dinsdag 17 september 2019

Franz Kafka • 18 september 1917

• Uit een brief van Franz Kafka (1883-1924 aan de Oostenrijkse schrijver Max Brod (1884-1968). De twee vrienden schreven elkaar tussen 1904 en 1924, het jaar van Kafka’s dood, vele brieven, die laten zien hoe hun “geestelijke en literaire ontwikkeling vervlochten was met de dramatische gebeurtenissen van hun tijd”. Uit: Een vriendschap in brieven (vertaald door Willem van Toorn).

Zürau, 18 september 1917
Er is zoveel dat mij benauwt, ik vind geen uitweg. Is het valse hoop, zelfbegoocheling, dat ik hier altijd zou willen blijven, ik bedoel op het land, ver van de trein, dicht bij de ondoordringbare avond die neerdaalt zonder dat iemand of iets zich ook maar in het minst tegen hem verzet. Als het zelfbegoocheling is, dan lokt mijn bloed mij daarmee tot een nieuwe belichaming van mijn oom, de plattelandsdokter, die ik (met de aller-, allergrootste sympathie) soms de 'tsjilper' noem, omdat hij zo'n onmenselijk dunne, vrijgezelachtige, uit een dichtgeknepen keel komende, vogelachtige opgewekte toon heeft die hem nooit in de steek laat. En zo leeft hij op het land, onvernietigbaar, tevreden, zoals je tevreden gestemd kunt worden door een zachte ruisende waanzin die je voor de melodie van het leven houdt. Maar als het verlangen naar het platteland geen zelfbegoocheling is, dan is het iets goeds. Maar mag ik dat verwachten, met mijn 34 jaar, zeer twijfelachtige longen en nog twijfelachtiger menselijke relaties? [...]
Dat is niet treurig bedoeld. Ik ben ook niet echt treurig. Met Ottla leef ik in een klein goed huwelijk; huwelijk niet op grond van de normale gewelddadige kortsluiting, maar van het in kleine windingen rechtdoor voortstromen. "We hebben een prettig huishouden waarin het jullie, naar ik hoop, zal bevallen.

maandag 16 september 2019

Maarten 't Hart • 17 september 1999

Maarten 't Hart (1944) is een Nederlandse schrijver. In de Privé Domein-reeks publiceerde hij Een deerne in lokkend postuur. Persoonlijke kroniek 1999.

17 september. Thanatos – Gisterenmiddag stapte ik uit de woonkamer van mijn zus haar balkon op. Ze woont hoog boven de grond in een flat met een schitterend uitzicht over de Nieuwe Waterweg. Achter mij werd mijn zus ondervraagd over mijn grote gekte. Omdat de wind over het balkon suisde kon ik niet horen wat er gezegd werd. Het was zonnig, warm, het goudkleurige licht van september betoverde de hele wereld. Ik stond daar en keek naar beneden, en voelde mij sprakeloos gelukkig. Diep onder mij lag een zonovergoten groen grasveld. Ik dacht aan een uitspraak van Richard Feynman: ‘Ik ben niet bang om dingen niet te weten, om verdwaald te zijn in een mysterieus heelal zonder enig doel.’ En mij viel ook in wat Steven Weinberg had gezegd: ‘Hoe meer we over het heelal weten, des te duidelijker wordt het dat het heelal doelloos en zonder betekenis is.’ Ik drukte mij dicht tegen de balkonrand aan. Het leek haast alsof het grasveld zich aanbood als de grazige weide uit psalm 23. Zwevend op de vleugels van de wind uit psalm 18 zou ik er, mede gezien het feit dat ik bijna niks meer woog, vredig op kunnen neerdalen. Ik dacht: Ik hoef alleen maar op die rand te klauteren, en dat kost me geen enkele moeite, en dan kan ik mij zo naar dat grasveld laten vallen. De wind suisde, en ik stond daar, en ik hoorde achter mij de vrouwenstemmen, en naarmate de seconden verstreken leek het steeds aanlokkelijker om te springen. Aan al mijn problemen zou in één klap een einde komen. Geen deadlines meer. Niet meer die last van elke week een GPD-column. Niet meer elke maand een klei- en bijbelcolumn. Geen telefoontjes meer van Frau Raabe. Geen interviewers meer. Geen glazenwassers meer. Nooit meer fotografen. Geen last meer van die immense stapel onbeantwoorde brieven die zich al zo lang op de rand van mijn bureau staande houdt. Geen lekke fietsbanden meer. Geen last meer van hartritmestoornissen. Geen last meer van Carel Peeters. Nooit meer spitten.
In de diepte kwam een trein voorbij. Op het grasveld verscheen een meisje met een zwart hondje. Maar Roef dan, dacht ik, die zou me toch erg missen. Wie zou hem moeten beschermen tegen de vierkante hond?
Toch kostte het mij de grootste moeite om mij weer los te maken van die balkonrand en terug te stappen in de woonkamer van mijn zus. Wat kan het opeens geweldig aantrekkelijk lijken om dood te zijn!
Later op de middag liepen we langs het graf van mijn vader. Even heb ik de deur van het baarhuisje aangeraakt waarin hij zoveel uren heeft doorgebracht. Toen we van de begraafplaats af liepen, zagen we een vers kindergraf. Daarop was al het speelgoed van het kind uitgestald, beren, poppen, een treintje, lego, een paar ballen, een legpuzzel. Tegen een haag stond zelfs zijn jongensfietsje. Versierd met vlaggetjes.

zondag 15 september 2019

Adriaan Morriën • 16 september 1986

Adriaan Morriën (1912-2002) was een Nederlandse schrijver. In Plantage Muidergracht zijn ook dagboeknotities van hem opgenomen.
In 1986 maakte hij een vakantiereis naar Portugal. Hieronder het verslag van de vierde dag. Dag een - dag twee - dag drie - dag vier.

(Dinsdag, 16 september)
[...] Over de brug, bij de grenscontrole, moesten wij een formuliertje invullen met onze namen, adressen en geboortedatums. Terwijl Janneke de ingevulde formulieren afleverde, bleef ik in de auto zitten. Janneke kwam terug en zei dat ze ook mij wilden zien. Ik stapte uit en meldde mij. Een van de beide mannen in uniform die buiten voor het douanekantoor stonden, vroeg mij in het Frans: 'Bent u naar Portugal gekomen om te sterven?' Ik keek hem een beetje verbluft aan. Ik begreep zijn vraag niet. Maakte hij een grapje? De mannen stonden er gemoedelijk bij en lachten. Was het een toespeling op het gezegde over Napels? Of was de man verwonderd over het verschil in leeftijd tussen Janneke en mij, gezien onze geboortedatums? Ik antwoordde dat ik naar Portugal was gekomen om vakantie te houden. De douanier zette zijn uniformpet op. ging in de houding staan en salueerde.
Zijn vraag had mij een beetje verschrikt, merkte ik later. hoewel er uiteraard geen dag voorbijgaat dat ik mij niet van mijn leeftijd bewust ben, een besef dat mijn dagen uiteraard met een avondlijk licht overstraalt. Natuurlijk zou ook ik, net als de neerlandicus, elk ogenblik kunnen omvallen.
Vannacht werd ik om halfvier wakker. Ik had gedroomd dat ik in een Encyclopedie van de vermoeidheid had zitten bladeren. De wetenswaardigheden waren alfabetisch gerangschikt, zoals het hoort, maar van mijn lectuur kon ik mij, helaas, niets meer herinneren. Ik was wel aardig uitgerust.

Karen Geurtsen • 15 september 2009

Karen Geurtsen (1983) is een Nederlands journaliste, die begin 2010 opzien baarde toen bekend werd dat ze undercover bij de PVV had gewerkt. Haar dagboek uit die periode is verschenen als Undercover bij de PVV.

Dinsdag 15 september
Prinsjesdag. De Kamerleden mogen met hun partners naar de Ridderzaal. Kamerlid Sietse Fritsma inviteert elk jaar iemand van de fractie. Vandaag is een secretaresse de uitverkorene. Ze is in alle staten en frunnikt voortdurend aan het hoofddeksel dat ze speciaal voor deze dag heeft laten maken, een zwart geval met uitsteeksels. "Hij kostte wel 70 euro," onthult ze.
De Ridderzaal kan ik niet in> maar ik mag wel het Binnenhof op. Als de gouden koets arriveert, ben ik diep onder de indruk: wat een ceremonie. Daarna gaan Jolanda, Evelien en ik snel weer naar onze kamer om het voordragen van de troonrede en de overhandiging van Wouter Bos Miljoenennota te kunnen zien.
"Ik zag Bos laatst in Klasgenoten en toen leek hij heel sympathiek," zegt Jolanda terwijl ze rondjes draait op haar bureaustoel. "Toch gek dat je je een beeld van iemands persoonlijkheid vormt op basis van zijn politieke overtuiging. Inderdaad, alleen ik had dat andersom, bij de PWers. Na een tijdje komt De Roon terug uit de Ridderzaal, samen met zijn Costaricaanse vrouw. Volgens mij weten maar weinig mensen dat veel PVVers, zowel Kamerleden als medewerkers, een uit het buitenland afkomstige partner hebben. Die van Wilders is Hongaarse en Kamerlid Teun van Dijck, een jeugdvriend van de leider, heeft een voormalige miss Curacao aan de haak geslagen, hoor ik in de wandelgangen. Ook hebben drie PVV-medewerkers zélf een kleurtje. Raymond en zijn vrouw vormen een opvallend duo. Zij is klein en mollig, hij minstens 1,90 meter en wat stijf. De Roons echtgenote was ooit rechter in Costa Rica, begrijp ik, en praat in een mengelmoes van Nederlands, Engels en Spaans. Ik: "Was het leuk?" "Ja," zegt Raymond. "In de Koninginnekamer maakte Willem-Alexander zelfs grapjes" "Wat voor grapjes?" vraag ik braaf. Raymond trekt een belangrijk gezicht. "Dat mag ik niet zeggen."
Zijn eega kijkt trots naar hem op.
Dan lopen ze weg, op naar de lunch. Maar eerst wisselt mevrouw De Roon nog even van schoeisel: van héél hoge hakken naar gewoon hoge. In de Statenpassage vindt later op de dag het NOS-debat tussen de fractievoorzitters plaats. Wïlders doet ook mee, dus dat willen mijn kamergenotes en ik graag van dichtbij zien. Als we op de eerste etage over de balustrade gaan hangen, kunnen we het aardig volgen. Het gaat over de wijze waarop er bezuinigd moet worden vanwege de economische crisis. "Op de ontwikkelingshulp," zegt Wilders resoluut. Mariëtte Hamer van de PvdA antwoordt datje de allerarmsten niet kunt laten betalen voor een crisis die zij niet hebben veroorzaakt. "Nou, wij hebben hem toch ook niet veroorzaakt?" sist Evelien naast me. "Moeten wij hem dan wél betalen?" Even later komt de verhoging van de AOW-leeftijd ter tafel. Die verhoging moet niet gelden voor bepaalde zware beroepen, betoogt Hamer, waarop Jolanda zegt: "Dat is toch niet eerlijk? Dan ontmoedig je mensen om een hogere opleiding te gaan volgen."

