dit of dat met Duitsland, maar niets in Duitsland gebeuren, en tot nu toe ontbreekt het aan elke verloochening van het nazi-dom, aan elk woord, dat de 'greep naar de macht' een vreselijk onheil was, het toelaten en begunstigen ervan een misdaad van de eerste orde. De verloochening en vervloeking van de daden van het nationaal-socialisme, in binnen- en buitenland, de verklaring te willen terugkeren naar waarheid, recht en menselijkheid-waar zijn ze? De idiote verdeeldheid van de emigratie, de jaloerse haat jegens mij en mijn houding komen erbij om de vreugde te temperen.-Een zekere genoegdoening is het fysieke overleven. Na de val van Frankrijk liet Göbbels mijn dood melden; hij kon zich niet anders indenken. En had ik Hitlers schijnoverwinning als serieus opgevat, dan had me ook wel niets anders gerest dan te sterven. Overleven betekende: overwinnen. Het is een overwinning. Het moge duidelijk zijn aan wie de overwinning te danken is: Roosevelt.-

Schreef dit 's morgens en ging toen verder met hoofdstuk xxvi. Maakte na het scheren een rondje in de buurt. Veel post na tafel te lezen. [...] Truman en Churchill zullen morgen het einde van de Europ. oorlog afkondigen. In Europa, Rome, Oslo, Stockholm, Jeruzalem wordt gejuicht. Maar tegelijk wordt er nog gevochten, zogenaamd omdat de communicatie-verbindingen met de troepen in Duitsland langzaam werken, waarschijnlijk echter omdat de autoriteit van Döniz enjodl zeer twijfelachtig is. [...]

zaterdag 6 mei 2017

Onderwijzer, 38 jaar, Delft -- 6 mei 1945

• Onderwijzer, 38 jaar - Delft. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945, geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening

Zondag, 6 Mei
- Het is 8 uur in de morgen, 24 uur na de radio capitulatie. Het stormt en felle regenvlagen zwiepen tegen de ruiten De meeste vlaggen in de straat zijn alweer binnengehaald, hetzij voor de regen, hezij omdat de bevrijding nog steeds geen feit is. We zitten bij elkaar en onze stemming is verre van opgewekt. Tegen 10 uur is mijn vriend dK geweest. Hij heeft volgens zijn bewering, zeer belangrijk nieuws, maar nog voor hij het kan uitspreken, leg ik hem het zwijgen op. De gedachte alleen, dat weer iemand me voor de zoveelste maal wil komen vertellen, dat het nu straks toch vrede zal zijn of weet ik wat voor gerucht aan me kwijt wil, maakt me misselijk. Hij dringt er echter niet op aan en dat is zijn geluk, want voor hij vertrekt heeft hij zijn mededeling toch gedaan. Het komt hier op neer, dat vanmiddag om vier uur de capitulatie te Hilversum, door generaal Blaskowitz, commandant der D troepen in Nederland zal worden getekend, dat de Binnenlandse strijdkrachten, door de D zullen worden erkend, dat NSBers de gelegenheid tot ‘onderduiken’ zal worden belet, dat het 49e legercorps Z[uid] H[olland] binnentrekt. Het klinkt allemaal weer heel mooi, net zo als het nu al de hele week geklonken heeft, maar 4 uur zal wel weer 7 uur worden, daarna nog eens 9 uur en daarna verdwijnt het als gerucht bij al zijn voorgangers.

