dinsdag 31 december 2013

Edmond de Goncourt -- 31 december 1870

Paardevlees is het vlees van kwade dromen en nachtmerries. Sinds ik het eet, is het de ene slapeloze nacht na de andere.
In de straten van Parijs komt de dood de dood tegen, de vrachtwagen van de begrafenisondernemer kruist er de lijkkoets. Bij het hek van de Madeleine zag ik drie doodskisten, waar lange jassen van de mobiele garde overheen lagen met een krans van strobloemen erop.
Uit nieuwsgierigheid ging ik bij Roos binnen, de Engelse slager van de boulevard Haussmann. Ik zag er allerlei soorten eigenaardigde resten. Aan de muur hing op een ereplaats de gevilde slurf van de jonge Pollux, de olifant uit de dierentuin; en tussen allerlei onbekend vlees en zonderlinge horens, werden er door een jongen kameelnieren aangeboden.
De baas van de slagerij staat te midden van wat vrouwen zijn praatjes te houden: 'Filet en de slurf kosten veertig francs per pond... Ja, veertig francs... Vindt u dat veel? Maar u moet zich wel realiseren dat ik niet weet hoe ik het allemaal moet redden. Ik rekende op 3.000 pond en hij heeft maar 2.300 pond opgeleverd... Poot, u wilt de prijs van poot weten? Twintig francs... De rest, dat varieert van acht tot veertig francs... En ik beveel u in het bijzonder de bloedworst aan. Olifantenbloed, dat weet u toch wel, is het beste bloed dat er is. Zijn hart, wist u dat, woog vijfentwintig pond... En dames, er zit ui in mijn bloedworst.'
Ik stel me tevreden met twee leeuweriken, die ik meeneem voor mijn ochtendmaal van morgen.
Nieuwjaar in Parijs is dit jaar te vinden in een dozijn armoedige kraampjes hier en daar aan de boulevard, waar bibberende kooplui de verkleumde voorbijgangers een Bismarck aanbieden in de vorm van een karikaturale trekpop.
's Avonds kom ik bij Voisin de beroemde olifantenbloedworst weer tegen en ik bestel hem voor mijn diner.


Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) een beroemd geworden dagboek bij. Bovenstaand fragment gaat over de honger in Parijs, dat in 1870 door Pruisische troepen werd belegerd.

zondag 29 december 2013

Otto Folberth -- 30 december 1919

30. Dezember 1919
Fahrt von Dresden nach Leipzig. In der Eisenbahn mir gegenüber ein sozialistisch-künstlerisch angehauchter junger Mann. Die Bilder neben der Strecke lehren mich, daß ich in ein modernes Industrieland fahre. Dann Ankunft am großen, größten Bahnhof der Welt. In der Universität erfahre ich sofort die Adressen einiger Landsleute und kann sie wenige Stunen später auf einer Bude beisammen haben. Ich entledige mich meines politischen Auftrages, die ganze Blase hat nicht den Mut, vielleicht auch nicht die Einsicht zu unterzeichnen, außer einem einzigen. Wir debattieren lange und heftig. Schon bin ich aber im „Museum der bildenden Künste” vor Max Klinger’s farbig-marmornem Beethoven gestanden und vor der „blauen Stunde” und das alte Rathaus und andere prächtige Städtebilder söhnen mich bald mit Leipzig aus und die Oper „Bohème”, die ich vom dritten Rang aus, neben einer Professorsfrau sitzend, anhöre, läßt mich alles vergessen.


Otto Folberth (1896-1991) was een Duitse pedagoog, geschiedkundige en publicist. Zijn dagboeken 1911-1990 zijn online te lezen.

Jan Wolkers -- 29 december 1970

Dinsdag 29 december 1970
Tweemaal één betnesol.
Drie uur Jan Vermeulen De Slak.
Franse kaas Kef.
Er ligt een aardig laagje sneeuw. Rul en donzig. Je hoort het al aan de straatgeluiden als je nog in bed ligt.
Wandelen met Sung in het bos. Strooi het macrobiotische voedsel dat ik een jaar geleden van Jan kreeg mooi uit voor de roodborsten en koolmezen. Bij een wak staat iedere dag een reiger tot zijn veren in het donkere water. De sneeuw ligt op de dunste takjes soms twee centimeter dik.
Bij Maria doen we in één ruk de laatste twee hoofdstukken van de vertaling van Turks Fruit. We kijken ook even de vertaling van Kilburn van 'Dominee met strooien hoed' in. Vergelijken die met de vertaling van Symonds. Kilburn is veel moderner, minder plechtig.
Jan Vermeulen belt af voor de bespreking over Werkkleding. Maar de kaas hebben we al. Spreken met Maria af dat we het bij haar opeten. Na het eten met Jeroen het parkje in. Sung voor ons uit. De lucht is lichtgroenig. Ik denk, maar daar kan de maan toch nooit zijn. Hij is trouwens ver van vol. Maar dan denk ik er ineens aan dat het de stadionlichten zijn. Ajax speelt er tegen een Duitse club.


Jan Wolkers (1925-2007) was een Nederlandse schrijver en kunstenaar. Zijn dagboek van 1970 is te lezen bij Google Books.

Boudewijn Büch -- 28 december 1998

Amsterdam, 28 december
De kerstdagen waren uiteraard vreselijk. Vlak voor de kerst kwam Panda met een soort boompje. Ik heb gezegd dat ik geen kerstrommel wil. Ze zei nog: 'Maar er zitten allemaal chocolaatjes in het boompje. Ik heb het zelf gemaakt.' Ze nam het toch maar weer mee terug naar huis. Ik heb mij de drie kerstdagen ('derde' kerstdag was een zondag) daar hondsberoerd door gevoeld. Waarom ben ik nou zo'n lul die zoiets weigert en die schat van een Panda wegstuur met haar spulletje? Had ik nou niet gewoon kunnen zeggen: 'Leuk, mooi, ik ben er erg blij mee .. .' Ik kan dat niet en daarna ben ik een bruut. Tweede kerstdag kwam Panda eten. Erg cosy, 's nachts Elvis-films en -muziek gedraaid.
Vandaag een paar bijzondere Lincoln-boeken gekocht.
Ook nog een eerste druk van Goethe besteld; die komt begin januari. Voel mij verder erg zwak. Weet ongeveer waaraan ik lijd. Ik word steeds banger voor de dood en de ouderdom. Ik denk er nu al honderd keer per dag aan. Zou nú in Weimar willen zijn.


Boudewijn Büch (1948-2002) was een Nederlandse schrijver en programmamaker. In 1998 hield hij een dagboek bij dat is verschenen als Een boekenkast op reis. Persoonlijke kroniek 1998

vrijdag 27 december 2013

André van Leusden -- 27 december 1949

Dinsdag 27 december 1949. het was een rustige dag, we zouden kleding en wapen inspectie krijgen, maar de vaandrig kwam niet opdagen en ging het niet door, maar ’s middags in de regen was het anders, want om 12 uur wilde korp Janssen en Herkes naar de overkant van de baai en toen werden ze tegengehouden de AP politie en dat lieten we er niet bij zitten, en we rukten met 6 man er op uit, ik met de bren, om even aan de overkant te komen hebben we de hulp van Mr Penn ingeroepen die had een motor bootje, en daarmee zijn we naar het midden van de kampong gevaren, dus stonden we er ineens midden in, dit is de dag van de Soevereiniteit overdracht, en was het vermoede dat daar de rood witte vlag zou worden gehesen, en dat mag niet op Nw-Guinea dat is nog steeds Nederland gebied, er vluchten nog wel enkele de rimboe in maar er was niets te vinden, maar het zat niet helemaal goed, geen goed teken.


André van Leusden was in 1949 soldaat in Nieuw Guinea.

Donald Manson Finlayson -- 26 december 1888

Wednesday, December 26, 1888: N. W. Caught 3 trout, will try tomorrow to get nearer home. Cold day. Boil burst on my hand. Got moccasins and mitts mended.

Thursday, December 27, 1888: Drank 1 Bottle Balsam of life. Tired out. S. W. made to old camp but had to travel late. No one knows what starvation is unless they have experienced it.

Friday, December 28, 1888: S.W. and terrible cold. Drank another B of L. Late when we arrived at old camp will cache our goods here and strike for shanty. We have 2 small cuts fish, 9 fish tails (fish bait) and 75 miles to travel. No feed for our dogs they are splendid to haul. The snow is soft so when we get on ice I have to use a pole pushing.

Saturday, December 29, 1888: Arrived at old camp S.W. Fine day. About 3 oz. fish each and drink of tea, poor dogs not a bite. Drank 1/2 B of L. at noon (J&I) and 1/2 at night. It seems to strengthen a person.

Sunday, December 30, 1888: Could not make old camp, John played out and I was a good seconder. Had 1/2 back bone for supper and small whitefish tail for 2. For breakfast and dinner about 4 oz. fish between two. Had a strong S. wind to walk against.

Monday, December 31, 1888: S. W. Came about 12 miles, both well played out. Dinner 2 fish tails in copper kettle. Breakfast small bit fish stewed in fry pan drank water and all the bones. Last of fish. Fine day and lots of fire wood. Now tea for supper.

Tuesday, January 1, 1889: Breakfast 2 small fish tails and 2 quarts soup of them. Dinner on fish tail and cup tea. Super snow shoe strings stewed, what we had for mending shoes with. S. W. Beautiful day, I was played out at night, drank bottle of B. of L. myself and helped J. to finish one. Within 15 miles of shanty will try to get home tomorrow.

Wednesday, January 2, 1889: S. W. up early . I have bedding packed on sleigh while John is boiling 2 tails in 2 quart Copper kettle that will leave us one tail and they were pretty well chewed as we used them for bait for a week. So that will give you an idea what we had to live on through several storms, it was that that delayed us.

(Here they stop and were found one spell from this place only 7 miles from their shanty.)


Donald Manson Finlayson (1853-1889) hield in 1888 een dagboek bij van een jachttocht (?) die hij maakte met zijn broer. Ze kwamen om het leven op 2 januari 1889 of kort daarna.

Hariot Lady Dufferin -- 25 december 1880

Op berenjacht! Om zes uur opgestaan en om zeven uur vertrokken, in een trojka. Een donkere ochtend, maar gelukkig slechts vier graden vorst. D. en ik zaten samen in een slee, terwijl onze gastheer graaf Schouvaloff, de heer Nigra en generaal Werder ons volgden in een groot gesloten rijtuig.
We hebben eenmaal de paarden ververst, en om half tien bereikten we graaf Schouvaloffs buitenhuis. We ontbeten in een kamer die volstond met alle vogels en andere dieren die je hier in de omgeving kunt vinden, allemaal opgezet. Om tien uur vertrokken we weer, we reden nog 24 werst verder. Op ongeveer vijf werst van onze bestemming klom ieder van ons in een klein sleetje en volgde een hoogst vermakelijke rit. De stoere Finse pony's lopen reuze hard en aangezien de sporen door de sneeuw heel diep zijn, loop je voortdurend gevaar om te slaan, en nu eens steekt de koetsier een been uit en dan weer leunt hij opzij om een ramp te voorkomen.
Toen we aankwamen bij de drijvers werd iedereen stil en daarna trokken we het bos in. Het was reuze vermoeiend voor me, met m'n grote viltlaarzen en m'n lange zware overjas; maar toch kwam ik flink vooruit en D. en ik kregen de tweede plaats toegewezen, met een jager met een reusachtige speer, voor het geval de beer ons zou aanvallen.
We hadden een minuut of tien opgewonden naar de kreten van de drijvers geluisterd, toen we schoten hoorden, en een schreeuw waaruit we opmaakten dat de beer was geraakt - zonder dat we ook maar iets te zien hadden gekregen. We renden ernaar toe, en graaf Schouvaloff stond erop dat ik op het arme dier zou schieten, 'om hem af te maken' (hij was al morsdood), wat ik natuurlijk weigerde. Toen hebben we met z'n allen onze trofee bewonderd, een pracht van een beer, die ze me nadien cadeau hebben gedaan.
Toen we het bos weer moeizaam achter ons hadden gelaten, troffen we onze lunch aan die was klaargezet in de sneeuw, en wat denk je wat we te eten kregen? Eerst een Russisch vispasteitje, en daarna plumpudding en gevulde pasteitjes! Dit was ons Kerstfeest.


Hariot Lady Dufferin (1844-1936), woonde in 1880 in St. Petersburg als vrouw van de Britse ambassadeur.

maandag 23 december 2013

Søren Kierkegaard -- 24 december 1836

24 december
Het vierkant is de parodie van de cirkel, alle leven, alle denken enzovoort is een cirkel, maar de verstening van het leven mondt uit in kristallisatievormen die nooit cirkels worden. Daarom is het zo kenmerkend dat de Chinezen, bij wie alles verstening is, aannemen dat de aarde vierkant is en dat hun rijk het binnenste vierkant vormt — wat iets is voor vierkante koppen. -


Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Dagboeken.

zondag 22 december 2013

Maria Callcott -- 23 december 1822

23d. — A few very slight shocks, felt as perceptibly on board as on shore. I went down to Quintero with my goods in the Lautaro's launch ; we were four hours and a half on the voyage. My arrival was a matter of some importance at Quintero. I had laughingly told my friends there, that 1 was determined we should have a plum- pudding on Christmas-day, and that I would return with sufficient materials, and in good time to make it. Accordingly, the first things thought of were raisins and sugar, spices and sweetmeats ; and I found that I had not been singular in remembering the promise, for I was greeted on my return with a gay little poem, by Mr. Jackson, on the subject; and to us, who never see a new book, or only by chance, when an American trader brings out the Philadelphia reprint of a new London or Edinburgh novel (the Pirate is the last we have seen), a new poem, even of a hundred or half a hundred lines, on any subject, is a literary treat, and is valued accordingly. At any rate, I am sure no birth-day ode, saving, perhaps, the celebrated probationary odes, ever gave the readers more pleasure than our pudding rhapsody ; and as the walls of Thebes arose to the sounds of Amphion's lyre, so my plums were picked and my pudding compounded to the rhymes of Mr. Jackson's verse. I can be delighted with every thing, now I am relieved from my anxiety and I have a prospect of seeing home once more.


Lady Maria Callcott (1785-1842) was een Engelse kinder en reisboekenschrijfster. Het bovenstaande fragment komt uit Journal of a residence in Chile, during the year 1822 : and a voyage from Chile to Brazil in 1823

Victor Hugo -- 22 december 1870

22 december
Gisteren was het een goede dag. De strijd gaat voort. Van oost tot west kanongebulder.
Kleine Jeanne begint lange zinnen te zeggen, met een prachtige intonatie. Maar er valt geen woord van te verstaan. Ze lacht.
Léopold heeft me twaalf verse eieren gestuurd, die ik kleine Georges en kleine Jeanne te eten zal geven.
Louis Blanc heeft 's avonds bij mij gegeten. Namens Edmond Adam, Louis Jourdan, Cernuschi en anderen kwam hij mij zeggen dat hij en ik Trochu de wacht moesten gaan aanzeggen: óf Parijs redden, of afstand doen van de macht. Ik heb geweigerd. Daarmee zou ik de indruk wekken dat ik de situatie in handen had, en bovendien een strijd doorkruisen die nog kans van slagen heeft. Louis Blanc was het met me eens, evenals Meurice, Vacquerie en mijn zonen, die ook bij mij aten.


Victor Hugo (1802–1885) was een Frans schrijver, dichter, essayist en staatsman. Vertaalde dagboekfragmenten van hem zijn gepubliceerd als Zelf gezien.

Benjamin Britten -- 21 december 1934

Friday 21 December [Lowestoft]
My neck's not really much better, so I stay in bed for breakfast. Practise pft, & viola, Gram. for rest of day. Bazil comes for a short walk, tea, & gram. & viola & pft. duetting. In evening listen to an E.M. Delafield play 'the Little Boy' which began well, but petered out rather badly. Also a contemporary concert of Hindemith - Concert Musik for Pft, Brass & Harps. (which contains some of the best Hindemith, & Mathias the Painter, a new symphony - hard to judge, thro' wireless, & because of a scratch performance. I get so sick of these shows without any precision or conviction - technically not bad, but that's all. (The work had some nice things but seemed to wander at times).


Benjamin Britten (1913–1976) was een Engelse componist, pianist en dirigent. Zijn dagboeken uit zijn jonge jaren (1928-1938) zijn gepubliceerd als Journeying Boy.

vrijdag 20 december 2013

Frederik van Eeden -- 20 december 1880

maandag 20 december
Iederen dag nieuwe punten van licht en geluk. Ik heb verdriet gehad, spanning, teweeg gebracht door haar eigenaardig karakter. Maar ik heb gezegevierd, zij is fijngevoelig en echt vrouwelijk. Haar oordeel verandert soms met haar stemming, maar de rustige achtergrond is altijd waarheid, edele/ reine waarheid.
Ik heb geleerd dat ik door goedheid moet heerschen. Ik behoef nooit te schromen, verstandig te zijn, al moest ik vreezen haar poëtisch gevoel of haar eigenliefde te kwetsen. Ik kan haar oprecht alles zeggen, wat in mij opwelt. Want alles wat ik dan zeg spruit voort uit mijn groote liefde. Het valt mij nu zoo licht en het is zoo heerlijk goed te zijn. ▫ Die tinteling, als plotseling de gedachte mij door het hoofd gaat, zoo ben je goed, jongen! ▫ Nu maar uit één stuk blijven en oprecht zijn. Nooit twee tongen, nooit twee aangezichten, al is het ook uit vrees iemand te mishagen.
Amazone! Kunst! Weer een nieuw leven voor mij geopend. Het is mijn wensch/ mijn ideaal, ik ben er goddank vatbaar voor. Altijd leven daarin! heerlijk.


Frederik van Eeden (1860-1932) was schrijver en psychiater. Hij hield een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

woensdag 18 december 2013

Harry S. Truman -- 19 december 1947

December 19:
Sent to Congress the European Recovery Plan (Marshall Plan).

No Presidential Message in my tenure has had the same careful consideration.

Had the Dep[artmen]t of Interior survey our assets, the Dep[artmen]t of Commerce survey the impact on our economy after a survey had been made by the Council of Economic Advisors [sic].

Had the Treasury look into the financing.

And finally had State, Defence [sic] and the White House Secretariat, headed by John Steelman, Cabinet Secretary and Clark Clifford, Special Council[,] prepare a draft of a message. After seven or eight trials one came up, on which all could finally agree.

It is a good message and a historical State Document.

Congress adjourned. We obtained the Interim Aid Plan & the money-part of it. But Congress tore its pants on the economic situation. They gave us a perfectly assinine [sic] bill-thanks to Taft.


Harry S. Truman (1884-1972) was de 33ste president van de Verenigde Staten (1945-1953). In 1947 hield hij een dagboek bij.

dinsdag 17 december 2013

Adam Tas -- 18 december 1705

Vrijdag den 18de. S'morgens warm weer. Op dato zijn onse slaven nevens de Hottentots weder bezig geweest met coorn te snijden. Desen voormiddag is mij vertelt als dat den anderen drinkeling Lambert Besemboutie gisteren zoude opgespoeld zijn, en gevonden op dezelve plaats daar Arij is gevonden, denselven was meede soo men zeijde wijnig beschadigt; de Gecommitte: zijn met den Secretaris aan 't strand geweest om hem te bezigtigen. Des namiddags heeft Christoffel Hazewinkel hier gezonden om een ½ aam wijn, 't welk met een zijner slave hebben laaten volge. Op dato is broer Harmanus weder van hier na zijn buijten post vertrokken.


Adam Tas (1668–1722) was een Afrikaanse boer die een belangrijke rol speelde in een conflict tussen de Kaapse gouverneur Willem Adriaan van der Stel en de "vryburgers" van die Kaap die Goeie Hoop. Zijn dagboek is gepubliceerd bij de DBNL.

maandag 16 december 2013

John Adams -- 17 december 1773

1773. DECR. 17TH. Last Night 3 Cargoes of Bohea Tea were emptied into the Sea. This Morning a Man of War sails.
This is the most magnificent Movement of all. There is a Dignity, a Majesty, a Sublimity, in this last Effort of the Patriots, that I greatly admire. The People should never rise, without doing something to be remembered -- something notable And striking. This Destruction of the Tea is so bold, so daring, so firm, intrepid and inflexible, and it must have so important Consequences, and so lasting, that I cant but consider it as an Epocha in History.
This however is but an Attack upon Property. Another similar Exertion of popular Power, may produce the destruction of Lives. Many Persons wish, that as many dead Carcasses were floating in the Harbour, as there are Chests of Tea: -- a much less Number of Lives however would remove the Causes of all our Calamities.
The malicious Pleasure with which Hutchinson the Governor, the Consignees of the Tea, and the officers of the Customs, have stood and looked upon the distresses of the People, and their Struggles to get the Tea back to London, and at last the destruction of it, is amazing. Tis hard to believe Persons so hardened and abandoned.
What Measures will the Ministry take, in Consequence of this? Will they resent it? will they dare to resent it? will they punish Us? How? By quartering Troops upon Us? -- by annulling our Charter? -- by laying on more duties? By restraining our Trade? By Sacrifice of Individuals, or how.
The Question is whether the Destruction of this Tea was necessary? I apprehend it was absolutely and indispensably so. -- They could not send it back, the Governor, Admiral and Collector and Comptroller would not suffer it. It was in their Power to have saved it - but in no other. It could not get by the Castle, the Men of War &c. Then there was no other Alternative but to destroy it or let it be landed. To let it be landed, would be giving up the Principle of Taxation by Parliamentary Authority, against which the Continent have struggled for 10 years, it was loosing all our labour for 10 years and subjecting ourselves and our Posterity forever to Egyptian Taskmasters -- to Burthens, Indignities, to Ignominy, Reproach and Contempt, to Desolation and Oppression, to Poverty and Servitude.
But it will be said it might have been left in the Care of a Committee of the Town, or in Castle William. To this many Objections may be made.
Deacon Palmer and Mr. Is. Smith dined with me, and Mr. Trumble came in. They say, the Tories blame the Consignees, as much as the Whiggs do -- and say that the Governor will loose his Place, by for not taking the Tea into his Protection before, by Means of the Ships of War, I suppose, and the Troops at the Castle.
I saw him this Morning pass my Window in a Chariot with the Secretary. And by the Marching and Countermarching of Councillors, I suppose they have been framing a Proclamation, offering a Reward to discover the Persons, their Aiders, Abettors, Counsellors and Consorters, who were concerned in the Riot last Night.
Spent the Evening with Cushing, Pemberton and Swift at Wheelwrights. Cushing gave us an Account of Bollans Letters -- of the Quantity of Tea the East India Company had on Hand -- 40,00000 weight, that is Seven Years Consumption -- two Millions Weight in America.