Ernesto Che Guevara • 14 september 1967

Ernesto Guevara (1928-1967) hield tijdens de laatste elf maanden van zijn leven een dagboek bij. Het is in het Nederlands gepubliceerd als Boliviaans dagboek (Vertaling: Tineke Hillegers-Zijlmans en Frieda Kleinjan-van Braam).

14.9.67
Zware dag. Om 7 uur is Miguel met de gehele voorhoede, en Nato vertrokken. Ze hadden opdracht om zover mogelijk aan deze kant te lopen en een vlot te maken daar waar de overtocht moeilijk was; Antonio is met de gehele achterhoede in hinderlaag blijven liggen. Er zijn twee M-l 's achtergelaten in een kleine grot die Nato en Willy kennen. Om 13.30 uur, toen we geen bericht hadden ontvangen, zijn we op weg gegaan. We konden niet per muilezel gaan en ik moest, met een begin van een asthma-aanval, het dier aan León overlaten en te voet verdergaan. De achterhoede heeft de opdracht gekregen om, zonder tegenbericht, om 15 uur op weg te gaan. Pablito arriveerde ongeveer op dat tijdstip met de mededeling dat de os bij het punt was waar de dieren moesten oversteken en dat men het vlot een kilometer hogerop aan het bouwen was. Ik heb gewacht tot de dieren aankwamen dat was pas om 18.15 uur, nadat we mannen erop uit hadden gestuurd om ze te zoeken. Toen zijn de twee muilezels overgestoken (de os was al eerder gegaan) en wij gingen met langzame pas verder tot aan de plek waar het vlot was. Ik zag toen dat er nog 12 mannen aan deze kant waren; 10 waren er pas overgestoken. De rest van de avond zijn we zo verdeeld gebleven en aten ons laatste vleesrantsoen dat gedeeltelijk verrot was.
Hoogte 720 meter, weg 2-3 km.

donderdag 12 september 2019

Sophia Peabody Hawthorne • 13 september 1852

 Sophia Peabody Hawthorne (1809-1871) was kunstenares en de echtgenote van de Amerikaanse schrijver  Nathaniel Hawthorne (1804-1864). Na hun huwelijk hielden ze een gezamenlijk dagboek bij. De bladzij hieronder werd opgevuld door hun toen achtjarige dochter Una.

One rainy day in September 1852 (ten years after their marriage), while Nathaniel was off on an excursion to Maine, Sophia made this record of her domestic activities—reading to the children, paying a local carpenter for work on their house, awaiting the post.

September 13th Monday.
I have not written my journal since Friday. I was wholly exhausted on Saturday. I do not remember any thing in the morning except that Mr. Buttrick brought two newspapers & that I in vain looked for a letter from my husband – & the next thing I remember was Ellen rushing up to me after dinner as I lay extended on the floor with the letter I wanted in her hand. The revulsion of joy was so immense that my head almost burst asunder & all the rest of the day it ached so desperately that I had to hold it together, while my heart was dancing for joy. But in the evening it subsided. I wrote another sheet to my husband, my dear truest husband & sent it by Mr Adams, (who brought his to me), & he mended the drawers of the bookshelves, mended the table, put up a curtain fixture, & made two doors shut properly. I asked him for his bill for all he had done for us, & he gave it to me. It amounted to only 18 dollars. He asked but $1.50 for making the old mahogany dining table look as good as new. It began to rain very hard after Mr Adams went away. Una gave him some apples in his handkerchief to carry home. Una dearly loves to give. Baby slept till five.

[text written upside down in Una's hand:] My dearest mamma – There was once a little boy & his papa & mama died & he had a little sister who was very good to him. One day as they were taking their morning walk they saw a beautiful light, & they went where they saw the light whitch came from a little cottege & an old woman lived there who was very kind to them & as it was very late she gave them some bread & milk for that was all she had, but they thought it was a beautiful supper. & then she made them a beautiful little bed & they were so glad & thought she was so kind & they lived with her always. do you [think] this is a good story. Yours lovingly, Una

woensdag 11 september 2019

Thomas Rosenlöcher • 12 september 1989

Thomas Rosenlöcher (1947) is een (Oost-)Duitse schrijver en dichter (en vertaler Nederlands). Zijn Dagboek uit Dresden (vertaling: Mike Schellekens) stamt uit de maanden voor de val van de Berlijnse muur.

11 september
's Ochtends, ik slaap nog half, hoor ik van de uittocht van de eerste duizendkoppige zwerm landgenoten van Hongarije naar Oostenrijk.
Partijtje bij Lühr: het ‘ik-wil-hier-weg’-virus is uitgebroken. Vanaf vandaag een week zonder alcohol. Alleen door te werken kan ik de depressie de baas.
Spookachtig zwijgen in de kranten.

12 september
Voortdurend reportages over de migraties op de westerse radio.
Onafgebroken mopperen de achtergeblevenen: ‘Hoe moet het nou verder?’ Geen solidariteit. Eerder het gevoel bij het laatste restje onverbeterlijke stommelingen te horen.
Canetti spreekt in Massa & Macht, jammer dat ik dat boek heb teruggegeven, over een despoot in het Oosten die zijn stad laat ontruimen: als je alleen bent, wordt je macht niet bedreigd. Pas als er niemand meer is, kan die macht oneindig zijn.
Interviews met overlopers: ‘Waarom bent u uit de DDR weggegaan?’ Plat Saksisch: ‘De vrijheid is altijd het belangrijkste.’ Daar zijn geen woorden meer voor. Vaak leveren ze, net als thuis, meteen wat er van hen verwacht wordt. Diezelfde man zou thuis voor een microfoon zonder meer vervallen zijn in overheids-jargon.
De week zonder alcohol heeft maar een dag geduurd.
Medeplichtigheid, van mij, aan hoe de zaken er tegenwoordig voorstaan: niet alleen de ambtsdragers verdienen deze staat, ook wij, in ieder geval hebben wij hem geaccepteerd. Alleen al dat ik gestudeerd heb geeft aan dat ik een leugenaar ben. Was ik geen leugenaar geweest, dan had ik niet mogen studeren. Maar ja, die verdomde Saksische beleefdheid van mij.

dinsdag 10 september 2019

Reinhard Karger • 11 september 2001

• Reinhard Karger bezocht in 2001 in de dagen rond 9/11 zijn broer in New York, en hield toen een dagboek bij.

Dienstag, 11. September: Ich wollte mich später mit Steve, dem Sohn des zweiten Mannes meiner Mutter, treffen. Wir hatten Zeit und Ort noch nicht ausgemacht, aber wir waren verabredet, bis spätestens 10 Uhr zu telefonieren. Mit meinem Bruder frühstückte ich im Heck des Bootes mit Blick auf Manhattan. Der Morgen war ruhig und warm, das Wetter versprach, ausgezeichnet zu werden. Die Sonne ging genau zwischen den Zwillingstürmen über der Stadt auf. Ich fotografierte sie so oft, dass mein Bruder mich irgendwann fragte, ob ich denn nicht allmählich genug Bilder davon hätte.

Mein Bruder fuhr zur Arbeit, und ich saß mit einem Buch auf Deck, bis die Sonne zu stark wurde. 8.15 Uhr ging ich in die Kajüte und legte mich mit dem Buch so auf das Bett, dass ich durch die Decksluke den blauen Himmel sehen konnte. Das Boot schaukelte leicht, und ich schlummerte über meinem Buch ein. Kurz nach 9 Uhr klingelte das Telefon. Es war Steve. Wir plauderten und machten Pläne für den Tag. Er erklärte mir, wo wir uns treffen könnten, welche Linie ich am besten nehmen sollte. Ich wollte eine Zigarette rauchen und kletterte auf Deck. Dann erst sah ich den Rauch.

Zuerst bemerkte ich eine Wolke im Süden, eigenartig grade, wie eine liegende Zigarre. Ich drehte den Kopf, erkannte, dass sie bei den World Trade Centern endete. Dann erst verstand ich, dass sie dort begann. Ich sagte zu Steve: "Die Tower brennen." Jetzt erst bemerkte ich die Menschen auf den anderen Booten, die auch nach Manhattan hinüberblickten. Ein Pärchen auf einem benachbarten Boot hatte einen Fernseher. Sie sagten: Terroristen mit Flugzeugen, ein Anschlag, kein Unfall, beide Türme getroffen. Ich legte auf. Steve habe ich in dem Sommer nicht mehr gesehen.

Fassungslos starrte ich auf die qualmenden Twin Towers. Hinter einigen Fenstern schien es zu brennen. Der Himmel darüber war strahlend blau. Teile der Fassade fielen hinunter. Ich holte die Kamera und begann zu fotografieren. Dann geschah das Unfassbare: Dunkel und böse grollend brach der Südturm in sich zusammen, implodierte. Der Kollaps zog sich eine gefühlte Ewigkeit hin. Als er abebbte, quoll eine Wolke aus den Straßen hervor, bedeckte die umgebenden Häuser und verhüllte den unteren Teil von Manhattan. Der Südturm war verschwunden. Der Nordturm stand in einer Wolke aus Staub, Stahl und Rauch.

Wieder klingelte das Telefon. Mein Vater rief aus Deutschland an. Er fragte, wie es mir ginge, wo ich sei. Ich sage nur: "Der eine Turm ist weg, einfach weg." Er erklärte mir: "Auch das Pentagon ist getroffen, vielleicht noch mehr. In Pennsylvania haben sie ein Flugzeug abgeschossen." Das Ausmaß der Katastrophe überstieg alle Vorstellungen. Immerhin: Der Nordturm des WTC stand noch. Qualmend. Die Situation schien sich zu entspannen.

Etwa um 10.30 Uhr passierte es: Laut, dumpf und wie in Zeitlupe sackte das Gebäude in sich zusammen. Eine Rauchsäule zeichnete seine Silhouette ein letztes Mal in den Himmel. Dann verschlang die Wolke Manhattan und verfinsterte die Sonne. Die Insel verschwand völlig. Eine Brise Nordwind drückte Staub und Qualm aus den Straßen nach Süden in den Hafen von New York. Ganz allmählich klärte sich der Rauch ein wenig, und die Skyline zeigte ihre neuen Konturen.

Erst am späten Nachmittag, und für mich nicht mehr hörbar, kollabierte nach langen Bränden auch ein dritter Turm, WTC 7, ein Hochhaus mit 47 Stockwerken, allerdings ohne eine wirklich fühlbare Lücke zu hinterlassen. Die Zwillingstürme hatten wie kein anderes Gebäude die Skyline dominiert.

Mein Bruder kam erst spät zurück. Die Straßen waren verstopft, überall gab es Staus und Kontrollen. Der Abendhimmel war wolkenlos. Als die Sonne unterging, tauchte sie ganz Manhattan in rötlich-goldenes Licht. Der Tag ging - und hinterließ tiefe Ratlosigkeit und Trauer. Das Fernsehen brachte pausenlos Berichte, Gespräche, Spekulationen über die Zahl der Opfer - und bald auch Namen von Tätern und Vermutungen über Motive. Jedem war bewusst: Etwas war an diesem Tag geendet. Aber keiner wußte, was begonnen hatte.

maandag 9 september 2019

Wim Kan • 10 september 1945

Wim Kan (1911-1983) zat tijdens de Tweede Wereldoorlog in een interneringskamp in Birma. Hij hield toen een dagboek bij, dat later gepubliceerd is als Burma dagboek 1942-1945.

