woensdag 16 augustus 2017

Jan Maartensz Groen -- 17 augustus 1783

• Jan Maartensz Groen (?-?) beschreef in Dagverhaal der Rampen en Wederwaardigheden van het Volk van het Schip De Jonge Alida (1783) de belevenissen en ontberingen die hij en zijn mede-opvarenden meemaakten toen hun schip nabij IJsland met tegenspoed te kampen kreeg.

Na dat wy dan den ganschen Zomer door het Ys in onze Visschery zeer belemmerd waren geweest, stevenden wy
Den 9den van Augustus, op het gerucht dat ’er om het Zuiden veel visch was, zuidelyk, en passeerden de Kaap Noord. Wy hadden toen goed weer, en vernamen weinig ys, zo dat wy al verder om het Zuiden bleven loopen, en
Den 13den by Grim kwamen, alwaar wy vier dagen met een gelukkig vooruitzicht, door de veelheid der Visch die wy vernamen, vischten. Wy kreegen daar meer Schepen by ons, die ook geen Ys ontmoet hadden.
Den 17den Augustus werd de lucht zo dik en mistig, dat wy ons genoodzaakt vonden, om onze vischvangst te verlaaten. Wy meenden toen oostwaards te loopen, als visschende tot Langernis te komen, en dan onze reis naar het Vaderland aantevangen. Wy stevenden dan ook daadelyk, met ons zeil in top, ’s avonds oostelyk op. Maar het leed niet lang, of het tydstip, waarop onze grootste rampen een aanvang zouden neemen, wierd gebooren, want,
Den 18den, ’s morgens vroeg, werden wy reeds door drie Schepen, die ons ontmoetten, gewaarschouwd, dat wy wenden moesten, zo wy niet in het ys wilden komen. Hoe zeer nu zulks ons ook deed verschrikken, bleven wy echter noch onze cours houden, tot dat wy daadelyk tegen het ys kwamen. Het was toen noch duister en mistig, en wy lagen het over aan de wenk. Toen het dag geworden was, zagen wy ook meer andere Schepen by ons. Wy besloten toen andermaal naar het ys te vaaren; maar daar by komende, vonden wy hetzelve zo vreeslyk dik, dat wy ons in hetzelve niet durfden begeeven; te minder, om dat de lucht ook toen noch zeer mistig was. Wy keerden derhalven met ons vyven terug, zynde die, benevens ons, Teun van Duffelen, Jan van Keulen, Jaap van Blaaderen, en Kees Struis: welke lestgenoemde zedert dien tyd onophoudelyk by ons bleef, en deelgenoot werd van onze grootste elenden. Wy zeilden dan voort, West ten Noorden: ’s avonds bragten wy onze benets af, en lieten het alzo des nachts voor west opsteeken.
Den 19den woei het eene styve koude. Hier kwam noch Alewyn Huiberts by ons. Des morgens, omtrent ten tien uuren, hielden wy derhalven met ons zessen vol, naar de wal toe, met oogmerk om op Heinfort te loopen. Doch naardien de lucht zo mistig was, dat zommigen onzer, hoe zeer wy allen anderzins wenschten in de baai te komen, de wal niet durfden aandoen, laveerden wy weder van de wal af, en lieten het vervolgens ’s nachts, met het schoverzeil, oostelyk opsteeken.

dinsdag 15 augustus 2017

Johann Peter Eckermann -- 16 augustus 1824

Johann Peter Eckermann (1792-1854) was een Duitse dichter, en daarnaast medewerker en vriend van Johann Wolfgang von Goethe. Eckermann is vooral bekend geworden door zijn opgetekende en uitgegeven gesprekken met Goethe (vertaald door Gerda Meijerink).

Maandag, 16 augustus 1824
De omgang met Goethe was de laatste dagen zeer inspirerend, maar ik was met zoveel andere dingen bezig dat het mij niet mogelijk was iets op te schrijven van de vele belangrijke dingen die ter sprake kwamen.
Alleen de volgende details heb ik in mijn dagboek genoteerd, maar de samenhang en de aanleiding ertoe ben ik vergeten.
'Mensen zijn drijvende potten die tegen elkaar stoten.'
' 's Ochtends zijn we het intelligentst, maar ook het zorgelijkst, want ook de zorg is een vorm van intelligentie, alhoewel een passieve. De domheid heeft geen weet van zorgen.'
'Men moet de fouten uit zijn jeugd niet meenemen naar de ouderdom, want de ouderdom brengt zijn eigen tekortkomingen met zich mee.'
'Het leven aan het hof lijkt op een muziekstuk waarin ieder zich aan zijn maten en pauzes moet houden.'
'De hovelingen zouden doodgaan van verveling als ze hun tijd niet met allerlei ceremonieën konden vullen.'
'Het is niet goed om een vorst aan te raden wegens een onbelangrijke kwestie af te treden.'
'Wie toneelspelers wil opleiden, moet oneindig veel geduld hebben.'