John Adams (1735-1826) was een Amerikaanse staatsman en de tweede president van de VS. Hij hield gedurende een groot deel van zijn leven een dagboek bij.

zondag 15 december 2013

Jens Gerdes -- 16 december 1992

16.12.1992
Jetzt geht es langsam auf Weihnachten zu, bloß bei mir stellt sich noch kein Weihnachtsgefühl ein. Aber Ferien brauche ich ganz dringend. Den ganzen Tag über hänge ich nur schlapp 'rum (Schule) oder schlafe den ganzen Nachmittag. Nicht einmal mehr für Arbeiten zu üben, schaffe ich noch. Gestern Erdkunde, heute Franze, total verhauen, beide! Die Hausaufgaben schaffe ich noch mit Mühe und Not, ich bin total am Ende. Und jetzt schreiben wir auch noch am letzten Schultag 'ne Mathearbeit. Irgendwie ist mir alles nur noch scheißegal.

Am Freitag war ich bei Matze König. Wir haben kaum was getrunken, aber ich bin total abgestürzt. Der Vater hat mich nach Hause gebracht. Ich weiß von gar nichts mehr, nur noch, dass ich morgens im Bett aufgewacht bin und mich an nichts erinnern konnte. Schade, Matze, Denni, Stefan und Co. werden es sich ab jetzt wohl zweimal überlegen, ob ich so schnell wieder mitsaufe. Scheiße!

Hier sind zur Zeit fast alle rechts, hab ich das Gefühl (na ja, halt alle, die wichtig sind). Meine Klasse geht mir auch mittlerweile tierisch auf den Geist. Hoffentlich komme ich bald in die Elfte!

Mit Miezen läuft zur Zeit gar nichts, und das ist auch gut so. So bleibt das auch erst mal.

Wenn ich nicht bald Ferien bekomme, werde ich wahnsinnig. Naja, nur noch vier Tage (ungefähr). Ich habe keine Lust mehr zu gar nichts! Alles scheißegal!


Jens Gerdes was in 1992 15 jaar. Fragmenten uit zijn dagboek van toen zijn opgenomen in een Duitse bloemlezing van dagboekfragmenten van jongeren.

Abraham Rutgers van der Loeff -- 15 december 1841

woensdag 15 december 1841
Zeer laat stond ik 's morgens op zoodat de familie reeds aan 't ontbijt zat. Jan Boon was er ook met wien dus de zaak omtrent Thijs kon vereffend worden. Te 12 uur ging ik in de Winschoter schuit naar Zuidbroek en vond daar bij Adriani mijne vrouw, met wie ik afgesproken had, dat zij mij bij Tinga zou wachten. Deze echter was niet thuis geweest. Hier bij Adriani kwam Tinga te 7 uur ook nog en te half 9 ging ik onder slecht weder met R[omelia] weer huiswaarts. Ik was braaf hongerig, daar ik dien dag nog niet gegeten had.

donderdag 16 december 1841
'S morgens gewerkt, naar den zieke geweest, die niet alleen nog leefde maar ook zelfs iets beter was. Daarop naar Bodisco, 's namiddags gekatechezeerd en daarna S. Berghuis bij mij gehad; die mij kwam raadplegen over zijn voorgenomene verandering van kostwinning. Ik had diep medelijden met den man en raadde hem ten beste. Zeer laat ging hij heen.


Abraham Rutgers van der Loeff (1808-1881) was predikant te Noordbroek, Zutphen en Leiden. Zijn dagboeken staan hier online.

zaterdag 14 december 2013

Albigence Waldo -- 14 december 1777

December 14
Prisoners and Deserters are continually coming in. The Army which has been surprisingly healthy hitherto, now begins to grow sickly from the continued fatigues they have suffered this Campaign. Yet they still show a spirit of Alacrity and Contentment not to be expected from so young Troops. I am Sick - discontented - and out of humour. Poor food - hard lodging - Cold Weather - fatigue - Nasty Cloaths - nasty Cookery - Vomit half my time - smoak'd out my senses - the Devil's in't - I can't Endure it - Why are we sent here to starve and Freeze - What sweet Felicities have I left at home; A charming Wife - pretty Children - Good Beds - good food - good Cookery - all aggreable - all harmonious. Here all Confusion - smoke and Cold - hunger and filthyness - A pox on my bad luck. There comes a bowl of beef soup - full of burnt leaves and dirt, sickish enough to make a Hector spue - away with it Boys - I'll live like the Chameleon upon Air. Poh! Poh! crys Patience within me - you talk like a fool. Your being sick Covers you mind with a Melancholic Gloom, which makes every thing about you appear gloomy. See the poor Soldier, when in health - with what cheerfulness he meets his foes and encounters every hardship - if barefoot, he labours thro' the Mud and Cold with a Song in his mouth extolling War and Washington - if his food be bad, he eats it notwithstanding with seeming content - blesses God for a good Stomach and Whistles it into digestion. But harkee Patience, a moment - There comes a Soldier, his bare feet are seen thro' his worn out Shoes, his legs nearly naked from the tatter'd remains of an only pair of stockings, his Breeches not sufficient to cover his nakedness, his Shirt hanging in Strings, his hair dishevell'd, his face meagre; his whole appearance pictures a person forsaken and discouraged. He comes, and crys with an air of wretchedness and despair, I am Sick, my feet lame,my legs are sore, my body cover'd with this tormenting Itch - my Cloaths are worn out, my Constitution is broken, my former Activity is exhausted by fatigue, hunger and Cold, I fail fast I shall soon be no more! and all the reward I shall get will be - "Poor Will is dead." People who live at home in Luxury and Ease, quietly possessing their habitations, Enjoying their Wives and families in peace,have but a very faint Idea of the unpleasing sensations, and continual Anxiety the Man endures who is in Camp, and is the husband and parent of an aggreeable family. These same People are willing we should suffer every thing for their Benefit and advantage, and yet are the first to Condemn us for not doing more!!


Albigence Waldo was een chirurg in het leger van George Washington - From the diary of a Surgeon at Valley Forge 1777

donderdag 12 december 2013

William L. Shirer -- 13 december 1940

De hele dag beiden gedeprimeerd over het afscheid, want Ed en ik hebben hier de afgelopen drie bewogen jaren nauw samengewerkt. Er is een oprechte vriendschap tussen ons ontstaan, een die je maar een paar keer in je leven meemaakt, en je kunt het dwaas of sentimenteel noemen, maar op de een of andere manier hadden we het voorgevoel dat deze reünie door de oorlogsverwikkelingen, door wellicht maar een simpele kleine bom, ook onze laatste zou zijn. In de invallende duisternis Hepen we heen en weer over de kade, terwijl we wachtten tot het schip zou vertrekken. Op de kade was een kleine onoverdekte bar voor de stuwadoors, met een slonzige, spijkerharde Portugese blondine achter de tap. Ze praatte aan één stuk door en schonk voortdurend de glazen vol. Al snel was het donker en er werden aanstalten gemaakt om de loopplank naar binnen te halen. Ik ging aan boord en Ed verdween in de nacht.
Er hing een volle maan boven de Taag en het schip gleed naar zee terwijl de miljoenen lichtjes van Lissabon op de heuvel aan de overkant van de brede rivier helder twinkelden. Voor hoe lang nog? Achter Lissabon waren in bijna heel Europa de lichten gedoofd. Alleen op dit randje in de zuidwestelijke hoek van het continent brandden ze nog. De beschaving, wat ervan restte, was hier nog niet onder de nazilaars vertrapt. Maar de volgende week? De volgende maand? De maand daarna? Zouden Hitlers horden hier ook niet het laatste licht doven?
Nog vijf andere Amerikaanse correspondenten die huiswaarts keerden en de oorlog achter zich lieten, uit Frankrijk, Duitsland en Frankrijk, zaten in de kleine scheepsbar en dronken old-fashioneds. Het was een uitstekende methode om het afscheid te verzachten. Ik dronk ook een glas. Maar alcohol is niet altijd genoeg. Ik voelde me rusteloos, opgewonden. Ik ging aan dek.
Lange tijd stond ik aan de verschansing en keek ik naar de kleiner wordende lichtjes van Europa, waar ik vijftien volle jaren van mijn volwassen leven had doorgebracht, waar ik al mijn levenservaring en de weinige kennis die ik bezat had opgedaan.


William Lawrence Shirer (1904-1993) was een Amerikaanse journalist, geschiedkundige en schrijver. Van zijn jaren als correspondent in Europa hield hij een dagboek bij, dat is uitgegeven als Berlin Diary.

woensdag 11 december 2013

J.F.S. Domela Nieuwenhuis Nyegaard -- 12 december 1913

VRIJDAG 12 DECEMBER 1913
Er gebeurt bijna nooit zoowat iets bijzonders. Zoo vandaag: opstaan, eten, naar school gaan, eten, weer naar school gaan, thuis komen, werken, eten en werken en naar bed toe gaan. 's Avonds dan komt er nog welis iemand, zoo nu Meneer en Mevrouw Furier??. Gisteren avond kwam ook nog het pak uit den Haag, daar zat allerlei lekkers in, zooals banquet, chocolade, een doosje borstplaat en nog een heeleboel meer. Ook een negerhut voor mij van Grootmama(D.N.). Verder, vandaag, gebeurde er niets wetenswaardigs.

ZATERDAG 13 DECEMBER 1913
Niets bijzonders. Ik ga na 4 uur even naar Van Goethem een paar boekjes koopen. Verder niets.

