donderdag 21 februari 2019

August Willemsen -- 22 februari 1967

• Vanaf hun eerste gezamenlijke reizen naar het Zuiden, eind jaren vijftig, bleven vertaler August Willemsen (1936-2007) en beeldend kunstenares Marian Plug (1937) elkaar een halve eeuw lang schrijven, in brieven die verhalen van hun levenslange verliefde vriendschap. Bewaar deze brieven als je eigen tekeningen.

22 februari 1967
Eén pre hebben de Brazilianen, althans in deze stad [São Paulo], dat ze ons geen blik waardig keuren. We lopen hier zo onopgemerkt, dus zo op ons gemak, als in Amsterdam zelve, misschien zelfs nog meer. Brazilianen bestaan niet, 99% van de mensen komt overal vandaan behalve uit Brazilië, ze hebben geen nationaal karakter, laat staan een egocomplex, ook wel trots genaamd, zijn beeldschoon, nooit lastig en doorgaans vriendelijk, meestal oninteressant, dus wat wil je nog meer. Daarbij geen enkel sentimenteel gedoe over het verleden (wat in Portugal zo onuitstaanbaar is), geen enkel respect voor alles wat meer dan tien jaar oud is, en zo te zien geen zorgen over wat er gebeuren moet als al deze wolkenkrabbers bouwvallig worden – wat toch ééns moet gebeuren. De voetganger is een soort kakkerlak die op smalle trottoirs over bulten, kuilen en door middenplassen zijn weg mag zoeken. Afwezigheid van openbare banken en van stoelen: cafés houdt de voetganger in beweging en dus slank. Inderdaad, je moet een auto hebben om dik te worden. Onwezenlijk frêle vrouwtjes, wandelende plantjes, echter met sappige bruine vormen en agressieve borsten lopen ongehinderd op straat, terwijl zéér welgeschapen mannen, bij de aanblik waarvan ik wel eens aan jou moet denken, niet zichtbaar ijdel zijn, waar ik in Sp. en Ptg. vaak zo om moet lachen.

woensdag 20 februari 2019

Julien Piraña -- 21 februari 1975

Kees Wielemaker (1938) publiceerde in de jaargang 1975/'76 van Maatstaf onder het pseudoniem Julien Piraña een Afrika-dagboek.

21 februari 1975.
't Hindert me dat ik in Afrika niet de eerste Europeaan ben, of meer nog de eerste blanke die er voet aan wal zet. Nog liever zou ik het hebben ontdekt. Ik vrees dat daar weinig aan te doen is. In ieder geval zal ik beginnen met systematisch alles te negeren wat er over geschreven is. En fotoos zijn natuurlijk helemaal taboe. Rinus W. zegt dat ik bij de ?-stam, het voorrecht zal hebben te slapen met de jongste zoon van het stamhoofd, of als die toevallig niet thuis is z'n oudste kleinzoon. Ik zal mooi opgepoetste zilveren guldens meenemen. Eén zal wel voldoende zijn om die jonge prins te bewegen een lief klein zusje te halen. Ik heb nog vierendertig zilveren guldens en negentien rijksdaalders.

De prunusboom, waarin de bloesem hier en daar al zichtbaar is, wordt morgen uitgegraven en opgehaald. 't Is net als na een begrafenis, de beste spullen gaan 't eerst. Van nu af zal de Hoeve langzaam worden ontmanteld.

De vorst is me eindelijk te hulp gekomen. Andere jaren kon de lente niet snel genoeg beginnen. Nu zou ik de krokussen en de sneeuwklokjes 't liefst weer de grond in ranselen. Vandaag is dat niet meer nodig. De weerhaan kijkt al drie dagen naar het Noord-Oosten. 'k Heb z'n linkerzij dit jaar nog nooit gezien.

Inboedels schijnen volstrekt niets waard te zijn. Daarom zetten de mensen hun bankstel naast het vuilnisvat of in 't bos aan 't eind van een doodlopende weg. Hier in de bossen staan er wel drie. Deze zomer heb ik er nog één zien plaatsen. Ze staan er zelden langer dan een jaar. Toen de zuster van Mevr. R. naar een tehuis ging, vroeg ze een opkoper de boel te schatten. 't Was verdeeld over drie verdiepingen, met hier en daar wat antiek. ‘Mevrouw,’ zei ie, ‘ik geef er op de kop af 60 gulden voor.’

dinsdag 19 februari 2019

Mary Huestis Pengilly -- 20 februari 1884

• De Amerikaanse Mary Huestis Pengilly bracht een aantal jaren (8?) van haar leven door in een inrichting voor geesteszieken. Na haar ontslag uit de inrichting publiceerde ze gedeelten uit haar tijdens haar opname bijgehouden dagboek onder de titel Diary Written in the Provincial Lunatic Asylum (1885), om aandacht te vragen voor de misstanden waar ze mee te maken had gehad.

February.—My dear Lewis [zoon] has been to see me today. We chat together as usual; how can he think me crazy? Dr. Steeves [behandelend geneesheer] tells him I am, I suppose, and so he thinks it must be so. He is so happy to see me looking better; he is more loving than ever; he holds my hand in his and tells me he will take me out for a drive when the weather is fine. And I said, "Oh Lewis, my dear boy, I am well enough to go home with you to your hotel now." I so long for some of Mrs. Burns' good dinners; her meals are all nice, and here we have such horrid stuff. Dark-colored, sour bakers' bread, with miserable butter, constitutes our breakfast and tea; there is oatmeal porridge and cheap molasses at breakfast, but I could not eat that, it would be salts and senna for me. At noon we have plenty of meat and vegetables, indifferently cooked, but we don't require food suitable for men working out of doors. We need something to tempt the appetite a little.

No matter what I say, how earnestly I plead, he believes Dr. Steeves in preference to me. If I should die here, he will still believe Dr. Steeves, who looks so well they cannot think he would do so great a wrong. When I first began to realize that I must stay here all winter, I begged the Doctor to take me to his table, or change his baker; "I cannot live on such fare as you give us here." His reply was, "I don't keep a boarding house." Who does keep this boarding house? Is there any justice on earth or under heaven? Will this thing always be allowed to go on? Sometimes I almost sink in despair. One consolation is left me—some day death will unlock those prison doors, and my freed spirit will go forth rejoicing in its liberty.

There is a dear girl here whose presence has helped to pass the time more pleasantly, and yet I am more anxious on her account. How can her mother leave her so long in such care as this? Ah, they cannot know how she is faring; she often says, "I used to have nice cake at home, and could make it, too." She has been teaching school, has over-worked, had a fever, lost her[Pg 7] reason, and came here last June. She is well enough to go home. I fear if they leave her here much longer she will never recover her spirits. She is afraid of Mrs. Mills, and dare not ask for any favor. Mrs. Mills is vexed if she finds her in my room, and does not like to see us talking. I suppose she fears we will compare notes to her disadvantage, or detrimental to the rules of the house. I think it is against the rules of this house that we should be indulged in any of the comforts of life.

maandag 18 februari 2019

Randy Newman -- 19 februari 2004

Randy Newman (1943) is een Amerikaanse liedcomponist en zanger. Hij houdt op incidentele basis een journaal bij wanneer hij op tournee is.

— MARRY POPPINS, 19 February 2004 —
(I thought of that – CK)

Here we are in London. Did you know that England is an island? I knew they were somehow disconnected from the rest of Europe, but, an island? Just like Florida. Tonight everyone will understand everything I say. Uh oh. They speak English here. I’ve been getting away with murder out there.

The shows in Austria and Germany went well. I realize I haven’t told you enough about the nature of the shows, how it feels to be alone up there with just a piano and have thousands (hundreds – CK [CK = Cathy, de echtgenote van Randy Newman]) of foreigners worship you. It’s a scrumptious (supercalifragilisticexpialadocious – CK) feeling and quite humbling (he doesn’t seem humble to me – CK) to think that One by his very presence can unite an entire nation as I did in Belgium is a wonderful thing. As Jackie Wilson once said, “There must be a cloud in my head. Rain keeps falling from my eyes.” The Irish Question, which I’ve been working on secretly for years – ooops – anyway, the Irish Question is too difficult to solve in one visit.

More importantly, a Little Criminal [aanduiding voor een Randy Newman-fan] suggested that I play Rider In The Rain in Munich. It’s always a risk to play that song except in Belgium or Holland. It’s got four chords in it and if people don’t sing along it makes for a difficult minute and a half. Anyway, someone once said, I’m not saying whether or not I agree, that the Germans are the only people in the world who think a naked woman in a trash can is funny. The audience did fine with Rider In The Rain and I’m grateful to the Little Criminal who suggested it, and I’d like to thank the Academy.

They had the Brit Awards here the other night, their big music award show, there was a vicious attack on Justin Timberlake in one of the papers. When Justin and I were having breakfast this morning (he shouldn’t be telling you this – I do my best to hush these things up – last week was fashion week here – CK) I tried to console him about the bad publicity. I think he felt better before he left.

While I’m in London I’m looking for a new Bruno. The one I have at home is too busy Bruno-ing for other people. I hear they have some good Brunos here. My next Bruno will definitely not be a reggae Bruno but will either be a math or massage Bruno. (I’m getting a Bruno too – my Bruno will be a travel Bruno who can go on these trips instead of me – CK)

zondag 17 februari 2019

Arjen Duinker -- 18 februari 2009

• Meer dan honderd dichters uit de hele wereld kwamen februari 2009 samen in en om Granada (Nicaragua) voor de vijfde editie van het Festival Internacional de Poesía. Dit ‘grootste culturele evenement van Centraal Amerika’ werd voor de vijfde keer georganiseerd, en uit Nederland werden de dichters Salah Hassan en Arjen Duinker (1956) uitgenodigd. Duinker hield een dagboek bij.

