dinsdag 30 juni 2020

Henri van Straelen • 1 juli 1958

Henri van Straelen (1903-2004) was missionaris en een groot kenner van Japan en de Japanse cultuur. Later werd hij hoogleraar filosofie. Uit: Aziatisch dagboek (1959). Fragmenten daaruit staan in de DBNL.

1 juli.
We naderen de Rode Zee en de eerste officier overhandigt me een boek: The World of Susie Wong; wel geen geestelijke lezing, maar ik wil het toch even doorbladeren, want men wil er over discussiëren.

3 juli.
We hebben van gedachten gewisseld over verschillende recente boeken, die Westerlingen over het Oosten geschreven hebben. Nu dat het Verre Oosten en speciaal Japan een toeristenland geworden is, worden daar jaarlijks tienduizenden en nogmaals tienduizenden Europeanen en Amerikanen rondgeleid. De Japanners tonen aan de toeristen meestal, wat deze laatsten gaarne willen zien en daar hebben ze slag van. Helder abstract denken ligt de Japanners niet. Hun fort is meer een intuïtief aanvoelen van personen en situaties. Daarin zijn de Japanners werkelijk meester. Ze behoeven slechts enkele minuten met iemand te spreken of iemand goed op te nemen en dan weten ze al vrij accuraat wat die bezoeker of gast eigenlijk wil. Zo is het ook gegaan met een zekere toerist, Richard Friedenthal, die onlangs zijn indrukken over Japan gepubliceerd heeft in: Die Partie bei Herrn Tokaido, Begegnungen im heutigen Japan. De auteur is terecht gekomen in het gezelschap van literatoren en journalisten, die niet bepaald de fine fleur van de Japanse natie uitmaken. Japanners hebben bij mij dikwijls geklaagd over het lage niveau van hun shimbunkisha (journalisten) in vergelijking met dat van hun Westerse collega's.

Natuurlijk begrepen die krantenmensen terstond wat Herr Friedenthal eigenlijk wilde zien en horen. Het boek begint dan ook al direct met allerlei bezoeken aan cabarets, nachtkroegen en diverse eet- en baadgelegenheden en dat houdt deze auteur bijna tot aan het einde vol. Geisha's, danseressen, prostituées, en kimono's, dat zijn zaken, die hem interesseren. Dat is voor hem hoofdzakelijk Japan. Honderden malen hebben nobele Japanners me hun leed geklaagd: ‘Het schijnt vele buitenlanders toe, alsof ons land alleen maar uit geisha's, kersebloesem en prostituées bestaat’. Kan men het de Japanner kwalijk nemen, dat ze zulke buitenlanders verachten?

En Herr Friedenthal is dan nog wel iemand, die het P.E.N.-Congres in 1957 in Tokyo bezocht heeft, waar allerlei schrijvers van naam uit de hele wereld bijeen waren. Wat de auteur daar schrijft over allerlei gesprekken met Japanners, daarvan kan men wel zeker zijn, dat ze meer in zijn fantasie gehouden zijn. Men kan nu eenmaal in het Duits of zelfs in het Engels geen doorlopende intelligente gesprekken met Japanners houden. Ik was zelf aanwezig bij dat congres en ondervond zelf de babylonische spraakverwarring, die daar heerste. Algemeen werd daar door de buitenlandse schrijvers (zoals gewoonlijk) ten zeerste geklaagd over de tolken. Japanners zijn nu eenmaal geen linguisten. Ik kan alleen maar in de Japanse taal een behoorlijk gesprek met Japanners voeren, of ze nu boeren of professoren zijn, dat maakt niet veel verschil.

‘Kommen Sie, Tadao, jetzt gehen wir. Ihr versteht zu leben hier in Japan. Solch ein Bar, mit den lyrischen Barmädchen, den traurigen Dichtern, der fliegenden Wirtin, das könnten wir euch im alten Europa nicht bieten’. Dergelijke tiraden tekenen de schrijver ten voeten uit. Hij is zo ongeveer als zovele buitenlanders, die Parijs bezoeken. Ze arriveren op het Gare du Nord en nemen daar terstond een taxi naar de Folies Bergères. Ze blijven enige dagen in de metropool en keren terug zonder iets begrepen of ondervonden te hebben van de tienduizenden en nogmaals tienduizenden voorbeeldige Parijse families, die zedelijk en intellectueel hoog staan, zonder iets gezien te hebben van de Sorbonne, het Louvre of andere culturele centra.

Hetzelfde kan men zeggen van The World of Susie Wong, dat die Zweedse officier mij eergisteren overhandigde en waarover we heden uitgebreid gesproken hebben. Het hele boek gaat van het begin tot aan het einde over de prostituées van Hongkong. Wat 'n oprechte verachting moeten fijne Chinezen toch voor zulke buitenlanders koesteren! Hoezeer besmeuren dergelijke boeken toch de Westerlingen in de ogen van de Oosterlingen. Ik hoorde, dat dit boek bereids verfilmd is. Wat een droevig onderwerp voor Hollywood, dat natuurlijk weer meewerkt om de Amerikanen in de achting der Oosterlingen te doen dalen.

Gelukkig zijn er enkele goede uitzonderingen. Onlangs is bij Gallimard in Parijs Visa pour le Japon verschenen. Dit handelt ook over Japan en is ook door een journalist geschreven. Als voorwoord schrijft de auteur slechts enkele regels, maar die zeer treffend zijn. ‘Il existe au Japon un seul Mont Fuji, moins de dix mille geisha's et il n'y a plus de samourais en costumes depuis quatre-vingt-dix ans. Il existe aussi quatre-vingt-dix millions de Japonais. Le Mont Fuji, les geisha's, les samourais, les harakiri, les couleurs d'une manche de kimono ont inspiré de nombreux ouvrages d'étrangers. Les quatre-vingt-dix millions de Japonais beaucoup moins. Nous allons parler d'eux’.
En na deze korte, maar kernachtige inleiding volgen bijna 300 uitstekende bladzijden over het werkelijke levende Japan.

maandag 29 juni 2020

Maria Tesselschade Roemers Visscher • 30 juni 1624

• Een brief van Maria Tesselschade Roemers Visscher (1594-1649) die ze schreef aan P.C. Hooft na het overlijden van diens vrouw Christina van Erp. Hooft beantwoorde de vraag uit de laatste zin in een beroemde brief.

[Alkmaar, eind juni of begin juli 1624]
Mijnheer,
nadat ik een tijdlang overmeesterd ben geweest door zo'n sterke ontroering dat de gepaste wellevendheid daar niet tegenop kon, durf ik nu wensen dat (als gij denkt dat ik dat waardig ben) de hemelse deugden van onze Patrona [Hooft's echtgenote Christina] in mij net zoveel mogen herleven als in u weg mogen sterven. De aarde heeft, zonder dat waard te zijn, te lang van haar aanwezigheid genoten, en pas onlangs is haar toegevallen wat zij verdiende: verheven te worden in de hemelse troon. Allang hoorde zij daar thuis en allang hadden wij haar moeten verliezen. Ik heb met nog meer verdriet gehoord over uw smart, die ik met hevige droefheid meevoel en toch niet van u kan geloven. Hoe toch, mijnheer, gij die zo'n grote hoeveelheid standvastige wijsheid hebt verworven, zoudt gij toch nog rampzalig gemaakt kunnen worden door aardse onvermijdelijke gebeurtenissen?

Ik vraag u om te reageren op dit probleem van mij en intussen verblijf ik

uw dienstwillige vriendin
Tesselscha Roemers

zondag 28 juni 2020

Etty Hillesum • 29 juni 1943

Etty Hillesum (1914–1943), geboren in een Nederlands-joodse familie, kreeg bekendheid door de publicatie van haar dagboek, 38 jaar nadat zij in Auschwitz werd vermoord. De brief hieronder schreef ze kort nadat ze in Westerbork was aangekomen. Uit Het denkend hart van de barak. Brieven van Etty Hillesum.

29 juni 1943 
Vadertje Han, Kathe, Maria, Hans, even een telegramstijlberichtje aan jullie, zomaar in het wilde weg. Vannacht op wacht gestaan om Jaap op te vangen. Hij was er niet bij. Dolgelukkig waren we. In de vroegte weer een groot transport van hier weggegaan. Om 5 uur was ik nog in het ziekenhuis om te kijken of ze vader niet per ongeluk meenamen, er komen vergissingen genoeg voor. Toen naar de grote barak van moeder. Ze lag op haar smalle benauwde soldatenbed en was gelukkig met het bericht over Jaap. Mijn ouders nemen de zaak groots op, ik ben heel trots op ze. Tegen Polen zien ze ook niet meer op - zeggen ze. Ik hoop ze hier te houden, maar niets is hier zeker. Men drijft hier in enkele dagen ver af van z'n oude basis en er varen nieuwe en grote krachten in een mens, ook om een eigen ondergang te kunnen accepteren heeft men innerlijke kracht nodig.
Van Leguit kreeg ik een brief die me zeer gegrepen heeft, hij behoort ook tot de mensen, voor wie men z'n best zou willen doen om erdoor te komen, en hem dan later terug te kunnen zien. Hij sloot van dr. Korff in: 'en toch is God liefde'. Ik onderschrijf dit ten volle en het geldt nu meer dan ooit. Mijnheer Leguit schreef me o.a.: 'Het zou me verbazen als u zoveel lenigheid van geest zoudt hebben om meer dan een half oor over te hebben voor wat achter is gebleven.' Ik heb al m'n oren en al m'n aandacht voor jullie over, ik leef met jullie verder net als vroeger en rust af en toe bij jullie uit van al het overstelpende hier. Voor jullie is het moeilijker het gebeuren hier te verwerken dan voor ons. Ik merk dat in iedere situatie, ook in de moeilijkste, de mens nieuwe organen toegroeien, waardoor hij toch weer verder leven kan. Wat dat betreft is God barmhartig genoeg. En voor de rest: verschillende zelfmoorden vannacht voor het transport, met scheermesjes en zo.
Vanochtend, terwijl ik me samen met een collega stond te wassen, zei ik tegen haar uit het diepst van m'n hart ongeveer het volgende: de gebieden van ziel en geest zijn zo groot en oneindig, dat dat beetje lichamelijk ongemak en lijden er toch eigenlijk niet zoveel toe doet, ik heb niet het gevoel dat ik van m'n vrijheid beroofd ben en in wezen kan toch ook eigenlijk niemand mij kwaad doen. Ja kinderen, zo is het, ik heb zo'n merkwaardig soort van bedroefde tevredenheid over me. Als ik jullie wel eens een wanhopige brief geschreven heb, neem hem dan niet al te zwaar, dat was dan maar zo'n ogenblikje, men kan wel lijden, maar daarom hoeft men nog niet wanhopig te zijn. En nu spring ik weer in de diepte en ga naar het ziekenhuis, met een trommeltje onder m'n arm voor m'n dierbare papa en m'n ambtenarenmap onder m'n andere arm. Ik zal vele lege bedden in het ziekenhuis vinden na dit transport. Houden jullie je taai, beste braven! Hoe is het met de neef Wegerif? En Käthe, ben je braaf? En is mijnheer niet al te zwijgzaam? De moeder van Hannes is niet naar Theresienstadt. Een groet aan Adri van Ilse B. Dag!

