donderdag 29 november 2018

J. Slauerhoff -- 30 november 1926

Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) was een Nederlandse dichter en schrijver (en scheepsarts). Een klein aantal dagboekaantekeningen van hem is gepubliceerd in Dagboek.

Z. 28 Nov. Lees bij v. Leent brief u. Nederland.
"Medici met ruime beurs kunnen natuurlijk meer doen dan die met minder. Het C.fonds is zakelijk, en geeft geen philantrop. uitkeering. Toch kunnen we ons voorstellen dat U (v. L.) door ons schrijven op die gedachte (toelage ƒ 25 daags) kwam." Sic.
Salaris ƒ 150. Ziekenbroeder die uitgespaard wordt dito. Waar blijft de vriendelijkheid t.o. jonge medici? over U. Deterding doet het beter.
De W. vertrekt, nog een paar moppen. Twee huilebalken: hoe komt dat ijzer nou stuk? 'k Weet het niet! De eene potatoe (uit Californië).


30 Nov. Branchut (le moraliste)
Vit d'un petit pain et boit aux bornes-fontaines,
Écrit des choses sublimes dans les jardins publics
Ou, s'ilpleut, sous lesportes cochères.
11 s'acheta deux chemises et connut le cervelas.
Ilpinga la taille de mlle Fédora.
II eüt epousé son êlève, le moraliste.
On le jeta à la porte.
C'est la faute de Rousseau. Ou St-Preux ou Julie.

Mais, vive Branchut, le moraliste.

                                                       (Le Chat maigre)

Ik herdenk de eerste dagen op deze vage doodsche kust, waar bloei en vulkanen even onbewogen boven verrijzen. De langzame, met te weinig roeiers bemande sloep, de zwijgende, pas nuchtere kapitein. De eerste dagen van het winchgeratel dat mij sindsdien zoo vaak de aandacht verstoorde. S'baja, Lawang, Polanan.
De Oostkust ('t vertrek v. de Vondel laatste schakel). En toch de rust in de kale hut, de verzen waarin ik mij terugtrok, waarop ik leefde. Dat kon ik tóen.

woensdag 28 november 2018

Anthonie Duyck -- 29 november 1596

Antonie Duyck (1560-1629) was vanaf 1621 raadpensionaris van Holland. In 1596 was hij advocaat-fiscaal van de Raad van State en hield in die functie een journaal bij waarin hij verslag deed van de militaire campagnes van prins Maurits.

Den 29en Novembris regende het seer. Ontrent dese tijt continueerden de tijdingen seer dat den Turck Agria in Over Ungeren bij appoinctement verovert ende allen den soldaten daer binnen geweest contrarie sijn beloften qualijcken getracteert hadde, ende corts daernaer tvolck vanden Ertshertoge in een onvoorsichtig schermutsel hadde getrocken ende daernaer daerop so seer was gevallen, dat hij desselven Ertshertogen leger ingedruckt ende tgeschut ende de bagagie genomen hadde, wesende de ruyteren met groote desordre gevlucht ende ontreden; met welck verlies naer alle apparentie scheen, dat gansch Over Ungeren ende Sevenburgen souden pericliteren, indien men geen ordre en stelde om tvolck te rallieren tot een verdrietigen inbreuck vande gansche Cristenheyt ende slavernie van so veel Christenmenschen, daertoe anders eenige teyckenen schenen te inclineren. Want op den dach vande nederlaeg vanden voors. Ertshertoge verbrande een groot deel van thof van Keyser tot Prague, ende de verblintheyt vanden Keyser was so groot, dat hij volgende den Raet van eenige Jesuiten om hem wesende, alsnoch sijn onderdanen in tstuck vande religie geen vrijdom en wilde geven, daerdoor dselve sulcken afkeer van hem hadden, dat se scheenen alles meer naer den Turck als naer hem te inclineren, so seer, dat den boerencrijch in Oistenrijck om de religie wille aengevangen noch met groote vehementie was duyrende, in welcke overgroote gevaren ende periculen den Keyser alleen so weynich gevoelen hadde, dat sulcx hem scheen niet ter harten te gaen, ende dat hij al willens desen grooten inbrueck de Cristenheyt, oick met verlies van sijn eygen landen ende rijcken wilde doen. Wesende anders oick een seer beclagelijcke sake, dat de Cristenen so seer op malcanderen verbitteren, dat se niet en gevoelen nochte aen en nemen de groote desolatien, die den Turck huer doet.

zondag 25 november 2018

George Sand -- 28 november 1834

• De Franse schrijfster George Sand (1804-1876) en de Franse schrijver Alfred de Musset (1810-1857) hadden korte tijd een veelbewogen relatie met elkaar. Het fragment is afkomstig uit Sands dagboek. Uit: Een moeilijke liefde. De correspondentie tussen George Sand en Alfred de Musset en een keuze uit het dagboek van George Sand (vertaald door W. Scheltens).

Vrijdag 28 november 1834
Liszt zei vanavond tegen me dat alleen God verdiende bemind te worden. Dat is mogelijk, maar wanneer je van een man gehouden hebt, dan is het heel moeilijk om van God te houden, dat is zo anders. Het is waar dat Liszt eraan toevoegde dat hij in zijn leven alleen levendige sympathie heeft gevoeld voor meneer de Lamennais en dat een aardse liefde zich nooit van hem zou meester maken. Hij is heel gelukkig, die kleine christen. Vanochtend heb ik Heine gezien, hij zei dat men alleen met zijn hoofd en met zijn zinnen liefhad en dat het hart maar weinig te zoeken had in de liefde. Ik heb mevrouw Allart om twee uur gezien, zij zei datje listig moest zijn bij de mannen, en datje moest doen alsof je boos was om ze weer terug te krijgen. Alleen Sainte-Beuve heeft me geen pijn gedaan en geen onzin tegen me gezegd. Ik heb hem gevraagd wat liefde was en hij antwoordde: 'Dat zijn de tranen, u huilt, dus u hebt lief.'
Oh ja, mijn arme vriend, ik heb lief. Ik roep tevergeefs de hulp in van de woede, ik heb lief, ik zal eraan doodgaan, of God zal voor mij een wonder verrichten, hij zal ervoor zorgen dat ik literaire ambitie krijg of devoot word, ik moet zuster Martha opzoeken.

Multatuli -- 27 november 1845

Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker, 1820-1887) schreef zijn liefdesbrieven in twee lichtingen – in 1845-1846 aan zijn eerste vrouw, Everdine van Wijnbergen, en in 1862-1863 aan zijn (op dat moment nog toekomstige) tweede vrouw, Mimi Hamminck Schepel. Uit: Liefdesbrieven (bezorgd door Paul van ’t Veer).

Poerwakarta 27 november 1845
Toen ik namelijk voor zijne aankomst op P.[arakan] S.[alak] was, sprak W. v. d. H.[ucht] er dikwijls over dat hij van plan was mij aan zijnen broeder aan te bevelen wanneer deze in Indië landelijke ondernemingen aanving. Het zoude er dan natuurlijk van afhangen of de conditiën mij voordeelig genoeg toeschenen om van het gouvernement af te zien. Er zijn vele redenen voor en tegen. Bij het gouvernement heb ik bijna zeven jaren dienst en aanspraak op een redelijke betrekking; als ik kwam te sterven zoudt gij pensioen genieten, dat wel niet veel is, maar toch altijd genoeg om u in Holland onafhankelijk te doen zijn. […] Hier staat echter weder tegenover dat ik het land niet gaarne dien, omdat ik niet hollandsch gezind ben, en dat vele principes die voorgeschreven zijn mij zeer tegen de borst stuiten. Het is mij menigmaal gebeurd (op Sumatra) dat ik in verzoeking kwam om met opoffering van alles tegen het gouvernement de partij van Inlanders te kiezen. Daarbij hangt men zoo geheel van de willekeur af die ons dikwijls plaatst onder menschen die geheel en al boven hunne eigenlijke aanspraken geplaatst zijn. Ik behoef mij op het oogenblik nog niet te vermoeien met het berekenen der voor of nadeelen die uit eene verandering van carrière zouden voortvloeien daar het mij nog niet gepresenteerd is, en gij begrijpt wel dat ik mij niet zal aanbieden. Laat u ook nooit een woord ontvallen alsof ik daar idee op had.

Nico Rost -- 26 november 1944

Nico Rost (1896–1967) was een Nederlands schrijver, vertaler en journalist. Door zijn verzetswerk in de oorlog kwam hij in Dachau terecht. Het (beroemde) dagboek dat hij daar bijhield is gepubliceerd als Goethe in Dachau.

26 November
Miesen gaf me vandaag enkele namen van jongeren, die hij ‘Schriftsteller der inneren Emigration’ noemde - essayisten, die dus geen Nazi's zijn en zich in hun geschriften zooveel mogelijk verzetten.
De meesten van hen groepeeren zich om Ernst Jünger - wiens laatste publicaties ook verboden schijnen te zijn.
Ik geef graag toe, dat Jünger een schrijver van formaat is, geen walgelijke lakei zooals Blunck, Johst, Steguweit en dergelijke heeren - maar dat hij ten slotte een anti-fascist zal blijken te zijn, betwijfel ik toch. Een frondeur van het nationaal-socialisme - zeker - maar is dat voldoende?
Ik heb de namen die M. me gaf, genoteerd, en zal me deze publicaties later aanschaffen - als dat mogelijk is.
We zullen met deze jongeren dan contact moeten zoeken en hen helpen zich van alle eventueele overblijfselen der fascistische ideologie te bevrijden. Hij noemde me o.a. de volgende namen en titels: Friedrich Georg Jünger (een broer van Ernst Jünger), wiens werk in Nikisch's Widerstands-Verlag verschenen is; een essay-bundel ‘Gestalten und Probleme’ van een zekere Eugen Gottlob Winkler (Rauch-Verlag, Dessau 1936) waarin - volgens M. - een belangrijk essay over kolonel Lawrence schijnt te staan.
Winkler heeft - vertelde M. me later - nauwelijks 24 jaar oud, zelfmoord gepleegd.
Verder: Max Bense en Gustav René Höcke; van hem o.a. een werkje ‘Das geistige Paris’ dat ook bij Rauch in Dessau verscheen.
Op Reinhold Schneider's werk had A. me reeds onlangs gewezen, en nu raadt Miesen me opnieuw aan diens boeken te gaan lezen, evenals ‘Das Lob der Einsamkeit’ van Herbert Werner Rüssel, dat in de gevangenis geschreven werd en tijdens den oorlog in Amsterdam verscheen (bij Veen's Uitg. Mij.). Waarschijnlijk is de keuze van Miesen eenzijdig - hij is katholiek - doch misschien kunnen andere vrienden ze later completeeren.

zaterdag 24 november 2018

Hans Dütting -- 25 november 2006

Hans Dütting (1937) is schrijver en vertaler. Uit: Wijn, vrouwen en plezier. Een openhartig dagboek. 24 november
Heb met Juweeltje een zeer erotische belevenis achter de rug. Zaj wilde iets terug doen voor het weekeinde in Normandië. Z^e nam mij mee naar een restaurant waar ik het bestaan niet van wist, waar je een aparte kamer krijgt boven het gewone restaurant en dus ongestoord kunt eten, en de pinguïn alleen komt opdraven als je op een elektrische bel drukt. Ik ken niets erotischer dan eten en seks, en dat ineengevloeid. "Wat een spel, onder tafel, op tafel, op een stoel. Wat een middag. 2Le had haar fooienpot van oktober ertegenaan gegooid, de prijzen waren geen kattenpis. Ik was smulpaap en geilaard tegelijk, we hebben zeer genoten. Ik ben vandaag wat je noemt een bevredigd man.
Ik weet nu zeker dat ik van mijn Juweeltje ben gaan houden, echte liefde, niet alleen de dekhengst heeft bij mij de overhand, al blijf ik bij Popje. Het moet maar een huwelijk met z'n drieën worden.
Ik ga nu een douche nemen, wat eten, ik heb mijn huiswerk al af, daarna naar Parijs. Ik heb pas om vijf uur een afspraak, wil dus eerst wat gaan kijken in de boekhandels en antiquariaten. Ergens iets lichts eten want ik zit nog vol van gisteren: twee Kir Royal, een fles bourgogne, champagne na, twee voorgerechten, een hoofdgerecht (haan in wijnsaus) en heerlijk gebak na. En elkaar lieten we ook niet met rust.

