maandag 15 juli 2019

Marie Bashkirtseff • 16 juli 1879

Marie Bashkirtseff (1858-1884) was een Oekraïense schilderes, die na haar dood — ze overleed aan tbc — vooral bekend is geworden door haar dagboek, dat als Waarom zou ik liegen in het Nederlands vertaald is (door Marianne Kaas).

Woensdag 16 juli. – Ik ben verontrustend futloos; ze zeggen dat tyfoïde koorts zo begint. Ik heb nare dromen. Als ik eens doodging? En het verwondert me hogelijk dat sterven me geen angst aanjaagt. Als er een ander leven is, zal het zeker beter zijn dan het leven dat ik hier op aarde leid. En als er eens niets was na de dood...? Dan is er des te meer reden niets te vrezen en te wensen dat er een einde kwam aan zorgen zonder luister en kwellingen zonder roem. Ik moet mijn testament maken. Om acht uur ’s morgens ga ik aan het werk, en om vijf uur ben ik zo vermoeid dat ik niets meer aan mijn avond heb; ik moet toch mijn testament schrijven.

zondag 14 juli 2019

Hanny Michaelis • 15 juli 1940

Hanny Michaelis (1922-2007) was een Joodse Nederlandse schrijfster. Haar oorlogsdagboek is onlangs in twee delen verschenen bij Van Oorschot (bezorgd door Nop Maas).

Maandag 15 juli '40 ± 10 uur 's avonds
Ik heb vandaag mijn gedichten weer eens doorgelezen en ik ben daarbij tot de conclusie gekomen, dat ik er precies 20 in 't geheel aan jou heb gewijd. En het leuke is, dat ze een afgerond geheel vormen. Het begint met een klein gedichtje 'Door jou', dat ik in october '38 schreef en dat een vage voorspelling van alles wat er op volgt inhield. En het eindigt met 'Herinnering', dat ik van de winter heb geschreven en waarin ik me bewust maakte, dat ik niet meer verliefd op je was.
Twaalf gedichten heb ik aan Eldert gewijd, drie van de laatste tijd en de rest uit de derde en het begin van de vierde klas. Maai' ik denk, dat er nog heel wat bij zullen komen.
Fritz Loewenberg kan maar aanspraak maken op vijf gedichten en last not least (??) heb ik er nog twee geschreven, die op Thijs waren geïnspireerd. Want je zal het niet geloven (ikzelf geloof het amper!), maar inderdaad, in de periode tijdens en onmiddellijk na het Pinksterkamp waar de 'idylle' begon, was ik wérkelijk verliefd op hem. Later, toen ik hem al beter leerde kennen en zelf ook wat kritischer begon te worden, was de aardigheid er voor mij al heel gauw af.

August Muls • 14 juli 1917

August Muls (1878-1958) beheerde samen met zijn broer Henri een mangaanmijn in Georgië, toen hij in 1917 opeens klem kwam te zitten tussen de oprukkende Russische revolutie en de Duitse bezetters. Hij hield in die tijd een dagboek bij.

Zaterdag 14 juli
Mimi komt een dag bij ons doorbrengen. Ze is groot en struis geworden en is reeds een juffrouwtje. Pieter is ze op de weg van Tsjiatoeri gaan afhalen en brengt haar ook tegen de avond terug. Ze is heel lief en vriendelijk.
Ik ga 's namiddags naar Tsjiatoeri om eens Nicolas Avgherino en andere kennissen te bezoeken. Manolopoelo vind ik niet thuis, wel Manuelides, eindelijk Nicolas Avgherino waar ik goed onthaald word, blijf avondmalen en zelfs moet blijven slapen.
Pieter die Mimi naar huis terugbracht, zou me bij Nicolas moeten komen afhalen, maar hij komt niet en later komt het uit dat hij in de afwezigheid van Taburiaux in dezes huis is blijven slapen. Hoe onvoorzichtig! Ook doe ik het hem opmerken.

Zondag 15 juli
Bezoek van vaders graf. Er ligt een bloemtuil die zeker door onze gebuurvrouw gebracht is. Daarna doen we een wandeling rond het dorp. Nicolas gaat regelmatig 's zondags naar Satsjkeri om aankopen te doen, maar buiten een stuk meestal slecht vlees brengt hij weinig aan. Ik doe opmerken dat het mij toeschijnt dat Tsjiatoeri een betere plaats voor aankopen moet zijn dan Satsjkeri: het is veel belangrijker en als centrum moeten er veel meer waren aangebracht worden dan in Satsjkeri. Pieter beweert dat hij vroeger naar Tsjiatoeri ging en nog minder aanbracht. Ik denk dat Pieter zich van alles door de knecht laat wijsmaken, die een bijzonder persoonlijke reden moet hebben om naar Satsjkeri te willen gaan. Ik vind dat hij veel te veel vrijheid en onafhankelijkheid geniet en Pieter hem al eens moest vergezellen, al ware het slechts om een controle op de prijzen te hebben, want die jonge kerel rekent wat hij wil voor zijn aankopen.

Stijn Streuvels • 13 juli 1917

Stijn Streuvels (1871–1969) was een Vlaamse schrijver. Tijdens de Eerste Wereldoorlog hield hij een dagboek bij. [Schilderij van Modest Huys].

9 juli 1917
We worden verwittigd dat er morgen om 6 en half controle is voor alle manspersonen van 16 jaar tot 45! Grote angst en onrust bij de mensen die van alles verwachten; meestal wordt er geloofd dat men al het volk dat zich aanbiedt, zal mede nemen en als arbeiders wegvoeren. Er wordt overal besproken wat men best doen zou: gaan of thuisblijven en de meningen zweven tussen die twee uitersten. Er is nog iets bijgekomen, namelijk dat het uitgelekt is: dat de burgemeester zelf (op bevel van de kommandant) de lijst van de 30 opgeëisten heeft opgesteld en geleverd; anderen noemen de schepen, de secretaris en zelfs de veldwachter; vandaar grote ontevredenheid bij de betrokkenen, waaronder de zoon van de schepen en enige boerenzonen! Haat en wraaklust lopen onder het volk.

[...]

12 juli 1917
De opgeëisten die voortvluchtig zijn worden achternagezeten als de wolven en effenaan [telkens] er één uitgehaald wordt of zich aangeeft, leidt men hem in de poort van 't gemeentehuis die voorlopig dient als gevangenis. In die poort gaat het er anders lustig toe; de kerels zitten er te zingen en zottigheid te verrichten en de inwoners brengen hen te eten.
Vandaag worden er bijgebracht van de omliggende gemeenten en daar zoëven gingen er een bende van in de twintig voorbij uit Waarmaarde, tussen vier soldaten, en zij zingen de Vlaamse Leeuw. Een ellendige manier om het Guldensporenfeest te vieren.
En de grote wraakroep blijft gericht tegen de burgemeesters; - in de poort van 't gemeentehuis is men een lied aan 't dichten waaruit ik een reek1 verstaan heb die luidt: We zijn verkocht door een Judas.

13 juli 1917
Om 6 uur komen in bende, zingend de Vlaamse Leeuw, de opgeëiste jongens van Tiegem en trekken hier voorbij naar Otegem.
Hier in 't gemeentehuis gaat de poort open van de peerden-stal en de gevangenen komen op straat. Ze worden in rijen van vier geplaatst en uitgeleid door enige soldaten, trekken zij ook op naar Otegem. Een lange schreeuw, met armgezwaai, is hun afscheidsgroet aan de gemeente. Een boerenwagen is volgeladen met hun pakken. Zusters en lieven doen de jongens uitgeleide, moeders en magen [verwanten] blijven alleen met hun verdriet, staan wenen. En die er minst van al in weten [om geven] zijn de opgeëisten zelf.
Een nieuw drama is afgespeeld en nieuwe slachtoffers van de oorlog wachten hun lot af.

donderdag 11 juli 2019

Lodewijk van Deyssel • 12 juli 1891

Lodewijk van Deyssel (1864-1952) was een Nederlandse schrijver. Hij hield verschillende dagboeken bij, onder meer over zijn dwangmatige neiging tot onanie.

• Portret: Jan Veth.

Zondag 12 Juli 1891, 12u. 45 middag.
Het is nu het geschikte seizoen om de bestrijding der onanie weêr met kracht te beginnen. Geestelijk om dat ik in een zeldzame periode van wil-werking ben, stoffelijk om dat de slaapkamer ’s zomers een geriefelijker werkplaats voor de mechanische bestrijding is dan ’s winters èn om dat ik er nu eenig geld voor beschikbaar heb indien dit noodig mocht zijn (voor instrumenten, dwang-buizen, enz.)
Kom, laat ik nu eens maken dat met 1[e] november de onanie zoo goed als overwonnen is. […] Trouwens, het door-zetten van goed-opstaan moge niet zóó moeilijk zijn, - het komt in moeilijkheid de overwinning der onanie zéér nabij. In het eerste lijk ik eenigszins te slagen, - waarom zoû dat met het laatste óok niet het geval kunnen zijn. Te meer daar ik tegen de onanie nog sterker mechanische maatregelen kan nemen dan tegen het opstaan. Want de houten met spijkers beslagen handomhulsels, die mij de onanie mechanisch beletten, staan gelijk met een mekanieke matras, die mij, op het uur dat het wekkertje afloopt, uit het bed zoû smijten.

Friedrich Hölderlin • 11 juli 1794

• Het geijkte beeld van de Duitse dichter Friedrich Hölderlin (1770-1843) is dat van een tragische, wereldvreemde en geesteszieke dromer. De brieven in Onder een ijzeren hemel (vertaald door Kester Freriks) corrigeren dit beeld ingrijpend. Hölderlin treedt hierin naar voren als een openhartige, strijdvaardige en scherp analyserende correspondent die ook graag de stormen van zijn hart prijsgeeft. Hij voerde een intensieve correspondentie met zijn vriend, de schrijver en theoloog (en dus blijkbaar ook vertaler) Ludwig Neuffer.