ZONDAG 14 DECEMBER 1913
's Morgens ga ik naar de zondagsschool en toen ik er met Moeder naar toe ging, liep het gesprek langzamerhand over wat Vader noemen zou, Livarda's. Moeder eerst raai-de Annijes Chirholt, daarna nog een, en daarna natuurlijk Marietje. Ja, ja, moeder wou zich houden alsof zij het niet wist. Daarom noemde zij eerst een paar anderen. Ja, ja. Slim bedacht, maar ik wist het ook wel! Ja! Ja! Oh! Oh! Zij wist het zoo drommels goed, maar zij moet zich natuurlijk groot houden. Verder kwam 's middags Mevr. van Col met haar zoon met de familie Klaays. Toen ik binnenkwam zei vader dat ik Ko heette en toen begon het over de oude Hollandsche namen en hunne afkortingen. Daarna over de gekke Vlaamsche namen en Madame Klaays vertelde, dat toen haar zuster geboren werd en het op de naam kwam, zei eindelijk de moeden'Nu dan zullen wij op de alma¬nak kijken en zij las: Wij zullen haar Va-ra-ra-rildeke noemen", 's Avonds schrijf ik nog een brief om de grootouders te bedanken voor de cadeaux. Verder niets.

MAANDAG 15 DECEMBER 1913
Vader moet vroeg weg. M.Champenois is afwezig. Hebben Fransen en Aardrijkskunde van Mijnheer Beterams. Verder weer niets.

DINSDAG 16 DECEMBER 1913
Alles gaat heel goed vandaag. Niets bijzonders.

WOENSDAG 17 DECEMBER 1913
Weer niets bijzonders voor vandaag. Dat is toch vervelend, niet?


J.F.S. Domela Nieuwenhuis Nyegaard (ca. 1900-1944). Dagboek.

dinsdag 10 december 2013

Jos de Voogd -- 11 december 2012

Dinsdag 11 december
We rijden naar de kustplaats Sayda, ten zuiden van Beiroet. Voor het veldkantoor van Caritas staat zware bewaking. Binnen zit het tjokvol met vluchtelingen. Tot nu toe zijn hier 1040 families geregistreerd als vluchteling.
Hier verblijven 42 families en 150 kinderen in een grote flat in aanbouw. De families wonen onder tentzeilen en in kale betonnen vertrekken. De moeders komen met fotootjes van verloren familieleden en tonen de littekens door bomscherven van hun kroost.
“Veel kinderen plassen in hun broek door alles wat ze hebben gezien. En laatst was bij een kind al het haar uitgevallen, puur door de stress”, vertelt Fatme van Caritas. Zij voelt zich hulpeloos: “We geven psychosociale hulp en voedsel. Met een bus halen we op maandagen en woensdagen 30 kinderen op die dan voor 2 uur naar school kunnen. Maar we kunnen niks doen voor chronisch zieken als diabetici of voor kankerpatiënten.”
De familie Brahim woont gratis naast een vuilnisbelt en een leerfabriek, waar de stank vreselijk is. Overal hangen huiden te drogen. Direct onder het schuine golfplaten dak, woont de familie Brahim, vader, moeder en hun vier kindjes van 9, 6 en 4 jaar en 5 maanden.
De vader: “Sinds een jaar wonen we hier. Ik hoef geen huur te betalen, omdat ik in de fabriek werk.” Terwijl de wind door alle kieren en openingen waait, laat vader Brahim een filmpje op zijn mobiele telefoon zien uit Syrië; schokkerige beelden met rennende mensen, geluid van explosies, bloedende lichamen op straat.
Nu zijn ze veilig, maar het lukt hen amper om financieel rond te komen. ”Het leven in Libanon is zoveel duurder dan in Syrië. Gelukkig hebben we hulp van Caritas, voedsel en schoolgeld voor ons oudste kind”.


Samen met drie Nederlandse journalisten bezocht Cordaid-persvoorlichter Jos de Voogd in 2012 Syrische vluchtelingen in Libanon. Hij hield een dagboek bij.

Een Tilburger -- 10 december 1813

1813 - 10 december 's avonds kwam voor 10 uren passeerden nevens mijn huis de eerste patroeille kosakken; ongeveer 110, dewelke zich naar de groote Markt begaven, uitgenomen 5, die bleven op de weekmarkt bij het huis van Jan Dovion. Ik kwam er het eerste bij. Een van de vijf kosakken bood mij een flesch aan met jenever om te drinken, hetgeen ik deed. Intusschen komt er J. Gooyaars, dewelke met mij wird gedwongen om te drinken. Dit doende was hij zeer tevreden. Toen kwam den heer D. van Dooren met zijn zwager, iemand uit Verviers; die moesten ook drinken. Intussen komt iemand met 4 bosschen strooi dewelke moesten losgemaakt worden. Alsdan moest ik, benevens de schoolmeester H. Smulders met een kosak op gemeld strooi liggen, maar 't was maar voor een oogenblik, want een wagtmeester van de kosakken ziet ons liggen. Maar de kosak krijgt met een karwats op zijn rug, dat hij opstaat en ik en de meester ook en ik ging naar huis zonder mishandeling. En dat was alles al vóór 10 uur voorgevallen. Om 11 uur ging ik naar de groote markt alwaar de groote troep was. Ik heb mij tot 's nachts 1 uur ongestoord onder die menschen opgehouden alleen uit nieuwsgierigheid. Daar er zoolang over die menschen gesproken was, alsof zij nog erger en wreder waren als wilde dieren. Ik ben daar 's nachts ongestoord geweest. 's Morgens 11 dito zijn zij naar den kant van 's Bosch getrokken en zijn den 12e boven 's Bosch bij of in Balkom slaags geweest tegen omtrent 46 Fransche gendarmen. De kosakken hebben de Franschen geslagen. Er zijn eenigen gedood en 5 krijgsgevangenen gemaakt. Deze hebben zij denzelfden avond omtrent 7 uren in de herberg 't Zwaard' bij D. Tindrot gebracht. Ik heb ze gesproken en soep, vlees, brood en jenever gegeven. Een wachtmeester van de gendarmen is hier onder of in den toren overleden. Eenen van de vijf krijgsgevangenen was ook geblesseerd aan 't hoofd; hij was genaamd Grasein en zondags gestationeerd te Tilburg.
Gemelde Bataille duurde omtrent 7 minuten, zoo mij een andere gevangene zegt, n.l. een zoogenaamde Sluiters, wachtmeester der gendarmen. Zij hadden ook 2 paarden veroverd. Een kosak had bovengemelde soep bij mij laten klaarmaken van eenen haan die hij geplokken had medegebracht. Hij was goed voor de Fransche gevangenen bezorgd. Er wird op de vrijdagsche marktplein wel 50 vuuren gestookt.


Uit het Dagboek van een Tilburger 1774-1851 (Laurentius de Lelie en J.B. de Beer?).

zondag 8 december 2013

Jules en Edmond de Goncourt -- 9 december 1859

9 december
Toen wij twee dagen geleden naar het museum gingen om toestemming te vragen voor het graveren van Watteau's L'Assemblee des Musiciens chez Crozat, vertelde Chennevières dat het museum nu al een week lang in rep en roer was vanwege een tekening van Moreau, La Revue du Roi, die ze uit geldgebrek niet hadden kunnen kopen. Reiset wil ons met alle plezier het adres geven.
Wij snelden naar rue des Bourbonnais 13. Daar werden we in een klein kamertje gelaten, met een kachel die vóór een tafel stond, waar een kind op zat van een paar maanden oud, - een armoedig atelier waar grote hoeveelheden hemden werden gemaakt. Een vrouw zat bij een lamp te werken. Wij vroegen of wij de tekening mochten zien; van onder de tafel haalde de vrouw een map tevoorschijn, die in een doek was verpakt, en daar was de Moreau, de beroemde Moreau, La Revue du Roi, de beweging van de wind, het huis van de koning, de koning zelf, de Zwitserse artillerie, de rijtuigen, de eigenaardige figuren die met geweerkolven werden teruggedrongen, de microscopisch kleine soldaten, de lange rij bomen van de plaine des Sablons.
Wij vroegen naar de prijs: duizend frank. En op het museum hadden ze ons gezegd driehonderd! En toen wij dit laatste bedrag boden, ontnam een koel 'Laat de heren even uit', dat de vrouw tegen een klein meisje sprak, ons iedere hoop en deed ons met een droge keel, als na een grote emotie, de armoedige trap afdalen.
De volgende dag boden wij de echtgenoot, de man van het stel, vierhonderd frank, om onszelf het idee te geven dat we er alles aan hadden gedaan. 's Avonds kwamen de man, de vrouw, en zelfs het kind op de arm van de vrouw, ons de tekening brengen, waarop wij niet meer hadden gehoopt, en die wij 's avonds bleven bekijken, koortsachtig, als spelers die de hele nacht aan de speeltafel hebben doorgebracht.


Edmond de Goncourt(1822-1896) en Jules de Goncourt (1830-1870) waren Franse schrijvers en critici, en initiatiefnemers van de zeer prestigieuze Prix Goncourt. Ze hielden samen een (inmiddels zeer beroemd) dagboek bij, dat Edmond na de dood van Jules in zijn eentje voortzette.

Ets van Jacques-Philippe le Bas naar bovengenoemde tekening van Moreau (?).

zaterdag 7 december 2013

John Franklin -- 8 december 1820

December 8.
We set out on the lake with an excessively cold north-west wind and were frequently interrupted by large pieces of ice which had been thrown up by the violence of the waves during the progress of congelation, and at dusk we encamped on the Reindeer Islands.

The night was fine with a faint Aurora Borealis. Next day the wind was so keen that the men proposed conveying me in a sledge that I might be the less exposed, to which after some hesitation I consented. Accordingly a reindeer skin and a blanket were laid along the sledge and in these I was wrapped tight up to the chin and lashed to the vehicle, just leaving sufficient play for my head to perceive when I was about to be upset on some rough projecting piece of ice. Thus equipped we set off before the wind (a favourable circumstance on the lake) and went on very well until noon, when the ice, being driven up in ridges in such a manner as to obstruct us very much, I was released, and I confess not unwillingly though I had to walk the remainder of the day.

There are large openings in many parts where the ice had separated and, in attempting to cross one of them, the dogs fell into the water and were saved with difficulty. The poor animals suffered dreadfully from the cold and narrowly escaped being frozen to death. We had quickened our pace towards the close of the day but could not get sight of the land, and it was not till the sun had set that we perceived it about four miles to our left, which obliged us to turn back and head the wind. It was then so cold that two of the party were frozen almost immediately about the face and ears. I escaped from having the good fortune to possess a pair of gloves made of rabbits' skin with which I kept constantly chafing the places which began to be affected. At six P.M. we arrived at the fishing-huts near Stony Island and remained the night there. The Canadians were not a little surprised at seeing us whom they had already given up for lost—nor less so at the manner by which we had come—for they all affirmed that the lake near them was quite free from ice the day before.