Ik ben zo vreselijk verliefd op Juweeltje geworden. Wat eens geile gymnastiek was, is overgegaan in verliefdheid. Als ik alleen ben en niet hoef te schrijven of te lezen, te studeren, overvalt mij een vreemde gevoel dat ze verliefdheid en melancholie noemen.
Waterlanders en maagpijn, tot braken toe. Je kunt beter liefdesverdriet hebben, dat gaat sneller over. Juweeltje is zo lief, zo ontzettend aardig, verdomme, waarom moet ik dat nog op mijn bijna zestigste erbij krijgen. Ik heb het gisteren laat op de avond aan Popje durven vertellen. Eerst een paar glazen wijn gedronken, dan gaat het wat gemakkelijker. Popje is veel verstandiger dan ik. Volgens Popje zijn wij (Popje en ik) op een leeftijd dat je niet veel meer te verliezen hebt. En ik moest geen moordenaar zijn van mijn gevoelens. Als het mis gaat, hebben Popje en ik elkaar nog. Ik moest maar profiteren van wat met gymnastiek buiten de deur was begonnen, als mijn Juweeltje tenminste eerlijk is. Er viel veel van me af. Bovendien begreep Popje dat zij na dertig jaar als vrouw van bijna zestig mij niet kon bieden wat een vrouw van veertig mij te bieden heeft. Terwijl Popje ging slapen, bleef ik beneden nog wijn drinken.
Ik voel me een stuk beter en bevrijd, voel telkens vlinders in mijn buik.

In het restaurant zaten we vier uur aan tafel, niet eerder zo lang met plezier aan tafel gezeten. Juweeltje gaf me een enveloppe met geld, want ze wilde dat ik afrekende. De pinguïn gebeld en netjes afgerekend. Binnen een minuut was hij weer terug, ik mocht uit een enorme kist een sigaar uitzoeken, hij had ze in alle maten. Juweeltje kreeg een rode roos cadeau. Ik hou niet van die stinkstokken. Geef mij maar een sigaar, zei Juweeltje. En zo rookte ze in mijn bijzijn een klein sigaartje.

25 november
Van een echte wip kwam het niet in het restaurant, wel zat op een gegeven moment de sering van Juweeltje in mijn broekzak. Ik wilde tijdens het afrekenen het zwarte vlinderbroekje aan die pinguïn laten zien en vragen waarom ze in dit restaurant toch van die vreemde servetjes hadden. Kon mijn grap beheersen! De wip hebben we thuis wel ingehaald. In de taxi naar huis werd er wel veel gevraagd van onze zelfbeheersing, want als je achterin in zo'n taxi begint te rommelen met elkaar, is de kans groot dat zo'n chauffeur tegen de vangrails rijdt. Niet de bedoeling. Goed, thuis stonden we niet onder stroom, nee, onder hoogspanning.
Overigens hadden we in het restaurant best een snelle wip kunnen maken. We wilden het nu juist heel spannend houden: je mag wel, je weet het nooit, toch lekker eigenlijk en spannend.
Buitensporigheden of niet, ik ga toch iedere dag achter mijn werktafel zitten want het werk gaat voor de liefde en de kut.
Juweeltje en ik zijn decadent, zit in ons bloed. Ik zal nog vaak aan dit samenzijn in het restaurant denken.

Luuk Gruwez -- 24 november 1996

Luuk Gruwez (1953) is een Vlaamse schrijver. In Het land van de wangen kijkt hij terug op episodes uit zijn leven. Het hart van het boek vormen de dagboeknotities die hij enige jaren bijhield naar aanleiding van zijn bezoeken aan zijn steeds verder aftakelende grootouders.

Deerlijk, 24 november 1996
Een van Knors grootste angsten is dat hij vlak voor zijn laatste zucht nog aids zal krijgen. Zoveel nieuwe benamingen zijn hem vreemd, maar ‘aids’ is een naam die hij kent, natuurlijk onder de Franse benaming: la sida. Wat angst inboezemt blijft in het geheugen het best behouden. Het is weinig aannemelijk dat hij de gevreesde ziekte zal opdoen via zijn ‘leutemakerke’. Dus ziet hij de dreiging elders. Dat een dokter voor elke injectie een nieuwe naald gebruikt, kan hij namelijk niet rijmen met zijn eigen schraapzucht.
Bijna was ik het vergeten, maar vandaag heeft hij het er zelf over: tot tien jaar geleden heeft Knor konijnen gekweekt, een bezigheid die geduld en toewijding vergt, twee kwaliteiten waarvan ik altijd heb gedacht dat zij hem vreemd zijn. Bovendien bevonden de hokken zich achter de fabriek, op bijna vijf minuten loopafstand van het woonhuis. Omstreeks zijn vijfendertigste heeft Knor de enige ‘verre’ reis van zijn leven ondernomen: met het hele gezin per chevrolet décapotable naar Zwitserland. Een evenement. Meteen na zijn thuiskomst ging hij languit voor zijn achterdeur liggen en kuste hij de grond, geruime tijd voor zulks het handelsmerk van paus Wojtyla werd. En alsof hij het gevoel had zojuist door het oog van een naald te zijn gekropen, verzuchtte hij: ‘Ça, plus jamais! Dat nooit meer!’ Vele jaren later, telkens als hij zijn beesten ging voederen, zei hij tegen mijn grootmoeder: ‘Alice, ’k ga ne keer naar Zwitserland.’ Nooit was mijn opa vrolijker gestemd dan wanneer hij van zijn konijnen terugkwam.

vrijdag 23 november 2018

Willem Oltmans -- 23 november 1968

Willem Oltmans (1925-2004) was een Nederlandse journalist. Zijn dagboeken (76 delen) zullen in hun geheel online worden gezet bij de dbnl. De papieren versie wordt uitgegeven on der de titel Memoires.

23 november 1968
Peter [Oltmans' vriend] en ik traden samen in een tv-commercial op gearrangeerd door Fred Emmer. Het ging om haarvet. Peter zat in de stoel en ik fungeerde als de kapper [rechts op de foto].
Peter verdiept zich in het gesprek met Witold Gombrowicz in Vrij Nederland. Gombrowicz vreest dat het kleine woordje ‘ik’ zich niet zal laten elimineren, het is ons met teveel brutaliteit opgelegd. ‘Ik heb me altijd verplicht gevoeld mijn “ik” met de grootste energie in mijn literatuur te bevestigen. Zodra ik het wilde afwijzen kwam het als een boemerang terug. Niets aan te doen! Onmogelijk! Zonder “ik” gaat het niet. Maar wat is dan dit “ik” wat niet bestaat en dat u zo in beslag neemt? Ik heb geconcludeerd dat het alleen mijn wil om mezelf te zijn is die mijn “ik” ondersteunt. Ik weet niet wie ik ben, maar ik lijd wanneer men mij misvormt, dat is alles,’ aldus Gombrowicz.
Dat is inderdaad alles. Dit is de basis van mijn dagboek.


woensdag 21 november 2018

Friedrich Hebbel -- 22 november 1838

Friedrich Hebbel (1813-1863) was een Duitse schrijver. Een keuze uit zijn dagboeken is in het Nederlands verschenen als Een blinde bij zonsopgang (vertaling Klaus Siegel).

22 november 1838
Als ik gedichten zoals Bubensonntag, Letztes Glas enzovoorts in druk zie, moet ik wel tot de conclusie komen dat ik een dichter ben. Ook als ze door een ander waren gemaakt, zou ik ze erg mooi vinden. Ik heb overigens in mijn kinderjaren werkelijk eens gedroomd dat ik Onze Lieve Heer zag. Hoog in de lucht was een zacht heen en weer bungelend touw opgehangen en daar zette hij me op en begon me te schommelen. Ik was heel erg bang telkens als ik zo omhoog vloog naar de wolken en wilde steeds opnieuw als het touw de grond raakte eraf springen, maar daartoe ontbrak me de moed. Alles wat ik ondervond kan ik me nog steeds duidelijk te binnen brengen. De rode steentjes die op de grond mijn aandacht trokken wanneer mijn blik eroverheen gleed meen ik nog steeds voor me te zien. Bij een andere gelegenheid, iets eerder, of in dezelfde tijd, dacht ik terwijl ik klaar wakker was onze Here God (uitdrukking van mijn ouders) bij ons thuis te zien, en wel (belachelijk maar waar) in de persoon van een timmermansknecht die mijn vader kwam opzoeken. Ik vroeg mijn moeder na zijn vertrek: ‘Dat was hij toch, hè, onze Here God?’, maar ik werd nors door haar uit de droom geholpen. Ik herinner me alleen het feit, maar niet wat ik dacht of voelde. De timmermansknecht droeg een blauw-wit gestreept vest.


• De Duitse schrijver Friedrich Hebbel (1813-1863) vertelt in zijn dagboeken over persoonlijke gebeurtenissen uit zijn leven, over leven en dood, over reizen, ontmoetingen, verliefdheden, vijandschappen en de toenmalige literaire wereld. In het dagboek worden langere stukken afgewisseld met korte notities, aforismen, maximen en zinspreuken.

dinsdag 20 november 2018

Wim Brands en A.L. Snijders -- 21 november 2010

Wim Brands (1959-2016) had in november 2010 een mailwisseling met A.L. Snijders (1937), die is gepubliceerd in het jaarboek van de Jan Campert Stichting.

21 november 2010
W: Vanmorgen las ik wat de beste manier is om veel te doen. Robert Benchley schreef erover: je moet de dingen doen op momenten dat het niet hoeft, je kunt dan bergen verzetten.

A.L: Werken in de ochtend is het mooiste. Ik verbeeld me dan dat mijn hoofd schoon en uitgeslapen is. Maar er is ook schuldgevoel, want de dingen van gisteren staan er nog, er moet opgeruimd worden. Ik schrijf trouwens wanneer het uitkomt.

22 november 2010
W: Maar moet er geen vuursteentje oplichten voor je gaat schrijven? Laat ik je een verhaal vertellen. In een Australische krant stond een reportage over twee Schotse soldaten die in Afghanistan vochten. Ze hadden een afspraak gemaakt: als een van hen stierf zou de ander op de begrafenis verschijnen in een jurk.
Een van de soldaten sneuvelde en zijn vriend stond aan het graf in een paarse jurk. Verteerd door verdriet.
De schrijfster Amanda Maxwell vertelde me dit verhaal. Ze zei ook dat ze nog nadenkt over hoe ze het gaat gebruiken. Dit verhaal is een vuursteentje.