Zondag 9 september
Het belangrijkste tot dusver is dat Olle's mooie tas triomfantelijk in de kubikel hangt, net of ze zo ineens binnen zou kunnen komen stappen!

Maandag 10 september
Cholera in 't Jappenkamp hiernaast. Alle bezoek wordt waarschijnlijk stopgezet. Hevige regen gisteravond. Nu lichte motregen.

Dinsdag 11 september
Toch show. Veel strubbelingen. Gisteren allen met dr. Berlijn naar Pyson en Nin (niet vrouw). Erg ver buiten de stad. Alles een beetje luguber.
Regen, onweer, donker. In een soort paviljoen, tafel gedekt. Officiële voorstelling aan Nin + vrouw. Conversatie in verbeterde Oké stijl. ‘Tell your people and your wife - - we Siamees very glad. We love your country - Your Queen Wilhelmina (glazen leegdrinken en Hoeree 3 ×). En dan weer van voren af aan: We like Siam en the people! Your King very Oké. Hoeree 3 × en weer drinken. En - you give me your adress - - We will write you - Omhelzingen volgen. Handen geven. Opstaan, buiten met handen voor 't gezicht. Bloemen aanbieden. Buigen. Hoeree! All very Oké - Eindelijk weg. Afscheidceremonie ± 20 uur. Ze brengen ons samen weg. Zonder lantaarn. Nin haalt een mes. Je kunt nooit weten. Lopen in volslagen duisternis. Ergens op een weg in de regen opeens m'n Thai Song ten beste gegeven. Omhelzingen. Good friends for ever en de hele show weer van voren af aan. Ten slotte weer in Chinees eethuis - koffie - warme thee en Nin betaalt (20 tikal). Wij mogen niet betalen. Om 10 uur terug in 't kamp. Vannacht niet geslapen.

zondag 8 september 2019

Arthur Schopenhauer • 9 september 1848

• Uit een brief die filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) na de dood van zijn zuster Adèle schreef aan Sybille Mertens-Schaaffhausen. Uit: De wereld deugt niet (vertaling Tinke Davids).

Frankfurt a.M., 9 september 1848
Het geboortejaar van mijn zuster is 1797, in juni of juli; de datum weet ik niet, hoewel de dag me nog levendig voor de geest staat, omdat de accoucheur ['vroedmeester'], in mijn aanwezigheid, mijn vader wekte door rook in zijn neus te blazen, en ik een door mijn pasgeboren zusje meegebrachte grote zak marsepein kreeg. Vlak daarna vertrok ik met mijn vader naar Frankrijk, voor twee jaar. O tijd!
Ik zie tot mijn verdriet dat het overlijden van mijn zuster u zeer melancholiek heeft gestemd. De tijd zal ook dat helen, en het is in dergelijke gevallen heel goed ons niet daartegen te verzetten, maar een handje te helpen. Wij moeten vooral duidelijk voor ogen houden dat in geen enkel denkbaar geval onze rouw en weeklachten de overledene ook maar enigszins kunnen dienen of helpen; evenmin als onszelf. Daarom ook begint Shakespeare zijn allermooiste 71ste sonnet als volgt: 'No longer mourn for me when I am dead, Than you shall hear the surly sullen bell give warning to the world that I am fled.' Ik wens u, geachte mevrouw, derhalve enige opvrolijking en verblijf met gevoelens van waarachtige hoogachting, uw toegewijde dienaar, Arthur Schopenhauer.

zaterdag 7 september 2019

Reinhard Karger • 8 september 2001

• Reinhard Karger bezocht in 2001 in de dagen rond 9/11 zijn broer in New York, en hield toen een dagboek bij.

Freitag, 7. September: Am späten Nachmittag holte mein Bruder mich vom Flughafen ab. Wir fuhren durch den Feierabendverkehr zu seinem Boot in der Liberty Landing Marina, einem Yachthafen auf der Manhattan gegenüberliegenden Seite des Hudson River. Direkt auf der anderen Seite glitzerten die Wolkenkratzer des World Financial Center - eines Hochhauskomplexes, vollgestopft mit so vielen Unternehmen, dass er eine eigene Postleitzahl hat. American Express hatte seinen Sitz dort, Dow Jones, die Bank of America und Dutzende andere. Und darüber thronten die alles überragenden Zwillingstürme des World Trade Center.

Samstag, 8. September: Wir machten uns auf zu unserem ersten Segeltörn - vorbei an Manhattan und der Freiheitsstatue, unter der Verrazano-Narrows-Brücke hindurch, der größten Hängebrücke der USA, und bis auf den offenen Ozean hinaus. Bis zum Ambrose Lighthouse wollten wir, dem Punkt, an dem auf amerikanischer Seite die Zeit für das "Blaue Band" genommen wird, die schnellste Atlantiküberquerung eines Passagierschiffes.

Sonntag, 9. September: Bei blendendem Wetter fuhren wir wieder mit dem Boot aus. Am Nachmittag begegneten uns die auslaufenden Kreuzfahrtschiffe - gewaltige weiße Ozeanriesen - auf dem Weg von New York zu den Bermudas. Abends fuhren wir durch den dunkel werdenden Hafen, ganz nah an Manhattan heran. Wir glitten an den leuchtenden Hochhäusern des World Financial Center vorbei und dem dazugehörenden Yachthafen mit seinen eleganten, teuren Booten. Manche hatten eigene Hubschrauber auf dem Achterdeck.

Montag, 10. September: Ich frühstückte gemeinsam mit meinem Bruder, dann musste er zur Arbeit fahren. Ich blieb den ganzen Tag auf dem Boot, lag in der Hängematte zwischen Mast und Vorsegel. Kochen, essen, dann Siesta unter Deck. Ein Tag der Muße, eine Pause im Leben.

Menno ter Braak • 7 september 1939

Menno ter Braak (1902-1940) was een Nederlandse schrijver. Na de Duitse inval in Polen (1 september 1939) hield hij een maand lang een journaal bij.

Zutphen, 7 Sept.
[...] Slechte berichten uit Polen; gesnoef uit het hoofdkwartier van den Führer. Finis Poloniae? Mijn grootste verlangen: deze gebeurtenissen in hun historische voltooidheid te zien, op een afstand van tien jaar, in 1950. Ik ben in ieder opzicht en voor alles: toeschouwer, ook in mijn activiteit. Gesublimeerde lafheid? Waarschijnlijk; maar geen geestelijke herbewapeningslafheid.
[...]
Het denken aan mijn roman, dat mij de laatste maanden voortdurend bezig hield, sedert het uitbreken van den oorlog vrijwel verdwenen. Men kan zich niet bezig houden met fictieve figuren, zoolang deze oorlogstoestand ons behoort te trainen in het opgeven van ficties... zelfs ficties, waarin een niet-fictieve wereld zou kunnen bezinken. Ook hier: de totale oorlog. - Weer een bewijs, overigens, dat diegenen gelijk hebben, die zeggen, dat ik geen ‘echte’ romanschrijver ben; want zooeen zou onverdroten voortromanceeren, en zelfs uit deze omstandigheden waarschijnlijk onmiddellijk ‘den roman’ puren. Misschien ook een bewijs, dat ik, als ik nog eens den tijd daarvoor kreeg, een beteren roman zou schrijven dan zij. Maar misschien ook niet.
[...]
Zonder de gelijkheid zou het Christendom niet zijn ontstaan, zonder de ongelijkheid zou het niet zijn blijven voortbestaan, zonder de wisselwerking van beide zou het nu niet meer bestaan. Daarmee is niet gezegd, dat de Evangeliën en de brieven van Paulus niet allerlei concessies aan de ongelijkheid bevatten; maar hun publiek is dat van de gelijkheid, d.w.z. van degenen, die belang hadden bij de gelijkmaking door het ophanden zijnde Oordeel. Nog bij Luther is dat zoo; het Christendom wordt gematigder naarmate de illusie van den Jongsten Dag, die binnenkort komen zal, verzwakt. In plaats van den Jongsten Dag komt nu de Blitzkrieg: ook een soort verlossing en gewelddadige rechtvaardiging op korten termijn. Luther zou een perfecte Blitzkrieg-apostel geweest zijn.

Ik ben nooit pacifist geweest en heb nooit geloofd aan zoo iets absurds als wereldvrede. Maar ik heb geloofd aan den vrede in West-Europa, en daarom zie ik dezen oorlog als een burgeroorlog. Wanneer het gelukt Duitschland te ‘europeaniseeren’, zijn de Vereenigde Staten van (West) Europa geen utopie meer.

donderdag 5 september 2019

Ernst Heldring • 6 september 1933

Ernst Heldring (1871-1954) was een Nederlandse reder, bankier en politicus. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.

6 September 1933.
Zondag teruggekomen. Prachtig weer in Zwitserland. Veel geloopen en geklommen, meer dan ik dacht nog te kunnen. Hart en longen zijn geen bezwaar voor het stijgen, maar bij langdurig dalen gevoel ik de knieën meer dan vroeger. Champéry is mooi, maar wat ingesloten, men heeft er nergens uitzicht op de sneeuwbergen en ook de wandelingen brengen je niet naar zulke uitzichtspunten. Was ik eenige dagen langer gebleven - ik bracht er ruim 3 weken door - dan was ik de Dent du Midi opgegaan, vanwaar men wel de Walliser Alpen en de Mont Blanc groep ziet, maar het moet een vermoeiende en eentonige toer zijn, waarin ik niet al te veel lust had. Wij hadden het vroolijke gezelschap van de Chaponnières en Alec Bungener met vrouw en zoons. Twee dagen brachten we ook te Zermatt door, waar ik het onvolprezen gezicht van den Görnergrat voor het eerst sedert 29 of 30 jaar weer genoot en den volgenden dag naar Schwarzsee wandelde. Ik had Pernette bij mij (en natuurlijk Jet). Te Zermatt troffen wij Balt en de De Bruyns aan. Wij waren tenslotte een dag en een nacht de gasten van deze laatsten te Spiez, waar zij in een oud en aardig chalet hun prachtige collectie Rembrandt-etsen benevens een twintigtal goede schilderijen uit de Hollandsche school, waaronder Saskia, houden. Zij brengen hun leven met reizen, verzamelen en bergklimmen door, hoewel De Bruyn deze sport tegenwoordig slechts in mijn tempo beoefent. Het was een ongebroken vacantie van 4 weken, zooals ik jaren niet gehad heb. Zij deed mij meer goed dan het rondboemelen door Italië of Frankrijk, hoeveel aantrekkelijker dit voor den geest ook zij. [lees verder]

woensdag 4 september 2019

Hermann Hesse • 5 september 1900

• De Zwitserse schrijver Hermann Hesse (1877-1962) was altijd een eenling die buiten scholen en stromingen stond. Zijn romantiek geldt als anti-burgerlijk en in zekere zin zelfs anarchistisch, gericht op innerlijke zelfbevrijding en contemplatie. Uit: Zinnig eigenzinnig (vertaald door Wouter Donath Tieges).

