woensdag 20 september 2017

Anna Achmatova -- 21 september 1965

Anna Achmatova (1889-1966) was een Russische dichteres. Dagboekfragmenten van haar zijn opgenomen in De echte twintigste eeuw (vertaald door Alissa Leigh en Silvana Wedemann).

21 september 1965
Wij (Olga en ik) gingen naar de Remizovs om de boekmanuscripten van Skaldin te brengen. Er werd niet opengedaan. Na een paar uur was er al een valstrik gelegd - de dag ervoor waren ze naar het buitenland gevlucht. Op de terugweg kwamen we op de hof van de Fontanka Tamara Persits tegen. Ze huilde: Blok was dood.
In de doodkist lag een man die ik nooit had gezien. Mij werd gezegd dat het Blok was. Boven hem stond een soldaat-een grijze oude man, kaal, met waanzinnige ogen. Ik vroeg: 'Wie is dat?' -'Andrej Bjelyj'. Een dodenmis. De Jersjovs (zijn buren) vertelden dat hij van de pijn zo had geschreeuwd dat er voorbijgangers onder her raam waren blijven Maan.
De hele stad, het hele toenmalige Petersburg kwam hem, of beter gezegd dar wat er van hem over was, de laatste eer bewijzen. De inlanders die op het kerkhof het wijdingsfeest vierden, vroegen steeds: 'Wie begraven jullie?'
In de kerk bij de dodenmis was het drukker dan bij een paasochtenddienst. En alles gebeurde voortdurend als in Bloks gedichten. Dat is door iedereen toen opgemerkt en later vaak herinnerd.

FINIS
... Blok noteert dat ik met Delmas en Liza Koezmina-Karavajeva hem heb sufgebeld. Ik denk dat ik daarover wel enkele verklaringen kan geven. Ik belde op. Aleksandr Aleksandrovitsj vroeg met de directheid en manier van hardop denken die hem eigen was: 'U belt waarschijnlijk omdat Ariadna Vladimirovna Tyrkova aan u heeft verteld wat ik over u gezegd heb.
Van nieuwsgierigheid bijna bezwijkend ging ik naar Ariadna Vladimirovna op een van haar dagen en vroeg wat Blok had gezegd. Maar Ariadna Vladimirovna was onwankelbaar: 'Anitsjka, ik vertel nooit aan mijn gasten wat anderen over hen hebben gezegd.'

De Vroebel van Kiev. De Heilige Moeder Gods met de waanzinnige ogen... Dagen die van een harmonie vervuld waren die nadat zij eenmaal verdween, nooit meer terugkwam. En mijn hele leven daarna was slechts een overgang van de ene cirkel naar de andere. Alleen hield iemand streng en aandachtig in de gaten dat ik me niet in de omgekeerde richting zou bewegen, d.w.z. van het slechte naar het goede.

De non Maria (Liza Koezmina-Karavajeva) schrijft in haar Parijse memoires (de jaren dertig) dat Blok in de 'Toren', nadat ik gedichten had voorgelezen (hij had me al eerder horen voorlezen in de 'Dichtersacademie' en op de eerste bijeenkomst van het 'Gilde' bij Gorodetski) zei: 'Achmatova schrijft gedichten alsof er een man naar haar kijkt, terwijl een dichter moet schrijven alsof God naar hem kijkt.' Naast het feit dat een dergelijk optreden in de 'Toren' gewoon ondenkbaar was...

dinsdag 19 september 2017

Paul Morand -- 20 september 1970

Venetiës, het “literaire testament” van de Franse schrijver Paul Morand (1888-1976), bevat autobiografische schetsen, waarin Venetië steeds op de een of andere manier een rol speelt. Het boek werd in het Nederlands vertaald door Geerten Meijsing.

September 1970
Soms wil ik mijn aderen open snijden, als ik mij voorstel dat Venetië vóór mij sterft, dat het ten onder gaat zonder uiteindelijk iets van zijn gedaante na te laten op het wateroppervlak. Zinkend, niet in de diepte, maar een paar voet onder de oppervlakte; zijn kegelvormige schoorstenen, zijn uitkijktorens, vanwaar de vissers hun lijnen zouden uitwerpen, zijn campanile, toevlucht voor de laatste katten van Sint-Markus. Vaporetti die overhangen onder het gewicht van de bezoekers, zouden de oppervlakte sonderen, waarover het slijk van het verleden verwatert; toeristen zouden elkaar met de vinger het goud van een of ander mozaïek aanwijzen, tussen vijf drijvende waterpoloballen: de koepels van de San Marco; de Salute zou als baken dienen voor de vrachtschepen; boven het Canal Grande zouden luchtbelletjes naar boven borrelen, uitgestoten door kikvorsmannen die op de tast zoeken naar de juwelen van Amerikaanse vrouwen in de kluizen van een ondergedompeld Grand Hotel. 'Welke profetie heeft ooit een volk van de zonde afgebracht?' zegt Jeremias.
Venetië verdrinkt; is dat misschien niet het mooiste dat het kon overkomen?

maandag 18 september 2017

Jeanne Meeter Endt -- 19 september 1944

• Jeanne Meeter-Endt (1880-1971) was een Nederlandse huisvrouw die ten tijde van de slag om Arnhem een dagboek bijhield.

Dinsdag, 19 September. [Oosterbeek]
De nacht was onrustig, veel lawaai. Sietske en Onno zijn om 11 uur maar weer naar beneden gehaald. ’t Dorp zit weer vol Duitsers en bij Station-Hoog schijnen ze zich te verschansen in een groot huis; ‘k vrees dat het Waldfriede is, waar de Kochs zitten of zaten. De brug bij Arnhem schijnt telkens van bezitter te wisselen en Arnhem heeft veel te lijden. Achter ons kerkje is een zwaarder kaliber-kanon bijgezet dat ons zojuist heftig verschrikt heeft, zodat we allemaal weer naar ’t trapgat vlogen. Tegen twaalven verschenen er Duitse jagers die boven ons een poosje bleven cirkelen. We waren bang voor een luchtgevecht, maar Engelsche jagers waren zoo gauw niet hier, dus bleef ’t bij kanongebulder. Op straat is ’t doodstil; alleen Engelsche soldaten komen nu en dan voorbij. Elektra is er weer; gas nog niet. Friso heeft een kookkachel van zolder gehaald, waar nu voor beide partijen samen op gekookt wordt. En het schieten gaat maar onophoudelijk door.

