maandag 22 april 2019

Odilia Beck • 23 april 1624

• ‘Mag ik me even voorstellen? Mijn naam is Odilia Beck, ik ben een jaar of 17. Het is 1624, en ik woon samen met mijn broer David en zijn twee kinderen in de Hoogstraat in Den Haag. Mijn broer houdt dit jaar een papieren dagboek bij, maar dat vind ik zooo zeventiende-eeuws dat ik dacht: dat moet leuker kunnen! Daarom houd ik dagelijks mijn blog voor het jaar 1624 voor jullie bij. Met iedere dag mijn belevenissen, het echte weer van diezelfde dag in 1624 en verder zeventiende-eeuwse prenten en schilderijen, gebruiksvoorwerpen, recepten, kaarten, kranten, het laatste nieuws en de heetste roddels van het Oranje-hof. Jullie denken misschien dat ik alles uit mijn duim zuig, maar ik heb echt bestaan en zeker 95% van wat ik jullie te vertellen heb, is waargebeurd.’

23 april
Mijn broer David heeft vannacht een heel bijzondere droom gehad. Hoe ik dat weet? Nou, toen ik zijn comptoir aan het stoffen was, heb ik zijn dagboek gelezen. Ik weet dat dat niet hoort, maar af en toe heb ik behoefte aan een verzetje. Zeker nu ik in onmin leef met Jaccomijntje.

Ik ga haar zelf uit de weg, maar ze is de laatste dagen ook hier niet meer langs geweest voor een praatje. David zag haar gister wel door de Hoogstraat lopen met onze vriendin Tanneke. Het voelt nu alsof ze tegen mij samenspannen en dat is niet fijn. Ik durf dit soort dingen nooit goed met David te bespreken, omdat hij altijd zo kortaf kan doen en me het gevoel geeft dat ik me niet zo aan moet stellen. Maar toen ik er net toch over begon, reageerde mijn broer heel geduldig. Volgens hem kan ik het beste zelf bij Jaccomijntje langs gaan om te vertellen hoe ik me voel over het feit dat ze al die tijd niks over haar verliefdheid heeft verteld, terwijl zij het van mij wel wist. Volgens hem komt het dan vast wel goed.

Nu David vandaag zo aardig was, voel ik me schuldig dat ik in zijn dagboek gelezen heb. Maar goed, dit is wat hij schreef:

“Ick hadde den vergangene naer-nacht eenen zeer genoechlijcken ende werckelycken droom van zeer heerlijck weder ende voorspoedige scheep-vaert van veele ende verscheydende schepen op verscheydene wateren, vloeden ende zeeen, alle zeylende met voorwint ende ongelooflycken snelheijt, tot mijnen zonderlingen genuegen, alzoo ick mede voer ende te varen hadde, in welcke droom ick verwert bleef tot aen den lichten morgen dat ik wacker wert, dier geleijcke plachten mij wel wat goets beteijckenen, hopende dat het ditmael niet en zal missen.”

zondag 21 april 2019

Trijntje Boven • 22 april 1945

• Van 17 april tot en met 4 mei 1945 is Trijntje Boven‑Meijerhof (1921-1995) op de vlucht:, samen met haar man, haar ouders, haar zoontje, haar zussen, haar broer en haar buren. Haar huis staat aan de Zomerdijk tussen Wagenborgen en Woldendorp, midden in de vuurlinie. Zestien dagen zijn de Bovens op de vlucht. Ze trekken door het open veld, schuilen in sloten en slapen onder de blote hemel. Trijntje, dan 24 jaar, houdt een dagboek bij, dat gepubliceerd is op De verhalen van Groningen.

DINSDAG 17 APRIL
Tegen de middag komen de Duitse soldaten in zwermen opzetten. Overal soldaten. Ze gaan zonder meer de huizen binnen of graven iedere honderd meter een gat in de grond en kruipen daar in. Om drie uur beginnen de Canadezen in onze richting te vuren. De Duitsers sturen ons het veld in waar wij dekking zoeken in een sloot. Om half acht zeggen zij tegen ons dat wij de volgende morgen weg moeten. We overleggen waar we het beste heen kunnen. Naar Nieuwolda mogen we niet. Daar zijn reeds Canadezen en de Duitsers zijn veel te bang dat we dan verraden hoe zij zich hier ingenesteld hebben. We besluiten het veld in te gaan.

WOENSDAG 18 APRIL
Zeer vroeg beginnen we onze bedden, kleren en voedsel op een wagen te laden. We hebben eieren gekookt en gisteren hebben we stiekem nog een kalf geslacht en dat vlees gaat gebraden ook op de wagen. Bepakt en bezakt, het beddengoed op de schouders, onze voeten meteen kletsnat van de morgendauw, zo begint onze vlucht. Eindelijk vinden we een sloot met flinke hoge wallen waar haast geen water in staat. Drie van ons gaan naar één van de boerderijen in de buurt en vragen om zakken, schoppen en drinkwater.
Twee beginnen dan met het graven in de sloot en één gaat terug om stropakken te halen. Dan komt de zon door en trekken we allemaal onze kousen en schoenen uit en laten die in de zon drogen. De sloot is bewoonbaar. We houden de kleinen bezig door klei uit de wal steken en daar kunnen ze dan poppetjes van maken.

DONDERDAG 19 APRIL
Het is deze dag tamelijk rustig. Wij vrouwen zorgen dat er iets eetbaars komt. De mannen maken dichtbij huis een schuilkelder in de sloot.

ZATERDAG 21 APRIL
Alweer een dag en nog zijn nergens onze Canadese bevrijders te zien. We gaan een partij bonen doppen. Onderwijl wordt er gezongen en de grote jongens vertellen elkaar moppen.

ZONDAG 22 APRIL
De dagen verglijden in dezelfde spanning. Het schijnt wel een eeuwigheid te duren, dit wachten op de bevrijding. Je leven is geen ogenblik veilig in zo'n moordkuil die oorlog heet.

DINSDAG 24 APRIL
Het was een bange nacht. De Duitsers trekken zich terug en jagen onder bedreiging van revolvers nog meer mensen uit hun huizen. We zijn nu met 38 mensen, bijna zonder eten of drinken en verdelen ons over twee sloten.
Dan komt de nacht. Gelukkig hebben we wat beddengoed waar we onder kunnen kruipen. En zo liggen we dan vlak naast elkaar, groot en klein. Velen met hongerige magen, maar er zijn er ook met angst en vertwijfeling. En maar wachten op de bevrijding of de dood!

Friedrich Nietzsche • eerste paasdag 1864

Friedrich Nietzsche (1844-1900) was een Duitse filosoof. Uit: Uit mijn leven, vertaald door Charles Vergeer.

Over stemmingen [Pasen 1864]
Denk u eens in hoe ik op de avond van eerste paasdag in mijn pyjama thuis zit; buiten een motregentje; in de kamer is verder niemand. Lang staar ik naar het voor mij liggende onbeschreven papier, de pen in de hand en vol ergernis over de warwinkel van onderwerpen, gebeurtenissen en gedachten die allemaal opgeschreven willen worden; en de meeste daarvan uiten dat verlangen zeer stormachtig, omdat ze nog jong en onrijp als most zijn; terwijl daartegen verzet wordt aangetekend door vele oudere, gerijpte en tot helderheid gekomen gedachten die als oudere mannen met wrevelige blik het gedoe van de jongeren aanzien. Laat ik het maar openlijk bekennen, mijn gemoedsgesteldheid wordt bepaald door deze strijd van de oude tegen de jonge wereld en ik noem de steeds weer veranderende strijdtonelen stemmingen of, ietwat neerbuigend, grillen. Als goed diplomaat verhef ik me boven de twisten der partijen en schilder de toestand van de staat met de onbevangenheid van de man die dag aan dag per ongeluk alle partij vergaderingen bijwoont en dan in de praktijk dezelfde principes volgt die hij op de tribunebespot en uitjouwt. [...]

vrijdag 19 april 2019

Paul Morand -- 20 april 1970

Venetiës, het “literaire testament” van de Franse schrijver Paul Morand (1888-1976), bevat autobiografische schetsen, waarin Venetië steeds op de een of andere manier een rol speelt. Het boek werd in het Nederlands vertaald door Geerten Meijsing.

April 1970
Venetië geeft aan Griekenland terug wat het daarvan genomen had; het heeft Kreta gedurende meer dan vier eeuwen verdedigd, vooral dit Candia, waarvan het beleg door de Turken drieëntwintig jaar geduurd heeft. Vanmorgen heb ik de muren van het binnentalud beklommen, over de borstweringen van oudroze baksteen heen, de loze kragen, deze voormuren aan de voet van de bressen van Foscarini, vanwaar de taludgrond afbrokkelt, eeuwen kris kras door elkaar met zich meevoerend in een lawine van stenen voorzien van het stempel van de Serenissima, van Romeinse sarcofagen en van door de tijd verbrokkelde courtines. El Greco heeft de stad bijtijds verlaten om naar Toledo te gaan, maar Candia heeft het niet opgegeven tegenover de islam. Toen schaamde het blanke ras zich nog niet voor zijn hegemonie, voor zijn hertog van Kreta die door de Adriatische doge werd aangewezen; het moest lachen om de razende aanvallen van Ahmet, de grootvizier, die zijn gevangenen levend liet villen. La Feuillade, Beaufort (de Koning van de Hallen, bastaardzoon van Hendrik IV), de contingenten uit Hannover of uit Bohemen zijn hier gestorven voor het Westen, en hebben het bolwerk van hun lijken gevoegd bij dat van San Micheli, de Venetiaanse vestingbouwer.

donderdag 18 april 2019

Dana Constandse • 19 april 1993


Dana Constandse (1930-2018) was neerlandica en schrijfster. Uit: Hollands Maandblad.

19/4: Vanmorgen twee duiven op de kast. Deden wat onduidelijks met een losse loot van de bruidssluier. Veel koerend buigen, opgeblazen hofmakerij. Vlogen samen weg. De kastanje staat al vol lichtgroen blad, kaarsjes in knop.

21/4: Ze zijn er elke dag. Gisteren, toen ik het raampje opende, vlogen ze abrupt weg. Na een kwartier alweer landde de doffer op de balustrade, kuierde wat als een Haagse heer. Daarna verdween hij en kwamen ze samen terug. Als ze kalm weggaan, dient de balustrade als tussenstop, dan de kastanje. Soms vliegen ze met veel kabaal direct naar rechts de tuinen in.