Tussen 10 en 15 juli 1794
Je vertaling van ‘Catilina’ [een werk van de Romeinse geschiedschrijver Sallustius] interesseert me des te meer daar ik de geschiedenis vorig jaar heb gelezen en ze me nog helder voor de geest staat. Het is echt een bezigheid voor het juiste moment. Je hebt gelijk: vertalen is een heilzame gymnastiek voor de taal. Ze wordt fraai en lenig als zij zich op die wijze naar een haar vreemde schoonheid en grootheid, en ook vaak naar vreemde grillen, moet schikken. Maar hoezeer ik je ook bewonder dat je je met zoveel hardnekkigheid oefent in de middelen teneinde je doel te bereiken, toch moet je erop rekenen van mij een brandbrief te ontvangen wanneer je na voltooiing van beide werken die je op het ogenblik onder handen hebt een nieuwe vertaling begint. De taal is orgaan van ons hoofd, ons hart, teken van onze fantasieën, onze ideeën; ons moet zij gehoorzamen. Heeft ze echter te lang in vreemde dienst geleefd dan valt, dunkt me, te vrezen dat ze nooit meer ten volle de vrije, zuivere, door niets anders dan het innerlijk, uitsluitend door het innerlijk gevormde uitdrukking van onze geest wordt.

dinsdag 9 juli 2019

Jean Cocteau • 10 juli 1953

Jean Cocteau (1889–1963) was een Frans dichter, romanschrijver, toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. Een selectie uit de dagboeken die hij tussen 1942 en 1954 bijhield zijn in het Nederlands verschenen onder de titel Dagboek van een duizendkunstenaar (vertaald door Joop van Helmond).

10 juli
Manolete zelf werd soms uitgefloten en toch was hij een god van het stierengevecht, zoals Nijinski een god van de dans was. Hij werd in triomf op de schouders naar zijn hotel gedragen. (Het Oriente-hotel op de Rambla.) De dood van Manolete dompelde het hele land in rouw. Hij werd gedood in de arena van een dorpje. In een stad hadden ze hem kunnen redden. Maar zo is het misschien beter. Ze hadden ongetwijfeld zijn been moeten afzetten. In de kleinste herbergen vind je allegorische afbeeldingen van hem.

In Spanje verbiedt de kerkelijke censuur alles. Toneelstukken kunnen één keer worden opgevoerd (door het kamertheater) als de kerk daarvoor tenminste toestemming heeft gegeven. Grote acteurs zijn bereid één avond te spelen omdat ze geen andere klassieke of moderne rollen kunnen spelen. Het gevolg van deze kerkelijke censuur is het tegenovergestelde van waar de kerk op uit is. Dit gewelddadige volk dat tuk is op gewelddadige vertoningen, zoekt ze, omdat ze ze niet in het theater vindt, op in het leven en in de politiek. De kerk staat de corrida's toe omdat ze het publiek ervan weerhouden na te denken. Verhinderen te denken, zoals de kardinaal in Bacchus zegt, daar is de kerk alleen maar op uit.

Dali had in Barcelona een mis willen organiseren, decoreren en aankleden voor het zielenheil van Picasso, om hem terug te brengen naar de katholieke kerk. De regering stemde ermee in. De kerk verzette zich ertegen.

De corrida van Dali, waarin de dode stier per helikopter de lucht in werd getild. Dominguin [beroemde torero] was ervoor (hij schuwde enige publiciteit niet). Er werd veel over deze corrida gesproken. Ze heeft nooit plaatsgevonden.

Na de revolutie heeft de kerk geprobeerd zich gevreesd te maken. Ze heeft zich alleen gehaat gemaakt. Het Spaanse volk is bijgelovig, maar heeft een afkeer van priesters. Daarom werd hun bij de eerste opstand de hals afgesneden.

Tennessee Williams is vanochtend aangekomen. We hebben samen de flamencodansers gezien. William altijd wat stijf, staat altijd wat af van wat niet seksueel is.

maandag 8 juli 2019

Daniël de Moulin • 9 juli 1943

Daniël de Moulin (1919–2002) was een Nederlandse chirurg en hoogleraar. In 1943 vluchtte hij vanuit Nederland naar Spanje (en verder naar Engeland). Hij hield een dagboek bij, dat is gepubliceerd als: Wij zijn niet bang, tenminste, niet erg.

De volgende morgen werden we laat wakker en wachtten den komst van den gids af, die verscheen in de vorm van een jongen van een jaar of zestien. Om twee uur 's middags braken we op. Lodewijk was een heel eind opgeknapt en met de wetenschap dat we binnen niet te langen tijd in Spanje zouden zijn, land waar we liefderijk ontvangen en verzorgd zouden worden naar iedereen ons met stelligheid meedeelde, maakte dat op dat oogenblik de toekomst hoopvol werd ingezien. Over een paar uur zouden we onbereikbaar zijn voor de vervloekt 'Boches' (tegenwoordig gebruikt men ook wel in Frankrijk de scheldnaam 'les Fritz'). Die middag was de tocht heel aangenaam. Prettige paadjes en het landschap was heel mooi. Het deed denken aan het landschap boven Montreux, maar het was onbewoond. Het eenige leven dat je er zag was een kudde schapen ergens ver weg in een dal. Tegen den avond werden we overgegeven aan een nieuwe gids, een schaapherder, die met een collega in een eenzame hut woonde. Bij die hut aten we een stuk brood. En toen begon de eigenlijke tocht. Hadden we eerst op tamelijk begaanbare paden gelopen, nu werd er tegen steile rotsen opgeklommen en over groote steenhopen geklauterd. Ik had toen voor het eerst de nieuwe schoenen aan die vader voor me aan Jos heeft meegegeven. Die schoenen zijn in een nacht volkomen versleten en kapot-gegaan. Een schoen is dwars doormidden gebroken. Kloesje liep op lage heeren molières die ze op de Goujauderie had gekregen. Die waren al niet te best meer, dus ze begon al direct met ellende. Haar schoenen waren na een paar uur al stuk en ze heeft toen de tocht verder moeten maken op gymnastiekschoenen die een van de Franschen haar leende. De tocht die we die nacht maakten was afgrijselijk. We gleden over gletschers en kropen heele uren over groote steenhopen waar het ontzettend moeilijk was je evenwicht te bewaren. Soms liep je weer tot aan je knieën door de sneeuw. En alles in het pikdonker. Je kon werkelijk geen hand voor oogen zien. De gids die de tocht op klompen maakte, liep met een reuzenvaart voorop en hanteerde een zaklantaarn van Lodewijk. Kloesje liep bij hem en werd gelukkig goed door hem geholpen. Maar de gids had haast en jakkerde ons maar door. Rust kregen we bijna niet. Waren we met veel moeite een steile berg opgeklommen, dan zagen we voor ons een diep dal met aan de overkant weer net zoo'n steile berg, waar we ook weer over moesten. Het was wanhopig. We moesten voort, anders hadden we het niet gehaald hoogstwaarschijnlijk. En we liepen voort, struikelend en vallend, onze handen openhalend en onze knieën bont en blauw vallend. Een keer slaakte een van de Franschen een doordringende gil en verdween met geruisen van vallende steenen in den afgrond waar we vlak langs liepen. Die gil ging door merg en been en is een van de akeligste geluiden die ik ooit gehoord heb. We riepen zijn naam, maar kregen geen antwoord. Voorzichtig bogen we ons over den rand en schenen met de zaklantaarn in de afgrond waarvan we de diepte niet konden raden. Tot onze groote verlichting zagen we hem eenige meters beneden ons liggen, en gelukkig nog levend en heel. Hij was op zijn hoofd gevallen en iets versuft, maar verder mankeerde hij niets. Dat was een groote verlichting. Stel je voor dat hij zijn been of zoo gebroken had. De ellende zou niet te overzien zijn geweest. De tocht werd voortgezet, klauterend en vallend over rotsen waar maar geen eind aan kwam, wadend door ijskoude beekjes, Van tijd tot tijd zakte Lodewijk in elkaar. Dan wachtte het gezelschap even, maar we moesten voort, steeds maar verder. Dan krabbelde hij op en strompelde mee. Het was een onbeschrijfelijke nachtmerrie. Kloesje hield zich kranig. Eindelijk, tegen het aanbreken van den dag, wees de gids ons de laatste berg waar we tegen op moesten klimmen om in Spanje te komen. Een gletscher vormde de weg. We waren werkelijk meer dood dan levend toen we eindelijk boven op de heuvel waren, waar de Spaansche grens liep. 'L'Espagne, la liberté!' Het was toen 9 juli van het jaar 1943.

zondag 7 juli 2019

Nico Keuning • 8 juli 2004

• Neerlandicus en biograaf Nico Keuning (1952) hield een dagboek bij toen hij schreef aan de biografie van Bob den Uyl. Fragmenten daaruit zijn gepubliceerd in Biografie Bulletin.

Donderdag 8 juli
Gisteravond ‘Bewogen leven’ op België 2, afl. ‘Ik was de secretaresse van Hitler’. In 2001 keek de toen 81-jarige Traudl Junge (haar man kwam in 1943 om het leven boven Frankrijk, als ik het wel heb) terug op haar tijd als secretaresse van Hitler. Ik keek vanuit bed en viel na een half uur in slaap. ‘Net als Bob indertijd,’ realiseerde ik me vanmorgen. Ook hij is tijdens haar geratel in slaap gevallen. Maar het verschil is dat Bob in levenden lijve tegenover haar in haar flat zat, in München (reisgenoot Peter Flik vertelde het me). Ik zat te zappen en kwam midden in de aankondiging terecht. Goed dat ik haar heb gezien, en gehoord vooral.

Cees Nooteboom • 7 juli 1966

Cees Nooteboom (1933) is een Nederlandse schrijvers. Reisjournalen van zijn hand zijn verschenen in Een ochtend in Bahia.

Bréhat
Bretagne, juli 1966. Op een middag ben ik met het bootje naar Bréhat gegaan. Er heen varend, kijkend naar die huizen die ik elke dag vanuit de ramen van mijn hotel had gezien als schimmen, en die nu groter werden en werkelijke huizen dacht ik aan wat Pavese zegt in een van zijn romans, dat elk huis, elk erf, elk terras iets voor iemand betekend moet hebben - en dat de gedachte aan zoveel vervlogen leven, zoveel in de leegte van de nacht zonder een spoor verdwenen herinneringen eigenlijk verdrietiger is dan de dood zelf. Toen ik aankwam begon het zachtjes te regenen. Er waren erg veel bloemen en zelfs palmen en hoge, volle zomerse bomen, het hele eiland heeft iets weelderigs en niet van het noorden, het is er stil, wat wind, de zee, geen auto's, en er wordt een stil leven geleid. Ik liep het eiland over, verdwaalde, zag drie nonnen in het wit naar een boom zwaaien, liep door toch ineens kaal, schots land naar de punt waar schapen stonden te schreeuwen tegen de zee en de zee zwart water omhoogsmeet tegen een gele rots met een lege vuurtoren.

