dinsdag 12 november 2019

Jan Wolkers • 12 november 1972

Jan Wolkers (1925-2007) was een Nederlandse schrijver en kunstenaar. De dagboeken die hij in de jaren '70 bijhield zijn vrijwel allemaal uitgegeven.

ZONDAG 12 NOVEMBER 1972
'De Verboden Vrucht'.
De douche is koud. Als je moet is het lekker. Je gloeit erna als een glimworm. Om één uur komen de jongens en gaan we naar Leiden naar de Lakenhal. Eerst de schilderijen. Herken veel van vroeger. Uit 1943 toen ik hier vaak kwam. Het drieluik van Cornelis Engebrechtsz vooral, met het magere lijk van Adam waaruit een boompje groeit op een apart paneeltje onder het middenpaneel. Het drieluik van Lucas van Leyden. Al die mollige naakte wijven die aan hun haren, door duivelse monsters met hangtieten en soms een gezicht op hun buik met lekkende tong uit hun mond, naar de hel worden gesleept.

Maak thuis een heerlijke kapucijnerschotel met lofsla, uitgebakken bacon, gebakken ham en uien. Begin aan 'De Verboden Vrucht'. 'Het Niet Zijn' komt later.

MAANDAG 13 NOVEMBER 1972
Hevige storm. Het grofdennetje is op het balkon omgewaaid. Arie Boon zal wel uitgevaren zijn, want er is een boot bij Texel gestrand. Bij Rottum is windkracht n. Gaan even naar de tuintjes. Er staat weer een huisje te koop. Gaan even kijken. Leuke tuin. Gaan erop inschrijven.
Nadat ik Maria en Karina naar Engels heb gebracht ga ik snel werken aan 'De Verboden Vrucht'. Krijg het bijna af.
Na Engels, als we Maria naar huis hebben gebracht, gaan we naar de verjaardag van Florrie Hillenius. "Weer dezelfde mensen als andere jaren. Alleen zijn prof. Frijda en Nellie Frijda er. Frijda vindt mijn Seiko-horloge erg mooi en wil de hele avond met me ruilen, zodat hij met die knots van mij om zijn pols loopt. Verhaal over prof die enorme rotzooi op zijn bureau maakt, en als hij er geen wijs meer uit kan worden, er kranten over uitspreidt en aan een nieuwe laag begint.

zondag 10 november 2019

Simon Vinkenoog • 11 november 1963

Simon Vinkenoog (1928-2009) was dichter en schrijver. In 1963/'64 hield hij een dagboek bij dat is gepubliceerd als Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte.

maandag 11 november 1963
Roland Kirk, die blazend en stotend de schrilste geluiden weggeeft, en spelend steeds nader komt tot waarneembare gehoorgrenzen, heeft veel gemeen met de man die vanuit Brussel aan het redaktiesekretariaat van Randstad (driemaandelijks verschijnend; redakteuren Claus, Michiels, Mulisch, Vinkenoog) zijn notities stuurt: ‘gemaakt gedurende een eerste experiment met marihuana.’ Hij is geen literator; hij gelooft nog in bewijsmateriaal. ‘Indien u voelt voor publikatie, zou ik er een zakelijke inleiding bij kunnen leveren, alsmede de in de tekst vermelde tekening.’ Hij kent het bestaan nog niet van de miljoenen pagina's notities, handschrift, tekeningen, kollages, die de wereld bedekken als een hymne aan de inspiratie, die bezit neemt van de mens, high. De schepper. De maker. Ik citeer zijn onbeholpen, waarheidsgetrouwe woorden (hij is ambtenaar bij een internationale organisatie, vijfenveertig jaar, beschreef enkele jaren geleden in de Groene Amsterdammer zijn ervaringen, toen hij ophield met roken): ‘Ik schrijf één zin, er gebeuren wel vijf dingen intussen, dus ik kan niet alles opschrijven, ben steeds achter - je laat je van tijd tot tijd gaan; er zijn te veel dimensies om op te schrijven - de meest gewone dingen, zoals een deksel afschroeven, worden prachtig; vierduizend gedachten tijdens één zin die ik opschrijf - werkelijk duizenden bewustzijnen, dus alles kan niet opgeschreven worden - nooit vergeten bij het later nalezen dat maar een honderdduizendste op papier staat van alles wat er is gebeurd en alles prettig positief - alles wat later gerapporteerd zal worden is te weinig - dit (pijl naar zin omhoog) is een boodschap tot de buitenwereld.’

[lees verder]

Pieter van der Meer de Walcheren • 10 november 1907

Pieter van der Meer de Walcheren (1880-1970) was een Nederlandse dichter-schrijver. Zijn veelgelezen dagboeken zijn in verschillende delen uitgegeven.

10 November
Martha B. was hedenavond enige uren bij ons. Zij heeft met haar vriend gebroken, de toestand werd onhoudbaar. Zij schijnt vernietigd door het droevig gebeurde. Waar vindt zij den moed om verder te leven? - Op haar verzoek speelden wij uit ‘Tristan und Isolde’, die heerlijke uitzinnige muziek, waar de hartstocht hoogtij viert, waar de liefde haar opperste verzadiging zoekt in den dood. Die muziek heeft een weergaloze macht over mij, zij doet mij pijn, zij verscheurt mij, zij verhevigt tot in het ondraaglijke toe mijn heimwee naar ik weet niet welke werelden; zij overweldigt mij ganselijk, maar is mij niet weldadig. - Later op den avond vertelde Martha ons, hoe zij haar vriend had leren kennen. Welken zin hebben de ontmoetingen der mensen?

Walter Kempowski • 9 november 1989

• Walter Kempowski (1929-2007) over de val van de Berlijnse muur (9 november 1989).

Mitternacht, am Radio : An den Grenzübergängen stauen sich Tausende von DDR-Leuten, die rüberwollen, die Grenzen sind geöffnet worden. Die Polizei weiß nicht, wie sie sich verhalten soll. – Die Mauer könnte also fallen. – „Wiedervereinigung“ scheint ein Reizwort zu sein, bei dem manche Leute in die Luft gehen. Warum, weiß der liebe Himmel. Jedes andere Land der Welt würde verrückt vor Freude werden. Leute, die im Osten in einer Kneipe saßen, sind einfach rübergegangen. Ohne Gepäck, so, wie sie gerade auf der Straße gingen, ohne Visum. Grenzer haben ... / Glücklich in Tränen. / Küssen sich. / Wollen gar nicht bleiben, sagen sie: „Und morgen wird wieda jearbeitet!“ / Auch in Gegenrichtung, Leute, die jahrelang nicht drüben waren. / Zwei Jungen wollen bloß mal gucken. / Bornholmer Straße, eben mal von Ost nach West. / Tausende bereits. / Für Tausende unvorstellbar. / Sehr aufregend. / Geschafft? / Kohl will seine Polen-Tour abbrechen.

1 Uhr : Einige tausend Menschen von Beamten nicht mehr aufgehalten, „unbeschreibliche Szenen“. / Sekt und Blumen von Westberlinern, Verkehr „kommt zum Erliegen“. / Viele wollen nur besuchen. / Strom auch in entgegengesetzter Richtung. /

Andere Sender im Radio dudeln ruhig weiter, ohne auf diese Wahnsinnssache zu reagieren. / Auch in Schirnding Menschenstrom. / 3000 bis 4000 Menschen stündlich, letzte zehn Stunden 6000 Menschen. / Leute sind nicht mehr zu zählen.

1.10 Uhr : Sender unterbricht „wegen der besonderen Ereignisse“! Wie bei Orson Welles. / Erstaunlich, unglaublich. / Das ist doch die Wiedervereinigung. Ob da nun eine Grenze dazwischen ist oder nicht. / Verstehe überhaupt nicht die Argumente der Sozis. / „Seit sechs Stunden ist die Grenze offen!“ / die meisten kommen nur, um mal zu gucken. / „Ich rufe Axel Berchel ... Grenze ist an beiden Seiten offen. Westberlin bis Friedrichstraße durchgelaufen.“ / Vopos kriegen Blumen in die Hand gedrückt zum Gruppenbild. / Kein Durchkommen. / Invalidenstraße. / „Lässig“ sei das. / Kein Paß, kein Ausweis, einfach durchgelaufen. / Kontrolle kann nicht mehr stattfinden. / Mauer sei heute gefallen. / „Wir müssen Hände schütteln“, sagt der Rundfunkmann. / Stimmung sei riesig. / Brandenburger Tor: Stimmung angefacht. / Bierflaschen und Gröhlen, weil man da nicht über die Mauer ... / Das sei das größte Ereignis der letzten Jahrhunderte.

1.20 Uhr : Runtergelaufen an den Fernseher, ein völlig unbekannter Reporter, wohl Journalist vom Dienst, cool, aber mit Herz.

Tagesschau: Bush: „Dramatische Entwicklung“, in dieser Richtung äußere sich auch Frankreich. Wahrschau: Das sei die Wiedervereinigung.

Volksfeststimmung. / Invalidenstraße. / Applaudierende Vopos in den Türmen. / Nur mal eben die Tante besuchen, dem Jungen den Ku’damm zeigen. / 19.34 Uhr hatten die „Bürger der DDR“ von der neuen Regelung erfahren, angeblich ein Versehen von Schabowski, er wird gezeigt, wie man ihm den Zettel reicht: Buchstabiert da was zusammen, was er gar nicht richtig kapiert.

Sondersendung angekündigt. / Japaner fragt: Was wird mit der Mauer? / Kohl in Warschau äußert sich. / Alles sehr aufgeregt. Lösung liege bei der DDR. Wir seien bereit. / Die Grünen „freuen sich“, sagen sie, süß-saures Gewese, und die Sozialdemokraten gucken „ziemlich aus der Wäsche“. / Mischnick: Bewährungsprobe steht uns noch bevor, nicht kleinkariert aufrechnen. / Momper: Regierung drüben könne nicht mehr zurück. Seit 28 Jahren ... / Jeder könne hin- und hergehen, wie er will.

Schnell wieder nach oben gelaufen und Hildegard geweckt, Simone war nicht wach zu kriegen. Tiefschlaf.

Zum Biertrinken rüber, nicht mal Ausweis. / Das sei irgendwie ein bewegender Eindruck. Das sei der Augenblick, auf den wir alle gewartet haben. / Keine Aggressionen habe es gegeben.

Volksfest. / „Die Stimmung geht unendlich weiter.“ / Feier der Wiedervereinigung sei das. / Die DDR-Führung habe den Überblick verloren. / 150.000 in den letzten Tagen geflüchtet.

Erneute Fluchtbewegung. Viele, weil sie so lange betrogen wurden. / Diepgen: Das wird eine volle Stadt. / „Ärmel hochkrempeln.“ / Einwandfrei sei das, sagt ein Jüngling. / „Das waren bemerkenswerte Bilder, nicht wahr!“ (Schaettle)

Invalidenstraße. / Unsere Kinder schlafen zu Hause. Wir wollten nur mal das Brandenburger Tor von der anderen Seite sehen. / Raketen, Feuerwerk, von hinten kommen sie gelaufen. / Roland Jahn, daß viele Menschen ihr Leben lassen mußten.