22/4: Voor het eerst de balkondeuren helemaal open. Toen om zeven uur de wekker ging, waren ze al bezig. Er is een duidelijke taakverdeling: de doffer brengt takjes, het vrouwtje doet er wat mee op de kast. Soms zie ik haar even bij de rand. Hij haalt ze vlakbij, is gauw terug. Misschien de tuin van de buren? Ze variëren erg in lengte, van drie tot dertig centimeter.
Ik ben gaan turven. Na het 34ste takje kwam hij niet meer. Even later: oe-roe-koe van rechts, tweemaal. Vrouw vliegt meteen naar hem toe.

23/4: Ik heb de trapleer genomen. In de verste hoek een rond bolwerkje met een hoge rand, de oervorm van het chocoladen banketbakkersnest. Klein, het past net onder een duivebuik. Opvallend ontoegankelijk ook. Dat heeft zin op rotsrichels en vensterbanken. Een houtduif doet dat niet zo, die flanst een doorzichtig platform in een boom, hooguit vijftien takjes.

woensdag 17 april 2019

Willem de Clercq • 18 april 1816

Willem de Clercq (1795-1844) was een Nederlandse handelsman. Per karos naar St. Petersburg. Reisdagboek van de Amsterdamse graanhandelaar uit het jaar 1816.

Reis door 't Hannoversche. Eerste dag 18 april. Vertrek van Hamburg, Stade
Nu was dan eindelijk de dag van mijn vertrek uit Hamburg genaderd. Na 't geen aldaar aan de order van den dag is, goed afgeschoven te hebben, vond ik mijnen stoelenwagen gereed staan en reed de grote stad uit. Te Altona nam ik afscheid van mijnen loon-bediende, den eerlijken Hansen, nog een vaderlander en trok nu zoo geheel alleen verder de wereld in. Wij reden naar Blankenese. Dit dorp is ten uitersten schilderachtig tegen een soort van berg gelegen en deszelfs aanblik is verrassend. Hier moest nu weder mijn pas vertoond worden bij eenen Commissair, die mij volstrekt als familie van den generaal Le Clerc wilde aanzien. Nu kwam ik aan het strand en wierd oogenblikkelijk door twee schippers opgevat, en in eene schuit gedragen. Nu roeide men mij over de Elbe terwijl ik met regt de schone gezichten over de rivier bewonderde. Te Cranz waar wij aanlandden, wilde ik extra post nemen, doch daar het wachten lang duurde, zoo had ik tijd het bijzonder costume der vrouwen te beschouwen. Hun kapsel bestaat in eene muts van hetzelfde formaat als de zoogenoemde ezelsmutsen waarmede men weleer de kinderen tot loon van weinige vorderingen plag te bekronen. Alles was hier in eenen geheel bijzonderen trant. Eindelijk verscheen de wagen; een open bak met een dwarsplank waarop men gevoelde wat het is gestoten te worden. Nu reden wij door eene aaneenschakeling van gehuchten en kleine elendige vlekjes, geheel door boomgaarden omringd, en ik vernam naderhand dat deze streek een gedeelte van het bekende kersenland uitmaakte. Eindelijk kwamen wij in eene vlakte en bereikten na lang stoten Stade. Deze kleine vesting, of die men nu tot eene vesting schijnt te willen maken, is aan de eene zijde door eenige bergen omringd. Zij is op eene hoogte gelegen, doch hetgeen den reiziger alhier treft zijn elendige huizen en kwaadaardige straatsteenen. Ik kwam eindelijk in ‘die Stadt London’ teregt. Dit Stade kan met regt beschouwd worden als aan Themis toegewijd, want men vindt hier alleen Doctors, Rechters en Advocaten en leeft geheel van de misdaden en dwaasheden onzer natuurgenoten. Ik kende hier een dienaar der Godin tot wien ik mij begaf. Deze ontfing mij vriendelijk en wij gingen buiten de poort. Ik bezag twee der beroemdste Vaux-halls van Stade en vond niemand in de eene en eenige kegelende zoonen van Mars en Themis in de andere. Vervolgens kwamen wij in den Stader Club die zeer goed ingericht was, en door eene menigte wetten, waaronder eene het medebrengen van honden verbood, wijselijk bestierd was. In het Logement was open tafel waarvan drie personen gebruik maakten, terwijl andere aan hunne zijde in het edele whist verdiept waren. Na 't matig onthaal trad ik in mijne kamer en zonk eindelijk onder een verschrikkelijk dekbed ter ruste neder.

dinsdag 16 april 2019

Marcel Proust • 17 april 1904

• Uit een brief van “uw vriend Marcel” Proust (1871-1922) aan zijn “lieve vriendin” Marie Nordlinger, een Engelse met wie hij veel gemeen had. Uit: Brieven 1885-1905 (vertaald door Joyce & Co).

Zondag 17 of 24 april 1904
Bedankt voor de prachtige en verholen bloemen die het mij mogelijk hebben gemaakt ‘een lente aan te richten’ zoals Madame de Sévigné zegt, een onschadelijke lente in een waterglas. Dankzij u heeft mijn duistere met lamplicht verlichte kamer een lente uit het verre oosten gekend. Ook bedankt voor de mooie vertaling die ik nauwkeurig na zal zien en met uw goedkeuring zal veranderen, maar heel schroomvallig, met een toegenegen eerbied. Maar toch veranderen. U spreekt het Frans niet alleen beter dan een Française, maar ook als een Française. U schrijft het Frans niet alleen beter dan een Française, maar als een Française. Maar wanneer u uit het Engels vertaalt, komt de hele oorspronkelijke landsaard weer terug; de woorden krijgen weer hun oorspronkelijk geslacht, kleur, betekenis en regels. En welke bekoring er ook gelegen moge zijn in deze Engelse vermomming van Franse woorden, of liever in dit opduiken van Engelse gedaanten en Engelse gezichten die door hun verkleed-kleren en hun Franse maskers heenbreken, al dit leven moet weer koud gemaakt worden, verfranst, weer losgemaakt van het origineel, en de originaliteit moet de kop in worden gedrukt.

maandag 15 april 2019

J.J. Peereboom • 16 april 1958

J.J. Peereboom (1924-2010) was schrijver en journalist. Dagboeknotities van zijn hand verschenen in onder meer Ik ben niets veranderd.

16 april 1958
Vandaag stond ik vreugdeloos op, gehoorzamend aan de dienstregeling van de gewoonte; het regende niet bepaald, maar droop nog wat na, en de lucht was grijs en wit. Na een minuut of vijf, soms iets langer, schiet daar dan gewoonlijk de levenslust in, als een pijn. Zo ook vandaag. Het is een aardige gewaarwording, iedere keer een verrassing, doordat de redenen om geen levenslust te ondervinden heel goed lijken. Het zou ook wel uit kunnen blijven, daar was dan niet veel aan te doen. Wat zou dat ooit te maken kunnen hebben met een zin van het leven? Sommige mensen hebben misschien meer redenen om te leven dan ik, maar het valt mij moeilijk te geloven dat zij daar hun levenslust aan ontlenen. De overweging is dienstig voor het historisch begrip, want ik neem daarom aan dat in de eeuwen toen men vervuld was van de gedachte aan verlichting en vooruitgang, het gemiddelde aan levenslust weinig hoger was dan nu. Men had alleen een andere manier van over de dingen praten. Vergelijk de trieste clown, en de opgewekte uitdrukking op het gezicht van Tennessee Williams, die Jacques Lemarchand hem aan de hand van een portret verweet na de voorstelling van Cat on a hot tin roof in Parijs.

zaterdag 13 april 2019

Caroline Cowles Richards • 15 april 1865

Caroline Cowles Richards (1842-1913): Village Life in America 1852-1872, Including the period of the American Civil War as told in the diary of a school-girl.

April 15. -- The news came this morning that our dear president, Abraham Lincoln, was assassinated yesterday, on the day appointed for thanksgiving for Union victories. I have felt sick over it all day and so has every one that I have seen. All seem to feel as though they had lost a personal friend, and tears flow plenteously. How soon has sorrow followed upon the heels of joy! One week ago to-night we were celebrating our victories with loud acclamations of mirth and good cheer. Now every one is silent and sad and the earth and heavens seem clothed in sack-cloth. The bells have been tolling this afternoon. The flags are all at half mast, draped with mourning, and on every store and dwelling-house some sign of the nation's loss is visible. Just after breakfast this morning, I looked out of the window and saw a group of men listening to the reading of a morning paper, and I feared from their silent, motionless interest that something dreadful had happened, but I was not prepared to hear of the cowardly murder of our President. And William H. Seward [minister van Buitenlandse Zaken], too, I suppose cannot survive his wounds. Oh, how horrible it is! I went down town shortly after I heard the news, and it was wonderful to see the effect of the intelligence upon everybody, small or great, rich or poor. Every one was talking low, with sad and anxious looks. But we know that God still reigns and will do what is best for us all. Perhaps we're "putting our trust too much in princes," forgetting the Great Ruler, who alone can create or destroy, and therefore He has taken from us the arm of flesh that we may lean more confidingly and entirely upon Him. I trust that the men who committed these foul deeds will soon be brought to justice.

J. van Drielst • 14 april 1915

• J. van Drielst (?-?). Dagboek van mijne reis door het binnenland van Honduras naar Guatemala.