Op het kerkhof was het stiller. Zoals altijd in zulke kleine, besloten gemeenschappen was iedereen familie van elkaar, ze lagen ook ingewikkeld bij elkaar in de graven die trouwens allemaal door vader en later door zoon le Meur gebeiteld waren, het kostte een hele tijd om alles uit te zoeken. Clémence Lehegarat en Aristide le Gall leefden elk maar een paar dagen, maar degenen die daar verdriet over gehad hadden waren er ook al niet meer, want het was in een andere eeuw. En wat is er nog over van de herinnering aan luitenant Charles Guyomard, verdwenen op 25 april 1918 te Hanovard en Sancerre op de leeftijd van 28 jaar. Zou nu zesenzeventig geweest zijn, drie jaar ouder dan de Gaulle. En als ik daar nu eens gelezen had luitenant Charles de Gaulle, hoe zou de wereld er dan uitzien? En is dat nu het veelbesproken lot? Veel minder beroemd dan Henri ligt er trouwens, tegen de muur van de kerk, uit de wind, Auguste Matisse 1866-1931, schilder van het departement van marine, wat dat dan ook geweest mag zijn, en lid van maatschappij van Franse schilders, en zijn zoon Eric ligt er bij, gefusilleerd door de Duitsers op 1 augustus 1942. Stilte, staat er achter, ‘hij rust!’ De Duitsers hebben er trouwens meer sporen nagelaten, zoals overal in Frankrijk, waar het een zoveel meer pathetisch accent krijgt door de herhaling. Al die waanzinnige monumenten van '70, van 14-18, de opstellingen met wapperende vlaggen, volle Franse maagden, heldhaftige groeperingen, met daaronder steeds onversierd, de koude afrekening, de boekhouding van de dood. Ook hier, op dit minieme eiland was er geen ontsnappen aan, en omdat het allemaal zeelui waren wordt het reliëf in het kerkportaal een stuk oorlogsgeschiedenis: ‘zij zijn het heil geweest’ staat erboven, en dat betekent dat ze gesneuveld zijn in België, op de zeeën van China, in Dixmude, bij de Dardanellen, op de Noordzee, op Korfoe, in Tahure, Verdun. Een huilende moeder, dezelfde van altijd, staat bij het kruis, maar wat waart er hier nog van rond, nu, veertig jaar later, van die afgrijselijke dode met zijn veel meer dan miljoen hoofden, waarvan dit maar één afrekening is, een stenen bladzij op de muur geplakt, waarop ik namen lees, elke naam een onzichtbare oude man. Bij het hek nog een laatste graf, van Ie docteur Wilborts, mort à Buckenwald, met een k, 1885-1944. En in de Paris-Match van die week foto's van de nieuwe nazi-beweging.

Frans Lion Cachet • 6 juli 1896

Frans Lion Cachet (1835-1899) was een Nederlandse predikant en schrijver. In 1896 bracht hij een jaar door in Indonesië, en hield toen een dagboek/reisjournaal bij.

Maandag, 6 Juli, ongeveer 2.30, begaven wij ons weder op reis. Ons reisplan luidde: Maandagavond tot naar Bandar Sidajoe, en daar vernachten; Dinsdag Kendil bezoeken, en 's avonds doorrijden naar Soerdjå; Woensdag Banaran bezoeken en terug naar Bandar; Donderdag naar Poerbå en logeeren te Kasso; om dan D.V. Vrijdag terug te zijn te Pekalongan. Tot naar Bandar Sidajoe zouden wij gebruik maken van een rijtuig, en daar zouden rijpaarden ons wachten voor de reis tot naar Kasso. Nachtverblijf zouden wij vinden in pesanggrahans. En alles dus geregeld zijnde, gingen wij, ongeveer 2.30, in een gehuurde ‘Deeleman’ met twee paarden, op weg.

In vliegendste vaart ging het door, tot een weinig voorbij Tjiloeloek, doch toen, bij het stijgen van het terrein, verminderden onze paarden hun spoed. Arme, magere dieren, wier Inlandsche drijver van geen medelijden wist. Een regenbui van zweepslagen viel voortdurend op hen neder, zoodra zij het minste teeken gaven van niet snel voort te kunnen, totdat eindelijk gebeurde, waartegen ik onophoudelijk gewaarschuwd had, dat zij bleven ‘staan’. En nu ving het tobben aan, tot wij, in het duister, Bandar Sidajoe bereikten, waar wij even stil hielden bij den Controleur, den heer Abell, die mij, schoon zijn echtgenoote onwel was, een kamer aanbood en ons tot den avondmaaltijd noodigde. Onwillig om hem moeite te geven, bedankten wij beleefd, en begaven ons naar de tegenoverliggende pesanggrahan, waar wij goede kamers vonden en wel geherbergd werden. Straks, terwijl wij ons eenvoudig maal, uit Pekalongan medegebracht, gebruikten, kwam een bediende met een keurig souper in een aantal schotels, door Mevrouw Abell uit de Kontroleuran toegezonden. Het was waarlijk meer dan vriendelijk. Na het avondeten ging Br. Horstman, die over koude klaagde (de therm, stond op 75 Fahr.!), naar zijn kamer; doch de avond was mij te schoon, de atmosfeer te verkwikkelijk, de sterrenhemel te prachtig, alles in de natuur, zoo plechtig-rustig, zong zulk een sweet lullaby, dat ik niet aanstonds zijn voorbeeld kon volgen. Trouwens: men behoeft toch ook niet te slapen, om te rusten.

vrijdag 5 juli 2019

Thomas Mann • 5 juli 1953

Thomas Mann (1875-1955) was een Duitse schrijver. Hij hield zijn leven lang een dagboek bij. Het fragment hieronder is vertaald door Gerda Meijerink.

Erlenbach, zondag 5 juli 53
Goed geslapen. Het weer nevelig bedekt en altijd naar regen neigend, maar zacht. - Tussen de brieven een goed geschreven brief van Dr. Mampell in Beatenberg. - Werk aan hoofdstuk, met tegenzin en gevoel van zwakte. Ging 's middags K. een stuk tegemoet. Middageten met Moni. Hevig onweer met luide explosies vlak in de buurt hield me uit m'n middagslaap. Daarna interviewster Isolani over portrettekenaars. Een brief van de uitgeverij van de Unesco in Wenen. Opdracht wegens een politiek moraliserend voorwoord bij ‘De kunstenaar en de samenleving’ bracht me in een woedende opwinding. Bij het avondeten helaas Ida Herz. Kon niet eten. Liet haar de prijs- en eredocumenten zien die in de woonkamer liggen en liet K. uit ‘Sforza del Destino’ spelen. Ging naar boven voordat K. haar wegbracht en las in ‘Verloren Illusies’. Nam wat in en vond rust voor de nacht, die het beste deel van de dag is geworden. Zo is het wanneer je jezelf overleeft. Wagner schreef toen hij bijna 70 was zijn laatste werk, de Parsifal, en stierf niet lang daarna. Ik heb ongeveer op dezelfde leeftijd het werk van de uiterste consequentie, de Faustus, geschreven, eindwerk in ieder opzicht, maar ik leef verder. ‘Der Erwählte’, nog vol charme, en ‘Die Betrogene’ zijn reeds over de rand groeiende nakomelingen, al niet meer noodzakelijk. Wat ik nu leid, is een na-leven, dat vergeefs poogt een produktieve steun te vinden. De ‘Krull’ op te vatten als een Faust die beëindigd behoort te worden, is nauwelijks mogelijk. Nog te leven is foutief, vooral omdat ik foutief leef. Eten is me een last en een plaag. Mijn enige genot is roken en koffie drinken, wat beide schadelijk is. Overigens is het voorovergebogen zitten aan de schrijftafel eveneens schadelijk. Ik mis de sofahoek van mijn kamer in Pacific Palisades, waar het late taalspel van de ‘Erwählte’ mijn ochtenden zin gaf. -

woensdag 3 juli 2019

Klaartje de Zwarte-Walvisch • 4 juli 1943

Klaartje de Zwarte-Walvisch (1911-1943) werd begin 1943 gevangen gezet in kamp Vught. Later werd ze overgebracht naar Westerbork , en ten slotte omgebracht in Sobibor. Van de eerste maanden van haar gevangenschap hield ze een dagboek bij.

4 juli
Aankomst op Westerbork
Hoe een geheel andere aankomst ondervond ik hier in vergelijking met de aankomst destijds in Vught. Op het perron stonden mannen en vrouwen ons op te wachten en dag te zwaaien. Iets wat ons zeer vertrouwelijk aandeed. Mannen en vrouwen tezamen. Dit was iets waaraan wij Vughtenaren niet meer gewend waren. De eerste indruk die ik van Westerbork kreeg, was zeer zeker niet de slechtste. Ik had zelfs het gevoel weer in de bewoonde wereld teruggekeerd te zijn. In werkelijkheid was dat natuurlijk helemaal niet het geval, want ik kwam van het ene kamp in het andere. Maar nooit had ik sterker het gevoel gehad uit een concentratiekamp te zijn gekomen. Geen schreeuwers, geen NSB-sters die ons opjoegen en afsnauwden, maar behoorlijke mensen die heel vriendelijk voor ons waren en onmiddellijk bereid te helpen daar waar het nodig was. We werden nog eens netjes opgesteld in rijen van vijf en toen gingen we naar de registratie. Ik maakte de opmerking ik dat ik nog wel eens geregistreerd wilde worden, want dat zoiets in lange tijd niet gebeurd was. Ik had werkelijk nog succes ook, want de marechaussees die ons begeleid hadden, begonnen erom te lachen. Zij namen hartelijk afscheid van ons en terwijl hij me de hand drukte, wenste hij me een spoedig weerzien in Amsterdam: 'Wat naïef bent u nog,' antwoordde ik. Maar hij zei dat hij het werkelijk meende, 'Dan zal ik u maar geloven,' riep ik nog terug. Gelukkig, de reis was tenminste achter de rug. Einde van de eerste etappe.

dinsdag 2 juli 2019

John Bake • 3 juli 1830

John Bake (1787-1864) was een Nederlandse classicus en filoloog. In 1830 maakte hij een reis naar Duitsland en Zwitserland, die hij beschreef in brieven aan zijn vrouw, die zijn te lezen als een reisdagboek.