John Franklin (1786-1847) was een Britse marineofficier en poolreiziger. In The Journey to the Polar Sea doet hij verslag van zijn eerste reizen naar het noordpoolgebied.

Jaap Burger -- 7 december 1940

Sint-Nicolaas is weer achter de rug. We hebben het gezellig gehad en op de bekende wijze elkander verrassingen gegeven en een genoeglijke avond doorgebracht. Bovendien valt er tegenwoordig altijd wel gezellig te roddelen en zelfs de meest bizarre verhalen schijnen waard verteld te worden. Zo bijvoorbeeld dat iemand als Liebesgabe een kaas naar Duitsland zond, voor de stevigheid geflankeerd door twee turven. Het bedankbriefje vermeldde dat de kaas heerlijk was, maar het brood al even slecht als in Duitsland.
Veertien dagen terug hebben we een storm gehad, de golven in het Hollands Diep rolden zo vervaarlijk dat het afweergeschut in werking kwam, voorgevende een duikboot ontdekt te hebben, hetwelk echter een roller van een golf bleek te zijn. Ja 't zijn wel waterkijkers.
De Joden hebben ontslag gekregen uit openbare functies. Een tragische en schandelijke geschiedenis. Ter gelegenheid van het ontslag van Prof. Meyers te Leiden heeft Prof. Cleveringa te Leiden een rede gehouden, waarvoor hij - naar men zegt - zijn koffertje met spullen voor gevangenschap meteen maar had medegenomen. Hij ontketende - naar men zegt - een enorm enthousiasme, maar werd vervolgens prompt ingerekend. De kranten zwegen in alle talen, de rede circuleert clandestien snel van hand tot hand.
Vannacht hoog water gehad, een twintig centimeter op het trottoir voor de deur, maar we hebben het buiten gehouden. Vervolgens enige bommen in de buurt van de gasfabriek, de gashouder lek en leeg, een dode en enige gewonden. Fantastische verhalen doen de ronde over uitzendingen van Radio Moskou, maar als ik het aanzet is er nooit anders dan wat muziek. Toch is het mensdom gemiddeld vrij optimistisch; men gelooft - waarom is niet erg duidelijk - dat de Duitse zaak er zeer slecht voor staat. Overigens komt de voedselvoorziening aardig in de klem. Hier geen melk, daar geen boter, slagerswinkels gesloten of met een queue ervoor. De boeren zijn obstinaat want zij moeten vijfentwintigduizend afstaan en één op de vijf koeien ter slacht aanbieden. Aldus ontvalt de NSB de bodem, waarop zij althans nog enige succeskans zou kunnen hebben.
Vanmiddag zat ik nog even in Ter Merwe, bordjes van 'verboden voor Joden', 'men gelieve zijn wapenen bij zich te houden' loop je maar voorbij om ergens aan een tafeltje te komen waar naar Duitse manier een willekeurig iemand naast je komt zitten. Met het gezelschap kan er dan wel gefluisterd worden, maar erg heimisch is het al met al voor Nederlanders niet.


Jaap Burger (1904-1986) was een Nederlandse advocaat en politicus. In de oorlogsjaren hield hij een dagboek bij.

vrijdag 6 december 2013

August von Platen -- 6 december 1818

6 december 1818, Würzburg
Gisteren heb ik tijd gevonden om opnieuw de Faust te gaan lezen. Hoe vaker ik hem lees, des te meer ga ik hem waarderen. Alleen begrijp ik de slotscène op de Blocksberg niet en ik weiger te geloven dat die walglijke grollen die daarin voorkomen een ander effect hebben dan dat ze afbreuk doen aan het dichtwerk. Meer dan bij eerdere lezing hebben de regels een blijvende indruk op me gemaakt, die luiden:

Ich bin zu alt um nur zu spielen,
Zu jung, um ohne Wunsch zu sein.


August von Platen (1796-1835) was een Duitse schrijver. Dagboeknotities van hem zijn verschenen als Memorandum meines Lebens

Precies 11 jaar later sprak Johann Peter Eckermann met Goethe over diens Faust.

Johann Peter Eckermann -- 6 december 1829

Sonntag, den 6. Dezember 1829.
[...] Wir sprachen über die Figur des Baccalaureus. „Ist in ihm,“ sagte ich, „nicht eine gewisse Klasse ideeller Philosophen gemeint?“ „Nein,“ sagte Goethe, „es ist die Anmaßlichkeit in ihm personifiziert, die besonders der Jugend eigen ist, wovon wir in den ersten Jahren nach unserm Befreiungskriege so auffallende Beweise hatten. Auch glaubt jeder in seiner Jugend, daß die Welt eigentlich erst mit ihm angefangen, und daß alles eigentlich um seinetwillen da sei. Sodann hat es im Orient wirklich einen Mann gegeben, der jeden Morgen seine Leute um sich versammelte und sie nicht eher an die Arbeit gehen ließ, als bis er der Sonne geheißen, aufzugehen. Aber hierbei war er so klug, diesen Befehl nicht eher auszusprechen, als bis die Sonne wirklich auf dem Punkt stand, von selber zu erscheinen.“

Wir sprachen noch vieles über den Faust und dessen Composition sowie über verwandte Dinge.

Goethe war eine Weile in stilles Nachdenken versunken; dann begann er folgendermaßen.

„Wenn man alt ist,“ sagte er, „denkt man über die weltlichen Dinge anders, als da man jung war. So kann ich mich des Gedankens nicht erwehren, daß die Dämonen, um die Menschheit zu necken und zum besten zu haben, mitunter einzelne Figuren hinstellen, die so anlockend sind, daß jeder nach ihnen strebt, und so groß, daß niemand sie erreicht. So stellten sie den Raffael hin, bei dem Denken und Tun gleich vollkommen war; einzelne treffliche Nachkommen haben sich ihm genähert, aber erreicht hat ihn niemand. So stellten sie den Mozart hin, als etwas Unerreichbares in der Musik. Und so in der Poesie Shakespeare. Ich weiß, was Sie mir gegen diesen sagen können, aber ich meine nur das Naturell, das große Angeborene der Natur. So steht Napoleon unerreichbar da. Daß die Russen sich gemäßigt haben und nicht nach Konstantinopel hineingegangen sind, ist zwar sehr groß, aber auch ein solcher Zug findet sich in Napoleon, denn auch er hat sich gemäßigt und ist nicht nach Rom gegangen.“

An dieses reiche Thema knüpfte sich viel Verwandtes; bei mir selber aber dachte ich im stillen, daß auch mit Goethe die Dämonen so etwas möchten im Sinne haben, indem auch er eine Figur sei, zu anlockend, um ihm nicht nachzustreben, und zu groß, um ihn zu erreichen.


Johann Peter Eckermann (1792-1854) was een Duitse dichter en bovenal medewerker en vriend van Johann Wolfgang von Goethe. Eckermann is vooral bekend geworden door zijn opgetekende en uitgegeven gesprekken met Goethe.

woensdag 4 december 2013

Philip Mechanicus -- 5 december 1943

Zondag 5 december
In alle barakken in het kamp opgewekt Sinterklaas gevierd. Vond vanmorgen aan het hoofdeinde van mijn bed een pakje met een dikke m van amandelpers met chocoladestrooisel, vergezeld van rijmpjes en een tedere brief van mijn beste vriendin. Aandoenlijk van tederheid. In barak 85 (de Barnevelders), barak 73 (de gedoopten) en 67 (de gestraften) is Sinterklaas het best en drukst gevierd. In 85 deelde Sinterklaas mee, dat de reis dit jaar zeer zwaar was geweest, dat het moeilijk was geweest door de schoorsteen te komen en hij zei te vrezen, dat het nog moeilijker was eruit te komen. In 67 waren twee Zwarte Pieten. Sinterklaas stelde bij zijn rondgang langs de volwassenen de vraag: ‘Waarom ben je niet ondergedoken?’ (Het is er vol met ondergedokenen.) Geen kind, of het heeft een cadeautje gekregen. Kleinigheidjes, zelfgeprutste dingetjes vaak. Maar 't was Sinterklaas, de oude Sinterklaas. In mijn barak is een appel gestolen uit een schoentje, dat een kereltje voor de Sint had klaargezet, van een ander kind een sjaaltje met geborduurde dierenfiguurtjes.


Philip Mechanicus (1989-1944) was een Nederlandse journalist. Tijdens zijn gevangenschap in Westerbork hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als In dépôt (1964).

dinsdag 3 december 2013

Paul Léautaud -- 5 december 1919

Vrijdag 5 december 1919. - De Panter wordt met de dag onaardiger en vervelender: ze heeft 't alleen nog maar over geld, de prijs van dit, de prijs van dat, voordelige koopjes, wat zij geeft, wat haar niet gegeven wordt, wat een bepaald ding kost dat ze in huis heeft, een ander dat ze pas gekocht heeft, de prijs waarvoor ze het weer zou kunnen verkopen, wat de maaltijd kost die ze voor mij maakt, hoe duur bepaal de dingen zijn die ze mij in het begin van onze verhouding heeft gegeven. Twee jaar geleden heeft ze me twee droogdoeken gegeven; die heeft ze teruggevraagd omdat die nu zo duur zijn. Ze begon ook over de drie overgordijnen die ze me heeft gegeven voor mijn ramen. Ik was haar echter vóór, door gul lachend te verklaren dat ik eraan gehecht was als aan mijn eigen oogappels, dat ze voor mij een herinnering waren aan de lieve vrouw die ze eens was geweest.
Verleden week zaterdag is ze op een vergadering bij Madame Simons geweest. Daarover vertelde ze 't volgende: 'Madame Simons heeft me gevraagd: is die Léautaud eigenlijk intelligent, ik bedoel buiten de dingen die met dieren te maken hebben? Daar heb ik maar geen antwoord op willen geven, om je niet te vernederen.' Heerlijk is dat! En dat heb ik haar ook gezegd: 'Als je eens wist hoe komisch dat is; twee kleinburgerlijke vrouwtjes, die met elkaar een babbeltje maken over de intelligentie of de stompzinnigheid van deze of gene. Dus jij weet zonder meer wat intelligentie eigenlijk is? Ben je daar wel zo zeker van? Dan bof je wel hoor! Ik ken mensen, die heel wat knapper zijn dan jij, en die weten nog steeds niet met zekerheid wat intelligentie nou precies is.'
Dat neemt niet weg dat het allemaal erg triest is. Wanneer ik er aan denk, dan word ik er bedroefd van. Dat we nu zo slecht met elkaar kunnen opschieten, dat we zo weinig gemeen hebben, dat ze me steeds op de meest agressieve toon aan het afkraken is, terwijl we vroeger (en ook nu nog, als ze een goede bui heeft) toch zoveel plezier aan elkaar hebben beleefd. Waarom heeft ze ook alles van een perfecte maîtresse, maar tegelijkertijd ook alles van een afschuwelijke vrouw! Ik ben natuurlijk weer de gelukkige geweest, die daar in moest trappen.