Vitznau, 5 september 1900
Het meer [het Vierwoudstedenmeer] ontsluiert zich langzamerhand voor mijn vlijtig oog en houdt me nu voortdurend in een kring van verlokkingen, aantrekkelijkheden en verrassingen gevangen. Soms geeft het zich niet bloot, laat me wachten en werpt me dan onverhoeds handenvol kostbaarheden toe zodat het me voor de ogen flakkert. [...] Ik breng er alle uren van de dag mee door het meer zijn kleurenspelen en geheimen af te kijken. […] Zal de dag nog komen dat ik in woorden deze stroom van bonte verrukkelijkheden en kleurig opgewonden ogenblikken in een dichtwerk zal kunnen omzetten? Deze verlokkingen, deze zinnelijke lust en begeerte, deze plotselinge bevrediging, extase en verblinding? Nu kan ik alleen maar stamelen en prozaïsch noteren. Misschien zal het hierbij blijven, misschien is de taal helemaal niet in staat om het individueel speurende en genietende oog ook maar iets verder te volgen dan de eerste, grovere nuances. Ook de schilders moeten zich immers al bij de schijnbaar simpelste kleurmengingen overgeven aan hun instinct en problematische eigen wegen gaan. – Kun je je een taalpointillist voorstellen? En toch – wat is blauwgroen? Wat is parelblauw? Hoe is het lichte domineren van bij voorbeeld geel, kobaltblauw of violet uit te spreken?-en toch ligt in dit lichte domineren het hele zoete geheim van een stemming, van een gelukkig makende combinatie opgesloten.

dinsdag 3 september 2019

Claude Debussy • 4 september 1903

• De Franse componist Claude Debussy (1862-1918) schreef onderstaande woorden aan componist Charles Levadé. Uit: Hartstochtelijk houd ik van muziek (vertaald door Lucas Bunge)/

Bichain, vrijdag 4 september 1903
De ‘geschiedenis van de kunst van het orkestreren door de eeuwen heen’ zou ik niet voor je willen schrijven, want ik heb de daarvoor benodigde documentatie niet meegenomen; bovendien voel ik er helemaal niets voor. Feitelijk kun je de kunst van het orkestreren beter leren door te luisteren naar het geluid van de bladeren waar de wind doorheen speelt, dan door leerboeken te raadplegen waarin de instrumenten op anatomische onderdelen lijken, en die bovendien maar matige informatie geven over de talrijke mogelijkheden om die instrumenten te mengen. Wat je me vraagt over de bezetting is heel subtiel. Wie zegt je dat deze overeenkomt met die welke jij nodig hebt? Hoe dan ook, hier is zij: 3 fluiten, 2 hobo’s, 1 althobo, 2 klarinetten, 3 fagotten, 4 hoorns, 3 trompetten, 3 trombones, 1 tuba, 2 harpen... Maar geloof me, maak je niet vooraf druk over een systeem of een formule... bij de tiende maat weet je al niet hoe je ermee verder moet... Wees maar nooit bang dat je bezetting te klein is! En bedenk vooral dat het koper uiterst verfijnd moet klinken en dat het niet dient om slachtpartijen aan te richten! Alleen in het uiterste geval mag een trombone een keertje loeien... Kijk naar Wagner, hoe die het slachtoffer is van zijn werkwijze, want ondanks een kwartet van tuba’s en trompetten in alle soorten is het resultaat helemaal niet rijker... En in weerwil van Berlioz, Charpentier, Gannel en Puccini moet je niet denken dat een triangel een gevoelig instrument is. .

maandag 2 september 2019

Jacq Firmin Vogelaar • 3 september 1981

Jacq Firmin Vogelaar (1944-2013) was een Nederlandse schrijver. Uit: Oefeningen in het dagboekschrijven (augustus '81, tweede keus).

3/9. Donderdag
+ Ik schrijf dit dagboek met tegenzin. De oneerlike eerlikheid hangt me nu al de keel uit. Voor wie schrijf ik? Als het voor mezelf is, waarom publiceren? En als het voor de lezer is, waarom doe ik dan alsof ik met mezelf praat? Praat je zo met jezelf, dat anderen je kunnen horen? Vreemd. Wat is er over van de zelfverzekerdheid en inventiviteit die ik ervaar wanneer ik - sorry - echt schrijf? Het is alsof ik betrapt word op meeëters, vieze gekloven nagels, roos en nog wat van die ongerechtigheden die op afstand gelukkig (voor de lezer) niet zichtbaar zijn. De valse toon die al in de opzet van dit dagboek steekt maakt me balsturig, neem me niet kwalik, neem me toch aub niet kwalik (verontschuldigingen maken het nog pretentieuzer!). Niettemin ben ik me bewust dat je op alle nivoos van het schrijven voor de dag moet kunnen komen, dus niet alleen in een door de literatuur geratificeerde tekst of in een door krant of tijdschrift geautoriseerd essay of bespreking, maar ook in keukenproza. De indirekte rede van het schrijven, vaak niet meer dan een schaduw van realiteiten, moet zijn metgezel van vlees en bloed vinden. Hoor mij! Ik wil alleen maar zeggen dat de ballon aan de lijn moet. Toch vrees ik dat ik onder mijn ‘nivo’ bezig ben. Dat wil ik niet uit de weg gaan.

De moeilikheid is, dat ik niet schrijf onder beschutting van een fiksie, met plaatsvervangende stemmen als lijfwacht. Daardoor voel ik me een serieus geval worden - aanhalingstekens kwijt, sarkasme misplaatst -, ik moet ‘bescheiden’ zijn; en ik voel me gedwongen naar mezelf te kijken met de argwanende blik van degenen die niets van me willen weten (een ongewenste gast heeft geen recht van spreken) - maar in mijn leven heb ik al te veel met een derde oog naar mezelf moeten kijken. Dat is mijn enige echte vijand, dat loerend neutrum dat me kleinhoudt en me voortdurend dwingt op mijn qui vive te zijn. Ik prijs degenen gelukkig die een dagboek in stijl kunnen schrijven, zeker van zichzelf en van het gewicht van hun woorden; hoewel ik er geen sent voor geef, voor die door de ‘werkelikheid’ gesanktioneerde verhalen.

Ik wil in dit dagboek kennelik een figuur konstrueren die mij de kans biedt me te verstoppen.

Ik ben eraan begonnen om ergens houvast te hebben, om niet helemaal te versplinteren...

(Voor de helft is dit net zoon spontane reaksie als die van Gombrowicz op een vrijdag in 1953).

zondag 1 september 2019

Arthur Rimbaud • 2 september 1881

• De Franse dichter Arthur Rimbaud (1854-1891) werd na zijn korte literaire leven koopman in Oost-Afrika, een bestaan dat hij haatte maar waar hij desondanks tot zijn dood in volhardde. Hij schreef in die jaren veel brieven, vooral aan zijn familie. Uit: Afrikaanse brieven (vertaald door Per Justesen).

Harar, 2 september 1881
Chers amis, Ik geloof dat ik jullie eenmaal geschreven heb sinds jullie brief van 12 juli.
Mijn verblijf in dit deel van Afrika is me nog steeds een kwelling. Het klimaat is grimmig en vochtig; mijn werk is absurd en afstompend, en ook de levensomstandigheden zijn over de hele linie absurd. Ik heb trouwens onaangename kwesties met de directie en de anderen gehad, en ik heb nu min of meer besloten om eerdaags te verkassen. Ik ga proberen om in dit land iets te ondernemen voor eigen rekening; en mocht dat niet lukken (wat ik snel genoeg zal weten), dan ben ik gauw vertrokken om, naar ik hoop, intelligenter werk onder een beter gesternte te doen. Het zou trouwens kunnen dat ik in dat geval aan de firma verbonden blijf – elders.
Jullie zeggen dat je me spullen hebt toegestuurd, kisten, en andere voorwerpen, waarvan ik de ontvangst niet heb bevestigd. Ik heb net een zending boeken gekregen volgens jullie opgave, en daarbij hemden. Trouwens, mijn bestellingen en mijn brieven zijn altijd op een idiote manier binnen die firma heen en weer gestuurd.
Ik heb nota bene twee stel lakense kleren in Lyon besteld, verleden jaar november, en er is nog niets aangekomen!
Ik had medicijnen nodig, zes maanden geleden; ik heb er Aden om gevraagd en ik heb ze nog niet gekregen!
– Dat is allemaal onderweg, naar de hel.

Alles wat ik in mijn leven verlang, is een goed klimaat en goedbetaald, passend werk; eens op een dag zal ik dat vinden! Ik hoop ook alleen goed nieuws te horen over jullie en je gezondheid. Mijn grootste plezier is om van jullie, chers amis, te horen; en ik wens jullie meer succes en meer vrolijkheid toe dan mijzelf.
Tot ziens
Rimbaud

– Ik heb de firma in Lyon laten opdragen om al mijn verdiensten in geld van 1 december 1880 tot 31 juli 1881 per post naar jullie in Roche over te maken. Het gaat om 1165 roepie (de roepie is ongeveer 2 franc en 12 centime waard). Graag meteen bericht van ontvangst en dit bedrag behoorlijk beleggen.
– Wat de militaire dienst betreft geloof ik nog steeds dat ik niet in overtreding ben; en ik zou woedend zijn als het wel zo was. Geef me daarover uitsluitsel. Binnenkort zal ik in Aden een paspoort moeten laten maken en ik zal ze op dit punt moeten inlichten.Groeten aan F[rédéric].

Sigurd von Ilsemann • 1 september 1939

Sigurd von Ilsemann (1884-1952) was vleugeladjudant van de Duitse keizer Wilhelm II. Hij schreef Der Kaiser in Holland. Aufzeichnungen des letzten Flügeladjutanten Kaiser Wilhelms II. In het Nederlands vertaald (door J. Bogerd) als Der Kaiser in Nederland.

1 september 1939
Omdat kolonel Van Houten de keizer verzocht had vanwege de troepenverplaatsingen niet te gaan rijden, had ik de gelegenheid samen met Schwerin en Dommes de zitting van de rijksdag via de radio te beluisteren, waarin Hitler de terugkeer van Danzig in het rijk meedeelde en het leger de opdracht had iedere aanval van de Polen met scherp te beantwoorden. Mevrouw Von Giese belde vanmorgen om elf uur uit Berlijn op dat het oorlog was.
Voor de eerste keer bracht ik de keizer, die al naar mij gevraagd had, verslag in de tuin uit. Hij was het met de door Hitler opgestelde eisen ten aanzien van Danzig en de Corridor eens en vond ze zeer gematigd. Alles wat ik hem in bijzijn van Giese en Dommes vertelde, hoorde hij kalm aan, alleen zijn hand verried enige nervositeit. Wij werden gestoord door Schwerin, die verzocht de bezuinigingen te beginnen door de eenden in de tuin van de keizer niet meer met brood maar met aardappelen te voeren. De graaf verzweeg dat het voeren met brood per maand vijftig gulden gekost had. De keizer was het tot verbazing van de graaf hiermee eens, hoewel hij nu van een geliefde gewoonte moest afzien.
Langzaam wandelden Giese en ik daarna met Z.M. naar huis terug, waar de krantenberichten niet voorgelezen werden, omdat ik zei dat allemaal al gedaan te hebben. Terwijl de radio het begin van de vijandelijkheden meedeelde, tenniste H.M. met haar dochter.