A.L: Het vuursteentje is vaak een zin of een korte passage. Dat is een oorzaak van mijn citeerdrift, ik wil de bron laten zien. De moeilijkheid is: hoe groot moet de bron zijn? Uit het gedicht ‘Oude mensen in Zuid-Frankrijk’ van Remco Campert kies ik:
ze voerden bevel in vele landen, Afrika, China
en wat is ervan gebleven?
Dat is de zin die de trein in beweging zet, maar de andere zinnen kan ik niet zomaar terzijde schuiven, dat vind ik unfair tegenover de dichter. Ik neem dus het hele gedicht, en daardoor mislukt het kleine verhaal. Dat gebeurt vaak, ik ben niet doortastend genoeg, ik wil in het midden blijven, ik durf mijn zin niet door te drijven.

23 november 2010
W: Het lijdt geen twijfel dat je weifelend door het leven gaat, maar tegelijkertijd ijdel bent: ik durf mijn zin niet door te drijven is daarvan een illustratie. Je schrijft dat daardoor het kleine verhaal mislukt. Wat bedoel je? Volgens mij sneuvelen er niet zoveel verhalen van je.

A.L: Ik wil het Zeer Korte Verhaal inderdaad zeer kort houden, maar dat lukt niet vaak. De inhoud, het verhaal, is meestal van zichzelf al te groot, zonder dat ik het opschrijf. En mijn schrijven maakt het dan nog groter. Als daar dan nog bijkomt dat ik het kerncitaat in zijn omgeving wil tonen (om wat voor reden ook), blijft er niet veel over van het zeer korte karakter van het stukje. Het wordt dunner en groter. Een echte ZKV is een zeldzame gast.

maandag 19 november 2018

Sir Walter Scott -- 20 november 1825

Sir Walter Scott (1771-1832) was een Schotse schrijver, bekend van boeken als Ivanhoe en . Meer over zijn dagboeken hier.

November 20th. I have all my life regretted that I did not keep a regular [diary]. I have myself lost recollection of much that was interesting and I have deprived my family and the public of some curious information by not carrying this resolution into effect.

I have bethought me on seeing lately some volumes of Byron's notes that he probably had hit upon the right way of keeping such a memorandum-book, by throwing aside all pretence to regularity and order and marking down events just as they occurd to recollection. I will try this plan & behold I have a handsome locked volume such as might serve for a Lady's Album. Nota Bene John Lockhart and Anne [his daughter] & I are to raise a society for the suppression of Albums. It is a most troublesome shape of mendicity—Sir, your autograph—a line of poetry—or a prose sentence among all the sprawling sonnets and blotted trumpery that dishonours these miscellanies—a man must have a good stomach that can swallow this botheration as a compliment.

I was in Ireland last summer and had a most delightful tour. It cost me upwards of £500 including £100 left with Walter and Jane [his son and daughter-in-law] for we travelld a large party and in stile.

There is much less exaggerated about the Irish than is to be expected. Their poverty is not exaggerated — it is on the extreme verge of human misery—their cottages would scarce serve for pig-sties even in Scotland—and their rags seem the very refuse of a rag-shop and are disposed on their bodies with such ingenious variety of wretchedness that you would think nothing but some sort of perverted taste could have assembled so many shreds together. You are constantly fearful that some knot or loop will give and place the individual before you in all the primitive simplicity of Paradise. Then for their food they have only potatoes and too few of them. Yet the men look stout and healthy and the women buxsome and well coloured.

Dined with us being Sunday Will. Clerk and Chas. Kirkpatrick Sharpe. W.C. is the second son of the celebrated author of Naval Tactics. I have known him intimately since our college days and to my thinking never met a man of greater powers or more complete information on all desirable subjects. In youth he had strongly the Edinburgh pruritus disputandi ["itch for argument"] but habits of society have greatly mellowed it & though still anxious to gain your suffrage to his opinion he endeavours rather to conciliate your opinion than conquer it by force. Still there is enough of tenacity of sentiment to prevent in London Society, where all must go slack and easy, W.C. from rising to the [passage continues on following page] very top of the tree as a Conversation man, who must not only wind the thread of his argument gracefully but also know when to let go. But I like the Scotch taste better: there is more matter, more information, above all more spirit in it.

zondag 18 november 2018

Leonard Nolens -- 19 november 1992

• Leonard Nolens (1947) is dichter. Zijn verzamelde dagboeken (1979-2007) zijn verschenen onder de titel Dagboek van een dichter (2009).

Missenburg, donderdag 19 november 1992
'Als je ouder wordt raak je gehecht aan simpele, heldere vormen en duidelijke expressies. Als je jong bent en vol energie, dan wil je ingewikkelde composities maken. Als je ouder wordt, zie je steeds meer dat veel complexiteit overbodig is, niet strikt noodzakelijk. Als de Franse dichter Arthur Rimbaud niet zo jong was gestorven, had hij misschien gedichten geschreven die nog maar een paar woorden bevatten.' (De Grieks-Franse componist en architect Xenakis in een interview.)

Amsterdam-Antwerpen, dinsdag 24 november 1992
Het gedicht is niet gemaakt van woorden, maar van wat de woorden tegen elkaar zeggen en met elkaar doen. Neem nu een orkest. Je hebt zestig uitstekende musici die samen een partituur kunnen verknoeien, of zestig middelmatige muzikanten die een zeer geslaagd klankbeeld produceren. De dichter is geen zanger of instrumentalist, maar een dirigent die zijn orkestleden - zijn woorden - zorgvuldig en liefdevol kiest en van een afstand aan het werk zet.
Het gedicht is niet gemaakt van woorden, zoals passie niet gemaakt is van twee mensen, maar van wat tussen die beiden gebeurt. Een saaie man en een lelijke vrouw: welk vuur kan tussen die twee niet op gaan laaien als de sterren gunstig staan. Zo gaat het ook met twee gewone, ogenschijnlijk saaie en lelijke, versleten woorden. Geef hun de juiste plaats, en ze verrichten wonderen.

In al zijn vanzelfsprekendheid blijft het toch een verbijsterend feit: dat alle mannen negen maanden lang in het lichaam van een vrouw hebben geleefd. Hoe anders zou de wereld eruitzien als ook het omgekeerde kon.

O, dat elkaar bewieroken! Om toch maar niet zelf in een kwade reuk te komen staan!

Curzio Malaparte -- 18 november 1948

• De Italiaanse schrijver Curzio Malaparte (1898-1957) voelde zich in 1947 bedreigd door het ‘fascisme van het antifascisme’ in Italië, en vertrok naar Parijs - waar hij zich ook niet heel erg thuis voelde. Zijn dagboek uit die tijd geeft een tijdsbeeld van een grote Europese stad vlak na de oorlog, waar schrijvers en kunstenaars nieuw artistiek en ideologisch houvast proberen te vinden. Een vreemdeling in Parijs, vertaald door Jan van der Haar.

18 november 1948
De poetsvrouw, Madame Antoinette Bacon, vertelt vanmorgen dat de staking voorbij is. Ze verklaart dat de stakers smeerlappen zijn. Ik antwoord dat het geen smeerlappen zijn, want van een minimum van 6.000 franc in de maand valt niet te leven. Madame Antoinette Bacon zegt van ja, dat ze dat begrijpt: maar waarom moeten ze de ellende en het leed van de Parijzenaars met die stakingen er nog groter op maken? Ik leg uit dat stakingen op zich niet immoreel zijn, als ze terecht zijn, dat ze een noodzakelijk kwaad vormen, het enige vreedzame strijdmiddel van arbeiders om hun economisch soms ernstige situatie te verbeteren. Wat verkeerd is, is de houding van de Parijzenaars tegenover de staking. Zij nemen die op alsof het om Waterloo gaat, een nederlaag van Frankrijk. ‘De Fransen,’ zeg ik, ‘lijden aan wat de Duitsers Schadenfreude noemen, liefde voor leed. Dat is het ergste gevolg van de Duitse bezetting in Frankrijk.’ Ik vertel haar niet het staartje van mijn gedachte. Voilà. Die Schadenfreude is een veeg teken. Die toont aan dat het Franse volk verduitst is, tenminste in dat wat bij de Duitsers het meest morbide is: liefde voor leed, zelfvernedering.

Hugo Brems -- 17 november 1982

Hugo Brems (1944) is emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de KU Leuven. In 1983 publiceerde hij Onze armoede is doorzichtig als glas Fragmenten uit een Pools dagboek, Warschau 14 tot 28 november 1982.

Woensdag 17
Er is een probleem met de fotokopieermachine. Die staat in het bureau van de afdelingsvoorzitter en mag enkel met zijn uitdrukkelijke toestemming gebruikt worden. Om drie gedichten te kopiëren moet een hele hiërarchische weg gevolgd worden. Achteraf blijkt dat het ook met voorzichtigheid te maken heeft. Tot september waren alle fotokopieerapparaten door de militairen verzegeld om te vermijden dat er illegale drukwerken mee zouden worden gemaakt.
‘Als je goed kijkt zie je dat alles gekleurd is’, las ik ooit bij K. Schippers. Hij heeft gelijk, ik moet herroepen wat ik eerder schreef. De huizen en straten zijn niet ééntonig grijs. Ze zijn geschakeerd grijs: er is lichtgrijs, donker vochtig grijs, er is beige-grijs, zelfs oker- en roze-grijs. En dat de bomen geen bladeren hebben, dat er geen bloemen bloeien in dit seizoen, daar kan geen Pool wat aan doen.

donderdag 15 november 2018

Jan Wolkers -- 16 november 1972

Jan Wolkers (1925-2007) was een Nederlandse schrijver en kunstenaar. De dagboeken die hij in de jaren '70 bijhield zijn vrijwel allemaal uitgegeven.

DINSDAG 14 NOVEMBER 1972
Schrijf 's ochtends 'De Verboden Vrucht' af. Als ik het 's avonds uittik zijn het vier pagina's geworden.
's Avonds komt Theun de Winter. Maak sole cardinale met krab en grote garnalen en toe een gemeen groen gelatinepuddinkje met Haagse bluf. Sla de bluf waar Theun bij is want die maakt ondertussen eert interview voor zijn rubriek 'Human Interest' in de Haagse Post.

DONDERDAG 16 NOVEMBER 1972
Donkergrijs weer. De meidoornboompjes zijn warrige dotten dikker grijs. Op de school zijn de lichten nog aan.
Wandelen in het bos. Zien veel eekhoorntjes tussen de afgewaaide takken. Na het bos even naar Ahrend voor een smalle boekenkast, een tekeningenkast en een zogenaamd zitmeubel.
Om vier uur achter schrijfmachine. Trek me eerst nog even af. Fantaseer dat Karina door het monstertje, dat kleine perverse hoertje uit de Utrechtsestraat, wordt gegrepen. Als ik klaarkom is het dat andere hoertje dat in mijn mond spuugt. Werk erna lekker. De adrenaline is zeker weer behoorlijk toegevoerd. Schrijf een groot stuk van 'Het Niet Zijn'.
Om tien uur, voordat ik Karina roep om naar 'Het Gat van Nederland' op de vpro te kijken, vind ik bij de buizen in hei kastje opzij van het fonteintje een pak papieren. Daar vind ik eindelijk de Roos in die mijn broer vanuit Frankrijk in 1944 naar ons stuurde. Ik heb me er rot naar gezocht voor Werkkleding, maar kon hem toen niet vinden, wat me erg speet. Verder zit er in het pak: scheidingspapieren Maria, brieven Annemarie vanuit Parijs enz.

woensdag 14 november 2018

Pieter van der Meer de Walcheren -- 15 november 1907

Pieter van der Meer de Walcheren (1880-1970) was een Nederlandse dichter-schrijver. Zijn veelgelezen dagboeken zijn in verschillende delen uitgegeven.