April 14. Om 7 uur rijden wij af, thans komt het moeilijkste gedeelte van mijnen tocht! Mijne kleine mula loopt heerlijk, men voelt nauwelijks, dat men op een rijdier zit, zij is, wat men hier noemt eene “Andador” d.w.z. maakt kleine passen, waardoor de schokkende beweging geheel vermeden wordt. Reeds direct bij het begin krijg ik een voorproefje van den treurigen toestand, waarin zich deze weg bevindt, overal modder en een dikke brij, waarin de mula wegzakt, soms tot aan den buik. Het pad is zeer smal, bezaaid met afgevallen boomstronken, terwijl overal de dikke wortels der boomen door den weg kronkelen, waarbij de mula geweldig moet oppassen deze te vermijden. Sjoep, sjoep, zoo “zuigen” wij verder, eene aangename gewaarwording. Van snel voortgang maken is natuurlijk geen sprake. Doch dit is nog niets; verderop komen de onmogelijkste cuestas, de mula glibbert terug, werkt zich naar boven, en glijdt dan soms bij eene daling een stuk naar beneden. Om ons heen een dicht bladerdak van een oerwoud, de zon breekt hier nooit door, alles is verlaten en ziet er troostloos uit. Wee den mensch, wien het niet gelukt in éénen dag door deze wildernis heen te komen; nergens is hier een onderdak te vinden, niemand ontmoet men op dezen verlaten weg. De weg voert af en toe loodrecht naar boven, hoe het mogelijk is, dat mijne mulita tegen deze stijle cuestas opkomt, is mij volkomen een raadsel. Wij dalen thans plotseling af in eene verdroogde beek schijnbaar, aan den anderen kant verheft zich het pad bijna loodrecht tegen de bergen, het is hier gevaarlijk en Leonardo raadt mij aan af te stijgen, en zelf naar boven te klauteren, waarna hij de beide dieren naar boven zal leiden. Een plezierig oogenblik, ik “zwem” als het ware door de modder naar boven, glij terug, val, krabbel op, doch worstel mij ten slotte naar boven. Hoe ik er uitzie, behoef ik wel niet te besehrijven, doch... mijne kleeding is hierop berekend, mijne schoenen helaas niet, en mijne voeten zijn dientengevolge kletsnat; doch, hierop let je in zulke oogenblikken minder. [Lees verder]

Witold Gombrowicz • 13 april 1963

Witold Gombrowicz (1904-1969) was een Poolse schrijver. Zijn Dagboek 1953-1969 is door Paul Beers in het Nederlands vertaald.

ZATERDAG
Oplossen, wegsmelten, kleur en schittering, het is kalm, het is warm, en de warmte neemt nog toe, glinsteringen, slaperig schijnsel in het kielwater, springende vissen, dansen en fantasieën van de zon achter ons klokkend kielzog, een schuimende staart, allen amuseren zich, spelletjes en conversaties, ligstoelen en luieren, een camera in een schoen, de schittering doet pijn, het zwembad is geopend, de mensen springen erin, klauteren er proestend uit, springen er weer in, gesprekken, gebabbel, die industrieel: ha, ha, ha (met diepe basstem), zij heeft haar notitieboekje te voorschijn gehaald, een ander krabt zich, ja, hitte sehr, buongiorno, ze is zeker beledigd, ze stapt op, misschien ook niet, een nonchalant gebaar met de hand, van wie is dat, het koper blinkt, wat een prachtige sprong, hoe laat is het, ach nee, hoe is het toch gegaan met... wie heeft laatst... patrijs, maar waarom begreep hij niet, ach, een naprater... maar wat zou er gebeuren als... een locomotief... een locomotief... bijvoorbeeld...
'Bijvoorbeeld', ah, een uitstekend, toepasselijk woord dat alles vereenvoudigt. Ja, dat zei Adam Mauersberger me al lang geleden (in Konstancin, geloof ik, op de veranda), dat woorden als 'bijvoorbeeld' en 'eigenlijk' de dingen direct gemakkelijker maken: dank zij hen kan men alles zeggen, zelfs dingen die duidelijk met de waarheid in strijd zijn, zoals 'eigenlijk heeft een boterham met boter de smaak van chocola'. Schittering, hemelsblauwe lucht, ruimte, traagheid-zou het niet beter zijn alles maar zo te laten, er niet aan te komen, alles in de verte te laten verdwijnen en vaarwel... Argentinië, Argentinië, Argentinië!
Argentinië! Slaperig, vermoeid, met knipperende ogen, zoek ik haar opnieuw in mij, en met alle kracht, oh Argentinië! Alleen zou ik willen weten, ja, het is toch merkwaardig, waarom ik in Argentinië zelf nooit een dergelijke hartstocht voor haar heb opgevat. Waarom overvalt die mij, nu ik me van haar verwijderd heb?
Mijn God, ik die geen ogenblik van Polen gehouden heb... En daar sta ik op mijn kop om Argentinië te beminnen! Niet minder vreemd is dat tot nu toe het woord 'liefde'je ontzegd was. En nu ben je de prooi van schaamteloze, tomeloze aanvallen van liefde! (Als ik denk aan de moeite die het me kost om dit te schrijven; zo gaat het altijd: zodra ik de oprechtheid in mij wil verhogen, neemt ook het risico toe te overdrijven, de clown uit te hangen, en stilering wordt onvermijdelijk...) Natuurlijk, dacht ik, natuurlijk is dat alles niets dan een kwestie van verwijdering: Polen niet bemind hebben omdat ik er te dicht bij stond, Argentinië beminnen omdat ik het altijd op een bepaalde afstand heb gehouden, en het pas nu beminnen, nu ik me ervan verwijder, me ervan losruk... Waar nog bijkomt, dat men met de jaren ongetwijfeld brutaler de liefde, en zelfs de schoonheid, durft op te eisen; zij verschijnen u in een verte die een grotere vrijmoedigheid toestaat en bovendien zijn zij op afstand misschien allebei concreter. Ook zijn eigen verleden kan men op afstand beminnen, als men zich niet alleen in de tijd maar ook in de ruimte verwijdert... zoals ik, ontvoerd, heen en weer geslingerd, onderworpen aan een ononderbroken proces van zich verwijderen en zich losscheuren, uitgehold, verteerd door een hartstochtelijke liefde voor wat zich juist van mij verwijderde. Argentinië - verleden of land? Een verleden dat een land is, een een land dat een verleden is.

donderdag 11 april 2019

Benedictus van Doninck • 12 april 1918

Benedictus van Doninck (1858-1940) was een Belgische priester en abt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij.

Donderdag 11 april 1918 (dag 1341)
Kanon hoorbaar.
Deze middag wandeling langs Grote Hei, Boskant om het fort. De Duitsers hadden de mensen terrein aan het fort aangeboden om patatten te planten, mits de helft der opbrengst. Men schijnt er echter vertrouwen in te hebben, op de helling (glacis) was nog geen spa of ploeg te zien. Drie soldaten kwamen uit het fort en trokken naar Puurs. Overigens geen levend wezend te zien.
Na de middag heviger kanongedommel westwaarts. Onzichtbare vliegers gehoord.
Patatten voor ons worden geplant in de Donk en .... voor het kapittel.
De "lere frak" heeft gisteren 2 graanmolekens aangeslagen, 1 kar patatten en 1 vat petrol. Een wijf dat zich heldhaftig tegen hem verzette en met een grote haarspeld te lijf ging, werd overmand en naar Puurs gebracht.
Een hondertal Belgen krijgsgevangenen van den IJzer te Dendermonde aangekomen moesten er enige tijd blijven, todat, zegde een Pruis, er een volle lading bijeen was. Dan zullen er van jullie eerst nog veel koud gemaakt worden, antwoordde er een! Onder de krijgsgevangenen bevond zich de zoon van koster Suykens van Bornem en de neef van de koster van Bornem. Ze mochten bezoek ontvangen van hun familie en vertelden dat zij aan 't front niets te kort hadden. Wel wisten dat er in België honger werd geleden, maar niet dat het zo erg was. Suykens, 3e jaar doctoor werd gevangen toen hij een gekwetste wegdroeg, en had nog de tijd om zijn portefeuille met brieven en zijn geld weg te gooien. Hij zou in 't kort zijn 4e en laatste examen voor doctoor hebben gemaakt, ware hij niet gevangen.

Vrijdag 12 april 1918 (dag 1342)
Het kanon is hoorbaar, maar minder dan gisteren.
Om 10 uur kwam een auto met Duitse officieren tot aan de abdij gereden en keerde dan om. In Tielrode zijn 500 jonge soldaten aangekomen van ’t front om te rusten.
Het nieuws dat de Duitsers blijven vorderingen maken naar Amiens en Calais, brengt heel wat consternatie onder ’t volk.

woensdag 10 april 2019

Susan Sontag • 11 april 1967

As Consciousness is Harnessed to Flesh bevat (dagboek)notities van schrijfster Susan Sontag (1933-2004) uit de periode 1964-1980-.

4/11/67
Cocteau says: Primitives make beautiful things because they've never seen any others. Analogous to what I did as a child. I started thinking using my mind, because I'd never seen anyone do it. I didn't think anyone had a mind except in the Pantheon (mostly dead, foreign) - Mme. Curie, Shakespeare, Mann, etc. Everyone else was like my mother, Rosie, Judith. If I'd known about the middle ground - all the intelligent, thoughtful, sensitive people, who knows? I might never have gone on + on + on with my mind. For partly I did that because I thought no one was taking care of that at all. The mind needed my help to survive.

dinsdag 9 april 2019

Patrick Lateur • 10 april 1998

Patrick Lateur (1949) is een Belgische dichter en classicus. Uit: Romeins dagboek.

Vrijdag 10 april
In de late middag loopt de Santa Prassede stilaan vol voor de viering van Goede Vrijdag. Mijn ogen dwalen langs het apsismozaïek waarop Paulus en Petrus minzaam hun armen leggen om de schouders van Praxedis en haar zus Pudentiana. Niet ver vandaan, op de andere flank van de Esquilinus, heeft Pudentiana haar eigen kerk met een mooier mozaïek, want uit de vijfde eeuw en nog door en door Romeins in de levendige portretten en het schitterende koloriet. Vierhonderd jaar later heeft de onwereldse stijl van de Byzantijnen hier in de Prassede zijn sporen nagelaten. Onwezenlijk staren de hiëratische zussen me vanuit een andere wereld aan. Zij zouden rusten in de crypte onder het altaar, maar jaren geleden heeft een archeoloog me daar met gedempte stem verzekerd dat in de sarcofagen alleen maar beenderen van dieren werden gevonden. [lees verder]

maandag 8 april 2019

Anoniem • 9 april 1889

• Sommige mensen schrijven dagboeken vol over hun eigen gedachten of belevenissen. Er zijn ook mensen die voornamelijk citaten van anderen noteren, bijvoorbeeld omdat ze die de moeite waard vinden om nog eens na te lezen. Het dagboekarchief heeft onlangs zo’n notitieboek vol citaten uit het eind van de 19e eeuw verworven. Bijzonder aan dit notitieboek is, dat de citaten vooral betrekking hebben op de positie van de vrouw. De teksten gaan veelal over de mogelijkheden voor vrouwen die ongehuwd bleven en een zelfstandig bestaan voor zichzelf moesten opbouwen. [Lees verder]

9 April 1889
Er zijn vrouwen, wier levensopvatting de grenzen van den huiselijken kring overschrijdt. En hoe kunnen wij van te voren weten of onze dochters gelegenheid zullen vinden haar roeping als echtgenooten en moeders te vervullen, en of zij niet zullen genoodzaakt worden een anderen weg in te slaan? Gelukkig dan zij, die in staat gesteld zijn dien weg te gaan en haar geluk kunnen zoeken in de beoefening van kunsten en wetenschappen wanneer de kroon der liefde haar is ontzegd! Zoo dit laatste geval het gevoelsleven ontwikkelt ten koste van den geest, dan zal er een ziekelijke zucht ontstaan om à tout prix een echtgenoot te krijgen, daar het meisje anders[?] niet tot haar bestemming kan geraken en haar leven zonder doel moet blijven. Deze gebrekkige intellectueele ontwikkeling is het geweest, die de vrouw van haar man afhankelijk maakt en waardoor zij met geringschatting door den man wordt behandeld.

zondag 7 april 2019

Charles Pooter • 8 april 1889

• Charles Pooter is de hoofdpersoon in het fictieve Diary of a nobody (1892), over de wederwaardigheden van een kantoorklerk, geschreven door George en Weedon Grossmith. Was destijds een zeer succesvol boek, en werd ook in het Nederlands vertaald.