Paul Léautaud (1872-1956) was een Franse schrijver. Bovenstaand fragment komt uit Particulier dagboek 1917-1924.

Alfred A. Cunningham -- 4 december 1917

Tuesday, December 4, 1917

Hotel de France, Pau, France

Got up at 6:30 and rushed to catch the train. After breakfast at the Ecole I looked through all the shops and buildings and watched the flying. Saw no serious accident, although I heard there were 2 at 1 of the fields. After dinner at the Circle de Officers I watched some good acrobatic flying by the chief pilot. They were taking movies of him. After visiting the hangar where the Wright Bros. made their first flight in France, I was driven to the acrobacy field and watched the pupils do the reinversements, "barrel" etc. for the first time. You could see from the ground they were nervous about it. Lieut. Simon then went up in "The Black Cat" and did the most wonderful stunts within 500 ft. of the ground. He is the best flyer in France and a very nice fellow. I like the Nieuport very much but it is certainly quick and nervous. There are an unusual number of Americans here learning to fly for the French Flying Corps. The French seem to be giving out of good material for aviators. Their students do not show up well. The sun shone all day but it was cold. I took a few kodak pictures. I received a package by mail here today which was forwarded from Phila, so there must certainly be some letters waiting for me in Paris. I can hardly wait to get there and hear from my little girl. It has been over a month now since I left and I have not heard a word from her. It seems an age and I will be happy and relieved if I find mail from her in Paris. I like Pau better than any place I have been in France. The scenery is beautiful and the people seem to be human. I have to get up early so had better turn in.


Alfred A. Cunningham (1881-1939) was een Amerikaanse legerpiloot. Hij hield in 1917/1918 een dagboek bij toen hij in Frankrijk gestationeerd was; het is verschenen onder de titel Marine flyer in France.

maandag 2 december 2013

Gottfried Keller -- 3 december 1847

Den 3. Dezember.
Heute Nacht träumte mir von einem Weih. Ich schaute in einem Hause zum Fenster hinaus, im Hofe standen die Nachbarn mit ihren Kindern, da flog ein großer, wunderschöner Gabelweih über den Dächern einher. Er schwebte eigentlich nur, denn seine Flügel waren dicht geschlossen und er schien vor Hunger krank und matt, indem er immer tiefer sank und sich mit Mühe wieder erheben konnte, aber nie so hoch, als er vorher gesunken war. Die Nachbarn mit ihren Kindern schrien und lärmten und warfen ungeduldig die Mützen nach ihm, um ihn ganz herabzuwerfen. Er sah mich an und schien, sich auf und nieder bewegend, mir sich nähern zu wollen. Da lief ich schnell weg in die Küche, um etwas Speise für ihn zu holen. Ich fand mit Mühe etwas, und als ich hastig damit wieder am Fenster erschien, lag er schon tot am Boden in den Händen eines kleinen lausigen Jungen, welcher die prächtigen Schwungfedern ausrupfte und umherwarf und endlich ermüdet den Vogel auf einen Misthaufen schleuderte. Die Nachbarn, welche ihn endlich mit einem Steine herabgeworfen hatten, waren unterdessen auseinander- und an ihre Geschäfte gegangen. Dieser Traum machte mich sehr traurig; hingegen ward ich wieder sehr vergnügt, als ein junges Mädchen kam und mir einen großen Strauß Nelken zum Kaufe anbot. Ich wunderte mich sehr, daß es im Dezember noch Nelken gebe, und handelte mit dem Kinde; sie verlangte drei Schillinge. Ich hatte aber bloß zwei in der Tasche und war in großer Verlegenheit; ich verlangte, sie sollte mir für zwei Schillinge von den Blumen absondern, indem nur so viel in meinem Champagnerglas, in welchem ich die Blumen gewöhnlich aufbewahre, Platz hätten. Da sagte sie: »Lassen Sie mal sehen, sie gehen schon hinein.« Nun stellte sie eine Nelke nach der andern bedächtig in das schlanke glänzende Glas, ich sah ihr zu und empfand jenes Behagen und Wohlgefühl, welches immer in einen kömmt, wenn jemand vor unsern Augen eine leichte Arbeit still, ruhig und zierlich vollbringt. Als sie aber die letzte Nelke untergebracht hatte, wurde es mir wieder angst. Da sah mich das Mädchen freundlich und schlau an und sagte: »Sehen Sie nun? Es sind aber auch nicht so viel, wie ich geglaubt habe, und sie kosten nur zwei Schillinge.« Es waren indessen doch keine eigentlichen Nelken, aber von einem brennenden Rot und der Geruch war außerordentlich angenehm und nelkenhaft.


Gottfried Keller (1819-1890) was een Duitse schrijver. Zijn Das Tagebuch und das Traumbuch is te lezen bij Gutenberg.

zondag 1 december 2013

Nelly Sweere -- 2 december 2008

Dinsdag 2 december 2008

Vrije val

Het gaat niet goed met me, ik breng nog steeds grotendeels op bed door bij gebrek aan energie en kracht. De hoestpartijen in de nacht en ochtend putten me uit en zorgen voor veel ongemak, pijn en benauwdheid. Pijnstillers zorgen ervoor dat de pijn in mijn lichaam draaglijk blijft en dat ik kan ontspannen na de uitputtingsslag. Het is moeilijk om te zeggen of de antibiotica heeft geholpen, wel heb ik veel rommel op kunnen hoesten. Toch brengt het geen vooruitgang in mijn algehele conditie en het lijkt er toch steeds meer op dat ik in een nieuwe fase ben aangeland. Het voelt een beetje als een 'vrije val' zo hard gaat het ineens. Het vraagt weer overgave, maar het kost me ook veel tranen. Diederik wijkt niet van mijn zijde en zorgt liefdevol voor me. Ik voel me veilig en geborgen bij hem en ik kan dit omdat hij altijd bij me en naast me is. Een grotere daad van liefde bestaat niet. Mijn wereldje wordt kleiner, maar mijn belangstelling voor de wereld om me heen niet. Dus ik zie nog meer meer uit naar jullie verhalen en belevenissen, schroom niet om te schrijven, ik geniet er nog steeds van. Praten gaat moeilijk, maar lezen doe ik nog steeds graag. Dank dat jullie er zijn,
liefs Nelly


Nelly Sweere (1960 - 2009) overleed precies een maand later aan de gevolgen van haar ziekte.

zaterdag 30 november 2013

Stijn Streuvels -- 1 december 1914

1 december.
Ik heb, 't geen men noemt: erop geslapen en nu staat het vast - ik ga naar Holland! En nu 't besluit genomen is, ben ik maar beangst voor de hinderpalen en vraag mij af: zullen wij er komen als 't zo moeilijk is gelijk men wel beweert?! Het werkmeisje heb ik kunnen overhalen en zij heeft haar broer overhaald om hier samen te komen thuiswachten terwijl ik vertrokken ben. Dat is een hele toer en 't kost donders veel moeite eer men 't van iemand gedaan krijgt baas te komen spelen in een verlaten huis. In hun eigen woonst zijn de mensen niet bang, maar in andermans woning, zijn ze geen cent weerd! en 't is al maar: de vrees dat er zouden soldaten komen! met wie ze moeten huishouden! En 't ongeluk is: er komen soldaten! Ik heb heel de dag neerstig bezig geweest met de toebereidselen voor de reis en alles viel zo goed mee, maar nu, tegen de avond, komen een 300 ruiters op de gemeente. In een paar minuten zijn ze ingekwartierd bij de burgers met de boodschap dat ze er verblijven voor een volle maand. De overheden [= officieren] zijn bij pastor Verriest en als ik ga zien op 't dorp, is alles gedrild [= geregeld]en afgelopen.
Ik ben er dus van bevrijd en dat er soldaten op 't dorp zijn is hoegenaamd geen reden voor mij om thuis te blijven, integendeel, nu kan ik geruster dan ooit vertrekken, want nu ze er zijn, loop ik geen kans dat er hier in huis zullen komen.
Ik ga gerust te bed vast in 't voornemen, morgen uit te zetten!
Ik ben nog maar juist in slaap als er op de deur geklopt wordt, maar geklopt om de deur in te leggen. 't Is wonder, als er reden bestaat om bang te zijn, word ik integendeel uiterst kalm en vastberaden. In één wip ben ik er uit en in mijn vliegend hemd naar beneden. Zonder aarzelen trek ik 't bovendeel der voordeur open. Ik heb een soldaat voor mij die tamelijk bars vraagt: ‘Sind hier keine soldaten?’ Ik zeg hem dat er op 't dorp zijn maar hier in huis niet! - De kerel dringt aan, alsof hij me niet geloven wilde. Ik doe hem 't voorstel te komen zien. Hij gromt iets binnensmonds en blijft staan. Eindelijk vertrekt hij zonder een woord. - ‘Merci!’ roep ik hem achterna want nu word ik door die handelwijze enigszins ontstemd, maar ben toch blij dat het zo afloopt en ik weer in de dekens kan. Het was de conducteur van de bagage die in de nacht zijn manschappen moest komen opzoeken! Ook geen plezierig postje!

***

Als het een roman was dat ik schrijf in plaats van een dagboek, zou ik hier een nieuw hoofdstuk moeten beginnen met een afzonderlijke titel. ‘Een reisje naar Amsterdam’ zou ik het kunnen noemen als 't in vredestijd was. Maar van een pleziertochtje als in de verlofdagen kan nu allerminst sprake zijn! Nu komt er veel meer sensatie bij te pas - iets als: ‘Een gewaagde tocht’ of ‘Van duisternis tot licht!’ met als motto 't geen koning David weleer zong: In exitu Israël de Aegypto... Dat er iets gewaagds aan is, weet ik heel zeker en men moet eerst enige maanden onder de druk, in afzondering en eenzaamheid, in 't gevaar en in 't donker gezeten hebben om te weten wat het betekent: een kans om eruit te komen, in 't vrije te geraken, weg van de oorlog, in een land waar mensen hun gewone, normale leven voortzetten! Voeg er dan nog bij: 't verlangen om vrouw en kinderen terug te zien, nieuws te vernemen hoe ze het ginder stellen en wat zij doorgemaakt hebben om er te geraken...


Stijn Streuvels (1871–1969) was een Vlaamse schrijver. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.

Virginie Loveling -- 30 november 1914

maandag 30 november '14.

Een drietal dagen geleden zijn negen bommen in de stad op het kwartier der Muide geworpen ter plaats, waar reserven van naphte zich bevinden. Zij hebben twee personen lichtgekwetst en weinig stoffelijke schade aangericht. Een Engelsche vlieger heeft het gedaan. Dien ten gevolge zijn twaalf gijzelaars gepakt, waaronder een wethouder en de pastoor van St. Baafs.