6 uur

De middag begon in angstige spanning. De Tommies, met wie velen nu in contact zijn, vertellen dat ze versterking zéér nodig hebben, anders houden ze ’t hier niet. Vanmiddag verwachten ze Polen. Intusschen hooren we dat Waldfriede afgebrand is, evenals verschillende andere huizen o.a. van Crayenhage, die met zijn gezin opgenomen is bij de Brevée’s. Arnhem brandt ook op verschillende plaatsen: Lombok, Klinkelbeek, Heyenoord. Of ’t huis van de Mijnlieffs nog staat? Om een uur of drie komen er troepjes losgelaten gevangenen uit de “Koepel” in Arnhem. Ze komen om kleeren en hulp vragen, en vertellen dat de gevangenis doorzeefd is met kogels; het heeft een paar bewakers ’t leven gekost; de directeur heeft de gevangenen toen losgelaten. Friso met z’n vrinden spant er zich voor om de menschen voort te helpen. Na ze van kleeren voorzien te hebben heeft hij ze over ‘t Drielsche veer gezet; hoewel de veerman riep dat het verboden was, heeft hij zelf de veerboot maar bediend. De Betuwsche boeren moeten hen maar weer verder helpen. In de lucht is ’t een poosje stil, behalve eenige Duitsche jagers op verkenning. Daar ineens, tegen half 5, komt er weer een heele troep zware 4-motorige vliegtuigen uit Engeland aanzetten. Toen ze ongeveer boven Oosterbeek Hoog waren, poef – daar lieten ze een heele bende parachutes los: rood, wit, blauw, bruin, oranje, groen – een prachtig gezicht. We konden alles duidelijk door de ramen zien; telkens weer meer, de lucht was er vol van. Zwaar kanongebulder was ’t antwoord er op – en we krompen weer inéén van schrik. Maar je went toch langzamerhand aan de helsche geluiden. Of ’t soldaten waren of munitie dat er uit de parachutes neerdaalde, konden we toen nog niet uitmaken, maar later vertelden de Tommies ons, dat er voornamelijk voorraden neerdaalden en dat er aan de kleur van de parachute te zien was, of het munitie of mondvoorraad of verbandmiddelen enz. waren. Één van de vliegtuigen werd getroffen en zagen we brandend neerkomen. Ze gooiden toch nog twee parachutes uit, waarschijnlijk de piloten

zondag 17 september 2017

Marten Toonder -- 18 september 1982

Marten Toonder (1912-2005) was een Nederlandse striptekenaar. In 1982 hield hij gedurende enige dagen voor NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij. Aanleiding was de toekenning van de Stripschapprijs.

16/9 | 17/9

Zaterdag [18 september]
Beter geslapen door afnemende hitte. Mist maakt Munttoren toch weer onzichtbaar, zodat enige zorg over vliegreis. Wind echter naar westen draaiend volgens geleerde in ochtendblad. Marilou kwam ons halen. Het lieve kind had een kolossale verzameling foto's bij zich van Phiny's verjaardag. Hadden die hier op dinsdag passend gevierd met familie en vrienden. Ook toespraken, zelfs van jongst aanwezende neef Bernt Jan Marten. Helaas geen foto's van dinsdagmiddag, toen kleinkinderen lunch opluisterden. Hadden die graag gehad, maar men kan niet alles hebben. Tocht naar Schiphol verliep gunstig door optrekkend wolkendek en rijkunst van Marilou, terwijl Phiny op de achterbank dapper haar meerijden verzweeg.
Vlieghaven overvol, evenals vliegtuig. Sardines in blikje. Vliegen is interessanter dan men denkt. Vertrokken slechts een kwartier te laat door misttoestanden en geraakten daarop in een onmeetbare wolkenlaag, die in onzekerheid verkeerde omtrent de te volgen koers: west of oost. Herhaalde troostend, wat weerkundige had geschreven. Zonder baat echter. Phiny's herinnering verwijlde bij vorige tocht toen toestel tot twee keer toe weer moest optrekken omdat landingsbaan onzichtbaar was en radarmannen met onlustgevoelens in staking waren gegaan. Moesten toen door naar Shannon. Tja, men woont niet voor niets in Ierland. Dit keer ging het echter beter. Boven Dublin bleek zich gewone lucht onder wolkenmassa te bevinden en radarlieden deden hun plicht. Was goed, weer zuivere lucht te ademen en paspoorten te laten bekijken door vriendelijke Ieren in burgermanskleren. Werden afgehaald door Eiso en bereikten huis in namiddag, alwaar hond Cleo en kat Peony in alle staten. Legen van koffers vergde veel tijd: hadden tweemaal zoveel bagage als toen wij weggingen. Grotendeels bijdragen van aardige mensen, maar ook eigen schuld.
Werden afgelopen dinsdag aangetrokken door winkel in schrijf-en verfbehoeften, waar papiergeur hing, die herinneringen uit jeugd opriep. Toen waren het schelvis- en kroontjespennen, waterpaspenhouders en olifantstuf. Schitterend. Maar deze onderneming overtrof alles wat wij gezien hadden, op jeugdige leeftijd buitenlands gegaan zijnde. Brachten er enkele uren door en schaften mappen, verven, inkten, papier, karton en enveloppen aan. Ook kaartjes waarop gouden letters, die met pincet en kleef-band op van allerlei konden worden aangebracht, aldus gebruiksaanwijzing.
Hoe prachtig; zwarte mappen met gouden letters. Zulke winkels zouden rijkssubsidies moeten krijgen. Het was hele vracht en Phiny moest koffer en uitzetbare tas bijkopen om met alles thuis te kunnen komen. Heb haat aan tassen en koffers. Als vrachtdier zeulen met loden last tussen zwetende mensenmassa's door onmetelijke vlieghallen zonder kruiers of van die handige wagentjes, die nergens te vinden zijn als men ze nodig heeft. Hangen en schuiven in oneindige rijen bij een balie waarachter een overspannen meisje vliegkaartjes zit uit te schrijven. Geef mij maar lichte handbagage. Egoïstisch natuurlijk. Ben slechts een primitief man, die met een verfijnd wezen als een vrouw op reis gaat en daar rekening mee moet houden. Het ledigen van bagage vergde dus veel tijd. Aten zelf-gebakken brood en gingen op tijd naar bed. Een verloren dag, hoewel tuin en bloemen erg mooi waren, en het goed is weer thuis te zijn, ondanks alle aardige mensen in Holland.

Dang Thuy Tram -- 17 september 1968

Dang Thuy Tram (1942-1970) was een Vietnamese arts. Haar dagboek kwam pas lang na haar dood en na de Vietnam-oorlog boven water. Het is in het Nederlands vertaald als Dagen van vuur (door Marion Drolsbach).

17 september 1968
Zuster Cap vertelt over de dag dat Khiem zijn leven heeft geofferd. Het verhaal breekt mijn hart. Khiem is dood, zijn hoofd verbrijzeld, een arm en een been afgerukt. Hij lag op het zand van zijn vaderland. Khiems vader was gewond, zijn beide armen waren vastgebonden en het bloed gutste uit zijn schouder Toen hij het lichaam van zijn zoon zag, kon hij zijn tranen niet bedwingen. Zijn ogen. die brandden van verdriet en haat, straalden een diepe vaderliefde uit.
Khiem is gestorven. Zijn moeder stond bij het lijk van haar zoon, maar kon geen woord uitbrengen. Ze is er nog steeds niet overheen en wanneer ze wakker is, huilt ze aan een stuk door om haar zoon.
Och Khiem. Kun je vanuit het hiernamaals het verdriet van de levenden zien? De tranen van je ouders zijn nog niet opgedroogd en het hart van deze vriendin bloedt nog steeds.

19 september 1968
Tijdens het jeugdcongres op districtsniveau bevind ik me tussen de jongeren die zijn opgegroeid in de strijd. Ik maak kennis met de tieners en luister naar hun rapporten.
Hoang, veertien jaar, heeft in de eerste zes maanden vijf Amerikaanse soldaten gedood, twee tanks laten kantelen met zijn eigen geïmproviseerde wapens en zeven vijandelijke kanonnen buitgemaakt, waaronder twee mortieren en andere typen.
An Pho Chau heeft vijf kanonnen buitgemaakt, waarvan twee mortieren, en een radio.
De broertjes zijn op hun jonge leeftijd al helden.
Wees trots op onze jongeren!