April 8. No events of any importance,except that Gowing strongly recommended a new patent stylographic pen, which cost me nine-and-sixpence, and which was simply nine-and-sixpence thrown in the mud. It has caused me constant annoyance and irritability of temper. The ink oozes out of the top, making a mess on my hands, and once at the office when I was knocking the palm of my hand on the desk to jerk the ink down, Mr Perkupp, who had just entered, called out: 'Stop that knocking! I suppose that is you, Mr Pitt?' That young monkey, Pitt, took a malicious glee in responding quite loudly: 'No, sir; I beg pardon, it is Mr Pooter with his pen: it has been going on all morning.' To make matters worse, I saw Lupin laughing behind his desk. I thought it wiser to say nothing. I took the pen back to the shop and asked them if they would take it back, as it did not act. I did not expect the full price returned, but was willing to take half. The man said he could not do that - buying and selling were two different things. Lupin's conduct during the period he has been in Mr Perkupp's office has been most exemplary. My only fear is, it is too good to last.

August Strindberg • 7 april 1908

• Bief van de Zweedse schrijver August Strindberg (1849-1912) aan zijn echtgenote. Strindbergs (derde) huwelijk met de bijna dertig jaar jongere actrice Harriet Bosse (1878-1961) beleefde binnen een jaar zijn eerste crisis, en liep niet lang daarna op de klippen. Uit: Verslag van twee huwelijken. Brieven aan Siri von Essen en Harriet Bosse (vertaald door Stella Bromet).

April 1908
Het is nu zeven jaar geleden dat we trouwden! Waren dat de zeven vuren; gaan de zeven rozen met de witte duif nu bloeien? Waarom ‘ontmoeten’ we elkaar nu pas? Nu het te laat is?
Waarom gingen we meteen in het begin al uit elkaar?
Nu heb ik je ziel in een Japans doosje op mijn bureau. Daar liggen al je brieven in; een ring versierd met een groot aantal kleine ringetjes (eentje ontbreekt er); je bruidskroon en sluier; de gouden pen! Laat mij er nog meer mooie dingen mee schrijven! Lieveling! en twee lavendelkussentjes, een rode en een groene, uit Denemarken (1901), die aan elkaar vastzitten met een niet los te maken knoop.
De mooiste brieven zijn uit 1904 (toen we uit elkaar gingen). Ik lees er één waarin je mijn verzoek om een scheiding beantwoordt met een kreet van wanhoop om de kapotgemaakte liefde! Ik lees hem als een Jammerkreet naar de hemel, en ik schreeuw het uit van verdriet!
Mijn bruid! van zeven jaar geleden! En nu de bruid van een ander! maar toch niet werkelijk!
Kun Jij deze band verbreken? Kun Je dat? Ik niet!

PS Ik ‘ben van plan’ een boek te schrijven over de Kunst van het Toneelspelen. Wil Je me in dat geval de mooie portretten geven van Jou in Johannes? Nu? Dan mag Jij mooie boeken over moderne kunst lenen, die met het theater te maken hebben! die mag je van me lenen!

Robert Craft • 6 april 1971

Robert Craft (1923-2015) was een Amerikaanse dirigent, muziekwetenschapper en schrijver. Hij is vooral bekend geworden door zijn langdurige vriendschap met de componist Igor Stravinsky, die resulteerde in onder meer Igor Strawinsky. De kroniek van een vriendschap (vertaald door C.E. van Amerongen-van Straten).

6 april 1971
Terwijl een andere jonge arts en een nieuwe verpleegster naar de woonkamer verhuizen om een spelletje te kaarten (voordat ze zelf gaan slapen), ijsbeer ik door de gang en kijk elke twee minuten naar hem [Stravinsky], hopend en biddend om verandering in die vreselijke ademhaling. Maar die komt niet. [...] ik houd zijn hand een tijdlang vast en ga dan weer terug naar mijn kamer. Ditmaal zak ik weg totdat L. me wekt en zegt dat het einde nadert. Ik ren half verdwaasd naar hem toe en zie hem sterven – hij houdt eenvoudig op, zonder verzet.

De arts beluistert zijn borstkas met zijn stethoscoop, zegt dat hij niets hoort, verwijdert de naald van het infuus (met de fijngevoeligheid van een benzinepomphouder) en merkt op: ‘Gò, hij was zo maar weg.’ Als hij de kamer verlaat om Lax te bellen en het moment van overlijden op vijf uur twintig vast te stellen, maak ik V. [Stravinsky’s echtgenote Vera] wakker, maar kan haar niet meteen de waarheid zeggen: ‘Hij maakt het slecht... hij sterft, geloof ik... Nee... hij is dood.’ Dan ga ik terug naar I.S. en houd zijn handen vast, die nog warm zijn, kus zijn wangen en voorhoofd die nog koortsig aanvoelen, en ben er zeker van dat er nog even leven is in zijn ogen, en dat hij me even herkent. V. komt binnen, kust hem en verlaat huilend de kamer.

vrijdag 5 april 2019

Jan van Riebeeck • 5 April 1652

Jan van Riebeeck (1619–1677) was een Nederlands chirurgijn en koopman in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). In 1652 stichtte hij de eerste Europese handelspost in Zuid-Afrika. De nederzetting met Fort de Goede Hoop bij Kaap de Goede Hoop zou uitgroeien tot de Kaapkolonie en uiteindelijk tot de huidige Republiek Zuid-Afrika. Dagboek 1652.

Den 5 April 1652.
- Omtrent vijf glazen in den nademiddagwacht, zagen wij, Gode lof, het land van de Cabo de boa Esperança, namelijk den Tafelberg, O. en O. ten Zuiden, omtrent 15 à 16 mijlen van ons, zijnde van den Opperstuurman eerst gezien, die wij derhalven vier Spaansche Realen in specie, op het eerste gezigt van het land gezet zijnde, vereerden, en de vlaggen lieten waaijen, met een kanonschot, tot een teeken dat de Reiger en de Hoop, verre te loefwaart op wezende, zulks bekennen zouden.
‘In den nacht kwamen de schepen Reiger en Hoop digt bij den Dromedaris, en vroeg in den morgen van den 6 April wilde men naar de Tafelbaai stevenen, doch men oordeelde het raadzaam eerst te doen onderzoeken of er geene vijandelijke schepen op de reede waren, daar zij meenden dat Prins Robert alhier de retourvloot inwachtte1). Het verhaal, dat nu belangrijker begint te worden, luidt als volgt:’ Stil weder met weinig variabele koelte, en alzoo wij door deze dwarlwinden weinig konden avanceren, en vrij digt onder de wal waren, zonden de sloep, met den Boekhouder Adam Hulster en den Onderstuurman Arend van Seeveren, naar den staart van den Leeuwenberg, met order om den hoek van dien te gaan inspectie nemen, wat en hoe vele schepen op de reede in de Tafelbaai mogten leggen, hetwelk gevoeglijk konde geschieden, zonder zich eens met de sloep aan de aldaar bevindende schepen te vertoonen, opdat wij, na bekomene advertentie, ondertusschen daartegen ter defensie of offensie mogten prepareren.
Omtrent twee uren voor den avond wederom aan boord komende, rapporteerden, dat er geene schepen lagen, des wij lieten voorstaan, en, Gode lof, niettegenstaande gemelde stilte, nog met eene mooije Zuidelijke koeltjen (op het laatst krijgende), even na zons ondergang, nevens het jagt de Goede Hoop, in de Tafelbaai voor de Versche Rivier, op 5 vademen zandgrond wel en salvo ten anker kwamen, zijnde schipper Jan Hoogzaat met den Reiger, zeewaarts gehouden hebbende, buiten gebleven.

Gaven dezen avond nog order aan onzen schipper David de Konink, om morgen heel vroeg met een der sloepen nevens zes gearmeerde soldaten, behalve de roeijers, vooraf naar land te varen, om te zoeken of er geene brieven van eenige alhier aangewezene en vertrokkene schepen begraven waren, en met een wat groente te halen tot verversching, alzoo wij nu over de vierde halve maand in zee geweest zijn, zonder eenige ververschingsplaats te hebben aangedaan, waardoor het volk al vrij verouderd is; bevolen hen ook de zegen mede te nemen, om met eenen in der haast een trek of twee te doen, tot een versche soô.

donderdag 4 april 2019

Jiddu Krishnamurti • 4 april 1975

Jiddu Krishnamurti (1895-1986) was een Indiase spiritueel leraar. Op latere leeftijd publiceerde hij een boekje met dagboeknotities.