3 juli.
Het was vanmorgen heerlijk weer. Mijn slaapkamer was een hoekkamertje. Uit mijn bed zag ik op het meer en de fraaie platanenallee. Na het ontbijt stapten wij te 7 uur in een gehuurde boot met drie roeiers. Zo gingen wij het meer verder op naar Como. Het meer overtreft zeker alles wat wij van dien aard in Zwitserland gezien hebben in verscheidenheid, rijkdom en smaak van architectuur en in volkrijkheid. Het is betoverend, omdat men door de veelvuldige krommingen van het meer telkens iets nieuws ziet. Onder andere zijn wij afgestapt aan de Villa Pliniana. De naam is ontleend aan het feit dat Plinius in de tweede eeuw van onze tijdrekening reeds de merkwaardige bron heeft beschreven, die zich hier bevindt. Zijn brief daarover hebben wij nog onder zijn geschriften en een Italiaanse vertaling daarvan is op steen geplaatst in de corridor van deze villa. Het voormalig (thans onbewoond) prachtig gebouw rijst uit het meer op tegen de flauw glooiende berg aan. Behalve de antieke zalen en galerijen vertoont men die bron, die op regelmatige tijden, namelijk om de twee uur, eb en vloed geeft. Toen wij erbij kwamen begon juist de vloed en zagen wij het water uit de diepe grot opkomen. Dan ziet men hoe een forse waterval onder het paleis door in het meer neerstort. Achter het gebouw is de tuin met terrassen, met heerlijke cipressen, acacia's, oranjebomen, moerbei- en vijgebomen fraai bezet. Van daar gingen wij aan de overzijde de Villa d'Este zien. Deze ligt allerschoonst, ook vlak aan het meer. Het paleis is vorstelijk, maar modern en in een prachtige Italiaanse smaak. Alle kamers in fresco heerlijk geschilderd, zelfs stenen mozaïekvloeren, zoals men elders houten geparketteerde vloeren heeft. Dit zou u alles, om de vreemde luxe zeer frapperen. Er is ook een zeer lief theater in het gebouw, vrij wat mooier dan te Schwetzingen. Deze villa werd enige tijd geleden bewoond door de prinses Caroline van Engeland, waarover dat wonderlijke proces is geweest wegens haar wangedrag. Eindelijk kwamen wij te twee uur te Como en vonden goede kamers in de Albergo dell'Angiola, met uitzicht op het meer. Wanneer wij samen reizen zullen wij het meer van hier af bevaren. In Como zelf is niets merkwaardigs. Wij hebben best gedineerd, koffie gedronken en spoedig ben ik de stad gaan doorwandelen. De Domkerk is fraai. De meeste winkelstraten zijn met arcades. Dat is, men wandelt onder de tweede verdiepingen der huizen.
In een koffiehuis zit men onder de arcades, dus gedekt en toch in de lucht en op straat. Voor 8 stuivers Hollands geld hebben wij met ons drieën heerlijk ijs gebruikt. Onze thee en brood staan gereed en wij gaan vroeg naar bed, om morgen te 5 uur naar Milaan te rijden. Zoudt gij wel zeggen, dat men hier nu aan de laatste herenboontjes is? Vijgen eten wij op het dessert. Adieu, tot morgen.

Gustave Flaubert • 2 juli 1870

• De eindeloos aan zijn zinnen sleutelende kluizenaar Gustave Flaubert (1821-1880) en de veel extravertere en vlot schrijvende George Sand (1804-1876) waren in veel opzochten elkaars tegenpolen, maar ze onderhielden lange tijd een vriendschap in brieven. Onderstaande brief schreef Flaubert aan Sand. Uit Wij moeten lachen en huilen (vertaald door Edu Borger).

Croisset, 2 juli 1870 zaterdagavond
De dood van Barbès heeft me heel verdrietig gestemd, vanwege u! We hebben allebei onze sterfgevallen te betreuren. Wat een stoet van doden, het laatste jaar! Ik ben er helemaal suf van, alsof iemand me met een stok op mijn hoofd heeft geslagen. Waar ik somber van word (want we betrekken alles op onszelf) is de afschuwelijke eenzaamheid waarin ik leef. Ik heb niemand meer, letterlijk niemand om mee te praten! […] De arme Edmond de Goncourt is bij familie in Champagne. Hij heeft me beloofd aan het eind van de maand hier te komen. Ik geloof niet dat de hoop zijn broer [Jules] in een betere wereld terug te zien hem troost voor het feit dat hij hem in deze wereld verloren heeft!
Men stelt zich bij die kwestie van de onsterfelijkheid met mooie woorden tevreden. Want het gaat erom te weten te komen of het ik blijft bestaan. Een bevestigend antwoord lijkt me een aanmatiging van onze hoogmoed. Een protest van onze zwakheid tegen de eeuwige orde. De dood heeft ons wellicht niet meer geheimen te onthullen dan het leven?
Wat een noodlottig jaar! Ik heb het gevoel dat ik in de Woestijn verdwaald ben. En ik verzeker u, dierbare geëerde collega, dat ik me niettemin dapper gedraag! En dat ik me geweldig inspan om stoïcijns te blijven. Maar mijn arme brein is bij tijden verzwakt. [...] Ik omhels u zoals ik van u houd, dat wil zeggen heel stevig.

zondag 30 juni 2019

Cesare Pavese • 1 juli 1942

Cesare Pavese (1908-1950) was een Italiaanse schrijver. In 2003 verscheen Leven als ambacht, met daarin dagboeken en brieven. Vertaling: Anton Haakman.








(1 juli)
bij afnemende maan                                             bij wassende maan
als men bloemen zaait
worden ze
mooi en met dikke stengel                                                ziekelijk en dun
                                                                                               en lang
als men bomen kapt
worden ze
gezond                                                                                 vermolmd
behalve de den, die wordt
vermolmd                                                                            gezond
als men de was doet met loogas
op het laken wordt deze
goed en schoon                                                                      vuil - de as
                                                                                                  zal er intrekken
als men wijnstokken en jonge 
scheuten snoeit is dat
schadelijk                                                                                vruchtbaar

Sigurd von Ilsemann • 30 juni 1934

Sigurd von Ilsemann (1884-1952) was vleugeladjudant van de Duitse keizer Wilhelm II. Hij schreef Der Kaiser in Holland. Aufzeichnungen des letzten Flügeladjutanten Kaiser Wilhelms II.

30 juni 1934
Enkele dagen geleden kwam een zekere v.R. bij mij, een kennis van mijn zwager, die beweerde in opdracht van verschillende heren uit Berlijn te komen; hij noemde ook namen en deelde mij — en later ook Grancy — het volgende mee: in het kabinet heerste een grote crisis en het zou spoedig aftreden; daarna een overgangskabinet. Of Hitler daar nog deel van zal uitmaken is de vraag, omdat hij lichamelijk niet sterk is (epileptische aanvallen), vervolgens een militaire dictatuur, tenslotte de monarchie. Men was definitief voor het huis Hohenzollern, maar het stond nog niet vast, of de keizer persoonlijk werd gewenst, in elk geval moest hij naar Duitsland terugkeren en dan eventueel zijn opvolger aanwijzen. Deze gedachten verduidelijkte hij nog, maar hij wees er op, dat hij niet met een officiële opdracht kwam, maar zou zorgen, dat Z.M. over de toestand ingelicht werd en hij moest te weten komen, hoe de keizer daar tegenover stond. Wij hebben deze heer duidelijk gemaakt, dat de keizer in principe tegenover zulke dingen geen standpunt innam en hebben de keizer met deze fantasieën niet lastig gevallen. Grancy heeft H.M. ingelicht.

Victor Segalen • 29 juni 1909

• De Franse schrijver Victor Segalen (1878-1919) bracht verscheidene jaren in China door. Voordat zij zich daar bij hem voegde, schreef hij zijn vrouw Yvonne 65 brieven die zijn gebundeld in het door Maarten Elzinga en Mark Leenhouts vertaalde Brieven uit China – brieven die het oude, voor-communistische China tot leven brengen.

Peking, 29 juni 1909
Ik heb een heerlijke avond gehad, alleen, dus met jou, liefste Mavone. ‘s Avonds eet ik voor de poort van mijn binnenplaats – als het mooi weer is, en dat was het vandaag. De maan kwam op van achter de boom die je op de foto met de vier karakters ziet. Dat is het uitzicht vanuit mijn poort.
Gisteravond met Yang echt Chinees gegeten; je hebt lekkere en minder lekkere dingen. Een groot aantal kleine gerechten, waaronder – moet ik bekennen – bedorven eieren. Maar laten we wel wezen, het zijn eerder adellijke eieren, als volgt klaargemaakt: de eendeneieren worden enkele maanden ingelegd in kalk: het wit wordt geleiachtig, bruin en lillend, het geel zwartgroen. Het ruikt sterk naar urine. Maar ik kan me voorstellen dat onze kaas ook een zekere tolerantie vereist... Ik heb er een paar plakjes van gegeten, zonder vervelende gevolgen. Beter zijn de kleine garnalen, de gerookte kip, de visragout en het gepocheerde ei in een heldere groentebouillon tot besluit van de maaltijd. Als drank heb je Huangjiu, gele wijn, eigenlijk meer een soort gierstbrandewijn, die lauw wordt gedronken, of Meiguijiu, een soort brandspiritus, naar het schijnt met rozen gestookt.
Yang, die weet hoe Europese magen kunnen reageren, kwam vanochtend informeren naar de mijne: er scheelde niets aan.

donderdag 27 juni 2019

Bartholomew Sharpe • 28 juni 1681

Bartholomew Sharpe (ca. 1650–1690) was een Britse piraat. Zijn logboek is bewaard gebleven. Hieronder beschrijft hij enkel een fraai gelegen natuurlijke haven.