Woensdag 18 februari
De hoeveelheid dichters, meer dan honderd, zorgt voor een programma dat ik godsonmogelijk in zijn geheel kan volgen of tot me nemen. Vandaag ben ik voor het eerst zelf aan de beurt. Ontbijten in de gezellige herrie van trompetten, trommels en tuba's. Kletsen met Alberto over de te lezen gedichten, hij leest mijn spul in het Spaans, en met David uit Nieuw-Zeeland en Marko uit Kroatië. Plotseling een stuk of twintig motorrijders, de Steel Angels uit Costa Rica, ze slapen ook in het Alhambra, zijn onderweg naar een Harley-conferentie in Managua. Ik ben moe, geeft niet, hoort erbij. De warmte en de intensiteit en de verrassing. Ik zie dat er veertig dichters zullen lezen op de route van het poëtisch carnaval ‘De begrafenis van het bedrog en de leugen’, verdeeld over elf hoeken, allemachtig. Verzamelen bij La Merced. Brandende zon. Geschetter en gejoel. Hier en daar drommen mensen op de stoepen. De verbaasde koppen van de dichters die plots begrijpen dat ze meelopen in de optocht. Van hoek naar hoek. Dan op de wagen met microfoon. Volgende. Volgende. En de volgende. Dan weer geschetter en getrommel. Dit gaat uren duren. Ik moet pas op hoek negen. Zwaaien naar het publiek, roepen, zingen, dansen. Al die gezichten, al die ogen. ‘Viva la poesía, viva!’ Op de vierde hoek staat een huis iets van de straat af, ruimte voor enkele stoelen, Cardenal zit er ook. Yevgeny Yevtushenko staat op en spreekt. Oreert, schreeuwt. Ron de Amerikaan kruipt achter hem en laat zich door zijn vriendin fotograferen. Ik kijk om me heen, sommigen staan net als ik met grote ogen te blazen. Gekte, even ademhalen. Ik voeg me op hoek acht weer in de optocht, lees op negen. Dan bier, met Arabella en David. Verderop nog een biertje, met Natalie, Indran, Julie, Eduardo. En op naar het avondprogramma bij San Francisco. Maar ik haal het einde niet, ga zwammen en lachen met Salah, ook met Ali, Ahmed, Sofía de Poolse, Jalal, Torgeir, Carmen, Lía uit Paraguay, verhalen, moppen, gekrijs.

Frits Bolkestein -- 17 februari 2000

• Politicus Frits Bolkestein (1933) was eurocommissaris van 1999-2004, en hield in die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Grensverkenningen.

Donderdag 17 februari
Om 10.00 uur een debat in het EP [Europees Parlement] over UCITS. Mijn speaking note bevatte zulke lange zinnen dat de tolken (ik sprak in het Nederlands) de draad volledig kwijtraakten en de leden mij met glazige ogen aanstaarden. De volgende keer moet ik zinnen zonder bijzinnen krijgen want dit is te gek voor woorden. Gelukkig kon ik met het toestel van 12.20 uur terug naar Brussel. 's Avonds met Femke naar het museum van Elsene voor een tentoonstelling van Die Brücke met prachtige schilderijen van Kirchner, Emil Nolde, Schmidt-Rottluff en Otto Müller. De school van de Duitse expressionisten is in Nederland altijd minder bekend gebleven. Ik vraag mij af waarom.

Friedrich Hölderlin -- 16 februari 1801

• Het geijkte beeld van de Duitse dichter Friedrich Hölderlin (1770-1843) is dat van een tragische, wereldvreemde en geesteszieke dromer. De brieven in Onder een ijzeren hemel (vertaald door Kester Freriks) corrigeren dit beeld ingrijpend. Hölderlin treedt hierin naar voren als een openhartige, strijdvaardige en scherp analyserende correspondent die ook graag de stormen van zijn hart prijsgeeft – zoals hier in een brief aan zijn vriend Christian Landauer.

Hauptwil, [tweede helft] februari 1801]
Dierbare vriend! Ik heb veel te lang teleurstellingen moeten dragen die anderen en mij tot last werden en die een schande waren voor de Heer des Levens en mijn beschermengel. Ik leefde aldoor in de veronderstelling dat ik me moest laten vernederen om in vrede met de wereld te leven en de mensen te beminnen en de heilige natuur met klare oogopslag te aanschouwen, en dat ik mijn eigen vrijheid moest verliezen, wilde ik voor anderen iets betekenen. Nu besef ik eindelijk dat de onuitputtelijke liefde alleen bestaat dank zij onuitputtelijke kracht; het overviel me tijdens de ogenblikken, waarop ik volkomen vrij en zuiver om me heen blikte. Naarmate de mens zekerder is van zichzelf en beheerster in de beste jaren van zijn leven, des te gemakkelijker hij zichzelf terugslingert vanuit een onbeduidende stemming in een wezenlijke, des te scherper en alomvattender schittert zijn oog, en ook zal hij hart hebben voor alles wat hem licht en zwaar en groot en lief is in de wereld.

Matthijs Vermeulen -- 15 februari 1916

Matthijs Vermeulen (1888-1967) was een Nederlandse componist en muziekcriticus. Zijn gebundelde recensies laten zich lezen als het concertdagboek van een muziekliefhebber.

Willy Hommes (Concertgebouw, kleine zaal) [Liederen van o.a. Moussorgsky en Debussy]
Alweer eene lieve, zachte gestalte voor mijn panopticum. Ik had bijna vergeten dat ze reeds zong in 't begin van September en nu zie ik de lieve, willige, talentvolle gestalte al in een schemerig aureooltje, in de verte van een zolder. Van September tot Februari is te kort om te ontluiken voor een menschelijke bloem en dat de meeste zangeressen honderd jaar vragen om te bloeien, is de schuld van niemand. Zij bedoelen het goed met hare aardige stemmen, die alleen maar een beetje volmaakt moeten worden, wat duidelijker, wat welluidender en gaver. Zij bedoelen het goed: Vier stukjes van Moussorgski, twee van Debussy en verder het heele Duitsche répertoire! Charmant...... Charmant...... Als Willy Hommes eens wist in welken afgrond van melancholie ze een minnaar van Moussorgki's serenade en kinderkamer kan jagen door zóóveel verlangen te wekken naar één klank uit deze andere wereld.

Willem Andriessen speelde piano en hoe meer men van dezen jongen man verwacht, hoe dichter hij het niveau nadert van den goeden piano-onderwijzer - wat misschien geheel aan het ideaal van Hollandsche verwachtingen beantwoordt; wie weet? Hij speelde reeds veel alsof er niets ter wereld bestond dan schoolsche wijsheid. Hoe genoeglijk en kleingeestig wist hij in Moussorgki's dooden-serenade den 6/8 rythmus te laten doorklinken. O, Horatio, er zijn toch meer dingen in muziek dan wat noten!

woensdag 13 februari 2019

Erich Kästner -- 14 februari 1945

<
Erich Kästner (1899-1974) was een Duitse schrijver. "Anfang 1945 gelang es ihm, mit einem Filmteam zu angeblichen Dreharbeiten nach Mayrhofen in Tirol zu reisen und dort das Kriegsende abzuwarten. Diese Zeit hielt er in einem 1961 unter dem Titel Notabene 45 veröffentlichten Tagebuch fest." Het boek is in het Nederlands vertaald door Jan Bert Kanon.

Berlijn, 14 februari 1945.
Overal worden militaire papieren gecontroleerd. Overal worden deserteurs gearresteerd. Het lijkt niet erg raadzaam om ze allemaal in de bomen op te knopen. Soldaten zijn schaars. Het zou worden beschouwd als onachtzaam gebruik van legergoederen. Men zal ze, scherp bewaakt, naar het front brengen. Dat is immers niet ver. Ze zullen naast en met de helden sneuvelen, laatstgenoemden op het veld van eer, eerstgenoemden op het veld der schande en het zal hetzelfde veld zijn.

De leider van de soldatenzender, zo vertelde Hans Fritz, had vanuit de frontstad Berlijn ‘echte reportages’ willen uitzenden en hij was zeer verbaasd geweest, toen men hem dat ontried. De interviews op straten, voor winkels en in fabrieken, zo trachtte men hem uit te leggen, zouden wel eens helemaal mis kunnen lopen als het hem tenminste zou lukken een vraaggesprek tot stand te brengen. Zijn verslaggevers moesten eerder rekening houden met de mogelijkheid dat de microfoon hun uit handen zou worden genomen en zijzelf een pak slaag zouden krijgen.

dinsdag 12 februari 2019

Daniil Charms -- 13 februari 1933

Daniil Charms (1905-1942) staat tegenwoordig bekend als Ruslands grootste absurdistische schrijver en dichter, maar de weg naar deze roem was moeilijk.

8 februari 1933
Ik kan me niet beheersen en moet Alisa Ivanovna vandaag even zien. Haar nu opzoeken betekent bijna zeker dat ik alles voorgoed bederf. Ik weet hoe stom het is, maar ik kan me niet inhouden. Ik ga en met de hulp van Ksenija komt alles misschien wel in orde.
                                  Daniil

---

Nu zit ik in de kamer van Alisa Ivanovna. Een heel akelig gevoel. Ik zie niets wat erop lijkt dat Alisa Ivanovna me aardig vindt. Haar houding tegenover mij is veranderd. Het zou verstandig zijn gewoon maar op te stappen. Maar het is afschuwelijk om haar op zo'n manier voor altijd te moeten verliezen.
Opnieuw begon ze een gesprek over mijn misse daad. Wat ze daaronder verstaat weet ik niet, maar het houdt in ieder geval niets goeds in.
De Here smeek ik ervoor te zorgen dat Alisa Ivanovna mijn vrouw wordt. Maar klaarblijkelijk vindt God dat niet noodzakelijk. Moge Gods wil alom geschieden!
Ik wil van Alisa Ivanovna houden maar dat wordt op zo'n manier niks. Jammer! Sela.
Ik zou zo gelukkig zijn wanneer Alisa Ivanovna van mij zou houden en als dat dan ook nog Gods wil zou zijn!
Here, ik vraag U alles te richten zoals U goeddunkt. En moge Gods wil geschieden!
In Uw handen, o Here, leg ik mijn lot, richt alles naar Uw wil.
Die lieve Alisa Ivanovna moet mijn vrouw worden, dacht ik steeds, maar nu weet ik niets meer. Sela!
Ik zie hoe Alisa Ivanovna me meer en meer ontglipt.
Heer, o Here, moge alom Uw wil geschieden.
Amen.

                                           13 februari 1933
                                           Daniil Charms

maandag 11 februari 2019

Jaap Zijlstra -- 12 februari 1999

Jaap Zijlstra (1933-2015) was predikant en dichter. In het tijdschrift Liter zijn fragmenten opgenomen uit zijn Schrijversdagboek.