4 april 1975
[...] Als je het kontakt met de natuur verliest, verlies je het kontakt met de mensheid. Als er geen band is met de natuur wordje een moordenaar; je vermoordt dan zeehondjes, walvissen, dolfijnen en mensen uit winstbejag, als 'sport', om voedsel of om kennis. De natuur wordt dan bang voor je, trekt haar schoonheid terug. Je kunt lange boswandelingen maken of op prachtige plaatsen kamperen, maar je bent een moordenaar en verliest daardoor hun vriendschap. Waarschijnlijk heb je nergens een relatie mee, niet metje vrouw of je man; je hebt het veel te druk met winst en verlies, met je eigen privé-gedachten, genoegen en pijn. Je leeft in je eigen duistere isolement en ontsnappen eraan leidt tot nog grotere duisternis. Je bent geïnteresseerd in overleven op korte termijn; achteloos, gemakzuchtig of gewelddadig. Duizenden sterven van de honger of worden afgeslacht door jouw gebrek aan verantwoordelijkheid. Je laat het besturen van de wereld over aan leugenachtige en corrupte politici, de intellectuelen, de experts. Omdat je niet integer bent, bouw je een maatschappij op die immoreel is, oneerlijk, een maatschappij gebaseerd op louter eigen belang. En vervolgens ontvlucht je al deze dingen waarvoor jij alleen verantwoordelijk bent, naar stranden, naar bossen ofje loopt met een geweer rond voor de 'sport'. Misschien weet je dit allemaal, maar weten brengt geen transformatie inje teweeg. Pas als je dit gevoel van totaliteit hebt, zal je in relatie staan met het universum.

dinsdag 2 april 2019

Margaretha Ferguson • 3 april 1979

Margaretha Ferguson (1920-1992) was een Nederlandse 'Indische' schrijfster. Dagboeknotities van haar zijn gepubliceerd onder de titel Brief aan niemand.

• portret: Bep Rietveld

3 april 1979
Narcisme is eigenlijk een heel gecompliceerd fenomeen (terwijl ik dit schreef dacht ik hoe kan ik het hollandser uitdrukken? ingewikkeld verschijnsel? maar ingewikkeld is weer nèt iets anders dan gecompliceerd, gecompliceerd is verfijnder en beweeglijker, alsof de verschillende aspecten in zo'n verschijnsel op elkaar blijven inwerken terwijl ingewikkeld ook statisch kan zijn, misschien helemaal statisch is). Narcisme zoals ontstaat wanneer je geen hartstochtrelatie hebt, maar misschien ook als je wèl een hartstochtrelatie hebt, want volgens hedendaags fijn jezelf wezen meid moet je eerst van jezelf houden voor je van een ander kan houden. Dat is me toch wel te simplistisch. Wanneer iemand enige erotische aandacht voor me toont word ik zo in mijn narcisme gestreeld dat ik in staat kan raken tot erotische respons. Ben ik helemaal uit mezelf erotisch geïnteresseerd in een ander dan komt dat nooit tot enig gevoel omdat ik niet bereid ben tot ongelukkige liefdes.

Mary Huestis Pengilly • 2 april 1884

• De Amerikaanse Mary Huestis Pengilly bracht een aantal jaren (8?) van haar leven door in een inrichting voor geesteszieken. Na haar ontslag uit de inrichting publiceerde ze gedeelten uit haar tijdens haar opname bijgehouden dagboek onder de titel Diary Written in the Provincial Lunatic Asylum (1885), om aandacht te vragen voor de misstanden waar ze mee te maken had gehad.

April. — The friends of Miss Short have been here and taken her home, and word returned that she is better. I am thankful to think she is with her mother, and I do not see her so improperly treated; it made me feel wretched to think of her.

Poor Katy Dugan's friends came one day. I watched my chance and told one of them to let her mother know she was getting worse and was not well treated. I had many heart-aches for that girl; I scarcely know why. They must have seen she looked worse; her dress of flannel, trimmed with satin of the same color, which looked so nice when she came, was filthy with spots of gruel and milk they had been forcing her to eat. This day, I remember, was worse than common days of trouble. I had been excited by seeing one of the most inoffensive inmates pushed and spoken to very roughly, without having done any wrong. They attempted to comb that poor girl's hair; she will not submit, begs and cries to go down there. I go to the bath-room door to beg them to be gentle with her. Mrs. Mills slammed the door in my face. She is vexed at any expression of sympathy. Again I hear that pitiful cry, and I go up the hall to see what the trouble is. They had taken her in a room to hold her on the floor, by those heavy, strong nurses sitting on her arms and feet, while they force her to eat. I return, for I can't endure the sight. I met Mrs. Mills, with a large spoon, going to stuff her as she did me. (I was not dyspeptic; I had fasted and would have eaten if they had given me milk, as I requested.) She was angry at me again; she ordered me to my room, and threatened to lock me in. What have I done to merit such treatment? How can I endure this any longer!

zondag 31 maart 2019

Friedrich Hebbel • 1 april 1859

Friedrich Hebbel (1813-1863) was een Duitse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands verschenen als Een blinde bij zonsopgang.

1 april [1859]
Vanavond wandelde ik in de schemering langs het Israëlitische doofstommeninstituut en zag hoe er een schare spelende kinderen voor het raam stond die gebruik makend van de gebarentaal elkaar fopten of grapjes vertelden.
Ouders die hun tweede kind niet mogen verwekken omdat hun eerste dan zou sterven.

De boer voelt niet dat de hersens van Shakespeare hem ontbreken, maar Shakespeare wel dat hij het ruggemerg van de boer mist.

Een groot aantal boeken lees je met het gevoel alsof je de auteur een aalmoes toestopt.

De jongeling eist van de dag dat hij iets oplevert, de man is allang tevreden als hij hem maar niets afpakt.

De ellestok houdt precies het midden tussen een scepter en de bedelstaf. Dat wil zeggen: voor een kramer.

Ideeën hebben in het drama dezelfde functie als het contrapunt in de muziek: op zichzelf betekenen ze niets, maar toch vormen ze een eerste voorwaarde voor het geheel.

zaterdag 30 maart 2019

Nico Rost • 31 maart 1945

Nico Rost (1896–1967) was een Nederlands schrijver, vertaler en journalist. Door zijn verzetswerk in de oorlog kwam hij in Dachau terecht. Het (beroemde) dagboek dat hij daar bijhield is gepubliceerd als Goethe in Dachau.

30 Maart
In het bed, waarin Bernard een paar dagen geleden stierf, ligt sinds gisteren een oude Spanjaard met grijs haar. Niemand kent hem, niemand weet iets naders van hem.
Ali, de Poolsche chirurg heeft gisteren zijn rechterbeen geamputeerd.
Den heelen nacht hoorde ik hem kermen en roepen: Madré - madré - madré, en moest daarbij weer aan een nacht in Madrid denken, toen de Duitschers de stad bombardeerden, en de gewonden in het ziekenhuis, vlak naast mijn hotel, ook zoo om hun moeder riepen: Madré - madré - madré.

31 Maart
Had vanmiddag 38,6.
Krijg ik nu toch vlektyphus?
Ik heb geen luizen bij me gevonden, en me vandaag weer driemaal gepoederd.

's Avonds
Bij Drost geweest. Het kan vlektyphus zijn, meent hij, maar kon nog niets met zekerheid zeggen.
Als - als ik het heb, kom ik op blok 3 te liggen, bij Arthur, en Drost zal me dan dadelijk reconvalescenten-serum geven.
Ik wil - wanneer het zoover is - rustig en bewust de koorts afwachten, en steeds de gedachten aan doodgaan weren.
Ik wil de overwinning meemaken, verder leven - en verder vechten.

A.H. Wertheim-Gijse Weenink • 30 maart 1945

A.H. Wertheim-Gijse Weenink (1903-1988). De Jodenhan. Lotgevallen van de Joden op Java onder de Japanse bezetting, 1942-1945.

25 Maart 1945
Eerst kilometers lopen met alle draagbare bagage naar het station, en dan weer de godganse dag in die snikhete trein. Gelukkig zijn in onze wagon (4de klas, twee lange banken overlangs) een paar luiken stuk, dus we kunnen uitkijken. We rijden zowaar langs het Tjidengkamp, zien de vrouwen en kinderen in de verte. Met donker pas in Batavia. Op open vrachtauto's over de zo bekende wegen. Even iets van de vrijheid gezien. - Aankomst in Adek, een koelieloods. Bij de ingang langdurige inspektie van de tassen. Hugo diepongelukkig, dat ze zijn nijptang inpikken. - Wie komen ons daar in Adek weer tegemoet? Waarachtig weer oude bekenden uit Kramat. Die hebben intussen ook alweer een ander kamp meegemaakt. Enkele dagen na ons vertrek naar Tangerang zijn ook zij afgevoerd. Ons wordt in Han III - de Jodenhan - een stukje plankier toegewezen. In Han IV zitten grotendeels Irakkers en ook ‘gewone’ Joden. Han III en IV zijn dus de Jodenhans. Onze leefruimte is hier veel kleiner, maar 50 cm per persoon en dan in een hoek. Gesjouw met koffers en bultzakken. Een ongelooflijk gescharrel in ons hoekje.

30 Maart 1945
't Is hier niet zo somber als in Tangerang; geen bovenverdieping vlak boven ons hoofd, maar wel veel heter en benauwder. Het is een kleine zaal met maar 45 mensen. Weer allemaal anderen. Ik mis tante Stien met haar scherpe oogjes en rake opmerkingen.

April 1945
De scheiding tussen de Joodse en niet-Joodse hans is hier effectiever.

4 April 1945
Gerucht: de niet-Joden zullen weggaan, de Joden blijven. - De honger wordt nijpend; practisch iedereen heeft oedeem of pellagra-vlekken.

15 April 1945
We vervuilen totaal, want er is telkens geen water om te wassen. De renteng is onbeschrijfelijk smerig. De douches lopen niet. Mijn dikke enkels en benen doen me pijn met lopen. Maar dat heeft iedereen, en je moet toch corvee doen natuurlijk, anders vervuilen we helemaal. Dr. Damen gevraagd, wat het is. Hij antwoordt woordelijk: ‘Het is een medisch wonder, dat jullie nog leven op 700 calorieën, en dan met al dat werk. Natuurlijk treden deficienties op, dat kan niet anders. U moet zo langzaam mogelijk werken; uw levenstempo is te snel.’

donderdag 28 maart 2019

John Gabriël Stedman • 29 maart 1776

• John Gabriël Stedamn (1744-1797) was een Schots-Nederlandse officier in de Schotse Brigade van het Nederlandse leger. Hij hielp bij het onderdrukken van een slavenopstand in Suriname. Hij werd verliefd op een slavin, en probeerde haar vrij te kopen. Over zijn ervaringen schreef hij het invloedrijke boek Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana. Hierin bekommerde hij zich openlijk om de rechten van de tot slaafgemaakten, met name om de vraag of zij als mens behandeld moesten worden.