• Voor de bejaarde Goethe (1749-1832) was het gesprek een van de belangrijkste vormen van communicatie. In de gesprekken met vrienden en vereerders voerde hij vrijwel dagelijks zijn nog altijd boeiende dialoog met de wereld. Johann Peter Eckermann (1792-1854) deed verslag van deze gesprekken – hij is er beroemd mee geworden.

Nicolaas Beets -- 15 augustus 1834

Nicolaas Beets (1814-1903) was een Nederlandse schrijver. In zijn studententijd hield hij van 1833-1836 een dagboek bij.

Haarlem 15 Augustus. Vrijdag.
Kennisgemaakt met Victor Hugo's Littérature et Philosophie mêlees. Veel waars in dit boek, althans in de Introduction die ik nog niet ten einde bracht. Maar de stijl klatert vreeslijk.
's Avonds met Drost in zijn logement gesoupeerd.
Ik lees hem den geheelen Jose voor; hij mij een paar hoofdstukken uit een door hem begonnen verhaal De Pestzegen .
[Later vernomen hoe deze voorlezingen den onder ons vertrek gelogeerden heer N. uit Rotterdam tot wanhoop hadden gebracht. Hij lag reeds te bed toen wij begonnen, en geen oog kunnende toedoen, had hij de partij gekozen van te gaan luisteren. Een spotboef zijnde en in het bezit van een stalen memorie heeft hij in zijne woonplaats de lieden niet weinig vermaakt met het verhaal van ‘twee dichters, die op hoogst pedanten toon elkander verzen voorlazen en daarop hunne aanmerkingen mededeelden’. Hij had de hoofdzaak en verscheidene passages onthouden en er het noodige bijgehangen. Bij welke gelegenheden onze kostelijke Jose en Pestzegen als onzin en onze dierbare personen als caricaturen schitterden.]

zondag 13 augustus 2017

Jules en Edmond de Goncourt -- 14 augustus 1869

Edmond de Goncourt(1822-1896) en Jules de Goncourt (1830-1870) waren Franse schrijvers en critici, en initiatiefnemers van de zeer prestigieuze Prix Goncourt. Ze hielden samen een (inmiddels zeer beroemd) dagboek bij, dat Edmond na de dood van Jules in zijn eentje voortzette.

14 augustus. Gisteren zei de prinses schertsenderwijs tegen Benedetti, naar aanleiding van de reis van de Keizerin naar Cherbourg: ‘Verdween ze maar onder water, wat zou dat een opluchting zijn! We zouden deze winter een mooie rouw dragen en de zaken zouden er zeer door worden opgeklaard.’
Nadat de prinses vanmorgen de Moniteur had gelezen en kennis had genomen van het feit dat Baudry dank zij de invloed van de Keizerin tot officier in het Légion d'honneur was benoemd, kwam zij, toen zij tijdens een wandeling na het ontbijt alleen met ons in de laan van haar park liep, op de Keizerin terug. ‘Wat me zo verbaast,’ zei ze, ‘is dat ze zich in de loop der jaren geen enkele houding, rijpheid of achtenswaardigheid heeft weten te verwerven! Kleren zijn nog steeds even belangrijk voor haar als op de eerste dag van haar huwelijk... Werkelijk, ze praat alleen maar over kleren. De laatste keer dat ik in Saint-Cloud ben geweest, heeft ze me de japonnen voor haar reis naar Suez laten zien... En dat was het dan! Die reis is voor haar niets anders dan een gelegenheid om vanaf haar stoomschip indruk te maken op een of andere Oosterse prins... Want zij heeft altijd mannen nodig die haar het hof maken, die haar zwijnerijen vertellen, zonder haar jurk te verfomfaaien... Ziet u, zij voert het allemaal zover, als maar mogelijk is. Ze heeft me zelfs eens gezegd dat over vrijwel alles compromissen mogelijk zijn, behalve over waar het allemaal om gaat... En zo kleurloos in haar behaagzucht! Het is net een lichte dame zonder temperament.’
Ze liet haar oordeel neerkomen als de bijl van de guillotine. Daarna vervolgde ze: ‘En geen schaamtegevoel! Spaanse vrouwen weten gewoon niet wat dat is. Toen zij ziek was - want de Keizer heeft jarenlang van haar diensten geen gebruik kunnen maken: zij had een soort likdoorns op die plaats! - wel, het is ongelooflijk met wat een gemak zij zich toen overal liet zien, met wat een gemak zij werkelijk voor iedereen haar rokken optrok!... En daarbij verstond ze niet de kunst zich ooit bij iemand geliefd te maken. Ze heeft nooit enig blijk gegeven van tederheid, ze heeft zelfs nooit haar zoon gekust! De laatste keer dat ik haar zag, had ze allemaal andere hofdames genomen... U moet haar hofdames eens over haar horen! De ene dag overlaadt zij ze met liefkozingen, en de volgende dag worden zij behandeld met een onbeschaamdheid!... Ik moest via Mme Espinasse aan Mme de Lourmel laten weten dat ik niet kon toestaan dat zij daar nogmaals zo over zou spreken als zij erover gesproken had... Die vrouw is niet van Franse afkomst, zij houdt noch van Frankrijk noch van de Fransen... Ik heb gemerkt dat zij zichzelf alleen in acht neemt tegenover buitenlandse staatshoofden. U had haar moeten zien met de keizer van Oostenrijk! In de eerste plaats is ze, op een buitengewoon onnozele wijze, verrukt van alle chic die uit het buitenland komt. Ze wil de vormen en gebruiken van andere volkeren in de Tuilerieën introduceren, ze wil de kroonprins de Pruisische militaire groet laten leren!... En die cultus voor Marie-Antoinette! Wat is dat dom, belachelijk, ongepast! Weet u wat ze in haar kamer heeft? Om te beginnen een portret van haar zuster aan wie ze een hekel had en die ze telegrafisch beledigingen stuurde, - ik heb het van de Keizer gehoord -, dan portretten van Mérimée en van Madame de Metternich, een buste in Sèvresporselein van Marie-Antoinette en een portret van de kleine kroonprins; en op haar tafel een deel uit een Geschiedenis van Marie-Antoinette, die zij nooit gelezen heeft; want zij leest niet, zij is in niets geïnteresseerd... En alles wat zij doet heeft altijd iets schokkends! Weet u welke twee vrouwen zij heeft uitgezocht om voorgesteld te worden aan de prins van Wales toen deze de gast was van de Tuilerieën? Mme de Galliffet en Mme de Canisy! Twee vrouwen om de nacht mee door te brengen!’