[12-2]
Na afloop van een kerkdienst kwam een jonge vrouw naar me toe en vroeg om een gesprek. Vandaag is M. geweest. Ze heeft een vriendelijk en vrolijk gezicht, ziet er gezond en levenslustig uit. Maar als ze begint te vertellen, vertrekt haar gezicht en schokt haar lichaam. Incest. Ze is een schippersdochter en vanaf haar dertiende jarenlang misbruikt. Als kind schreef ze verhaaltjes en gedichtjes. Ze laat me de schrijfsels zien. Vanaf haar dertiende schreef ze niets meer. Op school dacht men dat M. achterlijk was want ze zei niets. Doodsbang zich te verspreken. Vader had gezegd: als je praat, vermoord ik je.
Op haar achttiende heeft M., tegen de zin van haar ouders, een baan aan wal gezocht. Ze is nu eenentwintig en bejaardenverzorgster. Ik probeer weer te schrijven, zegt ze. Niet over mijzelf, dat lukt niet. Verhaaltjes voor kinderen.
Ik ben op zoek naar God, zegt M. Ik wil Hem vragen waar Hij was al die gruwelijke jaren. Waarom Hij mij alleen heeft gelaten. Is dat een Vader?
M. belooft volgende maand terug te komen. Ik kan de hele nacht niet slapen en schrijf bladzijden vol razende regels. Niet om het gesprek van mij af te schrijven. Maar om het naar mij toe te schrijven. Om een beetje orde te scheppen in de doolhof van gedachten. Kan ik plaatsvervangend iets voor M. doen? Is dit een begin?
Zijn hand kwam nader
en heeft mij beschreven,
hij heeft zijn pen
in mijn gedicht gedreven,
van mijn geheimtaal
liet hij niets in leven.
[13-2]
Ik mis het gesprek met mijn moeder. Ik belde haar elke zaterdagavond. Zij is bijna 92 jaar geworden. Een voorrecht, zo'n hoge ouderdom. Een gezegende leeftijd. Jawel, maar je begraaft geen leeftijd, je begraaft je moeder. Ze vroeg altijd: Waar preek je morgen? Als ik het verteld had, voegde ze er soms aan toe: Ik bid voor je als je onderweg bent. Maar denk erom, m'n gebed geldt maar tot honderd kilometer per uur.

[14-2]
Zondagmorgen. Vroeg op. Onderweg naar Zoetermeer het gevoel: ik heb iets vergeten. Ontbeten? Ja. Gas uit? Ja. Rijbewijs bij me? Ja. Ik ga tanken. De pompbediende vraagt: Hebt u vanmorgen vis gegeten? Ik antwoord verbaasd: Nee, alleen maar een boterham met honing en een scharrelei. Hij zegt: Ik dacht het maar, de graten steken door uw kin.

zondag 10 februari 2019

Josep Pla -- 11 februari 1919

Josep Pla i Casadevall (1897-1981) was een Spaanse schrijver en journalist. Zijn dagboeken over de jaren 1918-1920 zijn in het Nederlands vertaald door Adri Boon, en uitgegeven onder de titel Het grijze schrift.

11 februari. Bibliotheek van het Ateneu tot twee uur 's nachts. Wandeling over de Rambla. Een drukte van belang. De liefdesmarkt op het pla de les Comèdies is imponerend. Een grote overvloed aan meisjes uit het zuiden van Frankrijk, lang, struis, majestueus. Billen wiegen langs, draaiend als mechanisch aangedreven bollen. Er bevindt zich een dichte kosmopolitische mensenmenigte. Gelaatstrekken getekend door hebzucht-door een droevige hardheid of door het veinzen van valse vreugde. Op de Boque- ria staan groentekarren - malse kolen bedekt met kleine waterdruppeltjes, roze broccoli. Hun etenspannetjes meedragend verschijnen in de zijstraten de eerste werkmannen; om hun hals een witte doek.

Rutger Kopland -- 10 februari 1996

Rutger Kopland (1934-2012) was een Nederlandse dichter en hoogleraar. In 1996 gaf hij na zijn emeritaat colleges over poëzie in enige Oost-Europese landen. Hij hield over die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jonge sla in het Oosten. Het onderstaande fragment beschrijft de eesrte dag van zijn verblijf in St. Petersburg en Tartu.

10 februari 1996
Halfzeven sta ik voor een raam in de Jordaan. Het sneeuwt. Over een paar uur ben ik in St. Petersburg. De wereld is nog moeilijk te begrijpen. Ik moet iets doen.
Om kwart voor acht staan wij, mijn vrouw en ik, aan balie tien op Schiphol. Het meisje achter haar computer blijkt al helemaal op ons te hebben gerekend. En bij het instappen in het vliegtuig alweer zo'n lieve vrouw. Ook daar was op ons gerekend. Ik begin weer vertrouwd te raken met de wereld.
Om drie uur landen we in St. Petersburg, een stil vliegveldje, te vergelijken met vliegveld Eelde. Hier en daar staan wat besneeuwde toestellen van Aeroflot in de sneeuw. Door de verlaten aankomsthal vliegen wat vogeltjes, het ruikt naar vreemde sigaretten, overal staan Camelasbakken, knarsend zet zich een bagageband in beweging, door een poort met versleten flappen komt onze koffer, rustig, alsof hij nog slaapt. Door luidsprekers komt pittige Amerikaanse muziek, bij de uitgang worden we verwelkomd door lieve Nederlands sprekende Russinnen, die ons met een roestig volkswagenbusje met zware klappen over het verwoeste wegdek naar ons hotel brengen, waar wij met dollars een kamer betalen met Philips televisie, gedesinfecteerd bad, en uitzicht op de Neva.
Mijn vrouw en ik gaan wandelen, maar het is snerpend koud, min twintig graden Celsius en oostenwind bij heldere hemel. Ook al zijn we gekleed als Michelinmannetjes — nog nooit heb ik in mijn leven zoveel kleren aangehad — we moeten terug, terug naar de kamer van het hotel. Ik zit in een vlekkerige fauteuil, met een glaasje Bokma van Schiphol, te kijken. De verkeersweg voor het hotel langs de Neva: een stroom van geblutste, dikke rookwolken producerende Amerikaanse, Franse, Duitse, Japanse, Italiaanse, Russische auto's, die in Nederland allang gestorven zouden zijn. Alsof een autokerkhof tot leven is gewekt. En daarachter de Neva, vlekkeloos wit gevroren, het oorlogsschip de Aurora, de dageraad van de oktoberrevolutie, de eindeloze, statig bebouwde oevers. Die winterse ansichtkaart uit St. Petersburg.
Op weg naar een maaltijd dwalen we door ons honderden meters lange hotel. Het is zo'n vijfentwintig jaar oud en de architectuur is het produkt van wat de Russen de Repressance stijl noemen. De mens moet zich hier zeer klein voelen omdat de Staat zo groot is. Wat ons betreft lukt dat aardig. De hallen op de begane grond en de eerste verdieping zijn ongeveer zo groot als een voetbalveld, de plafonds zo hoog als die van een bovenmaatse sporthal. De verdiepingen zijn verbonden met het soort trappen vanwaar men parades afneemt. Het gebouw is leeg, schaars verlicht, hier en daar staan gigantische plastic fauteuils waar waarschijnlijk nog nooit iemand in heeft gezeten. Aan het eind van onze tocht belanden we in een duister restaurant, de tafels zijn chique gedekt, maar op één na onbezet. De wanden zijn van spiegelglas, waardoor de leegte zich verdubbelt. Uit luidsprekers komt Russische Amerikaanse muziek. Maar we hebben honger en blijven. Goed gegeten trouwens, met dollars betaald.

Philip Mechanicus -- 9 februari 1944

Philip Mechanicus (1989-1944) was een Nederlandse journalist. Tijdens zijn gevangenschap in Westerbork hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als In dépôt (1964).

Woensdag 9 februari
Het transport van de zieken van de ziekenbarakken naar de trein gisteren tart elke beschrijving. Om twee uur in de nacht zijn de verplegers reeds begonnen met het aankleden van de voor transport aangewezenen, od-ers, die met paard en open wagen voorreden, hebben de zieken op bedden naast en op elkaar op de wagen geschoven, zoals men lijkkisten in een lijkwagen schuift. Terwijl natte sneeuw uit de donkere hemel droop en alles met een klam, klef wit waas bedekte, in het donker van een wintermorgen. Zo zijn ze ook naar de beestentrein gereden, hobbelend en hotsend, waar zij ook onder de blote hemel stonden, wachtend op hun inlading, zoals men lijken schuift in een lijkwagen. Kinderen met roodvonk en diphterie zijn huilend naar de slang gedragen. Ouderloze kinderen uit het Weeshuis. Misschien wel het beestachtigste transport van alle transporten, die er zijn gegaan. Men raakt door de veelheid, de grofheid, de beestachtigheid het zicht erop kwijt, maar dit transport spande toch wel de kroon wat betreft gebrek aan consideratie voor de zieken. Nog voor het transport vertrokken was, was er reeds een zieke overleden. Een lege wagen gaat met de trein mee, gereserveerd voor hen, die onderweg sneuvelen. Zoals er voordien een vlucht naar het Ziekenhuis viel waar te nemen uit vrees voor transport, zo valt er sedert gisteren een vlucht uit het Ziekenhuis te constateren wegens vrees voor transport. De doktoren geven het parool uit: zo gauw mogelijk er uit! Vandaag verlaten tachtig patienten het ziekenhuis. Barak 81 en barak 82 worden in hun geheel ontruimd. Over blijven nog de ziekenbarakken 1 tot 6. Het ziekenhuispersoneel is plotseling tot een waterhoofd van het ziekenhuis uitgedijd: ruim achthonderd man voor nog geen vijfhonderd patienten. Men verwacht ontslag bij bosjes. Intussen is de liefde voor Zelle en Theresienstadt gestegen. Velen, die hun transport daarheen hadden laten voorbijgaan, zeggen nu: als Zelle weer aan de beurt komt, ga ik mee. Als Theresienstadt weer aan de beurt komt, ga ik mee. Ik neem niet het risico, naar Auschwitz te worden gestuurd, zeker niet in zo'n beestenwagen. Uit vrees voor het grotere kwaad, kiest men het kleinere. Men hoopt nog dat de langverwachte invasie komt en dat die tussenbeide komt. Het gerucht gaat, dat er in Noord- en Zuid-Holland proclamaties zijn aangeplakt, waarin staat wat men te doen heeft met het oog op een aanstaande invasie. Het wordt tegengesproken. Gezegd wordt, dat hier een Lagerorder gereed ligt, die de kampingezetenen meedeelt, dat zij zich op eerste aanzegging binnen twee uur marsvaardig moeten maken. Dit wordt tegengesproken. Men vreest dat men het risico loopt, bij een invasie in Nederland met pak en zak te voet over de grens van Duitsland te worden gevoerd. Zo zwalkt men hier heen en weer, niet wetende wat men wensen moet, niet wetende wat men doen of laten moet. De metaalindustrie heeft er een nieuwe branche bijgekregen: demonteren van wrakstukken van omlaag geschoten vliegmachines, die hierheen worden gebracht, per schuit, via het Oranje-Kanaal. Er zijn vliegtuigen bij van alle nationaliteiten en types: Spitfires, Dorniers, Junkers enzovoort. Op het terrein achter het ziekenhuis liggen de aangevoerde wrakstukken langs het kanaal voor het prikkeldraad. Metaaldeskundigen verklaren, dat het materiaal van de Duitse machines prima is, maar dat van de Engelse en Amerikaanse machines nog beter. Vooral van het laatste verzamelen zij, met goedkeuring van de commandant, stukken, die bruikbaar zijn voor vernieuwing van onderdelen der kamp-automobielen, die te kampen hadden met gebrek aan prima materiaal. Natuurlijk groot bekijks van de kant der kampingezetenen. Clandestien ‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’ en ‘Asser Courant’ van de laatste paar dagen gelezen. Verkwikkende lectuur na zo lang te zijn gespeend geweest van kranteberichten en -artikelen. Oorlogsnieuws eerste klasse, Duitsers erkennen de val van Rowno en Luzk, rede van Hitler: grote woorden, angst voor het bolsjewisme.