Etty

Virginia Woolf • 28 juni 1932

• In de dagboeken van de Britse schrijfster Virginia Woolf (1882-1941) verwoordt ze haar gevoelsleven, dat ondanks alle zelfspot en ironie geregeld diepe depressies veroorzaakte. En uiteraard reflecteert ze op personen en gebeurtenissen uit haar persoonlijke leven en uit haar tijdgewricht. 
Vertaling: Joop van Helmond.

Dinsdag 28 juni
Zo juist 'de Quincey voltooid'. Aldus probeer ik gelijke tred met de dagen te houden en de tweede C.R. [The Common Reader] kant en klaar af te leveren op de laatste dag van juni, dat is donderdag zie ik tot mijn ontsteltenis. Vorige zomer heb ik ook zo zitten ploeteren aan The Waves. Overigens is dit bij lange na niet zo inspannend (bij lange na niet, waar komt die vreemde samenstelling vandaan?). In elk geval zindert het; tot zwijmens toe; de hitte. Koninklijk, keizerlijk zijn de woorden waar ik op het plein naar zoek. Het was gisteren zo heet - zo ontzettend heet toen prins Mirsky met zijn vlotte Russische dame op bezoek kwam: waarmee ik bedoel dat ze temperament had; de ongedwongenheid in gebaren die Slaven kenmerkt: maar Mirsky's mond is een soort val; hij deed hem open en hapte zijn opmerking aan stukken: zijn gele schots en scheve tanden: fronst zijn voorhoofd; wanhoop, leed tekenen zijn gezicht. Woont al twaalf jaar in Engeland in kosthuizen; en gaat nu 'voorgoed' terug naar Rusland. Ik bedacht, toen ik zijn ogen zag oplichten en weer dof worden - pas maar op, binnenkort krijg je een kogel door je kop. Dat is een van de voortbrengselen van oorlog: deze gestrikte, gekooide man. Maar met dat al verliep het thee-uur bepaald niet gesmeerd.

zaterdag 27 juni 2020

Anthony Duyck • 27 juni 1593

Antonie Duyck (1560-1629) was vanaf 1621 raadpensionaris van Holland. In 1593 was hij advocaat-fiscaal van de Raad van State en hield in die functie een journaal bij waarin hij verslag deed van de militaire campagnes van prins Maurits.

Den xxviijen Junij was het schoen weder ende veranderde Sijn Excelentie binnen de stadt de wet ende om op alle voorvallende saecken te beter te letten ende te mogen secoureren het fort van Creveceur soot noot waere, dede men het geschut schoen maecken, om tselve metten eersten reede te hebben ende te mogen daerwaerts senden. Noch begonst men de wallen vande stadt wat te effenen ende de poorte ende brugge te maecken, werden mede naer Bergen op den Zoem gesonden de compagnie knechten van Hopman Vaillant, ende weder naer tlant vander Toolen den Colonnel Piron mette 100 musquettiers, daermede hij, La Coorde ende Maximiliaen gecommen waeren, begonsten noch seer veel oirlochscheepen die voor de stadt op de wacht gelegen hadden te vertrecken naer Zeelant ende Hollant. Men begonst oick tgeschut in Raemsdonck aff ende tscheepe te brengen ende voorts alle gereetschap te maecken om metten eersten tleger te mogen breecken. Op den avont quaemen in de stadt de Princesse Wede van Orangien met haer soen Hendrick Frederick ende den Advocaet Oldenbernevelt, bij dewelcke Sijn Excelentie in de stadt ginck eeten, ende men creech tijding dat den viant naer Oosterwijck getoogen was ende daer met sijn leger logeren soude ende dat hij sijn geschut alles naer sHartogenbosch dede brengen.

donderdag 25 juni 2020

Jacob van Lennep • 26 juni 1823

Jacob van Lennep (1802-1868) was een Nederlandse schrijver. In 1823 maakte hij met zijn vriend Dirk van Hogendorp een petit tour door zomers Nederland. Van deze tocht hield hij een dagboek bij, onder de titel Nederland in den goeden ouden tijd.

Donderdag 26 Juny.
Te half vijf ure wandelden wij de vaart langs naar Winschoten. Halverweg rusteden wij aan eene herberg uit en assisteerden bij de toilette van eene dochter of dienstmaagd, eene der schoonste vrouwen die ik immer gezien heb. Haar aanblik was die van Juno; hare armen, handen en voetjens die van Venus; haar boezem die van Diana; hare bewegingen die der Gratiën. Wat verder betaalden wij tol zonder dat er een tolhek was. Nabij Winschoten overviel ons een geweldige regenbui, waartegen onze kielen zelfs niet volkomen weerstand konden bieden. In de herberg Het blauwe Paard kwamen wij te half acht en ontbeten aldaar; tusschen de buien door bezichtigden wij het fraaie en ruim gebouwde vlek, waar groote huizen staan, nog gedurig getimmerd wordt en bij de 2700 zielen woonen. De rechtbank over het Oldamt en Westerwolde benevens het vredegerecht over het kanton zijn er gevestigd. De Hervormde kerk heeft een groot orgel: ook is er eene Roomsche en eene Synagoog. – Wegens den regen bleven wij, aten met een verveelend gezelschap dat slechts van moorden uit liberaliteit sprak: ik speelde met een' zeekapitein biljard, schreef tot 9 ure en sliep goed.

woensdag 24 juni 2020

Georg Michael Lill • 25 juni 1915

Georg Michael Lill (1884-1952) was soldaat in WO 1. Zijn oorlogsdagboek is hier te lezen.

Messines, 25. Juni 1915
Nach 12.15 Uhr begann der geplante Erkundungszug, um 12.45 Uhr krachten unter heftigem Gewehrfeuer die ersten Handgranaten. Es zog ein Zug in Stärke von 52 Mann mit einem Leutnant aus, die noch durch das trübe Wetter einigermaßen begünstigt wurden. Trotzdem übt der in der Hälfte stehende Mond einen Schein auf das Gewölk aus, dass es einem geübten Auge möglich war, auf 80 bis 100 Meter die herankommenden Mannschaften zu erblicken. Der Gegner machte sich diesen Umstand auch zu Nutzen und ließ unsere Leute ohne einen Schuss abzugeben bis an den Drahtverhau hinkommen. Als nun unsere Leute mit den Scheren zu arbeiten begannen, flogen die ersten englischen Handgranaten in den Graben. Nun erfolgte ein heftiges Bombardement mit Handgranaten. Nach Aussagen der Verwundeten ist auch eine Panik unter unseren Leuten entstanden und es mag leicht möglich sein, dass die vorderen Mannschaften von den Handgranaten der hinteren bös mitgespielt wurde. Um 2 Uhr traf der erste Verwundete auch auf der Verbandsstelle ein, dem bald die anderen folgten und die Zahl von 23 bald erreicht hatte, zum größten Teil sehr schwer. An Tote hatten wir bis jetzt 2 Stück, die grässlich zugerichtet waren. Ebenso sind bis jetzt der frühere Leutnant und zwei Mann vermisst, die nach aller Voraussicht auch tot sein dürften. Alles in allem hatte die Erkundung sehr traurig und ebenso verlustreich für die 10. Komp. geendet. Um 4 Uhr war die ganze Sache abgespielt. Mein Herr befand sich in vorderster Linie und hatte sämtliche Verwundete die erste Hilfe angedeihen lassen.
Auf dieses Unternehmen in der Nacht folgt ein überaus ruhiger Tag, dem man in allgemeinen nicht erwartet. Abends zwischen 6-7 Uhr stand ein heftiges Gewitter über unserer Gefechtslinie. Um ¾ 10 Uhr beerdigten wir die ersten zwei Todesopfer, denen tagsüber noch 5 folgten, die im Feldlazarett in Messines gestorben sind. Um ½ 11 Uhr fuhren wir in Messines weg und sind um 12 Uhr glücklich in Comines gelandet, nachdem uns das Pferd beinah in den Straßengraben geworfen hatte.

Comines, den 26. Juni 1915
Der Tag verlief bei zeitweise bewölktem Himmel verhältnismäßig ruhig. Nachmittags begruben wir die fünf übrigen Opfer des Angriffes. Dieselben wurden unter militärischen Ehren auf den Friedhof in Comines beigesetzt. Niemand gedachte ihrer Heldentaten, die sie vollbrachten. Im Gegenteil, der Abschnittskommandant stellte dieselben noch als Feiglinge dar, weil der Auftrag nicht nach Wunsch erledigt werden konnte.

dinsdag 23 juni 2020

Arthur Rimbaud • 24 juni 1891

• De Franse dichter Arthur Rimbaud (1854-1891) werd na zijn korte literaire leven koopman in Oost-Afrika, een bestaan dat hij haatte maar waar hij desondanks tot zijn dood in volhardde. Hij schreef in die jaren veel brieven, vooral aan zijn familie. Uit: Afrikaanse brieven (vertaald door Per Justesen).

Marseille, 24 juni 1891
Ja, al lang trouwens, al lang zou de dood beter zijn geweest! Wat doet een kreupele man op deze wereld? […] Vandaag heb ik geprobeerd met krukken te lopen, maar ik heb slechts een paar passen kunnen doen. Mijn been is heel hoog afgezet, en ik kan nauwelijks mijn evenwicht bewaren. Ik zal pas gerust zijn wanneer ik een kunstbeen zal kunnen dragen, maar de amputatie veroorzaakt neurale irritaties in het restant van het lichaamsdeel, en het is onmogelijk om een prothese aan te brengen voordat die zenuwpijnen geheel verdwenen zijn, en er zijn geamputeerden bij wie dat vier, zes, acht, twaalf maanden duurt! […] Buiten lopen met krukken, ik zie er het nut niet van in. Je kunt geen trede op of af, het is een vreselijk gedoe. Je loopt de kans te vallen en nog kreupeler te worden. Ik had gedacht dat ik een paar maanden bij jullie kon doorbrengen tot ik de kracht zou hebben om het kunstbeen te verdragen, maar nu zie ik in dat het onmogelijk is. Welnu, ik zal me schikken in mijn lot. Ik zal sterven waar de voorzienigheid me zal doen belanden. Ik hoop terug te kunnen keren naar waar ik gewoond heb, ik heb daar vrienden die ik al tien jaar ken, die medelijden met me zullen hebben, bij hen zal ik werk vinden, ik zal het leven nemen zoals het komt.


• Het been van de Franse dichter Arthur Rimbaud (1854-1891) werd eind mei afgezet nadat er een tumor in aangetroffen was. Hij overleed amper een half jaar later, op 10 november. Bovenstaande brief is gericht aan zijn zus Isabelle.

maandag 22 juni 2020

Lady Sherbourne • 23 juni 1877

Sophia van Württemberg (1818-1877) was de eerste vrouw van koning Willem III. Na haar overlijden op 3 juni 1877 schreef Lady Sherbourne deze twee brieven aan Sophia's levenslange vriendin, Lady Malet. Uit Een vreemdeling in Den Haag.

Lady Sherbourne aan Lady Malet

juni 1877
Zojuist kom ik thuis van een soiree bij de heer Millais. Ik zat daar enige tijd naast de hertog van Teck, en vroeg hem naar de begrafenis van koningin Sophie der Nederlanden. Hij zegt, dat het een ongelooflijk indrukwekkend schouwspel was. Tweederde van de bevolking van Leiden was uitgelopen, met nog andere grote massa's mensen van elders, de menigte was zo enorm, dat de stoet er drieënhalf uur over gedaan heeft om van Huis ten Bosch naar Delft te komen, waar zij begraven is. Hij zegt, dat het hele land om haar rouwt - nog nooit heeft hij een dergelijke collectieve uitbarsting van emotie meegemaakt.


Lady Sherbourne aan Lady Malet

24 juni 1877
Ik heb vandaag in Holland House de heer Van Bylandt [de lijfarts van koningin Sophie] gesproken. Hij beloofde mij dat hij u zeer binnenkort zal opzoeken, want er is heel veel betreffende onze arme lieve koningin waarover hij met u wil praten. Hij vertelde mij één ding, dat ik zeer ontroerend vond en dat u misschien nog niet gehoord hebt. Toen de koning op Huis ten Bosch arriveerde, ging de prins van Oranje hem tegemoet, niet tot de deur van het paleis, maar tot die van de slaapkamer van de koningin. De prins stak zijn hand uit, de koning nam die in de zijne, en hand in hand liepen zij naar het bed van de koningin. Toen zij dat zag, straalde haar gezicht van vreugde en zij zei: 'Voilà mes deux Guillaumes enfin réunis'. De heer van Bylandt sprak over haar op een manier die u deugd zou hebben gedaan. Hij zei: 'C'était la perfection d'un caractère féminin.'


[Later heeft Lady Malet onder deze brief een iets andere lezing over het voorval genoteerd, die zij vernomen had van een kennis met relaties aan het hof in Den Haag: 'Toen de koning kwam, was de prins van Oranje bij de koningin. Hij ging de koning tegemoet tot aan de deur van haar kamer. De koning drukte zijn hand, en toen riep de koningin, met een liefdevolle blik in haar ogen, hen toe: 'Meine beiden Wilhelm!']

zaterdag 20 juni 2020

Cola Debrot • 22 juni 1956

Cola Debrot (1902-1981) was een Antilliaanse schrijver, arts, diplomaat en staatsman. Van een verblijf in Genève voor een internationaal congres in 1956 hield hij een dagboek bij, onder de titel Dagboekbladen uit Genève.

22.6.1956
- In de Mémoires d'un Touriste, op het ogenblik in een goedkope uitgave bij Calmann-Lévy verkrijgbaar, heeft Stendhal zich aldus omtrent Jean Jacques Rousseau uitgelaten:
[...] Zoals ik altijd in Genève doe, begin ik met naar de Promenade Saint-Antoine te gaan, ter wille van het uitzicht op het meer. Vandaar slenter ik door de stad en, voordat ik mijn post afhaal en mijn zaken begin, richt ik mijn schreden naar het huis, waar Jean Jacques Rousseau in 1712 ter wereld kwam. Het werd onlangs gerestaureerd; het vertoont nu nog het meest gelijkenis met een van die vele gebouwen van zes verdiepingen, waarmede men tegenwoordig bezig is het stedeschoon van Parijs te bederven. Maar ik troost mij maar met de gedachte, dat ik zo vaak in de kleine kamer met de vooruitspringende balken geweest ben, waarin Jean Jacques Rousseau werd geboren. Ik had zelfs het voorrecht daar eens als bewoner een arme horlogemaker aan te treffen, die in het bezit was van de volledige werken van Rousseau in een eenvoudige uitgave, maar hij kon het bewijs leveren, dat hij ze gelezen en begrepen had. Wij spraken een uur lang over het ‘Contrat Social’, het maatschappelijk verdrag, waarvan de voornaamste verdienste, naar het mij voorkomt, in de titel moet worden gezocht. In het algemeen kan men zeggen dat de arbeiders in Genève in staat zijn redeneringen te volgen, die in Frankrijk ver boven het begrip van huns gelijken zouden uitgaan; daartegenover staat, dat zij in het geheel niet zo verrukt zouden zijn van de ‘Gamin de Paris’, noch van de bewonderenswaardige Bouffé, als de jonge arbeiders, die het parterre van het ‘Gymnase’ bezetten.
De vreemdelingen, vooral de deftige, zullen zich voortdurend ergeren over de arbeiders van Genève; zij laten zich niet makkelijk tot overdreven gedienstigheid verleiden.
Ik laat niet na mijn opwachting te maken bij het standbeeld van Rousseau [...].
Terwijl ik zo dit beeld stond te bekijken, bleef een voorbijganger naast mij staan. Ik knoopte een gesprek met hem aan.
‘Mijnheer,’ zo liet hij zich uit, '28 juni heeft men het feest van Jean Jacques gevierd, het was zijn geboortedag. Het was een feest voor de kinderen. Het begon met een optocht van ongeveer tweeduizend jongens en meisjes langs het huis waar hij geboren werd. Daarna trokken zij langs de straten naar beneden tot aan het meer om hier, aan de voet van dit standbeeld, de bloemen neer te leggen die ze in hun knuistjes droegen. U kunt zich voorstellen, mijnheer, dat dit feest volstrekt niet door de overheid op touw werd gezet, maar zij heeft zich er evenmin tegen verzet. Dit jaar heeft ze zelfs drie compagnies van de Nationale Militie opdracht gegeven de eindeloze stoet van tweeduizend kinderen te begeleiden. Het spreekt vanzelf, dat in die stoet geen kinderen te zien waren van ‘de heren daarboven’ (zo worden de leden van de plaatselijke aristocratie genoemd, die in het bovengedeelte van de stad wonen, om en nabij de Promenade de la Treille). Het is het gewone volk, dat de verjaardag herdenkt van de man, op wie ons land zich zo graag beroemt. De aristocratie kan niets voelen voor deze grote persoonlijkheid, maar zij wacht zich er wel voor openlijke vijandschap te tonen. Het volk, dat de gevoelens van de prominenten kent, die ‘lui van boven’, eert Rousseau om vooral toch goed te doen uitkomen dat het deze gevoelens niet deelt!’
Nadat ik afscheid had genomen van de brave man, blijkbaar een opgeklommen arbeider, nam ik een veerboot en heb ik met een potloodstompje zijn woorden opgeschreven, die ik zojuist letterlijk heb weergegeven. Dit verhaal stel ik ver boven de uiteenzettingen, die ik aan de officiële diners te horen heb gekregen.
 
Tot zover Stendhal. Ook de hedendaagse toerist mag niet nalaten het standbeeld van Rousseau op het kleine lieflijke eiland, thans genoemd ‘L'île de Jean Jacques Rousseau’ te bezoeken. Nadere gegevens worden gevonden in de Guide Bleu of in de Nederlandse Gids voor Zwitserland, minder volledig, maar mijns inziens overzichtelijker, samengesteld door A.L.C.A. van Nijnatten, uitgegeven bij Allert de Lange, Amsterdam.

José Saramago • 21 juni 1993

• De Portugese schrijver (en Nobelprijswinnaar) José Saramago (1922-2010) hield vijf jaar lang, van 1993 tot en met 1997, een dagboek bij dat gepubliceerd werd onder de titel Cadernos de Lanzarote. Een keuze daaruit werd (vertaald door Harrie Lemmens) gepubliceerd in Bzzletin.

21 juni 1993
Een groot probleem van De stad der blinden eindelijk opgelost. De personages hoeven niet na elkaar blind geboren te worden tot ze degenen die zien volledig vervangen: ze kunnen op elk moment blind worden. Daardoor wordt de vertelde tijd korter.

2 augustus 1993
Vandaag de eerste zinnen van De stad der blinden geschreven.

15 augustus 1993
Ik heb besloten geen namen te gebruiken in De stad der blinden, niemand zal António of Maria, Laura of Francisco, Joaquim of Joaquina heten. Ik ben me bewust van de moeilijkheid om een verhaal te vertellen zonder het gebruikelijke en tot op zekere hoogte onvermijdelijke houvast van de namen, maar ik wil de schimmen die we personages noemen nu eens juist niet bij de hand nemen, een leven voor ze verzinnen en hun bestemming voorbereiden. Dit keer heb ik liever dat het boek bevolkt wordt door schaduwen van schimmen, dat de lezer nooit weet over wie het gaat, dat hij zich zodra iemand verschijnt afvraagt of het de eerste keer is dat dat gebeurt, of de blinde van bladzijde honderd al dan niet dezelfde is als die op bladzijde vijftig, kortom, dat hij de facto binnentreedt in de wereld der anderen, diegenen die we niet kennen, wij allemaal.

24 juli 1994
Een roman zonder personages willen maken is één ding, iets anders is het te denken dat je er een zou kunnen schrijven zonder mensen. En dat was mijn grote vergissing toen ik De stad der blinden bedacht. Zo groot dat hij me maanden van wanhopig makende machteloosheid heeft gekost. Het heeft veel te lang geduurd voor ik inzag dat mijn blinden wel geen naam konden hebben, maar dat ze niet konden leven zonder menselijkheid. Resultaat: een flink aantal pagina's in de prullenbak.

4 maart 1995
Omdat ik geen recent boek had dat ik als kapstok kon gebruiken voor een lezing in Braga bij de opening van de boekenbeurs, besloot ik een tipje van de sluier op te lichten die nog over De stad der blinden hangt en er enige gedachten over te ontwikkelen. Al pratend werd mij steeds duidelijker hoezeer het pessimisme van dit boek mij verontrust. Imago mundi heb ik het al eerder genoemd, een huiveringwekkend visioen van een tragische wereld.
Ditmaal zal het pessimisme van een Portugees schrijver zich niet uiten via de gebruikelijke kanalen van het zwartgallige lyrisme dat ons kenmerkt. Het zal wreed zijn, sec, zelfs de stijl zal er de scherpe kantjes niet afslijpen. In De stad der blinden huilt niet het innerlijke leed van verzonnen personages, wat het daar uitschreeuwt is de onophoudelijk schrijnende, absurde pijn van de wereld.

9 augustus 1995
Gisteren heb ik De stad der blinden afgerond, bijna vier jaar nadat het idee bij me was opgekomen, om precies te zijn op 6 september 1991, toen ik alleen zat te eten in restaurant Varina da Madragoa van mijn vriend António Oliveira (ik heb tijd en plaats opgetekend in een van mijn zwarte boekjes). Op de kop af drie jaar en drie maanden later, op 6 december 1994, noteerde ik dat ik nog geen vijftig bladzijden had geschreven: ik had gereisd, was aan staar geopereerd, verhuisd naar Lanzarote... En ik heb gevochten, hard gevochten, alleen ik weet hoeveel, tegen de twijfels, de verbijstering, de fouten waardoor het verhaal telkens weer vastliep en ik niet meer wist hoe het verder moest. Alsof dat nog niet genoeg was, dreef de afschuw, de horreur van wat ik aan het vertellen was mij tot wanhoop. Maar goed, het is af, ik hoef niet langer te lijden. Nu is het tijd mezelf de vraag te stellen waar geen enkele schrijver van houdt: ‘Wat is er overgebleven van dat oorspronkelijke idee?’ (Schrijvers houden er niet van omdat ze liever hebben dat de lezer denkt dat een boek kant en klaar uit hun hoofd komt.) Ik zou zeggen dat er alles en haast niets van is overgebleven: weliswaar heb ik geschreven wat ik wilde schrijven, maar ik heb het niet gedaan hóe ik had gedacht. Ik hoef maar mijn inspiratie van vier jaar geleden te vergelijken met wat het uiteindelijk is geworden. Toen krabbelde ik neer: ‘Er worden blinde kinderen geboren. Eerst nog zonder verontrusting: jammerklachten, bijzonder onderwijs, tehuizen. Wanneer duidelijk wordt dat er geen kinderen meer worden geboren die kunnen zien, ontstaat er paniek. Sommigen doden hun kind bij de geboorte. Met het verstrijken van de tijd sterven de “zienden” en de balans slaat door naar de blinden. Iedereen die nog kan zien gaat dood en de hele wereldbevolking bestaat uit blinden. Op zekere dag wordt er een kind geboren dat normaal kan zien en er volgen er meer: verbaasde, soms gewelddadige reacties, sommige van die kinderen sterven. Het proces keert om tot het - misschien - weer terugkeert naar het begint.’ Als je dat vergelijkt...

vrijdag 19 juni 2020

Jean-Paul Franssens • 20 juni 1998

• Uit een brief van schilder-schrijver Jean-Paul Franssens (1938-2003) aan ‘Beste Adri’ – oftewel A.F.Th. van der Heijden. Franssens’ boek De wereld wil bedrogen worden bevat notities en brieven. 

Le Chassang, 20 juni 1998
Er kwam een plaatselijke koorvereniging binnen, die al gauw Verdi begon te zingen. Verdi gezongen in Italië is als brood, kaas en wijn. Ik mocht meezingen. Als je in Italië ook maar een beetje stem hebt, word je op handen gedragen. Ik keek bij het zingen mijn gigantische waardindochter aan. Die sloeg haar pikzwarte ogen heus niet neer. Terwijl ik dit aan je schrijf, denk ik aan Alain Louafi, mijn Franse vriend, die in Dakar in Senegal lesgaf op een nationale Afrikaanse theaterschool en die ergens in de rimboe in een matriarchale gemeenschap verzeild raakte. De vrouwen mochten daar niets doen. Ze zaten alleen maar wat bij elkaar, en aten. De mannen deden al het werk, binnen en buiten. Alain was een kleine, slanke Algerijnse Fransman met een jongensfiguur. Tien vrouwen zijn zo lang met hem aan de slag gegaan dat hij dacht dat hij het niet zou overleven. Enorme vrouwen, ingesmeerd met olie. Hij ging van hand tot hand. Van borst tot borst. Hij werd gestreeld en gezogen. Hij verdronk in het vlees. Bijna was hij verpletterd door het gewicht van drie, vier kolossale vrouwen van elk ten minste driehonderd pond. 

donderdag 18 juni 2020

Koos van Zomeren • 19 juni 1987

Koos van Zomeren (1946) is een Nederlandse schrijver. Een jaar in scherven bevat het journaal dat hij in 1987 bijhield, gelardeerd met talloze extra’s: autobiografische verhalen, herinneringen, natuurreportages, rechtbankverslagen en interviews.

19 juni 1987
Vannacht kwam een man de tuin inkruipen. ‘My child is in the hospital,’ jammerde hij, ‘and it is dead too.’ Dit had te maken met een, overigens ongeschonden, kinderfietsje dat ik zojuist had staan bekijken.
Het leek een gebeurtenis uit een film (Hillstreet Blues), een scène die dus ook anders had kunnen zijn. Maar ik schrok doodsbang wakker (03:16) en bleef dat geruime tijd. Zulke dromen, het kost me moeite het tot m’n bewustzijn toe te laten, en nog meer om het op te schrijven, slaan op Jan.
Ik geloof niet in voorgevoelens, althans niet in een oorzakelijk verband tussen voorgevoelens en dingen die gebeuren. Ik geloof niet in magie. Ik geloof wel dat dingen kunnen gebeuren in een volgorde die ze bijzonder moeilijk te verteren maakt.
De hele dag het idee dat elk moment de deur kan worden opengegooid. ‘O Koos!’

Boven Kockengen hing een inktzwarte wolk. Daar moesten we onderdoor. Regen verandert Rekel van een gespierd hondje in een raar scharminkel met een vossebekje. Regen maakt hem bovendien ongezeglijk. Hij voelt zich niet lekker als hij nat is en als hij zich niet lekker voelt gehoorzaamt hij niet.
Zodra we door het dorp heen waren werd het weer droog, in het westen, waar het weer vandaan komt en de dagen verdwijnen klaarde de hemel op. Verder is me weinig opgevallen. Nagedacht over ‘Mijn dood’.

woensdag 17 juni 2020

August Willemsen • 18 juni 1961

August Willemsen (1936-2007) was een Nederlandse vertaler en schrijver. Dagboeknotities van hem zijn verschenen in Vrienden, vreemden, vrouwen.

18 juni
[wat voorafging]
Herlezen: Herinneringen uit het Ondergrondse.
Uitlezen: Chartreuse de Parma.
Lezen: Nescio: alles.
Vestdijk: Rumeiland.
Hermans: Donkere kamer:
Du Perron, Oscar Wilde, Larbaud, Blasco Ibánez.
Piano studeren (studeren).
Portugees studeren.

Als ik in juli weer opslag krijg, blijf ik nog even hele dagen werken en dan kan ik in het voorjaar lang op reis.
Een meevaller: na 1 juli zijn de zaterdagen vrij, in ruil voor een halfuur eerder beginnen (8.30 u.). Maar voor wie toch nooit voor 10 uur komt maakt dat niks uit.

"Nadat ik vandaag drie brieven had geschreven, respectievelijk aan Caltex-dealers, pompbedienden en olieventers, kwam als vanzelf het idee in me op ook jou een lettertje te wijden. Even aarzelde ik, denkend aan je examens. Maar een brief beantwoorden hoeft geen tijd te kosten: lezen kun je onder het eten, onder het wassen en aankleden kun je bedenken wat je zult schrijven, en schrijven kun je briefjes als de jouwe op de wc. Ik probeer me te herinneren waar we vroeger zo jachtig over schreven. Wanneer ik me voor de geest haal wie we toen waren, vermoed ik dat mijn pretentie nog luguberder geweest moet zijn dan jouw onbenulligheid.
Je hebt je een maand afzondering voorgenomen, juist nu ik me had voorgenomen mijn stilzwijgen te verbreken. 'Mijn stilzwijgen' - wat klinkt dat. Alsof op elk woord wordt gewacht. Maar het wordt zomer, ik woon weer op het Singel, ik keer terug tot de levenden.
lk hoorde van Jaap dat er niet veel mensen meer bij gekomen zijn, op het feest van Hansje. Ik ging vroeg weg. Ik was doodmoe. Voor de rest van deze maand moet het maar eens uit zijn met zuipen. Vrijdag, mijn verjaardag, was een veelbewogen dag. Het begon al 's morgens in lijn 24.
Even voor ik zou uitstappen op het Roelof Hartplein zag ik een zo verschrikkelijk mooi meisje. Zij zag mij ook. Onder het uitstappen, waar ik natuurlijk lang over deed, bleven we elkaar gefascineerd aankijken. Het idee dat je zo iemand één keer ziet en dan nooit meer, kan me ziek maken. Ze leek op Ingrid Thulin, uit Wilde aardbeien.
Uit wanhoop, én om mijn verjaardag te vieren, onderweg naar de zaak een fles sherry gekocht. De hele dag sherry gedronken. Van Mary, Suzanne en Greetje, 'de meisjes' van copy, heb ik bloemen gekregen en Rumeiland van Vestdijk. Erg aardig van ze. Die hele vrijdag was een dag van uitgelatenheid en ook van machtige weemoed om dat meisje in de tram.
Je ziet: een nietsje is genoeg, en ik ben al in een staat van overspannenheid.
Ook zaterdag was een mooie dag.
Zondag kreeg ik bezoek van Johannes. Die reist nu zo'n beetje op en neer. Vandaag moest hij proefspelen voor het Rott. Philh. en morgen gaat hij weer naar Amersfoort, 'omdat de verpleegsters zo aardig met hem zijn'. Er is geen kruid tegen gewassen. Totaal gek van muziek, d.w.z. zónder muziek zou hij pas gek zijn. En maar praten, praten, zelfs als ie luistert. Ik kan echt niet meer lachen om die grapjes die het op het Conservatorium nog deden. En dan merk ik dat mijn achting en vriendschap veranderen in consideratie, en dat wil ik niet. Moeilijk allemaal.
Onlangs heb ik zitten huilen bij een verhaal van Nescio. Dat zegt op zichzelf niets, maar de verhalen zijn uniek. Je moet ze beslist niet lezen waar andere mensen bij zijn (je moet trouwens nooit lezen waar andere mensen bij zijn). Gek: eerst irriteerden ze me, ik weet niet waarom. Afgunst vanwege het onbereikbare? In het Nederlands weet ik niets mooiers.
Is dit te veel geweest? Geneer je niet je antwoord zo kort mogelijk te maken, er is altijd wel wat op aan te merken. Sorry voor dit betreurenswaardige ballpoint-schrift; de Parker, erfstuk van mijn vader, heb ik in een taxi verloren."

dinsdag 16 juni 2020

Nathaniel Ober • 17 juni 1775

• Schoenmaker Nathaniel Ober was soldaat ten tijde van de belangrijke slag om Bunker Hill. Hij hield een dagboekje bij.

the 14d.
A fine Shour this Day nothing Remarkabel

the 15d
Nothing Remarkabel to Day

the 16d,
We hear that our Peopel took a Number of arms at Feledelfa and our Peopel Began to intrench on Dogester Neck Nothing more to Day,

The 17d
Our People and The Kings Trops Began a warme ingaigment about three a Clock this after none this was a melancly Day not only a grait numbr of our Braive frinds fel But a grait Deal of Substance was Consumed by fire for our unatrel Enemies Sat fier to the Town of Charlstown wich Consumed almost Every house in that town: But it is Said that we Ciled in the Batel 29 Comishand offesers and 220 non Comishand offesers and 752 Privets So grait was the Fall of our Enemys How are the might Falen,

maandag 15 juni 2020

Wim Kan • 16 juni 1974

Wim Kan (1911-1983) was cabaretier. Zijn dagboeken zijn te lezen bij de dbnl.

Zondag 16 juni 19.45 uur. Werkhuisje Kudelstaart
Prachtdag tot op dit moment. In alle drie mijn boten gevaren. Eerst vanmorgen om 11.30 uur met Janine in de kano. Recht in het vaarwater van het schip Privé van Henk van der Meyden terecht gekomen. Eindeloos veel foto's in de kano, tenslotte ook van Janine en onze kanoos tegen elkaar aan. Toen snel peddelend Tuf gaan halen en met speedboot weer naar hun jacht. Foto's en Henk van der Meyden en Nico Koster bij ons aan boord en naar huis.

Dinsdag 18 juni 11.30 uur. Werkhuisje
Elk ogenblik kan Ru komen om te repeteren. Gisteren in jachthaven foto's bekeken van zondag met Henk van der Meyden en Nico Koster. Prima! Daarna aan boord van de Privé en een kwartiertje gevaren. Op mijn verzoek voor anker midden in de Westeinder. Koel, helder water. Zwembroek geleend van Henk van der Meyden en alle drie gezwommen Henk, Nico en ik. Tot viermaal toe van het schip in het meer gedoken, terwijl fotograaf Koster met de camera boven zijn hoofd zwom om mij te kieken. Veel complimenten over mijn conditie. Apetrots.

Vrijdag 21 juni 12.04 uur. In mijn werk ‘hut’
Zoals Henk van der Meyden vanmorgen een pagina lang in de Telegraaf schrijft. Ongeveer vier keer hetzelfde uitgemeten over acht kolommen, maar het wordt gretig gelezen gezien de reacties. Veel meer mensen groeten, wuiven en lachen dan vóór de drie Van-der-Meyden-pagina's. Inleidende conference geschreven voor de ‘Nachtwacht’-scène. Zie daar wel vrij veel in, hoewel het niet uitgesloten is dat we hem of spelen of dat hij er na drie avonden weer uit is. Wankel blijft mijn moreel.

Zaterdag 29 juni 9.10 uur. Te bed
De vrijdag werd een heel bijzonder en apart dagje. Om twee uur stond Herman van Veen ineens in de tuin. Die komt altijd als het niet schikt! Erg aardig overigens, stil en sympathiek. ‘Meegenomen’ naar Wim Ibo en Klein-kunstacademie zodat we daar een soort panel vormden. Allemaal ‘oudere leerlingen’, meneren en mevrouwen met daar doorheen Georgette Rejewski, Martie Verdenius, Jacques Klöters (toneelmuseum) en Johan Verdoner (door Tuf consequent Verdoderer genoemd). Zeker dertig nu al min of meer bekwame leerlingen in mijn gevoel een opleiding volgend voor Zeppelin-personeel, als je begrijpt wat ik bedoel.

zondag 14 juni 2020

David Sedaris • 15 juni 2000

• De Amerikaanse schrijver David Sedaris (1956) publiceerde zijn dagboeken 1977-2002 onder de titel Theft by finding.

June 15, 2000
La Jolla, California
I was met at the airport by a media escort named Patty, who is fïfty-two and could easily pass for a guy trying to pass himself off as a woman. The mannishness comes from her sloppy use of base makeup—that and her hair and, well, her posture. Patty smokes cigarettes, drinks, and rolled up the dope she found last year lying on the ground at a baseball stadium. She has eight cats and lives with a roommate who attracts snakes with the compost heap she keeps in the backyard. "There's a reason they make beits and wallets out of those things," she said. "They're tough as shit. You ever try to decapitate a rattler with a shovel?"
Patty sells real estate on the side and is constantly being sued over nothing. Last year a cliënt with a history of screwing people over caught her toe on a carpet nail and tried to collect $200,000. "Can you beat that!" she said.
Realtors can no longer advertise that a house is located within walking distance of a school—it's unfair to childless couples. Family room offends the singles, and master bedroom smacks of slavery. She's a great storyteller and I enjoyed hearing about the twenty years she spent tending bar, her two marriages, and her run-ins with people who won't allow her to smoke. What luck to have an escort who'll discuss her drug use. I'm enchanted. Patty goes to sixty baseball games per year.

Nescio • 14 juni 1951

Nescio (J.H.F. Grönloh, 1882-1961) was een Nederlandse schrijver. In zijn Natuurdagboek (1946-1955) deed hij verslag van onder meer zijn tochtjes en wandelingen. Een gedeelte werd gepubliceerd in Tirade.

14 Juni
Donderdag. Met Os naar Hilversum omdat Saar ziek is. Zomer; tegen den middag drukkend. Om 8 uur al de deur uit per tram om Miep te waarschuwen dat we er om 12 uur niet zouden zijn. Bus 8 uur 43: Loenersloot, Kortenhoef, 's Graveland, Hilversum (zie 11 Juni). Bus naar de Eikenlaan, daar een uurtje geweest, bus terug naar station en van daar: Loosdrecht, Loenen, Loenersloot, Amsterdam. Dit maal rimpels op de plassen. Bloei meest rhododendrons, de rozen zetten door. Lissen en waterlelies bij Baambrugge, hier en daar wat vlier en nog wat nabloei van meidoorns en enkele aftandsche rooie kastanjes. Weer die schaduw van wilgentakken op muur bij Loenersloot (zie 30 Mei en 11 Juni). ½ 2 in huis. Dat de plas zoo glad is als op 11 Juni komt eens in de 100 jaar voor. En dien dag neemt God me bij de hand en leidt me er heen.

16 Juni
Zaterdag. 's Avonds op de fiets naar de Zuiderzee voorbij het Gemeenelandshuis. Daar om 8 uur. Zon en wolken. Er zwommen daar 2 vrouwspersonen en een manspersoon, nogal kil. Muiderslot en Muiderberg. In Durgerdam is ergens een onbegrijpelijk gedrocht in het silhouet verrezen. Aspectjes: dat landhuis altijd nog aan het eind van de Zeeburgerdijk met die besloten tuin (zes groote boomen op grasveld, daarop ook nog vlierstruiken. Hek er om), waar 50 jaar geleden een pauw was. Zon op het uiterste hoekje van het Diepie, eerst enkel verspringende gouden punt en rimpeltjes, ook goud in het riet, toen ik wat door liep een heel stuk goud. Wat vlier in bloei, maar niet vol.
Bij zee binnendijks aardig beplant land met overal struiken (ook vlier) en twee bruine koeien en een bruin paard. Het buiten land van Immetjes horn met hooioppers en bij de punt koeien.

zaterdag 13 juni 2020

Hans Christian Andersen • 13 juni 1847

Hans Christian Andersen (1805-1875) was een Deense (sprookjes)schrijver. In 1847 verbleef hij een dikke week in Nederland, op doorreis naar Londen.
Een keuze uit zijn dagboeken is gepubliceerd in Nooit rijk, nooit tevreden, nooit verliefd (vertaald door Edith Koenders).

Zondag 13 juni 1847
Nederland, een bijzonder vriendelijke en propere indruk, alle stadjes zien er zeer welvarend uit. Over Oldenzaal, Goor naar Deventer, waar het jaarmarkt was. Het is een grote vestingstad, prachtige huizen, wafelkraampjes, veranderde van route en ging niet naar Arnhem, dat een directe spoorverbinding met Amsterdam heeft, maar nam de diligence naar Utrecht; prachtige groene weiden, beukenbossen, hier en daar heidevelden, het buitenverblijf van de hertog van Oranje, zijn gemalin was naar de kerk, op de toren wapperde de Nederlandse vlag. De landweg geplaveid met bakstenen. Propere huizen. In Utrecht aangekomen, waar men me op het station eerst te weinig geld en toen verouderde munt teruggaf, waarop ik hier in Amsterdam verlies heb geleden. – Utrecht groot en belangrijk. Reisde eerste klasse, ik stak wat stoffig af bij de rest van het gezelschap. In één uur Amsterdam bereikt en uitgestapt bij Hôtel des Pays Bas! Een kamer met uitzicht op een bloementuintje gekregen, heel eenzaam en stil. Om negen uur naar bed.

donderdag 11 juni 2020

Louis-Ferdinand Céline • 12 juni 1947

• De Franse schrijver Louis-Ferdinand Céline (1894-1961) in een brief aan de Amerikaanse literatuurwetenschapper Milton Hindus, die veel over Céline gepubliceerd heeft. Uit: Van de ene dood naar de andere. Brieven, artikelen en polemieken (vertaald door E. Kummer).

12 juni 1947
[...] Raak in een roes als je dat wilt, maar pas op, dan wel op de júíste manier. Om de juiste roes te krijgen, moet het uit ’t diepst van je bast komen, helemaal van binnen uit, niet vanuit je hersens – De hele roes van Sartre, Camus en Green komt vanuit de hersens en zelfs le Grand Meaulnes... Zo opgehemeld... Geitekeutels – Roes van Greco, ja... Van Picasso, hm hm! ’t zegt ons weinig over de muziek die erachter schuilgaat... we dansen niet meer... Dansen, dat is ’t enige – Nietzsche (zo overschat) vergiste zich niet – ‘ik geloof alleen aan een God als ie danst’, als die pedante kwast aan ’t redeneren slaat, dan hoort ie op school thuis!
De schilder Jeroen Bosch is volgens mij duizendmaal beter dan Breughel, hij durft meer – Zo is Villon beter dan Bruant, die toch wel wat in zijn mars had, door hetzelfde geïnspireerd en van hetzelfde slag –
U spreekt over vertalingen - de Duitsers hebben tijdens de bezetting in Parijs maar één ding gedaan dat de moeite waard is, de vertaling van Duitse poëzie in het Frans, echt gewéldig – Er werd een bundel van samengesteld onder leiding van Dr. Epting, directeur van het Duitse Instituut tijdens de oorlog – ’t is wel het beste bewijs dat je zelfs de meest genuanceerde poëzie heel goed kunt vertalen, terwijl proza... Le nègre du Narcisse is uitmuntend weergegeven in het Frans door Gide – een geniale vertaler, dat moet gezegd worden –

woensdag 10 juni 2020

Geert van Oorschot • 11 juni 1951

G.A. van Oorschot (1909-1987) was een Nederlandse uitgever. Een aantal brieven die hij schreef aan W.F. Hermans zijn te lezen in de DBNL. Foto: Allard Bon.

11.6.51
Beste Wim,
Wat prettig dat je Der Mouw zo uitstekend vindt. Kun je over het gehele werk niet eens een paar verstandige pagina's in Podium schrijven?
Uitgezonderd Bordewijk en Van Heerikhuizen heeft heel Nederland over dit werk gezwegen. Het is ook wat moeilijk voor heel Nederland.
Je persiflage op Libertinage in een Veelbelovende Jongeman vind ik juist alleraardigst. Ik geef het grootmoedig uit, doch niet als een rotsvastgelover.
Neen, de uitgave van je roman uitstellen tot het voorjaar komt mij niet gelegen. Het is ook voor jou onverstandig, omdat de verschijning in het najaar een grotere verkoop waarborgt dan in het voorjaar. Dat je boek nog aldoor zeer slecht zou zijn moet je je moeder of een ander maar wijsmaken. In deze bescheidenheid geloof ik niet. Verleden week ontmoette ik je vrouw nog en die sprak zo'n beetje over ‘de laatste hand er aan leggen’. Ik wens je nogmaals met alles veel succes en hoop het manuscript spoedig in mijn bezit te hebben.

Met hartelijke groeten,
Geert


Nop Maas:
• Tot een bespreking van Dèr Mouw door Hermans in Podium komt het niet. F. Bordewijk besprak de Verzamelde werken in het Utrechts Nieuwsblad van 1 mei 1948 en 9 juni 1951; F.W. van Heerikhuizen (1910-1969) schreef erover in de NRC van 23 april en 9 juli 1949 en 23 juni 1951.

• Op 11 juni 1951 schrijft Hermans aan Van Oorschot dat hij door een paar gelukkige invallen Ik heb altijd gelijk op korte termijn kan voltooien. Ook informeert hij naar de drukproeven van Een veelbelovende jongeman.

• Na lezing van de voorpublicatie van Ik heb altijd gelijk in het mei-juni-nummer van Podium stuurt Van Oorschot op 17 juni 1951 een telegram aan Hermans met de tekst: ‘Als een harde kei in de Nederlandse fatsoensvyver. Geert’. Hermans reageert op zijn beurt met een telegram om te melden dat Van Oorschots mededeling geen spuitwater maar champagne was. 




dinsdag 9 juni 2020

Jeroen Brouwers • 10 juni 1975

• Nederlands grootste levende schrijver, Jeroen Brouwers (1940), werkte een aantal jaren bij de Brusselse uitgeverij Manteau – jaren die hun weerslag vonden in een groot aantal brieven. Hugues C. Pernath (1931-1975) was een Vlaamse dichter en dandy. Uit: Mijn Vlaamse jaren. Verhalen, herinneringen, pamfletten, dagboekfragmenten, brieven. 

10 juni 1975
Pernath overleed op 4 juni 1975. Het stond twee dagen later pas in de krant. Hij werd op 10 juni begraven. Men liet hem neer in de aarde van een van de ‘ereparken’ van het Antwerpse kerkhof Schoonselhof. Aan de rand van de groeve werd het woord gevoerd door de altoos, waar ook, waarover ook, tot parlemeieren bereid gevonden Karel Jonckheere. Den Huug kon er zijn tegenstem niet meer tegen verheffen, evenals hij dit niet had kunnen doen tegen het feit dat hij op rooms-katholieke wijze ter aarde werd geleid en zijn door toga’s en tabbaarden omzworven kuil behalve met hemzelf met wierookwolken en plassen wijwater werd gevuld. ‘Bij de ter aarde bestelling zijn de emoties velen te machtig geworden’, aldus de dagbladen. Den Huug werd onder meer uitgeleide gedaan door het voltallige gilde der ‘pink poets’, een gezelschap kunstpoëten van middelbare jeugd en bejaarder, over het algemeen afkomstig uit het Antwerpse, van welk gezelschap de Huug ‘goeverneur’ was. 

maandag 8 juni 2020

Bert Voeten • 9 juni 1957

Bert Voeten (1918-1992) was een Nederlandse schrijver en vertaler. Uit: In memoriam J.C. Bloem. Op de foto ook zijn echtgenote Marga Minco.

Amsterdam, 9 juni 1957
Met A. Roland Holst borrel ik bij J.C.B. [J.C. Bloem], die zijn gewone viefheid terug begint te krijgen [na een ziekenhuisopname]. Hij drentelt zonder ophouden door het huis, haalt drank en zoutjes, zet sigaren en sigaretten op tafel, demonstreert een nieuw soort koffiepot en een elektrische koffiemolen en drinkt zelf met mate kinawijn. ‘Gewoon van de Vana’, zegt hij, ‘uitstekend van kwaliteit en zeer gezond, bloedzuiverend.’ Hij haalt herinneringen op aan Leopold - naar aanleiding van een stuk van dr. Jacobsen in De Gids - en vertelt, op een vraag van Roland Holst wat de twaalf verschoten blauwe banden in de boekenkast onder het raam bevatten: ‘Dat is een complete Strindberg. Die heb ik eens voor vijf piek op een veiling gekocht.’ ‘Lees jij dan toneel?’ ‘Ik heb er nooit een letter in gelezen, stel je voor. Maar over Strindberg gesproken’ - hij legt zijn been op een krukje -, ‘kennissen van vrinden van me hebben laatst iets heel raars meegemaakt. Het echtpaar was met een auto met caravan op reis door Duitsland. De man zat achter het stuur, de vrouw lag in dat ding daarachter te slapen; het was 's avonds laat. Tijdens de rit over een van de Autobahnen kreeg die vrouw last van darmkrampen. Dat kan. Ze tikte tegen het ruitje van de caravan om haar man te laten stoppen. Eerst merkte hij het niet, maar na een poosje keek hij om en dacht dat er iets met de wagen was, waarop ze hem wilde attenderen. Hij stopte, ging de auto uit en controleerde de verbinding met de caravan. Zijn vrouw verkeerde in de veronderstelling dat hij voor haar was gestopt. Ze begaf zich in pyjama in de bosjes aan de kant van de weg, om enige verlichting te zoeken. De man had intussen de boel nagekeken en was weer ingestapt. Daar hij in het donker niet gemerkt had dat zijn vrouw uit de caravan was gegaan, startte hij rustig en reed weg. Stel het je voor: de vrouw, die haar gevoeg had gedaan, midden in de nacht in pyjama langs een Duitse Autobahn. Wat doe je? Liften. De eerste de beste wagen die langskomt stopt voor haar. Er zit een Amerikaan in, aan wie ze het geval uitlegt. De man laat haar instappen en rijdt met grote snelheid achter haar wederhelft aan. Hij weet hem in te halen en beduidt hem te stoppen. Maar de ander kent de verhalen over de Autobahnbandieten van buiten, en hij voelt er niets voor zijn wagen plus caravan kwijt te raken en nog een pak op zijn donder te krijgen ook. Hij geeft vol gas. Zijn vrouw heeft hij niet gezien. Allicht niet; hij gaat ervan uit dat die ligt te pitten. Bij de tweede achtervolging komt de Amerikaan voor de andere wagen en dwingt de bestuurder te stoppen. De Nederlander stapt uit, denkt aan de waarde van de eerste klap en slaat de Amerikaan tegen de wereld. Pas daarna ziet hij zijn echtgenote in pyjama opduiken. Samen brengen ze de getroffene bij. Klein misverstand wordt opgehelderd. Ieder gaat zijns weegs.’
‘Dat is een heel gek verhaal’, zegt Roland Holst. ‘Maar nou moet je me toch eens vertellen, Jacques: wat heeft dit met Strindberg te maken?’
‘Met Strindberg?’ vraagt Bloem verbaasd. ‘Niets, Jany. Absoluut niets.’

zondag 7 juni 2020

Laurie Langenbach • 8 juni 1978


Laurie Langenbach (1947-1984) was een Nederlandse schrijfster. In dit fragment uit haar 'zomerdagboek' schrijft ze over haar vriend, de zanger Wally Tax. Uit: Brieven, dagboeken en een geheime liefde

vrijdag 8 juni 1978 Sante Margherita
Het is nacht en de lantarens die de boulevard omzomen werpen witte, wankelende strepen van licht over het zwarte water. De branding klinkt zacht vannacht en dat is goed want de dag was er een van melancholie. De hemelen waren vol duistere wolken, de atmosfeer was drukkend, de straten waren vrijwel verlaten. Je mond brengt mij in verwarring. Soms, als je slaapt en je lippen geopend zijn, zijn zij streng en strak, zo strak dat er een dreiging van wreedheid uit spreekt. Het zijn dan harde, mannelijke lippen, volmaakt van vorm, geheel in evenwicht, en ik zie je sterke, onbedorven tanden blinken. Maar soms, als je slaapt, zijn je lippen licht geopend, en rust een boventand op je onderlip, waardoor je mond iets weg heeft van die van een klein knaagdier, en er is een kinderlijke weekheid, een volstrekt goedaardige argeloosheid waardoor ik ontroerd raak en het in mij opwelt je in mijn armen te sluiten en je beaaien met tere, a-seksuele kussen. Dit heen en weer geslingerd worden van ontzag naar mededogen kenmerkt mijn liefde voor jou. En toch, het komt mij voor dat jij, zelfs in je kinderlijke aanhankelijkheid, als je een naïeve stem opzet en je wimpers neerslaat, je aan mij weet te onttrekken. En het komt mij voor dat jij, zelfs als je vierentwintig uur van elke dag in mijn nabijheid bent, afstand weet te bewaren. En het komt mij voor dat jij, zelfs al laat je je naar willekeur door mij betasten en aanspreken, en zelfs al eet je en slaap je met mij, zelfs al baden wij samen en kammen wij elkaars haren, toch komt het mij voor dat je voor altijd eenzaam bent. In je eenzaamheid, die blijkt uit het onrustig en alert bewegen van je ogen, die blijkt uit een bepaalde tragische trek rondom je mondhoeken, die blijkt uit je buien van gelatenheid en vernietigingszucht, die blijkt uit de koppige rechthoekigheid van je kin en je geile straatjongensloop, met je borst vooruit, je billen naar achteren, en het ritme vanuit de heupen; in je eenzaamheid ben jij mij innig dierbaar en volslagen vreemd.

Belle van Zuylen • 7 juni 1777

• Voltaire was slechts een van de vele beroemdheden die de Nederlandse, in het Frans schrijvende Belle van Zuylen (1740-1805) in haar leven ontmoet heeft. Het fragment is afkomstig uit een brief aan haar broer, Vincent van Tuyl van Serooskerken. Uit: Rebels en beminnelijk. Brieven van Belle van Zuylen – madame de Charrière (vertaald door Simone Dubois).

Colombier, 7 juni 1777
Ik heb de heer Voltaire maar even gezien; ik vond hem minder lelijk, minder oud, minder mager, minder uitgemergeld, dan men hem mij afgeschilderd had. Hij praatte wat deemoedig over zijn leertijd en beleefd over mij, waarna hij zich terugtrok in zijn kamer met de verzekering dat hij niet anders kon en dat hij er zich juist wilde opsluiten toen ik binnenkwam. Hij liet mevrouw Cramer met wie wij er heen waren gegaan wel bij zich roepen, toen wij in de vertrekken terugkeerden van madame Denis, een goede, maar vervelende vrouw, een nicht van Voltaire, vroeger licht van zeden, maar nu ziek. Mme Cramer zei ons dat hij slecht gehumeurd was; hij had cassia ingenomen en daar had hij last van; hij was toch nog van plan geweest weer bij ons te komen, maar er kwamen andere mensen, op wie de heer Voltaire niet gesteld is, een soort klaplopende verwanten die zich in Ferney gevestigd hebben, en nog andere lieden, zodat Voltaire maar op zijn kamergemak bleef zitten; ik was er erg teleurgesteld door. Ik had hem, al was het maar een kwartier, rustig willen bekijken, zodat zijn gezicht van voren, en profil, enz. enz., duidelijk in mijn geest geprent was. Ik was niet erg nieuwsgierig om hem te horen; je hoeft hem maar te lezen. Had hij geweten waartoe mijn verlangens zich beperkten en dat hij voor mij geen geest ten toon hoefde te spreiden, dan denk ik, dat hij zich ondanks zijn medicijnen toch nog wel had laten zien.


• Omdat ze in het Frans schreef, is Belle van Zuylen (1740-1805) in Nederland lang onbekend gebleven. Ze schreef brieven over de meest uiteenlopende onderwerpen, waarin zij als tegendraads, rebels, speels en ironisch naar voren komt.

Eugène Delacroix • 6 juni 1851

• Eugène Delacroix (1798-1863) was een Franse schilder. Dagboekfragmenten en brieven van zijn hand zijn verzameld in Ik heb het niet over middelmatige mensen (vertaling: Joop van Helmond).

Vrijdag 6 juni 1851
[…] Dat gebrek aan [onderlinge] samenhang [tussen figuren in een schilderij] zie je bij Rafaël ook wel, maar als gevolg van een andere aanpak, namelijk om elke figuur nauwgezet naakt uit te tekenen alvorens hem in kleren te hullen. [...] Ik ben er heel zeker van dat als Rembrandt zich deze atelierpraktijk had opgelegd, hij nooit de expressieve kracht in de bewegingen van zijn personages, noch de spanning in het effect zou hebben bereikt die zijn taferelen zo’n grote natuurlijkheid geven. Misschien zal men er nog wel eens achter komen dat Rembrandt een groter schilder was dan Rafaël.
Ik schrijf deze blasfemie op, die bij alle ware academici de haren ten berge zal doen rijzen, zonder uitgesproken partij te kiezen; ik ontdek in mezelf alleen, naarmate het leven voortschrijdt, dat de waarheid het mooiste en zeldzaamste is wat er bestaat. Rembrandt bezit eventueel niet de absolute verhevenheid van Rafaël.
Misschien dat de verhevenheid die bij Rafaël tot uiting komt in de lijnen, in de allure van elk van zijn figuren, zich bij Rembrandt uit in de mysterieuze opzet van zijn onderwerp, in de uiterste eenvoud van uitdrukkingen en gebaren. Hoewel men de voorkeur kan geven aan de majestueuze gezwollenheid van Rafaël, die misschien beantwoordt aan de verhevenheid van bepaalde onderwerpen, zou men kunnen stellen, zonder gestenigd te zullen worden door mensen met smaak, maar dan wel mensen met een echte en oprechte smaak, dat de grote Hollander meer van nature een schilder was dan de vlijtige leerling van Perugino.


• Eugène Delacroix (1798-1863) was een van de grootste schilders van de Franse romantiek. Na zijn dood ging het gerucht dat Delacroix senior de befaamde politicus Talleyrand gevraagd had een kind bij zijn vrouw te verwekken, omdat hij een nakomeling ‘van geniale aanleg’ wilde. Talleyrand stemde in, waarna Eugène werd geboren.

donderdag 4 juni 2020

Elias Canetti • 5 juni 1960

 • De in Bulgarije geboren maar in het Duits schrijvende Nobelprijswinnaar Elias Canetti (1905-1994) woonde van 1954-1971 in Groot-Brittannië. Uit: Het pantheon van vergeten dingen.Aantekeningen uit Hampstead 1954-1971 (vertaald door W. Hansen). 

5 juni 1960
Pinksteren 1960. Het is zomers wam, een zuidelijke dag, een zondag vol langzame mensen in de hitte. Ik lees van alles en nog wat, in deze en gene taal: eergisteren Democritus, gisteren Juvenalis, vandaag Montaigne; enkele dagen geleden gedichten van Tasso. Ik voel geen spanning en geen woede. Ik praat met zomaar wat mensen. Sinds het boek verschenen is, heerst er volkomen stilte. Aanvankelijk was ik verbaasd, een beetje onrustig misschien, maar nu is de stilte op mij overgegaan en ben ik gelukkig.[...] Soms betreur ik het dat mijn geest zich nooit in het Engels heeft gehuld. Ik woon hier nu tweeëntwintig jaar. Ik heb wel veel mensen in de taal van dit land tegen me horen praten, maar ik heb nooit naar hen geluisterd als dichters, ik heb enkel begrepen wat ze zeiden. Mijn eigen wanhoop, mijn verbazing en mijn uitbundigheid hebben zich nooit van hun woorden bediend; wat ik voelde, wat ik dacht en wat ik te zeggen had, kwam in het Duits in me op. Als mij werd gevraagd waarom, kon ik er overtuigende redenen voor geven: trots was het belangrijkste, ik geloofde er zelf in. Tegenwoordig vind ik het een aantrekkelijke gedachte om een leven in een nieuwe taal te beginnen. Ik houd van de plaats waar ik woon, meer dan van welke plaats ook, hij is mij vertrouwd alsof ik er geboren ben. Ik ben hier als eeuwige vreemdeling thuis geraakt: de scheiding tussen dit vaderland en het gesprek in mezelf is volkomen.

woensdag 3 juni 2020

Virginia Woolf • 4 juni 1923

• In de dagboeken van de Britse schrijfster Virginia Woolf (1882-1941) verwoordt ze haar gevoelsleven, dat ondanks alle zelfspot en ironie geregeld diepe depressies veroorzaakte. En uiteraard reflecteert ze op personen en gebeurtenissen uit haar persoonlijke leven en uit haar tijdgewricht. 
Vertaling: Joop van Helmond.