27 september 1968
Ik ben toegelaten tot de Partij.
Mijn overheersende gevoel vandaag is dat ik moet vechten om de titel 'communist' te verdienen. Wat blijdschap betreft, waarom is die zo gering in verhouding met de betekenis van zo'n heuglijke dag? Hoe komt dat, Thuy? Waarschijnlijk is het zoals ik laatst zei: voor een kind dat al zo lang naar de moedermelk heeft gesmacht, smaakt die lang niet zo lekker.
Tijdens het mediteren ter nagedachtenis aan hen die zich hebben opgeofferd voor de missie van de Partij, voelde ik het gemis van de dierbaren in Duc Pho die in deze strijd op leven en dood zijn gevallen.

zaterdag 16 september 2017

Franz Kafka -- 16 september 1915

Franz Kafka (1883-1924) was een Tsjechische schrijver. Zijn dagboeken 1910-1923 zijn te lezen bij Gutenberg.

16. September. Anblick der polnischen Juden, die zum Kol Nidre [joods gebed] gehn. Der kleine Junge, der, unter beiden Armen Gebetmäntel, neben seinem Vater herläuft. Selbstmörderisch, nicht in den Tempel zu gehn.
Bibel aufgeschlagen. Von den ungerechten Richtern. Finde also meine Meinung oder wenigstens die Meinung, die ich in mir bisher vorgefunden habe. Übrigens hat es keine Bedeutung, ich werde in solchen Dingen niemals sichtbar gelenkt, vor mir flattern nicht die Blätter der Bibel. Die ergiebigste Stelle zum Hineinstechen scheint zwischen Hals und Kinn zu sein. Man hebe das Kinn und steche das Messer in die gestrafften Muskeln. Die Stelle ist aber wahrscheinlich nur in der Vorstellung ergiebig. Man erwartet dort ein großartiges Ausströmen des Blutes zu sehn und ein Flechtwerk von Sehnen und Knöchelchen zu zerreißen, wie man es ähnlich in den gebratenen Schenkeln von Truthähnen findet.
›Förster Fleck in Rußland‹ gelesen. Napoleons Rückkehr auf das Schlachtfeld von Borodino. Das Kloster dort. Es wird in die Luft gesprengt.

vrijdag 15 september 2017

May Sarton -- 15 september 1972

• May Sarton (1912-1995) was een Amerikaanse schrijfster. Een van haar bekendste werken is Journal of a solitude. Op Brainpickings staat Maria Popova stil bij deze en andere fragmenten over eenzaamheid.

September 15, 1972
It is raining. I look out on the maple, where a few leaves have turned yellow, and listen to Punch, the parrot, talking to himself and to the rain ticking gently against the windows. I am here alone for the first time in weeks, to take up my “real” life again at last. That is what is strange—that friends, even passionate love, are not my real life unless there is time alone in which to explore and to discover what is happening or has happened. Without the interruptions, nourishing and maddening, this life would become arid. Yet I taste it fully only when I am alone…
[...]
For a long time now, every meeting with another human being has been a collision. I feel too much, sense too much, am exhausted by the reverberations after even the simplest conversation. But the deep collision is and has been with my unregenerate, tormenting, and tormented self. I have written every poem, every novel, for the same purpose — to find out what I think, to know where I stand.
[...]
My need to be alone is balanced against my fear of what will happen when suddenly I enter the huge empty silence if I cannot find support there. I go up to Heaven and down to Hell in an hour, and keep alive only by imposing upon myself inexorable routines.

September 18, 1972
The value of solitude — one of its values — is, of course, that there is nothing to cushion against attacks from within, just as there is nothing to help balance at times of particular stress or depression. A few moments of desultory conversation … may calm an inner storm. But the storm, painful as it is, might have had some truth in it. So sometimes one has simply to endure a period of depression for what it may hold of illumination if one can live through it, attentive to what it exposes or demands.

donderdag 14 september 2017

Hans Christian Andersen -- 14 september 1843

Hans Christian Andersen (1805-1875) was een Deense (sprookjes)schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is gepubliceerd in Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd (vertaald door Edith Koenders).

• Toen de destijds wereldberoemde Zweedse sopraan Jenny Lind in 1843 in Kopenhagen verbleef, werd Andersen verliefd op haar. De gevoelens waren niet wederzijds - hoewel de twee altijd vrienden zijn gebleven. Andersen schreef De Chinese nachtegaal voor haar. Naar verluidt heeft Lind daar haar bijnaam 'de Zweedse nachtegaal' aan te danken.

Zondag 10 september 1843 [Kopenhagen] Jenny Linds eerste optreden als Alice, ze werd teruggeroepen; ’s avonds met haar bij de Bournonvilles, er werd op haar en op mij gedronken, verliefd.

Woensdag 13 september 1843 [Kopenhagen] Jenny Lind zong voor de tweede keer in Robert, ik heb haar een boeket en een gedicht gegeven; ontstemd omdat ze zaterdag vertrekt.

Donderdag 14 september 1843 [Kopenhagen] De reis uitgesteld; iedere dag bij haar; haar mijn gedichten gestuurd, met haar naar de tentoonstelling van Thorvaldsen geweest. [...]

Zaterdag 16 september 1843 [Kopenhagen] Concert van Jenny Lind, ’s avonds bij de Bournonvilles; Jenny en ik vertrouwelijk.

Zondag 17 september 1843 [Kopenhagen] [...] Gegeten bij de Oehlenschlägers. ’s Avonds kwam Jenny L. Ik heb niet met haar gesproken; jaloers op Günther. We reden met de omnibus naar de stad en ik heb haar thuisgebracht.

Maandag 18 september 1843 [Kopenhagen] Haar bezocht, de gedichten van de anderen gelezen, overwogen haar een aanzoek te doen. – In het water geweest; ze zingt voor de koning.

Dinsdag 19 september 1843 [Kopenhagen] De diamanten van Jenny Lind door de koning geschonken, haar mijn portret gestuurd, liedjes geschreven. ’s Avonds bij Nielsen waar 300 studenten haar een serenade brachten; ik houd van haar. ’s Nachts om half twee thuisgekomen, brief geschreven.

Woensdag 20 september 1843 [Kopenhagen] Op Toldboden om half vijf ’s ochtends Jenny vaarwel gezegd, haar een brief toegestopt, die ze moet begrijpen. Ik heb lief! [...]

Donderdag 21 september 1843 [Kopenhagen] In slecht humeur! – Gekweld.

Vrijdag 29 september 1843 [Kopenhagen] Jenny Lind geschreven. In het water.

Maandag 2 oktober 1843 [Kopenhagen] Melancholiek; besloten mijn gedichten te bundelen en op te dragen; erotische gedichten geschreven.

Dinsdag 3 oktober 1843 [Kopenhagen] Bij de Collins gegeten, slecht humeur; geldzorgen.

Zaterdag 7 oktober 1843 [Kopenhagen] Het sprookje ‘Het zwanenjong’ [Het lelijke jonge eendje] voltooid.

Dinsdag 10 oktober 1843 [Kopenhagen] Bij de Collins gegeten. Het sprookje De engel geschreven.