Hans Christian Andersen • 31 augustus 1860

> • Hans Christian Andersen (1805-1875) was een Deense (sprookjes)schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is gepubliceerd in Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd (vertaald door Edith Koenders).

Vrijdag 31 augustus 1860 [Genève]
Mijn gemoed is zo merkwaardig terneergedrukt, waarom? Wat bezielt me; angst en onrust nemen bezit van me zonder reden; ik geloof dat ik niet in orde ben! [...]

Maandag 3 september 1860 [Genève]
Het is alsof een boze geest mijn humeur beheerst, waarvandaan, waarom, het is vreemd maar ik heb genoeg van alles! maar ik durf u niet te vragen, God, mij te helpen, ik verdien het niet, waarom zou het altijd goed met mij moeten gaan. Niemand weet zijn lot van uur tot uur. Naar de snelstromende Rhône gelopen, demonische lust om me erin te werpen, ik spoedde me ervandaan. [...]
Mijn geest is ziek! mijn God, ontfermt U zich over mij! – Om vijf uur kwam professor Humbert me halen om mee te gaan naar zijn landhuis, dat zeer elegant is en waar zijn naaste familie bijeen was, ik knipte plaatjes voor twee aardige jongetjes, Emile en Ernest, die werden bewonderd, men was zeer attent voor me en om negen uur werd ik naar huis gereden. Kon ik de nachtmerrie waaraan ik geestelijk lijd maar bedwingen, het doet me denken aan een droom die ik eens had over een vleermuis waarmee ik moest vechten en die me bijna wurgde.

Dinsdag 4 september 1860 [Genève]
Vanmorgen warm, nerveus, geestelijke nachtmerrie; de wens om plotseling te sterven dringt zich zo vaak op. [...]

donderdag 29 augustus 2019

Gerrit Kamphuis • 30 augustus 1937

Gerrit Kamphuis (1906-1998) was een (religieus) dichter en letterkundige. Dagboekfragmenten van hem zijn gepubliceerd in het tijdschrift Liter.

30 Augustus Maandagmorgen
Nog midden in den zomer en nu reeds wordt het licht dunner en koeler. Dinsdagsavonds 10 Aug. uit Keulen thuisgekomen. Artikelen geschreven over de Vondeltentoonstelling voor De Standaard.
Het was psychologisch een merkwaardig experiment eenige dagen met Bert [uitgver Bert Bakker] en Ella [zijn vrouw Ella van Nood] samen te zijn. Ik zou het zeker niet op prijs stellen een derde bij Betty en mij te hebben, maar Bert is minder gevoelig. Hij was zelfs op sommige punten wat grof van gevoel. Zoo deed zich eenige malen verschil van meening voor over de te gebruiken wijn. Bert kon het niets schelen, als hij maar wat dronk. Bert is weinig kieskeurig, ook op 't gebied van vrouwen. Als hij meer geld bij zich gehad had, was hij wellicht 's avonds, nadat hij Ella naar bed had gebracht, nog naar een of andere nachtgelegenheid gegaan. Hij houdt wel van haar, maar heeft, behalve het lichamelijke, toch niet zoo heel veel dieper contact met haar; hij heeft geen invloed op haar geest, waardoor ze nog eenigszins geborneerd orthodox gebleven is. Daartoe zou hij trouwens eerst zichzelf meer moeten opvoeden. Soms deed hij me aan een rijke parvenu denken, b.v. toen we op een terras op de Domplatz zaten, schreeuwde hij op bevelende toon: Ober, Ober. Toen ik hem er op opmerkzaam maakte, dat ‘Herr Ober’ nog iets netter was, vond hij dit onzin, en toen ik zei, dat de man zoo meteen wel langs zou komen en hij dus niet zoo'n drukte hoefde te maken, zei hij: ‘Ik betaal ervoor, dus wil ik ook op mijn wenken bediend worden!’ En dat voor iemand van even in de twintig! Zijn ongeluk is, dat hij te veel geld in handen heeft gehad. Hij is te zeer op zijn gemak gesteld, heeft daardoor een burgerlijke inslag in zijn wezen. Hij bezit een algemeen aesthetisch gevoel, maar dit blijft tamelijk passief door een weinig krachtige geest. Daardoor heeft hij ondanks de vele vellen druks nog geen enkel werk geschreven, waarin iets van persoonlijke waarde zit. Het gaat hem alles te gemakkelijk af, en vooral, hij neemt te gemakkelijk en zonder nadenken iets over. Zijn erotisch leven bezit maar een zwakke psychisch-geestelijke inslag; meestal ontbreekt deze, en wordt het louter en alleen bepaald door een lichamelijke praedispositie. Ella is nog naïf en weet van dit alles weinig of niets. 't Zou niet te verwonderen zijn als ze nog veel moeilijkheden ondervond in haar huwelijksleven, dat misschien wel op een teleurstelling uitloopt.*

Op de Vondeltentoonstelling was ze mijn gewillig gehoor betreffende een stof waar ik goed in zat, op de boot hield ik haar, toen ze wat bang was wegens het onweer, een beetje in m'n armen. Bert erkende zelfs mijn meerderheid in die rollen, door eens, in een gesprek over Glaeser's ‘Jahrgang 1902’ te zeggen: ‘Gerrit, nu moet jij haar maar eens de beteekenis van dat boek uitleggen’. In ieder geval vond ik het prettig, zittend bij een glas wijn aan de hooge Rijnoever, een lief meisje met eenige kracht van reden deze zaken uiteen te zetten. Zoo pleegde ik de meer verfijnde vormen van erotiek met haar, de grove liet ik aan hem over wanneer hij 's avonds of 's morgens even bij haar in bed kwam.

[* Teleurstelling: Gerrit Kamphuis kreeg gelijk. Na enkele jaren huwelijk scheidden Bert Bakker en Ella van Nood. Bert hertrouwde met de kunsthistorica Victorine Hefting (1905-1993), Ella met de kunstschilder Roeland Koning (1898-1985).]

woensdag 28 augustus 2019

Jozef van Walleghem • 29 augustus 1790

Jozef van Walleghem (1757-1801), een Brugs handelaar in garen en linten die een winkel hield op de Eiermarkt, hield van 1787 tot 1800 een journaal bij, dat eind vorige eeuw door het Stadsarchief van Brugge gepubliceerd is. Zijn dagboeken gaan over de cruciale periode van de Franse Tijd te Brugge.

(29 augusti 1790)
Op den 29 augusti stierf joffrouw de weduwe Liebaert, wonende langs de Lange Reije, zeer subitelijk; want dees joffrouw 's morgens meijnende naer de kerk te gaen en tot dies reets gekleet zijnde om uijt te gaen, viel op 't onvoorsiens neder, stervende in den tijdt van eenig minuten, zonder dat het nauwelijks iemant gewaer wiert en dus zonder eenige de minste geregten van Onse Moeder de Heijlige Kercke te konnen ontfangen ofte dat haer de minste tijdelijcke hulpe ofte bijstant konde toegebragt worden.

Heden is met de gewonelijcke ceremonie binnen de stadt Bergen in Henegauw geschiet de 647ste treckinge van de loterije van Genua; zijnde uijt het rad der fortune getrokken de nombers: 54, 20, 71, 30, 64.

dinsdag 27 augustus 2019

Tsead Bruinja • 28 augustus 2007

• Dichter des vaderlands Tsead Bruinja (1974) was in 2007 te gast op een poëziefestival in Macedonië en hield daar een dagboek bij.

Maandag, 27 augustus
Nadat we waren opgesplitst in vier groepjes, vertrok mijn gezelschap naar het stadje Prilep. Daar lazen we, na een bezoek aan het tabaksmuseum en een copieuze lunch, 's avonds voor bij de muur van een ruïne. De technicus, een jonge, wat gezette jongen, verveelde zich zodanig bij onze voordrachten, dat hij voortdurend aan het geluid zat te pielen, waardoor de installatie geregeld vervelend piepte. Verder werd de avond half schreeuwend gepresenteerd door een vrouw, die door haar mannelijke postuur, haar felrode lippen en een voorliefde voor haarlak veel weg had van een travestiet.
De vertalingen werden gelukkig niet voorgelezen door de presentatrice, maar door Elida, een studente psychologie, die ons samen met Marija en Natasha ook in Struga had begeleid. Ik had Elida niet verteld dat ik van mijn voordracht, vier liefdesgedichten, een duet wilde maken, maar ze deed goed mee. Ik stelde haar microfoon zo op dat we niet voorlazen aan het publiek maar aan elkaar. Bij het laatste gedicht dat het einde van de relatie inluidde, stonden we met de ruggen naar elkaar toe.

Dinsdag, 28 augustus
Van het oude treinstation in Skopje, waar alle dichters voorlazen, was een monument gemaakt ter nagedachtenis aan de honderden gestorven kinderen die tijdens de aardbeving in 1963 onder het puin bedolven waren geraakt. De klok aan de gevel stond nog altijd op het tijdstip van de ramp.
Ik vroeg de jonge Macedonische dichter Nikola Madirov, met wie ik het veel over muziek had gehad, bij mijn voordracht in een vijfkwarts maat te klappen. Hij nam de uitdaging aan en ik las een gedicht over mijn opa, waarin ik me voorstel hoe hij als een Don Quichot uit zijn laatste droom komt galopperen en al vechtend met zijn eigen windmolens aan de horizon verdwijnt. Doordat ik het met nog meer vuur had gebracht dan normaal, duurde het even voordat ik weer mezelf was.
Eenmaal terug in het hotel dronken en praatten we tot zo diep mogelijk in de nacht om ons naderend afscheid uit te stellen. Ik zou ze gaan missen, zelfs Mr. Montenegro.

maandag 26 augustus 2019

Benoîte Groult • 27 augustus 1993

Benoîte Groult (1920-2016) was een Franse schrijfster, die grote bekendheid verwierf met Zout op mijn huid. De man die model stond voor de mannelijke hoofdpersoon was op later leeftijd lange tijd haar minnaar, en zocht haar jaarlijks op in Ierland, waar ze dan op vakantie was met haar man (die hen dan even alleen liet). Haar dagboeken van al die vakanties in Ierland zijn gepubliceerd als Journal d'Irlande, en in het Nederlands vertaald als Iers dagboek.

26 augustus
Paul [Groult's echtgenoot] is gisterochtend vertrokken, zo goed als hersteld. En gisteravond is Kurt [Groult's minnaar] aangekomen. Ik keek niet bepaald verlangend naar zijn komst uit: ik was bang dat hij afgetakeld zou zijn. Maar nee: niet afgetakeld! Dezelfde. Maar nog altijd even slecht gekleed: een te ruime, versleten spijkerbroek vol kreukels; zijn hemd dat uit de boord van zijn overhemd omhoogkruipt. Maar goed, binnenkort wordt hij drieëntachtig en iedereen schat hem tien jaar jonger.