2 Uhr, Radio : Trabis stauen sich kilometerweit. / 9. November 1989: Das sei der Tag der Öffnung. / „Ich habe meine Eltern wiedergesehen, die wohnten bloß zehn Meter von hier.“ (Weinen im Hintergrund) / „Wir sind von hier, wir freuen uns nur so.“ / Leute, die’s nicht wahrhaben wollten. / „Wie kommen wir zum Ku’damm?“ Alle wollen aus irgendwelchen Gründen unbedingt zum Ku’damm. Zwängen sich durch! Quetschungen. / Deutsche Grenzbeamte werden umarmt. / Zwei Vopos und deutsche Grenzbeamte und zwei englische Soldaten. / „Was hier droht, ist ein Verkehrschaos, das ist aber auch alles.“ / Hier gibt es keine Grenze mehr heute abend. / Wir sind in Deutschland, irgendwie geht die Sache ordentlich zu. / „Ich komm’ aus dem Bett, im Westen.“ / „Ziel ist klar, zum Ku’damm geht’s!“ / Axel Berghausen vom SFB im Osten, „mit dem drahtlosen Mikrophon.“

2.21 Uhr : Leipzig. Alles dunkel. „Die Meldung hat die Stadt noch nicht erreicht.“ / Beim Abendbrot im sogenannten Westfernsehen noch unqualifizierte Meinungen über Wiedervereinigung ertragen, und nun dies! / Erstaunlich das Aufgespringe im Bundestag und das spontane Absingen der Nationalhymne. Und alles hat an den Greisen da drüben gelegen! / Unglaublich. Die Definition des Humanen wird unscharf. Im Altertum hätte man diese Leute sofort umgebracht. – Nachdenklich macht es, daß drüben niemand zu Schaden gekommen ist. Eigentlich unnatürlich.

Gedanken über das Reifen politischer, geschichtlicher Ereignisse. Sobald es geht, fahre ich rüber. Möglichst schon morgen.

2.30 Uhr : Bericht aus Lübeck. Viele Leute in der Stadt, die alle wieder rüberwollen. In Hagenow war eine Demonstration gewesen, und da haben die das gehört und sind einfach zur Grenze gefahren.

„Daß das so schnell geht, haben wir nicht gedacht.“ / Jubelschreie im Hintergrund. / Dynamik, mit der niemand gerechnet hat. Zuerst Ausweis, dann brauchte man auch den nicht mehr vorzuzeigen. / „An der Grenze beidseits wird gefeiert.“ Auch die Alliierten sind dabei. / „Kaum mehr zu glauben.“

donderdag 7 november 2019

Thomas Rosenlöcher • 8 november 1989

Thomas Rosenlöcher (1947) is een (Oost-)Duitse schrijver en dichter (en vertaler Nederlands). Zijn Dagboek uit Dresden (vertaling: Mike Schellekens) stamt uit de maanden voor de val van de Berlijnse muur.

8 november
Gisteren is de regering afgetreden. De tijd die zolang stil stond is in een stroomversnelling geraakt, alsof ze de verloren 40 jaar weer wil inhalen. In heel het land staan zetels op omvallen en worden er berouwvol haren uitgetrokken.
Als we het plotseling gewonnen gemak maar niet toch nog moeten betalen: dat zou tegen de onzinnigheid van de geschiedenis zijn.

[9 november valt de muur]

10 november
Het ontzettend idiote bericht, weer 's ochtends vroeg, terwijl ik nog met met ohropax ver-pax-te oren op mijn kermisbed in de huiskamer lig: de grenzen zijn open! Lief dagboek, ik weet niet meer wat ik moet zeggen. Ik weet echt niet meer wat ik moet zeggen. Ik loop met betraande ogen door de keuken te ijsberen, en heb niet eens een ui waaraan ik de plotselinge tranenstroom zou kunnen wijten.

11 november
Nadat Doornroosje wakker was gekust, ontwaakten de majesteiten en de ‘...gehele hofhouding en ze keken elkaar met grote ogen aan. En de paarden buiten stonden op en gingen met hun hoofd staan schudden; de jachthonden begonnen te springen en te kwispelstaarten; de duiven op het dak haalden hun koppetje vanonder hun vleugels te voorschijn, keken rond en vlogen de wijde wereld in’... en zelfs de vliegen op de muur waren verbaasd waarom ze zo lang hadden geslapen.

woensdag 6 november 2019

L.P.J. Braat • 7 november 1946

L.P.J. Braat (1908-1982) was beeldhouwer en schrijver. Uit: Ziekenlogboek.

2 November
Soms zijn dromen zo groots en aangrijpends, dat zij ver boven het ‘werkelijke’ leven uitstijgen. [Ik weet nog altijd niet - en het zal nog wel even duren voor ik het te weten kom - waar dat ‘werkelijke’ leven zich bevindt...] Vannacht zag ik de schimmen der vergaste en doodgemartelde Joden - ik hoop dit nimmer te vergeten. Flakkerende, verwrongen, gasachtige, doorschijnende gestalten, als bleke vlammen. Een Joodse vrouw - ik bevond mij temidden van talloze Joden die haveloos en droevig teruggekeerd waren uit concentratiekampen - wees ze mij aan. Het was een schouwspel van zulk een wilde, tragische schoonheid, dat ik het niet zou kunnen tekenen of aan anderen beschrijven.

7 November
Vandaag ben ik mij er van bewust zeer ver te gaan door te bekennen, wat ik al maandenlang mezelf niet durfde bekennen: dat ik niet geloof aan een wereld zonder oorlog, zonder geweld, en er ook nauwelijks naar verlang! Te denken aan een wereld met eeuwig paisibele gewoonten - op de kleine ruzies na - vol hardwerkende, door geen catastrofen van de zijde hunner soortgenoten bedreigde mensen, doet mij vaak rillen van afschuw. Waar blijven dan de grote, gruwelijke hartstochten, de grondeloze haat, die ons jong houdt?

dinsdag 5 november 2019

Thomas Rosenlöcher • 6 november 1989

Thomas Rosenlöcher (1947) is een (Oost-)Duitse schrijver en dichter (en vertaler Nederlands). Zijn Dagboek uit Dresden (vertaling: Mike Schellekens) stamt uit de maanden voor de val van de Berlijnse muur.

6 november
Het aantal mensen dat naar West-Duitsland vertrekt wordt nu al per uur aangegeven en nadert langzamerhand de driehonderd.
In de Kaufhalle hebben ze voor de echte blijvers Radeberger bier. Ik vis, gemaakt nonchalant, twintig flesjes voor mezelf uit de krat en krijg van mezelf het idee dat ik wat bereikt heb in het leven.
Rond de gaslantaarns in Kleinzschachwitz zitten briefjes gebonden: ‘Ik wil hier blijven stralen’ - Mijn god, ik ook.
Ulrike zit op haar kamer te huilen, omdat na die Hagen van haar nu ook oma naar de andere kant wil, ze heeft zich haar pensioen al laten voorrekenen, maar voor haar betekent het vooral een nieuw begin. Toen ze gisteren uit het Westen terugkwam, leek ze meteen al wat zelfverzekerder, meer een oma-uit-het-Westen, wat vast niet alleen door haar onverwachte ronde oorbellen kwam.

maandag 4 november 2019

Jean-Jacques Rousseau • 5 november 1760

• Uit een brief van de grote Franse schrijver en denker Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) aan zijn buurvrouw, “mon aimable voisine”, Madame de Verdelin. Uit: Bekentenissen (vertaald door Leo van Maris).

Montmorency, 5 november 1760
U schrijft, Mevrouw, dat u zich niet goed hebt uitgedrukt, om mij te verstaan te geven hoe slecht ik mij uitdruk. U spreekt over uw vermeende domheid om mij de mijne te laten voelen. U beroemt zich erop niet meer dan een doodgewone vrouw te zijn alsof u bang bent dat men dat zou denken en u verontschuldigt zich tegenover mij om mij te laten merken dat ik mij tegenover u moet verontschuldigen. Ja, Mevrouw, ik weet het heel goed, ik ben een stommeling, een doodgewoon iemand en wat mogelijk nog erger is, ik weet mij maar slecht uit te drukken volgens de opvattingen van een elegante Franse dame die zo veel aandacht aan de woorden schenkt en zo goed spreekt als u. Maar bedenk dat ik de woorden in hun gewone betekenis neem, zonder vertrouwd te zijn met of mij te bekommeren om de beschaafde betekenis die men er in de betere Parijse kringen aan toekent Als mijn uitdrukkingen soms dubbelzinnig zijn. streef ik ernaar de betekenis ervan door mijn gedrag duidelijk te maken.

zondag 3 november 2019

Grietje Huizinga • 4 november 1853

Grietje Huizinga (1842-1861) was een van de dochters van de Texelse dominee Jabob Huizinga. Ze hield in 1853/1854 een dagboek bij.

Vrijd: 4 Nov: 1853. Voor het ontbijt heb ik mijn Aardrijkskundige en Fransche les geleerd; na schooltijd heb ik genaaid; ik heb in de school een schrift geschreven; het is van daag goed weder geweest.

Zat: 5 Nov: 1853. Zooeven heb ik appels gesneden. Voor het ontbijt heb ik mijn Volzinnen voor de school gemaakt; na schooltijd heb ik gebreid; ik heb in de school een schrift geschreven; het is van daag goed weder geweest.

Zondag 6 Nov: 1853. Van daag is Aafje jarig; ik heb haar een paar kousen gegeven.
Van daag ben ik voor ’t eerst met Vader en Dirk naar Oosterend geweest, want in al dien tijd is de kerk geverwd geworden.
Van middag hebben Sina, Menno en ik met Cornelie gewandeld, wij zijn ook bij Baker geweest. Van avond is Menno plotseling heesch geworden en toen hij wat geslapen had, was hij zoo benauwd en hij kon geen woord spreken, en toen is Doctor Scheurleer hier gekomen, en heeft Menno bloedzuigers bij zijn keeltje gehad, omdat het wat verlichten zou.
Van middag is Proponent Bruin van Amsterdam hier gekomen die om 12 uren aan den Hoorn gepreekt heeft, en van avond om half 10 uren zou hij weêr naar ’t Oudeschild gaan. Het is van daag mooij weder geweest.

Maand: 7 Nov: 1853. Menno is van daag een boel beter, maar hij mogt nog niet uit zijn bedje hij neemt nu Poeders in. Zooeven is Doctor Scheurleer hier gekomen. Na schooltijd heb ik gebreid; Monsieur heeft van daag de kagchel gezet; ik heb in de school een schrift en een brief ingeschreven; het is van daag goed weder geweest.
Van morgen hebben wij Varkenvleesch van Phéres uit het Gesticht van Weldadigheid gekregen.

Luise Rinser • 3 november 1976

• Luise Rinser (1911-2002) was een Duitse schrijfster en politiek activiste. Ze publiceerde verschillende boeken met dagboekaantekeningen.