June the 28th 1681
Tuesday about two of the clock in the afternoon we weighed anchor haveing made an end of coreneing of our ship and we were bound for the sea from gulfo Dulce which I named King Charles's harbour by reason that those Indians gave the harbour freely for the use of the English at all times when I made the peace with them[.] this is a very excellent harbour and very secure from all winds that blows deep water and a bold shore and no danger but what you can see here is good water & great plenty of fish oisters mussles & good plantans on the NW side of this harbour is good anchoring from 25:20 & 14 fathom water cloce by the shore lowland on the So Et side is a considerable Island which is about 2 miles in length it is indifferent high & the enterance is on the No Wt side of it and about 6 leagues distant from it lyes a point of land which I called point Barica on which doe grow cocoa nut trees: & a little distance from it lyes an indifferent bigg Island & high this harbour lyes in No & So about 4 leagues & the WtN oWt & EtS oEt part about 6 leagues

woensdag 26 juni 2019

Bertolt Brecht • 27 juni 1920

Bertolt Brecht (1898-1956) was een Duitse schrijver. Uit: Dagboeken (vertaald door Hans Hom).

Zondag, 27
Van tijd tot tijd overvalt me plotseling de gedachte dat de dingen die ik maak misschien wel te primitief en te ouderwets zijn, of plomp en te weinig gedurfd. Ik ga op zoek naar nieuwe vormen en experimenteer met mijn gevoel als de allermodernsten. Maar dan kom ik toch altijd weer bij het punt uit dat het wezen van de kunst eenvoud, grootheid en gemoedsaandoening is en het wezen van haar vorm koelheid. Dit is gebrekkig uitgedrukt, ik weet het.

We zijn 's middags en 's avonds bij Otto, een vreemd meisje (Hilde Münch geheten), Bi en ik. Bi bakt pannekoeken en wordt in kimono gefotografeerd. Later zitten we nog even op het Domplatz, ze is erg moe en heeft koorts; ik vraag haar haast smekend met het vertrek naar haar werk tot maandag te wachten, tot de uitslag over haar longen er is. Ze belooft het te zullen doen en we nemen afscheid.

's Zomers kan ik nooit goed werken. Ik heb geen zitvlees. Ook ben ik te eenzijdig positief. Zo hindert me nu bij het uitwerken van de Galgei en de Hanne [Galgei werd later het toneelstuk Mann ist Mann] de in eerste instantie negatieve strekking. Zolang Ligarch en zijn grollen de voornaamste troef in de Galgei vormden, ging het me beter af.

Maandag 28 en dinsdag 29
Met Cas, Hedda, Edith Blass aan het Starnberger Meer (Pöcking). De hele dag in het water, vanuit de boot. Hedda zwemt als een otter, en Cas schudt in vervoering over het meer zijn hoofd, hoewel hij het de eerste keer bij regen ziet. Op de avond van de tweede dag reizen we hondsmoe huiswaarts, enorm verbrand en heel jolig. Water en zon binnen en wat geur.

Woensdag, 30
s Middags in Augsburg omdat Bi weggaat. Ik zie de foto: er is werkwlijk iets met de ene long. Ze heeft nu ook koorts. Ik krijg het gedaan dat ze thuisblijft. 's Avonds moe terug.

dinsdag 25 juni 2019

Louis-Ferdinand Céline • 26 juni 1936

• Ook in 1936 sloeg de ontlezing al toe, zoals blijkt uit deze brief van schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961), geschreven aan zijn ‘Lieve vriendin’ Erika Irrgang,  opgenomen in Brieven aan vriendinnen (vertaald door Jan Versteeg).

Eind juni 1936
Ik heb eindelijk je roman gelezen. Wat moet ik erover schrijven ? Je weet hoe moeilijk ik over anderen kan oordelen. Ik heb alleen gevoel voor het subjectieve. Volgens mij zit hij goed in elkaar, met een duidelijke lijn, die je goed vasthoudt. Maar... Ik voel me volstrekt niet in staat er een intelligenter, duidelijker mening over te geven. Ik voel me letterlijk heel belazerd bij zo’n dooddoener, ik kan er alleen maar het zwijgen toe doen. Het is mijn genre niet. Wat zeggen de deskundigen? Wat kunnen ze zeggen? Die weten in feite ook niets. Het is een zaak die alleen het publiek en jou aangaat. Ik weet niet hoe het er met die dingen in België voor staat, maar in Frankrijk heel slecht. Er wordt niet meer gelezen, het is de bittere waarheid. De radio, de bioscoop, de politiek, de tijdschriften trekken alles naar zich toe! Dus waarom zou je risico gaan lopen. Wil je boeken verkopen, dan moet de maatschappij een beetje stabiel zijn. Geen vrolijke boel, dit alles. Waar zit je nu, en waar in augustus en september? Misschien kom ik nog langs in Antwerpen.

maandag 24 juni 2019

Alexander Herzen • 25 juni 1847

• De Russische filosoof en schrijver Alexander Herzen (1812-1870) verbleef een groot deel van zijn leven in West-Europa. Zijn leven beschreef hij in het monumentale werk Feiten en gedachten (vertaald door Charles B. Timmer).

25 juni 1847
Op de Place de la Concorde had zich een afdeling van de mobiele garde geposteerd […] Een jongen van een jaar of zeventien stond leunend op zijn geweer wat te vertellen. Ook wij kwamen dichterbij. Hij was half dronken net als zijn kameraden, knapen van dezelfde leeftijd, hun gezichten zaten onder de kruitvlekken, hun ogen waren door de vele slapeloze nachten en de drank rood ontstoken, velen stonden er met hun kin op hun geweerloop bij te dommelen.
’Nou en wat er toen gebeurde kun je gewoon niet beschrijven,’ ging hij na een ogenblik van zwijgen verder, ‘vechten deden ze goed, dat wel, maar toen hebben wij ze op hun sodemieter gegeven om de onzen te wreken! Ze vielen bij bosjes! Zelf heb ik mijn bajonet tot aan de loop in een stuk of vijf van die kerels gestoken — dat zal ze heugen!’ voegde bij eraan toe in zijn verlangen zich als een doorgewinterde booswicht voor te doen... De vrouwen zagen bleek en zwegen; een van de conciërges merkte op: ‘Dat hebben ze verdiend, die klootzakken!’ maar zijn woeste uitbarsting kreeg geen bijval. Het gezelschap was te laag van allooi om ook maar iets van medeleven te kunnen opbrengen voor het bloedbad en voor de ongelukkige knaap uit wie ze een moordenaar hadden gemaakt.
Zonder iets te zeggen liepen wij met bezwaard hart verder naar de Madeleine.

zondag 23 juni 2019

Andreas Oosthoek • 24 juni 2006

Andreas Oosthoek (1942) is een Nederlandse schrijver en journalist; in 2006 nam hij afscheid als hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant, en vroeg NRC Handelsblad hem een week lang een 'Hollands Dagboek' bij te houden.

Zaterdag [24 juni]
Recupereren in de tuin, met duinen in ’t verschiet. Ik zocht nog wat zaken bij elkaar voor Rudy Kousbroek met wie ik nazat in het Groot Paradys. Ik sprak hem over zijn jongste PZC-rubriek waarin de Begenadigde Atheïst schrijft over de éénmaligheid van geuren. Mijn ervaringen zijn anders. Zo brengen tv-beelden van massagraven onmiddellijk de lucht in mijn neusvleugels die kenmerkend was voor mijn tijd bij de Dienst Identificatie & Berging. Graflucht derhalve. Ik heb het ook met India: een straatbeeld uit Jaipur levert al gauw de geur op van de ouderwetse Parijse pissoirs voordat die op aanbeveling van madame De Gaulle werden gesloopt. Pis is pis.

[lees verder]

Cola Debrot • 23 juni 1956

Cola Debrot (1902-1981) was een Antilliaanse schrijver, arts, diplomaat en staatsman. Van een verblijf in Genève voor een internationaal congres in 1956 hield hij een dagboek bij, onder de titel Dagboekbladen uit Genève. Het fragment hieronder is onderdeel van een beschrijving van de congresruimte.

23.6.1956 [...] Achter deze verhoging bevindt zich, wederom iets hoger, een vijftal met glas afgesloten cellen, waarin enkele dames met koptelefoon meer of minder opzichtig acteren en zo op het blote gezicht alleen maar bezig zijn onhoorbaar te spreken; men zou kunnen denken aan een ‘red light district’, maar het zijn de simultaan-vertaalsters, die de grote internationale conferenties opsieren. In deze commissie wordt in vijf talen vertaald: Frans, Engels, Spaans, Duits en Russisch. Het is een plezierige afleiding deze simultaan-vertaalsters achter glas in haar actie te volgen; zij bevinden er zich meestal met hun tweeën. Dit werk is dermate inspannend, dat het niet langer dan enkele minuten achtereen kan worden gedaan, zij moeten elkaar voortdurend aflossen. Het is opvallend, hoeveel knappe vrouwen men onder simultaan-vertaalsters vindt, knap van uiterlijk bedoel ik; maar men heeft er ook enkele onder, die minder aantrekkelijk zijn, enkele zo-zo bedoel ik, voornamelijk bestemd voor het eerbare burgerhuwelijk, en ook enkele monsterachtige lelijkerds die, wonderlijk genoeg, mirabile dictu bedoel ik in het Latijn, vooral op de geestelijken of gewezen geestelijken onder de leden een bijzondere aantrekkingskracht uitoefenen. Dit is een specialiteit van lelijke vrouwen, maar zij moeten dan ook spookachtig lelijk zijn. Het heeft mij altijd verbaasd, dat hierover nog niet een proefschrift is geschreven; ik zal er de heer Prof. dr. jhr.D. van Lennep, hoogleraar in de psychologie te Utrecht, op attenderen, die er altijd op uit is met iets opvallends voor de dag te komen (vastleggen in mijn aantekenboekje, dat over enkele dagen natuurlijk weer onvindbaar is).
[lees verder]

Olga Freidenberg • 22 juni 1941

• Een aangrijpend ooggetuigeverslag van het beleg van Leningrad is te vinden in de in 1981 in New York verschenen briefwisseling tussen de Russische schrijver Boris Pasternak en zijn nicht Olga Freidenberg. De brieven, die de periode 1910-1954 bestrijken, zijn verbonden door een retrospectief dagboek van Olga Freidenberg. Door omstandigheden heeft zij het beleg van haar woonplaats van begin tot einde meegemaakt.