Terwijl ik het bovenste schrijf, weergalmen luide zegezangen. Kijken door den spioen! Langs den boulevard zijn in verdoovenden motregen talrijke reeksen stadwaarts trekkende soldaten te zien.

Er staat uitgeplakt, dat de vijand over den IJser is.

Alle openbare uurwerken moeten de uurverandering ondergaan. Alles is op een uur vroeger gesteld.

De vrouwtjes uit het bestedelingenhuis weigerden den tweeden morgen op te staan: "Wij, die toch van heel den dag niets te doen hebben," zeiden zij.

Het broodrantsoen wordt ingesteld.

De belastingsbriefjes zijn afgegeven met beduidende verhooging.

Theatervoorstellingen, concerten en allerlei vermakelijkheden van allen aard zijn opgeschorst. Een paar kinemas zijn nog open.
Ze hebben geen ander wapen dan een knolligen stok, en een tromp om de politie ter hulp te roepen in geval van nood of aanranding.


Virginie Loveling (1836-1923), zus van schrijfster Rosalie Loveling en nicht van schrijver Cyriel Buysse, was een Vlaamse schrijfster en dichteres. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield ze een Oorlogsdagboek bij.

donderdag 28 november 2013

Boudewijn Büch -- 29 november 1998

Amsterdam en Berlijn (Duitsland), 29 november
Om 9.00 uur staat Panda klaar. We rijden - ondanks alle verbouwingen aan de autobanen - in ruim zeven uur naar Berlijn. De suite in mijn favoriete Four Seasons Hotel is uiteraard weer subliem. De boekhandels zijn gesloten, zelfs Dussmann (het KulturKaufhaus, dat multimediaparadijs) vlak bij ons hotel. Met de taxi naar de omgeving van de Gedächtniskirche. We eten Thais in het restaurant waar we drie maanden geleden, met de televisieploeg, ook aten. In dit smakelijke eethuis komt Herman Brood met een aantal in het zwart geklede kornuiten binnenwandelen. Ik verstop mij een beetje, want ik heb geen zin in een confrontatie met Herman met wie ik al een decennium een zacht gloeiend conflict heb omdat ik hem ooit beschuldigd heb van het promoten van drugsgebruik. Ik heb toen geschreven dat het mij niks kan schelen dat hij zich volpompt met drugs - dat heb ik tot mijn grote genoegen zelf ook lang genoeg gedaan - maar dat hij dat gebruik niet op televisie moet etaleren en gevoelige kinderzieltjes half en half moet aanbevelen. Ik sluip het restaurant uit. Dat gaat goed. In de schitterende bar van het hotel koffie en thee. Panda zit nu (21.00 uur) aan de andere kant van de suite in bad en die gaat zo, doodmoe van al dat gestuur, slapen. Ik ben ook moe.


Boudewijn Büch (1948-2002) was een Nederlandse schrijver en programmamaker. In 1998 hield hij een dagboek bij dat is verschenen als Een boekenkast op reis. Persoonlijke kroniek 1998

woensdag 27 november 2013

Cees Nooteboom -- 28 november 1962

Tien over elf, dinsdagmorgen. Ik loop de arena van het RAI-gebouw uit. Het ijskoude licht van de dag staat rechtop in die hallen, de mensen die er doorheen lopen zijn merkwaardig alleen en maken geen enkel geluid. Aan de andere kant van de hal is de perskamer. Vermoeide mannen kijken naar de monitor waar het nog steeds plaatsvindt: de lange, geheimzinnige middeleeuwse feestdag, de niet meer eindigende stoet van geldgevers en geschenkenbrengers waartussen de absurditeit rondwandelt hand in hand met zakelijkheid, onschuld, en soms een bijna barbaarse goedheid die schrik aanjaagt.
Iemand heeft met de vlakke hand boven op Nederland geslagen en kijk wat er uitkomt: een man met een fiets, een kind met een pop, een bank met een ton, een schilder met een schilderij, priesters, matrozen, een orgie van geven die uitmondt in dit lange, open, glazen gebouw, waar ze één voor één naar voren komen met hun klokken, hun zelfgebakken koeken, hun grond, hun weekloon, hun konijn, hun bruidsjurk. Het hangt bijna dreigend boven ons, de verstikkende opwinding van miljoenen mensen, het gevaarlijk onverwachte. Wat er precies aan de hand is kan niemand meer uitleggen, maar het zou onzin zijn om dit nog te willen terugbrengen tot de proporties van een normale actie, tot gevoel dat is opgewekt en nu werkt.
Sommige gezichten tussen de steeds verder oprukkende stoet gevers verlangen duidelijk naar een totale verrukking, er is op deze gelegenheid gewacht. De bewondering die men voor Mies Bouwman moet hebben, heeft niets meer te maken met charme of gevatheid: het geweld dat ze oproept weet ze elke keer opnieuw in bedwang te houden.
Het is achttien uur na gisteren. Bij de uitgang staat een man in een overal met een kalkoen op zijn arm, die nadenkend uit zijn keihard vogeloog de wereld der mensen bekijkt. Ik ga nu echt naar buiten, en sta op het witte, van mist verzadigde plein. In een militaire vrachtwagen zit een soldaat te wachten. Uit het raampje van een andere auto hoor ik 'Kijk eens mevrouw Bouwman, ik hoor u zo vaak Hotsjekee zeggen. Nu heb ik een collega, die doet dat ook.' En daar is dan niets aan toe te voegen.


Cees Nooteboom (1933) is een Nederlandse schrijver. Dit fragment gaat over de tv-inzamelactie 'Open het Dorp' (1962) voor een gehandicaptendorp bij Arnhem, die 23 uur duurde en 21 miljoen gulden opleverde.


dinsdag 26 november 2013

Alexander Ver Huell -- 27 november 1863

27 Nov.
Het programma van den Optogt, van de volksvermakelykheden, vuurwerken etc: is vastgesteld. Wat amuzeer ik me met het zien der half vrolyke gezigten van al die ultra-libéralen hier, van de mannen van de Arnhemmer-Courant etc: die nu nog grooter Oranje-strikken en meer bombarie maken als de anderen. De toppen der dennen die voor de nieuwe spoorwegen zijn gehakt zijn komen goed te pas - geheele straten zijn er meê beplant en door rood-wit-en blaauw geschilderde dubbele latten met lampions zijn zij verbonden. De hemel geve dat er geen Novemberstorm met dat bosch zonder wortels, kome spelen! Op de Velper-weg en op een paar andere plaatsen staan eerebogen. Voor wien? De bergstraat, waar ik woon, illumineert met guirlandes langs de boomen en twee gaz-piramides met zonnen boven en onder aan de straat.
In Amsterdam begint men voor het Nationaal Mu.m te ijveren.
Van avond las ik in een allerliefst werkje dat ik kocht: ‘chez Victor Hugo. par un passant’ met etsjes van Lalanne. Ik vond er een beschrijving in van de wijze waarop V.H. teekent En plotseling - zoo als trouwens mij altyd geschiedt - viel mij een idée om te schetsen in - ik zag het geheel met zijn donkeren voorgrond en helderen achtergrond, voor mijn geest staan. Het was een profane compositie. en toch geloof ik dat ik er een schoone plaat van zoude gemaakt hebben. Zoo er iets is wat mij aan onmiddelyke tusschenkomst van een Geest van het Kwaad, konde doen gelooven, het zijn deze (zooals men zegt) ingevingen. Geheel buiten mijn wil komen sacrilège, menschenhatende, godslasterlijke concepten mij plotseling en zonder eenige aanleiding, juist soms als ik vervuld ben van edele impressie's uit schoone en goede lectuur geput; mij voor de verbeelding dringen, en zóó duidelyk en teekenachtig, zóo geestig, en origineel dat ik alle moeite heb om de verleiding te weerstaan om ze op het papieren over te brengen. Maar juist sedert mij dit, door lange ondervinding, helder is geworden, strijd ik er tegen en dwing ik mijn geest tot aesthetische en goede scheppingen. Maar het kost mij moeite - want ik zoû veel beter réusseeren en stellig naam maken door wilde, hartstochtelyke, vreesselyke tooneelen. Zoo viel mij eens in, zag ik in eens duidelyk voor mij staan, bij het lezen van dezen regel ‘Le résultat est un dessin inattendu, de volgende scène, zonder dat ik er over gedacht had, of gelezen had zonder de minste aanleiding. Ik zag op een donker-zwarten sépia voorgrond, twee Romeinsche soldaten, op een platteform over een lage vestingmuur leunen. De een ziet men op den rug, de ander keert zich met een groven lach om en wijst naar drie gekruisten op een heuvel in het verschiet, voor den hel verlichten horizont.

 Alexander Ver Huell (1822-1897) was een nederlandse tekenaar en schrijver. Uit: Het dagboek van Alexander Ver Huell 1860-1865.

maandag 25 november 2013

Alfred Kerr -- 26 november 1899

Het regent, af en toe huilt de wind, het is november. Gönczi komt terug, Dressel is zoek, baron von Mirbach gaat het goed, de prins van Montenegro legt de eed af, op de Friedrichstrasse lopen kleine zeehondjes van blik, als kerstspeelgoed, het tuchthuisontwerp is afgekeurd, de keizer bezoekt zijn grootmoeder, Berlijn wordt in gemeenten opgedeeld, de heer Kirschner wordt als laatste burgemeester naar het Märkische Museum gestuurd, op de Petri-platz komt geen nieuwe kerk (want er staat er al eentje). Het is november, het regent, af en toe huilt de wind.
Deze zeehonden – menigeen zou ze de Berlijners ten voorbeeld willen stellen. Want ze roetsjen op hun buik. Ze roetsjen op hun buik, de hele straat over, tenminste als de wind, de wind, dat hemelse kind, de plassen een beetje heeft opgedroogd. Ze roetsjen op hun buik, ze kwispelen met hun staart, ze piepen niet als je op ze gaat staan en alles aan ze is van blik. Ze doen het alleen als je ze opwindt, het staat je vrij ze om het even in je zak te steken – en dit is dan het speelgoed van de laatste winter waarin we afscheid nemen van deze grootse eeuw - van deze buitengewone eeuw, die begint met Napoleon en eindigt met Wilhelm II, de eeuw van de techniek, die mechanische zeehondjes voortbrengt – laat ik het kort en goed samenvatten: van de negentiende eeuw. Hand op m'n hart. Nooit heb ik er werk van gemaakt feiten te verdoezelen, steeds was het verre van mij de waarheid onder stoelen of banken te steken, en aldus kom ik er bij deze rond voor uit – wat mijn bekentenis ook voor gevolgen moge hebben – dat geen enkel kerstspeeltje van de afgelopen jaren de beweeglijkheid en volmaaktheid van onze komische zeehond evenaart. Hij gaat links, hij gaat naar rechts, je ligt dubbel, hij gaat achteruit, je lacht je dood, hij wil vooruit, de tranen lopen over je wangen, want iemand trekt hem aan zijn touwtje de lucht in, en daar hangt hij dan te bengelen en te kronkelen – het is uit met de zelfstandigheid!
Zoals gezegd: je ligt in een deuk.
Alfred Kerr (1867-1948) was een Duitse schrijver, dichter en theatercriticus. Dagboeknotities van hem verschenen in Aus dem Tagebuch eines Berliners.