Gerucht gaat dat 9 februari weer een nieuwe revue in het kamp gaat lopen. In de branche regenmantels maken heerst het sweating-systeem: het werk gaat aan de lopende band. Klachten over te zware arbeid van de meisjes. Het regent pijpestelen. Het kamp is één kluit modder. Ga nog steeds op klompen. Geariseerde vrouw met man en dochter naar Amsterdam gezonden.

vrijdag 8 februari 2019

Frederik van Eeden -- 8 februari 1891

• De Nederlandse schrijver en psychiater Frederik van Eeden (1860-1932), hield naast een uitgebreid dagboek ook een dromenboek bij.

7 februari 1891
Droom: een Japansche dame, oud, leelijk, met leelijke mond en tanden. Ik zei een Japansch woord voor‘rijtuig’: ‘janekuri’ - ze sprak mij verachtelijk na, om mijn slechte uitspraak en verbeterde ‘Jáne-ku-ri-’

8 februari 1891
Laat naar bed gegaan. Tegen den morgen veel en prachtig gedroomd. Mooi en grandioos - als op de hoogte van mijn beschreven werk. - Een feest in een stad - Luxemburg of Maastricht. Veel spoorreis om er te komen. Een groote, breede laan door groen bosch. Daar aan 't eind, daar is de kathedraal. Mama loopt bij me. Ik kijk in 't groen en zie vogels, bloemen en dieren. Intens zomer en buitengevoel. De gevel van de kathedraal zal verlicht worden, een groote frontomraming van kleine lichtjes. Het licht valt wit en ver door de groote laan. Tegelijk nacht en dag. Maar er is een feest. Daar gaat het woest toe. Een carneval. Dit is niet goed, het mag niet. Er komt bericht van den koning dat de groote verlichting plotseling niet branden wil. Is er een doode? - neen, het feest is zondig. Ik ga naar buiten - de verlichting is gedoofd. Ik kom feestvierenden tegen. Woest hollende paarden die geheel in vlam staan, of ze met brandend pek overgoten zijn. Voor mij de kathedraal - een ontzachlijk Gotisch gebouw - grooter dan al wat ik ken. Het staat lomp en wat vervormd, als een grof titanisch werk van verschrikkelijke kracht/ een lage, breede lompgebouwde poort onderaan, en daarop getorend, ongeloofelijk hoog, een massa steen met gothische spitsen, die niet recht op gaat maar wat overhelt als van overmatige, omhoogstrevende kracht. Somber, donkergrijs. Ik loop onderlangs in een angstigmakende schaduw. Ik denk: ‘nu kan het gebeuren, dat het instort en mij verplettert. Het kan juist nu gebeuren.’ Ik zing, een plechtig oratoriumgezang. Ik zing luid galmend op, met volle stem en volkomen zuiver, heerlijk mooi. Een heerlijke sensatie. Het is een klacht, met deze woorden: ‘Nun habe ich, Gott, deinen Gnaden verloren.’ Terwijl ik zing hoor ik uit de kathedraal de begeleiding van mijn zang. Ik weet het is de koning die hetzelfde zingt.
Onbeschrijfelijke aandoening van mooi, van gemeenschap in devotie. Dan veel intermezzo's vaag. Het voortdurend gevoel van hoog boven 't gewone leven, in de hooge sfeer van mijn boek. Dan een wandeling 's morgens vroeg, op een zonnige weg bij een veer aan een rivier, waar 't zeer druk is in de buurt van Parijs. Een heerlijke zomerweg langs 't water. Iets als de weg naar Zuilen. In de verte torens van een Hollandsche stad. Het is warm, ik doe mijn demi-saison uit.

Maandag 9 februari 1891
's Nachts gedroomd van Engelsche goudstukken. Kwartjes, sovereigns. Er kwam een postkwitantie voor 2 guinjes die ik aan Tuckey betalen moet [voor Liébault]. Toen ik vanmorgen in Amsterdam kwam was het eerste wat v.R. mij zei: Ik heb Adriaan weggestuurd met de 2 guinjes voor Tuckey{...}; Een droom gehad van heftig sensueel verlangen. Met bevrediging.

woensdag 6 februari 2019

Louis Tas (Loden Vogel) -- 7 februari 1945

Louis Tas (1920-2011) publiceerde onder het pseudoniem Loden Vogel Dagboek uit een kamp, over zijn ervaringen in Bergen-Belsen. Na de oorlog werd hij een bekende Amsterdamse psychoanalyticus, die veel kunstenaars en acteurs onder zijn clientèle had. Interview.

Woensdag 7 februari
[...] Het vroegere kamp voor Russen, waar nu vrouwen wonen uit Auschwitz en Birkenau, is werkelijk een fascinerende plaats: ik was nog steeds er niet aan gewend en het spijt me dat ik dit kijkje in het hiernamaals niet heb kunnen rekken. Een conclusie: Poolse jodinnen liggen me niet, en Pools-Jiddisch óók niet, de charme van het oostjodendom ligt uitsluitend bij de Russen.
Er zijn daar ook arische Poolsen en Russinnen. Alles is in doorlopende beweging: steeds komen er nieuwe transporten aan; velen hebben dagenlang gelopen. De selectieverhalen uit Auschwitz kende ik al: ik vind vergassen minder wreed dan het uithongeren van hier. (Bij een ‘natuurlijk’ sterfteverval, zoals hier, krijgt men een overwegen van het arbeitsunfähige deel van de bevolking: hier zo sterk, dat de drollen op straat blijven liggen, en de zieken niet verpleegd worden, en de was niet gedaan.)
De corruptie is heel sterk in dat kamp, en van het eten krijgen de vrouwen maar de helft; de andere helft dient om een grote minderheid van ‘Lagerältesten’, ‘Blockowa's’, ‘Stubowa's’, ‘Kapo's’ en andere, met zijden kousen en hoge laarzen uitgeruste vrouwen goed te voeden. Dezen zwaaien met stokken, schreeuwen, trappen en het is alles komedie; iedereen steelt brutaal, niemand vreest klappen, namen noteren zoals hier gebeurt niet. 's Ochtends om 4 uur moest ik de transporten aardappelen koolraapsnippers van schilkeuken naar keuken begeleiden, en kon niet verhinderen dat horden hongerige vrouwen (onderweg attaqueerden, uit het donker komend en er weer in verdwijnend, en) de bakken leegmaakten. Op het laatst sloeg ik er met een bezem op - zonder succes. Later namen 4 Russinnen het van me over, die steeds, voor zover dat in het donker gíng, het terrein vrij ranselden. 's Ochtends om 4 uur zijn ze al op om te stelen, geen wonder dat het broodmagazijn op een nacht is leeggeplunderd. In ons kamp liggen keuken en magazijn buiten het hek, daar zijn het barakken tussen de andere. De Uscha, een heel aardige, met wie het prettig werken was, heeft toch vrouwen uit de gang gegooid, waar ze al onze koolraapvaten (werk van één dag) in 3 minuten hadden leeggemaakt, sloeg ze, trapte ze op de grond liggend halfdood.
[...]

dinsdag 5 februari 2019

Søren Kierkegaard -- 6 februari 1836

Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Dagboeken (vertaald door Cora Polet).

januari
Bijgeloof is iets merkwaardigs. Je zou verwachten dat iemand die een keer meegemaakt heeft dat zijn ziekelijke gedroom niet in vervulling is gagaan, dit in de toekomst op zou geven; maar het tegendeel geschiedt, het neemt in kracht toe, zoals de speelzucht groter wordt wanneer iemand een keer in de loterij verloren heeft.

februari
De mensen begrijpen me zo weinig dat ze zelfs mijn geklaag, dat ze me niet begrijpen, niet begrijpen.

februari
Het is vreemd dat onze tijd, die zo enthousiast is voor alles wat nuttig is, niet zo ver gaat dat ze de begrafenis en de piëteit voor de doden afschaft en aanbeveelt de lijken te verbranden; daar kan immers patent kunstmest van gemaakt worden.

maandag 4 februari 2019

Nic van Bruggen -- 5 februari 1975

Nic van Bruggen (1938-1991) was een Belgische dichter. Het fragment is afkomstig uit zijn Uit het Dagboek van een Pink Poet.