Op 22 juni, een van die mooie zomerdagen, pakte ik de telefoon omdat ik niets te doen had. Het was zondag, rond het middaguur. Ik was verbaasd toen een vrouwenstem antwoordde dat Bobovitsj, die ik belde, niet aan de lijn kon komen.
‘Hij luistert naar de radio.’
Dat verbaasde mij nog meer. Na een korte pauze voegde de vrouwenstem er aan toe: ‘De oorlog met Duitsland is verklaard. De Duitsers hebben ons aangevallen en hebben de grens overschreden.’
Dat was volkomen onverwacht, bijna onwaarschijnlijk, hoewel het met zekerheid was voorspeld. Het was niet de aanval die onwaarschijnlijk was - wie had die niet zien aankomen? Het was ook niet de oorlog met Hitler: onze politiek had niemand vertrouwen ingeboezemd. Het was de ommekeer in ons leven die onwaarschijnlijk was, deze dag die zo plotseling tussen verleden en heden was komen te staan. Die stille zomerdag met openstaande ramen, een aangename rustige zondag, een gevoel van leven in mijn hart, van hoop en verlangen, als iets dat uit zichzelf in mij was gegroeid, of ik wilde of niet; en plotseling: oorlog! Ik kon en wilde het niet geloven.
Maar wie wist niet dat dit het begin was van enorme gebeurtenissen en catastrofes? Ik begreep de theoretische betekenis van het gebeurde. Maar ik nam waar dat het vreselijke nieuws geen enkele indruk op mij maakte, behalve een gevoel van sensatie. Niets van 1914 was er mee te vergelijken. Eigenlijk bleef ik in mijn hart volslagen onverschillig en was ik alleen bang voor het dagelijks bestaan. Welke rampspoed stond ons te wachten?
Het was een mooie zomerdag, een vrije zondag, met open ramen, stille groene bomen. Nee, de voorbereiding was ongemerkt gegaan. De geschiedenis trad naderbij vanuit de verte. En je had het gevoel: o, het is allemaal zo erg nog niet; het komt wel goed; het leven helpt een handje; het is nog veraf; er is heel wat voor nodig voordat de gebeurtenissen ons bereikt hebben en onze dagen uiteenrijten; wat zou het, het was trouwens tijd ook; ‘laat het maar slechter zijn, als het maar anders is’.
[lees verder]

donderdag 20 juni 2019

Marcellus Emants • 21 juni 1875

• De Nederlandse schrijver Marcellus Emants (1848-1923) bezocht Zweden en Lapland in 1875. Zijn journaal van die reis publiceerde hij in Op reis door Zweden. De langste dag van het jaar maakte hij mee in Lapland.

Een Sint Jansdag in Lappmarken
[...] De zon, die nog helder wit aan den hemel glansde, toen wij de ongebaande, steile helling beklommen, zonk nu met warmen gloed naar den horizont af. De korte jeugd van het noorden spoedde ten einde; het stervensuur der lente was nabij.
[...]
Donkerrood zonk de lentezon voor 't laatst in de armen der geliefde nevelen neder, die als vloeiend goud aan den middernachtelijken hemel zweefden.
Een vurige omhelzing was haar laatste groet; dankbaar gloeiden aarde en hemel in haar laatste stralen en spiegelden de kalme watervlakken nog eens haar' goddelijken glans.
Toen was het volbracht. De korte droom was uitgedroomd.
Met ijskouden adem blies Borreas over de ijle dampen heen, die als grauwe schimmen uiteenstoven en vernietigd waren voor zij den horizont bereikten. De diepe gloed verbleekte tot een helder wit licht, dat statig aan den hemelboog oprees.
De zomerzon was geboren.
Langs de toppen der bergen, in de diepste schuilhoeken der bosschen, der sidderende meeren, in de spleten van het gesteente, overal drongen de stralen der nieuwe zon verzorgend en rijpend door, overal voltooiden zij het werk door den koesterenden adem der lente begonnen, opdat eenmaal natuur gerust het hoofd zou kunnen neerleggen, wanneer de blinde Hodur gebiedend zijn' staf over de aarde zou uitstrekken, en de ingesluimerde tot den langen slaap in het vale lijkkleed wikkelen.

woensdag 19 juni 2019

G.H.C. Hart • 20 juni 1940

• De Nederlander George Henry Charles Hart (1893-1943) was een hoge bestuursambtenaar. Tijdens het eerste oorlogsjaar (dat hij doorbracht in Londen) hield hij een dagboek bij.

Donderdag 20 juni 1940
Wat moet men er allemaal over in een dagboek schrijven? Dat de geallieerden van een week geleden elkander thans vinnig te lijf gaan met de bitterste verwijten? Dat de wapenstilstand er voor het arme Frankrijk vreeselijk zal uitzien. Dat de Franschen ook naar Rome zullen moeten om de voorwaarden te vernemen van den overwinnaar Mussolini, die te laf was om te vechten?
Ik laat 't maar achterwege.
Maar er komt bij ons, bij enkelen een hoogst bedenkelijke gedachte naar voren: de wensch om, met Frankrijk en België samen, een afzonderlijke vrede met Duitschland te verkrijgen en te redden wat er te redden valt, dat wil m.i. zeggen: overgave op genade of ongenade aan Hitler.
Dit punt geeft tot steeds heftiger en pijnlijker discussies aanleiding; eenerzijds wordt beweerd dat wij daarmede een vrij grote mate van onafhankelijkheid van Duitschland zouden verkrijgen en dat wij met de ‘realiteit’ moeten rekening houden, dat Engeland en Frankrijk en daarmede ook wij den oorlog nu eenmaal hebben verloren en daarvan de consequenties op de best mogelijke wijze hebben in overeenstemming te brengen met de belangen van het Nederlandsche volk.
Anderzijds - en daarbij behoor ik o.a. met volle overtuiging en felheid - wordt gezegd, dat ‘beperkte vrijheid’ onder de hegemonie van Duitschland of als aanhangsel van het Derde Rijk erger is dan voortzetten van den strijd tot het uiterste en dat het schandelijk is over zulk een vrede te denken, laat staan te praten.
Bovendien, hoe ernstig de situatie ook inderdaad is, Engeland is nog niet verslagen, terwijl de eenige kans op een voor ons aanvaardbare vrede is, aan Engelands zijde te blijven. Het kan niet worden ontkend, dat deze controverse de vriendschapsbanden tusschen Peekema en mij niet aanhaalt, terwijl ook Welter eenigszins aan den verkeerden kant staat, diep onder den indruk als hij is van den ondergang van Frankrijk47.

dinsdag 18 juni 2019

J. Everts • 19 juni 1911

• In 1915 publiceerde J. Everts (1882-1954) een fictief dagboek in De Gids.


19 Juni. Toen ik vanmorgen helaas veel te vroeg wakker werd en door een reet van 't gordijn zag, dat de zon scheen, alwéér scheen, heb ik mij baloorig omgewenteld en heb ik getracht weer in te slapen... om te vergeten.
Dit kan niet goed zijn.
't Is al te abnormaal zich niet te verheugen in het mooie zomersche weer, waarin iedereen zich verheugt.
Het inslapen is mij natuurlijk niet gelukt. Na uren in mijn bed te hebben rondgewoeld, ben ik opgestaan met een loodzwaar gloeiend hoofd. Ten einde raad: omdat je toch wát doen moet. ‘Het bed ziekt an’ zegt de meid van mijn hospita en ik geloof dat zij met haar boersche levenservaring daar gelijk in heeft. In bed blijven liggen, het leven negeeren is een te langzame zelfmoord.
Toen ik de gordijnen openschoof, bleek 't inderdaad een ‘prachtige stralende zomerdag’ te zijn.
Deze laatste woorden schrijf ik neer zonder eenige overtuiging, geheel cerebraal, wetend dat dit de wijze is, waarop men over een dusdanige weersgesteldheid spreekt. Ik zelf gevoel er niets voor, althans geen vreugde. Eer het tegendeel. Deze heldere, zoogenaamd ‘mooie’ zomerdagen wekken mijn weerzin op. Ze zijn mij te reëel, het leven is mij dan te reëel. Er schiet niets te droomen, te fantazeeren over. En hoe vaal en onbeduidend, hoe leelijk is dan zoo'n moderne stadswijk, als waarin ik woon.
Maar wat nog het ergste is: op zulke dagen voel ik het sterkst en het pijnlijkst mijn abnormaliteit, mijn afzonderlijkheid, mijn ziekte, als ge wilt. Alles wekt op, spoort aan tot genieten, tot leven, tot werken en iedereen voelt er zich toe in staat. Alleen ik niet. Ik juist niet! Zoo'n ‘stralende’ zonnedag staart, gaapt mij aan als het wezenlooze Niets, of hoogstens als een leege positiviteit. Ik schijn dan wel geenerlei contact met het leven te hebben, en ik weet vooruit dat zoo'n eindeloos lange dag werkeloos en dus on-nut voor mij voorbij zal gaan en daardoor nog langer voor mij zal schijnen.
Dit alles houdt een stille geraffineerde zelfmarteling in, die te erger is omdat niemand er voor voelt en haar begrijpt. Troost zou alleen van mij zelf kunnen komen; maar ik ben als ik die het meest behoef, natuurlijk juist het minst in staat die te geven.
Dat is eenzaamheid!

maandag 17 juni 2019

Stendhal • 18 juni 1835

• Ondanks dat Italië en met name de kunst en cultuur van Florence hem in eerste instantie zodanig overweldigden dat hij er fysiek onwel van werd – het zogenoemde stendhalsyndroom – was de Franse schrijver Stendhal (Marie-Henri Beyle, 1783-1842) minder over Italië te spreken toen hij zijn vriend Domenico Fiore onderstaande brief schreef. De opera waar hij het over heeft is La muette de Portici van Daniel Auber, dezelfde opera die in 1830 de opstand van de Belgen tegen de Nederlanders had ingeleid.
Uit: Brieven. Een keuze uit de correspondance (vertaald door Joyce & Co).