15 November 1907
Christine, de jongen en ik maakten in den middag een kleine wandeling over den heuvel bij onze woning. Het was dofgrijs weer. Troosteloos. Waarom bewoont mij de diepe weemoed, mij die het gedroomd geluk van liefde bezit? - Samen waren wij gisteren bij den ouden man en alles was gewoon, gewoon. We spraken met zijn vrouw, met hem, met zijn zoon, over onverschillige onderwerpen, wij lachten, we redeneerden en zaten genoeglijk rond de gedekte tafel. Telkens zag ik mij weer in diezelfde kamer, luisterend naar het verhaal van zijn leven. Ik had lust om te schateren, om te schreeuwen, om te snikken, maar ik deed dat niet, ik praatte rustig, en dronk af en toe een glas uitmuntenden wijn. Ik vond het leven komisch.

dinsdag 13 november 2018

Omer Karel De Laey -- 14 november 1903

Omer Karel De Laey (1876-1909) was een Vlaamse literator. In 1903 hield hij een dagboek bij tijdens een reis door Italië.

Firenze, 14 November.
't Is Zaterdag avond en, op de bergen, over den Arno, binglen de klokken, met hun zingende stemmen, om ter luidst, lijk de straatjongens, die gazetten roepen, door de Via Calzaioli. Langs de rivier, staan al de vensters rood in licht, omhooge, tot op de zolders en, omleege, tot diep in den groengrauwen waterspiegel. Door de portiek, op het einde der Uffiziegalerie, kijkt de toren van het palazzo Vecchio uit, rilde lijk de mast van een schuite. Met een beetje inbeelding erbij en het Firenze van Dante's tijd rijst op, tusschen deze dikgebulte marmerblokken. Ik kom terug, voor de tweede maal, uit het Uffizi-museum en alhoewel links of rechts aangetrokken, door honderden ander merkweerdigheden, keer ik immer naar dezelfde zaal, bij Boticelli's en Fra Lippi's O.L. Vrouwen. Deze twee meesters namen van de oudheid juist zooveel, als ik er van zou wenschen. Alhoewel met den vorm der ideaalste schoonheid versmolten hebben zij hun innige pietas bewaard en, Boticelli's Venus blijft een christene Maagd. Sanzio bezit de eerste hoedanighied reeds in minder mate en Tiziano is dweersch door een heiden. Fra Angelico's coloriet heeft iets buitengewoons, maar zijn stijve, strenge, niet voorname figuren bevallen mij min. Gisteren heb ik de Accademia delle belle arti bezocht en daar, in donker en koude gebouwen, al de voorloopers van Fra Lippi overzien. Deze groote Oostersche figuren staan mij niet aan: zij verwekken eerder een gevoel van benauwdheid dan van poesia. In de heerlijke galerie Pitti bewonderde ik boven alles de Judith van Cristofano Allori, zoowel om teekening als om kleur, want nooit zag men een oranje-geel kleed dat met meer zachtheid over groen, wit, blauw en bruin een harmonische wemeling goot. Nergens beter dan in Firenze, straalt het verschil door, tusschen kunst en virtuositeit. Er zijn vroegere en hedendaagsche Italiaansche beeldhouwers, die, in ten uiterst gedreven beweging, de ouden overtreffen. Maar zij hebben slechts dit bovenmenschelijk geweld, dat één der bestanddeelen van het schoone uitmaakt, ontwikkeld en de ander hierdoor verwaarloosd en zij vallen alzoo, buiten het eeuwig noodzakelijk evenwicht. Nochtans, van de zoogezegde rustige schoonheid der Mediceische Venus of van den waterachtigen Apollo uit de Tribuna, begrijp ik niets. De grieksche Slijper, in deze zaal, bevredigt mij veel meer, omdat hij, nedergehukt met zijn realistischen kop omhooge, zijn gruwelijk mes, zoodanig over den steen wrijft, dat een snijdende zindering u door het lijf loopt.

Julien Green -- 13 november 1970

Julien Green (1900-1998) was een Amerikaans-Franse, religieus ingestelde schrijver. Uit zijn zorgvuldig geformuleerde dagboeknotities komt hij naar voren als een gewetensvolle denker en zoeker. Fragmenten uit zijn dagboeken zijn door Greetje van den Bergh vertaald als Journaal 1946-1976.
Charles de Gaulle (1890-1970) heeft als premier en president zeer veel voor Frankrijk betekend.

13 november 1970
Gisteren heeft het hele land geweeklaagd. Frankrijk is onder zijn paraplu, met een bloemetje in de hand, de Gaulle gaan zeggen dat het van hem hield. Een beetje laat, deze opwelling van genegenheid, maar daarom niet minder ontroerend. Het trieste referendum heeft het einde van de oude man verhaast, vrees ik; men had hem in het Elysée kunnen laten tot de dood hem namens God was komen halen, maar de massa is ondankbaar, al komt zij soms weer tot bezinning, zoals gisteren. In Londen legde de Gaulle in juni 1940 aan iemand uit dat de oorlog was afgelopen en dat Duitsland die bij voorbaat verloren had, dat het zich op de Russische kolos zou storten en daardoor vermorzeld zou worden, dat Amerika zich aan de zijde van Engeland zou scharen. 'De Duitsers zullen hier nooit komen,' zei hij met de zekerheid van een gek die eigenlijk een profeet was, 'anders hadden ze er al moeten zijn.' Het was in een kleine kamer met vurehouten meubels. Toen zijn gesprekspartner zei: 'Wij zijn het Franse leger', verbeterde hij hem: 'Wij zijn Frankrijk.' Gij allen die strijd tegen de persoonlijkheid en alleen nog maar robots wil – wat zou er van de Franse natie geworden zijn zonder deze unieke eenling ?



zaterdag 10 november 2018

Rutger Kopland -- 12 november 1996

Rutger Kopland (1934-2012) was een Nederlandse dichter en hoogleraar. In 1996 gaf hij na zijn emeritaat colleges over poëzie in enige Oost-Europese landen. Hij hield over die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jonge sla in het Oosten. Het onderstaande fragment beschrijft de tweede dag in het Poolse Wroclaw.

12 november 1996
[...] Terug naar de collegezaal, waar Anton [Korteweg] een verhaal vertelt over Nederlandse gedichten die een verhaal vertellen over Nederlandse schilderijen. Nederlandser kan het niet en het is steeds weer een aangename ervaring om te merken dat dat allemaal in het Nederlands kan, omdat men daar Nederlands verstaat en spreekt. Het is interessant. Er is een groot boek van Gisbert Kranz — Das Bildgedicht - waarin veertigduizend beeldgedichten uit de hele wereld zijn verzameld. Daarvan komen er dan toch maar weer duizend uit Nederland, terwijl je op een globe Nederland met een vergrootglas moet opzoeken. Nee, we zijn niet zo klein.
Waarom schrijven dichters over schilderijen. Ze willen begrijpen welk verhaal een schilderij vertelt. Maar het aardige is dat verschillende dichters verschillende verhalen ontdekken. Dat demonstreert Anton mooi bij de vergelijking tussen de gedichten van Anna Enquist en mijzelf over hetzelfde schilderij 'Jagers in de sneeuw'van Pieter Bruegel. Bij Anna wil een jager, ik neem aan één van de jagers die huiswaarts keren, niet naar huis. 'Hij haat het huis waarin hij woont en veilig is.' Hij is in de eerste regels van het gedicht even in 'een licht geworden paradijs' geweest, waar hij alles wat hij achterliet vergat. 'Geen schuld, geen spijt.' Hij heeft iets in het verleden te verdringen zegt Anton. Het lijkt een antwoord van de psychiater in Enquist (de psychoanalytica Widlund) aan de psychiater in Kopland (de biologisch psychiater Van den Hoofdakker). Kopland schrijft dat de jagers wel naar huis terug willen, maar ze kunnen niet, het gaat 'bijna zo langzaam als stilstand'. Er blijft alleen een verlangen. Er is een vogel in de hemel geschilderd, die naar beneden duikt, naar 'het leven daar beneden, naar de boerderijen met wachtende vrouwen'. Maar de vogel 'lacht om zijn doel'. In plaats an het verleden te haten, verlangen de jagers daarnaar terug. Een ijdel verlangen. Nou, inderdaad, daar zou ik nog wel eens met Anna over willen praten.
[...]

Walter Kempowski u.a. -- 11 november 1989

• Na de dood van schrijver Walter Kempowski werd een manuscript voor het boek Whispering. Ein kollektives Tagebuch von 1989* gevonden, waarin dagboekfragmenten van verschillende min of meer bekende Duitsers een beeld moesten gaan schetsen van de bewogen dagen na de val van de Berlijnse muur (9 november 1989). Hieronder een aantal dagboekfragmenten van 10 november.

Over de auteurs.

Hanns-Christian Catenhusen, NVA Ost-Berlin
Schnellausbildung MPi (vorgezogen) für evtl. Ernstfall; mittags Alarm abgeblasen – ein Glück.