Woensdag 11 oktober 1843 [Kopenhagen] Naar Tivoli, avondje bij de familie Carstensen. Begonnen aan het Chinese sprookje [De nachtegaal].

Donderdag 12 oktober 1843 [Kopenhagen] Thuis gegeten. Visites; het Chinese sprookje voltooid.

dinsdag 12 september 2017

Mischa de Vreede -- 13 september 1983

• De Nederlandse schrijfster Mischa de Vreede (1936) hield in september 1983 een 'Hollands Dagboek' bij voor NRC Handelsblad. Ze doceerde toen Nederlands aan de universiteit van Ann Arbor, in Michigan.

Dinsdag [13 september]
Eindelijk weer eens een boek kunnen lezen en ongebreideld uit het raam kunnen kijken. Tien uur lang in trein op en neer naar Chicago, alwaar nuttig gesprek met heer Van Nispen, onze consul-generaal in Mid-West-Amerika, ongeveer zo groot als West-Europa, schat ik. Weet nu zo'n beetje wat er van mij verwacht wordt en waar ik terecht kan met vragen en voor behartiging van geldproblemen, want mezelf goed verkopen kan ik nu eenmaal niet. WVC en Michigan University betalen ieder helft van mijn loon. Moet trachten zowel de universiteit te behagen door in Residence te blijven, dus aanwezig zijn als docent, terwijl prof. Cowen mij als afgezant van zijn departement graag overal in het land laat spreken, desnoods voor niets. Delicate positie; ik zal wel zien wat er op mij afkomt, zo goed mogelijk doen waarvoor ik ben ingehuurd en intussen hoop ik ook voor mezelf te kunnen werken.
Heb me onderweg in knowledge voor rijexamen verdiept. Vind nog steeds treinen aardiger dan auto's. Ze vreten zich niet zo door het landschap heen, maar strijken erlangs en laten mij kijken. Lake Michigan zo groot als de zee en met schuimkopjes.

Woensdag [14 september]
Helder koud herfstweer, extra deken op bed. Op tv mijn favoriet Phil Donahue die zo leuk heen en weer loopt. Ditmaal over Depo-provera, prikpil, als sexual appetite oppressor voor verkrachters. Op campus mijn lesmateriaal voor morgen gexeroxed. Mag op 10 leerlingen rekenen. Om 4 uur met Cowen plus vrouw naar receptie van faculteit waar hij me aan de dean voor moet stellen. Precieuze hapjes, rare wijn, mooie ruimte, veel handen geven, veel namen niet verstaan, een paar aardige gezichten. Verkeer nog in stadium: onderzoek alles, behoud het goede, dus beschouw het niet als tijdverlies.
Thuis lange brief van zoon. Bewaar zijn cadeau, bandje van zijn zanggroep Tamam voor mijn verjaardag, de 17de.
Hoor mezelf terug in interview voor WUOM: het is net of daar een vreemde zit te praten en lacht.

Ernesto Che Guevara -- 12 september 1967

Ernesto Guevara (1928-1967) hield tijdens de laatste elf maanden van zijn leven een dagboek bij. Het is in het Nederlands gepubliceerd als Boliviaans dagboek (Vertaling: Tineke Hillegers-Zijlmans en Frieda Kleinjan-van Braam).

12.9.67
De dag is begonnen met een tragi-komisch voorval: precies om 6 uur, het tijdstip van het reveil, kwam Eustaquio me waarschuwen dat er mensen aankwamen, langs de bergstroom; appèl, te wapen, iedereen staat klaar; Antonio heeft ze gezien en als ik hem vraag met hoeveel ze zijn gebaart hij met zijn hand dat het er vijf zijn. Het bleek tenslotte een hallucinatie te zijn, gevaarlijk voor het moreel van de, troep want men begon meteen over psychose te praten. Ik ben daarna wat met Antonio gaan praten en hij is klaarblijkelijk niet normaal; hij begon te huilen maar hij zei dat hem niets dwars zat en hij legde uit dat het slechts gebrek aan slaap was, omdat hij al zes dagen corvee heeft sinds hij die keer op zijn post in slaap gevallen is en dat niet wilde toegeven. Chapaco heeft een bevel niet opgevolgd en is met 3 dagen corvee gestraft. Vanavond vroeg hij mij of hij naar de voorhoede overgeplaatst mocht worden, omdat hij niet met Antonio op kan schieten; ik heb het geweigerd. Inti, León en Eustaquio zijn de bergstroom wat grondiger gaan verkennen om te zien of die gebruikt kan worden om aan de andere kant van een grote bergketen te komen die men in de verte kan zien. Coco, Aniceto en Julio zijn stroomopwaarts getrokken om te proberen doorwaardbare plaatsen te ontdekken en te onderzoeken hoe de dieren meegenomen kunnen worden als we die richting ingaan.
Het aanbod van Barrientos heeft, zo lijkt het, een zekere sensatie verwekt; in elk geval is een journalist die het goed bedoelt van mening dat 4200 dollar weinig is voor het gevaar dat ik zou zijn. Radio Havana heeft bekendgemaakt dat de OLAS een adhesiebetuiging had ontvangen van het Nationaal Bevrijdingsleger van Bolivia; een wonder van telepathie!

zondag 10 september 2017

Miriam Wattenberg -- 11 september 1940

Miriam Wattenberg was een Joods meisje dat in 1940 in het ghetto in Warschau terechtkwam. Dankzij de Amerikaanse nationaliteit van haar moeder kon ze in 1944 naar de Verenigde Staten vertrekken, waarna ze haar naam veranderde in Mary Berg. Ze hield een dagboek bij van 1939-1944, dat na de oorlog gepubliceerd werd. Het fragnment gaat over een show waar ze aan deelnam, die bedoeld was om geld in te zamelen voor de Joodse vluchtelingen uit Lodz.

SEPTEMBER 11, 1940
Our first performance took place early this month at 5 Przejazd, in the Joint Distribution Committee office. Our success surpassed all expectations, and the receipts were considerable. We were immcdiately asked to give other performances, all of which were very successful. Our Lodz group is proud of making such a hit in Warsaw. Some of us are now quite famous with the Jewish population. Harry's voice fascinates all the girls, Stefan's witty introductions arouse stormy applause, and Olga is praised for her playing. As for myself, the most fantastic rumors are spread about me—this is Harry's work. People wonder whether it is really true that I know very little Polish and that I performed in America. At every show I have to repeat my first song, "Moonlight and Shadow," several times. The other members of our group are also very popular. We call ourselves the "Lodz Artistic Group," or, as it is abbreviated in Polish, the LZA. This is curiously symbolic: the word "lza" in Polish means "tear."
At about the same time as we organized our group, a few cafés were opened on the Aryan side, where famous Polish artists who refused to perform in the Nazi-controlled theaters serve simultaneously as artists and waiters.

zaterdag 9 september 2017

Salvador Dali -- 10 september 1956

• Niet gehinderd door valse bescheidenheid, zoals de wereld dat van hem gewend was, schetst de Spaanse schilder Salvador Dali (1904-1989) in de dagboekfragmenten in Mijn leven als genie (vertaling Gerrit Komrij) een zelfportret met surrealistische trekjes.