Maarten 't Hart -- 13 augustus 1999

Maarten 't Hart (1944) is een Nederlandse schrijver. In de Privé Domein-reeks publiceerde hij Een deerne in lokkend postuur. Persoonlijke kroniek 1999.

13 augustus. Vermageren – In de krant lees ik zowat iedere dag weer dat we te dik worden. Voortdurend klinken waarschuwingen op over overgewicht. En dat terwijl ik nu al een paar maanden lang steeds maar afval. In maart woog ik nog tachtig kilo. Vanmorgen bleef de weegschaal op 74 kilo steken. Het gaat met onzen tegelijk. Telkens is er weer een klein beetje weg. Ik kan nu al mijn ribben voelen. En mijn heupen liggen zowat bloot. Het is net alsof ik langzaam maar zeker van deze wereld verdwijn. Als het in dit tempo doorgaat – zes kilo in zes maanden – ben ik over ruim zes jaar helemaal verdwenen. Akkoord, ik eet niet geweldig veel, vier boterhammen ’s morgens, twee boterhammen plus wat yoghurt tussen de middag, en wat aardappelen of rijst en flink veel groente ’s avonds, maar zo at ik vroeger ook. Toch bleef ik toen steeds redelijk op gewicht. Wat kan er aan de hand zijn? Heb ik aids? Maar dan zou ik mij toch ziek moeten voelen? Dan zouden er toch ook andere symptomen moeten zijn? Heb ik kanker? Maar dan geldt toch ook dat ik mij ziek zou moeten voelen? Ik voel me juist heel energiek, ik kan bergen werk verzetten, onvervaard ga ik dagelijks de groene overmacht te lijf. Bovendien werkt mijn darmstelsel uitstekend. Eerder racekak dan constipatie. Mijn moeder zei altijd dat zowat het eerste symptoom van kanker is ‘dat je niet meer naar de wc kunt’. Nu, daar is geen sprake van. Of komt het door al die q10- en magnesiumpillen? Maar die magnesiumpillen bestrijden stress en onrust. Je zou er juist van moeten aankomen. Misschien is q10 de boosdoener. Een enzym dat de stofwisseling opjaagt. Misschien moet ik dat maar eens een poosje niet slikken.

Sonja Paardekooper -- 12 augustus 1944

• Sonja Paardekooper (1930-2009) hield als jong meisje een dagboek bij van haar tijd in het interneringskamp Ambarawa. Dat dagboek is gepubliceerd als Achter het gedek.

12 Augustus Vandaag is een rare dag. Eigenlijk zou nu de festiviteit zijn van Beylarts verjaardag. Daarom hebben we gister allerlei voorbereidingen gemaakt. Er is een hond gemaakt, ter groote van Beertje, een hond uit het kamp, die nu weggehaald is. Verder zou er poppenkast zijn en nog een heleboel meer. Maar 's avonds heel onverwachts is mevrouw Goossens gestorven. Een vrouw van 29 met drie kinderen, iemand, die ik helemaal niet ken en toch treft het je, omdat 't iemand van ons is, iemand uit dit kamp.
En natuurlijk was 't voorspeld! Boa Boom had namelijk vantevoren gezegd: De brieven overzee, 't vuur in de avond en een sterfgeval. En gisterochtend kwamen er brieven van mannen uit de buitenbezittingen. Maar natuurlijk niet van Pappie en dat trekt Mammie zich zoo aan. Verder kon je gister een bosbrand zien op de berg en toen 't overlijden. En toch wil ik er niet aan geloven, want er is al zooveel gezegd. Dat was vandaag een rare dag, half feestdag en om twaalf uur de begrafenis. Vreselijk, die stille stoet. Ik ben zoo dankbaar, dat het Mammie niet is. Verder hebben we heerlijk eten gehad en toen, na hel eten, zijn alle Blanda-Indo's en die er mee getrouwd zijn opgeroepen. Hun is gevraagd, of ze middelen van bestaan hebben, wat aanleiding geeft om te zeggen, dat ze vast weggaan en dat we misschien al vrij zijn. Ik hoop 't van harte, maar geloven .... En 't leven gaat gewoon door, terwijl er een van ons is gegaan. Voorgoed. En ik begrijp 't niet en wij mensen zeggen boud: " 't Was haar tijd nog niet". Maar dat weet niemand. Misschien was 't haar tijd wel. En de mens weegt en wikt. En God beschikt.