Het is een barkoude avond, na een van die heerlijke winterdagen die van februari 1975 zo'n onvergetelijke maand maken. We wonen beiden nu ruimschoots een half jaar in de mooiste, de mafste, de meest hallucinan-te straat van de stad, Jef een beetje langer dan ik al, en dertig nummers verder. De grote, zwarte hond in de gang heeft me in de pols gebeten, maar zachtjes, je ziet het nauwelijks nog. Het is al behoorlijk laat en ik lig ten huize Geeraerts in de pelsen voor de opvlammende haard, zalig van de hitte en de in mijn achterhoofd langzaam opzettende nevels van een ijzersterk eigen brouwsel dat Jef met onbeheerste geuten royaal uit een dame-jeanne schenkt en Korsikaanse brandewijn noemt. Terwijl ik bedenk dat de romanciers borstharen al danig aan het grijzen zijn (N. slaapt op haar buik in de paarse lakens) taxeer ik een fraaie, korte Afrikaanse jachtspeer, zoek wegend op m'n wijsvinger naar haar zwaartepunt. Ik heb in jongere jaren ooit tot het niet onverdienstelijke speerwerperstrio van de Antwerp Athletic Club behoord en daarvan nog wat schattende feeling voor die dingen overgehouden. ÜVIijn waarderende belangstelling inspireert Jef tot een lang verhaal over eigenhandige jachttaferelen en we betasten zorgvuldig de hele spiezenkollektie, met liefdevol gestreel het persoonlijke werp wapen van de gevierde auteur, die me er verder lachend op attent maakt dat de veiligheidspal van zijn .22 FN Trombone nu deugdelijk vergrendeld zit: "Sinds Georges Adé hier een kogel de muur injoeg, je ziet de gaten nog in het gordijn." Even later vertrouwen we elkaar toe dat we beiden — vissen, vissen — graag kijken naar étalages van wapenwinkels, zadelmakers, messenzaken, ijzerhandels. Dat we dus houden van eerlijke, harde, sterke dingen die lichamelijk zijn en je vertrouwd worden als vrienden. Bij het af scheidsglas toont de geliefde schrijver me zijn reliekenkoffer, doet mij een Bantoe ceremoniemes ten geschenke. Op de trap vertel ik hem dat Henri-Floris Jes-pers tot beheerder van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen gekozen is. "Jaja," zegt hij, "die man hoeft zelfs geen literatuur meer te schrijven, die wórdt nog eens literatuur." Twee minuten later, half drie is het dan, als ik - terwijl mijn kattenbroers in lichte paniek toekijken - twee nagels in de muur voor mijn werktafel. En hang er het mes op.

zondag 3 februari 2019

Annie Romein-Verschoor -- 4 februari 1942

• Annie Romein-Verschoor (1895-1978) was een bekende geschiedkundige, net als haar (nog bekendere) man Jan. In Omzien in verwondering heeft ze haar herinneringen neergeschreven: “halve eeuw sociale en culturele geschiedenis van Nederland, en tegelijk een intellectueel en emotioneel zelfportret”.

4 februari 1942
Het voorjaar van ’42 was uitzonderlijk koud, de sneeuw lag hier en daar meters hoog en werd slecht geruimd. Op mijn verjaardag ging ik met Annelies naar Hoog-Laren om Bart [zoon, opgenomen wegens tbc], die we al een kort berichtje hadden gestuurd over Jans [echtgenoot Jan Romein] arrestatie, verslag te doen. Voor dag en dauw in een bijna stapvoets rijdende lijn 8 met zijn doodse blauwe lichtpitjes door de verduisterde stad naar het station, van Bussum af lopen. Maar lopen was gewoon in de oorlog. Op de rijksweg ter hoogte van de Gooise Boer werd ik eens aangesproken door een keurige mevrouw – ze had zelfs nog een hoedje op en niet het uniform geworden hoofddoekje – die met een gebaar in oostelijke richting vroeg: ‘Is dat de weg naar Zwolle?’ en ik even gewoon terug; ‘Ja zeker, loopt u maar rechtuit.’ [...] De bewoners van het kamp Amersfoort mochten eenmaal per maand een brief schrijven en ontvangen: Jan op een ouderwets gevouwen en roodgelijnd velletje postpapier, ik mocht niet meer dan één kwarto vel vullen. Het waren puzzels, waar je aan weerskanten uren mee bezig was, om op dat éne vel en die tergend wijd getrokken lijntjes alles te zeggen en te suggereren wat je wilde overbrengen. Hetty Tielrooy kwam huilend met Johannes’ eerste brief bij me: hij had alleen maar op de eerste bladzijde geschreven dat hij zo’n kiespijn had. Je werd hard in die dagen. Ik zei: ‘Troost je, hij kan het niet zo slecht hebben als hij over niets anders heeft te klagen.’

Wim Hazeu -- 3 februari 2006

• Wim Hazeu is een Nederlandse schrijver en biograaf. In het tijdschrift Liter publiceerde hij Een jaar voorafgaande aan de Lucebertbiografie Fragmenten uit een dagboek.

3 februari 2006
- Ik heb de afgelopen dagen, op grond van mijn archief, de levens en werken van Elburg en Schierbeek bestudeerd, met name hun uitspraken. Zij waren per slot van rekening nauw bij het leven van Lucebert betrokken. Zo vul ik de tweede cirkel om Lucebert heen in (de eerste wordt gevormd door zijn familie, onderwijzers, leraren en jeugdvriendjes). Aan de biografie van Elburg werkt Jan van der Vegt, aan die van Schierbeek Ernst Bruinsma. Je zou je kunnen voorstellen dat de drie biografen met elkaar in een schoolgebouw zitten, elk in een lokaal, met een centrale archiefruimte waarin alle materiaal betreffende de Vijftigers is samengebracht. Je kan elkaar dan van informatie voorzien. Maar zo werkt het niet; als het erop aankomt zijn biografen even individualistisch als romanschrijvers.

Morgenavond receptie van De Bezige Bij in De Rode Hoed aan de Keizersgracht te Amsterdam. Ik zal erheen gaan. Misschien kan ik Remco Campert of Rudy Kousbroek inlichten dat ik hen eventueel zal bellen voor een afspraak over Lucebert. Het contract heb ik nog niet getekend. De uitgever vraagt er ook niet naar.

Marguerite Yourcenar -- 2 februari 1968

• Uit een brief van Frans-Belgische Marguerite Yourcenar (1903-1987) aan ene Helen Howe Allen, over de schrijfster May Sarton, die zich volgens Yourcenar te veel als een ‘lavendelvrouwtje’ profileerde. Uit Nauwkeurig, met verbeten hartstocht (vertaald door Jan Versteeg).

Februari 1968
Ik bedoel niet te zeggen dat de man alle deugden bezit: de ineengestorte wereld waarin wij leven bewijst het tegendeel. Maar ik denk dat we het voor een deel aan het armzalige, kleingeestige egoïsme van de zeer fatsoenlijke naar lavendel ruikende en zich op een ‘harmonieus’ leventje trakterende dame te danken hebben dat de chaos voortduurt en groter wordt. Wat mijzelf betreft [...], ik zal me er tot het eind toe ten zeerste over blijven verbazen dat vrouwen die door hun bouw en hun functie iets van de aarde zelf weg zouden moeten hebben, die baren te midden van uitwerpselen en bloed, wier menstruatie verbonden is met de maancyclus en met het mysterie zelf dat deze bloeding vormt, die net als vriendelijke koeien met hun borstklieren een uiterst belangrijk voedingsmiddel kunnen produceren, die koken, dat wil zeggen met dood vlees en nog met aarde bedekte groenten in de weer zijn, kortom die wat hun lichaam, hun gezicht betreft, in hun vertwijfelde strijd tegen het ouder worden, voortdurend geconfronteerd worden met de langzame verwoesting en aftakeling van het uiterlijk, die dag na dag in de rimpels die dieper worden of de haren die grijs worden de dood reeds menen te zien, zo vreselijk onnatuurlijk kunnen zijn. Onnatuurlijk wanneer je te maken hebt met de opgeschilderde pop die wil verleiden op manieren die bij prostitutie horen, wat overigens ook haar sociale status is, en misschien nog onnatuurlijker wanneer het gaat om een fatsoenlijke dame? Men zoekt tevergeefs de vrouw...

donderdag 31 januari 2019

Maurits Wagenvoort -- 1 Februari 1904

Maurits Wagenvoort (1856-1944) was een nederlandse schrijver, die in 1903 op zoek ging naar wat er nog over was van de Nederlandse kolonie in het Turkse Smyrna.

1 Februari 1904.
Vandaag had ik een oogenblik, waarop ik mijn lachen wel kon houden. Ik raakte op straat bekneld tusschen een ‘araba’ en een muur: nog èèn seconde, nog èèn draaie en het manshooge wiel zou mijn karkas hebben plat gedrukt. Nu kwam ik er af met een gescheurde jasmouw. Het eerst wat ik deed was den ‘arabadsji’ een slag met mijn stok op zijn kop te geven, die hem scheel deed zien. Intusschen was ik er een half-uur van streek van.

woensdag 30 januari 2019

Frans Kellendonk -- 31 januari 1980

• De Nederlandse schrijver Frans Kellendonk (1951-1990) vond zijn dagboeken niet het publiceren waard, maar De Revisor publiceerde er wel een selectie uit.

31 januari 1980
Wij nemen aan dat onze taal organisch verweven is met onze werkelijkheid, dat ons Nederlands uit ons Nederland is voortgesproten zoals bomen en bloemen uit onze grond. Maar evengoed is het denkbaar dat de taal de werkelijkheid niet zozeer beschrijft alswel schept.
De oplossing ligt denk ik in de groei van de taal. Hoe kan een taal verrijkt en gecompliceerd worden als ze niet door iets anders, dat geen taal is, wordt gevoed? Maar eerst moet onderzocht worden of talen inderdaad groeien.

Frans Kellendonk -- 30 januari 1979

• De Nederlandse schrijver Frans Kellendonk (1951-1990) vond zijn dagboeken niet het publiceren waard, maar De Revisor publiceerde er wel een selectie uit.

30 januari 1979
Gisterenavond wezen eten bij Wim Bergmans en Gerard Reve die bij hem logeert. Reve is inmiddels een toch al wat oudere man - gedrongen, met een buikje dat tamelijk hoog op zijn maag zit - schitterende indringende groene ogen, die niet best blijken te zien (voortdurend op zoek naar zijn bril) en die grijze wenkbrauwen en donkerblond grijs doorschoten haar. Spijkerbroek van ouderwetse snit. Gebreid wollen vest, donkerblauw. Hij heeft de neiging naar je te kijken als je niet naar hem kijkt en als je hem vervolgens aankijkt zijn ogen niet af te wenden. Scherpe neus. Dronk veel wijn, toch wel twee flessen al met al, en rookte ook behoorlijk. We aten in de schil gekookte aardappelen (waarvan je prachtige bolussen kan draaien, verzekerde hij me), wortelen en gebakken mosselen, waarbij vooral het vocht niet verloren mocht gaan. Reve moest zoutloos eten. In het begin van de avond was hij vol degelijk advies: dat het heel normaal was jaren stil te liggen na een jubelend ontvangen debuut, dat je je niet, of zo weinig mogelijk, moest inlaten met talentloze mediagieren, contracten moest afsluiten voor vijf jaar die dan per drie jaar stilzwijgend verlengd moesten worden. Ressentiment tegen Nederlandse ambtenaren, die het je zo lastig mogelijk proberen te maken. [...] Vertelde dat hij erelid was van de Bond van Ouden van Dagen. Zeer dominerende man, alle tegenwerpingen werden aangehoord en genegeerd - hij is niet geïnteresseerd in wat zijn beweringen ongelovigen zou kunnen maken. Vertelde dat hij veel 19de eeuws Engels las (wist veel over Dickens te vertellen), ook Zola (de ellenlange architectuurbeschrijvingen sloeg hij over) en Victor Hugo (die onterecht in de verguishoek terecht was gekomen). Nabokov vond hij een briljante ijdeltuit - Onder professoren was het beste boek van Hermans (! - overigens een door en door slecht mens) - het centrale probleem bij Hermans was identiteit. Bij ‘de grote schrijver’ (zijn benaming voor zichzelf) verlossing; bij Wolkers agressie tegen alles wat zijn kutbevrediging in de weg staat. De jongste schrijvers bleek hij niet te kennen. Bewonderde ook Bellow (overigens was Herzog het laatste boek dat hij van hem gelezen had), Humboldt's Gift en Henderson the Rain King kende hij niet). Proust moest hij nog steeds lezen. Engels was zijn ‘tweede moedertaal’, zei hij, maar zijn uitspraak was slecht.