1975
Pasolini vermoord! Wie heeft het gedaan? Een schandknaap heeft een bekentenis afgelegd. Waarom geloof ik het niet? Ik heb ooit Pasolini's vriend ontmoet, een jezuïet, hij had een hoge dunk van Pasolini's religiositeit. En ik heb Pasolini zelf ontmoet: ik moest hem overhalen om naar een conferentie van het katholieke vormingscentrum in München te komen om over zijn films te spreken. 'Film en religie' was het thema van de conferentie. Hij kwam, hij sprak ook, en zijn film 'Teorema' werd vertoond. Ik heb lang naar zijn gezicht kunnen kijken: een getekend gezicht, verscheurd, doorploegd, gewond, doorleden, gespannen. Levend, zeer levend. Een gezicht met een brandmerk, onzichtbaar maar onmiskenbaar. Homoseksueel, pederast, communist, groot filmmaker en schrijver, ja, een groot schrijver zeg ik, nadat ik behalve 'Teorema' ook nog 'Koningsmoord' heb gelezen. En christen, iemand die uitgestotenen liefheeft en geen van de duistere plaatsen schuwt waar het 'schuim' bijeenkomt: pooiers, dieven, schandknapen. En die daar omkomt met de lugubere logica van het lot.

Gisteren tijdens het avondeten bij de F.'s werd zijn dood natuurlijk besproken. Ik wilde niets zeggen, maar ik kon het niet laten, en ik werd fel, iedereen werd plotseling fel, Pasolini zorgde voor een scheiding der geesten. Ze vielen over hem heen, Italianen en Zwitsers. Hij was homoseksueel geweest, ja, dat tolereerden ze wel, maar dat hij zoveel jongens had verleid, dat was gewoon schandelijk, en zijn hang naar de onderwereld, naar de misdadigers... Ik zeg: 'Dat is precies wat de Farizeeërs Jezus verweten. Die had ook zo n hang naar de uitgestotenen, hoeren en tollenaars.' Maar daar waren ze het niet mee eens: Jezus had geen jongens verleid en vormde geen bedreiging, hij ging naar de mensen toe om hen te redden. En Pasolini? Hij ging naar de uitgestotenen omdat hij zich met hen verbonden voelde in de nood, in het geïsoleerd zijn van het 'normale', van de burgerlijke maatschappij, van de zelfgenoegzamen, de 'Farizeeën'. Hij bekende zichzelf zijn ellende, zijn gewetensangst, zijn wanhoop. Hij zag zichzelf en de anderen naakt en bloot. Hij hield van de verachten. Zijn plaats was bij hen. Ook Dostojevski ging naar de dronkaards, de spelers, de hoeren, de moordenaars.

Alleen wie zijn eigen schaduw kent en aanvaardt, durft de schaduw van de ander te ontmoeten. Maar Jezus? Nou, had die geen schaduw? Hoe zat dat dan met de verzoeking in de woestijn? Degene die hem daar in verzoeking bracht was geen kleine seksuele of diefachtige duivel, maar iemand die overeenkwam met het grote licht. En was dat een duivel die zomaar van buitenaf kwam aansluipen? Nee, dat was iets in Jezus zelf, dat in verzoeking kon komen: het streven naar macht, het besef de allergrootste magiër aller tijden te kunnen zijn als hij zou willen; het idee dat hij van stenen brood kon maken! Wat een verzoeking voor iemand die liefheeft, om de grote broodmaker te worden, die alle voedselproblemen voorgoed uit de wereld kon helpen, de perfecte vervuiler van alle socialistische dromen, degene die door het volk tot koning der aarde zou worden gekozen... Als de duivel een van ons de kracht zou aanbieden om de hele Derde Wereld voor altijd te verzadigen, zodat er geen kind meer van honger zou sterven...? Wel, Jezus heeft dat weerstaan. Zijn rijk was niet dat van de magie. Zijn weg was die van de naakte deemoedige kruisweg. Maar daar was hij de schaduw, zeer groot en machtig.

En Pasolini, de christen, zou hij geen schaduw hebben gehad? En degenen die hem bij het avondeten veroordelen zijn allemaal christen. Ik vraag: Wat is beter, de vuile zieke voeten van de verworpenen wassen of voor de honderdste keer je eigen handen, die toch nooit schoon worden? De avond heeft mij helemaal uit mijn evenwicht gebracht.

Willem Oltmans • 2 november 1972

Willem Oltmans (1925-2004) was een Nederlandse journalist. Zijn dagboeken (76 delen) zullen in hun geheel online worden gezet bij de dbnl. De papieren versie wordt uitgegeven on der de titel Memoires.

1 november 1972
Prachtig herfstweer. Peter is op een hom-modeshow in Düsseldorf.

Gerard van den Boomen is het ermee eens dat zijn redacteur mijn reportage over Szent-Gyorgyi totaal heeft verknoeid. Zo gaat dat onder thuisblijvers.

Zag een poes een sprong naar een vlinder maken. Sloeg hard genoeg op de ruiten om een ramp te voorkomen.

Anton Constandse kan niet op de receptie voor Aurelio Peccei komen, evenals André en Julian Spoor. André moet naar Parijs. Ik vertelde Constandse met welk interviewboek ik bezig was voor Bruna: ‘Dan ben jij toch nog de voornaamste internationale reporter van het oude Handelsblad-stelletje geworden,’ zei hij.

2 november 1972
Ging gisteravond naar het Vondelpark en liep vrijwel meteen tegen een blonde onderwijzer uit Alkmaar aan. Hij kwam mee naar Amerbos. Een niet onaangename nachtelijke rag party was het gevolg.

Eigenlijk begon Constandse gisteren te lachen toen ik de naam Club van Rome noemde: ‘Geloof je erin?’ vroeg hij. Daarop noemde ik hem enige namen van reeds geïnterviewde ‘grootheden’ en pas toen maakte hij bovenstaand opmerking, die me goed deed omdat hij dat zei.

To the Editor: The world is rightly outraged by what happened in Munich and before at Tel Aviv's airport and many other places.
But it would be a dangerous mistake to concentrate indignation only on these mad acts of violence as they are the direct result of the world's indifference to the problems faced by thousands of Palestinian families who are still waiting to see their problem solved.
Alain Vidal-Naquet
New York, Sept. 8, 1972

Alain heeft een brief in de Times gezet welke precies mijn eigen standpunt in de zaak van München verwoordt.

Gisteravond ging ik met mam dineren. Ik ergerde me voor de zoveelste maal aan haar beige plastic handtas. Weet niet waarom, maar ik heb het deze keer gezegd: ‘En u hebt nog wel zo'n mooie.’ [Waarmee ik doelde op een zwarte tas van Saks Fifth Avenue die ik voor haar had meegebracht uit New York en die ze nooit gebruikte.]

Erik van der Leeden belde. Hij zal Loet Kilian helpen met wiskunde voor zijn vliegexamen. Indische jongens onder elkaar. Lief.

Böttcher blijft onbereikbaar en laat dan Lucia zeggen dat hij is verhinderd. De lul. Lucia vraagt altijd naar Peter.

Casper Bake die ik sinds Pasen niet meer heb gezien schrijft een aardige brief dat hij het contact weer hersteld wil zien. Always okay with me ten aanzien van hem.

donderdag 31 oktober 2019

Peter R. de Vries • 1 november 2005

• Peter R. de Vries (1956) is een Nederlandse misdaadverslaggever. In 2005, toen hij kortstondig lijsttrekker was van een door hem opgerichte politieke partij, hield hij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands dagboek' bij.

Dinsdag
Drukke dag. Ook mijn tv-programma loopt door en hoewel mijn fantastische crew heel veel voor me opvangt en weghoudt, moeten er natuurlijk toch dingen gebeuren. Jan Nagel komt langs en meldt dat hij heeft ontdekt dat de vraagstelling van het NIPO verschilt met wat we eigenlijk met elkaar hadden afgesproken. De ondervraagde kiezers moesten `eens' of `oneens' invullen op de vraag of ik naar Den Haag moet, maar het NIPO heeft er ook de mogelijkheid `geen mening' aan toegevoegd. Dat zorgt er voor dat de lat nog hoger ligt, statistisch gezien. Moeten we het NIPO dit laten veranderen? We zijn het snel eens dat dit niet kan. De vraagstelling is op de persconferentie uiteengezet, als we daar nu achter de schermen aan gaan sleutelen word je snel en terecht beschuldigd van manipulatie om je doel te halen. Ik zie de koppen al voor me. De partij van Rechtvaardigheid, jaja. Geen denken aan dus.
Ik ben behoorlijk afgepeigerd na deze dagen, maar duik 's avonds toch de sportschool in.

Woensdag 2 november
Vandaag opnamen in Limburg, voor de `Roermondse Kerkhofmoord'. Een bizarre zaak, waarbij een bejaarde man op een begraafplaats bij het graf van zijn vrouw is beroofd en mishandeld. Een paar dagen later is hij aan de gevolgen overleden. De plaats van het delict is nu tevens zijn graf. Er is een verdachte gearresteerd, maar die is door de rechtbank terecht vrijgesproken. Zowel heen als terug is het één lange file op de weg. Ik denk aan ons proclamatiepunt dat pleit voor gratis openbaar vervoer. Onderweg bel ik veelvuldig met het duo Schouten & De Back, dat is wel weer handig als je toch vast staat. Op het Radio 1-journaal geef ik vanuit de file commentaar op de liquidatie van John Mieremet in Thailand. Een beetje gangster haalt de vijftig tegenwoordig niet.
's Avonds met Royce twee keer drie kwartier zitten zuchten, vloeken en mopperen als Ajax tegen FC Thun speelt. In de 91ste minuut springen we juichend op als Ajax toch nog de overwinning pakt. Eind goed, al goed.

•••

Leest momenteel: Bom in de Laurierstraat, Hendrik Jan Korterink
Heeft in de cd-speler liggen: Leonard Cohen
Laatste vakantie: Zanzibar
Laatste keer gesport: Gisteren
Laatste keer uit: Zaterdagavond naar `Pluche' in Amsterdam
Gelooft in: Gezond verstand

woensdag 30 oktober 2019

Fernand Auwera • 31 oktober 1986

• Fernand Auwera (1929-2015) was een Vlaamse schrijver. Hij publicerde dagboekfragmenten in Dietsche Warande en Belfort.

31 oktober 1986
Naar opening Boekenbeurs, maar eigenlijk was ik liever thuis gebleven om verder te lezen in het ‘Dagboek’ van Edmond en Jules de Goncourt. Besloten tijdens de lectuur van dit dagboek zelf een dagboek bij te houden. Vervolgens ga ik porno lezen.

1 november
Geen kater. Opening van de boekenbeurs gisteren met ballet en toespraken, theater dus. Minister Dewael kondigde, zoals verwacht, het leenrecht aan en burgemeester Cools zei, pratend over zich aan ons taalgebruik ergerende Nederlanders: ‘Filologie is een wetenschap en geen strafrecht.’ Vervolgens het klassieke etentje van uitgeverij Houtekiet (dat voor het eerst plaatsvindt maar toch meteen klassiek is omdat het een Manteau-traditie verder zet). Lucienne Stassaert vroeg zich af waarom haar dochters steeds weer verliefd worden op dichters. Waarschijnlijk omdat ze de charmes van romanciers nog niet hebben ontdekt. Het eten was niet fameus. Geen dronken mensen gezien, maar ook niet tot het laatst gebleven.