donderdag 10 augustus 2017

David Koker -- 11 augustus 1943

• Tijdens zijn gevangenschap en tewerkstelling in Judendurchgangslager Vught hield David Koker gedurende een jaar een dagboek bij, dat gepubliceerd is als Dagboek geschreven in Vught. Hij werkte in Vught voor Philips, wat hem later in Auschwitz een beschermde positie opleverde. Hij overleed aan de gevolgen van een ziekte.

Woensdag 11 Augustus [1943].
Gisteravond lang gesprek met Alfred. Hij leeft geheel in de vormen van dit kamp, eet alles, uit een soort kwaadaardige ironie. Ik sprak hem over mijzelf, over mijn bewuste geindisponeerdheid tot geluk. Merkwaardig hier een gesprek te voeren, dat op het diepste gaat. Ook over het kamp, waarvan het ellendige is, dat het zo bedriegelijk het werkelijke leven en geluk nabootst.
Max had vandaag brief van Dannie [Andriesse] en was daar een beetje ongelukkig om. Onlangs is hier een politieagent betrapt, die dertig brieven het kamp uitsmokkelde. Vele maatregelen tegen het klandestien schrijven. Gisteravond op appèl drie civiele arbeiders onder toepasselijke toespraak kaalgeschoren en uitgekleed. Voor hetzelfde. Men zegt, dat de brieven van de agent even na de inbeslagname alweer verdwenen zijn.
Op de Moerdijk schijnen twee Häftlinge [niet-Joodse gevangenen?] met twee SS-ers er van door te zijn. 16 uur appèl en 24 uur geen eten.
Een kapo had iets verkeerd gedaan en moest van de Kommandant hippen naar het kamp. Dacht dat niemand keek en hipte het FKL [Frauen-Konzentrationslager] binnen. Kreeg 150 auf 'm Arsch en ligt nu in het ziekenhuis. Op zijn buik waarschijnlijk. Vanmiddag aanname van tien meisjes, waarbij Smit [functionaris van Philips] geen familie aan één band wilde hebben. In tegenstelling tot lijn van dusver. Op grond van het geklets in het vrouwenkamp: Spits en Sanders brengen vriendjes binnen. De Philipsheren hebben derhalve de charitatieve houding tegenover ons, ook de aanmatiging die daarbij hoort. Wij zijn maar joden. En leven maar bij gratie van onze vijanden en onze weldoeners. Ook aanmerking dat vrouwen met hun mannen staan te praten. Philips is van een ongelofelijke fitterigheid. De konfektiebedrijven bemoeien zich veel minder met het personeel zuiver ten goede en ten kwade. Trouwens, de Haftlinge worden veel menselijker en waardiger behandeld. Wij hebben elk recht op een volwaardige behandeling verloren. Alles wat men aan ons doet en wat niet van de Duitsers komt, dunkt ze meegenomen.
Vader vroeg vanmorgen een Unterscharführer, die hij bediend had: 'Wünschen Sie noch etwas?' 'Ja, den Frieden' was het antwoord.

woensdag 9 augustus 2017

Johan Steengracht -- 10 augustus 1769

• Johan Steengracht (1727-1785) schreef in 1768 een journaal over een reis naar Londen, dat is gepubliceerd als Reislustige Zeeuwse regenten: de reis van Isaac en Paul Hurgronje, Paulus Rigaut en Johan Steengracht in 1769.

 Den 10den resolveerden wij s morgens naar London te rijden, huurden ten dien einde de nodige voitures & gingen op weg. Om tien uuren in het uitrijden van Darfort rencontreerden wij de Heer Herman Beerens, voornaam koopman te London, die ons zeer vrindelij k persuadeerde om met hem op deszelfs buitenplaats genaamt Kivington, in St. Marij Kraij [St. Mary Cray] zeven mijlen van Dartfort het middagmaal te houden, het geen wij deeden. [...] Wij aaten zeer wel op Kivington. De spijsen op de Engelsche wijs geprepareert zijn zeer goed & namen om half zeeven afscheid, rijdende langs een zeer aangenaamen weg naar London, zijnde dezelve weg zeer breed & zonder ophouden met rijtuigen paardrijders & voetgangers als bezaait.