Verder vertelde hij over zijn moeilijkheden om een visum te krijgen voor een halfjaar Indonesië. Hij was er onlangs op bezoek geweest met Matroosje Vos (Joop Schafthuizen), ‘Ons Indië’. Vertelde over de schoonheid van Javaanse Jongens (hield meer van wat vrouwelijke jonge jongens de laatste tijd) en een verhaal, dat ik niet door mocht brieven, over het miskennen van een in matrozenpak gestoken jongetje dat bij uitpakking een veertienjarig meisje bleek te zijn en toen uit mededogen toch werd genomen (hij wist nog wel hoe het moest, ook al was het twintig jaar geleden). Afkeer van negers (er waren uitzonderingen) en Arabieren (een minderwaardig volk).

Het gesprek werd serieuzer naarmate de avond vorderde. Hij leest de laatste tijd veel Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung - en ondanks het feit dat Schopenhauer geen christen was heeft hij toch de beste verdediging geleverd voor de christelijke wereldbeschouwing (leest ook veel vergelijkende godsdienstwetenschap). Kwam te spreken over een bloem in Zuid-Amerika die slechts één dag in het jaar bloeit en een vlindertje dat juist op die dag geslachtsrijp wordt en een meelballetje in die bloem deponeert en zo ook die bloem bevrucht. Overduidelijk Gods werk, zei hij. Wim zei dat er duizenden van die gevallen zijn en dat ze eerder op een aanpassingsvermogen dan dat ze op Gods plan wijzen. Sprak over beesten: slangen, hagedissen, beesten in Artis.

Reve leest behalve Schopenhauer ook Jung en parapsychologie (zo verzekerde Wim me) - hij schijnt die boeken te spellen.

Bekende dat het geïsoleerd leven met de ongeletterde, maar slimme Matroos voor hem moeilijk viel en dat hij erover dacht een huis in Gent te kopen. Afzondering is voor schrijven wel noodzakelijk, beweerde hij, maar niet wanneer je jong bent. Hij had inmiddels zoveel meegemaakt dat hij geen kansen meer nodig had.

Een in zichzelf opgesloten man - zijn gezicht wordt erg verlegen wanneer hij lacht. Overigens kijkt hij stuurs.

Bij zijn eigen werk was de compositie, de spanningsboog, altijd het probleem zei hij en hij meende in Oud en Eenzaam voor het eerst een geslaagde vorm gevonden te hebben.

maandag 28 januari 2019

Ted Hughes -- 29 januari 1985

• Ted Hughes (1930-1998) was een Britse dichter en echrtgenoot van Sylvia Plath. Voordat hij werd gevraagd de nieuwe Britse Poet Laureate te worden, gold Philip Larkin (1922-1985) als de grote favoriet voor die functie, maar deze weigerde om gezondheidsredenen (en overleed niet lang daarna). Uit: Ik wil nooit vergeven worden (vertaald door Nelleke van Maaren).

Begin 1985
Die benoeming tot Poet Laureate was heel merkwaardig. Toen we terugkwamen uit Egypte zat ik in zo’n half verdoofde toestand na de reis een enorme stapel post door te nemen en vond een brief van Downing Street 10, waarin werd gevraagd of ik de brief van Maggie Thatcher had ontvangen en zo ja, of ik dan alsjeblieft antwoord wilde geven, in negatieve of positieve zin. [...] Thatchers brief aan mij was gepost op de dag dat we naar Egypte vertrokken, maar omdat we op een vrijdag terugkwamen, had ik het weekend om erover na te denken. Toen eenmaal tot me doordrong: ja, ik was werkelijk gevraagd, veronderstelde ik dat Larkin gevraagd moest zijn en geweigerd had. Dat maakte mijn positie ingewikkeld. Ik voelde er weinig voor te worden geconfronteerd met een veelheid van maffe probleempjes die hij zo verstandig was geweest om te weigeren. Anderzijds leek zijn algemene, universele nee me niet zo bewonderenswaardig, & het was in zekere zin een aantrekkelijk idee om datgene waarvoor hij was teruggedeinsd, in een groot voordeel voor mij te veranderen. [...] Er schoot me steeds de regel uit King Lear te binnen waarin de Franse koning van mening verandert over Cordelia – ‘Als de wet het toelaat raap ik op wat weggeworpen is.’ [...] Dus maandagochtend belde ik op en zei ja. Sindsdien loop ik rond in een vreemd waas – een soort slaapwandelende langzame vlucht. Misschien heeft het iets te maken met het besef dat ik een van mijn moeders wildste dromen verwezenlijk.

zondag 27 januari 2019

Brian Eno -- 28 januari 1995

Brian Eno (1948) is een Britse muzikant, producer en kunstenaar. Hij publiceerde een dagboek over het jaar 1995, onder de titel A Year with Swollen Appendices.

28 January
I’m finding myself increasingly coming to resent artists and their daft conceits, Internetters and their stupid gadgetry. Dear Juan (Arzubialde) invited me to Bilbao, and A. arranged for Stewart to go too. The idea was to look at some sites for an installation. Picked up at Bilbao by deputation of sweet Spanish men with strong breath. One of them laid straight into S. (as Godfather of The Well) with tortuous accounts of baud rates and net-surfing. Anyway, to truly fantastic restaurant (Marinaro) in Laredo - where the proprietor very kindly gave me a 1954 Vina Real out of goodness of his heart (I had asked how much such a bottle might cost). Huge meal: wine and all (at 3.30 p.m.).

On to Santander, discussing Real World [A proposal for a future theme park instigated by Peter Gabriel] with Juan, and then a mysterious journey round harbour facilities. ‘Why am I here?’ says a voice deep in my limbic system. The same voice began positively screaming upon our arrival at the oil refinery (turned out to be an olive oil refinery!), when we were thrust into a room of mayors and lawyers and PR men and architects and asked to help design the proposed ‘Data Centre’ on the promenade. This was interspersed by a largely incomprehensible presentation (projected from a laptop, of course) and booklet (all Photoshop-designed - overlays, fades, etc. - and the only thing you really needed, the maps, unreadably minute) - both astonishing triumphs of form over content.

Taken somewhat by surprise, we started by saying that data, as such, is not that interesting. Stewart said that installations that depend on cutting-edge technology are fine the first year, out of date the second, and embarrassing for ever afterwards, and that, on a promenade, people would prefer to walk. S. and I pushed the theme ‘Im prove the promenade’, while I silently fumed at poor Juan for being dropped into this. Still, they seemed pleased that we’d come down ‘for the people’. Later discovered that there had been a big rift within the council between the Internetters and the architects, and that we - hired in by the Internetters - had inadvertently supported the architects.

Another enormous and delicious meal. Must improve my Spanish. To bed at 1.30

Jean-Paul Franssens -- 27 januari 1989

• Uit een brief van schilder-schrijver Jean-Paul Franssens (1938-2003) aan Henk Hofland. Franssens’ boek Zuiderkerkhof 1 bevat notities en brieven waarin hij zich zijn jeugd, zijn studietijd en zijn reizen herinnert – en zich een genadeloze criticus van zijn eigen ambities en tekortkomingen betoont.

Amsterdam, 27 januari 1989
Dood en pensioen. Wat denk je raar over de zogenaamde pensionering. Al krijg je je pensioen, gepensioneerd word je pas als je lekker uitgestrekt over een jaar of veertig op Zorgvlied ligt. Onbezonnen, voor eeuwig uitrustend. Zo zal het hopelijk mij vergaan. Nu moet je toch weldra aan je pensionering geloven. Een prachtige uitvinding. Je kunt van harte lucht geven aan je megalomane fase en een nieuw boek gaan schrijven. Een onsterfelijk boek. Je kunt gaan en staan waar je verkiest. Geen bedompte zweetlucht van samenzwerende collega’s. ‘Ik kleine slaaf van poëzie en taal’ krijg als het zover is mijn Belgisch pensioen van drie gulden zoveel. Eindelijk ben je echt vrij. Geen gehannes met voorschriften op koffieautomaten op de krant. Geen stank op de plee van slecht etende journalisten. Nee, je eigen, frisse, vrije schrijverslucht. De muze wordt niet meer verjaagd. Er wordt niet meer met twee maten gemeten en nooit meer vreemdgegaan. Op naar de Kunst. Op naar de éternité. De dood eindelijk bedwongen onder het geraas van een goed geoliede, pittig ratelende schrijfmachine.

Rutka Laskier -- 26 januari 1943

Rutka Laskier (1929-1943) was een Pools meisje dat in een Duits concentratiekamp om het leven kwam. Ze hield in de laatste maanden van haar leven een dagboek bij.