Het loopt nu tegen één uur, de storm is gaan liggen en een waterig zonnetje scheurt de wolken van één.
Zo-even kwam B langs lopen en vertelde me hetzelfde verhaal als s'morgens de K had gedaan.
De deuren gaan weer open, mensen komen weer op straat. Het is of ze het nieuws ruiken. Meer mensen hebben het gehoord en weer herleeft een kleine hoop, dat nu inderdaad de vrede nabij is.
En weer, ondanks de vele teleurstellingen, trekken tegen vier uur, hele drommen naar de markt.
Alvorens me weer eens beet te laten nemen besluit ik op zolder de ‘Oude Jan’ in de gaten te houden of daar de vlag verschijnt. Nauwelijks is het vier uur of ik hoor het galmen van de zware Bourdon-klok. Een vlag zie ik nog niet, maar mijn overbuurman die gunstiger staat ten opzichte van de Nieuwe Kerk schreeuwt me toe dat de vlag uithangt. Als het waar is, besluit ik zelf een kijkje op de Markt te gaan nemen. Het is er ontzettend druk, maar ik heb het geluk boven op een wagen te kunnen staan en heb zo een prachtig overzicht over het hele plein. Bij het standbeeld van Hugo de Groot ontstaat beweging. Als ik scherp tuur bespeur ik er ook de oorzaak van, daar worden twee Moffenmeiden kaal geknipt. Het zijn de eersten van een ongetwijfeld tot onze schande lange rij.
Daar ontstaat beweging op het bordes, er verschijnen een groot aantal personen, waarboven uit ik onzen vroegeren burgemeester met zijn vrouw herken. Hij is omgeven door Binnenlandse Strijdkrachten, de ondergrondse, die nu te voorschijn is gekomen. Ze doen een weinig amateuristisch aan met hun overall en helm. De automatische wapens staan misschien wel flink, maar het is de vraag of ze er al mee weten om te gaan. Ik vraag me af, hoe ze daar aan gekomen zijn.
De burgemeester wenkt om stilte. Hij zal de burgers toespreken. Ik merk wel, dat hij hard schreeuwt, maar van de hele proclamatie, versta ik slechts de woorden ‘Stadgenoten’ en een eind verder ‘Wij zijn vrij’. Wie dichter bij staat kan meer verstaan en wij sluiten ons maar bij het herhaaldelijk spontaan losbarstend gejuich aan Ten slotte zingen we allen geroerd het al oude Wilhelmus en het lijkt of een lang opgekropt gevoel van haat losbarst bij de mensen, als de regel ‘de tyrannie verdrijven’, door de lucht galmt.
Nu is het dan toch echt waar en terwijl ik dit schrijf probeer ik me te realiseren wat het betekent. Het is echter zo moeilijk die betekenis in woorden uit te drukken. Vijf jaar lang onder het juk van een niets ontzienden vijand te hebben geleefd, vallen zo in een paar minuten niet weg. Maar wat ik wel kan beseffen is, dat
- er spoedig voedsel zal komen
- er weer gas, licht en water zal zijn
- er weer brandstof komt
- straks de trein en de tram weer zal rijden
- onze mannen weer uit D terug zullen keren, waar ze nu reeds jaren als dwangarbeiders leven.
- ook onze krijgsgevangenen en studenten zullen terugkeren
- ik op ieder ogenblik van de dag of de nacht de straat op kan
- overal het verduisteringspapier verwijderd kan worden
- ik niet behoef te schrikken, wanneer er een auto door de straat rijdt,
- evenmin wanneer er nog laat in de avond gebeld wordt
- er weer kranten komen,
- naar gelang van ieders smaak, de bioscoop, de dancing de café's de concert-toneel- en variété zalen weer open zullen gaan
- daar waar de marteling geen dodelijke gevolgen gehad heeft de gezinnen weer herenigd zullen worden
- en nooit meer een Westerbork, een Amersfoort, een Vugt voor anderen dan voor D gebouwd mag worden
- de mensheid straks na het verpletteren van Japan de middelen zal vinden om de oorlog nu eens en voor altijd uit te bannen
- ik vrij op de fiets zal kunnen rijden zonder angst voor ‘vordering’
- ik zonder angst vrij naar ieder station van de radio zal kunnen luisteren
- Er weer normale school- en daarmee werktijden zullen komen