London is, zoals men weet de hoofdstad van Engeland, grootendeels geleegen in het graafschap Middelsex, hebbende in den omtrek omtrent 36 mijlen of tien uuren gaand. Daar zijn omtrent 7000 straten & straatjes 130.000 huizen & 1.050.000 inwoonders na een ruwe calculateij. De situateij aan de rivier de Theems is zeer fraai, de stad is langwerpig rond & bestaat uit vier deelen, namelijk London, Westminster, Southwark & de buitenparochiën. Buiten den omtrent van een úúr leggen verscheide fraaie dorpen, waaronder geen van de minsten + Highgate + Hamp-stead + Fulham daar het biscopspaleis is, waar men een fraaie brug heeft op Putneij.

Wij arriveerden wat over agt uuren aan de brug van Westminster, die in het jaar 1739 begonnen & in 1750 voltooid is, dezelve is 1223 vt lang, heeft in het midden een straat van 30 voet voor rijtuigen & aan weerszijden een pad van 7 vt voorde voetgangers. Zij bestaat uit 13 groote & 2 kleine boogen waarvan de middelste is 76 vt. Deeze brug heeft gekost L 389.500 sterling. Men heeft van dezelve een schoon gezicht over de rivier. Wij reeden naar het Logement dat voor ons besteld was, in Suffolkstreet Charing Cros bij zeeker Parijs. Wij hadden daar een propre kamer om menschen te zien, drie kamers met bedden & twee Cabinetten, waarvoor wij accoord betaalden 4 guinees 's weeks, het logement van de knegs, daar onder begreepen. Wij soupeerden naar genoegen sliepen wel.

dinsdag 8 augustus 2017

Paul Léautaud -- 9 augustus 1920

Paul Léautaud (1872-1956) was een Franse schrijver. Hij hield een 'literair dagboek' bij, over alles behalve zijn verhoudingen met verschillende vrouwen, en een 'particulier dagboek', dat juist daarover ging. Dit fragment komt uit Particulier dagboek 1917-1924 (vertaald door Pieter Beek).

Maandag 9 augustus 1920. - Vanochtend een brief van Mijnheer... met 't verzoek om enkele dagen daarginds te komen doorbrengen in de tijd dat hij er ook is. Daarachter schuilt beslist een indirecte uitnodiging van mijn lieve vriendin. Na regen komt zonneschijn. Na haar vervelende brief van eergisteren, deze uitnodiging van vandaag. Niet dat ze me erg zou missen, zo ver wil ik niet gaan, maar ze is bang dat ik, als ik te lang zonder haar ben, wel eens van een gelegenheid gebruik zou kunnen maken om haar weer te bedriegen. Dus denkt ze: Als hij komt dan is er tenminste een kleine onderbreking in zijn onthouding. Ze had daar trouwens zelf over gesproken vóór haar vertrek en tijdens mijn verblijf daarginds in juni-juli. Ik heb Mijnheer... geantwoord - en daarbij liet ik doorschemeren dat ik niet de minste haast had - dat het wisselvallige humeur van Madame me elke moed ontnam om een dergelijke reis te maken voor slechts drie dagen (de vakantie voor Maria Hemelvaart). Als ze er prijs op stelt dat ik kom, dan moet ze zelf maar schrijven. Als ze niet schrijft, maak ik er geen woorden meer vuil aan. Om eerlijk te zijn: ik heb maar weinig zin om erheen te gaan, omdat ik voel dat het weer eens op een desillusie zal uitdraaien, zowel wat de goede verstandhouding als wat de liefde betreft.

Donderdag 12 augustus. - Vanochtend een brief van Mijnheer..., waarin hij toegeeft dat het inderdaad nauwelijks de moeite waard is om voor drie dagen vakantie die hele reis te maken; bovendien zegt hij 't te betreuren dat ik niet kom, zonder echter verder aan te dringen, terwijl ik toch alleen maar heb gezegd dat ik niet zeker ben van de ontvangst die Madame... me zal bereiden. Van haar nog steeds geen nieuws en uit de brief van Mijnheer... blijkt al evenmin hoe zij tegenover mijn reis staat. Ik heb haar vandaag een brief geschreven die ik op de post zal doen als Mijnheer... weer terug is.

maandag 7 augustus 2017

S.P.A. van Heiden Reinestein -- 8 augustus 1780

• S.P.A. van Heiden Reinestein (1740-1806) was een Drentse edelman. Zijn in het Frans geschreven memoires verschenen in 2007 in het Nederlands onder de titel Van de prins geen kwaad, De dagboeken van S.P.A. van Heiden Reinestein, kamerheer en drost 1777-1785.

8 augustus
Mijn zoon Charles voelt zich minder goed, de medicijnen werken niet naar wens en zijn ziekte begint ons ongerust te maken.