zondag 24 november 2013

Wouter Jacobsz -- 25 november 1572

[...] Toen de dag was aangebroken hoorden we dat omtrent vijftienhonderd geuzen, allemaal haakschutters, hadden geprobeerd de buitenwachten met een vendel soldaten te verrassen en uit te moorden. Ze kropen over de grond en verspreidden zich in een wijde kring om ons leger in zijn geheel te omsingelen, waardoor niemand zou kunnen ontsnappen. Door Gods genade hadden die van ons hen gezien en ze hebben zich dapper gedragen in deze aanslag: ongeveer zeven of acht van hen hebben ze doodgeslagen en tien man gevangengenomen; aan onze zijde zijn er maar drie man gedood en zes of zeven gewond. Toen deze gevangenen op de pijnbank gelegd werden, hebben ze onmiddellijk bekend dat hun aantal overeenkwam met het aantal dat ik al noemde, dat het hun bedoeling was de stad te overrompelen, de priesters en de religieuzen, mannen en vrouwen, op te hangen, de kloosters te plunderen, de rechters te vierendelen en alle burgers die ze te pakken konden krijgen, dood te steken. Dit biechtten deze gevangenen op, onafhankelijk van elkaar, zodat wat ze zeiden de waarheid wel moest zijn; het leek of ze uit één mond spraken. Vermeld moeten nog worden de schurkenstreken van de geuzen, die ze openlijk bedreven. Er was een vrouw die een kind van zeven of acht weken op haar schouders droeg. Ze schoten het kind dood, zijn darmen puilden uit zijn lijf en het overleed. Een ander kind van ongeveer vier of vijf jaar doorstaken ze en het bleef dood liggen.


Wouter Jacobsz (1521-1595) was een Amsterdamse kloosterbroeder die tussen 1572 en 1579 verslag deed van de 'troebelen', oftewel de opstand van de geuzen. Zijn verslag is gepubliceerd als Dagboek van broeder Wouter Jacobsz 1572-1579.

Friedrich Hebbel -- 24 november 1843

[...] In de Jardin des Plantes bekeek ik de dieren die tot twee uur uit hun kooien en stallen mogen om gelucht te worden. Allereerst een groot aantal adelaars. Wanneer je zo'n vogel met zijn heldere, gebiedende oog in een eenzaam woud op een tak zou zien zitten, zou dat respect inboezemen. Eén vogel deed me het plezier zijn wieken enkele malen achtereen uit te spreiden en vervolgens een poging tot vliegen te doen. Het dier dook ineen en verhief zich vervolgens in de lucht en ik smaakte het genoegen de beweging te mogen gadeslaan. Nu kwam ik terecht in het slangenkabinet en ik dwong mezelf ook deze weerzinwekkende creaturen met de nodige aandacht te observeren om hun karakteristieke kenmerken aan de weet te komen. Ze lagen in hun glazen vitrines op wollen dekens en er waren boomtakken in geplaatst waar ze zich omheen wonden. Wat een tegenstelling tussen een slange- en een adelaarsoog en desondanks bij beide diersoorten vastberadenheid, een verzadigde vorm. Hun blik betekent voor de geest hetzelfde wat hun beet voor het lichaam betekent. Er ligt iets destructiefs en ontredderds in hun blik. De ratelslang strekte in een sidderende beweging haar gespleten, stekelachtige tong telkens een duim ver uit haar bek. Ook zag ik twee kleine krokodillen. Mooie meisjes keken door de ramen naar binnen en verlustigden zich in de levende wanstaltigheden die kruipend en likkend en hun koppen omhoogstekend achter het glas hun akelige spelletjes deden. Je zag er een volmaakt contrast: het vertrekpunt en het uiteindelijk stadium van het animale scheppingsproces, zonder dat je de tussenschakels begreep. Vervolgens heuvelopwaarts naar de olifanten, giraffen enzovoorts. Vooral de olifant met zijn kleine roodachtige spleetoogjes fascineerde me. Een dier als een verlaten huis waarin de vensters, op een klein achteraf geboord gaatje na, vergeten zijn. De pasja van Egypte heeft dit schitterende exemplaar cadeau gedaan. Het dier bedelde, zijn slurf tussen de palissaden van zijn kleine behuizing stekend, bij de omstanders om brood dat het, als men het hem in brokjes toewierp, met buitengewone en bijna gracieuze handigheid en snelheid naar binnen wist te werken. Samen met hem zat er een lamme hond te schooieren die echter, omdat niemand acht sloeg op zijn gebedel, genoegen moest nemen met de voor de olifant bestemde brokjes als die op de grond terechtkwamen. Het was me het plaatje wel, die olifant en die hond, die er uiteraard aan deze kant van de palissade voor zorgde steeds buiten het bereik van de slurf te blijven. [...]


Friedrich Hebbel (1813-1863) was een Duitse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands verschenen als Een blinde bij zonsopgang.

zaterdag 23 november 2013

Harry Graf Kessler -- 23 november 1918

Warschau. 23. November 1918. Sonnabend
[...] Abends gegen zehn, während ich mit Meyer im Speisesaal des ›Bristol› allein aß, hörten wir plötzlich in der Hotelhalle einen lauten Stimmenwirrwarr und Lärmen einer großen Schar von Menschen. Ich ging mit Meyer an die Tür des Speisesaals, um zu sehen, was los sei. Plötzlich kam ein Kellner an mich herangelaufen und rief mir leise zu: »Fliehen Sie; hier, hier durch die Hintertür.« Die Menge schrie: »Nieder, Kesslera«, wollte meine Zimmer stürmen; »Kesslera heraus, heraus.« Einige wilde Leute liefen im Rudel die Treppe hinauf, ein gestikulierender Mann hielt von einem Tische eine Ansprache, die ich nicht verstand. Der Hotelwirt kam zu mir und sagte, wir müßten morgen vor zehn aus dem Hotel ausziehen, sonst werde er erschossen. Ich besprach mich mit Meyer, ging nach oben, holte Gülpen, vor dessen Tür im Korridor die erschreckte Gesandtschaft sich versammelt hatte, und begab mich mit ihm und Meyer nach dem Sachsenplatz 6, um mit Pilsudski zu reden. Er war abwesend; die Wache gab uns aber einen Mann mit, der uns in eine ziemlich entlegene Straße führte, wo er sein sollte. Es war eine etwas altmodische, halb elegant mit verschlissenen Empiremöbeln eingerichtete Wohnung. Zunächst kam sein Adjutant Winiawa, mein Freund vom Kormin, dann Sosnkowski, der General geworden ist und jetzt den Korpsbezirk Warschau kommandiert. Diesem sagte ich, ich käme als Privatmann, nicht als Gesandter, um ihm mitzuteilen, daß hundert bis zweihundert Leute ins »Bristol« eingedrungen seien und meinetwegen den Wirt bedroht hätten. Dieser habe uns deshalb morgen früh um zehn auf die Straße gesetzt. Da ich nicht gern in dieser Weise ausziehen möchte, bäte ich, den Wirt zu beruhigen und das Hotel unter militärischen Schutz zu nehmen. Sosnkowski sagte zu und bat mich, auf Pilsudski zu warten, der gleich kommen müsse. Wir plauderten dann noch lachend, obwohl es Sosnkowski offenbar unangenehm gewesen war, als ich sagte, die Menge habe gedroht, morgen früh um zehn Uhr wiederzukommen, und obwohl er dazwischen auch auf die Bugetappe kam; vierzig Leute seien auf einen Haufen von unseren Soldaten erschossen worden. Da es bald eins wurde, brach ich auf, ohne auf Pilsudski zu warten.


Harry Graf Kessler (1868-1937) was een Duitse kunstverzamelaar, museumdirecteur, schrijver, publicist, politicus, diplomaat en pacifist. Hij hield 57 jaar lang een dagboek bij.

donderdag 21 november 2013

Berniece Pearce -- 22 november 1963

Friday, November 22, 1963
Altered skirt and dress for Mrs. Brummett. President Kennedy assassinated in Dallas, Texas today. Linda had appointment with Dr. Bergmann this a.m. Aletha got her plaid coat late aft., tried on skirt, and left dress and skirt to be altered.


Berniece Pearce (1908-1998)


woensdag 20 november 2013

J.A. Schuurman -- 21 november 1868

Zaturdag, 21 November.
Konde ik u, vrienden en vriendinnen, bij ons op de campagne tooveren, gijlieden zoudt met mij uitroepen: “zoo iets hebben wij nooit gezien!” Sinds twee dagen heeft de regen opgehouden en voor het meest verrukkelijke weder plaats gemaakt. De hemel is wolkenloos, de zee bijkans spiegelglad, zoodat heden middag de boot neergelaten werd en de kapitein met een der passagiers door drie matrozen zich een poosje liet roeijen op de onmetelijke wateren. Wel vorderden wij heden en gisteren middag zeer weinig, maar het is alles te schoon, dan dat ik begeeren zou dat wij harder liepen. “Waarlijk, van zulke luchten kan men zich in Holland geen denkbeeld maken. Het water is nog sterker blaauw gekleurd dan dat in het meer van Genève. De schaduw was heden avond niet donker zooals immer, maar op de zeilen teekende de schaduw van de touwen zich lichtblaauw af. Prachtig dook de zon onder en na eerst den vlakken waterspiegel met goud overtrokken te hebben, werd daarna zoowel water als lucht violetkleurig, terwijl het aan den horizont in donkerpurper overging. Konde ik het u omschrijven! Een der medereizigers, mede opgetogen, riep uit: “verduiveld mooi!” “Neen,” sprak ik, “Goddelijk schoon!” Ja, ook de zee met al hare schoonheid, is het werk van Gods scheppende magt. Deze avond was op zich zelven reeds eene heerlijke voorbereiding voor den dag des Heeren. Alles voorspelt een even kalmen Zondag. Ik zal dan weer het Evangelie des kruises mogen verkondigen, waarnaar ik verlang en met u gemeente! al is het ligchamelijk verre van u, in den geest weer vereenigd zijn, ja met u in den gebede toetreden tot denzelfden genadetroon, waar ik u en gij immers ook mij blijft gedenken.


J.A. Schuurman was een Nederlandse predikant. Hij hield een dagboek bij van zijn reis naar Java in 1868, dat is gepubliceerd als Mijne reis naar Java.