Al deze dingen gaan in me om, niet tegelijk, ook niet stuk voor stuk, soms wellen er een aantal in mijn bewustzijn naar boven, blijven even hangen, zakken weer weg tot een andere in een snelle flits door mijn brein schiet.
Zo is dan het einde van deze verschrikkelijke oorlog gekomen. Heel anders dan iedereen wel gedacht zal hebben. Hoeveel krijgsprogramma's zijn er binnenkamers door ‘strategen’ niet opgebouwd en telkens liep het weer anders, dan algemeen de verwachting was. Vreselijk hebben we hier in het Westen geleden van de honger Er zijn mensen met tientallen ponden aan gewicht afgevallen. Men ziet gezichtjes amper twee vuisten groot, die nog slechts caricaturen zijn van de photo's op hun persoonsbewijs. Voor één ding zijn we, God zij dank, gespaard gebleven, het Westen is geen strijdtoneel geworden. Dat had naast de duizenden, die nu door honger stil het toneel verlaten hebben, nog eens duizenden en duizenden mensenlevens gekost.
Ik had gemeend, dit dagboek te kunnen eindigen met een zin als: daar verschijnen de eerste Canadezen, nog besmeurd met kruitdamp, om de hoek van de straat Het is heel anders gelopen. We wachten hun komst, fris en monter, nog steeds af. Ik had gedacht, dat het einde, verlichting zou betekenen, zoiets als het afleggen van een loden pak. Weer is het anders gelopen. Ik kan aan het denkbeeld, nu werkelijk vrij zijn, maar moeilijk wennen. De ogenblikken, dat ik het voel, gaan als een zalige beroering door mijn hart heen, telkens als ik moet bedenken, dat vele dingen, die me steeds angsten hebben bezorgd, nu geheel verdwenen zijn.
Zo nadert het einde van dit dagboek, waarin ik getracht heb weer te geven van wat er in deze laatste oorlogsmaanden in me leefde. Er is geen sprake van objectiviteit, kan geen sprake van zijn. Objectiviteit is een kwestie van tijd, van geschiedenis en van standpunt.
Latere geschiedboeken kunnen, let wel, kùnnen objectief zijn. Maar dit dagboek kan dat onmogelijk. Het is geschreven op het moment van het gebeuren zelf, soms zelfs zonder kennis van de oorzaken, die tot de beschreven feiten aanleiding hebben gegeven, noch van hun plaats in het ruime verband. Hier en daar zullen feiten voorkomen, die in hun motivering wellicht onjuist zijn, maar daarom niet te minder waar zijn gebeurd.
Soms heb ik angst, angst om niet geloofd te worden, omdat latere geslachten eenvoudig niet wensen aan te nemen wat hierin werd beschreven en toch, ik zweer bij alles wat me lief is, er staat geen onware gebeurtenis in. Alles is neergezet ik zou haast zeggen: heet van de naald. Ik heb het pijnlijk voorrecht gehad een ‘totale oorlog’ te hebben mogen beleven. Die is achter de rug. Met alle kracht die in ons zit: op naar een ‘totale vrede’.

donderdag 4 mei 2017

Onderwijzer, 38 jaar, Delft -- 5 mei 1945

• Onderwijzer, 38 jaar - Delft. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945, geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening

5 Mei 1945
- Het is nu Zaterdagmorgen 3.15. Nog steeds kan ik de slaap niet te pakken krijgen. De gebeurtenissen van de laatste uren hebben me zeker dermate aangegrepen, dat ik over alle vermoeidheid heen toch niet kan rusten. Honderden gedachten daveren als wilde paarden door mijn brein. Hoe ik ook woel en me verdraai, niets baat me. Dan valt mijn besluit: opstaan en mijn gedachten neer zetten. Eerst moet ik het kwijt, dan pas zal ik rust hebben. Het is allemaal ondanks de voorafgegane week, waarin het toch ieder ogenblik zou kunnen gebeuren, nog zo onwezenlijk. Zo ongelooflijk dar nu op vijf dagen na het precies vijf jaar geleden is dat velen hetzij geestelijk hetzij lichamelijk of met beiden tegelijk onder de knoet gingen. Vijf lange jaren van ons korte leven, verloren, verwoest. Nu is de nachtmerrie voorbij. Nu is het dieptepunt bereikt en laat ik hopen dat het voor duizenden en nog eens duizenden niet te laat mag zijn.