Margarete Hannsmann, Stuttgart
11. November. Händedrücken, Small talk im Entree, auf den Treppen, im glitzernden Marmorsaal unter den Kronleuchtern. Das war gestern früh, 10. November. Kein Wort, von niemand, keine Andeutung, was die Stunde geschlagen hat, was eben, soeben in Deutschland geschieht: Hatte denn keiner Radio angemacht heute früh? Keiner einen Anruf erhalten? Haben alle damit zu tun gehabt, sich für das gesellschaftliche Ereignis zu präparieren wie ich? Verschwieg man mit Rücksicht auf die Feier die regionale Stunde an Schillers Geburtstag? ...
Mein Tischherr war der ehemalige Direktor des Marbacher Literaturarchivs, Landsleute sind wir, ...hatte auch er kein Radio gehört in der Früh? Auch später, beim Verabschieden reihum, beim Gang zu den Autos, sagten alle nur, wie gut dieser Tag gelungen sei. Als ich Zeitungen kaufte, erfuhr ich immer noch nichts, denn die Zeitungen waren am Vorabend gedruckt worden, nicht in der Nacht.
Dann wird es wieder Nacht: was ists, das mich treibt, um 18 Uhr den Fernseher einzuschalten, gegen jede Gewohnheit? Nach und nach begreife ich, was sich da herausschälen läßt aus den rasch wechselnden Bildern: die Nacht zum 9. November (...) ist ein historisches Datum geworden. Wo war ich? Wo warst du, Adam? Die Grenze ist offen.
Die Grenze zwischen Deutschland und Deutschland. Der Eiserne Vorhang, die Mauer. Mauer. Die Mauer. Berlin. Ich sehe, jetzt seh ich die Menschen gehen, fahren, strömen, nach Westen. Auch durchs Brandenburger Tor. Und plötzlich steht Willy Brandt vor dem Mikrofon unterm Nachthimmel und spricht. Weiteratmen. Der gegenwärtige Regierende Bürgermeister von Berlin spricht.
Dann erst, nach Genscher, erscheint das Gesicht des Bundeskanzlers, also geschieht alles jetzt, diesen Augenblick, live, Kohl muß seinen Polenbesuch abgebrochen haben, sonst könnte - da steht Johannes unter der offenen Tür, starrt sekundenlang auf die Mattscheibe, sagt: kommst du zum Vorlesen um halb acht? Ja, sage ich. Also ist seine Klausur beendet. Ich beuge mich dem Ritual, das ist Teil meines Wesens. Neue Gedichte, ein neuer Essay sind geboren. Es ist unmöglich zu sagen: die Mauer. Johannes, die Mauer, die Mauer. Brüsk wendet er sich von der flimmernden Störung.
Dann gerate ich in die Gleichzeitigkeit der Ereignisse, die waren, sind, widergespiegelt werden. Noch bleibt eine Stunde, ich kann weiter in die erleuchtete Nacht von Berlin starren, wo die wechselnden Gesichter der Aberhunderttausend sich dem Podium zuwenden, bis der Kanzler mit seinen Tiraden beginnt. Am Ende stimmt einer die dritte Strophe des Deutschlandlieds an, Kohl selbst, wer von den Herren? Kläglicher hörte ich die Hymne nie. Hatte jemand erwartet, die Menge würde brausend einfallen? Anfängliches Pfeifen, Buhen schwillt an zu einem Gegenkonzert, die Kamera, noch auf des Kanzlers Gesicht konzentriert, läßt einen unerwünschten Augenblick lang Wahrheit, Verwunderung darin aufscheinen. Irritation.
Dann macht sie einen barmherzigen Schwenk über DDR-Fahnen, Transparente, auf Menschen, die anfangen, wegzulaufen. Wechsel zu anderen Schauplätzen in Berlin, mauerentlang, Menschen steigen hinüber, herüber, Menschen tanzen auf der Mauer, Menschen schlagen mit Hammer, Meißel, Pickel in den Beton, lachen, weinen, liegen sich in den Armen, Sekt sprüht über die Wartburgs, Trabants, ein Film, der alle Filme sprengt, der wahr ist, geschieht, seine Helden das Volk, die Kamera holt Gesicht um Gesicht aus dem Gebrodel, und diese Gesichter zerreißen mich, vor Glück, vor Schreck, keine Träne jetzt, wär ich frei, ich weinte, heulte, stundenlang. Was ich vierzig Jahre zurückhielt, nähme jetzt seinen Lauf. Sofort ins obere Stockwerk. Valium. Auch Lexotanil.

Horst Teltschik, Bonn
8.40 Uhr. "Lage" beim Bundeskanzler. Mit dieser morgendlichen Besprechung der engsten Mitarbeiter beginnen viele Arbeitstage im Kanzleramt. Ich kann mich allerdings nicht daran erinnern, wann dieses Küchenkabinett zuletzt an einem Samstag getagt hat.
Helmut Kohl sitzt schon hinter seinem Schreibtisch; so empfängt er uns meistens. Sein Arbeitstag beginnt oft schon um sieben Uhr. Er nutzt die morgendliche Ruhe, um Akten zu lesen und erste Telefonate zu führen, selbst wenn die Gesprächspartner nur zu Hause zu erreichen sind. Auch heute trägt er seine schwarze Strickjacke und weiße Gesundheitssandalen; vor ihm stapeln sich, säuberlich geschichtet, die Papiere.

Christoph Hein, Ost-Berlin
Ein junges Mädchen besucht mich, das bei den brutalen Übergriffen der staatlichen Sicherheitskräfte (Polizei und Staatssicherheit) zwischen dem 7. und 9. Oktober besonders empörenden Erniedrigungen ausgesetzt war. Sie will das Land für immer verlassen. Ich versuche, sie zu überreden, jetzt nicht mehr zu gehen, und ich verspreche ihr meine Hilfe. Auf der Treppe gibt sie mir die Hand. Ich werde es mir überlegen, sagt sie, seien Sie mir nicht böse, wenn ich trotzdem gehe. Ich werde nicht böse sein, aber traurig, sage ich.

Peter Rühmkorf, Hamburg
Oi, jetzt geht's aber los: BILD, Butter und Kreditbriefe wandeln in den Landesfarben - die räuberische Aneignung unserer nationalen Symbole durch Private. BILD: "DIE MAUER - DIE TOTEN: 13. August 1961 - 9. November 1989". Die die meisten Leichen im Keller haben, schreiben die ergreifendsten Nekrologe. Hyänen halten die Totenwache. Es gibt eine Grenze, wo der Patriotismus aufhört und das Horst-Wessel-Lied beginnt: "Kameraden, die Rotfront und Reaktion erschossen ..."
Die Deutschen? Schwer zu beschreiben.
Von sich selber ausgehen kann man vermutlich nicht mehr.

Thomas Rosenlöcher, Dresden
Nachdem Dornröschen wachgeküßt wurde, erwachten die Majestäten und der "... ganze Hofstaat und sahen einander mit großen Augen an. Und die Pferde im Hof standen auf und rüttelten sich; die Jagdhunde sprangen und wedelten; die Tauben auf dem Dache zogen das Köpfchen unterm Flügel hervor, sahen umher und flogen ins Feld ..." und selbst die Fliegen an den Wänden wunderten sich, warum sie so lange geschlafen hatten.

Dieter Wellershoff, Köln
Das Stichwort der Stunde lautet: "Wahnsinn", was heißen soll, dass sich niemand das Ereignis der Maueröffnung hat vorstellen können, weder in der DDR noch in der Bundesrepublik. Es lag außerhalb der Phantasie.

Hans Arnfrid Astel, Wahnsinn
"Wahnsinn", rufen die Irren/bei Verlassen ihrer Anstalt.

Jürgen Lodemann
An den Kultur-Chef im Sender
Hier hab ich für Sie eine schöne trouvaille. Aus dem mitunter gut chaotischen Vorrat des Christhart Burgmann im WDR wühlte sich dieser Film über Urphänomene in Griechenland hervor. Die Produktion "Berühmter Orpheus" geht nicht nur dem Originalmythos nach, sondern überhaupt dem, was archaisch am Anfang geschah. Ausgehend von einem antiken Ort, unterhalb des Olymp, der noch heute seinen alten Namen trägt und wo der Orpheus-Mythos bis in Topographische genau zu rekonstruieren war, überrascht dieser Film mit denkwürdigen Antworten. Und dem schönen klassischen Land ist ein spröder schweizerischer Forscher kontrastriert, vor einer tristen Bücherwand, der freilich die optische Tristesse bestens ersetzt durch das, was er zu sagen hat. Freundlich empfiehlt dies Ihr

Ingrid Bachér, Berlin
In Unruhe und euphorischer Freude nahm ich früh am Morgen den Zug nach Berlin. Er kam schon vollbesetzt an, und die meiste Zeit stand ich oder saß auf meinem Koffer, den ich hochkant gestellt hatte. In den Gängen war ein solches Gedränge, daß es schwierig gewesen wäre weiterzugehen, auch waren alle Waggons in gleicher Weise überfüllt. Aber diese Enge, diese Nähe fremder Menschen machte niemanden ungeduldig, ja, sie amüsierte uns, so unbequem sie auch war, waren wir doch auf dem Weg dorthin wo das Unerhörte gerade stattfand.
Zwei junge Reisende neben mir kamen aus Paris. Sie hatten kein Flugticket mehr bekommen und den Zug genommen, weil sie unbedingt in Berlin dabei sein wollten. Am Bahnhof Berliner Zoo holte mich mein Sohn ab. Ob ich müde sei? Ich lachte nur, hatte es eilig zur Mauer zu kommen.
Endlich standen wir beide am Brandenburger Tor. Die Mauer vor dem Tor ist niedriger als sonst in der Stadt. Wer groß war und sich reckte, konnte mit der Hand hinauflangen. Auf der Mauer standen Volkspolizisten. Unten zog eine Menschenmenge in Festlaune vorbei, Kinder wurden hochgehoben. Da seht ihr! Die Vopos winkten zurück, selber überrascht. Scherzworte wurden hinaufgerufen, Geschenke hinaufgereicht. - In diesem Augenblick rief plötzlich ein alter Mann in die hektische Freudenstimmung hinein: MÖRDER! Danach ging er langsam weiter und wiederholte immer wieder nur das eine Wort: MÖRDER! Ich folgte ihm und wollte ihn ansprechen, ein hilfloser Versuch und doch dringend. Doch fand ich keine Worte und blieb zurück.
Später gingen wir am Kanal entlang, sahen zwanzig weiße Gedenktafeln mit den Namen der hier Getöteten. Die letzte Inschrift war erst wenige Wochen alt.