27 augustus
Helaas: zijn hartkwaal en vooral zijn medicatie beperken hem in bed. Geen doubles meer uiteraard, maar de passie waarmee hij me aankijkt, aanraakt, lieve woordjes tegen me zegt... Als hij me niet kust, masseert hij mijn voeten, als hij me niet streelt, zalft hij me met zijn verliefde blikken. Maar de val van zijn zo vrijpostige, zo onvermoeibare en onvergetelijke roede drukt op onze relatie en ontmoedigt hem. Ten onrechte, want ik klaag niet en wil hem nog steeds. Al hoort plafonds witten of zwaar tillen ook niet meer tot de mogelijkheden!
En ik mag ook niet vergeten dat hij een levend stuk van mijn auteursrecht voor Zout op mijn huid is.

zondag 25 augustus 2019

Bertus Brouwer • 26 augustus 1903

• De gevierde wiskundige Bertus Brouwer (1881-1966) onderhield lange tijd een correspondentie met de (in zijn tijd zeer geliefde) dichter C.S. Adama van Scheltema. Onderstaand fragment komt uit een brief van hem aan Adama. Uit: Droeve snaar, vriend van mij (bezorgd door D. van Dalen).

26 augustus 1903
Broeder, wat zat je daar droevig gisteravond, maar zoo zie ik je het liefst, in dat licht, waarin je mij de eerste maal verscheen. Zoo ben je ook het zuiverst jezelf, niet wanneer 't onwillig lichaam je troost doet zoeken bij inferieuren. Jij bent geen mensch om vrienden te hebben. Als ik goed en wel verhuisd ben, zal ik je 't zelfportret van Michel Angelo sturen, die had ook afgerekend met zijn eenzaamheid, en liet geen andere troost meer toe dan zelfbewondering. Daartoe zijn ook wij gerechtigd. – In de rechte keten der geslachten, waar al het heden aan de toekomst wordt geofferd, veroorlooft de natuur zich een enkele maal, zijwaarts een onvruchtbare schoone bloem voort te spruiten, buiten verband met het zich voortplantende menschdom. Zalig zoo een uitverkoorene – 't is meest een oudste zoon, die zoo wordt geofferd aan Minerva – wanneer slechts hij zich bewust is van zijn wijding, en niet bekommerd om zijn vrije ongestuurdheid bij al de krachtige blinde gestuurden in den keten. De bloem steunt niemand in het groot verband, en heeft geen andere plicht dan schoon te zijn, voldoende in zichzelf, want d'open kant strekt zich ten hemel, afgebogen aan de lijn des stams, die zich verkwikken kan aan schoonen schijn, maar de tranen binnenin ziet slechts God.

zaterdag 24 augustus 2019

Adèle d’Osmond • 25 augustus 1815

Adèle d’Osmond, Comtesse de Boigne (1781-1866) was een Franse aristocrate. Haar mémoires zijn in het Nederlands vertaald (door Willem Derks) als Verhalen van een tante. Memoires 1781-1830.
De soldaten die ze beschrijft waren de restanten van de troepen van Napoleon, nadat hij kort daarvoor definitief was verslagen in de Slag bij Waterloo.

25 augustus 1815
Op 25 augustus kwam ik in Lyon aan. […] De wegen boden een troostende aanblik voor een Frans hart, hoe bitter ook. Dat kwam door het magnifieke gedrag van onze ontslagen soldaten. In groepen van twaalf of vijftien man, in uniform, gesoigneerd als voor een parade, waren zij op weg naar hun huiselijke haard, droevig maar niet terneergeslagen, met een waardigheid die hun vroegere successen recht deed. Het Italië dat ik achter me had gelaten, werd sinds de mislukking van de campagne van Murat geteisterd door roversbendes. De eerste groep Franse soldaten die ik zag naderen, boezemde me, als ik me goed herinner, enige schrik in, maar zo gauw ik in hun nabijheid was voelde ik alleen nog maar sympathie. Zij leken dat zelf te beseffen. De voorsten van zo’n groep keken me indringend aan als om te bevroeden waartoe ik behoorde, maar de laatsten groetten me altijd. Ik denk niet dat er iets mooiers in de geschiedenis is dan het gedrag van het leger in het algemeen en van de soldaten persoonlijk in die tijd. Frankrijk kan er trots op zijn. Het is toch heel opmerkelijk dat toen meer dan honderdvijftigduizend soldaten van hun vaandels werden weggezonden en zonder meer het land in gestuurd, er geen enkel exces, geen enkele misdaad is geweest die hun kon worden toegerekend. De wegen bleven even veilig, de rust op de kastelen werd niet verstoord, en de steden en dorpen werden verrijkt met nuttige burgers, intelligente handwerkslieden, interessante chroniqueurs.

vrijdag 23 augustus 2019

I.S. Toergenjev • 24 augustus 1870

• Uit een brief van de Russische schrijver Ivan Sergejevitsj Toergenjev (1818-1883) aan Ivan P. Borisow. Uit: Brieven (vertaald door Tom Eekman).

Baden-Baden, 24 augustus 1870
Je zou nu al de door jou gewonnen fles van L.N. Tolstoj kunnen opeisen, beste Ivan Petrovitsj, want de laatste slagen, door de Pruisen toegebracht, hebben, naar het schijnt, de zaak in hoofdzaak beslist. Je moet je verbazen over de handigheid waarmee ze eerst de domme Bazaine in Metz vasthielden, hem toen de weg naar Verdun versperden, hem tenslotte flink klop gaven en hem weer op Metz terugwierpen, waar hij nu moet verhongeren of zich overgeven. De drie veldslagen (van 14, 16 en 18 augustus) hebben hun enorm veel slachtoffers gekost, maar het resultaat is dan ook grandioos. Er is niets dat het leger van de kroonprins nu belet naar Parijs door te stoten. Mac-Mahon Zal vast het kamp van Chalon verlaten. De definitieve afloop van de oorlog is nog niet te voorzien, maar alle kansen zijn aan de kant van de Duitsers.
Ik begrijp heel goed waarom Tolstoj aan Franse zijde staat. Hij heeft wel een hekel aan de Franse holle frasen, maar nog meer aan al wat berekenend en systematisch en wetenschappelijk is, kortom, aan de Duitsers. Zijn hele laatste roman is gebouwd op die vijandschap jegens verstand, kennis en bewustzijn. En daar verslaan me de geleerde Duitsers opeens de leeghoofdige Fransen!! [...]
Wat mij betreft, in de simpelheid mijns harten ben ik blij om de Franse nederlaag, want daarmee wordt ook een dodelijke slag toegebracht aan het Napoleontische keizerrijk, waarvan het bestaan onverenigbaar is met de omtplooiing van de vrijheid in Europa.

woensdag 21 augustus 2019

Jan Maartensz Groen • 23 augustus 1783

• Jan Maartensz Groen (?-?) beschreef in Dagverhaal der Rampen en Wederwaardigheden van het Volk van het Schip De Jonge Alida (1783) de belevenissen en ontberingen die hij en zijn mede-opvarenden meemaakten toen hun schip nabij IJsland met tegen- en rampspoed te kampen kreeg.

Den 23sten, tegen den morgen, moesten wy volhouden voor een baan ys van twee mylen lang. Beneden deze baan gekomen zynde, kreegen wy de wind veel noordelyker, zo dat wy nu maar west noordwest konden zeilen, hoe zeer wy het anders gewenscht hadden. Daarenboven was het ys, waardoor wy liepen, zo ontzaglyk dik, dat het gezigt daarvan en van het gevaar, dat het dreigde, elks hart beklemde, en aan niemand onzer, hoe zeer wy anderszins ook afgemat waren, den lust tot eeten of slaapen overliet. Ondertusschen, wel verre van te verminderen, vermeerderde onze benaauwdheid van oogenblik tot oogenblik. Tegen den middag was het: daar legt het Land! Doch wy kenden het geen van allen. Kees Struis en wy evenwel wilden met ons beiden beproeven, of wy eene baai of haven konde krygen, en alzo ons leven redden: want het waaken, het tobben door het ys, en de geduurige vrees van elk oogenblik vernield te zullen worden, hadden ons zodanig afgemat, dat wy geheel buiten staat waren om langer met zo veele tegenspoeden te worstelen. Wy zetten het dan naar de wal toe. Wy diepten, en hadden 16, 15, 13 vademen water. Eindelyk was het: daar legt de grond! ach! steek, steek toch! Wy hadden toen, op zyn best, twee of drie vaêm. Dewyl het water vry helder was, konden wy den grond niet alleen gemaklyk zien, maar wy zagen tevens ook met angst en vrees den eenen kei wel één voet of twee boven den anderen uitsteeken. Wy hadden toen Kees Struis aan zee van ons, die het weer aan zee lag, terwyl wy ook weder gelukkig over staag kwamen, door Gods goedheid, die wy nu van achteren zien en met dankbaarheid erkennen, dat daarin ter onzer redding medewerkte. Want op dat tydstip waren wy zo verre af, van ons te verbeelden hier door gered te zyn, dat wy het veeleer beschouwden als slechts eene verlenging van onze jammeren, en een uitstel van den akeligsten dood, dien wy dachten niet te kunnen ontgaan. Wy wisten zelfs niet meer, werwaards wy het roer wenden zouden. De angst en verschrikking alleen scheenen ons te bestuuren. Deze joegen ons thans van de wal af: en deze zelfden waren het, die ons kort daaraan wederom daar na toe dreeven. Want ook in zee durfden wy niet blyven. Dáár was geen ander vooruitzicht, dan dat van welhaast door dezelve verbryzeld en ingeslokt te zullen worden. Van alle kanten waren wy daar door het ys bezet, dat des te vreeslyker en gevaarlyker werd, naar maate de nacht en de duisternis begonnen te naaken. Wy keerden derhalven tegen den avond, terwyl het nog dag was, terug naar de wal, die wy zo even ontvlucht waren. De ondieptens en de klippen, die wy daar hadden gezien, en wier yslykheid noch den angstvalligsten indruk op onzen geest maakten, deeden ons onze boot als het eenigste middel ter onzer redding beschouwen. Wy maakten dezelve dan met schreiende oogen gereed om, ingevalle ons Schip door het ys lek mocht worden, of tegen de klippen aan stukken stooten, dat wy ons elk oogenblik voorstelden te zullen gebeuren, met dezelve, noch zo lang mogelyk was, de uiterste woede des ongeluks en den dood te ontvlugten. De goede Voorzienigheid echter wilde, dat hier alles tegen onze vrees en verwachting uitviel. Wy hadden de boot tot dat einde, waartoe wy haar in gereedheid gebragt hadden, niet noodig. Wy liepen thans gelukkig voor eenen steilen en zeer hoogen berg, daar wy geene klippen vernamen, maar altoos 16 a 17 vaêm water hadden: zo dat wy eindelyk eens in de stilte kwamen, en onze boot mogten uitzetten, om met dezelve in de bogt, door de Yslanders Bolkbogt genoemd, te boegzeeren. Een Jol met Yslanders kwam ’er vervolgens van de wal af, om ons den goeden ankergrond aantewyzen. Elk, die zich de rampen en het veelvuldige gevaar, waaraan wy dus buiten alle hoop, ontrukt waren, slegts met eenige levendigheid kan voorstellen, kan gemakkelyk begrypen, met welk eene vuurige aandoening wy God voor deeze gelukkige en schielyke verandering van onzen toestand dankten. Het menschelyke hart gevoelt dan eerst recht het geluk van zynen staat, buiten dringende onheilen, wanneer het by ondervinding heeft leeren zien, aan hoe veele rampen de mensch onderworpen is. Wy waren nu, dacht ons, in een behoude haven; ons leven was gered; en onze Schepen zelfs scheenen wel bewaard te leggen, zo dat wy met dezelve, by gunstiger weêr, wederom hoopten te vertrekken, en gelukkig, na het uitstaan van zo veele gevaaren, naar het Vaderland terug te keeren.