10 september 1956
Ik moet alles vertellen, zelfs wanneer het ongeloofwaardig is. Mijn persoonlijkheid sluit iedere mogelijkheid tot snoeverij of mystificatie uit, aangezien ik een mysticus ben, en aangezien mystiek en mystificatie formeel aan elkaar tegengesteld zijn door de wet van de communicerende vaten. Laatst op een morgen kwam een oude vriend van mijn vader, die wilde dat ik een oud schilderij van mij uit het bezit van zijn familie identificeerde, bij mij op bezoek. Ik zei hem dat dit schilderij authentiek was. Het verbaasde hem dat ik het zomaar voor authentiek kon verklaren, zonder het doek zelfs gezien te hebben. Maar voor mij was het voldoende dat ik hem had gezien. Hij drong er bij mij op aan me het doek, dat in de gang was blijven staan, te laten zien.
'Bekijk het eens... Ik heb het laten staan naast de opgezette beer.'
'Onmogelijk,' zei ik, 'Zijne Majesteit de Koning staat net achter de beer zijn zwembroek aan te trekken.'
Hetgeen volstrekt waar was.
'O,' antwoordde hij met een lichte vermaning in zijn stem, 'o, als u niet de grootste clown ter wereld zou zijn, dan zou u de grootste schilder worden!'

Margaretha Ferguson -- 9 september 1960

Margaretha Ferguson (1920-1992) was een Nederlandse 'Indische' schrijfster. Dagboeknotities van haar zijn gepubliceerd onder de titel Brief aan niemand.
• portret: Bep Rietveld

9 september 1960
De bijeenkomst met Tjalie Robinson, Hein Buitenweg, Rob Nieuwenhuys (Hein de aardigste van de drie). De oprichting van het tijdschrift Onon. Zal het gaan leven? Na borrels kwam het gesprek op Hella Haasse en Aya Zikken, werk en persoon. Vandaag dacht ik ineens, wat betrekken ze toch altijd ook het al of niet vrouwelijk-aantrekkelijke erbij. Heb geen flauw idee hoe ze mij eigenlijk vinden, noch als schrijfster, noch als vrouw. Ik denk dat ze een soort kameraadschappelijk geschiktheidsgevoel ten opzichte van mij hebben. Hetgeen voor deze werksituaties ook het beste is, wat mij betreft.
Gisteravond: Mary Kiehl en Dersjovitsj, het volkomen meeleven van Dersj bij wat ik voorlas, zijn kop die van een oude satyr en een gekweld mysticus tegelijk, bij de doodringende joodse muziek. Door naar Dersj te kijken beleefde ik het Einmalige in zijn absoluutheid. Dersj heeft Lodewijk van Deyssel nog gekend, was bevriend met Victor van Vriesland. Na de oorlog leeft hij volkomen teruggetrokken; fungeert als waker bij bouwwerken, maar drinkt zijn koffie in The House of Lords.

vrijdag 8 september 2017

Karen Geurtsen -- 8 september 2009

Karen Geurtsen (1983) is een Nederlands journaliste, die begin 2010 opzien baarde toen bekend werd dat ze undercover bij de PVV had gewerkt. Haar dagboek uit die periode is verschenen als Undercover bij de PVV.

DINSDAG 8 SEPTEMBER
Mijn vaste Tweede Kamer pas is klaar. Vanaf nu kan ik zelf in de PW-vleugel komen. Die vleugel is, anders dan die van de andere partijen, afgesloten voor iedereen, behalve de eigen fractie en eigen fractiemedewerkers. Mijn nieuwe pas heeft ook als voordeel dat ik niet meer door de detectiepoortjes bij de ingang van het Tweede Kamergebouw hoef. Ik kan dus in principe meenemen wat ik wil, besef ik verbaasd. Ook pistolen en bommen.
Op het secretariaat staan saucijzenbroodjes en kaasbroodjes voor ons klaar, omdat Wilders afgelopen zondag 46 is geworden. Zelf is hij er niet. Wéér niet. Ik heb hem tot dusver nog niet vaak gezien.
Terwijl we ons tegoed doen aan de broodjes, mokt Jolanda na over de weigering van het kabinet om te vertellen wat de kosten zijn van massa-immigratie. "Ik kreeg gelijk rillingen over mijn rug toen ik het hoorde! Dan zullen de cijfers wel heel negatief zijn"
Floor vertelt dat een verslaggever zaterdag bij een training van kandidaat-gemeenteraadsleden Ehsan Jami, in 2007 oprichter van het Centraal Comité voor Ex-moslims, heeft gespot, "Heel irritant. En die journalist had natuurlijk al een foto gemaakt voor we hem weg konden sturen." De Roon is bijna de hele dag weg voor vergaderingen. Als hij s middags even achter zijn computer zit, begint hij opeens hard te lachen. Zijn fractiegenoot Dion Graus heeft Kamervragen gesteld over een man die zijn drie katten op wrede wijze om het leven heeft gebracht. De dader is weggekomen met dertig uur taakstraf.
Raymond: "Wij opperden gekscherend tegenover Dion dat de dader geconfronteerd zou moeten worden met foto's van zijn slachtoffers. Nu zie ik dat Dion die eis ook echt in zijn Kamervragen heeft opgenomen, haha." Maar liefst negen P W-medewerkers hebben hem het kan-tenbericht over de dierenbeul toegestuurd; Floor was precies dertig seconden eerder dan Wilders, heeft Graus verklaard.
Toch had hij, toen ze de kwestie in de fractie bespraken, verbaasd gereageerd dat hij überhaupt Kamervragen over de kattenmoordenaar mocht stellen. De vorige keer kreeg hij in een soortgelijk geval geen steun van zijn collega's. "Het is alweer een tijdje geleden, dus nu kan het wel weer een keer" had Geert volgens De Roon geantwoord. Graus profileert zich in de pers als hardcore dierenliefhebber. Inmiddels weet ik dat PVVers, om de krant te halen, hun weerzin jegens of passie voor iets maar al te graag aandikken, maar Dion is écht verzot op dieren. De Tweede Kamer kampt met een muizenplaag; ik zie ze regelmatig langs de verwarmingsbuizen lopen en Evelien had laatst zelfs visite in haar bureaula. De facilitaire dienst van de Kamer probeert de beesten te verdelgen met doosjes gif. Bij de PW heeft dat evenwel geen enkele zin; Graus haalt alle gifdoosjes weg.
Ik maak nog een praatje met Peter. Hij vertelt dat hij blij is dat hij bij Brinkman zit, en niet bij De Roon. "Hero is een flapuit. Raymond staat er juist om bekend dat hij nooit wat leuks zegt. Hij is zo gesloten als een oester, vooral als het over fractieaangelegenheden gaat." Daar ben ik dan mooi klaar mee, denk ik.

WOENSDAG 9 SEPTEMBER
Op het toilet - de herentoiletten en het damestoilet zitten in één ruimte - tref ik Hero Brinkman, die druk bezig is met zijn haar. Hero is dol op spiegels, heeft Peter al eens gegrinnikt. Brinkman schrikt van mijn entree. "Hallo," zeg ik.
"Eh, hallo," stamelt hij en loopt dan snel naar buiten. De Roon vertelt over een boze burger die heeft gemaild dat de politie botweg heeft geweigerd zijn aangifte van mishandeling in behandeling te nemen. Gedecideerd: "Hier kunnen we verder niks mee, behalve de burger doorverwijzen of op de goede weg helpen."
Even later treft hij op een website iets aan over hooligans. "Hé, hiermee kunnen we in de krant komen!"

woensdag 6 september 2017

Søren Kierkegaard -- 7 september 1849

Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Dagboeken.

7 september 1849
Stel dat ik met haar getrouwd was. Laten we dit eens aannemen. Wat dan? Binnen een halfjaar, ja, zo niet eerder zou ze zichzelf totaal van streek hebben gemaakt. Ik heb – en dat heeft zowel zijn goede als zijn slechte kanten – iets spookachtigs over me, iets dat ervoor zorgt dat niemand die mij in het leven van alledag meemaakt en in een echte relatie tot mij staat, het met mij uit kan houden. Tja, in de lichte overjas waarin ik mij over 't algemeen vertoon, is dat wat anders. Maar thuis zal blijken dat ik in een geesteswereld leef. Ik ben een jaar met haar verloofd geweest, maar in feite kende ze me niet. – Ze zou er dus aan onderdoor gegaan zijn. Mij zou ze waarschijnlijk ook stuk gemaakt hebben, want ik heb haar gewicht fout getaxeerd, haar werkelijkheid was in zekere zin te licht. Ik was te zwaar voor haar, zij te licht voor mij, maar zowel het een als het ander kan heel gemakkelijk tot overbelasting leiden. Zo zou ik het niet tot iets gebracht hebben, of ik zou me misschien toch ontwikkeld hebben, maar zij zou me tot een last geworden zijn, omdat ik in zou zien dat ze volkomen misplaatst was als mijn vrouw. – Dan zou ze gestorven zijn. En dan zou alles voorbij zijn. Haar als mijn vrouw de geschiedenis mee innemen, nee, dat was echt niet mogelijk.

• Vanaf zijn eenentwintigste heeft de Deense schrijver-filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855) een dagboek bijgehouden. Deze notities zijn voor veel hedendaagse lezers toegankelijker dan zijn grote werken, en tonen vooral de oorspronkelijke denker en zonderling die hij was.

= = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = = =
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere dag een dagboekfragment en een gedicht per mail.
Aan- en afmelden: http://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

dinsdag 5 september 2017

Menno ter Braak -- 6 september 1939

Menno ter Braak (1902-1940) was een Nederlandse schrijver. Na de Duitse inval in Polen (1 september 1939) hield hij een maand lang een journaal bij.

6 Sept.
Belangrijke oorlogsberichten blijven tot dusverre uit, evenals de beroemde Blitzkrieg, waarmee men de Duitse burger heeft zoetgehouden. Ik weet niet, of men ooit aan de oorlog went, maar aan de gedachte, dat er ergens anders oorlog is, went men zeer snel. Alle organen zetten zich aan het werk om dat feit te verteren.

Gisteren enige bladen aan soldaten gebracht, die in een school ingekwartierd zijn. Ik bedacht, dat ik dit 25 jaar geleden ook gedaan had. Het was de twaalfjarige toen nog mogelijk, het voornaamste deel van de oorlogsobsessie over te dragen op de ouderen; hoofdprobleem was, ik herinner het mij zeer goed, of mijn vader al dan niet in dienst zou moeten als officier van gezondheid. Toen dat niet het geval was, was een deel van de oorlog al voorbij, en voor de rest: wij prikten vlaggetjes op een kaart en ik schreef een verhaal over de zaak. Zijn er nu mensen, die met vlaggetjes werken? Ik geloof, dat deze ‘aardigheid’, behalve bij vaklieden, weinig aanhangers meer heeft. Gemis aan hoera-patriotisme.

Iemand vertelde mij gisteren, dat hij de orthodoxe communist K. als een gebroken man had aangetroffen, na het Duits-Russisch verdrag. Maar met dat al hield hij stijf en strak vol, dat dit de geniaalste zet van Stalin was tegen de fascisten! Hij wilde zelfs vechten tegen Hitler. Ik ken deze K. zelf als een door en door eerlijk man. Van deze soort gelovigen waren er nog vele in de communistische partij. Voor hen begint thans de taak, om alles wat er aan Jezuïetisme in hen is te mobiliseren, ten einde in godsnaam (in marx' naam) maar te kunnen blijven geloven, wat zij altijd geloofd hebben. Zij zullen ‘twijfelen’, misschien voor het eerst, want tegen het argument, dat Stalin door zijn verdrag te sluiten de oorlog heeft mogelijk gemaakt, kunnen zij alleen met de wanhopigste ‘ptolemaeïsche’ redeneringen nog iets inbrengen. Hun haat tegen Chamberlain, ‘die het verdrag gesaboteerd heeft’, is een van die ‘ptolemaeïsche’ argumenten... en het is best mogelijk, dat deze ietwat vage figuur dat gedaan heeft; alleen komt daardoor de marxistische theorie van het Heilige Rusland nog niet weer op orde, en voor eerlijke mensen als K. zal daarom de innerlijke twijfel voortduren. Ik heb zelden iemand met een zo eerlijke en dogmatische schedel gezien als deze K.

maandag 4 september 2017

Samuel Pepys -- 5 september 1666

Samuel Pepys (1633–1703) was een Britse hoge ambtenaar, die vooral beroemd is geworden vanwege zijn dagboeken. Hieronder doet hij verslag van de laatste dag van de Grote brand van Londen, die duurde van 2-5 september 1666.

Wednesday 5 September 1666
I lay down in the office again upon W. Hewer’s, quilt, being mighty weary, and sore in my feet with going till I was hardly able to stand. About two in the morning my wife calls me up and tells me of new cryes of fire, it being come to Barkeing Church, which is the bottom of our lane. I up, and finding it so, resolved presently to take her away, and did, and took my gold, which was about 2350l., W. Hewer, and Jane, down by Proundy’s boat to Woolwich; but, Lord! what sad sight it was by moone-light to see, the whole City almost on fire, that you might see it plain at Woolwich, as if you were by it. There, when I come, I find the gates shut, but no guard kept at all, which troubled me, because of discourse now begun, that there is plot in it, and that the French had done it. I got the gates open, and to Mr. Shelden’s, where I locked up my gold, and charged, my wife and W. Hewer never to leave the room without one of them in it, night, or day. So back again, by the way seeing my goods well in the lighters at Deptford, and watched well by people. Home; and whereas I expected to have seen our house on fire, it being now about seven o’clock, it was not. But to the fyre, and there find greater hopes than I expected; for my confidence of finding our Office on fire was such, that I durst not ask any body how it was with us, till I come and saw it not burned. But going to the fire, I find by the blowing up of houses, and the great helpe given by the workmen out of the King’s yards, sent up by Sir W. Pen, there is a good stop given to it, as well as at Marke-lane end as ours; it having only burned the dyall of Barking Church, and part of the porch, and was there quenched. I up to the top of Barking steeple, and there saw the saddest sight of desolation that I ever saw; every where great fires, oyle-cellars, and brimstone, and other things burning. I became afeard to stay there long, and therefore down again as fast as I could, the fire being spread as far as I could see it; and to Sir W. Pen’s, and there eat a piece of cold meat, having eaten nothing since Sunday, but the remains of Sunday’s dinner. Here I met with Mr. Young and Whistler; and having removed all my things, and received good hopes that the fire at our end; is stopped, they and I walked into the town, and find Fanchurch-streete, Gracious-streete; and Lumbard-streete all in dust. The Exchange a sad sight, nothing standing there, of all the statues or pillars, but Sir Thomas Gresham’s picture in the corner. Walked into Moorefields (our feet ready to burn, walking through the towne among the hot coles), and find that full of people, and poor wretches carrying their good there, and every body keeping his goods together by themselves (and a great blessing it is to them that it is fair weathe for them to keep abroad night and day); drank there, and paid two-pence for a plain penny loaf. Thence homeward, having passed through Cheapside and Newgate Market, all burned, and seen Anthony Joyce’s House in fire. And took up (which I keep by me) a piece of glasse of Mercers’ Chappell in the streete, where much more was, so melted and buckled with the heat of the fire like parchment. I also did see a poor cat taken out of a hole in the chimney, joyning to the wall of the Exchange; with, the hair all burned off the body, and yet alive. So home at night, and find there good hopes of saving our office; but great endeavours of watching all night, and having men ready; and so we lodged them in the office, and had drink and bread and cheese for them. And I lay down and slept a good night about midnight, though when I rose I heard that there had been a great alarme of French and Dutch being risen, which proved, nothing. But it is a strange thing to see how long this time did look since Sunday, having been always full of variety of actions, and little sleep, that it looked like a week or more, and I had forgot, almost the day of the week.