Walter Kempowski, Hamburg Hauptbahnhof
Hamburg Hauptbahnhof. – Als ich gestern grade nach Hause gekommen war und einen Löffel Suppe gegessen hatte, klingelte Robert an. Hildegard bat ihn, eine halbe Stunde später nochmals anzurufen, da ich gerade äße. Bums, da war er beleidigt. In diesem "Einschnappen" kulminiert natürlich das seit Jahren angestaute Unbehagen vor der Rolle, die er, angesichts meiner Bücher, anzunehmen sich gezwungen sieht. Ich bin also der Verursacher, das ist klar. Andererseits sind die Vorteile, die er aus dieser hervorgehobenen Stellung für sich ableiten kann, ja geradezu Leben qualifizierend. Kummervoll die ganze Sache, ich kann es leider nicht ändern.
Habe mich entschlossen, nach Hamburg zu fahren zur Ankunft des Zuges aus Rostock. Hildegard merkte meine Unruhe und sagte: "Fahr mal hin!"
Renate rief aus Berlin an, sie hat die Tage dort "voll" miterlebt, sie war die ganze Zeit dabei. Am ersten Tag sei es am schönsten gewesen, gestern seien sie schon alle besoffen gewesen. Die ganze Stadt sei von Trabis überschwemmt, überall ständen sie herum. Telefonzellen - "Hier wählen Sie ohne Münzen!" - würden gestürmt, weil die "Zonis" dächten, dort sei es umsonst.
Auf der Herfahrt bereits - kurz nach Bockel - der erste Trabi. Er wird angeblinkt. Hier in Hamburg bei herrlichem Sonnenschein noch nichts los. Ich nehme an, daß es auf dem Hauptbahnhof ziemlich voll sein wird. Vor den Porno-Kinos stünden sie in Trauben, wird gesagt.
Der Zug lief ein, verhaltener Jubel aus den offenen Fenstern. Einzelne mit viel Gepäck, das waren wohl Leute, die dem Frieden da drüben nicht so recht trauen, die hier bleiben wollen.
"Das ist hochinteressant!" sagt ein Herr. / Ich half einer zugeknöpften Ostfrau den Kinderwagen hochtragen. Sie hatte etwas Verbissenes, Primitives an sich. Vielleicht ein andersrumener Flüchtling? Wurde ihr der Boden zu heiß? / Ich entschließe mich, nach Lübeck zu fahren. Steige in einen übervollen Zug. / In Hamburg verliefen sich die Leute ziemlich, die meisten wurden erwartet. Als einzelner, älterer Herr hat man es schwer, hilfreich zu sein. Es sind oft auch Pärchen, die sich ihrer Seligkeit hingeben wollen.
Nun fahre ich nach Lübeck. Will mal dort nach dem Rechten sehen. Im Zugabteil den alten Apotheker Ahrens von der Brunnengräber-Apotheke in Rostock getroffen. Die Reisenden, überwiegend Ossis, die von einer Westrentnerreise zurückkommen, sind ziemlich zurückhaltend, da kommt kein Gespräch in Gang. Von gemeinsamem Singen kann hier keine Rede sein. Thermoskannen und belegte Brötchen, Schweigen, nur ab und zu ein halblautes Wort. Es sind eben Norddeutsche, das muß man verstehen. - "Man kann nie wissen", nach dieser Devise schweigen sie.
In Lübeck fuhr ich mit einem Taxi zur Grenze. Kein Durchkommen, ein Trabi nach dem anderen, alle hupend und blinkend, und auf dem schmalen Gehweg Fußmarschierer. Der Fahrer, der schon von Anfang unwillig war, gab schließlich auf und fuhr mich durch Schrebergärten wieder in die Stadt zurück. Wie freundliche die Landsleute überall begrüßt wurden! "Kaffee für unsere Landsleute umsonst!" stand zu lesen, Verbrüderungen, Tränen. Überall in der Stadt standen sie herum - wie eine Invasion des eigenen Ameisenhaufens durch fremde Ameisen. Durch die Fußgängerzone schoben sich die Ossis in Achterreihen, was kost' die Welt ... Ein Westherr verteilte Fünfmarkstücke an sie, das war etwas sonderbar. Ich kann daran allerdings nichts Anstößiges finden.
Ich ging aus Dankbarkeitsgründen schließlich in den Dom, der in seiner Renoviertheit gelassen und stumm dalag und in dem kein einziger Mensch zu sehen war, und danach in die Marienkirche, in der eine kleinere Gruppe von Zonis sich umschaute (offenbar sogenannte Gebildete). Ein Bedürfnis zu stillem Gebet bestand nicht. Auch die Orgel wurde nicht traktiert, das wäre vielleicht angebracht gewesen. Dafür traf ich Erenz mit einigen Herrschaften der öffentlichen Meinung, die sich arg zurückhielten mit derselben, als ob das gar nicht stattfand da draußen, das Weltgeschichtliche. - Ich beschrieb ihnen mein "Echolot"-Projekt. Sie denken, ich bin eine lustige Person, lachen gleich, wenn sie mich sehen und so weiter. So geht es wahrscheinlich auch Loriot, der doch ebenfalls ein sehr ernsthafter Mensch ist.
Ich schob mich dann wieder ins Gewühl, stoppte eine Familie aus Schwerin und lud sie ins Marzipan-Café. Wir konnten keinen Platz finden in der Herberge, mußten wieder rausgehen. Sie sagten nicht miff und maff, die Leutchen, mißtrauisch irgendwie. Oder einfach: Schwerin. Die Leute aus Schwerin sind eben so. Meine Versuche hernach, mit anderen Menschen ins Gespräch zu kommen, scheiterten ebenfalls, und so ging ich dann, ein zittriger Opa, irritiert zum Bahnhof zurück und fuhr wieder nach Hamburg, wo inzwischen die Straßen wie leergeblasen waren. Am Jungfernstieg stand ein einsamer Wartburg. Und ich glotzte einzelne Passanten an, ist das nun ein Ossi oder nicht? Eine Großfamilie in Mischausführung Ost/West besah sich die Alster, ihre Mäntel flatterten im Wind. "Dies ist also Hamburg", das werden sie in ihrem Herzen bewegt haben, und die Westmitglieder der Familie haben vielleicht gedacht: "Und nun?"
Im Bahnhof eine Familie, ich vaterländete sie an, ob ich sie einladen dürfe zu einem Bier oder was. "Sie wollen uns einladen? Wo wollen wir denn hier Bier trinken?"
Am Bahnhof in Lübeck scharten sich ganze Familien um ihr Auto, vesperten, Deckchen auf Kühlerhaube, Thermoskanne. Besoffene habe ich keine gesehen, alles ganz zivilisiert. - Einsame Fahrt nach Hause, das 6. Brandenburgische Konzert, alle drei Minuten ein Ostzonenauto überholend. Es wird ganz allgemein geblinkt. So mancher laborierte auf der Standspur.
Hier dann ein Glas Milch und Obstsalat und eine Sendung über Jenningers Fall. Er war exemplarisch für das, was bei uns täglich passiert.
Von Erenz die Mitteilung, daß Böhme nicht ganz freiwillig vom "Spiegel" weggegangen sei: "Ich will nicht wiedervereinigt werden", hat er gesagt, das war ja auch ein bißchen stark.

Sigurd von Ilsemann -- 10 november 1918

Sigurd von Ilsemann (1884-1952) was vleugeladjudant van de Duitse keizer Wilhelm II. Hij schreef Der Kaiser in Holland. Aufzeichnungen des letzten Flügeladjutanten Kaiser Wilhelms II.

Zondag, 10 november 1918
Om drie uur 's morgens vertelde 'vader Schulz', de kamerdienaar, mij, dat de keizer nog tot twee uur 's nachts had geschreven en toen was gaan slapen. Gontard en Niedener zaten samen in de coupé, de anderen sliepen of lagen wat te dommelen. Om vier uur kwam de keizer in de restauratiewagen. Ik ging naast hem zitten om hem de wapenstilstandsvoorwaarden mede te delen.

Zwijgend hoorde de keizer aan welke oneindig zware voorwaarden het vaderland waren opgelegd. Slechts hier en daar stelde hij een vraag.

Plotseling zei Z.M.: 'Ik kan mij nog altijd niet verenigen met het besluit naar Holland te gaan! Indien nu ook daar het bolsjewisme uitbreekt?' Plessen en Grünau stelden hem gerust: 'Daar zal het niet komen en indien toch, dan in een veel mildere vorm.'

Om vijf uur zette de trein zich in beweging. In het gangpad hadden 25 man postgevat onder een officier van het stormbataljon Rohr; de mannen waren gewapend met mitrailleurs, handgranaten en geweren. Tien minuten later stonden wij stil. Z.M. drukte de achterblijvende heren zwijgend de hand, de anderen stapten met hem uit. Daar gevreesd werd, dat de trein het door de bolsjewisten bezette Luik niet zou kunnen passeren, zou Z.M. de weg naar de grens per auto afleggen. Kapitein Zeyss, die de keizerlijke auto's onder zijn beheer had, was op bevel van Plessen in de namiddag reeds langs het uitgestippelde traject gereden.

De stationschef met rode pet lichtte de keizer met een lantaarn bij door het donkere station, door de duistere nacht naar de grote weg, waar de auto's zouden staan. Zij waren er niet. Zeyss had ze in de opwinding naar een verkeerd punt gezonden. Zo stond de vluchtende keizer op de duistere straatweg, boven ons de hemel met heldere sterren. De hoftrein vertrok van het station in de richting Luik. De nacht was koud. Een voorbijrazende motorrijder werd aangehouden en met diens hulp werden de auto's opgezocht, die na ongeveer tien minuten verschenen.

In de eerste namen excellentie Frankenberg, Zeyss, Niedener en Grünau plaats. In de tweede de keizer met Plessen achterin, Hirschfeld en ik voorin. De keizer vroeg direct naar de wapens. Hirschfeld en ik haalden uit andere auto's vier karabijnen, die wij op uitdrukkelijk bevel van Z.M. moesten laden en ieder van ons nam er een met omgelegde veiligheidspal tussen de benen. Voorin zaten twee chauffeurs van de keizer. Zo reden wij door de donkere nacht. De keizer was buitengewoon opgewonden, wat bleek uit de verschillende orders, die hij gaf: 'Rijd naar de eerste wagen en zeg, dat hij niet zo snel moet rijden, anders kunnen wij het tempo niet bijhouden, verliezen hem uit het oog en raken de weg kwijt.' Nauwelijks was deze wens vervuld of Z.M. riep: 'Ja, als die daar vooraan zo langzaam rijden, kunnen wij onmogelijk voor het licht de grens nog bereiken. Rijd snel naar voren en zeg dat ze het tempo verhogen.'

Uit veiligheidsoverwegingen bleef de eerste wagen bij enige wegwijzers even stilstaan. De keizer: 'Zeyss vergist zich telkens in de weg, hij had die toch moeten verkennen.' Ik wees op de links van ons zichtbare zee van licht in de verte, Luik, en stelde hem gerust, zeggende, dat wij ten oosten van de vesting moesten passeren en dus op de goede weg waren. Geleidelijk werd de keizer rustiger. Niemand van ons sprak meer een woord. Langs kronkelende wegen, over bruggen en spoorbanen raasden de auto's er vandoor. Een keer reed de hoftrein ons voorbij. Nauwelijks een mens was te zien.

Alleen in de dorpen ontwaakte langzaam het leven; melkkarren en mensen, die naar hun werk gingen, doken in het schelle licht van onze lantarens hier en daar op.

Plotseling zag ik op een brug een dubbele wachtpost met een grote rode vlag zwaaien. De auto's stopten. 'Arbeiders- en soldatenraad? of nog oude discipline?' ging mij door het hoofd. Goddank het laatste! Een normale controle. Na een kort gesprek met Frankenberg en het controleren van de chauffeurs, zetten wij ons weer in beweging. De morgen begon aan te breken. Bomen en velden werden zichtbaar. Nu en dan doken steeds weer de lichten van Luik op. Na ongeveer anderhalf uur rijden wederom een wachtpost. Vóór ons een grote prikkeldraadversperring. De grens! Nu kwam het er op aan. Beierse landweermannen besnuffelden de auto's. Een van hen keek verwonderd naar de weggekraste keizerskroon en riep anderen er bij. Mijn hand sloot zich vaster om de kolf van de karabijn. Wilden de mensen ons niet vrijwillig doorlaten, dan bleef ons alleen geweld over. Wij in de auto van de keizer bleven zitten om niet onnodig de opmerkzaamheid op ons te vestigen.

Frankenberg en Zeyss stapten uit, en spraken de soldaten, van wie er nog een paar slaperig uit het grenskantoor kwamen, vriendelijk toe. 'Generaal Von Frankenberg met enige officieren moet voor een belangrijke aangelegenheid naar Holland!' Dat was duidelijk. De wapenstilstand was immers ophanden. De poort naar de vrede werd geopend, een soldaat sprong op de treeplank, en kort daarna was de Duitse keizer op neutrale bodem. In de handen van eigen muitende troepen kon de Duitse opperbevelhebber niet meer vallen. Nu kwam een nieuwe zorg. Zou Holland de keizer opnemen, of wat zal het land met hem doen? Hier begon de diplomaat Grünau met zijn bezigheden.

Hij verdween in het Hollandse grenskantoor. Bijna geen mens was te zien. Maar weldra werd het levendig. Uit alle huizen kwamen soldaten en burgers gelopen, nieuwsgierig om de Duitse auto's heenlopend. Enkelen staken hun hoofd in onze auto.

De keizer stak een sigaret op. 'Kinderen, steek er ook een op, jullie hebben het verdiend,' was het eerste wat hij sinds ongeveer een uur zei. Toen de sigaret opgerookt was, stelde hij voor uit te stappen.