9 augustus
Tegen half drie krijgt mijn kind een hevige stuip, tegen zeven uur 's avonds overkomt hem een tweede die zeer groot onheil aankondigt. Hij krijgt een aderlating, er worden bloedzuigers gezet, etc. Ondanks deze geneesmiddelen bezwijkt het kind na verloop van een uur, in zijn vierde jaar. We zijn er diep door getroffen en deze ongelukkige gebeurtenis grijpt vooral mijn vrouw aan, aan wie dit kind bijzonder gehecht was.

10 augustus
Het gemis van mijn kind veroorzaakt hevig verdriet bij mijn vrouw.

11 augustus
Geen enkel nieuws van belang. Men neemt aan dat de Koning van Zweden, die in Maastricht was geweest, zich binnenkort naar Den Haag zal begeven. — Mijn kind wordt in de vroege ochtend begraven in de Kerk van Apeldoorn.

zondag 6 augustus 2017

Esther van Vriesland -- 7 augustus 1942

• Esther van Vriesland (1926-1942) hield in 1942 negen maanden een dagboek bij, tot ze werd weggevoerd naar Westerbork en later Auschwitz, waar ze in oktober 1942 werd omgebracht.

Thursday, August 6,1942
"The day of Liberty", Simon said all the day. But it is not. The sun shines, hooray! The airplanes have flown last night. And the night before they have flown also. I ended, for else my cup of chocolate becomes cold. Bye!

Friday, August 7,1942
Today I have had an English lesson. At six o'clock we should go to the doctor to inoculate (inenten). I was very fearful (angstig) and I stood to tremble on my legs. When we were at the doctor, he had not his (serum) and now we must come back Tuesday (!)
I have "Kleine Levens" of Diet Kramer. I am knitting a cap o! wool. Bye, I go to read.

Zondag, 9 augustus 1942
Gelukkig weer Hollands. Nu kan ik veel beter alles vertellen. Ik heb niets bijzonders beleefd. Jo en Kees zijn uit de stad. Henk was gisteravond hier en was het veel gezelliger, dan wanneer ze allemaal hier zijn. Dan moet je zo opletten, of je niet in je onderjurk zit en dan al die misselijk praatjes aan te horen. We hebben leuk gekletst en gekke herinneringen opgehaald. Miep was er ook.
Ik ben een wollen muts aan het breien met puntjes, voor als ik naar Polen moet. Ik heb er een oud truitje voor uitgehaald. Ik ga weer breien.

Maandag, 10 augustus 1942
Ongeveer half zeven. Pas bericht gehad, dat de joden uit Dordt, Sliedrecht, Hardinxveld (Schelluinen) en Leerdam naar Polen moeten. Denkelijk (God zal het geven) is Gorkum vergeten. Alles in rep en roer. Vader en moeder wanhopig. God, vergeef me, dat ik vader kon haten, want ik heb pas ruzie met hem gehad. Vader en moeder hoeven niet, alleen wij met z'n drieën. Ik ben soms zo hoopvol. Is het werkelijk vertrouwen in God, of is het naïeviteit, kinderlijke onwetendheid? We zijn er allemaal kapot van. We kunnen vanavond nog bericht krijgen, morgenavond gaan ze pas weg. Zullen we er levend doorkomen? Vader en moeder achterlaten? Wanneer is het dan toch vrede? O God, help toch! Ik wou, dat we mochten knielen. Ik heb het wel eens heel eventjes gedaan, maar dan heb je zo n angstig gevoel. Wij mogen niet knielen. Maar bidden mag toch. God, ik bid U...

Noël Coward -- 6 augustus 1960

Noël Coward (1899-1973) was een Britse toneel- en musicalschrijver. Uit The Noël Coward Diaries.

Saturday 6 August - Paris
I've enjoyed my week. Ginette, Marlene, Josh Logan, Emlyn and Molly [Williams], Margalo [Gillmore], Lulu [Louis] and Kiki Jourdan, the Paleys, etc. I've seen La Dolce Vita, which has brilliant moments and is far, far too long.
I have just read, very carefully, Waiting for Godot, and in my considered opinion it is pretentious gibberish, without any claim to importance whatsoever. I know that it received great critical acclaim and I also know that it's silly to go on saying how stupid the critics are, but this really enrages me. It is nothing but phoney surrealism with occasional references to Christ and mankind. It has no form, no basic philosophy and absolutely no lucidity. It's too conscious to be written off as mad. It's just a waste of everybody's time and it made me ashamed to think that such balls could be taken seriously for a moment.
To continue in this carping vein, I have also read The Charioteer by Miss Mary Renault. Oh dear, I do, do wish well-intentioned ladies would not write books about homosexuality. This one is turgid, unreal and so ghastly earnest. It takes the hero - soi-disant - three hundred pages to reconcile himself to being queer as a coot, and his soul-searching and deep, deep introspection is truly awful. There are 'queer' parties in which everyone calls everyone 'my dear' a good deal, and over the whole book is a shimmering lack of understanding of the subject. I'm sure the poor woman meant well but I wish she'd stick to recreating the glory that was Greece and not fuck about with dear old modern homos.