Gisteren, Vrijdagavond, even negen uur, ik had juist mijn vriend R op bezoek, werd er hard gebeld en op de deur gebonsd. Opendoende ontwaar ik weer, even als Zondag j.l. een massa mensen op straat. Het is officieel bekend gemaakt DK heeft het zelf door de radio gehoord, de bezetting van Nederland Denemarken en NW Duitsland heeft gecapituleerd. Morgen, Zaterdag, 8 uur gaan de wapens neer. Ook ik had het bericht ook de vorige week reeds gehoord, en het spijt me, zo gauw was ik niet te overtuigen. Ik ren naar mijn vriend K, die zelf een detector heeft. Hij ziet me aan komen, rukt de deur open, en ik zie in zijn grauw vermagerd hongergezicht, het is waar. Ontroerd reiken we elkaar de hand en ik ren, nu ten volle overtuigd terug naar huis. Onderweg zie ik mijn straatgenoten. Ik zie ze van dichtbij, ik schrik. Velen zijn haast onherkenbaar vermagerd. Zo op een afstand is me dat nooit zo sterk opgevallen, maar nu, van dichtbij, het is vreselijk, asgrauwe, ingevallen gezichten, maar in ieder oog straalt de vreugde, de vreugde om de herwonnen vrijheid. Ik voel hoe diep deze laatste maanden de mensen heeft aangegrepen. Er zijn er enkelen, die niet naar buiten kunnen, ze zijn vastgekluisterd aan hun bed, hebben de macht om zich op te heffen niet meer. Eén is er, ik kan geen nadere aanduiding geven, die toch naar buiten is gestrompeld, hij leunt tegen de deur en de tranen rollen hem over de wangen, het was hem te machtig.

Al spoedig wordt het een ware verbroedering. Niemand denkt er meer aan, dat we om negen uur binnen moeten zijn Het gejoel en gejuich vanuit de stad waait naar onze straten over en ik besluit een kijkje in de stad te gaan nemen. Het is al donker, maar voor vele ramen zijn de lampen neergezet. Hoewel voorbarig: wappert hier en daar al het rwb [rood-wit-blauw]. Hoe meer ik het centrum nader, hoe drukker het wordt. Op de H[ippolytus]buurt kom ik een spontaan gevormde optocht tegen van enkele honderden mensen. Ze scharen zich achter een trommel. Er komen meer van die optochten, voorafgegaan door hoorn of harmonica. Naast het Oranje Boven en de Zilvervloot, brult men weer het zouteloze, Van je héla, hola en daarmee verbonden het: lied van de Toffe jongens. Op de markt staat Hugo de Groot, Hij heeft een fakkel in de hand en er voor worden de uit het kringhuis der NSB geroofde portretten van Mussert en Hitler verbrand. Een oorverdovend gejoel stijgt op als de vlammen van alle kanten hoog op laaien.
Thuis zitten buren te wachten We openen een paar flessen wijn, morgenavond vieren we het feest van de bevrijding. Er heerst nu al een uitbundige stemming Al spoedig gaan we uiteen. We willen morgen vroeg op zijn, om acht uur klaar om het feest, waarop we vijf lange jaren hebben gewacht mee te vieren.

Nog slechts enkele minuten scheiden me van acht uur Ik ben naar boven, naar mijn kamer gegaan, om de laatste ogenblikken nog even aan het papier toe te vertrouwen. Buiten op straat, staan slechts weinig mensen. Ze zijn betrekkelijk stil. Overal worden de vlaggen gereed gemaakt. Ook naast mij liggen de Nederlandse, Engelse en Amerikaanse vlag. Straks gaan ze naar buiten. Ook mijn radio, al heb ik dan geen stroom, heb ik voor den dag gehaald Bijna twee jaar heeft hij verborgen gestaan, verborgen voor de nu haast verslagen dwingeland, evenals het koper en het tin. Alles prijkt nu weer op tafel en ik ben blij het nog te bezitten Daar slaat het acht uur. Nu is de oorlog voorbij.

Ik ben de straat opgegaan. Nog nooit zag ik zoveel vlaggen bij elkaar. Met hun heldere kleuren, zeker allen gloednieuw of anders pas gewassen, leveren ze een prachtig schouwspel op. Eén ding ontbreekt en dat is de vlag aan de openbare gebouwen. Toch moet die er zijn, wil het feit van de capitulatie in onze stad officieel vast staan.
Juist wordt er op de hoek een pamflet aangeplakt.
Het is de mededeling van den plaatselijk leider der binnenlandse strijdkrachten, om zich te onthouden van ieder openlijk vreugde betoon, zolang de vlag nog niet aan de openbare gebouwen gehesen is. Er wordt zelfs in gewaarschuwd voor represailles van D[uitse] zijde. Het pamflet komt een beetje als mosterd na de maaltijd, want practisch geen huis of op een of andere wijze wordt aan de vreugde uiting gegeven Daar verspreidt zich het gerucht, dat de D[uitsers] de mensen het dragen van oranje willen beletten. Men voelt het, er is iets niet in orde! Op de Markt is het nog een hele drukte, maar een kennis die ik daar aantrof zegt me, dat tegen acht uur er haast geen plaats was om te staan.
Velen zijn al weer vertrokken. Ik blijf wachten. Ieder ogenblik moet ik nu toch kunnen verwachten dat de deuren van het stadhuis op[en] zullen gaan en de vlag gehesen zal worden. Ik heb mooi wachten, er gebeurt niets en de Markt verwatert zichtbaar. Dan ga ik ook maar weg, kijk naar verschillende aardige etalages, waarin men op één of andere wijze uiting heeft gegeven aan zijn vreugde. Er zijn ook etalageruiten en ruiten van particuliere woningen, die stuk gegooid zijn. Daar wonen NSBers.