Rome, 18 juni 1835, Corpus Domini
Ik heb al zesentwintig dagen niet meer gedineerd, mijn waarde vriend, en de diners die ik normaliter gebruik verdienen die mooie naam al nauwelijks. Het ontbreekt me aan eetlust. Mijn hoofd is zwak, ik lees romans en ik denk vaak aan onze vrienden: tekenen van zwakheid. Ik heb me naar de Muta di Portici [een opera] gesleept, die enorm veel succes heeft, ondanks twee kleine bezwaren: er komt geen zangeres in voor, en die Masaniello heeft hoegenaamd geen stem. Alles gebeurt in de koren, ze zingen met verve, zo opgetogen zijn die schoften geen Grieken of Romeinen te hoeven uitbeelden, maar eenvoudig visserstuig; als zodanig veroorloven zij zich allerhande grappen, en zelfs platvloersheden zonder enige act, die het publiek braaf slikt. Zou u kunnen geloven dat dit publiek zo gedegradeerd is dat twee advocaten mij gevraagd hebben of alles bij elkaar hun Muette niet beter was dan die van Parijs?
Dit land is verloren. Ze zijn er wat betreft de kunsten, het gezond verstand en de kunst van het leven te genieten net zover aan toe als de arti di disegno dat waren in 300, onder Constantijn: toen richtten ze tempelzuilen op, maar ze werden verkeerd om geplaatst, met de kop naar beneden.

zondag 16 juni 2019

Jean-Jacques Rousseau • 17 juni 1760

• De Fransen Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) en Voltaire behoorden tot de grootste denkers van hun tijd, maar veel waardering voor elkaar hadden ze niet, zoals mag blijken uit onderstaande brief van Rousseau aan Voltaire.
Uit: Bekentenissen (vertaald door Leo van Maris).

Montmorency, 17 juni 1760
Ik ben zeker niet op u gesteld, Mijnheer. U [Voltaire] hebt mij leed berokkend dat mij, uw leerling en bewonderaar, op de meest gevoelige wijze moest treffen. U hebt Genève in het verderf gestort, als loon voor de toevlucht die u er hebt gevonden. U hebt mijn medeburgers van mij vervreemd, als loon voor de lof waarmee ik u tegenover hen heb overladen. U maakt mij het verblijf in mijn geboorteland onverdraaglijk. U bent er de oorzaak van dat ik in den vreemde zal sterven, beroofd van de vertroostingen der stervenden, zonder enige andere eer dan op een vuilnisbelt te worden geworpen, terwijl alle eerbewijzen die een mens maar kan verwachten u in mijn geboorteland ten deel zullen vallen. Ten slotte, ik haat u omdat u dat gewild hebt, maar ik haat u als iemand die nog waardiger was geweest bemind te worden, als u dat gewild zou hebben. Van alle gevoelens waarvan mijn hart jegens u vervuld is blijft alleen de bewondering over die men uw grote genie niet kan onthouden, alsmede de liefde voor uw geschriften. Het is niet mijn schuld dat ik in u alleen uw talenten kan eren. Ik zal nooit tekortschieten in de achting die ik daaraan verschuldigd ben noch in het gedrag dat deze achting vereist.

zaterdag 15 juni 2019

Louis Paul Boon • 16 juni 1943

• Brief van de Vlaamse schrijver "Louis P. Boon" (1912-1979) aan "waarde Raymond Herreman", geschreven "in achting en vriendschap". Herreman wierp zich indertijd een beetje op als mentor van Boon, die Herremans aandacht had getrokken met zijn in 1942 bekroonde maar pas in juli 1943 gepubliceerde eerste boek De voorstad groeit. In de brief is sprake van de opvolger Vergeten straat. Uit: Brieven aan literaire vrienden.

Aalst, 16 juni 1943
Om op uw voorstel in te gaan stuur ik u met gelijke post de eerste honderd geschreven bladzijden van de vergeten straat. Zullen wij daar dan eens met het schuurpapier overgaan tot het blinkt lijk een spiegel? Deze week las ik in de dagbladen een aankondiging van een prijskamp, 50.000 fr (oeioei) door de stad Brussel uitgeschreven voor een roman die wat met Brussel te maken heeft. Ziehier deze roman. Of is de Noord-Zuid niet Brussel? Doch ik twijfel er aan of men na lezing mij geen boete van 50.000 zal opleggen. Heel zeker vraagt men een brave lieve folkloristische dwaasheid. Er was ook geen Jury aangeduid.
Of ben ik te groot geworden om aan een prijskampje van maar 50.000 mee te doen?
Ook iets anders, men begint in Aalst weer een massa volk op te eischen, ook ik heb reeds een biljetje ontvangen [voor de Arbeitseinsatz in Duitsland]. Zou ik, naar uwe meening mij niet moeten lid maken van de vereniging van Vl. letterkundigen om daar aan te ontsnappen? Of moet men eerst gepubliceerd hebben om lid te kunnen worden? Zooals ge ziet, een brief met vraagtekens, op voorhand dank voor uw ‘polijst-werk’ aan de vergeten straat.

vrijdag 14 juni 2019

Mensje van Keulen • 15 juni 2006

Mensje van Keulen (1946) is een Nederlandse schrijfster. In 2006 hield ze ter gelegenheid van haar 60ste verjaardag een 'Hollands Dagboek' bij voor NRC Handelsblad.

Donderdag
Vlak voor ik zou vertrekken om in een boekhandel te signeren, trokken de katten een vaas met bloemen om. De plas, waarin een paar pioenrozen dreven, verspreidde zich in de richting van het kleed en een aquarel, een cadeau dat ik zolang op de vloer had gezet. Ik snelde toe met een handdoek en een teiltje, gleed uit, maakte een halve spagaat, dweilde vloekend terwijl de boosdoeners rustig toekeken.
Als ik het huis verlaat, springt Bosi altijd achter het raam en blijft daar wachten tot ik terug ben. Het bezwaarde me steeds meer hem alleen te laten. En ik zag er erg tegenop op reis te gaan, al zal mijn zoon dan in huis zijn. Vandaar dat Louis twee weken geleden zijn intree deed. Het werd niet geheel en al in dank afgenomen: schoot, bed, bak, eten, speeltjes, alles werd voor B's ogen in beslag genomen. L. werd dan ook als een muis behandeld. Maar het ging al snel beter en het is een genot om ze samen te zien, de een als een kleine poema, stevig en gespierd onder zijn wild-kleurige, fluwelen pels, de ander rossig, olijk, en nog zo fragiel Alleen: hoe zou het met ze gaan nu ik ze vandaag voor het eerst een groot gedeelte van de dag samen alleen liet? Hoewel de kopers en het aardige personeel in de mooie, nieuwe zaak in de Bredase wijk 't Ginneken voor genoeg afleiding zorgden, moest ik er telkens aan denken.
Geen B. aan het raam toen ik thuiskwam. Ik hield mijn adem in. Zou het mogelijk zijn dat hij, zachtaardig als hij voor ons is, luns had gezien, al was het maar even, te transformeren in Mr. Hyde? Maar nee, daar stonden ze achter de tochtdeur, de kopjes op, de staarten hoog in een krul.

Vrijdag 16 juni
Vandaag moet ik tussen van alles en nog wat door de koffers zien te pakken. Ik verheug me erop mijn zus en haar kinderen, die in een Catalaans kustplaatsje wonen, weer te zien. Maar elke keer wanneer ik op het punt sta te vertrekken, waarheen dan ook, is het of ik bij voorbaat al heimwee heb.

G.H.C. Hart • 14 juni 1940

George Henry Charles Hart (1893-1943) was een hoge bestuursambtenaar. Tijdens het eerste oorlogsjaar (dat hij doorbracht in Londen) hield hij een dagboek bij.

Vrijdag 14 juni 1940
De Duitschers zijn Parijs binnengetrokken! De couranten verkleinen de beteekenis van dat feit, maar ieder ziet volkomen in, hoe ontzettend dit is.
Is het het einde? Niemand weet precies, waar de Fransche Regeering zit; waarschijnlijk heeft zij geen vasten zetel.
Wij zijn allen diep onder den indruk; de dronk van elken avond op Generaal Weygand wordt zonder commentaar achterwege gelaten.

Zondag 16 juni 1940
't Kabinet Reynaud afgetreden: Pétain en Weygand hebben de leiding. Men gevoelt, dat Frankrijk zieltogend is.
Er beginnen vele berichten binnen te komen van de vluchtelingen, die met schepen uit de Fransche havens hierheen komen. Geweldige verwarring; de Regeering moet al wekenlang geheel gedesorganiseerd geweest zijn.

Maandag 17 juni 1940
Pétain heeft Hitler om een wapenstilstand gevraagd: er is nog geen antwoord.
Dit is het einde van Frankrijk's rol in den oorlog. Iedereen is verslagen: de eerste reactie is meer diepe droefheid dan vrees voor het verdere verloop.
Maar het ziet er nu héél slecht uit, voor het verder verloop van den oorlog, ook voor Engeland.

Dinsdag 18 juni 1940
De tweede maal, dat ik den 18en van jullie gescheiden meemaak.
Waarvoor ben ik weggegaan. 't Ziet er allemaal ellendig uit. Wat nu?

woensdag 12 juni 2019

John Ruskin • 13 juni 1876

John Ruskin (1819-1900) was een Britse criticus. Over zijn dagboek.

June 1876. Brantwood.

12. Monday. Y[esterday] an entirely divine day with blue like opal, and white, fixed precious clouds, like background of deeply glowing Italian picture – Langdale Pikes relieved against two sickles of white cloud dovetailing into an S with larger mass above to finish. Diddie [his houseguest Sara Anderson] enjoying her walk, and helping me to chase a lamb (whose distress she first saw) over the tarn bridge back to its mother.
Clouded over as we returned faster than I ever saw. Now, a sweet soft white morning rain—diffused.

13. Tuesday. No getting things done in this house. Lost all yesterday calling on Marshalls in morning. Fine afternoon, throwing down stones in the wood with Diddie and Maggie. Exquisitest purple I ever saw on hills, in afternoon, and arch of rosy clouds all over old man [a nearby mountain] and opalescent green-blue and rose over blue Helvellyn, divine, but my evening spoiled by finding the poor chaffinch's nest in ruins, and nestlings dying. A hawk, I fancy, pouncing on the mother; – not able to return for the brood. Lolly [his secretary, Laurence Hilliard] came.