Toon Hermans -- 5 augustus 1975

Toon Hermans (1916-2000) was een Nederlandse cabaretier. Hij hield in 1975 een dagboek bij dat is gepubliceerd als Tussen mei en september.

Maandag 5 augustus
Het behoort tot mijn spelletjes van alledag om in de kleur en in het ritme van iemands stem gemoedstoestanden te signaleren. Het kan me zelfs overkomen dat ik zó intensief bezig ben te luisteren naar de toonsoort (de melodie) waarop iemand een bepaalde zin uitspreekt, dat ik amper versta wat er eigenlijk wordt beweerd. Het gesproken woord is op zichzelf natuurlijk een verduidelijking ergens van, maar de kracht van het woord wordt bepaald door de geladenheid die van binnenuit wordt aangebracht en die weer afhankelijk is van andere factoren, o.a. van de sfeer van het moment waarop het woord ontstaat.
De telefoon (waardoor je bij het horen van de stem niet wordt afgeleid door iemands uiterlijk) verraadt vaak heel duidelijk de ware gemoedstoestand van de mens aan de andere kant van de lijn. Het luisteren naar stemmen vind ik zo boeiend, omdat de kleur van de stem in vele gevallen wordt bepaald door wat er intussen in de mensen aan gevoelens omgaat.
Ik breng dat ter sprake omdat gisteren weer eens iemand aan me vroeg hoe het toch komt dat de gemiddelde toneelspeler zo onnatuurlijk spreekt. 'Zo gemaakt', zei hij letterlijk.
Met dat 'gemaakt' sloeg hij de spijker op de kop, omdat de stem van een acteur niet functioneert vanuit zijn eigen innerlijke beroering van het moment, maar uit een 'gehaakt' gevoelsproces. Daarom missen de verwoorde emoties de echtheid zoals die in het normale leven voortkomt uit de innerlijke geladenheid.
Op het toneel kan het nu eenmaal niet anders. Er wordt vakbekwaam geveinsd, opzettelijke bewogenheid (van buitenaf) aangebracht en die onoprechte beleving verandert natuurlijk de spreektrant en vertekent de klankkleur. Het gaat niet anders.
Het ligt voor de hand dat woorden die voordat ze gesproken werden al aan de hersenen bekend zijn, tijdens het uitspreken altijd aan een soort klankverarming zullen lijden. Ze missen 'het nieuwe' en vaak 'ongeordende', want ook de twijfel speelt als we spreken mee bij de klankvorming.
Op het toneel, waar men de teksten ként, is ook die twijfel er niet. Geen mens is in staat (zeker niet bij herhaling) gevoelens bij zichzelf op te roepen die er feitelijk niet zijn. Het zichzelf kunstmatig in een bepaald gevoel manoeuvreren moet wel een kunstmatigheid toevoegen aan de tekstbeleving die daaruit voortvloeit. Je merkt het bij tv-spelletjes: hoeveel minder belevingsspanning, gevoelsinbreng hoorbaar is in de stemmen van de professionele sprekers en hoe zuiver, hoe echt en eerlijk (duidelijk door het innerlijk geladen) de stemmen klinken van de brave boeren, burgers en buitenlui die aan het spelletje mogen meedoen. (Om van de echtheid van hun visuele expressie maar niet eens te spreken.)
Het is boeiend te luisteren naar stemmen van mensen die echt spreken, niet bewust van wat ze aan innerlijke gevoelens prijsgeven, terwijl ons oor al snel geneigd is de onechte spreker te ontwijken.
Trouwens, alles wat een mens aan echtheid in zijn gedragingen met zich meedraagt behoort tot zijn meest nobele, boeiende en meestal hartveroverende facetten. Wanneer hij zich verbergt, achter welke façade dan ook, wordt de oprechte communicatie geweld aangedaan.

donderdag 3 augustus 2017

Hendrik Haecxs -- 4 augustus 1646

• Hendrik Haecxs (?-?) was een koopman en lid van "den hoogen raad van Brazilië" van 1645-1654. Zijn dagboek uit die jaren is te lezen bij de dbnl.


Saturni 4 Augusti.
Ontrent 8 uren ginck de Directeur Dortmont wederom naer lant en korts naer den middach quam d'Heer Walbeeck [een bobo, secretaris van den Hoogen Raad van Brazilië] met het jacht den Arent, en noch een cleijn dogboot, om ons te halen. Wij setten in het bootje alle het volck en embarqueerden ons selven ontrent 5 uren in het jacht Den Arent voornoemt. Ontrent middernacht cregen een vliegende storm, soo dat onse marsseijls en fockje wel 3 of 4 uren in mosten, en waren wel blijde dat s'morgens sijnde

Solis 5 Augusti,
wel 1½ mijl leeger als ons schip ten ancker quamen. Den fellen storm hiel soo aen, (47) dat geen ancker en conden roeren [Dat men geen beweging in het anker kon krijgen, noodig om het te lichten en om onderzeil te gaan], en mosten hier desen dach soo blijven slingeren. Dese wint continueerde mede den gantschen nacht tot s'anderen daechs, sijnde

Lunae 6 Augusti,
Als wanneer het naer den middach een weinich scheen te willen bedaeren; maekten met groote force wederom seijl en liet sich aensien, als of masten, stengen en alle den preutel souden hebben over boort gewaijt. Echter wij quamen denselven avont, met geen cleijn perieckel en groote blijdschap, wederom aen ons schip. Danckten Godt voor onse behoudenisse.