De 26ste voorkwam ik dat een arme negerin tweehonderd zweepslagen zou krijgen voor het breken van porseleinen theegoed door haar eigenaar de schade hiervan te vergoeden. Diezelfde dag werd een andere negerin doodgestoken door een Fransman die daar zoveel berouw over kreeg dat hij zichzelf de keel doorsneed. Ik bezocht ook nog de arme neger van wie een been was afgezet en maakte me toen gereed om voor de tweede keer het bevel te gaan voeren op De Hoop aan de Commewijnerivier tijdens wat mijn zesde expeditie zou worden. Terwijl ik met de voorbereidingen hiervoor bezig was, meldden zich zes negerslaven met geschenken bij mij, gestuurd door mijn vrienden en bepakt met het beste wat Guyana voortbrengt.

27 maart 1776. Adieu Paramaribo. Voor de zoveelste keer verliet ik Paramaribo, mijn Joanna en mijn jongen! Vlak voordat ik vertrok was ik bij mijnheer d'Hallberg, die ons probeerde over te halen om nog een paar dagen te blijven om zijn zilveren bruiloft te vieren. Toen hij dat vroeg werd hij overigens opeens heftig gebeten door een grote leguaan. We konden helaas niet blijven en gingen met een tentboot op weg naar De Hoop. In de avond kwamen we aan bij plantage Sporksgift in Matapica. Kapitein MacNeyl ontving ons daar twee dagen zeer gastvrij. Ik sliep in mijn hangmat in een loods met groene koffiebonen die er lagen te drogen. Toen ik ging slapen wist ik nog niet dat dat zeer kwalijk voor de gezondheid kon zijn, maar toen ik wakker werd wist ik dat wel, want ik viel bijna flauw van de dampen die van de bonen afkwamen.

De 29ste kwamen we in de avond aan op plantage Gold-mine. Ik zag hier een negerjongen en een negermeisje die zodanig met hun armen achter hun rug gebonden aan een balk waren gehangen dat hun schouders half uit de kom hingen. Ik sneed ze direct los en zwoer de opzichter die deze nieuwe martelmethode had bedacht te molesteren als hij ze niet meteen vergaf voor wat ze hadden gedaan. Dat deed hij tot mijn verwondering direct.

woensdag 27 maart 2019

Søren Kierkegaard • 28 maart 1836

Søren Kierkegaard (1813-1855) was een Deense filosoof. Dagboeken (vertaald door Cora Polet).

maart
Alle menselijk leven zou opgevat kunnen worden als één grote conversatie, waarin de afzonderlijke mensen de afzonderlijke bestanddelen van de taal vertegenwoordigen (misschien is dit beeld over te brengen op de naties in hun relatie tot elkaar). Hoeveel mensen zijn niet meer dan adjectieven, tussenwerpsels, conjuncties (adverbia), hoe weinigen substantieven, hoofdwerkwoorden, hoevelen koppelwoorden.
Het is met mensen in relatie tot elkaar als met de onregelmatige werkwoorden in de diverse talen, bijna alle werkwoorden zijn onregelmatig.

dinsdag 26 maart 2019

Gustave Flaubert • 27 maart 1875

• De Franse schrijver Gustave Flaubert (1821-1880) en zijn landgenote George Sand (1804-1876) schreven elkaar vele brieven. Hieronder een fragment uit een ervan. Uit Wij moeten lachen en huilen (vertaald door Edu Borger).

Parijs, 27 maart 1875
Wat moet ik over mijzelf vertellen? Ik ben niet in topvorm. Ik heb... ik weet niet wat. De broomkalium heeft me gekalmeerd en me eczeem op mijn voorhoofd bezorgd. Er vinden abnormale dingen in mijn persoon plaats. Mijn psychische uitputting moet een of andere verborgen oorzaak hebben. Ik voel me oud, versleten en overal ziek van. En andere mensen vervelen me even erg als ik mezelf.
Niettemin ben ik aan het werk, maar zonder geestdrift, zoals je strafwerk maakt, en misschien ben ik wel ziek van het werken, want ik ben aan een onzinnig boek begonnen.
U raadt me in een van uw laatste brieven aan de oude Hugo geregeld op te zoeken! Welnu! de laatste keer dat ik hem zag heeft hij me diep ongelukkig gemaakt. De onzin die hij over Goethe verkocht is onvoorstelbaar; hij geloofde bij voorbeeld dat hij Het kamp van Wallenstein heeft geschreven en schreef de Wahlverwantschaften aan Ancillon toe! Hij had nog nooit van Prometheus gehoord en vond Faust een zwak stuk! Dat bezoek heeft me letterlijk ziek gemaakt!
Als de Sterken zo zijn, hoe moet het dan met de anderen gesteld zijn! waar kan men nog geestdriftig over worden?
Daarom verlies ik me als een oude man in mijn jeugdherinneringen. Ik verwacht niets meer van het leven dan een reeks vellen papier om met inkt vol te kladden. Het lijkt of ik door een woestenij zonder einde reis en ik weet niet waarheen. En ik zelf ben tegelijkertijd de woestijn, de reiziger en de kameel!

maandag 25 maart 2019

Henrik Ibsen • 26 maart 1878

• Uit een brief van de grote Noorse schrijver Henrik Ibsen (1828-1906) aan Laura Kieler-Petersen, die haar financiële problemen wilde oplossen met de publicatie van een roman. Na Ibsens harde oordeel verbrandde ze het manuscript; later werd ze opgenomen in een inrichting. Elementen van ‘de zaak-Kieler’ zouden terugkomen in Ibsens toneelstuk Een poppenhuis.Uit: De zomer beschrijf je het best op een winterdag (vertaald door Suze van der Poll en Rob van der Zalm).

München, 26 maart 1878
Er kan absoluut geen sprake van zijn dat ik het mij toegestuurde manuscript Ultima Thule bij Hegel aanbeveel. In de kleinsteedse Deense gemeenschap zou u onmogelijk anoniem kunnen blijven, en bovendien zou u door een dergelijk, in alle opzichten mislukt haastwerk voor heel lange tijd, en volkomen terecht, uw literaire naam en goodwill kunnen verspelen. In de beschrijvingen ontbreekt elk spoor van waarschijnlijkheid of realiteitszin, het is totaal ongeloofwaardig. Dat u zoiets opschrijft kan ik me nog voorstellen, maar dat uw man zich niet pertinent heeft verzet tegen de publicatie van iets wat nog helemaal niet af is, is voor mij onbegrijpelijk. Hij zou het toch als zijn plicht moeten voelen om te waken over uw talent. En dat doet hij natuurlijk ook. Het kan haast niet anders of hij maant u om rustig en goed voorbereid te werk te gaan en om alleen te beginnen wanneer uw plannen uitgekristalliseerd zijn. Dan hebt u uzelf benadeeld door niet naar hem te luisteren. U schrijft in uw brief dat de omstandigheden u hebben gedwongen tot dit geforceerde werk. Dat begrijp ik niet. In een gezin waarvan de man in leven is, zou het nooit zo mogen zijn dat de vrouw des huizes, u in dit geval, genoodzaakt wordt haar hartenbloed af te tappen. Ik begrijp ook niet hoe iemand dat kan laten gebeuren. Er moet iets zijn wat u verzwijgt in uw brief en wat de zaak in een geheel ander daglicht zet.

zondag 24 maart 2019

Joseph Banks • 25 maart 1789

Joseph Banks (1743-1820) was een Engelse natuuronderzoeker en botanicus. Hij maakte deel uit van de eerste expeditie (1768-1771) van James Cook, en hield van die reis een dagboek bij.

1769 March 25.
Wind continued much the same but more moderate, few or no birds were about the ship but some sea weed was seen by some of the people, only one bed.

This even one of our marines threw himself overboard and was not miss'd till it was much too late even to attempt to recover him. He was a very young man scarce 21 years of age, remarkably quiet and industrious, and to make his exit the more melancholy was drove to the rash resolution by an accident so trifling that it must appear incredible to every body who is not well accquainted with the powerfull effects that shame can work upon young minds.

This day at noon he was sentry at the Cabbin door and while he was on that duty one of the Capts servants being calld away in a hurry left a peice of seal skin in his charge, which it seems he was going to cut up to make tobacco pouches some of which he had promisd to several of the men; the poor young fellow it seems had several times askd him for one, and when refus'd had told him that since he refusd him so trifling a thing he would if he could steal one from him, this he put in practise as soon as the skin was given into his charge and was of course found out immediately as the other returnd, who was angry and took the peice he had cut off from him but declard he would not complain to the officers for so trifling a cause.

In the mean time the fact came to the ears of his fellow soldiers, who stood up for the honour of their Core 13 in number so highly that before night, for this hapned at noon, they drove the young fellow almost mad by representing his crime in the blackest coulours as a breach of trust of the worst consequence: a theft committed by a sentry upon duty they made him think an inexcusable crime, especialy when the thing stole was given into his charge: the Sargeant particularly declard that if the person acgreivd would not complain he would, for people should not suffer scandal from the ill behaviour of one. This affected the young fellow much, he went to his hammock, soon after the Sargeant went to him calld him and told him to follow him upon deck. He got up and slipping the Sargeant went forward, it was dusk and the people thought he was gone to the head and were not convincd that he was gone over till half an hour after it hapned.

Koos van Zomeren • 24 maart 2004

• Een moord met feodale trekjes en het Waaldorp Herwijnen, het dorp van zijn jeugd, staan centraal in Nog in morgens gemeten, een dagboek over het jaar 2004 van schrijver Koos van Zomeren (1946).

24 maart 2004 Op zondagmorgen verzamelden mannen die niet naar de kerk hoefden, zich bij de Peilschaal, dat zachtgeel gesausde en door een palissade omgeven gebouwtje waar de waterhoogten elke ochtend werden afgelezen door "Willemke Kruis, de machinist van het Herwijnse dieselgemaal. Dan zetten ze hun pet nog eens goed. Dan staken ze hun handen diep in bun zakken en dan kauwden ze nog eens wat op hun tabakspruim en dan bespraken ze wat ze elke: week bespraken. En als er toevallig iets of iemand over de dijk voorbijkwam, wel, dan zeiden ze daar wat van. Je kunt niet zeggen dat deze mannen gelukkig waren. Je kunt evenmin zeggen dat ze niet gelukkig waren.
In Het visconcert schrijft Halldór Laxness ergens: ‘Ik-kan zweren dat ik in mijn jeugd nooit het woord “geluk” heb gehoord, behalve uit de mond van een krankzinnige vrouw.’
Dat was op IJsland. Dat had net zo goed op Herwijnen kunnen zijn. Geluk was er gewoon geen categorie, niet in het spreken en niet in het denken. Tante zei weleens, of vaak eigenlijk, dat ze het goed hadden. Ze hadden elektriciteit gekregen, ze hadden waterleiding gekregen en ze hadden een ouderdomspensioen gekregen – ja, nu zou je zeggen dat het slechts een kwestie van tijd was of ook het geluk zou, waar dan ook vandaan, Herwijnen bereiken. Maar voorlopig behielpen ze zich hiermee: we hebben het goed.