Als ik door de Choorstraat loop, wordt daar juist het kringhuis v d NSB gesloopt. De ruiten zijn allang kapot en nu is men bezig de inhoud naar buiten te werken. Ik zie een paar mooie Delfts blauwe vazen de lucht invliegen. Boeken, kranten, alles komt naar buiten, opgeschoten kwajongens lopen met collecte bussen e.d. rond. Het portret van Hitler suist door de lucht en komt ergens met luid gerinkel neer, wordt daar vertrapt. En nog steeds waait de vlag niet van de openbare gebouwen.
Toen ben ik maar naar huis gegaan. De pret was er af.

's Middags, kwamen de geruchten Dat er iets niet in orde was voelde een ieder met de klep van zijn pet. Hier zijn er een paar. Ik geef ze niet om hun geloofwaardigheid, de meeste zijn trouwens zo krankzinnig belachelijk, dat ze alleen daarom al vermelding verdienen De ‘Nederlandse’ SS weigert aan de Grebbe de wapens neer te leggen.
Er wordt in Utrecht gevochten.
De Canadezen zijn tussen Woerden en Gouda gesignaleerd.
Er staan twee kanonnen op Gouda gericht.
De Ortscommandant wil wel capituleren maar de bevelhebber(!) niet. De Canadezen zijn opgehouden, door een technische storing. (Eén maakte er zelfs een radiostoring van).
... In de Wippolder moeten de vlaggen weer weggedaan worden op last van de Feldgendarmerie.
In de Wippolder rukten de D het oranje van de kleren.
In de Wippolder schieten de D op de vlaggen.
In de Wippolder gooien de D met handgranaten door de ramen waar nog vlaggen uithangen.
(Als je een Wippolderbewoner spreekt weet hij van niets)
Alle buitenlandse vlaggen, moeten verdwijnen. Ze worden beschouwd als een demonstratie tegen de D.
Als om vijf uur niet alle oranje verdwenen is, zullen er tien burgers ter dood gebracht worden. (Later werd dit aantal tot twintig verhoogd). Hier zijn een aantal van die geruchten en ik ben overtuigd maar een fractie van hun totaal aantal vermeld te hebben Doch één ding is zeker. Indien de D bezetting in West Nederland gecapituleerd heeft (men begint er zelfs aan te twijfelen) dan moet er in ieder geval een geallieerde autoriteit in de stad komen, die het bestuur of hoe dat dan ook genoemd wordt, van de D over te nemen. Tegenover wien zou de D hier anders kunnen capituleren.

Zo verstrijkt de middag Ook de avond brengt niets nieuws en als het daarbij nog koud wordt ook, kruip ik om negen uur maar onder de wol, overtuigd, dat wat nu geschied is, vast niet ‘volgens de plannen’ gebeurt.

Alma Mahler -- 4 mei 1901

Alma Mahler was in het begin van de twintigste eeuw de it-girl van Wenen. Haar dagboeken over die tijd zijn verschenen als Het is een vloek een meisje te zijn (vertaald door Peter Claessens).