10.30u. Obligaat bezoek aan het kerkhof. Staande voor het familiegraf herinner ik me wat ik enkele dagen geleden in een interview voor de televisie heb gezegd: ‘Er zijn dagen waarin het besef dat ik moet sterven me wanhopig maakt. En er zijn dagen dat ik me zo rot voel dat het besef dat ik moet sterven een troostende gedachte is. Maar er zijn weinig of geen dagen dat ik niet lach.’ Ik constateer ook dat het, chronologisch gezien, mijn beurt is. Het graf (eeuwigdurende eigendom) is weliswaar vol, maar dat maakt natuurlijk weinig uit. Overigens laat ik me toch cremeren.

14u. De soms onthutsende combinatie van artistieke progressiviteit en sociaal conservatisme, van intellect en ijdelheid, van scherp inzicht en maatschappelijke blindheid, van historisch aanvoelen en burgerlijke bekrompenheid, maken van het dagboek van de Goncourts verrukkelijke lectuur.

Ik heb hardop gelachen met deze notitie van 3 juni 1858: ‘Na het eten spraken we over de verschillende manieren van doodgaan, over de onaangename en de mooie manieren van sterven: de dood kan weerzinwekkend zijn, zoals in het geval van de guillotine of zacht, zoals bij een beroerte; alles bij elkaar genomen en afgezien van de gangbare vooroordelen, geloven wij dat het goed is om op hoge leeftijd te vertrekken, als je je naam gevestigd hebt, en wel na het diner, in schoon linnengoed, op het hoogtepunt van het genot, en dan nog tijdens de ejaculatie aan de andere kant van de coulissen voor een troon te vallen, waar de god van de katholieken met de stem van de grootvader van Prudhomme tegen je zegt: ‘Iets lager, mijnheer, u maakt me helemaal nat.’

Hoe zou de dag waarop dat werd genoteerd er hebben uitgezien? Zon of bewolkt, was dat een maan- of een zondag? Ik heb het altijd moeilijk met data, plaats dus moeilijk iets op de tijdrepel van de geschiedenis (hoe zag 1858 eruit?) en dat is een gevolg van mijn uitgesproken aversie voor getallen. Ik heb moeite met de meest eenvoudige sommen, vergeet onmiddellijk elk bedrag of hoeveelheid, maat of gewicht, kortom alles wat uit cijfers bestaat. Behalve telefoonnummers, maar dat zijn eigenlijk woorden geworden, een soort pseudoniemen.

21.15u. Als middel tegen de droefheid, die soms even onverwacht opduikt als darmkrampen, vlug ‘Het Circus van de Slechte Smaak’ van Tom Lanoye gelezen. Iedereen zegt dat het zo goed is, zelfs de Nederlanders (maar die lachen veel vlugger dan wij, hebben meer redenen). Er staan inderdaad zeer goede stukken in, maar ook een aantal flauwigheden. Je moet het hem eigenlijk zien spelen, zegt men steeds, hij is een geboren performer. Meteen dan ook die ene goede schrijver die beter is als je hem ziet dan als je hem leest. Gewoonlijk is het omgekeerd. Tenzij Lanoye geen goede schrijver is. Toch begrijp ik zijn Nederlands succes niet zo goed, want zijn spot en sarcasme bestaan nauwelijks naast bijvoorbeeld Gerrit Komrij, zijn polemiek haalt het gehalte niet van Jeroen Brouwers, hij is niet zo belezen als W.F. Hermans en schrijft niet zo virtuoos als Piet Grijs - er zijn er daar zoveel aan het ruziën. In elk geval is Lanoye ook interessant als hij ernstig is, zoals zijn stuk over Hans Warren bewijst. Ingrid van der Veken zei me eens, terecht, dat veel critici boeiender zijn als ze kunnen afbreken. Dat is eenvoudig te verklaren, want als men iemand positief wil evalueren kijkt men een beetje uit hoe men dat doet. Termen als groots, uniek en geniaal gebruikt men normaal slechts zelden, tenzij men medewerker is van een obscuur literair tijdschrift waarin men de twaalfde dichtbundel bespreekt van een nog steeds volkomen onbekend poweet. Maar als men sloopt kan men er ongeremd tegenaan gaan, en de lezers die zo wantrouwig zijn bij een loflied leidt men aan de teugel van het leedvermaak precies waar men wil.

dinsdag 29 oktober 2019

Koos van Zomeren • 30 oktober 2009

Koos van Zomeren (1946) is een Nederlandse schrijver. Dit fragment komt uit Naar de natuur, een natuur- en mijmerdagboek ineen.

29 oktober Er zijn dagen dat ik bespottelijk weinig te doen heb. Twee telefoontjes - en als het ene gelukt is, denk ik: laat ik het andere maar uitstellen, dan heb ik morgen ook wat te doen. Daarover dan een dagboekaantekening, en het zit er weer op. Het zal niet lang meer duren of ik kan mijn Dostojevski's gaan herlezen.

30 oktober Rondje Elten-'s Heerenberg, ruim 20 km. Toen we in het Bergherbos een perceeltje voormalig eikenhakhout in liepen, weerklonk de alarmroep van een specht, maar anders dan anders. Ik zag hem even zitten - voordat ik hem in de kijker kon krijgen, was-ie weg. Maar een kleine bonte, geen twijfel mogelijk. Grappig, de laatste tijd had ik al een paar keer gedacht: wat heb je toch weinig kleine bonte spechten gezien in je leven. Zo gaat het wel vaker - net of je geest en je zintuigen zich instellen op een waarneming die nog moet komen (en komt-ie niet, dan vergeet je die voorbereidingen gewoon).
De omvang van hun broedpopulaties in aanmerking genomen, zou je op elke tien grote bonte spechten één kleine moeten zien. Nou, dat haal ik bij lange niet. In dertig jaar een stuk of vijf, zes. En het zijn zulke leuke vogels. Net of je even een kijkje in Madurodam neemt.
Verder geen bijzonderheden, of het moest zijn dat het landschap zich zoetjesaan ontdeed van de ochtendnevels en steeds verleidelijker in de zon kwam te liggen. Vergezichten. Hier en daar kon je je in de Jura wanen. De herfst inderdaad op zijn hoogtepunt.

maandag 28 oktober 2019

Charles B. Timmer • 29 oktober 1950

Charles B. Timmer was een Nederlandse schrijver en vertaler. Poolse dagboeknotities 1950-1952.

Szczecin, 29.10.1950. Bij een tramhalte staat een zigeunervrouw gehuld in vele lagen bontgekleurde rokken. Naast haar dribbelt een donker meisje van een jaar of zes in eenzelfde tenue van wijde, geplooide stroken die tot de enkels reiken en een gebloemd jakje. Opeens begint het zigeunermeisje sierlijk te dansen op het trottoir. Haar bewegingen zijn van een volmaakte gratie. Haar zwarte ogen lachen spottend. Dan blijft zij staan, haalt uit haar zak een sigaret en steekt die in haar mond. De oudere vrouw grist haar de sigaret uit de mond en klampt een voorbijganger aan voor vuur. De man, het type van de laag bezoldigde rijksambtenaar, strijkt een lucifer af en bedient de vrouw welwillend en hoffelijk. Ondertussen is het kleine meisje achter de rug van de klerk gekropen en onderzoekt met de magere bruine vingers de zakken van de menslievende, geen kwaad vermoedende pan dobry. De ogen van het kleine meisje lachen spottend. Er verdwijnt iets in de ruime zak van haar rok. Dan nadert er een tram die bij de halte stopt. De zigeunervrouw en het meisje springen snel in de achterste wagen. Als zij merken dat de ambtenaar hen volgt worden zij zenuwachtig, dringen zich door het publiek naar voren en bereiken het voorbalkon. Wanneer de tram in een bocht vaart vermindert springen zij er behendig uit.

Op het trottoir gekomen begint het kleine meisje te dansen, haar bewegingen zijn volmaakt van gratie. De zigeunervrouw rookt, staat met een ernstig, peinzend gezicht op de volgende tram te wachten en neemt geen notitie van het kleine meisje.

zondag 27 oktober 2019

Danièle Sallenave • 28 oktober 1990

Danièle Sallenave (1940) is een Franse schrijfster en journaliste. Gepasseerd station (vertaald door Rosalie Siblesz) bevat dagboeknotities uit de periode 1990-1991.

[28 oktober 1990]
Vijftig jaar. Precies midden in de nacht, midden op die lijn. midden tijdens die overgang waar ik tegen opzie, werd ik wakker. Absoluut overtuigd (gevoel dat sindsdien volkomen is weggezakt) dat het afgelopen is, dat alles voorbij is. Alsof opeens een stem me zei: je tijd is op.
En toch, het gevoel dat ik kerngezond ben, in de kracht van mijn leven, zonder een rimpel, zonder een teken van verval. Maar dat is nog erger; het is alsof ik levend in de dood en de afwezigheid van tijd wordt gestort; levend in de vlammenzee of liever de gletsjer van de dood terechtkom. De Grieken hadden de mythe van Tithonos uitgevonden, aan wie de goden onsterfelijkheid hadden geschonken, maar vergeten waren daarbij de eeuwige jeugd te geven. Wij in deze tijd kennen het omgekeerde: de mogelijkheid lange tijd jong te blijven maar zonder onsterfelijkheid. Hij was een Seniele Onsterfelijke; wij zijn Eeuwige Pubers, die op een dag worden verrast door de dood. Vroeger hadden de 'ouden' tenminste niet veel meer aan de aarde toe te vertrouwen. Wij worden in één klap van alles beroofd, ook al zijn we oud. Ongeschonden, maar toch oud en niet minder verdoemd. Moderne hel.


Danièle Sallenave (1940) is een Franse schrijfster en journaliste, lid van de Académie française. In 1990-1991 reisde ze door vrijwel alle (voormalig-)communistische landen; in Gepasseerd station doet ze verslag van de omslag die daar (en in haarzelf) plaatsvond.

Theodor Fontane • 27 oktober 1870

• De Duitse schrijver Theodor Fontane (1819-1898) verbleef tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 in Frankrijk, en werd krijgsgevangen genomen en zelfs ter dood veroordeeld toen de Fransen hem van spionage verdachten. Uiteindelijk werd hij gered na tussenkomst van Bismarck. Uit: Brieven (vertaald door Tinke Davids).

Besançon, 27 oktober 1870
Ik voeg bij deze regels een briefje waarop je kunt lezen wat ik in Roche-sur-Yon wil hebben. Je moet eerst op het postkantoor informeren of het wel mogelijk is (altijd par la Suisse) een dergelijke kist te sturen, en wanneer ze 'ja' zeggen, moet je vragen hoeveel het kost. Als het minder dan vijf reichstaler kost, stuur het me dan toe, kost het meer, doe het dan niet. Natuurlijk zou het ontvangen van die dingen mijn comfort ten zeerste vergroten, aangezien ik eigenlijk niets bij me heb. [...]