Martis 7 Augusti,
Bedaerden het weer heel fraij, doch de wint contrarij; ontrent den middach quam d'Heer de Luid met een barcke van Pariba aen ons Schip, waerover seer waren verblijt, en resolveerden voorts met hem naer t'Reciffe te varen.

woensdag 2 augustus 2017

André Gide -- 3 augustus 1936

• De Franse communistische schrijver André Gide (1869-1951) bezocht in 1936 de Sovjet Unie in het gezelschap van onder meer de Nederlandse schrijver Jef Last, met wie Gide goed bevriend was. Na terugkomst beschreef Gide zijn tijdens het verblijf opgelopen teleurstelling in een boek. Zijn vrij harde kritiek werd hem niet door iedereen in dank afgenomen. Zijn dagboeken zijn door Mirjam de Veth in het Nederlands vertaald onder de titel Het innerlijk blauw.

Soechoemi [3 augustus]
Er worden hier veel apen gehouden voor de transplantaties van Voronov en verschillende experimenten. Ik wil graag weten waar die dieren vandaan komen, maar de informatie hier is even veelvoudig en tegenstrijdig als in de koloniën. De overgrote meerderheid hult zich in vage, wijdlopige antwoorden, vooral de charmante kameraad die voor ons als gids en vertaalster optreedt. Ze zit overigens nergens mee en geeft overal antwoord op, hoe minder ze weet hoe beslister ze spreekt, maar ze is onwetend zonder het zelf in de gaten te hebben en bewijst me meer dan ooit dat onwetendheid waar iemand zelf geen weet van heeft tot grote stelligheden leidt. De geest van deze mensen is bekleed met onnauwkeurigheden, nepmateriaal, namaak...
'Mag ik vragen uit welke landen de apen komen die hier worden gehouden?'
'Natuurlijk. Dat vertel ik u zo.'
(Ze vraagt het op haar beurt aan degene die met ons meeloopt.)
'De meeste van deze apen zijn hier geboren. Ja, ze zijn J bijna allemaal hier geboren.'
'Maar er waren geen apen in deze streek, hebben ze ons gezegd. Ze moeten ze dus eerst ergens vandaan hebben gehaald.'
'Natuurlijk.'
'Waarvandaan dan?'
En zonder het aan de ander te vragen, met plompverloren stelligheid: 'Zo'n beetje overal vandaan.' En dat gaat zo maar door.

Onze charmante gids is buitengewoon vriendelijk en toegewijd. Maar het is een beetje vermoeiend dat de inlichtingen die ze ons geeft alleen nauwkeurig zijn in hun onjuistheid.

dinsdag 1 augustus 2017

Astolphe Marquis de Custine -- 2 augustus 1839

Astolphe Marquis de Custine (1790-1857) was een Franse schrijver die bekend werd, en is gebleven, door zijn in 1843 gepubliceerde reisverslag Lettres de Russie, door Carly Misset en Anton van der Niet vertaald als Brieven uit Rusland.

2 augustus 1839
[…] Ik zag de torenspits van de kathedraal, waar de stoffelijke resten zijn begraven van de laatste Russische heersers, zich donker aftekenen tegen het witte hemeldoek: deze torenspits steekt boven het fort en de oude stad uit: hoger en ranker dan de piramide van een cipres, maakte zij in de parelgrijze verte de indruk van een te harde en te gewaagde penseelstreek die door de kunstenaar in een ogenblik van dronkenschap is neergezet. Een penseelstreek waardoor de blik wordt getrokken zou een schilderij bederven, deze maakte de werkelijkheid nog mooier: God kan niet schilderen zoals wij. Wat was het mooi … weinig beweging, maar een plechtige rust, een inspirerende onbestemdheid. Alle geluiden, alle drukte van het dagelijks leven waren onderbroken; de mensen waren verdwenen, de aarde was overgeleverd aan bovennatuurlijke machten; in dat laatste schijnsel van een eindeloos voortdurende dag, in die ongelijke en wegstervende helderheid van de noordelijke nachten, schuilt een mysterie dat ik niet kan definiëren en waaruit de mythologie van het Noorden kan worden verklaard. Vandaag begrijp ik al het bijgeloof van de Scandinavische volken. God is verborgen in het poollicht zoals hij zich openbaart in de stralende tropendag. […]

• Astolphe Marquis de Custine (1790-1857) was een Franse schrijver. Zijn boeken waren weinig succesvol, op een uitzondering na: het in 1843 verschenen La russie en 1839 (in het Nederlands vertaald als Brieven uit Rusland) dat in heel Europa (behalve in Rusland) gelezen werd.