Donderdag 4 mei 1901
Klimt liet zich tijdens het avondeten al een paar nijdige opmerkingen ontvallen, en toen we daarna op het San Marcoplein waren, stond hij plotseling voor me, razend van woede en trillend van opwinding. ‘Ik heb ook wat voor je meegebracht – iets heel moois: hier – heb je je foto terug...’ Toevallig kwam Carl eraan, en hij moest hem weer in zijn zak steken. Ik beet mijn tanden op elkaar en viel bijna flauw. Iedereen ging naar café Florian, en Klimt begon te fluisteren: ‘Alma, hoe heb ik dat nu kunnen doen, ik schaam me.’ Ik antwoordde op gedempte toon: ‘Geeft u mij mijn foto terug.’ ‘Voor geen geld,’ zei hij. ‘Je hebt me de hele namiddag genegeerd, ik houd het niet uit.’
Toen we weer naar buiten gingen, bleef ik mooi naast Carl lopen. Klimt bleef me onophoudelijk achtervolgen. ‘Wees niet meer boos op me, Alma, alsjeblieft...’
Bij thuiskomst kwam Carl naar me toe en zei: ‘Ik weet alles, ik ben van jullie verhouding op de hoogte. Ik weet hoe intiem jullie al met elkaar zijn. Morgen zal ik hem erop aanspreken. Het is een schande. We hebben het er morgen nog wel over, Alma.’
Ik heb mijn bed nog gevonden, maar vraag me niet hoe... de godganse nacht heb ik met open ogen op bed gelegen en heb ik er sterk over gedacht het raam zachtjes te openen en in de lagune te springen.


Nog voor haar huwelijken met Gustav Mahler, Walter Gropius en Franz Werfel, en haar verhouding met Oskar Kokoschka, had it-girl Alma Mahler (1879-1964) al verhoudingen met Gustav Klimt en Alexander von Zemlinsky. Ze schrijft erover in haar dagboeken uit de periode rond 1900.

dinsdag 2 mei 2017

Brigitte Eicke -- 3 mei 1945

• Brigitte Eicke (1927-?, links op de foto) was in 1945 18 jaar oud en woonde in Berlijn. Ze hield van 1942-1945 een oorlogsdagboek bij.

3. Mai 1945
Donnerstag. Früh ging die Plünderei weiter. Die Russen haben das Bekleidungswerk freigegeben. Mit Tante Walli habe ich zwei Pelzmäntel rausgeholt. Dann sind wir zum Alex runter, wir hatten ja wirklich Mut. Bei Reichelt soll es Konserven geben und Büchsenmilch, als wir da ankamen, sagten sie, die Russen sind unten im Keller und wenn Frauen runterkommen, können sie auch mit [nach] oben nehmen, was sie wollen. Vor dem Hochhaus (wo das Kino und Bienenkorb drin ist) lagen in breiten Reihen lauter Tote und in den Trümmern lagen noch tote Soldaten. Wir sind zu Epa rein und bis auf Krimskram war alles schon weg. Knöpfe, Karten und Schnitte haben wir uns mitgenommen. Mutti hatte solche Angst, dass wir gegangen sind. Horst Schramm und Henri Langsieb sind auch schon abgeholt worden.
Es werden viele Mädchen und Frauen vergewaltigt. Ich bin zu Seiferts gegangen, sie leben alle und es ist nichts passiert. Abends habe ich mit Frau Drajewski zusammen geschlafen, wenn jemand gekommen wär, hätte ich mich unters Bett gelegt, es waren nur noch ihre alten Schwestern und Schwager da. Ich habe das erste Mal gut und von abends zehn bis früh neun geschlafen.

4. Mai 1945
Es sind jetzt gar nicht mehr so viel Russen hier. Wenn welche auf den Hof kamen, unseren Aufgang hoch, sind wir durch unsere Wand, die nicht mehr da ist, zu Kaisers rüber und wenn sie da anklopften, dann sind wir zum Seitenflügel wieder raus.
Wir haben uns heute auf die Socken gemacht, Mutti, Tante Walli und ich sind zu Eicks hingelaufen. Es lagen viele Tote auf der Strasse und aufgedunsene Pferdeleiber, es sieht furchtbar aus, am Hain lang. Wir mussten immer Umwege machen, weil die Russen in der Elbinger die Leute aufgehalten haben und man musste mitarbeiten auf der Strasse. Tante Else und Onkel Paul sind auch gut drüber weg gekommen, aber da haben die Russen noch schlimmer gehaust, da sind viele Frauen vergewaltigt worden, weil sie schon viel früher als wir besetzt worden sind. Ich habe dann mit Mutti zusammen geschlafen, aber nur halb ausgezogen, weil wir immer denken, es kommt jemand. Wenn das unser Papa wüsste, was wir so erleben, dass hätte er auch nie und nimmer gedacht. Ob Kurt noch lebt und meine anderen Soldaten?

1-2 mei; 5-8 mei