Verlanglijst voor de uitzet in Roche-sur-Yon:
1. Twee daghemden. De Deense boordeknoopjes
2. Twee nachthemden. Een nachtshawl
3. Zes goede boorden
4. Drie paar wollen kousen
5. Een onderbroek. (Omdat ik het 's nachts altijd koud heb)
6. Een buikband
7. De oude rode pet, after having been cleaned
8. Een vrij oude, zwarte, wit gestippelde broek; maar niet bij voorbeeld de dikke peper-en-zoutkleurige
9. Het zwarte vest, waar Basedow een schootje aangezet heeft
10. De laarzen met het rimpelige, slecht uitziende bovenleer
11. Een paar vilten zolen, als schoenen geprepareerd (als die zich nu in Toul bevinden)
12. Het gebruikte Engelse scheermes uit het Merington-doosje en de 'strop' die jij me eens hebt gegeven
13. Doosje met baby-pins
14. Een strikdas of zwartzijden halsdoek. Mag al gebruikt zijn
15. Een oude wollen shawl

vrijdag 25 oktober 2019

Hugo van Ryck • 26 oktober 1561

Journaal van Hugo en Cornelis van Ryck betreffende hun reis naar Jeruzalem is een reisdagboek van de Delftse bierbrouwer Hugo van Ryck, die op 10 mei 1561 met zijn zoon Cornelis uit Delft voor een pelgrimstocht naar Jeruzalem vertrok en op 26 maart 1562 in zijn vaderstad terugkeerde. Op 25 oktober waren ze op Cyprus aangekomen.

[25 oktober 1561]
Den XXVen octobry syn wy nae middage gecomen tot Salinis [plaats op Cyprus] opte ree waer dat leggen 5 groote Veneetsche scepen, daer een onder was daer 2 trompetten ende claretten [soort trompetten] op waeren die ons triumphelicken eerden met speele doen wy daer verby seylden met onsse ra fock, ende wy schooten dry stucken [geschut?] off.

[26 oktober 1561]
Den XXVIen octobry soe voeren wy smorgens mette gondel naer tlant. Doe wy op een boechscoot ant lant quamen, ginck die lant zee soe holl soe dat wy weder sceep mosten. Ende naer middage voeren wy weder naer tlant ende mosten noch weder keren.

[27 oktober 1561]
Den XXVIIen octobry syn wy smorgens voor de son metten grooten boot gelyck ant lant gevaeren ende syn voorts te voete gegaen te Salinis twelck is anderhalff Lombaertsche mylen vander zee, ende syn daer in een herberge gegaen ende hebben selffs te mart gegaen ende bleven daer totten avont ende syn gegaen alden nacht naer Famegusto mits hebbende een convoyer die wy gaven onder ons elven 2 moetssenegro [Venetiaanse zilveren munt].

[28 oktober 1561]
Den XXVIIIen octobrij syn wy smorgens mette son gecomen binnen Famegusto ende syn gelogeert tot [een] boscieter genaemt meester Maerten vander Gues in Zeelant, ende heeft oock gewoent te Delfft voerden brant inde Seven sterre, welcke ons seyde dat hy uuyt Nederlant geweest hadde 44 jaeren, ende wy hebben dien dach aldaer gerus[t].

donderdag 24 oktober 2019

Maarten Mooy • 25 oktober 1786

• Maarten Mooy (1739-1817) kwam als commandeur van de walvisvaarder Frankendaal vast te zitten in het ijs bij Groenland. Uit: Omstandig journaal van de reize naar Groenland, gedaan door commandeur Maarten Mooy, met het schip Frankendaal (1787).

[25 October 1786]
Woensdag den 25. ’s morgens de Wind O.Z.O. met goed weer; doch deinzige Lucht, ’s middags deelde Provisie uit aan 24 Engelschen, bestaande circa in 2 Ton Vleesch en ½ Vat Brood; terwyl zy nog voor 10 dagen Brood in voorraad hadden eer zy my weder konde vragen; doch zulks stond ik haar toe dewyl zy de disperaate onderneeming deeden om naar Ysland te vluchten; wy gaaven dezelve ook 2 Sloepen, en Zeilen om Tenten over de Sloepen te maaken; zy kookten hun Vleesch en bekuipten het in 2 Tonnen; wy raaden hun deeze Onderneeming af noch aan; doch moedigde hen in zo ver aan, dat zy niet moesten beginnen dan met een kloeken moed om te volharden; en dus vooraf wel geresolveerd te zyn; ’t geen zy dan ook betoonde, en dewyl het naar Menschen oogenschyn een dwaas Conçept van hun was brachten zy ons niet weinig in Confusie; ’t geen myn hart zo beknelde dat ik ook een Brief aan myn Patroon, en een naar myn Vrouw en Kinderen mede gaf, of ’t de Voorzienigheid behaagen mogt hun door de Vlucht te redden en ons in ’t Ys te laaten omkomen: de Eerste aan myn Directeur de Ed. Heer JAN GILDEMEESTER JANSZ., behelsde in substantie een kort Verhaal uit myn Journaal uitgetrokken en een verslag van onze allerdeerniswaardige Omstandigheden; ’t slot van deezen Brief luiden dus: “Thans gaat het Engelsche Volk meest van ons met de Sloepen vluchten over ’t Ys; of zy Ysland nog mogten bekomen; wy leggen vast bevrooren; kunnen zomtyds kleine Watertjes zien, doch vreezen schielyk wederom digt te zullen zyn; dryven daaglyks heel weinig Zuidwaards, meest na dat de Winden waaijen; wat wy doen of laaten zullen, is my nog onbekend; wanneer wy Ysland in ’t gezicht krygen en de Scheepen niet los konde komen, mooglyk zullen wy dan ook moeten resolveeren om aan de Sloepen ons over te geeven om te vluchten; God hoope ik, zal in deeze akelige Omstandigheden, onzen beste Raadsman zyn; wy hebben nog voor omtrent 3 maanden Provisie; zyne Almacht smeeken wy zal het voorzien; ons Schip heeft tot nog toe geen schaade en God heeft ons tot dus verre wonderlyk bewaard; met dezen te bekorten, (’t geen God hoop ik verhoede,) niet te regt mogt komen, zo wensche verder alles ’t geen U naar Ziel en Lichaam kan gelukkig maaken en groete U Ed. voor Eeuwig Vaarwel, benevens de geheele Redery. En verzoeke als dan een gunstig aandenken van Milddaadigheid aan myn lieve Vrouw en Kinderen.”

(Deeze was getekent.)
In ’t West-Ys, in groote Droefheid op de Noorderbreedte van 68 gr. 11 min. in zwaare bezetting den 25. October 1786.
 MAARTEN MOOY.

 De andere naar myn Vrouw, Kinderen en Familie, was zo men ligt begrypen kan, niet min aandoenlyk en niet zonder telkens traanen te storten geschreeven; wat konde ik anders doen, daar ik myn nood niet kon verzwygen, of ik moest haar en alle de onzen voor eeuwig Vaarwel zeggen, Godt aan te beveelen om in Hem de beste troost te zoeken; deezen omstandige Brief las ik myne 3 Zoons, die ik niet zonder ontroering beschouwde, voor, en liet dezelve nevens my ondertekenen. Met deeze Brieven, en een hartelyken goeden Reis wensch, vertrok dan deeze eene Engelsche Commandeur, William Allen, met 32 Man en 2 Sloepen, een van het Deensche en een van het Zweedsche Schip; doch wy van Steng af met helder weer geen water konden zien. Deezen dag verkochten een Vat-Staart, aan Commandeur Volkert Klaasen, voor zyn Volk om te eeten, voor tien Guldens voor welke prys wy de voorige ook verkogt hadden; wy bespeurde eenige deining; doch ’t wilde hier by ons Schip nog niet breeken; ’s avonds de Wind Z.O met mooy weer; ’s nachts deinde het by ons altemaal stukken.

woensdag 23 oktober 2019

Ernst Heldring • 24 oktober 1923

Ernst Heldring (1871-1954) was een Nederlandse reder, bankier en politicus. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.

24 October 1923
Mevrouw Quack, weduwe van H.P.G., stierf eergisteren, 82 jaar oud. Het bedroeft mij zeer haar te moeten missen. Zij was de beste vriendin van mijn moeder en wij gingen dikwijls met haar een praatje over den ouden tijd en de tegenwoordige wereld maken. Zij was een eenvoudige vriendelijke vrouw, gezegend met een groote dosis gezond verstand, die haar man in hun bijna 50-jarig huwelijk tot grooten steun is geweest. Tot het laatste toe had zij faculteiten ten volle ter beschikking. Nu heb ik niemand meer uit het vorige geslacht die mij in mijn kinderjaren gekend heeft.

Ik geloof niet, dat ik vroeger over Quack zelf gesproken heb. Ook hem heb ik van mijn prille jeugd af gekend. Hij en zijn vrouw zagen onze ouders veel, en ik herinner mij dat ik als kleine jongen bij hen in hun woning aan de Bank (Quack was toen secretaris der Nederlandsche Bank) koffiedronk en veel vermaak schepte in een kanarie, die op tafel rondwipte. Later had ik veel aanraking met Quack, die jarenlang president-commissaris der Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij was. Hij was een charmante en geestige causeur en wist zijn gezelschap van zijn ontzaggelijke kennis van politieke economie en kunst te doen genieten. Hij was echter steeds bang te kwetsen en te hinderen, durfde zijn werkelijke opinie alleen achter den rug van hem wien het aanging uit te spreken, vleide en paaide steeds en was zoodoende ‘double-faced’ (de term dien mijn vader, van hem sprekende, placht te gebruiken). Daarbij had hij geen begrip van zaken, zoodat ik dikwijls moeilijke oogenblikken met hem gehad heb. In dagen van werkstaking was hij nog meer nerveus dan gewoonlijk, daar hij dan, hoewel in den grond zeer gehecht aan aardsche goederen, te veel herinnerd werd aan zijn (salon) socialistische uitingen. Toch dorst hij zich niet tegenover de directie, die dikwijls lang pal tegenover de eischen der arbeiders moest staan, krachtig uit te spreken. Hij was geen groot man, maar hij bezat wel den fijnbeschaafden toon die langzamerhand uit toonaangevende kringen verdwenen is.

dinsdag 22 oktober 2019

E. du Perron • 23 oktober 1936

• De Nederlandse schrijver E. du Perron (1899-1940) publiceerde in 1939 Scheepsjournaal van Arthur Ducroo, een ietwat gefictionaliseerd journaal van een bootreis die hij maakte in 1936. Du Perron-biograaf Kees Snoek schrijft er hier meer over.

23 October
Wij zijn de Rode Zee nu uit. Ze heette koel voor haar doen, maar toch... Wat je uit de douche kreeg was warm zeewater, slecht af te spoelen, een nieuw kleverig gevoel gevend. Geen brieven geschreven, je zou het met transpiratie inplaats van met inkt hebben gedaan. Er bestaat bij europese vrouwen een grote behoefte om de temperatuur op Java te vereenzelvigen met die van de Rode Zee. Gelukkig dat de Indische warmte niet overschat wordt in het boekje met ‘wenken’ van een dr Nijland: Als dameskleeding overdag, buitenshuis, is aan te raden: een licht ruime blouse en rok, met zoo weinig mogelijk onderkleeding, n.l. dun katoenen hemd, onderlijfje, pantalon en onderrok. Wat mij betreft, ik zie de manspersonen sinds de hitte als belachelijke oude jongens in hun ‘shorts’ en neem mij voor deze klederdracht nooit tot de mijne te maken.

Deze middag, toen ons zoontje sliep, en hij Jane en mij alleen op het dek zag zitten, is onze boy Rasidi mij in het maleis verhalen komen doen. Hoe hij uit een desa in het Buitenzorgse naar Batavia was getrokken, hoe hij daar gewerkt had, daarna boy op een boot was geworden en in Holland gebleven in een indisch restaurant. Hoe hij hollandse lessen gekregen had van een javaans edelman, en hoe hij en de andere boys elkaar later die lessen overgedaan hadden, thuis, met een zwart bord; voor de goedkoopte, zoals ze elkaar ook schoren omdat de kapper te duur was. Hij, Rasidi, had met lesgeven en scheren soms wel f 60 in de maand verdiend.

