zondag 6 december 2015

Anaïs Nin -- 6 december 1932

Anaïs Nin (1903-1977) was een Franse schrijfster, die vooral bekend is vanwege haar dagboeken. Vertaling: Margaretha Ferguson. Het fragment gaat over schrijver Henry Miller en zijn vrouw June.

December 1932
Nooit zou ik gedacht hebben toen ik Henry [Miller] het geld gaf om naar Londen te ontvluchten dat June [Miller] de avond voor zijn vertrek zou komen en het hem allemaal afnemen. Hij schrijft mij een zwakke brief:
Ik ben boos, woedend op mijzelf, ik vertrek vanavond naar Londen. Fred kwam me redden. Ik vertrek, dus het zal niet weer gebeuren. Ik haat June. Na een verbitterd, wal ging wekkend gesprek voel ik me vernederd, diep beschaamd. Het was een marteling die ik verduurde. En waarom ik het uithield weet ik niet, tenzij het is dat ik een gevoel van schuld heb. June is niet voor rede vatbaar. Ze is een gekkin geworden. De smerigste bedreigingen en beschuldigingen. Dat is waarom ik instortte en ging huilen. Ze is in staat tot alles. Ze is angstaanjagend in haar heftigheid.
Henry kan alleen vechten in boeken. In het leven loopt hij weg. Nu is hij in Londen. Ik maak geld los voor Junes ticket naar New York, omdat ze me erom heeft gevraagd. Ik moet het achterlaten bij de American Express.
June laat een afscheidsindruk achter die niet fraai is. Henry's portefeuille legend, Henry bangmakend.

Henry & June Miller
Henry werd aan de Engelse grens tegengehouden omdat hij te weinig geld bij zich had. Ondervraagd. Weggeleid. Hij droeg zijn sjofelste kleren. Hij vertelde de autoriteiten dat hij wegliep voor zijn vrouw!
In het café waar we elkaar ontmoetten barstte hij uit in verhalen over June. En twee dingen tekenden zich af: zijn goedheid, zijn ware gevoelens. De zwakte van de man, zijn luisteren naar June helemaal tot aan het eind van wat ze te zeggen had wordt, in het geval van de schrijver, de passiviteit van de kunstenaar als beschouwer van het leven. Luisterend naar june hield hij op de man te zijn die haar tot stilzwijgen had moeten brengen; hij werd een onderzoeker, luisterend naar wat een normale man niet had willen observeren. 'Ik ontdekte de laaghartigheid van June. Door haar boosheid heen, wat er werd prijsgegeven was haar enorme egoïsme. Erger dan dat. Smakeloos. Toen ze me verliet draaide ze zich bij de deur om, om te zeggen: 'En nu heb je je laatste hoofdstuk voor je boek!'
Henry had tranen in zijn ogen toen hij dit laatste tafereel beschreef. Smakeloos. Wat een onverwacht woord om June mee te brandmerken.
Op dit moment zag Henry er afgetobd uit, droevig, diep.
Toen begon hij te praten over D. H. Lawrence en Dr. Otto Ranks Art and Artist. Zijn geest maakt immense omwegen. Dan raakt hij verdwaald. En dan ben ik in staat hem terug te voeren, niet omdat ik iets meer zou weten dan hij, of omdat ik meer een geheel ben, maar omdat ik in de wereld der ideeën gevoel voor richting heb.
Veel van wat ik aan het lezen ben in Art and Artist draagt bij tot bevestiging van de vermoedens die ik omtrent de kunstenaar heb gehad. Wat span ik me in om tot begrip te komen. Er zijn momenten, als Henry aan het praten is, dat ik me waarachtig vermoeid voel, als een vrouw die reikt naar kennis boven haar macht. Ik rek mijn geest uit om de bochten en zwenkingen van de geest van de man te volgen. Het zijn altijd de grote, onpersoonlijke ruimten die mij angst aanjagen, de enorme woestijnen, het universum, kosmologieën. Hoe klein mijn bijlichtende lantaren, hoe kolossaal het universum van de mens. Het schijnt me toe dat het het menselijke is waaraan ik me vastklem, en het persoonlijke. Ik wil geen onpersoonlijke, niet-menselijke werelden betreden.
Heeft Henry gelijk? Hij wil dat ik helemaal geen dagboek meer schrijf. Hij denkt dat het een ziekte is, een uitwas van eenzaamheid. Ik weet het niet. Het is ook het aantekenboek geworden van mijn extravertie, een reis-schetsboek: het is vol van anderen. Het heeft zijn aanzicht gewijzigd. Ik kan het niet voorgoed in de steek laten. Henry zegt: 'Doe je dagboek op slot, en ga zwemmen. Wat ik zou willen dat je deed is leven zonder het dagboek, je zou andere dingen schrijven.'
Ik zou me voelen als een slak zonder zijn huisje. Iedereen heeft mijn dagboek altijd dwarsgezeten. Mijn moeder drong er altijd op aan dat ik buiten zou gaan spelen. Mijn broers plaagden me, stalen het, en maakten het belachelijk. Mijn vriendinnetjes op school mochten het niet lezen. Iedereen zei dat ik er bovenuit zou groeien. In Havana zei mijn tante dat het mijn ogen zou bederven en de jongens afschrikken.
Henry is bezig zijn talrijke aantekenboeken te sorteren zodat ik ze eventueel kan laten inbinden. Zijn schrijftafel is bezaaid met manuscripten. Zijn naslagboeken staan op een rijtje vóór hem. Hij is in hemdsmouwen. Ik breng hem een nummer van de surrealistische publikatie This Quarter. Fred zit ook te typen. Iemand anders is in de keuken aan het koken.




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen