zondag 30 juni 2019

Cesare Pavese • 1 juli 1942

Cesare Pavese (1908-1950) was een Italiaanse schrijver. In 2003 verscheen Leven als ambacht, met daarin dagboeken en brieven. Vertaling: Anton Haakman.








(1 juli)
bij afnemende maan                                             bij wassende maan
als men bloemen zaait
worden ze
mooi en met dikke stengel                                                ziekelijk en dun
                                                                                               en lang
als men bomen kapt
worden ze
gezond                                                                                 vermolmd
behalve de den, die wordt
vermolmd                                                                            gezond
als men de was doet met loogas
op het laken wordt deze
goed en schoon                                                                      vuil - de as
                                                                                                  zal er intrekken
als men wijnstokken en jonge 
scheuten snoeit is dat
schadelijk                                                                                vruchtbaar

Sigurd von Ilsemann • 30 juni 1934

Sigurd von Ilsemann (1884-1952) was vleugeladjudant van de Duitse keizer Wilhelm II. Hij schreef Der Kaiser in Holland. Aufzeichnungen des letzten Flügeladjutanten Kaiser Wilhelms II.

30 juni 1934
Enkele dagen geleden kwam een zekere v.R. bij mij, een kennis van mijn zwager, die beweerde in opdracht van verschillende heren uit Berlijn te komen; hij noemde ook namen en deelde mij — en later ook Grancy — het volgende mee: in het kabinet heerste een grote crisis en het zou spoedig aftreden; daarna een overgangskabinet. Of Hitler daar nog deel van zal uitmaken is de vraag, omdat hij lichamelijk niet sterk is (epileptische aanvallen), vervolgens een militaire dictatuur, tenslotte de monarchie. Men was definitief voor het huis Hohenzollern, maar het stond nog niet vast, of de keizer persoonlijk werd gewenst, in elk geval moest hij naar Duitsland terugkeren en dan eventueel zijn opvolger aanwijzen. Deze gedachten verduidelijkte hij nog, maar hij wees er op, dat hij niet met een officiële opdracht kwam, maar zou zorgen, dat Z.M. over de toestand ingelicht werd en hij moest te weten komen, hoe de keizer daar tegenover stond. Wij hebben deze heer duidelijk gemaakt, dat de keizer in principe tegenover zulke dingen geen standpunt innam en hebben de keizer met deze fantasieën niet lastig gevallen. Grancy heeft H.M. ingelicht.

Victor Segalen • 29 juni 1909

• De Franse schrijver Victor Segalen (1878-1919) bracht verscheidene jaren in China door. Voordat zij zich daar bij hem voegde, schreef hij zijn vrouw Yvonne 65 brieven die zijn gebundeld in het door Maarten Elzinga en Mark Leenhouts vertaalde Brieven uit China – brieven die het oude, voor-communistische China tot leven brengen.

Peking, 29 juni 1909
Ik heb een heerlijke avond gehad, alleen, dus met jou, liefste Mavone. ‘s Avonds eet ik voor de poort van mijn binnenplaats – als het mooi weer is, en dat was het vandaag. De maan kwam op van achter de boom die je op de foto met de vier karakters ziet. Dat is het uitzicht vanuit mijn poort.
Gisteravond met Yang echt Chinees gegeten; je hebt lekkere en minder lekkere dingen. Een groot aantal kleine gerechten, waaronder – moet ik bekennen – bedorven eieren. Maar laten we wel wezen, het zijn eerder adellijke eieren, als volgt klaargemaakt: de eendeneieren worden enkele maanden ingelegd in kalk: het wit wordt geleiachtig, bruin en lillend, het geel zwartgroen. Het ruikt sterk naar urine. Maar ik kan me voorstellen dat onze kaas ook een zekere tolerantie vereist... Ik heb er een paar plakjes van gegeten, zonder vervelende gevolgen. Beter zijn de kleine garnalen, de gerookte kip, de visragout en het gepocheerde ei in een heldere groentebouillon tot besluit van de maaltijd. Als drank heb je Huangjiu, gele wijn, eigenlijk meer een soort gierstbrandewijn, die lauw wordt gedronken, of Meiguijiu, een soort brandspiritus, naar het schijnt met rozen gestookt.
Yang, die weet hoe Europese magen kunnen reageren, kwam vanochtend informeren naar de mijne: er scheelde niets aan.

donderdag 27 juni 2019

Bartholomew Sharpe • 28 juni 1681

Bartholomew Sharpe (ca. 1650–1690) was een Britse piraat. Zijn logboek is bewaard gebleven. Hieronder beschrijft hij enkel een fraai gelegen natuurlijke haven.

June the 28th 1681
Tuesday about two of the clock in the afternoon we weighed anchor haveing made an end of coreneing of our ship and we were bound for the sea from gulfo Dulce which I named King Charles's harbour by reason that those Indians gave the harbour freely for the use of the English at all times when I made the peace with them[.] this is a very excellent harbour and very secure from all winds that blows deep water and a bold shore and no danger but what you can see here is good water & great plenty of fish oisters mussles & good plantans on the NW side of this harbour is good anchoring from 25:20 & 14 fathom water cloce by the shore lowland on the So Et side is a considerable Island which is about 2 miles in length it is indifferent high & the enterance is on the No Wt side of it and about 6 leagues distant from it lyes a point of land which I called point Barica on which doe grow cocoa nut trees: & a little distance from it lyes an indifferent bigg Island & high this harbour lyes in No & So about 4 leagues & the WtN oWt & EtS oEt part about 6 leagues

woensdag 26 juni 2019

Bertolt Brecht • 27 juni 1920

Bertolt Brecht (1898-1956) was een Duitse schrijver. Uit: Dagboeken (vertaald door Hans Hom).

Zondag, 27
Van tijd tot tijd overvalt me plotseling de gedachte dat de dingen die ik maak misschien wel te primitief en te ouderwets zijn, of plomp en te weinig gedurfd. Ik ga op zoek naar nieuwe vormen en experimenteer met mijn gevoel als de allermodernsten. Maar dan kom ik toch altijd weer bij het punt uit dat het wezen van de kunst eenvoud, grootheid en gemoedsaandoening is en het wezen van haar vorm koelheid. Dit is gebrekkig uitgedrukt, ik weet het.

We zijn 's middags en 's avonds bij Otto, een vreemd meisje (Hilde Münch geheten), Bi en ik. Bi bakt pannekoeken en wordt in kimono gefotografeerd. Later zitten we nog even op het Domplatz, ze is erg moe en heeft koorts; ik vraag haar haast smekend met het vertrek naar haar werk tot maandag te wachten, tot de uitslag over haar longen er is. Ze belooft het te zullen doen en we nemen afscheid.

's Zomers kan ik nooit goed werken. Ik heb geen zitvlees. Ook ben ik te eenzijdig positief. Zo hindert me nu bij het uitwerken van de Galgei en de Hanne [Galgei werd later het toneelstuk Mann ist Mann] de in eerste instantie negatieve strekking. Zolang Ligarch en zijn grollen de voornaamste troef in de Galgei vormden, ging het me beter af.

Maandag 28 en dinsdag 29
Met Cas, Hedda, Edith Blass aan het Starnberger Meer (Pöcking). De hele dag in het water, vanuit de boot. Hedda zwemt als een otter, en Cas schudt in vervoering over het meer zijn hoofd, hoewel hij het de eerste keer bij regen ziet. Op de avond van de tweede dag reizen we hondsmoe huiswaarts, enorm verbrand en heel jolig. Water en zon binnen en wat geur.

Woensdag, 30
s Middags in Augsburg omdat Bi weggaat. Ik zie de foto: er is werkwlijk iets met de ene long. Ze heeft nu ook koorts. Ik krijg het gedaan dat ze thuisblijft. 's Avonds moe terug.

dinsdag 25 juni 2019

Louis-Ferdinand Céline • 26 juni 1936

• Ook in 1936 sloeg de ontlezing al toe, zoals blijkt uit deze brief van schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961), geschreven aan zijn ‘Lieve vriendin’ Erika Irrgang,  opgenomen in Brieven aan vriendinnen (vertaald door Jan Versteeg).

Eind juni 1936
Ik heb eindelijk je roman gelezen. Wat moet ik erover schrijven ? Je weet hoe moeilijk ik over anderen kan oordelen. Ik heb alleen gevoel voor het subjectieve. Volgens mij zit hij goed in elkaar, met een duidelijke lijn, die je goed vasthoudt. Maar... Ik voel me volstrekt niet in staat er een intelligenter, duidelijker mening over te geven. Ik voel me letterlijk heel belazerd bij zo’n dooddoener, ik kan er alleen maar het zwijgen toe doen. Het is mijn genre niet. Wat zeggen de deskundigen? Wat kunnen ze zeggen? Die weten in feite ook niets. Het is een zaak die alleen het publiek en jou aangaat. Ik weet niet hoe het er met die dingen in België voor staat, maar in Frankrijk heel slecht. Er wordt niet meer gelezen, het is de bittere waarheid. De radio, de bioscoop, de politiek, de tijdschriften trekken alles naar zich toe! Dus waarom zou je risico gaan lopen. Wil je boeken verkopen, dan moet de maatschappij een beetje stabiel zijn. Geen vrolijke boel, dit alles. Waar zit je nu, en waar in augustus en september? Misschien kom ik nog langs in Antwerpen.

maandag 24 juni 2019

Alexander Herzen • 25 juni 1847

• De Russische filosoof en schrijver Alexander Herzen (1812-1870) verbleef een groot deel van zijn leven in West-Europa. Zijn leven beschreef hij in het monumentale werk Feiten en gedachten (vertaald door Charles B. Timmer).

25 juni 1847
Op de Place de la Concorde had zich een afdeling van de mobiele garde geposteerd […] Een jongen van een jaar of zeventien stond leunend op zijn geweer wat te vertellen. Ook wij kwamen dichterbij. Hij was half dronken net als zijn kameraden, knapen van dezelfde leeftijd, hun gezichten zaten onder de kruitvlekken, hun ogen waren door de vele slapeloze nachten en de drank rood ontstoken, velen stonden er met hun kin op hun geweerloop bij te dommelen.
’Nou en wat er toen gebeurde kun je gewoon niet beschrijven,’ ging hij na een ogenblik van zwijgen verder, ‘vechten deden ze goed, dat wel, maar toen hebben wij ze op hun sodemieter gegeven om de onzen te wreken! Ze vielen bij bosjes! Zelf heb ik mijn bajonet tot aan de loop in een stuk of vijf van die kerels gestoken — dat zal ze heugen!’ voegde bij eraan toe in zijn verlangen zich als een doorgewinterde booswicht voor te doen... De vrouwen zagen bleek en zwegen; een van de conciërges merkte op: ‘Dat hebben ze verdiend, die klootzakken!’ maar zijn woeste uitbarsting kreeg geen bijval. Het gezelschap was te laag van allooi om ook maar iets van medeleven te kunnen opbrengen voor het bloedbad en voor de ongelukkige knaap uit wie ze een moordenaar hadden gemaakt.
Zonder iets te zeggen liepen wij met bezwaard hart verder naar de Madeleine.

zondag 23 juni 2019

Andreas Oosthoek • 24 juni 2006

Andreas Oosthoek (1942) is een Nederlandse schrijver en journalist; in 2006 nam hij afscheid als hoofdredacteur van de Provinciale Zeeuwse Courant, en vroeg NRC Handelsblad hem een week lang een 'Hollands Dagboek' bij te houden.

Zaterdag [24 juni]
Recupereren in de tuin, met duinen in ’t verschiet. Ik zocht nog wat zaken bij elkaar voor Rudy Kousbroek met wie ik nazat in het Groot Paradys. Ik sprak hem over zijn jongste PZC-rubriek waarin de Begenadigde Atheïst schrijft over de éénmaligheid van geuren. Mijn ervaringen zijn anders. Zo brengen tv-beelden van massagraven onmiddellijk de lucht in mijn neusvleugels die kenmerkend was voor mijn tijd bij de Dienst Identificatie & Berging. Graflucht derhalve. Ik heb het ook met India: een straatbeeld uit Jaipur levert al gauw de geur op van de ouderwetse Parijse pissoirs voordat die op aanbeveling van madame De Gaulle werden gesloopt. Pis is pis.

[lees verder]

Cola Debrot • 23 juni 1956

Cola Debrot (1902-1981) was een Antilliaanse schrijver, arts, diplomaat en staatsman. Van een verblijf in Genève voor een internationaal congres in 1956 hield hij een dagboek bij, onder de titel Dagboekbladen uit Genève. Het fragment hieronder is onderdeel van een beschrijving van de congresruimte.

23.6.1956 [...] Achter deze verhoging bevindt zich, wederom iets hoger, een vijftal met glas afgesloten cellen, waarin enkele dames met koptelefoon meer of minder opzichtig acteren en zo op het blote gezicht alleen maar bezig zijn onhoorbaar te spreken; men zou kunnen denken aan een ‘red light district’, maar het zijn de simultaan-vertaalsters, die de grote internationale conferenties opsieren. In deze commissie wordt in vijf talen vertaald: Frans, Engels, Spaans, Duits en Russisch. Het is een plezierige afleiding deze simultaan-vertaalsters achter glas in haar actie te volgen; zij bevinden er zich meestal met hun tweeën. Dit werk is dermate inspannend, dat het niet langer dan enkele minuten achtereen kan worden gedaan, zij moeten elkaar voortdurend aflossen. Het is opvallend, hoeveel knappe vrouwen men onder simultaan-vertaalsters vindt, knap van uiterlijk bedoel ik; maar men heeft er ook enkele onder, die minder aantrekkelijk zijn, enkele zo-zo bedoel ik, voornamelijk bestemd voor het eerbare burgerhuwelijk, en ook enkele monsterachtige lelijkerds die, wonderlijk genoeg, mirabile dictu bedoel ik in het Latijn, vooral op de geestelijken of gewezen geestelijken onder de leden een bijzondere aantrekkingskracht uitoefenen. Dit is een specialiteit van lelijke vrouwen, maar zij moeten dan ook spookachtig lelijk zijn. Het heeft mij altijd verbaasd, dat hierover nog niet een proefschrift is geschreven; ik zal er de heer Prof. dr. jhr.D. van Lennep, hoogleraar in de psychologie te Utrecht, op attenderen, die er altijd op uit is met iets opvallends voor de dag te komen (vastleggen in mijn aantekenboekje, dat over enkele dagen natuurlijk weer onvindbaar is).
[lees verder]

Olga Freidenberg • 22 juni 1941

• Een aangrijpend ooggetuigeverslag van het beleg van Leningrad is te vinden in de in 1981 in New York verschenen briefwisseling tussen de Russische schrijver Boris Pasternak en zijn nicht Olga Freidenberg. De brieven, die de periode 1910-1954 bestrijken, zijn verbonden door een retrospectief dagboek van Olga Freidenberg. Door omstandigheden heeft zij het beleg van haar woonplaats van begin tot einde meegemaakt.

Op 22 juni, een van die mooie zomerdagen, pakte ik de telefoon omdat ik niets te doen had. Het was zondag, rond het middaguur. Ik was verbaasd toen een vrouwenstem antwoordde dat Bobovitsj, die ik belde, niet aan de lijn kon komen.
‘Hij luistert naar de radio.’
Dat verbaasde mij nog meer. Na een korte pauze voegde de vrouwenstem er aan toe: ‘De oorlog met Duitsland is verklaard. De Duitsers hebben ons aangevallen en hebben de grens overschreden.’
Dat was volkomen onverwacht, bijna onwaarschijnlijk, hoewel het met zekerheid was voorspeld. Het was niet de aanval die onwaarschijnlijk was - wie had die niet zien aankomen? Het was ook niet de oorlog met Hitler: onze politiek had niemand vertrouwen ingeboezemd. Het was de ommekeer in ons leven die onwaarschijnlijk was, deze dag die zo plotseling tussen verleden en heden was komen te staan. Die stille zomerdag met openstaande ramen, een aangename rustige zondag, een gevoel van leven in mijn hart, van hoop en verlangen, als iets dat uit zichzelf in mij was gegroeid, of ik wilde of niet; en plotseling: oorlog! Ik kon en wilde het niet geloven.
Maar wie wist niet dat dit het begin was van enorme gebeurtenissen en catastrofes? Ik begreep de theoretische betekenis van het gebeurde. Maar ik nam waar dat het vreselijke nieuws geen enkele indruk op mij maakte, behalve een gevoel van sensatie. Niets van 1914 was er mee te vergelijken. Eigenlijk bleef ik in mijn hart volslagen onverschillig en was ik alleen bang voor het dagelijks bestaan. Welke rampspoed stond ons te wachten?
Het was een mooie zomerdag, een vrije zondag, met open ramen, stille groene bomen. Nee, de voorbereiding was ongemerkt gegaan. De geschiedenis trad naderbij vanuit de verte. En je had het gevoel: o, het is allemaal zo erg nog niet; het komt wel goed; het leven helpt een handje; het is nog veraf; er is heel wat voor nodig voordat de gebeurtenissen ons bereikt hebben en onze dagen uiteenrijten; wat zou het, het was trouwens tijd ook; ‘laat het maar slechter zijn, als het maar anders is’.
[lees verder]

donderdag 20 juni 2019

Marcellus Emants • 21 juni 1875

• De Nederlandse schrijver Marcellus Emants (1848-1923) bezocht Zweden en Lapland in 1875. Zijn journaal van die reis publiceerde hij in Op reis door Zweden. De langste dag van het jaar maakte hij mee in Lapland.

Een Sint Jansdag in Lappmarken
[...] De zon, die nog helder wit aan den hemel glansde, toen wij de ongebaande, steile helling beklommen, zonk nu met warmen gloed naar den horizont af. De korte jeugd van het noorden spoedde ten einde; het stervensuur der lente was nabij.
[...]
Donkerrood zonk de lentezon voor 't laatst in de armen der geliefde nevelen neder, die als vloeiend goud aan den middernachtelijken hemel zweefden.
Een vurige omhelzing was haar laatste groet; dankbaar gloeiden aarde en hemel in haar laatste stralen en spiegelden de kalme watervlakken nog eens haar' goddelijken glans.
Toen was het volbracht. De korte droom was uitgedroomd.
Met ijskouden adem blies Borreas over de ijle dampen heen, die als grauwe schimmen uiteenstoven en vernietigd waren voor zij den horizont bereikten. De diepe gloed verbleekte tot een helder wit licht, dat statig aan den hemelboog oprees.
De zomerzon was geboren.
Langs de toppen der bergen, in de diepste schuilhoeken der bosschen, der sidderende meeren, in de spleten van het gesteente, overal drongen de stralen der nieuwe zon verzorgend en rijpend door, overal voltooiden zij het werk door den koesterenden adem der lente begonnen, opdat eenmaal natuur gerust het hoofd zou kunnen neerleggen, wanneer de blinde Hodur gebiedend zijn' staf over de aarde zou uitstrekken, en de ingesluimerde tot den langen slaap in het vale lijkkleed wikkelen.

woensdag 19 juni 2019

G.H.C. Hart • 20 juni 1940

• De Nederlander George Henry Charles Hart (1893-1943) was een hoge bestuursambtenaar. Tijdens het eerste oorlogsjaar (dat hij doorbracht in Londen) hield hij een dagboek bij.

Donderdag 20 juni 1940
Wat moet men er allemaal over in een dagboek schrijven? Dat de geallieerden van een week geleden elkander thans vinnig te lijf gaan met de bitterste verwijten? Dat de wapenstilstand er voor het arme Frankrijk vreeselijk zal uitzien. Dat de Franschen ook naar Rome zullen moeten om de voorwaarden te vernemen van den overwinnaar Mussolini, die te laf was om te vechten?
Ik laat 't maar achterwege.
Maar er komt bij ons, bij enkelen een hoogst bedenkelijke gedachte naar voren: de wensch om, met Frankrijk en België samen, een afzonderlijke vrede met Duitschland te verkrijgen en te redden wat er te redden valt, dat wil m.i. zeggen: overgave op genade of ongenade aan Hitler.
Dit punt geeft tot steeds heftiger en pijnlijker discussies aanleiding; eenerzijds wordt beweerd dat wij daarmede een vrij grote mate van onafhankelijkheid van Duitschland zouden verkrijgen en dat wij met de ‘realiteit’ moeten rekening houden, dat Engeland en Frankrijk en daarmede ook wij den oorlog nu eenmaal hebben verloren en daarvan de consequenties op de best mogelijke wijze hebben in overeenstemming te brengen met de belangen van het Nederlandsche volk.
Anderzijds - en daarbij behoor ik o.a. met volle overtuiging en felheid - wordt gezegd, dat ‘beperkte vrijheid’ onder de hegemonie van Duitschland of als aanhangsel van het Derde Rijk erger is dan voortzetten van den strijd tot het uiterste en dat het schandelijk is over zulk een vrede te denken, laat staan te praten.
Bovendien, hoe ernstig de situatie ook inderdaad is, Engeland is nog niet verslagen, terwijl de eenige kans op een voor ons aanvaardbare vrede is, aan Engelands zijde te blijven. Het kan niet worden ontkend, dat deze controverse de vriendschapsbanden tusschen Peekema en mij niet aanhaalt, terwijl ook Welter eenigszins aan den verkeerden kant staat, diep onder den indruk als hij is van den ondergang van Frankrijk47.

dinsdag 18 juni 2019

J. Everts • 19 juni 1911

• In 1915 publiceerde J. Everts (1882-1954) een fictief dagboek in De Gids.


19 Juni. Toen ik vanmorgen helaas veel te vroeg wakker werd en door een reet van 't gordijn zag, dat de zon scheen, alwéér scheen, heb ik mij baloorig omgewenteld en heb ik getracht weer in te slapen... om te vergeten.
Dit kan niet goed zijn.
't Is al te abnormaal zich niet te verheugen in het mooie zomersche weer, waarin iedereen zich verheugt.
Het inslapen is mij natuurlijk niet gelukt. Na uren in mijn bed te hebben rondgewoeld, ben ik opgestaan met een loodzwaar gloeiend hoofd. Ten einde raad: omdat je toch wát doen moet. ‘Het bed ziekt an’ zegt de meid van mijn hospita en ik geloof dat zij met haar boersche levenservaring daar gelijk in heeft. In bed blijven liggen, het leven negeeren is een te langzame zelfmoord.
Toen ik de gordijnen openschoof, bleek 't inderdaad een ‘prachtige stralende zomerdag’ te zijn.
Deze laatste woorden schrijf ik neer zonder eenige overtuiging, geheel cerebraal, wetend dat dit de wijze is, waarop men over een dusdanige weersgesteldheid spreekt. Ik zelf gevoel er niets voor, althans geen vreugde. Eer het tegendeel. Deze heldere, zoogenaamd ‘mooie’ zomerdagen wekken mijn weerzin op. Ze zijn mij te reëel, het leven is mij dan te reëel. Er schiet niets te droomen, te fantazeeren over. En hoe vaal en onbeduidend, hoe leelijk is dan zoo'n moderne stadswijk, als waarin ik woon.
Maar wat nog het ergste is: op zulke dagen voel ik het sterkst en het pijnlijkst mijn abnormaliteit, mijn afzonderlijkheid, mijn ziekte, als ge wilt. Alles wekt op, spoort aan tot genieten, tot leven, tot werken en iedereen voelt er zich toe in staat. Alleen ik niet. Ik juist niet! Zoo'n ‘stralende’ zonnedag staart, gaapt mij aan als het wezenlooze Niets, of hoogstens als een leege positiviteit. Ik schijn dan wel geenerlei contact met het leven te hebben, en ik weet vooruit dat zoo'n eindeloos lange dag werkeloos en dus on-nut voor mij voorbij zal gaan en daardoor nog langer voor mij zal schijnen.
Dit alles houdt een stille geraffineerde zelfmarteling in, die te erger is omdat niemand er voor voelt en haar begrijpt. Troost zou alleen van mij zelf kunnen komen; maar ik ben als ik die het meest behoef, natuurlijk juist het minst in staat die te geven.
Dat is eenzaamheid!

maandag 17 juni 2019

Stendhal • 18 juni 1835

• Ondanks dat Italië en met name de kunst en cultuur van Florence hem in eerste instantie zodanig overweldigden dat hij er fysiek onwel van werd – het zogenoemde stendhalsyndroom – was de Franse schrijver Stendhal (Marie-Henri Beyle, 1783-1842) minder over Italië te spreken toen hij zijn vriend Domenico Fiore onderstaande brief schreef. De opera waar hij het over heeft is La muette de Portici van Daniel Auber, dezelfde opera die in 1830 de opstand van de Belgen tegen de Nederlanders had ingeleid.
Uit: Brieven. Een keuze uit de correspondance (vertaald door Joyce & Co).

Rome, 18 juni 1835, Corpus Domini
Ik heb al zesentwintig dagen niet meer gedineerd, mijn waarde vriend, en de diners die ik normaliter gebruik verdienen die mooie naam al nauwelijks. Het ontbreekt me aan eetlust. Mijn hoofd is zwak, ik lees romans en ik denk vaak aan onze vrienden: tekenen van zwakheid. Ik heb me naar de Muta di Portici [een opera] gesleept, die enorm veel succes heeft, ondanks twee kleine bezwaren: er komt geen zangeres in voor, en die Masaniello heeft hoegenaamd geen stem. Alles gebeurt in de koren, ze zingen met verve, zo opgetogen zijn die schoften geen Grieken of Romeinen te hoeven uitbeelden, maar eenvoudig visserstuig; als zodanig veroorloven zij zich allerhande grappen, en zelfs platvloersheden zonder enige act, die het publiek braaf slikt. Zou u kunnen geloven dat dit publiek zo gedegradeerd is dat twee advocaten mij gevraagd hebben of alles bij elkaar hun Muette niet beter was dan die van Parijs?
Dit land is verloren. Ze zijn er wat betreft de kunsten, het gezond verstand en de kunst van het leven te genieten net zover aan toe als de arti di disegno dat waren in 300, onder Constantijn: toen richtten ze tempelzuilen op, maar ze werden verkeerd om geplaatst, met de kop naar beneden.

zondag 16 juni 2019

Jean-Jacques Rousseau • 17 juni 1760

• De Fransen Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) en Voltaire behoorden tot de grootste denkers van hun tijd, maar veel waardering voor elkaar hadden ze niet, zoals mag blijken uit onderstaande brief van Rousseau aan Voltaire.
Uit: Bekentenissen (vertaald door Leo van Maris).

Montmorency, 17 juni 1760
Ik ben zeker niet op u gesteld, Mijnheer. U [Voltaire] hebt mij leed berokkend dat mij, uw leerling en bewonderaar, op de meest gevoelige wijze moest treffen. U hebt Genève in het verderf gestort, als loon voor de toevlucht die u er hebt gevonden. U hebt mijn medeburgers van mij vervreemd, als loon voor de lof waarmee ik u tegenover hen heb overladen. U maakt mij het verblijf in mijn geboorteland onverdraaglijk. U bent er de oorzaak van dat ik in den vreemde zal sterven, beroofd van de vertroostingen der stervenden, zonder enige andere eer dan op een vuilnisbelt te worden geworpen, terwijl alle eerbewijzen die een mens maar kan verwachten u in mijn geboorteland ten deel zullen vallen. Ten slotte, ik haat u omdat u dat gewild hebt, maar ik haat u als iemand die nog waardiger was geweest bemind te worden, als u dat gewild zou hebben. Van alle gevoelens waarvan mijn hart jegens u vervuld is blijft alleen de bewondering over die men uw grote genie niet kan onthouden, alsmede de liefde voor uw geschriften. Het is niet mijn schuld dat ik in u alleen uw talenten kan eren. Ik zal nooit tekortschieten in de achting die ik daaraan verschuldigd ben noch in het gedrag dat deze achting vereist.

zaterdag 15 juni 2019

Louis Paul Boon • 16 juni 1943

• Brief van de Vlaamse schrijver "Louis P. Boon" (1912-1979) aan "waarde Raymond Herreman", geschreven "in achting en vriendschap". Herreman wierp zich indertijd een beetje op als mentor van Boon, die Herremans aandacht had getrokken met zijn in 1942 bekroonde maar pas in juli 1943 gepubliceerde eerste boek De voorstad groeit. In de brief is sprake van de opvolger Vergeten straat. Uit: Brieven aan literaire vrienden.

Aalst, 16 juni 1943
Om op uw voorstel in te gaan stuur ik u met gelijke post de eerste honderd geschreven bladzijden van de vergeten straat. Zullen wij daar dan eens met het schuurpapier overgaan tot het blinkt lijk een spiegel? Deze week las ik in de dagbladen een aankondiging van een prijskamp, 50.000 fr (oeioei) door de stad Brussel uitgeschreven voor een roman die wat met Brussel te maken heeft. Ziehier deze roman. Of is de Noord-Zuid niet Brussel? Doch ik twijfel er aan of men na lezing mij geen boete van 50.000 zal opleggen. Heel zeker vraagt men een brave lieve folkloristische dwaasheid. Er was ook geen Jury aangeduid.
Of ben ik te groot geworden om aan een prijskampje van maar 50.000 mee te doen?
Ook iets anders, men begint in Aalst weer een massa volk op te eischen, ook ik heb reeds een biljetje ontvangen [voor de Arbeitseinsatz in Duitsland]. Zou ik, naar uwe meening mij niet moeten lid maken van de vereniging van Vl. letterkundigen om daar aan te ontsnappen? Of moet men eerst gepubliceerd hebben om lid te kunnen worden? Zooals ge ziet, een brief met vraagtekens, op voorhand dank voor uw ‘polijst-werk’ aan de vergeten straat.

vrijdag 14 juni 2019

Mensje van Keulen • 15 juni 2006

Mensje van Keulen (1946) is een Nederlandse schrijfster. In 2006 hield ze ter gelegenheid van haar 60ste verjaardag een 'Hollands Dagboek' bij voor NRC Handelsblad.

Donderdag
Vlak voor ik zou vertrekken om in een boekhandel te signeren, trokken de katten een vaas met bloemen om. De plas, waarin een paar pioenrozen dreven, verspreidde zich in de richting van het kleed en een aquarel, een cadeau dat ik zolang op de vloer had gezet. Ik snelde toe met een handdoek en een teiltje, gleed uit, maakte een halve spagaat, dweilde vloekend terwijl de boosdoeners rustig toekeken.
Als ik het huis verlaat, springt Bosi altijd achter het raam en blijft daar wachten tot ik terug ben. Het bezwaarde me steeds meer hem alleen te laten. En ik zag er erg tegenop op reis te gaan, al zal mijn zoon dan in huis zijn. Vandaar dat Louis twee weken geleden zijn intree deed. Het werd niet geheel en al in dank afgenomen: schoot, bed, bak, eten, speeltjes, alles werd voor B's ogen in beslag genomen. L. werd dan ook als een muis behandeld. Maar het ging al snel beter en het is een genot om ze samen te zien, de een als een kleine poema, stevig en gespierd onder zijn wild-kleurige, fluwelen pels, de ander rossig, olijk, en nog zo fragiel Alleen: hoe zou het met ze gaan nu ik ze vandaag voor het eerst een groot gedeelte van de dag samen alleen liet? Hoewel de kopers en het aardige personeel in de mooie, nieuwe zaak in de Bredase wijk 't Ginneken voor genoeg afleiding zorgden, moest ik er telkens aan denken.
Geen B. aan het raam toen ik thuiskwam. Ik hield mijn adem in. Zou het mogelijk zijn dat hij, zachtaardig als hij voor ons is, luns had gezien, al was het maar even, te transformeren in Mr. Hyde? Maar nee, daar stonden ze achter de tochtdeur, de kopjes op, de staarten hoog in een krul.

Vrijdag 16 juni
Vandaag moet ik tussen van alles en nog wat door de koffers zien te pakken. Ik verheug me erop mijn zus en haar kinderen, die in een Catalaans kustplaatsje wonen, weer te zien. Maar elke keer wanneer ik op het punt sta te vertrekken, waarheen dan ook, is het of ik bij voorbaat al heimwee heb.

G.H.C. Hart • 14 juni 1940

George Henry Charles Hart (1893-1943) was een hoge bestuursambtenaar. Tijdens het eerste oorlogsjaar (dat hij doorbracht in Londen) hield hij een dagboek bij.

Vrijdag 14 juni 1940
De Duitschers zijn Parijs binnengetrokken! De couranten verkleinen de beteekenis van dat feit, maar ieder ziet volkomen in, hoe ontzettend dit is.
Is het het einde? Niemand weet precies, waar de Fransche Regeering zit; waarschijnlijk heeft zij geen vasten zetel.
Wij zijn allen diep onder den indruk; de dronk van elken avond op Generaal Weygand wordt zonder commentaar achterwege gelaten.

Zondag 16 juni 1940
't Kabinet Reynaud afgetreden: Pétain en Weygand hebben de leiding. Men gevoelt, dat Frankrijk zieltogend is.
Er beginnen vele berichten binnen te komen van de vluchtelingen, die met schepen uit de Fransche havens hierheen komen. Geweldige verwarring; de Regeering moet al wekenlang geheel gedesorganiseerd geweest zijn.

Maandag 17 juni 1940
Pétain heeft Hitler om een wapenstilstand gevraagd: er is nog geen antwoord.
Dit is het einde van Frankrijk's rol in den oorlog. Iedereen is verslagen: de eerste reactie is meer diepe droefheid dan vrees voor het verdere verloop.
Maar het ziet er nu héél slecht uit, voor het verder verloop van den oorlog, ook voor Engeland.

Dinsdag 18 juni 1940
De tweede maal, dat ik den 18en van jullie gescheiden meemaak.
Waarvoor ben ik weggegaan. 't Ziet er allemaal ellendig uit. Wat nu?

woensdag 12 juni 2019

John Ruskin • 13 juni 1876

John Ruskin (1819-1900) was een Britse criticus. Over zijn dagboek.

June 1876. Brantwood.

12. Monday. Y[esterday] an entirely divine day with blue like opal, and white, fixed precious clouds, like background of deeply glowing Italian picture – Langdale Pikes relieved against two sickles of white cloud dovetailing into an S with larger mass above to finish. Diddie [his houseguest Sara Anderson] enjoying her walk, and helping me to chase a lamb (whose distress she first saw) over the tarn bridge back to its mother.
Clouded over as we returned faster than I ever saw. Now, a sweet soft white morning rain—diffused.

13. Tuesday. No getting things done in this house. Lost all yesterday calling on Marshalls in morning. Fine afternoon, throwing down stones in the wood with Diddie and Maggie. Exquisitest purple I ever saw on hills, in afternoon, and arch of rosy clouds all over old man [a nearby mountain] and opalescent green-blue and rose over blue Helvellyn, divine, but my evening spoiled by finding the poor chaffinch's nest in ruins, and nestlings dying. A hawk, I fancy, pouncing on the mother; – not able to return for the brood. Lolly [his secretary, Laurence Hilliard] came.

14. Wednesday. Exquisite fine woven sunset – and lovely morning. Change suddenly to evil temper at 1/2 past 6.
The Melly's y[esterday] to tea. Lolly came.

dinsdag 11 juni 2019

Lodewijk van Deyssel • 12 juni 1930

Lodewijk van Deyssel (1864-1952) was een Nederlandse schrijver. Hij hield verschillende dagboeken bij, en schreef veel dagboekachtige notities. Over een reisje naar Roermond bijvoorbeeld.
• Portret: Jan Veth.

(12 Juni 1930) Het reisje naar Roermond is volbracht. De fouten waren:
ten eerste, dat men niet had kunnen weten, - door slechte inrichting van den officiëelen Reisgids, kleine uitgave - dat men te Amsterdam ten 9 uur gereed zou vinden den directen trein Amsterdam-Maastricht, met Restauratiewagen,
ten tweede, dat de speciale voeding niet bij de Slaapwagen-maatschappij vooruit besteld is geworden ; maar men zich heeft moeten te vrede stellen met een - overigens behaagziek klaar gemaakten - Weener schijf, terwijl de van de, op de Restauratiewagen-tafels aanwezige, spijslijst zelf eigenlijk uitgekozen schotels niet verkrijgbaar waren.
ten derde, dat voor bezighouding in 't minst niet gezorgd was.
De met welslagen toegepaste voeding en laving voltrok zich aldus: te huis 7 u.15: een gekookt hoenderpark-ei, koude ham van Sacré en twee kopjes koffie; 8 uur, station Haarlem (den vorige dag besteld) : een omelette van vier eieren en twee glazen sherry; 9 u.30 - 11 uur, Restauratiewagen: 2 glazen sherry; 11 u. Restauratiewagen: een Weener schijf en een halve flesch Graves Supérieur. Daarna ten 1 uur het déjeuner te Roermond; ten 4 u.30 de thee ten Raadhuize; ten 6 uur het diner.
Op zulk een dag te Roermond wordt 'den geheelen dag' 'gedronken'; maar slechts lichte witte wijnen in kleine mate. Dit is goed. Dit is opwekkend en niet te ver gaand. Men dronk dus: 4 glazen sherry, 1/2 fleschje Graves; vier glazen van den geel-gouden wijn aan den lunch; drie glazen Champagne op de middagreceptie; drie glazen Champagne, twee glazen Bordeaux en 1 glas Bourgogne aan het diner. Alle glazen zeer klein. Samen wellicht een halven liter.-

maandag 10 juni 2019

Frida Vogels • 11 juni 1965

Frida Vogels (1930) is een Nederlandse schrijfster. Haar door kritiek en publiek gewaardeerde dagboeken 1954-1971 zijn gepubliceerd in 8 delen.

11 juni — Gisteravond Die Kunst der Fuge gehoord, gespeeld door een dilettantenstrijkkwartet, bestaand uit een natuurkundige, een apotheker, een dokter en een rijke man, in het huis van de sterrenkundige (een vriend van Contarini). Aardige avond. Het was heel lang geleden dat ik me zo slecht op mijn gemak en zinloos glimlachend, het nemen van koekjes en slokken champagne timend, maar op mijn manier met alles wat ik om me heen zag ingenomen, in groot gezelschap (een vijftiental personen) bevond. Bij het binnenkomen moest ik een doos flikken overhandigen, terwijl E. (omdat de lift niet aan iedereen tegelijk plaats bood) nog beneden was. Het werd twee uur en er werd een glas gebroken.

Beschamende dag, die nog niet voorbij is.

12 juni
Elke dag
is de ochtend mild en vol beloften,
tot het meedogenloze licht
de dunne sluiers wegschroeit

die 's avonds zacht weer worden neergelegd.

13 juni — Op het plat vonden we een steen, die waarschijnlijk door iemand naar de poes is gegooid. E. bekeek hem aandachtig. Het leek steenkool, maar dat was het niet. We opperden veronderstellingen over wie die steen gegooid kon hebben. Hij legde hem weer neer. 'Je moet hem daar laten liggen,' zei hij, 'als ze dan weer een steen gooien, kunnen we zien of het er net zo een is.'

[...]

zondag 9 juni 2019

Ed van Thijn • 10 juni 1977

Ed van Thijn (1934) is een Nederlands politicus. In zijn Dagboek van een onderhandelaar beschrijft hij de mislukte coalitiebesprekingen m.b.t. het beoogde kabinet Den Uyl II, die duurden van 25 mei-11 november 1977.

Vrijdag 10 juni
De schoolkaping in Boven-Smilde en de treinkaping bij De Punt duren onverminderd voort. Die dag is de spanning te snijden. Alhoewel ik geen contact met Joop heb, voel ik aan alles dat er iets broeit. Het geeft mij een rusteloos, maar vooral machteloos gevoel. Ik ben blijkbaar niet de enige. Voor het eerst krijg ik enkele telefoontjes van bezorgde mensen die goedbedoelde, min of meer technische adviezen geven hoe je de kapers kunt overmeesteren zonder dat er doden vallen onder de gegijzelden.
's Avonds neem ik deel aan een afscheidsdiner ter ere van Kidron, de Israëlische ambassadeur, die overgeplaatst is naar Londen. Het gebeuren vindt plaats op het Muiderslot. Als ik na middernacht naar huis rijd meldt de radio dat het stil is rond de school en de trein.

Zaterdag 11 juni
's Nachts kan ik de slaap niet vatten. Ik weet het zeker, er gaat wat gebeuren. Als ik voor dag en dauw de radio aan zet, blijk ik gelijk te hebben. De acties zijn zojuist begonnen, precieze mededelingen ontbreken nog. Het zijn angstaanjagende momenten. Mijn gedachten zijn sterk bij Joop. Wat een verantwoordelijkheid. Ik weet dat hij door diepe dalen gaat. Hij had dit zo graag willen voorkomen. Maar hij zat voor het blok. Het kon niet anders. De berichten komen bij flarden binnen. Er zijn doden gevallen. Onder de treinkapers, maar ook twee van de gegijzelden zijn omgekomen. De rest is bevrijd en onderweg naar het ziekenhuis. De stem van Joop klinkt. Een mengeling van treurnis en opluchting. Hij verantwoordt zich. ‘Ik ervaar dit als een nederlaag’, zegt hij. De telefoon gaat. Of ik commentaar wil geven. Ik betreur dat geweld nodig was, maar er was geen andere weg. Ik prijs de bewindslieden voor hun geduld en koelbloedigheid. Als ik de telefoon ophang heb ik een misselijk gevoel. Wat gemakkelijk. Commentaar achteraf. Het kamerlid levert op afroep enkele fraaie volzinnen. Hoe zou ik mijzelf gedragen hebben als ik echte verantwoordelijkheid had moeten dragen?
De radio drijft me naar de televisie. Ik zie de straaljagers overvliegen. De mensen komen uit de trein. Even later de persconferentie. Twee oververmoeide mannen, samen verantwoordelijk.

Jan Terlouw • 9 juni 1982

• Voormalig politicus Jan Terlouw (1931) hield in 1981/1982 een politiek dagboek bij dat is gepubliceerd als Naar zeventien zetels en terug.

Woensdag 9 juni
Het debat over de regeringsverklaring zit er weer op. De PvdA heeft voor een motie van wantrouwen van de cpn gestemd. D'66 is van alle kanten aangevallen. Marcus Bakker sprak over de nationale verachting. Mij doet dit alles niet veel. De onwaarachtigheid is zo groot dat je ervoor afstompt. Wim Meyer van de PvdA zei in dezelfde minuut dat de PvdA bij de komende verkiezingen alle opties zou openhouden en dat het een schande was dat D'66, althans de heer Terlouw, de optie met CDA en VVD niet uitsloot. Nijpels van de VVD prees me het graf in, vanwege m'n ‘buitengewone moed’ om de VVD niet langer uit te sluiten, enz. enz. Dat kan van de ene dag op de andere, nadat de vvd een jaar lang in alle denkbare bewoordingen heeft gezegd wat een waardeloze persoon ik toch ben. Hypocrisie alom, en D'66 is de echte slechterik. Dat heeft natuurlijk allemaal te maken met de manier waarop met macht wordt omgegaan.

Intussen gaat het gewone werk door. Met het bedrijfsleven gaat het bar slecht. Het ene probleem na het andere komt op m'n bord. Toch hou ik van dit werk. Ik hou van beslissingen nemen en van verantwoordelijkheid. Ik begin ook waardering te bespeuren in ondernemend Nederland voor de beslissingen die ik neem. Helaas, binnenkort zal een ander deze taak overnemen.

Claude Debussy • 8 juni 1903

• De Franse componist Claude Debussy (1862-1918) schreef onderstaande woorden aan componist-dirigent André Messager. De genoemde Amerikaanse is ene Elisa Hall; haar arts had haar vanwege haar slechthorendheid aanbevolen saxofoon te gaan spelen. Zij gaf opdrachten voor composities voor dat instrument aan Vincent d’Indy, Gabriel Fauré, André Caplet en Debussy. Uit: Hartstochtelijk houd ik van muziek (vertaald door Lucas Bunge)/

Maandag 8 juni 1903
Nu is het mijn beurt om u schandelijk te laat te antwoorden...! En dit is de reden: een dame die ontevreden is, dat ze Amerikaanse is, en die zich de merkwaardige luxe veroorlooft om saxofoon te spelen, heeft bij mij enkele maanden geleden door tussenkomst van G. Longy een stuk voor orkest en obligate saxofoon besteld... ik weet niet of u zich tot dit instrument aangetrokken voelt, maar ik was de speciale klank ervan zo vergeten dat ik deze ‘bestelling’ ook op slag vergeten ben. Maar de vasthoudendheid van Amerikanen is spreekwoordelijk en... de dame met de saxofoon is acht of tien dagen geleden in Parijs, rue Cardinet 58, komen aanwaaien om mij te vragen hoe het met haar stuk ging! – Natuurlijk heb ik haar bevestigd dat het na Ramses II datgene was waar ik het meest aan dacht. – Ik heb er dus toch aan moeten beginnen en daarom ben ik nu wanhopig op zoek naar nog niet vertoonde klankcombinaties die zich het best lenen om dit aquatische instrument tot zijn recht te laten komen. Het stuk zal Rapsodie orientale heten (een betere titel heb ik nog niet). Ik heb net zo hard gewerkt als in de goede tijden van Pelléas en ik heb het ochtendgloren aanschouwd met een kater!

donderdag 6 juni 2019

A. Vink • 7 juni 1940

Dagboek van sergeant A. Vink, groepscommandant bij 1e sectie 1-II-8 R.I. Na de capitulatie van het Nederlandse leger werd hij als krijgsgevangene enige tijd in Duitsland tewerkgesteld.

Vrijdag 7 Juni 1940
We staan om 7 uur op en gaan verder met het schoonmaken van het kwartier. Om 9 uur komt er een jongen van de fabriek zeggen, dat we komen moeten. De fabriek is gelegen aan de haven van Wismar, een half uur van ons kwartier verwijderd. Mijn eerste werkzaamheden bij het Hafenhobelwerk W. Gehrcke & Sohn bestaan uit het "Bäume pocken". Met een schilijzer moet ik de schors van de dennenstammen doen. Om 12 uur is het "Mittag", en krijgen we in een keurig ingericht schaftlokaal ons warm middageten. Om half twee gaan we weer aan het werk tot 6 uur, waarna we naar ons kwartier teruggaan.
Voor we weggaan ontvangen we aan het kantoor ons rantsoen brood met toebehoren, waarmee we tot Maandag moeten doen. Na thuiskomst eten we brood. Naast ons verblijf woont de chauffeur van de fabriek met zijn gezin. Door hun bemiddeling krijgen we nog aardappelen met tapte melk, waarvan we ons een warme maaltijd klaarmaken die we ook nog dezelfde avond gebruiken. Om 19 uur komen er nog 10 Hollanders bij uit het kamp, die ook aan de houtfabriek zullen werken. Over het algemeen doen deze zich niet als gezellige mensen kennen. Reeds kort na hun aankomst vertellen enkele ervan mij dat er enige oneerlijke lui bij zijn. Als ik 's avonds een poosje op bed lig komt er één van deze 10 man mij al vertellen, dat er brood gestolen is en ook later doen zich enkele van die gevalletjes voor. Aan de andere zijde van ons huis zijn een aantal Polen gehuisvest. Dit zijn geen militairen, maar werkloze burgers die naar Duitsland gezonden zijn, naar zij zeggen als tegenmaatregel voor de wandaden van Poolse soldaten aan Duitse militairen gepleegd, tijdens de oorlog tegen Polen. Zij werken ook aan de fabriek. Van hen ontvangen we 's avonds sigaretten waaronder ook Poolse. Eén van hen heeft in het Franse vreemdelingenlegioen gediend en probeert met mij een gesprek in het Frans aan te knopen. Hoewel gebrekkig, kunnen we ons toch met elkaar verstaan. 's Nachts vindt er voor het eerst na ons vertrek uit Bocholt luchtalarm plaats. We blijven evenwel in bed.

Menu: aardappelsoep met vlees en peen
1 Schwarzbrot, 1/2 pond boter met worst
1 pak koffie, inh 1/2 pond
(aardappelen met tapte melk)

woensdag 5 juni 2019

Cola Debrot • 6 juni 1956

Cola Debrot (1902-1981) was een Antilliaanse schrijver, arts, diplomaat en staatsman. Van een verblijf in Genève in 1956 hield hij een dagboek bij, onder de titel Dagboekbladen uit Genève.

6.6.1956 - Opening van de Conferentie [van de Iternationale Handels Organisatie].
De grote vergaderzaal is tot de nok gevuld, met uitzondering van het podium, waar de bestuurstafel en de tafels der secretarissen nog onbezet zijn. De genodigden op de publieke tribunes meegerekend, zullen zich hier ruim vijftienhonderd personen van beiderlei kunne bevinden. [...] Wij wachten op de verschijning van de president van de Raad van Beheer, die met zijn secretarissen zal plaatsnemen achter de bestuurstafel. Het is de gewoonte dat de Conferentie door deze functionaris wordt geopend. Hij draagt in dit geval een uitgesproken Engelse naam, hij heet Mr. Brown. Deze periode van afwachten wordt op verschillende wijzen benut. De een is tenslotte ongeduldiger dan de ander. Wij spelen met de koptelefoon in onze handen. Wij trachten ons door middel van de gids te oriënteren, een handig boekje, rood in het Engels, olijfgroen in het Spaans, geel in het Frans. In de eerste rij rechts in de zaal zit geheel vooraan de Russische delegatie. De leider, kameraad Arutiunian, een donkere Georgiër, had voor een Zuidamerikaan kunnen doorgaan als zijn verbetenheid minder duidelijk op zijn gezicht te lezen stond. De Amerikanen zitten eveneens in dezelfde rij, maar meer achterin; een uitgesproken figuur valt onder hen niet aan te wijzen; zij zien er allen eender uit, het zijn handelsreizigers, die meer of minder beschaafde pogingen aanwenden om de verkoop op te voeren en de belasting te ontduiken. [...]
Links zitten de observers. De delegatie van Nigeria trekt sterk de aandacht. Zij zijn in inheemse kleding gestoken, een tuniek met bonte zijden lappen gedrapeerd. Het sterkst trekt de aandacht de heer S.F. Okotie Eboh, minister van Arbeid van Nigeria. Het is het type gezette neger met een bril met Amerikaanse halfhoornen montuur. Er wordt zo het een en ander over hem gefluisterd, zij noemen hem Big Chief. Hij is leider van de regeringsgroep, voorts voorzitter zowel van de werkgevers- als de werknemersorganisatie. Het gerucht gaat, dat hij van alle maatschappijen in zijn land 51 procent van de aandelen bezit. Het zal wel gelogen zijn, maar de combinatie van uiterlijke praal en bonhomie leent zich voor legendevorming. De Europeanen willen gaarne de vertegenwoordigers van gewezen koloniale gebieden in een twijfelachtig daglicht stellen. De verhalen van corruptie worden op bestelling afgeleverd. Het is bijzonder moeilijk voor een Europeaan zich aan het nuchtere feit te houden als het over koloniale problemen gaat, hij wordt dan gauw het slachtoffer van een ongebreidelde fantasie.
[lees verder]

dinsdag 4 juni 2019

Walter Kempowski • 5 juni 1983

• Walter Kempowski was een Duitse schrijver. Zijn boek Sirius is "eine Art Tagbuch" over het jaar 1983.

Nartum So 5. Juni 1983
T[raum]: Lange Träume von Rostock, rekonstruierte Altstadt, große aus rötlichem Sandstein wieder afgerichtete Fassaden unbestimmbaren Zwecks. Ich trumpfe mit dem Fuß auf, da fällt eine Statue um.

[...]

HW [Herzlich Willkommen, de titel van een boek waar Kempowski in 1983 aan schreef]: Am Locarno-Kapitel gearbeitet. Die Pastoren-Sache, Variationen über das Thema Liebe. Ob ich wüßte, daß die Deutschen schwangere Jüdinnen von Schäferhunden zerfleischen ließen? Und ob mir das leid tut, daß die Deutschen das getan haben? wurde ich damals von den geistlichen Herren gefragt. Einer der Pastoren, ein Elsässer, sagte: "Ihr Deutschen spielt drie Stunden Schumann auf dem Klavier und dann knallt ihr Juden ab."— Heute denke ich etwas milder über die unchristliche Art, mit der sie mich behandelt haben. — Ungeachtet der üblen Erlebnisse habe ich bis heute angenehme Erinnerungen an die sechs Wochen Casa Locarno bewahrt. Ich war später noch zweimal dort, 1969, mit Familie; im Bett hab' ich gelegen und das Harz-Kapittel für T&W geschrieben. Und dann im vorigen Jahr für GEO. 



Wim Kan • 4 juni 1970

Wim Kan (1911-1983) was cabaretier. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.

Donderdag 4 juni
Vijf kabouters in de Amsterdamse gemeenteraad. Ol zegt: belachelijk. En je hebt zelf zes kabouters in je tuin. Ja maar die hebben geen stem. Er staan vijf stoeltjes in de raad... ze hadden op zeven gerekend.

Zondag 7 juni 9.05 uur. Westerterras Kudelstaart
Stil van binnen. Bedroefd, omdat Ol gisteren nadat wij hier net zo heerlijk met vuurrood ondergaande zon hadden gezeten met een fles rode wijn op van het afstapje lazerde en met blauwe stoel en al op de grond viel. Een uitermate treurig triest en schrikwekkend beeld, wat mij de hele nacht bijbleef en waarvan ik ook nu nog niet los kan komen. Doodsangstig dat zoiets gebeuren zal en dat ze werkelijk iets zou breken waardoor er dan wel een heel erg plotseling en onnodig einde zou komen aan ons paradijsachtig leven. Maar ja zoals altijd, Ol sliep binnen vijf minuten en ik lag de halve nacht wakker en maar te denken dat het ook mijn schuld is, omdat ik te lullig ben om nee te zeggen als ze wat ‘dik’ begint te praten en dan om van het gezeur af te zijn maar weer inschenk.

Maandag 15 juni 14.10 uur
Bestuur van Prins Bernhardfonds wil lunchen met mij. Praten over een grammofoonplaat met een honorarium van een kwart miljoen voor elk: dus voor Toon en voor mij. Nee, zei ik, ik praat niet graag over zaken met een volle mond.

zondag 2 juni 2019

Calamity Jane • 3 juni 1903

• Van Calamity Jane (Martha Jane Canary, 1852-1903) zijn enige brieven en dagboekfragmenten bewaard gebleven (waarvan de echtheid niet vaststaat). Het dagboek was gericht aan haar dochter Janey (Jean Irene O'Neil), die ze na haar geboorte afstond voor adoptie, en die ze nooit heeft teruggezien. Hieronder haar laatste verklaring.

Deadwood, June 3 1903
I Jane Hickock Burke, better know as Calamity Jane, of my own free will and being of sound mind do this day June 3, 1903 make this confession. I have lied about my past life. To help clear up my daughters birth right clear up my daughters birth right and my sisters daughters birth I am making this confession to James O Neil to make public or to keep to himself. I was born in Missouri. I had several sisters but only one is to be mentioned in this. People got snoopy so I told them lies to hear their tongues wag. The women are all snakes and none of them I can call friends. All letters and information given prior to this are lies except the diary I have kept for Janey since 1877. The only lie in that is where I said Bell Starr was no kin of mine. She was my sister raised by Ben Waddell and his wife. They were killed in the eighties in Oklahoma. They never knew our relation. After their death Bell came to me under the name of Starr. She married Wm. Hickok, cousin to my daughters father James Butler Hickok. I lied about having a daughter born to me in 1887. I nursed my sister Bell at that time. She gave birth to a girl whom she named Jessie Elizabeth. Then Jack Oakes came from Ft. Pierre. Hickok believed the worst of his wife. He was ashamed of her doings and refused to live with her. She lived with Jack Oakes and to them was born a son, Charley Oakes. He lives near Miles City now Jessie Elizabeth was born Oct. 28, 1887 near Bensons Landing where Janey was born Sept. 25 1873. Bell posed as my daughter and Jessie Elizabeth as my granddaughter they were neither for Bell was older than I am Charleys father murdered a man in Ft. Pierre. I have been called the common law wife of King, Sonors, Wilson and Dorsett. I was legally married to Hickok and Burke. I dare anyone to deny these facts.

Jane Hickok Burke

J.L. Heldring • 2 juni 1958

J.L. Heldring (1917–2013) was journalist en 4 jaar hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Zijn 'Pools dagboek' bevat de notities gemaakt tijdens een veertiendaags bezoek aan Warschau in de eerste helft van juni 1958.

Dinsdag 2 juni
Voor de lunch ben ik uitgenodigd door prof. A. Het blijkt in een van de duurste restaurants van Warschau te zijn, aan de Marszalkowska, de in Poolse Stalinstijl gebouwde boulevard in het midden van de stad. Zoals zovele dingen in socialistische staten, is ook dit restaurant, dat in 1955 gebouwd moet zijn, al wat versleten. Er zitten veel proletarisch uitziende mensen (schillerkragen enz.). Waar die het geld vandaan halen, weet ik niet. Ik vraag het maar niet aan mijn gastheer, want ik weet ook niet waar hij het geld voor de lunch vandaan haalt. De bediening is overigens langzaam. Dit is, zoals A. opmerkt, een van de nadelen van het socialistische systeem. De mensen zien er geen eigen belang in om harder te werken. Dat is natuurlijk bekend, maar het is goed het eens te horen uit de mond van een communist. Want dat is A. kennelijk. [Meer >>>]

Maarten 't Hart • 1 juni 1969

• In 1969-1970 hield de Nederlandse schrijver Maarten 't Hart (1944) een onregelmatig dagboek bij.

1 juni. Zojuist het slot van Miau van Perez Galdós gelezen. Een zeldzaam indrukwekkend boek. Ik weet niet wat ik meer moet bewonderen: het portret van Luis, het kind met zijn religieuze visioenen, de grootvader wiens pogingen om een aanstelling te krijgen zo symbolisch vergeefs zijn, de Miau's, die vrouwen met hun zinloze show die evenwel ook veel verloren mogelijkheden aan de dag brengt, de schoonzoon Victor Casaldo, misschien wel het meest knap geportretteerde karakter in dit boek, ook omdat Galdós zijn ideeënvluchten zo goed uitwerkt.
Indrukwekkend vooral ook het slot met al een duidelijke ‘monologue intérieur’. Veel trouwens in dit boek doet denken aan later literair werk. De hopeloze pogingen van Ramon Villaamil om een aanstelling te krijgen doen denken aan het zinloze werk van K. in Das Schloss van Kafka. Maar Galdós kan het zonder surrealistische elementen die voor mij het werk van Kafka altijd behoorlijk bederven. Ik heb bij Miau ook voortdurend moeten denken aan The Children of Jesus Sanchez van Oscar Lewis.

8 juni. Ja, Jung heeft echt helemaal geen gevoel voor humor. Hoe kun je nu ooit een boek de titel meegeven Seelenprobleme der Gegenwart. Ik ben benieuwd of ik ooit eens iemand zal ontmoeten die Jung helemaal gelezen heeft en dan oprecht bekent dat hij nooit heeft gelachen. Ik in ieder geval niet. Toch blijft hij je wel bezighouden, heb ik zelfs bewondering voor hem die ik dan maar weer probeer te bestrijden met denken aan het idee Archetype en het idee Collectief onderbewuste, twee van zijn veronderstellingen waarvoor niet het geringste kruimeltje bewijs is.