Langzaam kwam de zon te voorschijn boven de heuvels van het land, dat voor deze verschrikkelijke oorlog was gespaard gebleven. Kerkklokken luidden de zondagmorgen in. Ik zei zacht tegen Hirschfeld: 'Hoort u, dat zijn nu werkelijk vredesklokken.' De keizer trad naderbij, legde zijn hand op mijn schouder: 'Ilsemann, waar zijn uw ouders nu, en welke berichten hebt u van hen?' 'In Darmstadt, uwe Majesteit, ik geloof echter niet, dat zij daar zullen blijven, omdat de Fransen de stad willen bezetten!' Al pratend liep de keizer met ons de dorpsstraat op en af. Het was koud, ja bijna ijzig, maar geleidelijk aan kreeg de zon warmte. Tegen acht uur in de morgen verscheen de plaatselijke districtscommandant, de majoor der politie met zijn adjudanten en een Nederlandse diplomaat, Verbrugge van 's Gravendeel, die 's nachts om elf uur uit Brussel was vertrokken om de commandant over de aankomst van de keizer in te lichten. Daar wij echter eerder hier waren dan hij, kwamen wij voor de grenswacht als een verrassing. De heren meldden zich zeer stram bij Z.M. en stelden voor, naar het station Eysden te gaan, om daar de hoftrein af te wachten. Gersdorff arriveerde ook weldra per auto en een uur later was de speciale trein op neutrale bodem. Tot zolang liep de keizer met de Hollandse majoor en ons het perron op en af. Van alle kanten kwamen mensen toegelopen, en steeds weer hoorde men de uitroepen: 'Ah, Kamerad Kaputt!' of 'Vive la France!' Men zag dreigende vuisten en andere weerzinwekkende blijken van afkeer. Men hoorde foei-geroep en er klonk schel gefluit. Het deed mij pijn tot in de ziel voor de arme keizer. Hij liep echter rustig verder op en neer, alsof hij niets zag of hoorde. Fotografen maakten kiekjes. Het was een verlossing, toen de trein binnenliep, die de keizer voor verdere vernederingen beschermde. In de restauratiewagen namen wij een klein ontbijt, maar de gordijnen moesten neergelaten worden, daar de fabrieksarbeiders (meest Belgen) hun geschimp voortzetten. Soms vreesden wij, dat de arbeiders met stenen zouden gooien. Eerst toen in de loop van de voormiddag soldaten en politie op fietsen aankwamen, het station afzetten en orde schiepen, waren wij tegen verdere overlast beveiligd.

De gehele dag zat Z.M. met het gevolg in de restauratiewagen. Hij verliet hem alleen een half uur voor het middag- en avondeten, opdat de tafel kon worden gedekt. Hij kon niet alleen zijn en 's avonds, als wij onder elkaar waren luchtte hij zijn gemoed. Hoe hij gedurende zijn regeringstijd steeds het goede had gewild en op welke moeilijkheden hij daarbij overal was gestuit. Het meest had hij eronder geleden, dat de oudere generatie hem altijd weer had overstemd. Toen hij aan de regering was gekomen, had hij met de ambtenaren van zijn grootvader moeten regeren. Door de vroege dood van zijn vader had hij een gehele generatie overgeslagen. Vandaar de tegenstelling tussen ouderdom en jeugd.

Tussen hem en Bismarck was een verwijdering ontstaan over het arbeidersvraagstuk. In plaats van zich toen in Friedrichsruh rustig te houden, was hij op grote schaal een campagne tegen de jonge keizer begonnen. Ook de verhouding tot zijn vader en grootvader was voor hem als prins niet gemakkelijk geweest, beiden waren er op uit hem overal buiten te laten. Stond de een hem wat toe, dan keurde de ander het weer af. Hier liet de vader, daar de grootvader als opperbevelhebber zijn invloed gelden. Zo was zijn hele leven een strijd geweest. Voortdurend had een grote verantwoordelijkheid op hem gerust. Nooit heeft hij rust gevonden. Nu was hij voor het eerst in zijn leven vrij. Maar niet alleen onder Bismarck waren de verhoudingen zo moeilijk geweest, ook onder de latere kanseliers.

Nu hij de oudere is geworden en zijn ministers de jongeren zijn en hij eindelijk zijn wil eens had kunnen doorzetten, jaagt men hem weg. De keizer sprak opgewonden, maar toch volkomen beheerst. Onbekenden, die in de loop van de dag steeds weer bij hem kwamen, moesten zijn zelfbeheersing bewonderen. Achtereenvolgens dienden zich aan: een Nederlandse overste met adjudant, een politiecommandant, de heren Von Grote en Von Osten-Sacken van het Duitse consulaat in Maastricht. De heer Grünau zocht dadelijk vanuit Eysden telefonisch verbinding met Den Haag. De vraag was nu: zou Holland de keizer opnemen, of zal het dit, uit eigen beweging of onder druk van de Entente, weigeren? Uur na uur verliep, het wachten werd tot een kwelling. Toen het tijd voor het middageten was, vroeg de keizer de aanwezige Hollandse diplomaat, of hij niet wilde mee eten. Aan de manier waarop deze weigerde, meenden wij te bemerken, dat Holland asiel zou weigeren. Met Plessen bespraken wij, wat dan met Z.M. moest worden gedaan. De meest uiteenlopende voorstellen werden gedaan. Aan de juist wat tot rust gekomen zenuwen werden nieuwe eisen gesteld. Met de keizer werd over dit onderwerp niet gesproken.

Eindelijk, tegen de middag, kwam het eerste bericht: de koningin (Wilhelmina) was diep geroerd over de droevige toestand waarin de keizer zich bevond, maar, om te kunnen beslissen wat er met ons moest gebeuren, moest eerst een ministerraad worden bijeengeroepen. De wijze waarop ons dit werd medegedeeld liet zeer goed de mogelijkheid open, dat men ons niet zou opnemen. Frankenberg meende zelfs, dat de Entente misschien de uitlevering van de keizer zou eisen. Dit wachten de hele dag maakte angstig. Eerst kort voor middernacht werden wij van deze spanning verlost. De Duitse gezant, excellentie Rosen, met de heer Koster en een afvaardiging van de Nederlandse regering, bestaande uit drie heren, verschenen om de keizer te melden, dat de Ministerraad eenstemmig had besloten Z.M. op te nemen.

De eerste drie dagen zou de keizer naar Graaf Bentinck in Amerongen gaan, daarna zou een blijvende woonplaats worden aangewezen. Direct greep men naar de 'Gotha' [bedoeld wordt: de Almanach de Gotha – het Europese adelsboek] om vast te stellen, welke Bentinck dit was, en in welke familierelatie hij stond met de Graaf Bentinck, die de majesteiten in 1909 in Middachten als zijn gasten had ontvangen. De heer Koster gaf ons nadere inlichtingen over de familie. Doodmoe ging ik kort na middernacht in mijn coupé slapen.

Dat wij op deze dag uit Den Haag zo laat en zulke spaarzame mededelingen ontvingen, hield verband met het feit, dat in Nederland 's zondags alleen op bepaalde uren kon worden getelefoneerd.

donderdag 8 november 2018

Friedrich Nietzsche -- 9 november 1868

• Fragment uit een dolenthousiaste brief van de jonge Friedrich Nietszsche (1844-1900) aan zijn vriend en collega-wetenschapper Erwin Rohde. Uit: Afgemat als een eendagsvlieg bij avond. Een selectie uit de brieven 1858-1879 (vertaald door Hans Driessen).

 Leipzig, 9 november 1868
[...] Toen ik thuiskwam, lag er een aan mij geadresseerd briefje met daarop deze korte notitie: ‘Als je Richard Wagner wilt leren kennen, kom dan om kwart voor 4 in café Théâtre. Windisch [Ernst Windisch, een studiegenoot].’
Dit nieuwtje bracht me – neem me niet kwalijk! – danig van mijn stuk, zodat ik de gebeurtenissen van zopas helemaal vergat en volkomen van de kook raakte.
Ik ging natuurlijk direct van huis en vond onze brave vriend, die me nieuwe inlichtingen gaf. Wagner was strikt incognito bij zijn familie in Leipzig: de pers had er geen lucht van, en alle bedienden van Brockhaus zwegen als graven in livrei. Nu had de zuster van Wagner, de echtgenote van professor Brockhaus, die verstandige vrouw, ook haar goede vriendin, mevrouw Ritschl, aan haar broer voorgesteld, waarbij ze de eer had – de geluksvogel! – tegenover haar broer met de vriendin en tegenover haar vriendin met de broer te pronken. Wagner speelde in tegenwoordigheid van mevrouw Ritschl het Meisterlied, jou wel bekend, en het goede mens zei hem dat ze dit lied al heel goed kende, mea opera [door mijn toedoen]. Vreugde en verwondering bij Wagner: hij maakt als zijn allerhoogste wil kenbaar, incognito kennis met me te maken. Ik zou voor vrijdagavond uitgenodigd moeten worden: Windisch echter legt hem uit dat ik verhinderd ben door ambt, plicht, afspraak: dus stelt men zaterdagmiddag voor. Windisch en ik gingen dus op weg, troffen het gezin van de professor aan, maar Richard niet; hij was met zijn enorme hoed op zijn grote schedel uit wandelen gaan. Nu maakte ik dus kennis met het genoemde, voortreffelijke gezin en ontving een vriendelijke uitnodiging voor zondagavond.
Mijn stemming in die dagen was beslist enigszins romantisch; je moet toegeven dat deze kennismaking, gezien de grote ongenaakbaarheid van de zonderling, iets sprookjesachtigs had.
In de mening dat er een groot gezelschap uitgenodigd was, besloot ik groot toilet te maken en was blij dat juist voor deze zondag mijn kleermaker mij een kant-en-klaar balkostuum had beloofd. Op die dag regende en sneeuwde het dat het een aard had, men was bang om naar buiten te gaan, en het deed me dan ook deugd dat Roscher op bezoek kwam om me het een en ander te vertellen over de Eleaten en over God in de filosofie [...]. – Het begon al te schemeren en de kleermaker wilde maar niet komen en Roscher ging weg. Ik liep met hem op, bezocht de kleermaker persoonlijk en stelde vast dat zijn slaven naarstig bezig waren met mijn pak: men beloofde het over 3 kwartier te zullen bezorgen. Ik ging vol goede moed weg, liep nog even bij Kintschy binnen, las de Kladderadatsch [politiek-satirisch tijdschrift] en zag tot mijn genoegen het bericht dat Wagner in Zwitserland verbleef en dat men in München een mooi huis voor hem aan het bouwen was: terwijl ik wist dat ik hem die avond zou ontmoeten en dat hij een dag eerder een brief van de kleine koning [Ludwig II] had ontvangen met als adr.: ‘Aan de grote Duitse toondichter Richard Wagner.’
Thuis vond ik weliswaar geen kleermaker, maar las in alle rust het proefschrift over Eudocia [de echtgenote van de twaalfde-eeuwse Byzantijnse keizer Constantijn X] en werd slechts van tijd tot tijd opgeschrikt door schrille belsignalen, die van ver weg leken te komen. Ten slotte drong het tot me door dat er wel eens iemand aan de voorvaderlijke ijzeren poort kon staan wachten: deze was op slot, net als de huisdeur. Ik riep de man door de tuin toe dat hij naar het Naundörfchen moest gaan, maar door het gekletter van de regen lukte het me niet me verstaanbaar te maken. Het huis geraakte in rep en roer, en ten slotte werd er opengedaan en een oud mannetje met een doos diende zich bij me aan. Het liep tegen half 7 en het werd tijd om de boel aan te trekken en toilet te maken omdat ik nogal uit de buurt woon. Enfin, de man heeft mijn spullen, ik probeer ze aan, en ze passen. Maar dan nemen de zaken een dubieuze wending! Hij presenteert mij de rekening. Ik neem die beleefd in ontvangst: hij wil meteen bij ontvangst betaald worden. Ik sta perplex, leg hem uit dat ik met hem als knecht van mijn kleermaker niets te maken heb, maar alleen met de kleermaker zelf, aan wie ik de bestelling heb gedaan. De man dringt aan, de tijd begint te dringen; ik pak mijn plunje en begin me aan te kleden, de man grijpt diezelfde plunje en verhindert me mij aan te kleden: van mijn kant geweld, van zijn kant geweld! Een scène. Ik vecht in mijn hemd, want ik wil de nieuwe broek aantrekken.
Ten slotte vertoon van waardigheid, plechtige dreigementen, verwensing van mijn kleermaker en zijn handlangers, eed om wraak te nemen: ondertussen verwijdert de man zich met mijn plunje. Einde van het tweede bedrijf: ik in mijn hemd op de sofa aan het broeden; ik inspecteer mijn zwarte pak, of het goed genoeg is voor Richard.
– Buiten valt de regen met bakken uit de hemel. –
Kwart over zeven: om half acht, zo heb ik met Windisch afgesproken, zouden we elkaar treffen in het theatercafé. Ik storm naar buiten de donkere, regenachtige nacht in, zelf een zwart mannetje, zonder frak, maar in een verheven romantische stemming: het lot is me gunstig gezind, zelfs de kleermakersscène heeft iets ongehoord-onalledaags.
We betreden de behaaglijke salon van Brockhaus: er is verder niemand dan de meest nabije verwanten, Richard en wij twee. Ik word aan Richard voorgesteld en spreek in het kort mijn waardering voor hem uit: hij wil heel precies weten hoe ik met zijn muziek vertrouwd ben geraakt, scheldt vreselijk op alle uitvoeringen van zijn opera’s, met uitzondering van de beroemde in München en drijft de spot met de dirigenten, die hun orkesten doodgemoedereerd toeroepen: ‘Mijne heren, nu wordt het heel hartstochtelijk’ of ‘Beste vrienden, nog iets hartstochtelijker!’ W. imiteert met veel plezier het Leipzigse dialect. –
Nu wil ik je in het kort vertellen wat deze avond ons te bieden had, werkelijk zulke eigenaardig pikante genoegens dat ik zelfs vandaag nog niet in mijn goede doen ben, maar niets beters kan doen dan met jou, mijn dierbare vriend, te kletsen en kond te doen van een ‘wonderlijke mare’. Voor en na het eten speelde Wagner, en wel alle belangrijke passages uit Die Meistersinger, waarbij hij alle stemmen imiteerde en zeer uitgelaten was. Het is namelijk een wonderbaarlijk levendige en vurige man, die heel snel praat, heel komisch is en een besloten gezelschap als dit heel vrolijk maakt. Ondertussen had ik een lang gesprek met hem over Schopenhauer, en je voelt wel welk een genot het voor me was hem met een onbeschrijflijke warmte over deze te horen praten, wat hij aan hem te danken had, dat hij de enige filosoof was die het wezen van de muziek had begrepen; vervolgens vroeg hij wat de professoren tegenwoordig van hem vinden en hij moest hard lachen om het filosofencongres te Praag en had het over ‘de filosofische dienstkloppers’. Later op de avond las hij een stuk voor uit zijn biografie die hij aan het schrijven is, een heel vermakelijk voorval uit zijn Leipzigse studententijd, waaraan ik zelfs nu nog niet kan denken zonder daarbij in de lach te schieten; hij schrijft trouwens buitengewoon vlot en geestig. – Aan het eind van de avond, toen wij beiden aanstalten maakten om weg te gaan, drukte hij me heel hartelijk de hand en nodigde mij heel vriendelijk uit hem te komen bezoeken om muziek en filosofie te bedrijven en hij droeg me tevens op zijn zuster en zijn familie het een en ander over zijn muziek bij te brengen, hetgeen ik me plechtig heb voorgenomen. – Ik zal je er nog wel meer over vertellen als ik wat objectiever tegen deze avond aankijk en er afstand van kan nemen. Voor nu van harte tot ziens en het beste met je gezondheid.
F.N.