zaterdag 2 september 2017

Samuel Pepys -- 4 september 1666

Samuel Pepys (1633–1703) was een Britse hoge ambtenaar, die vooral beroemd is geworden vanwege zijn dagboeken. Hieronder doet hij verslag van de derde dag van de Grote brand van Londen, die duurde van 2-5 september 1666.

Tuesday 4 September 1666
Up by break of day to get away the remainder of my things; which I did by a lighter at the Iron gate and my hands so few, that it was the afternoon before we could get them all away. Sir W. Pen and I to Tower- streete, and there met the fire burning three or four doors beyond Mr. Howell’s, whose goods, poor man, his trayes, and dishes, shovells, &c., were flung all along Tower-street in the kennels, and people working therewith from one end to the other; the fire coming on in that narrow streete, on both sides, with infinite fury. Sir W. Batten not knowing how to remove his wine, did dig a pit in the garden, and laid it in there; and I took the opportunity of laying all the papers of my office that I could not otherwise dispose of. And in the evening Sir W. Pen and I did dig another, and put our wine in it; and I my Parmazan cheese, as well as my wine and some other things. The Duke of Yorke was at the office this day, at Sir W. Pen’s; but I happened not to be within. This afternoon, sitting melancholy with Sir W. Pen in our garden, and thinking of the certain burning of this office, without extraordinary means, I did propose for the sending up of all our workmen from Woolwich and Deptford yards (none whereof yet appeared), and to write to Sir W. Coventry to have the Duke of Yorke’s permission to pull down houses, rather than lose this office, which would, much hinder, the King’s business. So Sir W. Pen he went down this night, in order to the sending them up to-morrow morning; and I wrote to Sir W. Coventry about the business, but received no answer.1 This night Mrs. Turner (who, poor woman, was removing her goods all this day, good goods into the garden, and knows not how to dispose of them), and her husband supped with my wife and I at night, in the office; upon a shoulder of mutton from the cook’s, without any napkin or any thing, in a sad manner, but were merry. Only now and then walking into the garden, and saw how horridly the sky looks, all on a fire in the night, was enough to put us out of our wits; and, indeed, it was extremely dreadful, for it looks just as if it was at us; and the whole heaven on fire. I after supper walked in the darke down to Tower-streete, and there saw it all on fire, at the Trinity House on that side, and the Dolphin Taverne on this side, which was very near us; and the fire with extraordinary vehemence. Now begins the practice of blowing up of houses in Tower-streete, those next the Tower, which at first did frighten people more than anything, but it stopped the fire where it was done, it bringing down the houses to the ground in the same places they stood, and then it was easy to quench what little fire was in it, though it kindled nothing almost. W. Hewer this day went to see how his mother did, and comes late home, telling us how he hath been forced to remove her to Islington, her house in Pye-corner being burned; so that the fire is got so far that way, and all the Old Bayly, and was running down to Fleete-streete; and Paul’s is burned, and all Cheapside. I wrote to my father this night, but the post-house being burned, the letter could not go.

Samuel Pepys -- 3 september 1666

Samuel Pepys (1633–1703) was een Britse hoge ambtenaar, die vooral beroemd is geworden vanwege zijn dagboeken. Hieronder doet hij verslag van de tweede dag van de Grote brand van Londen, die duurde van 2-5 september 1666.

Monday 3 September 1666
About four o’clock in the morning, my Lady Batten sent me a cart to carry away all my money, and plate, and best things, to Sir W. Rider’s at Bednall-greene. Which I did riding myself in my night-gowne in the cart; and, Lord! to see how the streets and the highways are crowded with people running and riding, and getting of carts at any rate to fetch away things. I find Sir W. Rider tired with being called up all night, and receiving things from several friends. His house full of goods, and much of Sir W. Batten’s and Sir W. Pen’s I am eased at my heart to have my treasure so well secured. Then home, with much ado to find a way, nor any sleep all this night to me nor my poor wife. But then and all this day she and I, and all my people labouring to get away the rest of our things, and did get Mr. Tooker to get me a lighter to take them in, and we did carry them (myself some) over Tower Hill, which was by this time full of people’s goods, bringing their goods thither; and down to the lighter,








which lay at next quay, above the Tower Docke. And here was my neighbour’s wife, Mrs. [Buckworth], with her pretty child, and some few of her things, which I did willingly give way to be saved with mine; but there was no passing with any thing through the postern, the crowd was so great. The Duke of Yorke of this day by the office, and spoke to us, and did ride with his guard up and down the City, to keep all quiet (he being now Generall, and having the care of all). This day, Mercer being not at home, but against her mistress’s order gone to her mother’s, and my wife going thither to speak with W. Hewer, met her there, and was angry; and her mother saying that she was not a ‘prentice girl, to ask leave every time she goes abroad, my wife with good reason was angry, and, when she came home, bid her be gone again. And so she went away, which troubled me, but yet less than it would, because of the condition we are in, fear of coming into in a little time of being less able to keepe one in her quality. At night lay down a little upon a quilt of W. Hewer’s in the office, all my owne things being packed up or gone; and after me my poor wife did the like, we having fed upon the remains of yesterday’s dinner, having no fire nor dishes, nor any opportunity of dressing any thing.

Samuel Pepys -- 2 september 1666

Samuel Pepys (1633–1703) was een Britse hoge ambtenaar, die vooral beroemd is geworden vanwege zijn dagboeken. Hieronder doet hij verslag van de eerste dag van de Grote brand van Londen, die duurde van 2-5 september 1666.