Catharina Schrader • 23 maart 1701

Catharina Schrader (1656-1746) was een Friese vroedvrouw, die bijna 50 jaar haar vak uitoefende. Ze hield een journaal bij waarin ze de bevallingen beschreef.

1701 den 23 dito ben gehalt bij Liwe backer sin wiff Hicke. War Sackie bij har. Vondt het kyndt legen met sijn buckie [buik] vor de geborte, met beyde hanties [handjes] uyt de geborte. Lag ser ingedronge. Hade grotte muytte eer ick de votties [voetjes] kreg. Strickt dar een band om don ick har op het hofft haede. Sette har don wer op har platz, hallde don de votties nae mij, don gleden de hantties vanselfs weg. Mar don ick qwam war het kynt all dodt. De naegebortte sat ook vast. Het war een ser sware gebortte. Godt beware mij vor sullcke schrickliche vorvallen.

1701 den 20 april is hyr een jufferauw van Gullick Staedt gekomen, segende datze de seckretaris van de koninck van Denemarken sijn vrauw war. Hebe har een son gehalt. Ick hebe het ten dop gehauwden en is Jackop geheten.

donderdag 21 maart 2019

Beatrice de Graaf • 22 maart 2013

Beatrice de Graaf (1976) is hoogleraar geschiedenis. In 2013 hield ze voor De jonge akademie een weekdagboek bij. Op 22 maart hield ze haar oratie.

Vrijdag
Het uur u is aangebroken. Kind 1 naar school, kind 2 alvast gemasseerd dat ze vanavond een filmpje mag kijken en een pizza met de oppas mag bestellen (‘die komt op een scooter!’), om de pijn weg te nemen dat de oudste zus wel mag naar de oratie. De baby wordt nog even uitgebreid gevoed en geknuffeld, want die zie ik verder vandaag ook niet meer.
De toga en de baret hangen klaar, een extra panty in mijn tas, nog even naar de stad fietsen om cadeaus voor mijn onmisbare assistentes en ceremoniemeester, alsmede voor de pedel te kopen, en dan ben ik er klaar voor. Mijn hoogzwangere vriendin uit Brussel is gearriveerd, zij zal samen met een andere, even hoogzwangere vriendin, vanavond een stukje muziek spelen tijdens het diner. Ik heb voor vriendin 1 de Frans-Nederlandse bruiloft in Brussel mogen begeleiden als ceremoniemeester, voor vriendin 2 heb ik haar bruiloft met een fagot luister bij gezet, dus we houden elkaar fijn bezig. Ze hebben precies hetzelfde zwangerschapsjurkje aan, met eendere, prachtige, buik, dus het is net alsof ze altijd zo optreden.

In Leiden is het ijs- en ijskoud. En met de zenuwen erbij doe ik niets anders dan klappertanden. Gelukkig mogen we ons in een zijkamertje voorbereiden op het Grote Moment. Mijn ouders komen erbij, dochter 1 is helemaal opgewonden en ligt in een deuk omdat mama erbij loopt als de dominee. Als ik nog even mijn handen ga wassen staat het academiegebouw al vol met mensen, inclusief onze echte dominee. Mijn assistenten hebben een lijst met foto’s van prominenten die op de voorste rij moeten worden gezet, en een lijstje met personen die er niet in mogen, omdat ze bij ons centrum als stalkers bekend staan. Ik moet het van me af zetten, maar eventjes maak ik me nog zorgen of de lijsten niet per ongeluk verwisseld worden en het hoofd van de veiligheidsdienst naast onze stalker-van-dienst komt te zitten. Maar het valt mee. De nationale coördinator terrorisme-en veiligheid zit aan de ene kant naast de directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, en aan de andere kant naast mijn tante Tineke.

Om vier uur word ik opgehaald door mijn directeur, Edwin Bakker en collega hoogleraar Jaap de Hoop Scheffer. Het is wel een erg aardig gebruik in Leiden dat de kersverse hoogleraar eerst wordt toegesproken door de rector, in aanwezigheid van het cortège, voordat de oratie in de aula begint. Dat breekt het ijs en geeft een persoonlijke noot. Maar de zenuwen zijn niet meer in te tomen, ik moet mijn best doen om niet te gaan klappertanden. De nieuwe rector, Carel Stolker, heeft een heel mooi, gedetailleerd verhaal. En dan is het zover. We lopen onder orgelbegeleiding met de hele stoet hoogleraren en wat naaste collega’s de aula in, en ik neem plaats op het spreekgestoelte. Wat een ervaring, om zoveel mensen te zien zitten die ik allemaal ken, en die allemaal zijn gekomen om te luisteren naar mijn verhaal. Ik moet me goed vasthouden om niet duizelig te worden. Maar een paar gezichten springen eruit en lachen me toe. En dochterlief op de eerste rij laat haar hele rol snoepjes vallen en kijkt schuldbewust omhoog. Nu begint het. Het wetenschappelijke verhaal over herkenning en registratie van personen van de vroegmoderne tijd tot het heden eindigt met een persoonlijke noot over de subjectieve betekenis van namen en naamgeving (in tegenstelling tot de objectiverende, veiligheidstechnische). Ik eindig met een gedicht van Neeltje Maria Min dat uitdrukt waar het echt om gaat, op deze dag, in het leven:
Mijn moeder is mijn naam vergeten,
mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.
Voor de hele oratie zie: https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/20648/Oratie%20de%20Graaf%20B.pdf?sequence=2
En dan is het alweer gebeurd: “Ik heb gezegd”. De lezing ging als een roes voorbij, het handen schudden ook. Drie uur later kan ik nauwelijks meer op mijn nieuwe hakken staan. Alles ging goed. De Griekse jazzband zorgde voor sfeer, de stalkers zijn niet op komen dagen, mijn dochter vond het geweldig en is inmiddels met de buren mee naar huis. Alle vrienden en familie waren er, en ook de collega’s hebben zich volgens mij goed vermaakt.

Voor het diner gaan we met een grote groep naar het Prentenkabinet. Ook daar pakt de tafelschikking goed uit en wordt het een gezellig geroezemoes. Greetje en Agnes spelen de sterren van de hemel. De toespraakjes zijn kort en krachtig, de vice-rector Simone Buitendijk houdt een vlammend pleidooi voor minder ‘middelbare blanke mannen’ en meer vrouwen in de wetenschap. Hear, hear. De speech van manlief is de allerleukste. Ik kan het met niet eens meer goed allemaal herinneren, daarvoor moet ik eerst de foto’s nog eens terugzien van de dag. Maar aan elke tafel zitten er leuke mensen en worden er geanimeerde gesprekken gevoerd, over BMW’s, terroristen, baby’s, Duitsland of mensenrechten. Bij iedereen zou ik wel even aan willen schuiven. We eindigen na het diner nog in een barretje, ergens aan het Rapenburg, met de jongere garde collega’s. Ceremoniemeester Liesbeth is terecht apetrots. Wat een prestatie heeft ze afgeleverd, er is niets, maar dan ook helemaal niets verkeerd gegaan, en alles liep gesmeerd. Om twee uur zijn we thuis, waar we nog net wat uurtjes slaap kunnen pakken voordat de baby om 6:15 zijn aandacht weer zal opvragen. Opgelucht en vooral innig dankbaar vallen we in slaap.

woensdag 20 maart 2019

Josep Pla • 21 maart 1919

• De journalen van de Catalaanse schrijver Josep Pla i Casadevall (1897-1981) omvatten zo’n 30.000 bladzijden vol dagboekaantekeningen, reisimpressies, invallen en literaire portretten. Het grijze schrift (vertaald door Adri Boon) bestrijkt de jaren 1918-1920, voordat de jonge Pla als dagbladcorrespondent naar Parijs vertrok.

21 maart 1919
In dit land [Spanje] hebben wij een heel rare gewoonte. Wanneer twee personen elkaar op straat tegen het lijf lopen hebben zij elkaar nauwelijks iets te zeggen. Maar eenmaal afscheid genomen komt ons na zeven of acht passen te hebben gedaan een reeks dingen in gedachten waar we degene die we zojuist hebben verlaten dringend van op de hoogte willen stellen. Dan richten we hard schreeuwend, met aanzienlijke stemverheffing, het woord tot hem, daarbij omstandig met de armen zwaaiend. De ander antwoordt ons logischerwijs door ook te schreeuwen en met dezelfde heftigheid te zwaaien. Daar we ondertussen onze weg vervolgen en we dus steeds verder van onze gesprekspartner verwijderd raken, ontaardt de conversatie in een vreselijk geblèr. Ten slotte is de afstand zo groot dat het praktisch onmogelijk is nog iets te verstaan. Dan zegt men met enorme krachtsinspanning: ‘Nou goed, we praten er nog wel over...
De ander antwoordt als een bezetene: ‘Ja, ja, we praten er nog wel over...’
En als we elkaar dan weer ontmoeten, hebben we niets te zeggen.

dinsdag 19 maart 2019

Geerten Meijsing -- 20 maart 1978

Geerten Meijsing (1950), hier schrijvend onder het pseudoniem Joyce & Co, woont sinds 1979 in Italië. Zijn Venetiaanse brieven en Calabrese dagboeken geven “onontbeerlijke informatie over de interessewereld van een schrijver, die in zijn intieme geschriften veel prijsgeeft van zijn vorming als kunstenaar en zijn opvattingen als platonische demiurg” (zijnde een ‘wereldbouwer’ ofwel een ‘tussenpersoon tussen de godheid en de lagere sferen’).