Maandag 4 juni
Ik ben thuis overdreven geprikkeld, ten dele om me zelf te laten gelden. Mijn boek heeft me ineens enorm in zijn greep. Ik wil de verachtelijkheid van mensen als Ott erin brengen. Ik wil het ongrijpbare van de ziel laten zien. Ik ben tot nog toe vaak veel te tolerant geweest. Waar het op neerkomt is dat mensen nauwelijks om elkaar geven. Ze zijn behept met dat krankzinnige levensinstinct. Maar ze hechten zich nimmer aan iets dat buiten hen zelf staat. Puff [Anthony Asquith] zei dat hij van zijn gezin hield en niet de behoefte voelde wat dan ook omver te werpen. Hij had een afkeer van kille onbehouwenheid. Lord David beaamde dat. In hun kliek is dat natuurlijk een geijkte frase. Puff zei - ik weet ook eigenlijk niet meer wat hij zei. Ik ben met hem door de groentetuin gelopen, langs Lytton die op een groen bankje zat te flirten; met Sackville-West samen ben ik een keer om het weiland gelopen terwijl hij vertelde dat hij zich nu beter voelde en bezig was aan een beter boek, en een keer rond het meer met Menasseh (?), een Egyptische jood die zei dat hij een zwak had voor zijn familie maar dat ze wel gek waren en praatten alsof het geschreven stond; en hij zei dat mijn werk werd geciteerd (door studenten in Oxford) en ze graag zouden willen dat ik eens een lezing kwam houden; en dan had je natuurlijk ook mevrouw Asquith nog. Ik was behoorlijk onder de indruk. Ze is spierwit, heeft de bruine luikende ogen van een valk op jaren, waarin meer diepgang en scherpzinnigheid valt af te lezen dan ik had vermoed; een vriendelijke, ongedwongen en gedecideerde persoonlijkheid. O, hadden de gedichten van Shelley maar kunnen ontstaan zonder dat daar de man Shelley aan te pas moest komen, zei ze. Shelley was een vreselijk onhebbelijk mens, sprak zij; het is een strenge preutse puriteinse vrouw; en dat ondanks de duizenden die ze aan kleding spendeert. Ze laat zich door het leven meevoeren, zou je kunnen zeggen, en heeft zo het een en ander opgepikt dat ik haar graag afhandig zou willen maken en toch nooit zal doen. Ze loodste Lytton mee en plukte zenuwachtig aan zijn arm - en dacht dat 'iedereen' het op haar had gemunt, hoewel 'iedereen' door haar minzaam werd bejegend als dat te pas kwam en ze zat in de vensterbank te praten met een zwarte slonzige borduurster die door Ott onder haar vleugels is genomen. Dat is een van die weerzinwekkende trekjes in haar - ze is altijd lief en aardig teneinde dat 's avonds tegen zich zelf te kunnen zeggen, waarna die goede Ottoline het arme borduurstertje op haar feest uitnodigt om zo het beeld dat ze van zich zelf heeft te completeren. Het geeft fysiek een ongemakkelijk gevoel om zo op iemand af te geven. Ze zei me dat ik er bewonderenswaardig goed uitzag, wat me niet aanstond. Waarom niet? vraag ik me af. Deels omdat ik hoofdpijn had gehad misschien. Maar om gezond te zijn, je krachten te gebruiken, meer van het leven te maken, dat is voorwaar het leukste wat er is. Wat me tegenstaat is het gevoel dat ik me zelf steeds ontzie, of dat anderen daarop toezien. Doet er niet toe - werken, werken. Lytton beweert dat we nog twintig jaar voor de boeg hebben. Mevrouw Asquith zei dat ze dol was op Scott.

dinsdag 2 juni 2020

J.L. Heldring • 3 juni 1958

J.L. Heldring (1917–2013) was journalist en 4 jaar hoofdredacteur van NRC Handelsblad. Zijn 'Pools dagboek' bevat de notities gemaakt tijdens een veertiendaags bezoek aan Warschau in de eerste helft van juni 1958.

Woensdag 3 juni
's Middags bracht ik een bezoek aan dr. C., docent in de Poolse literatuur aan de universiteit, geen partijlid. Hij bleek, zoals zovele anderen, Zjiwago, Djilas en Milosz (The captive mind) te hebben gelezen, hoewel die boeken officieel niet te krijgen zijn in Polen. Zelfs in de stalinistische tijd waren de intellectuelen in staat de culturele ontwikkeling in het Westen te volgen, zegt hij. Er waren wel altijd mensen die in een of andere officiële capaciteit het Westen bezochten en dan een boek of een tijdschrift binnensmokkelden. Nu gaat alles natuurlijk veel gemakkelijker. Zo ligt het culturele tijdschrift Kultura, door Poolse émigrés in Parijs uitgegeven, in de bibliotheken. De Poolse intelligentsia, zegt hij, heeft altijd meer omvat dan in het Westen. Voorbeeld: gedichten worden en werden niet alleen gelezen door een intellectuele elite, maar ook door de dorpsonderwijzer. De nieuwe intelligentsia sluit aan bij de burgerlijk-Westerse traditie, hoewel haar traditionele voedingsbodem, de adel en de bourgeoisie, verdwenen is. Dit klopt met wat de socioloog Chalasinski heeft gezegd: ‘Wat is de balans van de laatste dertien jaar? De pogingen om een intelligentsia van de arbeidersklasse en de boerenklasse te stichten zijn mislukt in Polen.’

Ik ontbeet in het restaurant van mijn hotel met het rooms-katholieke kamerlid D. Naar aanleiding van de langzame bediening ook hier zegt hij, dat het systeem niet loopt omdat er overal onbevoegden aan de top zitten - zelfs in ministeries - alleen op grond van hun partijlidmaatschap. Ik kan alleen oordelen over de manier waarop hotels en restaurants in communistische landen beheerd worden. Het ligt niet uitsluitend aan het socialistische systeem, want in Hongarije is de bediening vlot en heeft zij nog een feodale (niet serviele) beleefdheid. Waarom is dat in Polen, dat toch ook zolang onder feodale maatschappijvorm heeft geleefd, anders? In Joegoslavië is het ook anders, maar daar is het toerisme een belangrijke bron van inkomsten. In Bulgarije, zegt de Zwitserse correspondent H., die erbij komt zitten, hebben ze Zwitserse en Italiaanse adviseurs erbij gehaald. Dat wekt de verontwaardiging van D.: wat kunnen wij van de Zwitsers en Italianen leren? Vóór de oorlog liepen de hotels hier toch ook goed?

maandag 1 juni 2020

Charles B. Timmer • 2 juni 1951

Charles B. Timmer was een Nederlandse schrijver en vertaler. Uit: Poolse dagboeknotities 1950-1952.

Gdańsk, 2 juni 1951. In de autobus zit op de achterbank een jonge vrouw. Er stapt bij een halte een man in, kennelijk een beetje dronken. Hij gaat op de open plaats naast haar zitten, legt zijn hoofd op haar schouder en valt in slaap. De jonge vrouw voelt het gewicht, kijkt eerst wat beteuterd naar het slapende hoofd op haar schouder, dan glimlacht zij tegen de andere passagiers die belangstellend toekijken. Ik verwacht dat zij zo dadelijk het niet al te smakelijke hoofd van zich zal afschudden. Maar zij blijft twintig minuten lang roerloos zitten en, om de man in zijn slaap niet te storen, is zij misschien allang de halte voorbijgereden, waar zij had moeten uitstappen. Een Poolse vrouw. Het Poolse volk, op de schouder waarvan een buurman het benevelde hoofd heeft neergelegd...

Dergelijke toneeltjes maak je in een Poolse autobus bijna dagelijks mee. Een man, bij voorbeeld, staat op voor een corpulente heer, wie het staan kennelijk moeite kost. De dikke neemt zijn hoed af, schudt zijn weldoener dankend de hand en maakt eerst dan van de hem zo vriendelijk aangeboden plaats gebruik. Of: langs de bus rijdt een vrachtauto beladen met planken. Op gelijke hoogte met de bus gekomen verliest de auto een plank. De bus stopt, de chauffeur en de conductrice stappen uit, breken de plank tegen de treeplank tot stukjes brandhout dat zij op het voorbalkon opstapelen. De passagiers kijken glunderend toe en verheugen zich over dit buitenkansje van het buspersoneel. De 5-6 minuten vertraging nemen zij graag op de koop toe. Of: in de bus naar het havengebied worden iedere ochtend om dezelfde tijd twee jongetjes van een jaar of zeven naar binnen geholpen. Waarschijnlijk gaan ze ergens verderweg op school. De oudste heeft een zakje om zijn hals met wat kleingeld erin voor de rit. Zeker eens per week geeft de conductrice hem een kaartje en stopt dan het muntstuk weer in zijn zakje terug voor een snoepje. De beide jongetjes lopen na de procedure van het kaartjeskopen altijd regelrecht door naar de buschauffeur. Daar staan zij dan met ernstige gezichten naar de instrumenten en naar de weg te staren. En in de bus heerst opeens een gevoel van veiligheid als op een schip, wanneer de loodsen aan boord zijn gekomen.