's Ochtends - 26 I 43 Dinsdag
Micka is weer met de nodige nieuwtjes gekomen. 'Iemand' heeft tegen haar gezegd dat ik mijn haren voor Janek heb geknipt, dat ik voor Janek zijden kousen draag enzovoort. Een botte leugen. Alsof ik iets om hem geef* Als ik Tusia ooit nog eens op straat tegenkom zal ik haar vragen wie haar toestemming heeft gegeven om dit soort roddels rond te strooien, en ik zal daarbij niet verzuimen een incidentje te noemen dat plaatsvond in de nacht van 2 op 3 januari. Ik wil haar mondje snoeren met die ontmoetingen. Ik ben benieuwd wat het zal opleveren. Vandaag ga ik naar de fotograaf. Ik laat voor 5 mark zes foto's maken, op rekening van het loon dat onderweg is.

donderdag 24 januari 2019

Selma Lagerlöf -- 25 januari 1873

Selma Lagerlöf (1858-1940) was een Zweedse schrijfster. Als 14-jarige hield ze tijdens een verblijf bij familie in Stockholm een dagboek bij.

zaterdag, 25 januari / In de salon bij oom Oriel

Er zijn verscheidene dagen voorbijgegaan, zonder dat ik tijd had om in mijn dagboek te schrijven. Ik moet zeggen, dat ik 't ook wel druk heb. Elke dag tussen tien en twaalf uur moet ik op de gymnastiek zijn, drie uren in de week heb ik Engelse les en twee keer een half uur pianoles. En tante is er heel precies op dat ik goed oefen, en als ik naar mevrouw H**** ga, vraagt ze of ik mijn les goed ken.
Maar vandaag ben ik vroeger dan gewoonlijk opgestaan, om wat te kunnen schrijven. Ik ben in de salon gaan zitten, omdat daar 's morgens vóór 't ontbijt niemand is; ik vind het ook prettig om hier te zitten omdat het hier zo mooi is.
Als ik nu de waarheid moet zeggen - en ik merk, dat het niet prettig is om een dagboek te schrijven, als je niet de waarheid zegt - dan had ik wel tijd gehad, gisteravond bijvoorbeeld, maar er was iets gebeurd waarover ik me schaam, als ik het moet vertellen. Ik kan mezelf niet recht begrijpen, 't Is net of ik zo kwaad en onhandelbaar geworden ben, dat ik mezelf niet in toom kan houden, en dat kon ik tot nu toe toch meestal wel. Elke avond als Elin en Allan naar bed zijn, gaan tante en ik in de salon zitten. Tante breit een sjaal en ik haak een tussenzetsel. We lezen niet voor, maar tante vertelt mij lange verhalen over mensen, die zij in Stockholm heeft ontmoet, en dat vind ik erg leuk. Soms komt oom Oriel ook in de salon zitten en rookt dan uit zijn lange pijp, lezend in de 'Nya Dagligt Allehanda'. Af en toe zit oom te glimlachen terwijl hij leest, en dan weten wij, tante en ik, dat de redacteur iets lelijks heeft gezegd over de liberalen, want de liberalen zijn de slechtste mensen die oom kent. Donderdagavond kwam oom ook bij de lamp zitten, niet met de krant, maar met een boek van klein formaat, maar tamelijk dik. Ik vroeg me juist af wat het wel voor een boek kon zijn, dat oom z'n krant er voor vergat, toen hij ophield met lezen en naar mij keek.
'Dit boek mag jij niet lezen', zei hij, 'denk er om'.
Ja, ik beloofde erom te zullen denken, en verder werd er niet over gesproken.
Maar gistermorgen, juist toen ik voor de piano was gaan zitten om mijn les in te studeren, kwamen oom en tante binnen. En oom was zo druk aan 't praten, dat hij niet lette op mij, die daar zat te zwoegen op de Czerny-etudes, maar aan tante vertelde hoe een Fransman, die een moordaanslag beraamd had op Lodewijk XIII, geradbraakt en gemarteld was in tegenwoordigheid van het hof en het hele volk.
Ik bleef natuurlijk doorspelen, maar ik kon er niets aan doen, dat ik een deel van wat oom vertelde kon horen. Het meeste hoorde ik vanzelfsprekend niet, maar daardoor werd ik juist zo geweldig nieuwsgierig om te weten hoe dat in z'n werk gegaan was. En het ergst van alles was, dat ik bedacht dat het in een boek stond, waar ik niet aan mocht komen.
En dat zou ik ook niet gedaan hebben, nee, dat zou ik beslist niet gedaan hebben, als ik echt mijzelf geweest was; want al heb ik veel gebreken, wanneer ik iets beloofd heb, dan wil ik me daaraan houden.
Gewoonlijk als ik om twaalf uur van de gymnastiek kom, ga ik een poosje op de sofa in de slaapkamer liggen; maar gisteren kreeg de slaapkamer een grote beurt en zei tante, dat ik op de sofa in ooms kamer mocht gaan liggen, omdat oom was uitgegaan. En toen ik dat deed, zag ik op 't zelfde moment dat ik me uitstrekte het kleine dikke boek op de étagère liggen, vlak onder mijn bereik. Toen pakte ik het boek en deed het open, want daar stak toch geen kwaad in: even te zien wat voor boek het was. Ik zag dat het een Frans geschiedenisboek was, en toen vond ik het wel wat kinderachtig van oom om mij dat te verbieden om te lezen, want geschiedenis mag toch iedereen lezen. Zo begon ik het boek door te bladeren, en juist toen ik de plaats gevonden had van de marteling, hoorde ik de deur van de vestibule. Maar ik ben immers zo opvallend suf en onnozel tegenwoordig, dat ik er helemaal niet aan dacht dat het oom kon zijn, die thuis kwam, maar doorlas. Het volgende ogenblik stond oom op de drempel, - en ik lag daar te lezen in het verboden boek! Zo iets verschrikkelijks geloof ik niet dat me ooit is overkomen, in mijn hele leven .
Ik sprong op, legde het boek weg en vroeg oom om vergiffenis. Ik was zo ontzettend nieuwsgierig geweest om te weten welk boek ik niet mocht lezen.
Oom werd niet zo erg boos op me, 'Ik begrijp, dat jij er eentje bent die niet kan ademhalen zonder een boek onder je neus te hebben', zei hij. 'Nu moeten voortaan de boeken maar achter slot, dan kun je Walter Scott lezen zoveel je wilt, en laat je de andere boeken met rust'. Dat was erg lief gezegd van oom, en ik dankte hem zo vriendelijk als ik kon. Maar toch schaam ik me zo ontzettend. Ik krijg een kleur als oom maar naar me kijkt, want hij kan immers niet anders denken dan dat ik altijd zo ongehoorzaam ben, en dat niemand ook maar enigszins kan vertrouwen op wat ik heb beloofd. Hij kan ïmmers niet weten dat ik een verandering heb ondergaan en zodoende niet meer mezelf ben.

woensdag 23 januari 2019

Frank Meyrink -- 24 januari 1991

• Frank Meyrink beschrijft in zijn dagboek (Gottliebs dood) de laatste jaren uit het leven van de beroemde pedagoog, cultuurfilosoof, architect, dichter en regisseur Johann Gottlieb Freudenacker (1915-1992) - die nooit bestaan heeft. En Frank Meyrink is een pseudoniem van de in 1964 geboren schrijver Leonard Beuger. Het boek is gemodelleerd naar Eckermann's Gespräche mit Goethe.

Donderdag 24 januari 1991
‘Hoe komt het eigenlijk,’ vroeg Gottlieb, die ik vanmiddag tussen zijn boeken trof – maar ik weet niet naar aanleiding van welke lectuur – , ‘dat mensen slechtheid, zwakheid, egoïsme et cetera vergoelijkend “menselijk” noemen, en niet zelden verontwaardigd raken als het goede, het verhevene als normaal wordt voorgesteld?’
‘Gaat dat niet minstens al op Goethe terug, althans zijn Faust?’ vroeg ik, maar Gottlieb hechtte geen aandacht aan mijn woorden.
‘Ach,’ antwoordde hij mistroostig, ‘de mensen zijn zo vol wantrouwen ten opzichte van zichzelf dat ze elkaar niet eens meer “u” durven noemen, en in verlegenheid geraken wanneer iemand hén eerbiedig aanspreekt.’

dinsdag 22 januari 2019

Helena Morley -- 23 januari 1893

• Helena Morley (pseudoniem van Alice Dayrell Caldeira Brant, 1880-1970) woonde als jong meisje in Brazilië en hield gedurende haar middelbareschooljaren een dagboek bij.

Monday, January 23
Yesterday I had a terrible scare. They're saying in Boa Vista that there's a very dangerous thief in the neighborhood who's already been in Diamantina and the soldiers couldn't catch him. He kills people in order to rob them and when the soldiers come, if he's in a house, he turns himself into a broom or a chair or some-thing; if he's outdoors he turns into an ant-hill. Everybody's terrified. Last night papa was at Uncle Joaozinho's on the other side of the ravine, and we were all asleep, when a dog barked. Mama ran to the door of our cabin and began to shriek, "Joaozinho! Captain Gasparino! Seu Joao Roberto!" We all woke up and ran to the door to see what it was. She screamed at Renato, "Run to Joaozinho's house and call the sheriff and the soldiers there!" She screamed this. Our mouths feil open; we thought she'd gone crazy. Then she whispered, "Shut your mouths and I'll explain." And she told us that the man who turns into an ant-hill was close by, because the dog had barked, and she was afraid he was after my father to try to get diamonds. She screamed those names loudly so that the thief would think those men were at Uncle Joaozinho's house and run away. Papa arrived a little later and he thought that mama's idea was very funny.

maandag 21 januari 2019

Ernst Heldring -- 22 januari 1928

Ernst Heldring (1871-1954) was een Nederlandse reder, bankier en politicus. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.

22 januari 1928
Het doet aangenaam aan onder de actrices den laatsten tijd eenige op te merken die goed en beschaafd spelen. Nel Stants in St. Joan [van Bernard Shaw], Vera Bondam en Minny ten Hove, die beiden uitstekend in Het Spel van Liefde en List van Marivaux zijn. Mevrouw Royaards4 is van ouds een beschaafd element, maar beperkt in haar kunst. Onze tooneelspelers zijn daarentegen òf stijve klazen òf burgerlijke drukdoeners, behalve enkelen in volksrollen als Louis de Vries. Musch in nog wel meer hoedanigheden, mits niet als heer - in welken tijd ook - spelende. De uitspraak is bij velen beter dan vroeger, toen plat de verhevenste rollen belachelijk maakte, maar in de plaats daarvoor treedt nog al wat aanstellerij of charge. Royaards is onuitstaanbaar, Van Dalsum trekt gezichten als de maskers, waarmede hij gaarne speelt. Bouwmeester - hoog ten hemel verheven - legde het er altijd dik op en trok de massa door melodramatiek of door knipoogjes tegen het publiek. De recensenten zijn op deze punten zeer lankmoedig of bemerken zelven deze tekortkomingen niet.

zondag 20 januari 2019

George Gissing -- 21 januari 1888

George Gissing (1857-1903) was een Britse schrijver. Zijn treurige leven wordt uit de doeken gedaan door Geerten Meijsing in Tirade, aan de hand van dagboekfragmenten van Gissing.

Zat. 21 januari [1888]. Niet helemaal zes bladzijden. Wat flesjes bier gekocht in de hoop dat ik beter kan slapen als ik wat drink voor ik naar bed ga.