woensdag 7 november 2018

I.S. Toergenjev -- 8 november 1872

• Uit een brief van de Russische schrijver Ivan Sergejevitsj Toergenjev (1818-1883) aan de Franse schrijver Gustave Flaubert. Uit: Brieven (vertaald door Tom Eekman)

Parijs, 8 november 1872
Waarom, ben je zo ongerust over het plebs, zoals je het noemt ? Het plebs beheerst alleen degenen die zich aan zijn juk onderwerpen. Hier is het moment waarop we moeten zeggen: 'etiam si omnes, ego non'. En dan – behoort de heer Alexandre Dumas jr. – dat tot mens geworden 'kreng', om jouw uitdrukking te gebruiken – tot het plebs? En de heren Sardou en Offenbach en Vacquerie en alle anderen? Het is waar, ze stinken... Het plebs stinkt ook – maar op de manier van het woordje Cambronne [= merde]; terwijl die anderen vol rotting en bederf zijn. En zolang er nog iemand bestaat die je liefheeft en met je meevoelt...
Nee, mijn vriend – dat is niet hetgene wat op onze leeftijd zo moeilijk te verduren is – het is de 'taedium vitae' in het algemeen, het is de verveling en walging van alles wat des mensen is; het is niet de politiek, want die is tenslotte maar een spel; het is de droefheid van de vijftigjarigen. En dat is wat ik bewonder in mevrouw Sand: wat een gemoedsrust, wat een eenvoud, wat een belangstelling voor alles, wat een goedheid! Als iemand, om dat allemaal te bezitten, een beetje vergoelijkend, democratisch, misschien zelfs evangelisch moet zijn – mijn hemel, laten we dat op de koop toe nemen.


* Etiam si omnes, ego non is Latijn voor ‘Ook al doet iedereen het, ik niet’.
* Taedium vitae is Latijn voor ‘het verveeld zijn met het leven’.

Bertus Brouwer -- 7 november 1911

• De gevierde wiskundige Bertus Brouwer (1881-1966) onderhield lange tijd een correspondentie met dichter C.S. Adama van Scheltema. Onderstaand fragment komt uit een brief van hem aan Adama. Uit: Droeve snaar, vriend van mij (bezorgd door D. van Dalen).

Amsterdam, 7 november 1911
Je mededeeling, dat ik mij behalve de saus van Annie nog een kermis met rutsbaan heb laten ontgaan, heeft mijn spijt en naberouw natuurlijk niet weinig verzwaard.
Maar gelukkig kunnen we dezen winter eens samen over de hei wandelen, en kunnen onze eenzame levens zich daar weer eens tegen elkaar afteekenen, zelfbewustheid, geloof en scheppingskracht tegen universeele ontkenning, passieve aanschouwing en een beetje vernielzucht.
Ofschoon ik tegenwoordig tamelijk vruchtbaar160 ben, en mij langzamerhand eenigen internationalen naam en nijd heb verworven, moet je van mijn werk geen al te serieuzen indruk krijgen. Want ik heb nog altijd de intieme zekerheid, dat wiskundig talent gelijkwaardig is met abnormale ontwikkeling van den grooteteennagel.
Wel speel ik op congressen voor de pausen der wetenschap de rol van enthousiasten vaandrig, maar als ik in gedachtenrijke gesprekken 'mit flammender Begeisterung' de verschieten schilder, die mijn werk bezielen, laaft intusschen mijn schijnbaar zoo geabsorbeerde blik zich aan de monomanie hunner gelaatsuitdrukkingen, en ziet in sommigen troosteloos gevangen helden, in anderen giftmengende kobolden, en in de laatsten de ongekende beulen der eersten. En terwijl ik physiek doortrokken ben van het gevoel, in de hel te zijn, stralen mijn oogen in sadistische wellust van sympathie.
Mijn productiviteit zal dan ook nooit een grootsche schepping brengen, want ze wordt uitsluitend bevrucht door spotzieke ontleding van het bestaande.
Geen der vakgenooten zal dit echter ooit doorgronden, hoewel het enkelen op den duur bij mij onaangenaam te moede wordt, die gaan dan rond, en spreken kwaad.

maandag 5 november 2018

Gérard de Nerval -- 6 november 1840

• De Fransman Gérard de Nerval (1808-1855) was schrijver, toneelcriticus en reisjournalist – en ook vertaler. In deze brief aan de Duitse dichter Heinrich Heine schrijft hij over de moeilijkheden die hij ondervindt bij het vertalen van diens werk. Uit: Het treurige beroep van schrijver (vertaald door Edu Borger).

Brussel, 6 november 1840
Ik heb van de vrije tijd die ik dankzij het slechte weer dikwijls had, gebruikgemaakt om zo veel mogelijk te vertalen. Toch heb ik nog maar eenderde ongeveer, maar als ik na mijn aankomst wee keer zo hard werk zal het me lukken om er niet veel langer dan wee maanden over te doen. Ik geloof overigens dat we een goede tijd voor de boekhandel zullen treffen, en iets ná het grote politieke tumult, dat, geloof ik, wel zal wegebben. Ik ondervind soms grote problemen, niet zozeer bij het begrijpen als wel bij het weergeven van de woorden en ik heb een aantal dubbelzinnige betekenissen overgeslagen met de bedoeling ze aan u voor te leggen. Ik heb zelfs voorlopig de te moeilijke gedichten die ik ben tegengekomen ter zijde gelegd; door de bewonderenswaardige overvloed aan bepaalde details weet ik soms niet zeker of ik de zin moet germaniseren of door een Frans equivalent moet weergeven, maar omdat u mij uw hulp beloofd hebt, heb ik zoals ik al zei de ernstigste passages ter zijde gelegd om ze aan u voor te leggen, alleen om u op die manier niet al te veel tijd te laten verliezen.

zondag 4 november 2018

Cosima Wagner -- 5 november 1869

Cosima Wagner (1837-1930) was de echtgenote van de Duitse componist Richard Wagner. De fragmenten uit haar dagboeken die handelen over Friedrich Nietzsche, zijn verzameld in Nietzsche contra Wagner. Wagner en Nietzsche waren aanvankelijk elkaars bewonderaars, maar later bekoelde hun vriendschap.

5 november 1869
Een Parijse krant maakt in zeer correcte bewoordingen melding van ons huwelijk, een zekere heer Beckmann is tegen hatelijke geruchten in het geweer gekomen. R. lacht, omhelst me en zegt: ‘Ja ja, door mij kom je nog in opspraak.’ Dan pakt hij Siegfried op de arm en speelt lange tijd met hem; hij zegt tegen mij, ‘we zullen Siegfried uit huis moeten doen; tegen de tijd dat hij een man wordt, moet hij onder de mensen komen en er op tegenstand stuiten, flink om zich heen slaan en dingen doen die niet door de beugel kunnen, anders wordt hij een fantast of misschien wel een idioot, iets dergelijks als we bij de koning van Beieren [Lodewijk II] kunnen zien.’ ‘Maar waar?’ ‘Bij Nietzsche – daar waar Nietzsche professor zal zijn; wij zullen op een afstand toekijken hoe Wodan zorgt voor de opvoeding van Siegfried. Hij kan dan twee keer in de week voor niks bij Nietzsche gaan eten, en aan het eind van elke week kan deze ons dan verslag uitbrengen.'