Maar hij was nu zolang weggebleven en zijn vader had hem teruggeroepen; zijn moeder was ondertussen gestorven. Hij liet mij het briefje zien dat hem namens zijn vader geschreven was, een brief je met duizend kreukels en in de geijkte stijl: je vader laat je zeggen dat hij nu zo vaak ziek is en graag geld zou hebben voor medicijnen, stuur dat dus; je zuster Zo is getrouwd, je twee zusjes Zo en Zo zijn nog thuis, maar al groot, je broer Zo werkt daar en je andere broer bebouwt nog altijd het land hier; je vader verlangt er erg naar je te zien; vergeet niet geld te sturen, aan dit en dat adres, want de kosten zijn groot.

Deze sociale bijzonderheden interesseren mij minder dan het wonderverhaal dat erop volgt. Zijn vader was eigenlijk ook een soort tovenaar, zei Rasidi; hij kon genezen met het woord en als hij boos was, werd hij gevaarlijk zonder dat hij het zelf helpen kon. Als bewijs van het eerste dit: Rasidi was eens met zijn broer het bos ingegaan om hout te halen - vermoedelijk om het te stelen - want zijn vader had geen geld gegeven; hij had toen drie vrouwen en Rasidi's moeder kwam te kort. Bij het wegslepen van een boomstam was het ene eind hem uit de handen geslipt en hij had het op zijn voet gekregen, die onmiddellijk ontzettend dik opgezwollen was. Hij stond als op de plek vastgenageld en op datzelfde ogenblik zag hij zijn vader aankomen, die tegen hem zei: ‘Wat heb je gedaan? Ik heb je toch gezegd dat je zulke dingen niet doen moest!’ waarop Rasidi had geantwoord: ‘Habis? (en dan?) er is geen geld meer thuis’. Zijn vader was dichterbij gekomen en had naar de voet gekeken; daarna iets gepreveld, en in een ogenblik was de zwelling weg. Rasidi kon weer doorlopen en zei bij zichzelf: ‘Maar dan is het toch waar, dat mijn vader grote macht bezit, want hij heeft alleen maar iets gepreveld en zoeven nog dacht ik dat ik mijn voet verliezen zou’.

De broer daarentegen die hem toen vergezeld had, zijn oudste broer, was door zijn vader doodgeslagen in een onbewaakt ogenblik. Het was overigens de schuld van de broer zelf geweest. Hij had een beetje geld gekregen van zijn moeder om wat handel te drijven en op een avond had zijn moeder hem afrekening gevraagd. Hij was toen zo woedend geworden, dat hij zijn moeder het geld in het gezicht smeet. Zijn vader zat erbij en die was op zijn beurt boos geworden over de onbeschoftheid, en had de jongen een klap gegeven, één klap maar, met de open hand, op zijn rug. Rasidi's broer was ziek geworden en 3 dagen later overleden. Het had zijn vader zelf erg gespeten, lichtte hij toe toen ik hem ernaar vroeg, maar er was niets meer aan te doen geweest; de uitwerking van zijn eigen klap, die hem in boosheid ontsnapt was, had hij niet tegen kunnen gaan: de jongen moest sterven. En hoe vreemd, toen hij dood was, had Rasidi zelf gezien hoe op de rug van het lijk de open hand van zijn vader duidelijk stond afgetekend, met alle vingers, helemaal zwart.

‘Is dat nu waar?’ vraagt Jane. Ik denk van niet of niet helemaal; maar ik durf het zó toch niet zeggen: wij gaan het Oosten tegemoet en het verhaal is er te mooi voor.

maandag 21 oktober 2019

Zygmunt Klukowski • 22 oktober 1942

Zygmunt Klukowski (1885-1959) was hoofdarts in een klein Pools ziekenhuis. Hij hield gedurende de oorlog een dagboek bij, dat in 1959 werd gepubliceerd.

October 22, 1942
The action against the Jews continues. The only difference is that the SS has moved out and the job is now in the hands of our local gendarmes and the 'blue police.' They received orders to kill all the Jews, and they are obeying them. At the Jewish cemetery huge trenches are being dug and Jews are being shot while lying in them. The most brutal were two gendarmes, Pryczing and Syring.

The Jews that were moved yesterday out of Szczebrzeszyn were held at the Alwa plant. Around 9 P.M. another group of Jews from Zwierzyniec were brought in. Today around noon all were loaded into railroad cars, but by 4 P.M. the train had not moved. It is very cold and rainy. After the Jews were loaded into the cars, factory workers collected and brought to an assembly area money, gold, jewelry, and pearls.

In town some of the Jewish houses were sealed by the gendarmes, but others were left completely open, so robberies took place. It is a shame to say it but some Polish people took part in that crime. Some people even helped the gendarmes look for hidden Jews. The Germans even killed small Jewish children. It is hard to describe.

It is so terrible that it is almost impossible to comprehend. Legally the Jews don't exist in Szczebrzeszyn anymore, but still many Jews are in hiding. All will be killed sooner or later. I went to city hall today. The total number of Jews killed - they call them disabled - is unknown. Even the best specialists were exterminated. We can feel the shortage of good mechanics.

zondag 20 oktober 2019

Hanny Michaelis • 21 oktober 1942

Hanny Michaelis (1922-2007) was een Joodse Nederlandse schrijfster. Haar oorlogsdagboek is onlangs in twee delen verschenen bij Van Oorschot (bezorgd door Nop Maas).

[wat voorafging, zelfde dag]

21 october
[...] Op de terugweg een ernstig gesprek gehad met mijn gastheer (nu wél gearmd want zonder Ko), weer over zijn onverschilligheid t.o.v. de dood en dus ook het leven. Ik verwijt hem voorzichtig, dat hij zich te makkelijk laat meetrekken naar de materialistische kant van het leven en dat volgens mij daarin de oorzaak van zijn landerige houding schuilt. Hij geeft dit spijtig toe en zegt dat hij vroeger heel anders was - dat: hij pas in zijn huiselijk zo is geworden. We praten erop door zonder er gevaarlijk diep op in te gaan en ik maak toespelingen op het feit, dat de kinderen dit materialisme al met de paplepel wordt ingegoten en dat het me voor hén nog gevaarlijker lijkt. Ook hier is hij het mee eens. Maar ook hier is zijn houding: 'Wat doe je eraan?' En inderdaad, als iemand er zó tegenover staat, zo weerstandsloos, dan is het een verloren zaak. Maar begrijpen doe ik zoiets niet en ik hoop het vooreerst nog niet te leren begrijpen. Ik dacht dat: zo'n levensbeschouwing pas kwam tegen je zeventigste jaar, ik wist niet dat mensen van 36 jaar er al zo over konden denken. Het is wél een bewijs hoe onbevredigd dit leven hem laat; trouwens als iemand spreekt van 'zijn troost zoeken in de lach' is het al niet twijfelachtig meer hoe hij ervoor staat.
   Toen we thuiskwamen hebben we nog een hele poos zitten kletsen met mijn gastvrouw en later kwam Ko ook thuis. Mijn gastheer en ik waren in een wonderlijk eensgezinde stemming. Er heerste een soort stille verstandhouding tussen ons.
   Toen ik gisteravond zo met hem liep te praten, voelde ik me ineens heerlijk jong en sterk en bijna benijdenswaardig van verwachting. Ik werd me er weer duidelijker dan ooit van bewust dat liet leven voor mij pas begint, dat ik er nog alles van mag verwachten en het ook doe.
   Overigens trachtte mijn gastheer zich vrij te pleiten met het argument, dat je vanzelf aan lekker eten gaat hechten als je eenmaal behoorlijk geld verdient. Ik bedacht dankbaar hoe weinig waarde er bij ons thuis aan eten en drinken werd gehecht en ik weet zeker, dat daarin geen verandering zou komen als we er meer geld voor beschikbaar hadden. Ik heb pappie nog nooit één woord aan etensaangelegenheden horen verspillen. Ik zou me ook niet kunnen voorstellen dat hij zich ooit voor keukengeheimen zou gaan interesseren, daarvoor is hij te fijnbesnaard - en tóch komt hij uit een gezin, waar ze niet zuinig hoefden te zijn en het ook niet waren.
   Maar ondanks alles blijf ik toch een zekere sympathie koesteren voor mijn gastheer. Hij is te zwak geweest, maar hij beseft wat hij heeft verspeeld en hij lijdt eronder.
   Vannacht heeft het vrij erg geonweerd, ik werd er tenminste wakker van en heb er met Dieuwie over geconverseerd.
   Vanmorgen weer kousen gestopt en Iberia van Debussy gehoord, zeldzaam mooi, ondanks interrupties van een brommende stofzuiger, een galmende Ko en een dwingerig Hansje.
   Na de koffie vertrok het echtpaar naar Utrecht en Ko, de kinderen en ik bleven allen thuis. Ik heb eerst 80 kilo appels naar zolder gebracht en daarna naar Les sylphides van Chopin geluisterd en door het raam van de eetkamer gekeken naar tic hoge populieren in het Oosten, die goudgeel afstaken tegen de strakke, hardblauwe herfsthemel. Het was prachtig weer geworden, de storm had de hemel opengewaaid en joeg grijze wolkengevaarten en witte flarden voor zich uit, terwijl het zonlicht uitbundig over de bomen plaste.
   Toen man en vrouw terugkwamen uit Utrecht bleek mijn gastheer vergeten te hebben een blocnote voor me mee te brengen wat hij me verleden week had beloofd. Ik was een beetje teleurgesteld zoals altijd wanneer ik merk, dat anderen iets vergeten waar ik op gerekend had.

zaterdag 19 oktober 2019

Denis Diderot • 20 oktober 1760

Denis Diderot (1713-1784) en Louise Henriëtte Volland (1716-1784) – bijnaam Sophie – hadden ruim twintig jaar een verboden liaison: Volland werd door haar familie afgeschermd van de getrouwde man en vrijdenker Diderot. Veel van zijn hartstocht wist hij echter om te zetten in woorden – in zijn brieven die hij haar schreef. Uit: Brieven aan Sofie (vertaald door Anneke Brassinga).

Grandval, 20 oktober 1760
Het gesprek is iets wonderlijks, vooral in een wat groter gezelschap. Ziet u maar wat een kronkelpaden we hebben gevolgd, net zo grillig en verward als de koortsdromen van een ijlende zieke. Maar toch, zoals alles samenhangt in de geest van een dromer of een gek, ook in een gesprek is alles met elkaar verweven, alleen is het soms heel moeilijk de haast onzichtbare schakeltjes terug te vinden die al die verschillende ideeën verbinden. De een vuurt een woord af, losgemaakt van wat er in zijn gedachten aan voorafging en erop volgde; een ander doet hetzelfde; en wie er een vangt, die boft. Een enkel fysisch gegeven al kan de gedachten op duizend-en-één verschillende dingen brengen. Bijvoorbeeld een kleur, geel. Goud is geel, zijde is geel, goudsbloemen zijn geel, gal is geel, licht is geel, stro is geel; de hemel weet hoeveel draadjes er nog meer aan dit ene gele draadje vastzitten! Waanzin, dromen en gesprekken in al hun wirwar bestaan erin dat men via de gemeenschappelijke eigenschappen van het een op het ander komt.
Een gek weet niet dat hij in het een het ander ziet. Hij houdt een gele glanzende strohalm vast en roept dat hij een zonnestraal te pakken heeft. Veel mensen lijken op hem; ikzelf misschien ook, op dit moment.

vrijdag 18 oktober 2019

Peter Matthiessen • 19 oktober 1973

Peter Matthiessen (1927-2014) was een Amerikaanse schrijver. In De Sneeuwluipaard (vertaling Victor Verduin) doet hij verslag van een trektocht door de Himalaya.