Sunday 2 September 1666
(Lord’s day). Some of our mayds sitting up late last night to get things ready against our feast to-day, Jane called us up about three in the morning, to tell us of a great fire they saw in the City. So I rose and slipped on my nightgowne, and went to her window, and thought it to be on the backside of Marke-lane at the farthest; but, being unused to such fires as followed, I thought it far enough off; and so went to bed again and to sleep. About seven rose again to dress myself, and there looked out at the window, and saw the fire not so much as it was and further off. So to my closett to set things to rights after yesterday’s cleaning. By and by Jane comes and tells me that she hears that above 300 houses have been burned down to-night by the fire we saw, and that it is now burning down all Fish-street, by London Bridge. So I made myself ready presently, and walked to the Tower, and there got up upon one of the high places, Sir J. Robinson’s little son going up with me; and there I did see the houses at that end of the bridge all on fire, and an infinite great fire on this and the other side the end of the bridge; which, among other people, did trouble me for poor little Michell and our Sarah on the bridge. So down, with my heart full of trouble, to the Lieutenant of the Tower, who tells me that it begun this morning in the King’s baker’s house in Pudding-lane, and that it hath burned St. Magnus’s Church and most part of Fish-street already. So I down to the water-side, and there got a boat and through bridge, and there saw a lamentable fire. Poor Michell’s house, as far as the Old Swan, already burned that way, and the fire running further, that in a very little time it got as far as the Steeleyard, while I was there. Everybody endeavouring to remove their goods, and flinging into the river or bringing them into lighters that layoff; poor people staying in their houses as long as till the very fire touched them, and then running into boats, or clambering from one pair of stairs by the water-side to another. And among other things, the poor pigeons, I perceive, were loth to leave their houses, but hovered about the windows and balconys till they were, some of them burned, their wings, and fell down. Having staid, and in an hour’s time seen the fire: rage every way, and nobody, to my sight, endeavouring to quench it, but to remove their goods, and leave all to the fire, and having seen it get as far as the Steele-yard, and the wind mighty high and driving it into the City; and every thing, after so long a drought, proving combustible, even the very stones of churches, and among other things the poor steeple by which pretty Mrs. [Horsley] lives, and whereof my old school-fellow Elborough is parson, taken fire in the very top, an there burned till it fell down: I to White Hall (with a gentleman with me who desired to go off from the Tower, to see the fire, in my boat); to White Hall, and there up to the Kings closett in the Chappell, where people come about me, and did give them an account dismayed them all, and word was carried in to the King. So I was called for, and did tell the King and Duke of Yorke what I saw, and that unless his Majesty did command houses to be pulled down nothing could stop the fire. They seemed much troubled, and the King commanded me to go to my Lord Mayor from him, and command him to spare no houses, but to pull down before the fire every way.








The Duke of York bid me tell him that if he would have any more soldiers he shall; and so did my Lord Arlington afterwards, as a great secret.1 Here meeting, with Captain Cocke, I in his coach, which he lent me, and Creed with me to Paul’s, and there walked along Watlingstreet, as well as I could, every creature coming away loaden with goods to save, and here and there sicke people carried away in beds. Extraordinary good goods carried in carts and on backs. At last met my Lord Mayor in Canningstreet, like a man spent, with a handkercher about his neck. To the King’s message he cried, like a fainting woman, “Lord! what can I do? I am spent: people will not obey me. I have been pulling down houses; but the fire overtakes us faster than we can do it.” That he needed no more soldiers; and that, for himself, he must go and refresh himself, having been up all night. So he left me, and I him, and walked home, seeing people all almost distracted, and no manner of means used to quench the fire. The houses, too, so very thick thereabouts, and full of matter for burning, as pitch and tarr, in Thames-street; and warehouses of oyle, and wines, and brandy, and other things. Here I saw Mr. Isaake Houblon, the handsome man, prettily dressed and dirty, at his door at Dowgate, receiving some of his brothers’ things, whose houses were on fire; and, as he says, have been removed twice already; and he doubts (as it soon proved) that they must be in a little time removed from his house also, which was a sad consideration. And to see the churches all filling with goods by people who themselves should have been quietly there at this time. By this time it was about twelve o’clock; and so home, and there find my guests, which was Mr. Wood and his wife Barbary Sheldon, and also Mr. Moons: she mighty fine, and her husband; for aught I see, a likely man. But Mr. Moone’s design and mine, which was to look over my closett and please him with the sight thereof, which he hath long desired, was wholly disappointed; for we were in great trouble and disturbance at this fire, not knowing what to think of it. However, we had an extraordinary good dinner, and as merry, as at this time we could be. While at dinner Mrs. Batelier come to enquire after Mr. Woolfe and Stanes (who, it seems, are related to them), whose houses in Fish-street are all burned; and they in a sad condition. She would not stay in the fright. Soon as dined, I and Moone away, and walked, through the City, the streets full of nothing but people and horses and carts loaden with goods, ready to run over one another, and, removing goods from one burned house to another. They now removing out of Canning-streets (which received goods in the morning) into Lumbard-streets, and further; and among others I now saw my little goldsmith, Stokes, receiving some friend’s goods, whose house itself was burned the day after. We parted at Paul’s; he home, and I to Paul’s Wharf, where I had appointed a boat to attend me, and took in Mr. Carcasse and his brother, whom I met in the streets and carried them below and above bridge to and again to see the fire, which was now got further, both below and above and no likelihood of stopping it. Met with the King and Duke of York in their barge, and with them to Queenhith and there called Sir Richard Browne to them. Their order was only to pull down houses apace, and so below bridge the water-side; but little was or could be done, the fire coming upon them so fast. Good hopes there was of stopping it at the Three Cranes above, and at Buttolph’s Wharf below bridge, if care be used; but the wind carries it into the City so as we know not by the water-side what it do there. River full of lighters and boats taking in goods, and good goods swimming in the water, and only I observed that hardly one lighter or boat in three that had the goods of a house in, but there was a pair of Virginalls in it. Having seen as much as I could now, I away to White Hall by appointment, and there walked to St. James’s Parks, and there met my wife and Creed and Wood and his wife, and walked to my boat; and there upon the water again, and to the fire up and down, it still encreasing, and the wind great. So near the fire as we could for smoke; and all over the Thames, with one’s face in the wind, you were almost burned with a shower of firedrops. This is very true; so as houses were burned by these drops and flakes of fire, three or four, nay, five or six houses, one from another. When we could endure no more upon the water; we to a little ale-house on the Bankside, over against the ‘Three Cranes, and there staid till it was dark almost, and saw the fire grow; and, as it grew darker, appeared more and more, and in corners and upon steeples, and between churches and houses, as far as we could see up the hill of the City, in a most horrid malicious bloody flame, not like the fine flame of an ordinary fire. Barbary and her husband away before us. so as we were forced to begin to pack up our owne goods; and prepare for their removal; and did by moonshine (it being brave dry, and moon: shine, and warm weather) carry much of my goods into the garden, and Mr. Hater and I did remove my money and iron chests into my cellar, as thinking that the safest place. And got my bags of gold into my office, ready to carry away, and my chief papers of accounts also there, and my tallys into a box by themselves. So great was our fear, as Sir W. Batten hath carts come out of the country to fetch away his goods this night. We did put Mr. Hater, poor man, to bed a little; but he got but very little rest, so much noise being in my house, taking down of goods.
We staid till, it being darkish, we saw the fire as only one entire arch of fire from this to the other side the bridge, and in a bow up the hill for an arch of above a mile long: it made me weep to see it. The churches, houses, and all on fire and flaming at once; and a horrid noise the flames made, and the cracking of houses at their ruins. So home with a sad heart, and there find every body discoursing and lamenting the fire; and poor Tom Hater come with some few of his goods saved out of his house, which is burned upon Fish-streets Hall. I invited him to lie at my house, and did receive his goods, but was deceived in his lying there, the newes coming every moment of the growth of the fire;