Zon. 22 januari. Bij Roberts. - Hoofdpijn gekregen van het bier. Duidelijk onbruikbaar. Zal een glas warm water proberen voor het slapengaan. Lees nog steeds “M. Antoine”. [Een verhaal van George Sand, “Le Péché de M. Antoine”.]

Maan. 23 januari. Een verknoeide dag. Dat plotselinge onvermogen om te werken dat mij vaak overvalt, bijna altijd zeker vlak voor een verandering in mijn dagindeling (morgen de laatste les van Graham). De poging tot schrijven opgegeven zodra ik ervoor ging zitten. Moet geen thee meer drinken; ik geloof waarachtig dat die verantwoordelijk is voor mijn trage spijsvertering, constipatie etc. Heb een idee voor mijn dagindeling die woensdag moet ingaan. In Forsters Dickens gelezen, een boek dat ik voortdurend oppak om me te stimuleren als het werk stilligt. - De hele dag uitnemend weer; warm en zonnig. Knoppen gezien aan de takken van de bomen toen ik afgelopen zondagmiddag door het park liep. - Rugpijn; ongetwijfeld het resultaat van mijn bad gisteravond. Durf niet elders een bad te nemen, toch loop ik er thuis altijd een kou van op. - Ook gemelijk geworden doordat ik Ierse stoofschotel had voor het avondeten. Er zijn nog maar weinig dingen die ik ongestraft kan eten.

Boudewijn Büch -- 20 januari 1998

Boudewijn Büch was een Nederlandse schrijver en programmamaker. Een boekenkast op reis is zijn 'persoonlijke kroniek' over 1998.

20 januari
Ontwaak met de Pretoria News en lees daar dat Carl Perkins – voor mij nog steeds de uitvinder van de rock-’n-roll en schrijver van dat fabuleuze Blue suede shoes (1955) – op 65-jarige leeftijd overleden is. Ik heb hem de afgelopen jaren tientallen keren laten bellen voor een televisie-interview, maar hij had steeds hartklachten of was net bezig van kanker te genezen. Gelukkig heb ik hem jaren geleden één keer geïnterviewd op een country-muziekfesitival voor de radio en toen bleek mijn held een schat van een man te zijn. Het doet mij wat, vooral ook omdat een van zijn elpees (ik heb er nog steeds geen cd-versie van gezien) op mijn toptien aller tijden van de popmuziek staat. Carl dood. Jammer dat ik niet thuis ben. Ik zou de hele dag zijn muziek draaien en een zwarte band om de arm dragen, zoals ik indertijd ook deed toen Elvis overleden was. Ik wil een gedicht over Carl schrijven. Dat móét!

[Büch over Perkins in zijn boek Rock 'n' Roll]

Sheldon Cholst -- 19 januari 1965

Sheldon Cholst (1924-2004) was een Amerikaanse psychiater en schrijver met grote belangstelling en affiniteit voor de hippiebeweging.

19 januari 1965
Ik schrijf nu over de uitwerking van hasjisj. Ik rookte het in een gerolde sigaret. Kreeg wat kinderlijke gedachten of herinneringen: hoe ik als kind eerst een ijskast omverwierp en toen mijn moeder een klap gaf omdat ze boos op me was & hoe ik in de open haard sprong en er ongedeerd weer uitkwam en zei ‘kijk wat een krankzinnig genie ik ben’. Ongedeerd - nu kan ik alles. Ik hield op met hypnotiseren toen ik een patiënt een leeftijds-regressie gaf en hij er helemaal van overstuur raakte - het bleek dat hij weer een tekening voor zich zag, die hij maakte op de kleuterschool toen hij vijf was. Hij herinnerde zich ook dat Coolidge toen president was, iets wat hij zich niet herinnerde toen hij weer wakker was. Hasjisj doet, geloof ik, iets dergelijks & maakt je ‘Veel jonger nog, dan je bent’.

Het maakt je dus weer kind - in geest of gevoelens of ziel, of niet-vervelend lusteloos gedrag. Je beweegt je gemakkelijk in gedachten en fantasiën - van de ene in de andere, als een kind. Eerlijker (alsof je een schilderij bekijkt zonder de hersenspoeling, prestige of geleerdheid). Maar je bent nog steeds volwassen. Kind en volwassene tegelijkertijd. Lothar. Gidro-Frank, een vriend van mij en psychiater, deed jaren geleden een experiment waarbij hij iemand een tijds-regressie liet ondergaan en ontdekte dat zijn proefpersoon elektronische veranderingen in zijn spieren kreeg, lijkend op een Babinski-reflex. (De grote teen gaat omhoog als men op de voetzool een half-elliptische figuur beschrijft van de hiel naar de grote teen met een sleutel, of de achterkant van een potlood.)

Nu vertoonde mijn grote teen toen ik hasjisj op had, een soortgelijke neiging. Mijn spieren waren totaal ontspannen en mijn reflexen waren over het algemeen sterker (knie & elleboog). Nu de uitwerking afneemt, heb ik het stellige gevoel dat de Babinski-reaktie ook verdwenen is en dat mijn reflexen bij de knie & de ellepijp net zo zijn als gewoonlijk. Met enige reserve zou men dus kunnen zeggen, dat hasjisj ingrijpt in de pyramidenbaan, hetgeen de kleine veranderingen tengevolge heeft die ik hierboven heb genoemd en lijkt op leeftijds-regressie onder hypnose. Ik was dus volwassene en kind tegelijkertijd. De Bron der Jeugd was gevonden. Het kind leeft in een wereld van wonderen, het zoekt, vindt, verwerpt en is soms bang door volwassenen pijn gedaan of ‘down-ge-put’ te worden. Maar nu is hij beide - zodoende voelt hij zich ‘high’, groot als een volwassene en toch nog altijd een kind. O wonder boven wonder! Wat kan dit ‘kind in de mens’ nog te verlangen hebben - want dat is wat een ‘roker’, die echt ‘on-ge-turnd’ is, in feite is. Hij heeft de werkelijkheid van de volwassenen - ‘wat moet ik doen, waar kan ik heen, wat mag ik doen?’ - verlaten, & is teruggekeerd naar het leven van het vrije, onnozele kind dat in zijn geluk loopt rond te stappen. Het is het best-werkende middel tegen de verveling. Want het hoogste type mens is rusteloos.

[lees verder]

donderdag 17 januari 2019

Wies Roosenschoon -- 18 januari 1959

Wies Roosenschoon (1929-?) was lerares Nederlands met een passie voor literatuur. In Tirade zijn dagboekfragmenten van haar gepubliceerd.

18 januari 1959
Moortje de zoveelste heeft mijn kamer verkend. Schichtig naar binnen vliegen en, alsof ze in alle hoeken duivels verwachtte, overal achter gekeken, overal onder, overal in. Op de minste beweging van mij een angstig ademloos op zijn qui-vive zijn. Ik ben als een meubel blijven zitten dat dus ook van alle kanten te beruiken en te betasten was. Maar heb hem onderwijl vanuit mijn ooghoeken in de gaten gehouden. Zoals hij steeds meer gerustgesteld onder het bed vandaan kroop, uit de blauwe kast stapte en dan ineens luid als een drilboor aan het brommen sloeg en om me heen kopjes ging geven. Nu zoekt hij een plekje om lekker lui te liggen. Het mandje is te klein bevonden, de mat te hard, het lijkt de poef te worden. En nou een beetje mijn aandacht trekken. -
En nou helemaal over dat luie mens in die luie stoel klimmen en dan over dat grote bed snuffelen en met de steen van Arie spelen, aan Lily d'r planten proeven, ze bewegen. Ik ben Pom in het vreemde huis, zie je.

19 januari 1959
Utrechts Nieuwsblad: interview met twee atoomgeleerden.
Vrijgegeven berichten over experimenten op het terrein van de bacteriologische oorlogvoering. Productie van botulinus toxine, waarvan 8½ Engelse ounces genoeg zouden zijn om, indien op de vereiste wijze verspreid, alle levenden in de wereld te doden. Sir Robert Watson Watt: ‘Het kan nu de tijd zijn een wereld die zich normaal redelijk betoont, ervan te overtuigen dat oorlog verouderd is.’ Dr. Chisholen (bioloog): ‘Het Handvest der Verenigde Naties is de enige wet, waarvan de toepassing het voortbestaan van het menselijk ras kan verzekeren en dan nog slechts voor een generatie.’ Wereldregering wordt door beiden als uiteindelijke oplossing gezien. -
Ik moet nu Arlo binnenkort toch schrijven.

woensdag 16 januari 2019

C. Buddingh' -- 17 januari 1968

C. Buddingh' (1918-1985) was schrijver en dichter. Hij publiceerde vijf boeken met dagboeknotities.

17-1
Er zijn mensen wie de mislukking naar het hoofd gestegen is.
Een paar boeken uitzoekend, die ik dubbel heb en die ik morgenavond aan Gerard wil geven, zie ik - wat ik weer totaal was vergeten - dat Somerset Maugham in de inleiding tot A Writer's Notebook over Jules Renard en diens Journal schrijft. Hij moet niet zo erg veel van Renard hebben, omdat deze ‘creativiteit’ zou missen en ‘creativiteit’, blijkt al heel spoedig, is voor Maugham het verzinnen van verhaaltjes. Poil de Carotte wil hij half-schoorvoetend dan nog wel accepteren, maar Renards andere romans zijn volgens hem ‘either fragments of autobiography or are compiled from the careful notes he took of people with whom he was thrown into close contact and can hardly be counted as novels at all.’ Als men zo redeneert, is Komedianten trokken voorbij een beter boek dan Si le grain ne meurt, en Jouhandeau, die nooit ook maar iets heeft kunnen - of willen - verzinnen, ja, wat? Misschien wel helemaal geen schrijver en zeker niet zo'n coryfee natuurlijk als Maugham zelf, die ook wel nooit beweerd heeft ‘to create something out of nothing’, maar, voegt hij er dan fier aan toe: ‘I have exercised imagination, invention and a sense of the dramatic to make it something of my own.’ Van a tot z typisch de redenering waarmee tweederangs auteurs altijd weer komen aandragen. Ik merk dat ik me de laatste tijd steeds meer begin te ergeren aan bepaalde lieden en Somerset Maugham is er daar een van. Zijn verwaten opmerkingen bijv. over Henry James (waar hij 25 keer uit kon) in An Introduction to Modern English and American Literature.

18-1
De bediende gisteren in de woninginrichtingszaak, toen ik naar een vloerkleed was wezen kijken dat Stientje er gezien had en mijn naam en adres opgaf: ‘Als ik zo vrij mag zijn... is u van de Forsyte Sage?’