19 oktober
[...] Op een avond vorige maand in Kathmandu, kwam een jonge bioloog die de leiding had van een veldprojekt in de Arun Vallei in Oost-Nepal naar onze tafel en zette een gipsafdruk neer van een grote primatenvoet; dit afgietsel was zes maanden geleden gemaakt in de sneeuw rond zijn tent. De sporen liepen naar beneden over de steile sneeuwhelling naar de beboste vallei; hij en zijn collega's waren niet in staat geweest ze verder te volgen. Het was duidelijk dat het hier ging om de 'verschrikkelijke sneeuwman' en ik wachtte erop dat GS [George Schaller, vriend en bioloog] iets skeptisch zou zeggen. Maar hij knikte alleen maar, pakte de gipsafdruk voorzichtig op, bekeek hem van alle kanten en zette hem weer neer met een ernstig gezicht; wat hem het meest interesseerde, zei hij uiteindelijk, was de overeenkomst van deze yeti-afdruk met die van een berggorilla. Later zei hij tegen me dat hij dat niet uit beleefdheid had gezegd en dat er voor hem geen twijfel bestond dat een dier dat nog niet wetenschappelijk beschreven was die afdruk had gemaakt. Ondanks het gespot van zijn meerderen, had GS vanaf het moment dat de alpinist Eric Shipton in 1951 de eerste duidelijke foto's had gemaakt van yeti-voetsporen op de Mount Everest, geloofd in het bestaan van een dergelijk beest. "Minstens 95 procent van het yeti-materiaal is onzin," vertelde GS, "maar op basis van de foto's van Shipton en nog wat ander bewijsmateriaal ben ik er van overtuigd dat er hier een dier leeft dat de wetenschap onbekend is." (Hij heeft wel zijn twijfels over de [Noord-Amerikaanse] sasquatch, waarvan het bestaan door niemand minder is geaccepteerd dan Dr. John Napier van de Universiteit van London, dé autoriteit op het gebied van primaten; Napier gelooft daarentegen niet in de yeti, hoewel de foto's van Shipton hem doen twijfelen. De theorie dat de yeti een overgebleven soort voorloper van de mens is, die lang geleden de dichte wouden is ingedreven door de opkomst van de Homo Sapiens die hoogstwaarschijnlijk wel meer primitieve hominidae heeft uitgeroeid, wordt niet geholpen door zijn vreemde, dierachtige voet waardoor hij eerder geplaatst zou kunnen worden in de groep subhominidae zoals de Gigantopithecus of zelfs in de klasse der apen. De honderden foto's en gipsafdrukken van sasquatchsporen daarentegen, tonen een zeer grote, ruwe mensachtige voetafdruk met de grote teen dicht bij de andere en niet apart zoals bij alle andere bekende primaten — een voetafdruk die gemaakt zou kunnen zijn door een Australopeticus-achtige soort vroege mens. (Dit geeft de interessante mogelijkheid dat de sasquatch niet 'de wetenschap onbekend' is, maar net zoals de coelacanth prematuur 'uitgestorven' is verklaard.)

Een sterk argument tegen het bestaan van zowel de sasquatch als de yeti (en het over de hele wereld voorkomende verschijnsel dat 'Grootvoet' wordt genoemd) is dat alle expedities die er op uit zijn getrokken om deze schuwe wezens te zoeken, met lege handen zijn teruggekomen. Hoewel dit ook kan betekenen dat het leefgebied van de Grootvoet vrijwel ontoegankelijk is en dat deze wezens na lange eeuwen van zich verborgen houden buitengewoon op hun hoede zijn. De beste manier om Grootvoet te vinden, zou waarschijnlijk zijn om een kamp op te zetten in een geschikt gebied en daar rustig af te wachten, totdat het wezen met de aan primaten eigen nieuwsgierigheid zelf op onderzoek uitgaat.

De regering van Nepal neemt de yeti serieus en er is een strenge wet tegen het doden van yeti's. Maar een van de wetenschapsmensen van de Arun Vallei-expeditie heeft een vergunning die hem toestaat een van deze wezens te vangen en ik vroeg hem wat hij zou doen als er op een goede ochtend een yeti binnen schootsafstand zou verschijnen; het leek me dat dit een besluit was dat je van tevoren moest nemen, voordat de gebeurtenis zich voordeed. De bioloog werd door deze vraag in verwarring gebracht; hij had deze moeilijke beslissing nog niet genomen, of als hij dat wel had gedaan, had hij er geen vrede mee.

Na een ogenblik keek hij op en stelde mij een moeilijke wedervraag. Hij kon begrijpen dat GS als bioloog honderden kilometers over hoge bergen wilde lopen om gegevens te verzamelen over in het wild levende dieren op de Tibetaanse hoogvlakte. Maar waarom ging ik? Wat hoopte ik te vinden?

Ik haalde ongemakkelijk mijn schouders op. Om te zeggen dat ik geïnteresseerd was in blauwschapen of sneeuwluipaarden of zelfs in afgelegen lamakloosters zou geen antwoord zijn op zijn vraag, hoewel het allemaal waar was; om te zeggen dat ik een pelgrimstocht maakte, leek me dom en vaag, hoewel dat op de een of andere manier ook waar was. En dus gaf ik toe dat ik het niet wist. Hoe had ik kunnen zeggen dat ik de geheimen van de bergen wou ontsluieren, op zoek naar iets dat nog onbekend was en dat net zoals de yeti misschien, juist door het zoeken ernaar onvindbaar zou blijven?

donderdag 17 oktober 2019

Josep Pla • 18 oktober 1918

• De journalen van de Catalaanse schrijver Josep Pla i Casadevall (1897-1981) omvatten zo’n 30.000 bladzijden vol dagboekaantekeningen, reisimpressies, invallen en literaire portretten. Het grijze schrift (vertaald door Adri Boon) bestrijkt de jaren 1918-1920, voordat de jonge Pla als dagbladcorrespondent naar Parijs vertrok.

18 oktober 1918
De [Spaanse] griep houdt vreselijk huis. Onze familie heeft zich moeten opsplitsen om alle begrafenissen te kunnen bijwonen. In Bisbal is Maria de Linares ten grave gedragen. In Palafrugell een dochter van achttien jaar (een beeld van een meisje) van de familie S. Ik ben naar Bisbal geweest. Vanaf de straat hoorde je de jammerklachten al. Jammerklachten in huis en op de trap. Een indrukwekkende vertoning die sterk contrasteert met de zondagse aanblik van de mensen – een aanblik die bij het horen van de jammerklachten automatisch ineenschrompelt, verwelkt en wegzinkt. De uitingen van smart kleuren alles anders en zelfs het landschap lijkt anders. Wanneer men gejammer hoort krijgt men iets van een goed mens over zich – van een oneindige goedheid. Een man die aldoor stijf, onbeweeglijk, met droge ogen op zijn stoel zat, maakt op een gegeven ogenblik een nerveuze beweging en plotseling stromen hem de tranen over het gezicht. Wat is verkieslijker: zich opsluiten in een kille, noodlotszwangere onverschilligheid of zich overgeven aan het delirium van luidruchtige uitingen van smart? Wanneer men huilt, lijdt men dan? En zij die niet huilen, lijden zij minder?
De begrafenis van senyor Maria Linares vond plaats in diepe treurnis.

woensdag 16 oktober 2019

An Rutgers van der Loeff-Basenau • 17 oktober 1974

An Rutgers van der Loeff-Basenau (1910-1990) was een Nederlandse kinderboekenschrijfster. In 1974 hield zij op verzoek van NRC Handelsblad een 'Hollands Dagboek' bij.

Donderdag
Vandaag moet een artikel over tienerboeken klaar. Ik zit te mopperen. Ten eerste zie ik er geen gat in en ten tweede moeten mijn dahlia's uit de grond. Ik zit achter mijn bureau en wil de tuin in. De zon lokt. Het natte rieten dak vlak onder mijn raam dampt, hele wolken komen er af. En de kleuren buiten zijn meer dan verleidelijk. Soms voel ik me zo twee verschillende kanten uit getrokken, dat ik ontsnappen moet en de fiets pak. Zo uit ons achterhekje beginnen de paadjes door het kreupelhout en even verder ligt de hei. Ja hoor, het wordt een vlucht voor de tienerboeken en de dahliaknollen. Een onverwacht tuinhulpje heeft de knollen er voor me uitgehaald. Gefietst over de Leemzeulderhei naar Laren, samen met kleinzoon Rolf die in de speelgoedwinkel een vliegtuigmodel mocht uitkiezen om in elkaar te zetten. Nu ligt de huiskamertafel vol plastic afvalstukjes. En ik moet wel grinniken als ik nalees wat ik over tienerboeken heb geschreven.
    Ergens zeg ik fel dat een behoorlijk percentage tieners eens lees-bereid was (zo omstreeks de acht jaar), maar dat het merendeel van de begeleidende volwassenen toen verstek heeft laten gaan. En nu? Voor de poort van het leven staan ze in onafzienbare rijen, met weinig geestelijke bagage; wel strekt zich achter hen uit een spoor van verfrommelde patatzakjes, ijsbekertjes, afgekloven lollystokjes en ontelbare overblijfselen van plastic speelgoed, (sic!) Weinigen daarentegen zijn zo gelukkig herinneringen te hebben aan Niels Holgerson, Afke's Tiental, Robinson Crusoë of aan De Tweelingbroers, Padu is gek, Boris, Verstekeling in de Sinaï of de schitterende Tuinen van Dorr.
Hoe kunnen we nog verbaasd staan over de ongeïnteresseerdheid van veel jongeren? Zo veel is een gesloten boek voor hen gebleven. Als je nooit hebt kunnen snuffelen, telkens weer aan fijne dingen - en als je niet de kans hebt gekregen in alle rust te proeven en nog eens te proeven, dan ga je behoren tot de zeer uitgebreide familie WATIKNIETKENDATLUSTIKNIET. De smaak is verschraald en het 'genot' is beperkt tot een prak en een opgeklopt puddinkie toe.

dinsdag 15 oktober 2019

Hugo Brems • 16 oktober 1982

Hugo Brems (1944) is emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de KU Leuven. In 1983 publiceerde hij Onze armoede is doorzichtig als glas Fragmenten uit een Pools dagboek, Warschau 14 tot 28 november 1982.