Venetië, 20 maart 1978
Allemaal voorspelbaar! Het kamermeisje dat mijn bed opmaakt is heel erg mooi (zwart haar, blauwe ogen, blanke huid), heeft een jongensfiguur (bijna platte borst, brede schouders, smalle beweeglijke heupen, géén wespetaille, en een sublieme kont) en heet Gilda! Omdat ik erop sta te ontbijten voordat ik mijn tanden poets en de deur uitga, zit ik ’s ochtends in de keuken van de oude mevrouw die het hotel drijft te wachten tot Gilda van de dichtstbijzijnde bar een dienblad met een kop capuccino en twee pezzi heeft gehaald. De koffie is koud als ze arriveert; op mijn verzoek warmt ze het geheel weer op in een pannetje op het eigen fornuis, waar ze met haar heupen tegenaan geleund staat, gestadig naar mij achterom kijkend, tot de inhoud is overgekookt. De volgende keren neem ik een flink glas spumante bij het ontbijt; daar kan alleen de prik uitgaan, en ik vind het idee niet onaangenaam dat Gilda daarvan elke keer een slok genomen heeft, ‘om niet over de rand te knoeien’. Ik kus haar via dit glas, ik drink dolce. Zij is overigens goed vertrouwd met de weinige intieme bagage die ik bij me heb. Als ik terugkom op mijn kamer, om na een dag in de boeken te zoeken wat ik in ’t echt niet vinden kan, zijn al mijn aantekenschriftjes, foto’s, brieven en boeken op geheel nieuwe wijze gesorteerd; de bovenliggende foto van U op mijn nachtkastje is verwisseld met die van een ander meisje; mijn Chanel vervliegt dubbel zo snel, en niet alleen van mijn wangen.

maandag 18 maart 2019

Willem Pijper -- 19 maart 1921

Willem Pijper (1894-1947) was een Nederlandse componist die ook recensies schreef, voor onder meer het Utrechts Dagblad.

Kerkconcert Petri-Kloos
19 maart 1921 (UD)
Remonstrantse kerk
Willem Petri (orgel) en Max Kloos (zang)
Werken van Bach, Gulbins, e.a.

Ik hoorde Max Kloos voor de eerste maal. Max Kloos schijnt bezig te zijn zich een naam te veroveren en het speet mij steeds dat ik hem niet te horen kon krijgen. Ook thans mag ik hem nog niet definitief kritiseren op een paar liederen van Bach en een aria uit de Matthäus-Passion, met orgelbegeleiding. Ik kan naar aanleiding hiervan nog pas vier of vijf mooie, sappige tonen signaleren, plus een waarschijnlijk wat ongedifferentieerd temperament, plus een vrij onvolmaakte consonantvorming (‘o Noth’, driemaal - de eerste keer met een accent circonflexe, dan met een accent grave, dan met een accent aigu en een doffer staartje. Kloos wist best dat hij knoeide, want in het tweede coupletje was het op dezelfde plaats in orde!). Een Bach-zanger: sterk, fantastisch, helder, hartstochtelijk en geresigneerd, toonde hij zich nog niet. Het was meer een prekende dan een verkondigende Bach en het was nogal eens zalvend ook. Zalvend gaat men een ernstige muziek spelen of zingen als men er geen weg meer mee weet (of: nog niet mee weet). Ik vermoed dus dat de heer Kloos zich psychisch nog geducht zal moeten ontwikkelen voor wij meer in hem zullen kunnen zien dan een veelbelovend zanger. Zijn wezen lijkt me op het ogenblik ook nog meer dat van een zoeker naar de expressie dan van een doorgloeid vinder der scheppingen. Wat voorzichtig, wat esthetisch. Nog niet rücksichtslos, doelbewust, gehallucineerd - en dan meeslepend.

Van Petri hoorde ik slechts opus 58 van Max Gulbins ‘Für die Passionszeit’: één gefigureerd koraal met een moorddadig ritme (trochaius), één ‘modern’ geharmoniseerde reeks opmaten, buitengewoon onsamenhangend (Karg-Elert), één herinnering aan Brahms' Es ist ein Ros' entsprungen. Bruikbare orgelmuziek.

zondag 17 maart 2019

Jacob Segersz van der Brugge -- 18 maart 1634

• Jacob Segersz van der Brugge (?-?), bevelhebber eener expeditie van 7 matrozen, die door de Noorsche compagnie naar Groenland gezonden, daar van 30 Aug. 1633 tot 27 Mei 1634, gedurende 9 maanden min 5 dagen, overwinterde om na te gaan, of in die streken eenig voordeel voor de Compagnie te behalen viel. De bevelhebber gaf van deze overwintering een eenvoudig en trouw verhaal, aan de bewindhebbers zijner Compagnie opgedragen, en getiteld: Journael of dagh-register gehouden by Seven Matroosen in haer overwinteren op Spitsbergen in Maurits-Bay (Amst. c. 1660).

[15 Maert 1634]
[...] In den avont was ick een groot stuk achter ons Tent twee Rheenen [rendieren] siende, daer wy jacht op maekten, ende den Hondt lieten na loopen; doch also sy met den Hond bergewaert op ende den ijsberch, overliepen, mede den avont op de hand sijnde, keerden wy sonder den Hondt ofte de Rheenen langer na te loopen. [...] op ’t eerste quartier verhief sich den Wind met veel jacht-sneeu, soo dat ick vreesden, dat de Hond niet te recht raken en soude.

[17 Maert 1634]
Den 17 dito, weer ende wint als voren, so dat het niet mogelijck en was om na den Hond te gaen soecken, voor dat het weder sich wat getempert aen stelt.

[18 Maert 1634]
Den 18. dito, het weer ende windt als voren. In de morghen-stont quam weder een beer aen den laest gedooden Beer op de Bahy eten, daer wy nae toe zijn ghegaen, die soo haest hy ons vernam vluchtich werde: wy schoten dagelijcks veel Vossen tot verversinge van ons Kock, om die voor het Scheur-buyck te eten: de Vossen gevilt zijnde, laten wyse 2 of drie daghen in de wint vervriesen, alsdan gekookt ten deele met pruymen ende rozijnen; sommige hebben wy ghestooft met Peper ende Azijn in een Panne.

[22 Maert 1634]
[...] In de voor-avondt is den Hondt na dat hy acht Etmael van ons, ende in’t Geberchte geweest was, weder aen ons Tent ghekomen, daer over wy verblijdt waren; welcken Hond so mager was dat het deselve niet en gheleeck. Aen den Oever waren wy 14. of 16. beeren by den anderen siende, die te met groot gevecht hadden.

Luuk Gruwez -- 17 maart 1996

Luuk Gruwez (1953) is een Vlaamse schrijver. In Het land van de wangen kijkt hij terug op episodes uit zijn leven. Het hart van het boek vormen de dagboeknotities die hij enige jaren bijhield naar aanleiding van zijn bezoeken aan zijn steeds verder aftakelende grootouders.

Deerlijk, 17 maart 1996
Ieper, omstreeks 1915. Hier heeft Knor de eerste stille film gezien, in de openlucht. Hier heeft hij de eerste auto gezien en daarvoor zelfs de eerste fiets: ‘een tuig des duivels’, volgens de pastoor. Als knaapje had Knor glazen benen voor politieagenten. Hun kantoor was in de Lakenhallen gevestigd. Als daar een agent buiten stond, liep hij er in een wijde boog omheen en hij zocht bescherming in de rokken van zijn moeder, die hij aanbad. Ik begrijp dat ontzag en die angst voor uniformdragers. In elke man herken ik de beul. En ook ik dicht de redding aan vrouwen toe. Zelfs onder dit dak heb ik dat altijd gedaan: bij Liesje. Ik moet tot mijn zeer grote spijt vaststellen dat mannen, vooral mannen in mijn leven mijn idolen zijn geweest. Een enkele keer waren zij ook onderwerp van mijn haat. Er is nauwelijks één vrouw die mijn idool is geweest, maar van vrouwen heb ik altijd gehouden. Ik verwelkom in hen de betere helft van de mensheid. Zoals mijn grootvader hier elke dag zit te sidderen voor zijn nakende einde, kan het niet anders of hij stelt zich ook de dood in uniform voor. Knor en ik: allebei zijn wij bange jongetjes gebleven.

zaterdag 16 maart 2019

H.P. Berlage -- 16 maart 1923

H.P.Berlage (1856-1934) was architect en stedebouwkundige. In 1923 maakte hij een reis naar Nederlands Indië, waarvan hij een dagboek bijhield: Mijn Indische reis. Gedachten over cultuur en kunst.

16 maart
Het was vandaag een gelukkige dag. Want het vroege ontwaken, zonder het brommend geluid van de schroef bracht, met de verrassing dezer rustige stilte, de zekerheid in de haven van Colombo te zijn aangeland; en de gauwe blik door de patrijspoort, die van het eerste gezicht op een Indische stad. Toch is dat een openbaring van landschappelijken aard, die men plotseling ondergaat, omdat de plantengroei in het Oosten alles overheerscht. Het landschap wordt er gekarakteriseerd door de plant; haar groen, en welk een groen, in alle mogelijke variëteiten is daarin beslissend. En in verband met den aard van de plant, versymboliseert zich als 't ware dat groen in de cocospalm. Want niet zoodra verlevendigen haar spitse bladen het silhouet der algemeene bebossching, of men weet in een andere wereld te zijn. Dat groen ligt over alles heen gespreid; geen stukje of topje van den ondergrond wordt zichtbaar. Het is als een deken waarin zelfs geen motgaatjes zijn te vinden. De groene kust kent ook geen overgang naar zee. De eilanden drijven als groen-boeketten op het water. Ik vat het dichterschap van Multatuli's 'gordel van smaragd;'
Bonsel schrijft in zijn 'Indienfahrt', een prachtige inleiding, aan boord genoten, tot den geheimzinnigen Indischen geest, over de heerschappij van het dier.
De schrijver ziet op zijn reis een koningstijger op een rotsplateau, monumentaal gestrekt. Dit doet hem den tijd verbeelden, toen het dier nog alleen op aarde leefde en het van nature koninklijke wezen in Indië den scepter hield omklauwd. Jk zou, met een variant daarop, deze waardigheid aan de plant willen toekennen, die als oerbegin van alle leven toch zeker het eerst-geboorterecht bezit. Door haar majesteit is zij in Indië ook inderdaad het 'andere' van het Westen. En dat de plant, evenals het dier, een ziel bezit, zal toch geen bioloog meer durven ontkennen.
[...]