14. Wednesday. Exquisite fine woven sunset – and lovely morning. Change suddenly to evil temper at 1/2 past 6.
The Melly's y[esterday] to tea. Lolly came.

dinsdag 11 juni 2019

Lodewijk van Deyssel • 12 juni 1930

Lodewijk van Deyssel (1864-1952) was een Nederlandse schrijver. Hij hield verschillende dagboeken bij, en schreef veel dagboekachtige notities. Over een reisje naar Roermond bijvoorbeeld.
• Portret: Jan Veth.

(12 Juni 1930) Het reisje naar Roermond is volbracht. De fouten waren:
ten eerste, dat men niet had kunnen weten, - door slechte inrichting van den officiëelen Reisgids, kleine uitgave - dat men te Amsterdam ten 9 uur gereed zou vinden den directen trein Amsterdam-Maastricht, met Restauratiewagen,
ten tweede, dat de speciale voeding niet bij de Slaapwagen-maatschappij vooruit besteld is geworden ; maar men zich heeft moeten te vrede stellen met een - overigens behaagziek klaar gemaakten - Weener schijf, terwijl de van de, op de Restauratiewagen-tafels aanwezige, spijslijst zelf eigenlijk uitgekozen schotels niet verkrijgbaar waren.
ten derde, dat voor bezighouding in 't minst niet gezorgd was.
De met welslagen toegepaste voeding en laving voltrok zich aldus: te huis 7 u.15: een gekookt hoenderpark-ei, koude ham van Sacré en twee kopjes koffie; 8 uur, station Haarlem (den vorige dag besteld) : een omelette van vier eieren en twee glazen sherry; 9 u.30 - 11 uur, Restauratiewagen: 2 glazen sherry; 11 u. Restauratiewagen: een Weener schijf en een halve flesch Graves Supérieur. Daarna ten 1 uur het déjeuner te Roermond; ten 4 u.30 de thee ten Raadhuize; ten 6 uur het diner.
Op zulk een dag te Roermond wordt 'den geheelen dag' 'gedronken'; maar slechts lichte witte wijnen in kleine mate. Dit is goed. Dit is opwekkend en niet te ver gaand. Men dronk dus: 4 glazen sherry, 1/2 fleschje Graves; vier glazen van den geel-gouden wijn aan den lunch; drie glazen Champagne op de middagreceptie; drie glazen Champagne, twee glazen Bordeaux en 1 glas Bourgogne aan het diner. Alle glazen zeer klein. Samen wellicht een halven liter.-

maandag 10 juni 2019

Frida Vogels • 11 juni 1965

Frida Vogels (1930) is een Nederlandse schrijfster. Haar door kritiek en publiek gewaardeerde dagboeken 1954-1971 zijn gepubliceerd in 8 delen.

11 juni — Gisteravond Die Kunst der Fuge gehoord, gespeeld door een dilettantenstrijkkwartet, bestaand uit een natuurkundige, een apotheker, een dokter en een rijke man, in het huis van de sterrenkundige (een vriend van Contarini). Aardige avond. Het was heel lang geleden dat ik me zo slecht op mijn gemak en zinloos glimlachend, het nemen van koekjes en slokken champagne timend, maar op mijn manier met alles wat ik om me heen zag ingenomen, in groot gezelschap (een vijftiental personen) bevond. Bij het binnenkomen moest ik een doos flikken overhandigen, terwijl E. (omdat de lift niet aan iedereen tegelijk plaats bood) nog beneden was. Het werd twee uur en er werd een glas gebroken.

Beschamende dag, die nog niet voorbij is.

12 juni
Elke dag
is de ochtend mild en vol beloften,
tot het meedogenloze licht
de dunne sluiers wegschroeit

die 's avonds zacht weer worden neergelegd.

13 juni — Op het plat vonden we een steen, die waarschijnlijk door iemand naar de poes is gegooid. E. bekeek hem aandachtig. Het leek steenkool, maar dat was het niet. We opperden veronderstellingen over wie die steen gegooid kon hebben. Hij legde hem weer neer. 'Je moet hem daar laten liggen,' zei hij, 'als ze dan weer een steen gooien, kunnen we zien of het er net zo een is.'

[...]

zondag 9 juni 2019

Ed van Thijn • 10 juni 1977

Ed van Thijn (1934) is een Nederlands politicus. In zijn Dagboek van een onderhandelaar beschrijft hij de mislukte coalitiebesprekingen m.b.t. het beoogde kabinet Den Uyl II, die duurden van 25 mei-11 november 1977.

Vrijdag 10 juni
De schoolkaping in Boven-Smilde en de treinkaping bij De Punt duren onverminderd voort. Die dag is de spanning te snijden. Alhoewel ik geen contact met Joop heb, voel ik aan alles dat er iets broeit. Het geeft mij een rusteloos, maar vooral machteloos gevoel. Ik ben blijkbaar niet de enige. Voor het eerst krijg ik enkele telefoontjes van bezorgde mensen die goedbedoelde, min of meer technische adviezen geven hoe je de kapers kunt overmeesteren zonder dat er doden vallen onder de gegijzelden.
's Avonds neem ik deel aan een afscheidsdiner ter ere van Kidron, de Israëlische ambassadeur, die overgeplaatst is naar Londen. Het gebeuren vindt plaats op het Muiderslot. Als ik na middernacht naar huis rijd meldt de radio dat het stil is rond de school en de trein.

Zaterdag 11 juni
's Nachts kan ik de slaap niet vatten. Ik weet het zeker, er gaat wat gebeuren. Als ik voor dag en dauw de radio aan zet, blijk ik gelijk te hebben. De acties zijn zojuist begonnen, precieze mededelingen ontbreken nog. Het zijn angstaanjagende momenten. Mijn gedachten zijn sterk bij Joop. Wat een verantwoordelijkheid. Ik weet dat hij door diepe dalen gaat. Hij had dit zo graag willen voorkomen. Maar hij zat voor het blok. Het kon niet anders. De berichten komen bij flarden binnen. Er zijn doden gevallen. Onder de treinkapers, maar ook twee van de gegijzelden zijn omgekomen. De rest is bevrijd en onderweg naar het ziekenhuis. De stem van Joop klinkt. Een mengeling van treurnis en opluchting. Hij verantwoordt zich. ‘Ik ervaar dit als een nederlaag’, zegt hij. De telefoon gaat. Of ik commentaar wil geven. Ik betreur dat geweld nodig was, maar er was geen andere weg. Ik prijs de bewindslieden voor hun geduld en koelbloedigheid. Als ik de telefoon ophang heb ik een misselijk gevoel. Wat gemakkelijk. Commentaar achteraf. Het kamerlid levert op afroep enkele fraaie volzinnen. Hoe zou ik mijzelf gedragen hebben als ik echte verantwoordelijkheid had moeten dragen?
De radio drijft me naar de televisie. Ik zie de straaljagers overvliegen. De mensen komen uit de trein. Even later de persconferentie. Twee oververmoeide mannen, samen verantwoordelijk.

Jan Terlouw • 9 juni 1982

• Voormalig politicus Jan Terlouw (1931) hield in 1981/1982 een politiek dagboek bij dat is gepubliceerd als Naar zeventien zetels en terug.

Woensdag 9 juni
Het debat over de regeringsverklaring zit er weer op. De PvdA heeft voor een motie van wantrouwen van de cpn gestemd. D'66 is van alle kanten aangevallen. Marcus Bakker sprak over de nationale verachting. Mij doet dit alles niet veel. De onwaarachtigheid is zo groot dat je ervoor afstompt. Wim Meyer van de PvdA zei in dezelfde minuut dat de PvdA bij de komende verkiezingen alle opties zou openhouden en dat het een schande was dat D'66, althans de heer Terlouw, de optie met CDA en VVD niet uitsloot. Nijpels van de VVD prees me het graf in, vanwege m'n ‘buitengewone moed’ om de VVD niet langer uit te sluiten, enz. enz. Dat kan van de ene dag op de andere, nadat de vvd een jaar lang in alle denkbare bewoordingen heeft gezegd wat een waardeloze persoon ik toch ben. Hypocrisie alom, en D'66 is de echte slechterik. Dat heeft natuurlijk allemaal te maken met de manier waarop met macht wordt omgegaan.

Intussen gaat het gewone werk door. Met het bedrijfsleven gaat het bar slecht. Het ene probleem na het andere komt op m'n bord. Toch hou ik van dit werk. Ik hou van beslissingen nemen en van verantwoordelijkheid. Ik begin ook waardering te bespeuren in ondernemend Nederland voor de beslissingen die ik neem. Helaas, binnenkort zal een ander deze taak overnemen.

Claude Debussy • 8 juni 1903

• De Franse componist Claude Debussy (1862-1918) schreef onderstaande woorden aan componist-dirigent André Messager. De genoemde Amerikaanse is ene Elisa Hall; haar arts had haar vanwege haar slechthorendheid aanbevolen saxofoon te gaan spelen. Zij gaf opdrachten voor composities voor dat instrument aan Vincent d’Indy, Gabriel Fauré, André Caplet en Debussy. Uit: Hartstochtelijk houd ik van muziek (vertaald door Lucas Bunge)/

Maandag 8 juni 1903
Nu is het mijn beurt om u schandelijk te laat te antwoorden...! En dit is de reden: een dame die ontevreden is, dat ze Amerikaanse is, en die zich de merkwaardige luxe veroorlooft om saxofoon te spelen, heeft bij mij enkele maanden geleden door tussenkomst van G. Longy een stuk voor orkest en obligate saxofoon besteld... ik weet niet of u zich tot dit instrument aangetrokken voelt, maar ik was de speciale klank ervan zo vergeten dat ik deze ‘bestelling’ ook op slag vergeten ben. Maar de vasthoudendheid van Amerikanen is spreekwoordelijk en... de dame met de saxofoon is acht of tien dagen geleden in Parijs, rue Cardinet 58, komen aanwaaien om mij te vragen hoe het met haar stuk ging! – Natuurlijk heb ik haar bevestigd dat het na Ramses II datgene was waar ik het meest aan dacht. – Ik heb er dus toch aan moeten beginnen en daarom ben ik nu wanhopig op zoek naar nog niet vertoonde klankcombinaties die zich het best lenen om dit aquatische instrument tot zijn recht te laten komen. Het stuk zal Rapsodie orientale heten (een betere titel heb ik nog niet). Ik heb net zo hard gewerkt als in de goede tijden van Pelléas en ik heb het ochtendgloren aanschouwd met een kater!