Dinsdag 16
Na de les, om 1 u., ga ik met Z. naar de mensa van de universiteit. Zij verzekert mij dat het eten er heel redelijk is, beter dan in de mensa van Gent. Zonder veel enthousiasme verdedig ik het eten van de Leuvense Alma. Er staat een rij, maar het gaat vlug. Ze heeft bonnetjes, ook voor mij. Ze opent een portefeuille propvol bonnetjes, ticketjes, biljetjes in alle vormen, kleuren en maten: voor de tram, de bus, het vlees, de koffie, de boter, de thee, voor sigaretten of wijn, koffie of vodka (moeilijke keuze in veel gezinnen!), voor het eten in de mensa, voor theater, voor benzine (15 liter per maand voor een kleine auto), voor schoenen (1 paar deze winter). Bonnetjes voor de mensa kan je pas krijgen als je andere vleesbonnetjes teruggeeft.

Er is groentesoep, een gehaktbal met puree, geraspte wortelen en zuurkool, en als dessert appelsnippers in rode appelgelei. Er is geen drank te krijgen, zelfs geen water. Het eten is inderdaad eetbaar, al smaakt de gehaktbal naar karton dat twee dagen in de regen gelegen heeft.

Daarna, in een ‘kawiarnia’, praten we bij een koffie over geld en de prijs der dingen. De prijzen zijn sinds vorig jaar erg gestegen, tot 500% voor sommige produkten. De zloty is gedevalueerd en de lonen zijn iets omhooggegaan. Tegen vorig jaar is de gemiddelde levensstandaard met ongeveer 30% gedaald. Het gemiddelde inkomen is ongeveer 11000 zl., een hoogleraar verdient ca. 16000 zl. De hoogste lonen worden uitbetaald aan mijnwerkers: tot 50000 zl. Zij zijn onmisbaar, want de uitvoer van steenkool is de belangrijkste bron van inkomsten voor het land. Over wonen: dat is erg ingewikkeld. In ieder geval is het duidelijk dat je op een wachtlijst komt, waar je tot 10 à 15 jaar moet wachten voor je een woning krijgt. Ouders (Vooruitziende Socialistische Vrouwen! zetten hun pasgeboren kinderen alvast op zo'n lijst.

Om drie uur zal ik opnieuw les geven. Er moeten dia's getoond worden. En inderdaad, na wat geharrewar komt er een dia-apparaat te voorschijn. Een scherm is er niet bij. Door enkele affiches van de muur te halen komt er een voldoend grote plek op de muur vrij: het werkt! Bij gebruik tijdens de les wordt duidelijk dat het mechanisme om vooruit te gaan defect is, enkel achteruit: zo gaat het hier tegenwoordig. Met welgemikte klopjes tegen de lader kan ik het telkens enkele dia's vooruit doen schieten. Dan weer achteruit om op de juiste plaats te belanden. Ik ontwikkel daarin een verfijnde techniek. Ik word Pool met de Polen.

Om halfacht zullen we naar het theater gaan. Van eten is geen sprake. Overigens is het zo dat hier erg onregelmatig gegeten wordt. Zo is er ook voor de studenten in geen middagpauze voorzien: er wordt gegeten tussen 1 en 5 u., als het uitkomt.

Om de tijd vóór het theater door te brengen wandelen we naar de oude stad. Naast een kerk vindt een vreemde manifestatie plaats. Er is een groot bloemenkruis neergelegd, met daaronder het teken ‘V’ van Victorie. Daarbij tientallen brandende kaarsen, en errond een snel aangroeiende groep mensen. Ze zingen. Eerst een lied voor de zwarte madonna van Czestochowa, een religieus lied met sterke politieke implicaties. Dan zet een forse vrouw, met twee krukken, een nieuw lied in: het Poolse volkslied met een aangepaste tekst. Ik begrijp enkel de woorden Walesa en Solidarnosc Polska. Ik verneem dat het erom draait dat Solidariteit pas zal verdwijnen met de dood van de laatste Pool. Het is een opwindend, opruiend, ontroerend, indrukwekkend gebeuren. In de koude avondwind, bij het schijnsel van de kaarsepotjes: jonge en oude mensen, mannen en vrouwen met de eeuwige platte boodschappentassen, zingend uit volle borst, een bijna eindeloze reeks strofen, voorgezongen door de krukkenvrouw.

We wandelen verder de oude stad in en praten over de staat van beleg en de invloed daarvan op het dagelijks leven. Iedereen kan zonder waarschuwing opgepakt worden en voor een militaire rechtbank gebracht, telefoongesprekken worden afgeluisterd, brieven geopend: de mensen worden angstig, achterdochtig. Maar, daar is iedereen het over eens: deze dictatuur is uiteindelijk nog milder dan het ‘gewone’ leven in bijv. de DDR of de Sowjetunie.

Theater Polski speelt een stuk van Mroźek. De zaal loopt stampvol. Ik versta geen woord. Er wordt veel en spontaan geapplaudisseerd. Het blijkt dat het stuk direct op hedendaagse Poolse situaties toepasbaar is. Het is gesitueerd in de 18de eeuw, in de voordagen van de Franse revolutie, en het gaat over o.m. vrijheid en rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid wordt allegorisch voorgesteld als een meisje, geboren uit het hoofd van een filosoof. Zij wordt door iedereen gezocht, er wordt met haar geleurd, zij wordt vereerd, maar in feite geprostitueerd, verkracht, verkocht. Na afloop wordt er eindeloos gejuicht. Commentaar van Z.: ze hebben de waarheid gehoord.

maandag 14 oktober 2019

George Orwell • 15 oktober 1940

George Orwell (1903-1950) was een Britse schrijver en journalist. Van 1941-1943 werkte hij voor de op India gerichte Eastern Service van de BBC, waardoor hij de politieke en militaire ontwikkelingen op het vasteland op de voet volgde. Zijn dagboeken zijn gepubliceerd als Diaries. gedeeltes eruit zijn hier te lezen. De Nederlandse vertaling (van Nelleke van Maaren) is gepubliceerd in de reeks Privé Domein.

15.10.40
Writing this at Wallington, having been more or less ill for about a fortnight with a poisoned arm. Not much news – i.e only events of worldwide importance; nothing that has much affected me personally.

There are now 11 evacuee children in Wallington (12 arrived, but one ran away and had to be sent home). They come from the East End. One little girl, from Stepney, said that her grand-father had been bombed out seven times. They seem nice children and to be settling down quite well. Nevertheless there are the usual complaints against them in some quarters. E.g. of the little boy who is with Mrs. —–, aged seven: “He’s a dirty little devil, he is. He wets his bed and dirties his breeches. I’d rub his nose in it if I had charge of him, the dirty, little devil.”

Some murmurings about the number of Jews in Baldock. —– declares that Jews greatly predominate among the people sheltering in the Tubes. Must try and verify this.

Potato crop very good this year, in spite of the dry weather, which is just as well.

zondag 13 oktober 2019

Gerrit de Veer • 14 oktober 1596

Gerrit de Veer (ca. 1570 - na 1598) was een bemanningslid van de expeditie onder leiding van Jacob van Heemskerk en Willem Barentsz, die vastraakte in het poolijs en moest overwinteren op Nova Zembla. Zij reisjournalen werden gepubliceerd als Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien, ter werelt noyt soo vreemt ghehoort (1598). Het verslag is in hedendaags Nederlands hertaald door Vibeke Roeper en Diederick Wildeman, en gepubliceerd als Nova Zembla. Het ware verhaal.

11 oktober
De wind was zuid en het was stil en minder koud. We brachten onze wijn en andere voorraden aan land. Toen we daarmee bezig waren kwam er een beer naar ons toe. We hadden hem wel zien liggen, maar hadden hem eerst voor een ijsschots aangezien. Waarschijnlijk hebben we hem met ons geschreeuw gewekt. We schoten op hem, maar hij liep weg en wij gingen weer aan het werk.

12 oktober
De wind was eerst noord en later west. Met acht man gingen we naar het huis en sliepen er die nacht voor het eerst. Het was vreselijk koud want we hadden nog geen slaapplaatsen getimmerd en er waren bijna geen dekens. We konden het vuur ook niet de hele nacht laten branden want de schoorsteen was nog niet klaar en we stikten bijna van de rook in huis.

13 oktober
De wind was noord en n.w. We gingen met ons drieën naar het schip om een slee vol bier te halen. Het begon steeds harder te waaien en toen we naar het huis terugliepen stormde het plotseling zo hard dat we gedwongen waren naar het schip terug te keren en de slee te laten staan. Binnen in het schip was het ook heel koud.

14 oktober
Het vat dat 's nachts buiten had gestaan was kapotgevroren, maar het bier dat eruit lekte, was meteen bevroren. We namen het vat mee naar het huis en schepten het bier dat niet bevroren was eruit. Het leek wel alsof alle kracht van het bier in dat kleine beetje vloeibare bier zat; het was veel te sterk om te drinken. We ontdooiden het bevroren bier, maar dat smaakte naar water, en toen we het mengden met het sterke bier werd het helemaal krachteloos en smakeloos.


Originele tekst:

Den 11. October wasset stille, ende de wint was z. ende warmachtich weder. Doen brachten wy onse wijn aent landt, ende ander victualie. Ende als wy doende waren om die wynen uytet schip te hysen, soo isser een Beyr die daer achter een schots ys lach, (als oft hy deur ons roepen wacker gheworden was) naet schip toe ghecomen, wy hadden hem wel sien legghen, maer meenden dattet een schots ys was die daer lach. Als hy nu tot ons aen quam, schoten wy nae hem, maer hy liep wech, ende wy ghinghen met ons werck voort.

Den 12. October was de windt n. ende altemet wel soo w. ende doen begaven wy ons met de helft vant volck int huijs, ende sliepen doen de eerstemael daer in, maer leden doen groote coude deur datter noch gheen koyen ghemaeckt waren, ende niet te veel decksels hadden, ende conden gheen vier houden vermidts de schoorsteen noch niet ghemaeckt was, daer deurt seer bitter roockte.

Den 13. October was de windt n. ende n.w. ende beginde wederom seer hardt te wayen, ende wy gingen met ons drien naet schip, ende laden een slede met bier, maer als wy die gheladen hadden, meenende daer mede naet huys te gaen slepen, soo ontstacker soo onversiens een gheweldighen windt, onweer ende coude, dat wy ons wederom int schip mosten begheven, vermidts dat wyt buyten niet harden mochten, ende conden oock het bier niet wederom int schip cryghen, maer mostent buyten op de slede laen legghen. Int schip leden wy seer groote coude, om dat wy daer mede weynich decksel hadden.

Den 14.October als wy uytet schip quamen, so vonden wy de tonne biers die buyten op de slede was blyven staen, (zijnde een iopen vat) aenden bodem stucken ghevroren, maer deur de groote coude, vroort bier datter uyt liep, soo vast aenden bodem dicht toe, al oft met eenich vasthoudende lijm beclijmt hadde gheweest. Ende wy sleepten de voornoemde slede mettet bier naet huys toe, ende settede de tonne op zijn bodem, ende dronckense eerst leech, maer mostent bier eerst smelten, want daer was naulijcks eenich onbevroren bier int vat, dan inde selvighe vochticheyt was de cracht vant gantsche bier, alsoo dattet veel te sterck was te drincken, ende tghene dat bevroren was dat smaeckte als water, daer over alst ghesmolten was, soo menghden wyt onder malcanderen ende dronckent alsoo, maer twas gantsch crachteloos ende smaeckeloos.