Jacq Firmin Vogelaar • 22 augustus 1981

Jacq Firmin Vogelaar (1944-2013) was een Nederlandse schrijver. Uit: Oefeningen in het dagboekschrijven (augustus '81, tweede keus).

22/8. Zaterdag
+ En dan ben je 36 en nog nooit van je leven is de vraag bij je opgekomen of de peren van een jong boompje kleiner zijn dan die van een volgroeide boom.

+ Zou hij besluiten om zoveel mogelik observaties vast te leggen, dan is het alsof het doek opgaat voor een toneel dat zich anders, ongezien, achter de schermen afspeelt. Een mer à boire.

+ In dit verband (de poging tot afstand als program voor een bepaalde schrijfoperatie) de moeilikheid (of mijn onvermogen) om rechtstreeks op aktualiteiten in te gaan (en evengoed de remming om eigen belevenissen te behandelen). Mijn eerste reaksie: wat heb ik daarop te zeggen wat anderen al niet zeggen. En standpunten, er is niets zo onproduktief als een standpunt.
Voor het brandend aktuele heb ik alleen maar de beschikking over de klisjees van de dag.

+ Een geleend dagboek. Voor alles is er wel een vervangend sitaat voorhanden. Ongetwijfeld zou menigeen een dergelik plakboek hyperpersoonlik en opdringerig konfidentieel vinden.

+ Er wordt weer eens een historiese gebeurtenis aangekondigd. Sommige mensen moet je ervan verdenken dat ze aldoor bezig zijn met herinneringen opdoen.

+ Heeft er ooit iemand het dagboek van zijn lichaam gehouden? Alles opschrijven wat je ervan weet. Niet als medies onderwerp. Iets in die geest heb ik een paar jaar lang gedaan. Omdat ik - dankzij een overijverige verdringing - vaak de volgende dag al niet meer wist te vertellen hoeveel pijn ik had gehad en in wat voor kurves en kombinaties (alsof het dromen waren die me ontglipten), en omdat ik de neiging had tegenover de dokter de toestand dus maar te bagatelliseren, hield ik dageliks een grafiek bij. Eén van de dingen die ik konstateerde was dat er vaak geen enkele korrespondentie bestond tussen de hevigheid van de pijn en wat ik schreef (en zelfs niet óf ik schreef). Maar in die registratie was mijn lichaam slechts een beeldscherm. (Ook bedoel ik niet ‘de taal van het lichaam’, als daarmee een symbolentaal bedoeld wordt die toch weer naar iets anders verwijst.)
Het is toch belachelik dat ik wekenlang dit schrift volpen zonder zelfs maar te vermelden dat ik nauweliks kan zitten van de pijn.

[lees verder]

dinsdag 20 augustus 2019

Frederik van Eeden • 21 augustus 1898

• De Nederlandse schrijver en psychiater Frederik van Eeden (1860-1932), hield naast een uitgebreid dagboek ook een dromenboek bij.

21 augustus 1898
Eergister nacht een zeer kort moment van verbazende helderheid. Ik voelde me zoo wakker en bewust als nu, en ik keek rond in eenige kamers [die ik me evenwel slecht herinner] ik keek naar v.H. maar zag niemand. En ik voelde mij zelf alleen als een hoofd, mijn oogen wijd open en mijn mond zenuwachtig trekkend op eigenaardige wijze. En ik dacht er om dit goed te herinneren.
Vreemd is dan dat het mij bij 't wakker worden toch altijd nog eenigszins verbaast en minder werkelijk [verwant aan 't dagbesef] lijkt dan in den droom. In den droom denk ik dat mijn mond werkelijk zoo trekt, maar word ik wakker dan begrijp ik dat ik stil gelegen heb.
Dit is uiterst gewichtig, dunkt me. Het schijnt te beteekenen dat we een droomlichaam hebben en een waak-lichaam, die allebei besef houden van wat er mee gebeurd is.
Want mijn waak-lichaam voelt dat het stil-gelegen heeft, in denzelfden tijd dat ik mij van beweging bewust was.
Het observeerend Ik is in 't droomhuis geweest en komt terug in 't waakhuis en bemerkt dat daar alles rustig bleef.

23 augustus 1898
Weer een helder moment in den droom. Ik dacht met satisfactie: ‘A! daar hebben we 't weer!’ Wat ik zag, herinner ik me niet - Nu herinner ik me dat de helderheid ontstond door het mij laten vallen van een hooge rots, eerst bang en duizelig, toen denken: 't hindert toch niet. En heerlijk vrij in de lucht zweven. Toen naar mezelf kijken, denkend: ik wou opletten hoe ik er uit zie. Ik zag mijn kleeren niet duidelijk maar wel mijn handen, die vuil waren. Later vertelde ik in mijn droom deze observatie aan anderen. En ik zei: ‘Kijk, in mijn droom zag ik dat mijn handen vuil waren, met bepaalde vlekken, en nu zijn ze ook precies zoo vuil’. [Het leken harsvlekken als door 't werken met dennen hout, zooals ik veel doe. Inderdaad waren mijn handen schoon.]
Eigenaardig was de vrees, gedurende de heldere zelf-observatie, dat ik door te veel inspanning wakker zou worden. Het leek alsof ik vlak bij 't waken was Toen ik mijn kleeren trachtte te bekijken dacht ik: daar ga ik! ik word wakker. Maar nu lijkt het of ik er toen heel ver van af was.

François HaverSchmidt • 20 augustus 1861

François HaverSchmidt (1835-1894, beter bekend als Piet Paaltjens) was een Nederlandse schrijver en dominee. Uit: Reis door België en langs den Rijn, in Augustus 1861 ondernomen door Adolf van Slooten, zeepzieder te Dockum, Feddo Jan HaverSchmidt, wijnkooper te Leeuwarden en François HaverSchmidt, predikant te Foudgum en Raard in Westdongeradeel, beschreven door laatstgenoemde.

20 augustus, Antwerpen
[...] En nu werd het tijd om te eten. Om vijf uur ving dat werk aan en het ging goed. O.a. aten wij heerlijke zeekreeft. Na den eten stapten wij naar de Jardin Zoölogique buiten de Kipdorppoort, waar muzijk en en veel publiek was. De tuin is zeer mooi en wij zagen er vele fraaie dieren. Inzonderheid trof ons een groote verzameling zeer kleine vogeltjes en een groote Egyptische tempel met zebras en olifanten. Terwijl wij op den heerlijken avond prettigjes onze cigaar rookten en een glas Lambiek dronken op stoeltjes die het ons moeite gekost had om magtig te worden, kondigde een verwijderd gedonder ons aan dat het groote vuurwerk aanving, 't welk de stad Antwerpen bij gelegenheid van het Congres aan de artistes gaf. Wij maakten ons ijlings op weg; het volk wees ons dien. Den stroom der menigte volgende kwamen wij door een laan waar aan weerszijden een schoone gaz-illuminatie was aangebragt, vormende de namen van alle beroemde schilders van den nieuweren tijd. (Ik denk dat deze laan de avenue Charlotte was tegenover de lunette d'Herenthals. De ‘garçon’ van het Hôtel had ons de plaats van het vuurwerk als boulevard Léopold aangeduid). Aan de overzijde van de gracht die de lunette of schans van onze laan afscheidde werd een prachtig vuurwerk ontstoken, welks onderscheiden kleuren nog nooit door ons zoo schoon waren gezien. Door middel van electrisch licht werd daarenboven een tooverachtig licht op den schans geworpen. Wij wandelden langs de fraai geïllumineerde avenue Macerus, met schoone eerebogen opgeluisterd naar de stad terug maar zouden toen bijna in het duister van de stad zijn afgewandeld. Gelukkig wees men ons nog tijdig het regte pad, waarop wij nog even gelegenheid hadden om het laatste gedeelte te zien van de inwendige verlichting van den cathedraalstoren, waarmeê de feestelijkheden van den avond besloten werden. Nu wandelden wij nog een weinig rond, dronken een flesch wijn op de stoep van het café de l'Empereur op de Place de Meir en zochten vervolgens de Reedijk op, alwaar in bijna elk huis muziek gemaakt en gedanst werd. In Frascati dronken wij een glas bier. Een mengelmoes van zeevolk, militairen en burgers danste er met fraai getoiletteerde dames, schoone bloemen - maar die het liefste waas, de onschuld, misten. Na ook dit te hebben gezien zochten wij Mons. Corvilain op en gingen naar bed.

zondag 18 augustus 2019

26-jarige vrouw • 19 augustus 1970

Uit het dagboek van een 26-jarige vrouw. (Collectie NDA.)

Woensdag 19 Augustus 1970
[…] gisteren was D. hier de hele dag. Dat was heerlijk.
Hij kwam met de meest idiote confessie. Toen L. hem eergisteren thuisgebracht had, begon hij haar te zoenen, enzovoorts. Zij protesteerde niet. Maar uiteindelijk kreeg hij geen erectie.
Ik geloof dat het gewoon als iets zieligs gezien moet worden. Een beetje braaf, en een beetje belachelijk. Tussen L. en D. zal er niets van belang meer gebeuren. Een flop. Maar het was grappig; zo gauw hij geloofde dat ik hem “vergeven” had, was hij weer helemaal “on top of the world”. Kwestie van een paar minuten, en (wat hem betreft) achter de rug. Is dat zonderling? Voor mij scheen het gewoon onreëel, een soort van schijn. “Laten we het proberen — dat doet men immers.”
Ik doe dat niet. Dergelijke episodes. Ik heb meer vertrouwen in lange-termijn-vriendschappen. Die oppervlakkige dingen doen momenteel iets prettigs, maar het heeft geen body.
Niet alleen dat het oppervlakkig is, maar ook dat het de mogelijkheden voor ware, langdurende vriendschap onmogelijk maakt.
De liefde tussen D. en mij is gewoon — wat — hoe — de toekomst — de herinnering. Op het ogenblik is het een mengsel van sex (wel prettig) en alles [onleesbaar].
Vandaag overdag, toen hij belde voelde ik me verlaten door hem, en helemaal alleen. […]
Ik zal mijn manier van leven volhouden. En het zal wel gaan, op de een of andere manier. […]
Als ik fit ben, kan ik in 5 weken misschien de examens halen. Dat wil ik wel graag.
Eigenlijk ben niet sentimenteel over D.

zaterdag 17 augustus 2019

Jacobus Barnaart jr. • 18 augustus 1743

• Jacobus Barnaart jr. (1716-1780) schreef Dagverhaal van merkwaardige voorvallen [te Haarlem].

1743 Augustus. 18
Is in de tuin van Jacobus van Resch een vuurige bal neergevallen, en daar zo als hij op de grond kwam stukkend geslagen, doch heeft niets beschadigt.
Is op de bleek van Jan Malefeit een vuurige bal gevallen, en zonder schaade te doen stukkend geslagen.
Is alhier door Dirk Klinkenberg een Comeet ontdekt tusschen de kop van de groote beer en de staart van de draak, & is de laatste avond dat dezelve geobserveerd is zijnde den 13e September waargenomen bij het linker been van Bootes [Sterrenbeeld aan de noordelijke hemel. De oudst bekende naam in de oudheid was Bootes, Ossenhoeder. In Nederland ook bekend onder de naam Herder], deese Comeet vertoonde zig zo klein en flaauw dat zij van de meeste menschen, zelf op sommige Academies niet gezien is, ik heb dezelve egter verscheide reisen gesien door een verrekijker van 6 voeten, een Telescoop van 1 ‘voet van J. Jackson, en ook met het bloote oog, de observaties van deese Comeet door D. Klinkenberg gedaan heb ik.

1743 Augustus 20
Heb ik een vuurige bal door de lugt zien vliegen wel zogroot als een kaatsbal, die een lange straal agter zig liet.

W.N.P. Barbellion • 17 augustus 1908

W.N.P. Barbellion (1889-1919) was het pseudoniem van Bruce Frederick Cummings, een Britse natuurvorser. Hij kreeg op jonge leeftijd multiple sclerose, en zou op 30-jarige leeftijd overlijden aan deze ziekte. Zijn dagboeken worden nog steeds gelezen. Het boek is in het Nederlands vertaald (door Harry Oltheten) als Dagboek van een teleurgesteld man.

17 augustus
Garnalen vangen
Heb me bij eb fantastisch vermaakt op de rotsen met garnalen vangen. Ving een paar vijfdradige meunen en een grote Cottus bubalis “zeedonderpad”. Wat de zon vandaag deed kon je geen schijnen meer noemen – zij stroomde in een stortvloed uit de hemel en overspoelde het strand met licht. Zittend op een rots, met het garnalennet over mijn knieën, keek ik drie mijlen vlak hard en geel strand af. De zon bestookte het zo hevig dat ze een lichtgevende goudgele stofwolk leek te doen opwaaien van ongeveer drie voet. Op de rotsen bevond zich een knappe meid met een roze zonnehoed op – ook op garnalenvangst – in gezelschap van S., de kunstenaar die haar portret naar de Royal Academy heeft gestuurd. Ze zagen in mij een natuurvorser, dus verzekerden ze zich van mijn diensten, om mijn mening te horen over een ‘vis’ die zij had gevangen. Het was een pijlinktvis, inderdaad ‘een raar klein beest’, zoals zij opmerkte.
‘Behoort tot dezelfde soort als inktvis en octopus,’ merkte ik spontaan op.
‘Steekt hij?’
‘Absoluut niet!’
‘Wel, met zo’n uiterlijk zou hij dat eigenlijk wel moeten doen.’ Zij lachte opgewekt, en de bebaarde maar nog jeugdige kunstenaar lachte met haar mee.
‘Ik weet niets over deze dingen,’ zei hij schuldbewust.
‘Ik ook niet,’ zei de onderzoeker bescheiden. ‘Ik bestudeer vissen.’
Dit was verwarrend. ‘Vissen?’ Wat was een pijlinktvis dan?...
De kunstenaar hield af en toe stil en hief zijn kijker naar een passerend schip, en Mauds gezicht verdween nu en dan in haar roze zonnehoed wanneer zij zich bukte over een plas om zeewier of een krab aan een onderzoek te onderwerpen. Wat een lieverd – en ze gaf me de pijlinktvis. Wat een vrolijke kleine snijboon.

donderdag 15 augustus 2019

Pieter van der Meer de Walcheren • 16 augustus 1909

Pieter van der Meer de Walcheren (1880-1970) was een Nederlandse dichter-schrijver. Zijn veelgelezen dagboeken zijn in verschillende delen uitgegeven.

16 Augustus
Onze geldelijke toestand wordt zeer moeilijk. Ik verdien bijna niets, zodat we leven van wat wij krijgen en van hetgeen overgebleven is van dat aangename buitenkansje van verleden jaar. Wij denken er hard over naar Parijs te gaan en het daar te proberen, wellicht kan ik er makkelijker werk vinden. Ik weet het niet. Soms zie ik de toekomst al zéér donker in, drukt elke levensomstandigheid zwaar op mij neer. Wanneer ik niet Christine had, onze liefde niet door de dagen scheen als het zonlicht in een woud, wanneer ik niet de vreugde kende om mijn werk en om de schoonheid, ik wanhoopte aan het leven.
Christine heeft aan vrienden, Hollanders, in Frankrijk geschreven, die het ons indertijd reeds hadden voorgesteld, of zij er nog over dachten met ons samen te wonen in Parijs, dezen winter.

1 September
Wij verhuizen naar Parijs. Wij willen het eerst, dezen winter, aanzien. Wij gaan naar die stad tegen den 15den October, gedurende de maand daarvoor nemen wij onzen intrek bij diezelfde vrienden in een dorp bij Barbizon. - ‘Uw bestaan mist’, verweet ons onlangs een degelijk, rechtschapen burger - ‘een soliden financiëlen grondslag.’ - En hij vond deze levenswijze onverantwoordelijk. Tant pis!... of tant mieux!

woensdag 14 augustus 2019

Constantijn Huygens jr. • 15 augustus 1696

Constantijn Huygens jr. (1628-1697) was een Nederlandse staatsman. Hij was daarnaast bekend om zijn werk aan wetenschappelijke instrumenten en als kroniekschrijver van zijn tijd.

15 Saterd.
Smergens was niet bij de Con. Naermidd. quam Hoefnagel van Brussel mij besoecken, en̅ wandelde met hem in̅ thuynen, en seyde hij, dat het een seeckere remedie was om de worm van een peerdt te genesen, rontsom de seeren sterck met loock te vrijven, en̅ dan die met kinder-stront te smeren.
De Con. teeckende een heel deel sauvegardes, en sond se door Kien.

16 Sond.
Smergens teeckende de Con. een heel deel Actens, en gaf mij te schrijven.
Naermidd. hoorde dat men sanderen daegs soude marcheren naer Lembeeck, de Franschen oock zijnde gemarcheert.
Naermidd. was j. Tondi bij mij. Seyde dat die joff. Vligerius, die dese mergen bij mij had geweest en̅ seyde dat sij met een Lt of soo getrouwt was, niet getrouwt was, maer bij die vent swaer [zwanger] was; dat de derde suster (zijnde vet) sliep bij de soon van̅ ouden van Duynen in̅ Haeg, Ingenieur in dit leger, en dat sij haer bij hem te bedde gesien hadde.

dinsdag 13 augustus 2019

Carel Albregt Haupt • 14 augustus 1752

Journaal gehouden door den Adsistend Carel Albregt Haupt (1810-1885) op de togt door den Vaandrig August Frederik Beutler ter g'eerde ordre van den Wel Edelen Gestr. Heere Rijk Tulbagh Gouverneur en Directeur van Cabo de Goede Hoop met den ressorte van dien etc. etc. etc. beneevens den E. Agtbaaren politicquen Raad aldaar in den jaare 1752, ondernoomen ter ontdekkinge van de waare gesteltheyd der hier binnen waarts leggende landen en dies bewoonders.
Uit: Reizen in Zuid-Afrika in de Hollandse tijd. Deel III. Tochten langs de Z.O.-kust en naar het Oosten 1670-1752.

Den 14n dito rustdag.
Gemerkt hier ter plaatse veel printen tegens de klippen geschildert worden gevonden, sijnde een werk der meergem: d'Gauas die daarom by ons landgangers Kleyne Chineesen worden genoemt, gingen wy na een plaats omtrend twee uuren van ons campement geleegen om sulx te sien, daar sagen wy onder de krans van een cloof in een soort van spelonk, alwaar men voor regen en winden konde schuylen, portraiten van wilde paerden, bavianen en van menschen in verscheyde postuuren, met roode, witte en swarte verwen tegens de klippen geschildert, sommige waaren vry wel afgeteekend en andere weer niet, welke laatste scheenen het werk van leerlingen te weesen; het is verwonderingswaardig iets diergelijx by sulke ruwe en onwetende natie te vinden.

maandag 12 augustus 2019

Doeschka Meijsing • 13 augustus 1995

Doeschka Meijsing (1947-2012) was een Nederlandse schrijfster. Dagboekfragmenten augustus 1995.

13 augustus 1995 De woede
Was ik gisteren nog goedgemutst over kleur, vandaag is alles omgeslagen in een onverdraagzaam humeur. Wat de mensen zich toch denken te kunnen permitteren in deze stad. Met 4,5 miljoen zijn ze hiernaar toe gekomen, gehuld in verschrikkelijke kleuren, in verschrikkelijke glanzende auto's, met verschrikkelijke harde stemmen - om op straat te eten, tegen de huizen aan te pissen en lawaai en stank te verspreiden. Bulderend pedagogisch rondgaand heb ik gisteren boodschappen gedaan: niet op de stoep fietsen! roep ik, of: zakje oprapen, in de prullebak! of: rood!! als ik bij het groene voetgangerslicht expres vlak voor een fietser oversteek. Zij pesten mij, ik pest terug waar ik kan. ‘Zo? Worden we nog assertief op onze leeftijd?’ riep een twintigjarig meisje mij na. Ik moest lachen. Mijn eenmansoorlogje.
Ik weet dat ik het niet moet doen, maar ik volg de Balkanoorlog op de voet. Ik spel de kranten, bekijk het nieuws op alle netten. En ik maak me kwaad, zo ontzettend kwaad op dit vreselijke land dat festijn na festijn organiseert - Koninginnedag, 50-jaarherdenking van de bevrijding, twee maal Ajax-overwinning, de terugkomst van de blauwhelmen, Sail '95 - terwijl Nederland zowel binnen- als buitengaats blunder op blunder begaat. Ik ben allang niet meer blij met de kleur van de beelden op het nieuws.
Het beste wat dan te doen valt is de woede weglachen met wat vrienden in een blind café. Ach, men zegt dat ik kwaad ben geboren. Waarom moet ik dan zo vaak onbedaarlijk lachen om de dingen? De evenwichtskunst, daar komt het op aan, een leven lang. Maar ik zal het nooit, nooit leren. Elke ochtend beklim ik het slappe koord. En gedurende de dag en de daarop volgende nacht val ik en tuimel ik en klim ik en val ik opnieuw. Ik ben niet kwaad geboren, ik ben taai geboren.

14 augustus 1995 De dagindeling
Laten we nu eens een mooi schema opstellen:

- Acht uur op. Douchen. Ontbijten. Wandelen met de hond.
- Dagboek schrijven.
- Twee of drie mensen per telefoon beledigen.
- Aan het werk! (Zoals Tom Wolfe beschrijft hoe de jonge majorettes in de Verenigde Staten 's morgens bij het ontwaken als eerste hun stokje op het nachtkastje ontwaren, onmiddellijk vrolijk uit bed springen onder het uitroepen van: at it! Daar gaan we weer in de parade).
- Boodschappen doen.
- Met vrienden overleg plegen over het huidige landsbestuur.
- Eten koken, eten, krant lezen, nieuws kijken. Dit alles waar mogelijk synchroon.
- Opnieuw: aan het werk!
- Late film.
- Slapen.

Wat een uitstekend leven is dit.