• Edmond de Goncourt (1822-1896), Franse schrijver, criticus en uitgever, hield samen met zijn broer Jules (1830-1870) (en na diens dood alleen) een beroemd geworden dagboek bij.
Donderdag 4 mei [1871]
Vanaf het stadhuis vertrokken om in een van de meer afgelegen wijken Jongkind op te zoeken. Ik ben een van de eersten die de verdiensten van de schilder gezien heeft, maar ik kende de man zelf nog niet.
Stel u voor een blonde reus met blauwe ogen, het blauw van Delfts aardewerk, en een naar beneden getrokken mond, terwijl hij aan het schilderen is in een gebreid vest en met een Hollandse schipperspet op.
Op zijn ezel heeft hij een schilderij van een Parijse voorstad, met een lemige rivieroever van een allerkostelijkste makelij. Hij laat ons schetsen zien van Parijse straten, van de wijk rond de rue Mouffetard, van de omgeving van de Saint-Médard, en het lijkt of daar de apotheose van de grijze en vlekkerige Parijse pleisterkalk, in de glans van de vochtige atmosfeer, door een tovenaar is vastgelegd. Daarna volgen voorstudies, kladjes op papier, fantastische beelden van lucht en water, een vuurwerk van de kleuren van de hemel.
Hij liet het ons allemaal heel goedig zien, terwijl hij een mengeling van Hollands en Frans brabbelde, waarin soms de bitterheid doorklonk van een groot talent dat 3.000 frank per jaar vraagt om te kunnen leven, een bedrag dat hij niet altijd bij elkaar had gekregen, zelfs niet in de tijd dat hij een schilderij van Bonington voor 80.000 frank van de hand had zien gaan. Maar direct daarop bedaarde hij weer en sprak hij met een trieste ondertoon over zijn kunst, zijn strijd en over zijn voortdurende zoeken, waardoor hij, naar zijn zeggen, ‘de ongelukkigste mens was die er rondliep’.
Intussen was er steeds een vrouw in zijn onmiddellijke nabijheid, die zich in woord en gebaar tegenover hem gedroeg zoals een moeder met haar kind omgaat, een vrouw die hem gered had van de honger en de waanzin. Zij was gedrongen en had zilvergrijs haar en een flinke snor; het was een engel van toewijding met het uiterlijk van een bordeelhoudster.
Het bezoek nam geruime tijd in beslag, het bekijken van de portefeuilles duurde verscheidene uren, Jongkind kwam los, hij wond zich op over de politiek van de Commune. Plotseling begon zijn spreken zich te verhollandsen en raakte hij in de war, zijn woorden werden heel vreemd en onsamenhangend. Er was sprake van agenten van Lodewijk XVIII, van afschuwelijke dingen waarvan de schilder getuige zou zijn geweest. Hij sprong ineens op, alsof er een veer in hem losschoot: ‘Daar ging een elektrische stroom vlak langs me heen, zag u wel.’ En met zijn mond deed hij het geluid van een fluitende kogel na. Hij ging weer zitten en begon opnieuw over de geheime politie, over mensen die hem wilden laten verdwijnen, enzovoorts. Het is treurig, het is afschuwelijk om te zien hoe deze talentvolle man, die al een keer uit de afgrond is teruggehaald, wankelend op het punt staat er opnieuw in te vallen bij het eerste het beste gesprek van enige duur, bij de minste prikkeling van zijn zenuwen, bij de minste inspanning van zijn hersenen.384-2019>
zondag 3 mei 2026
Otto van Lidth de Jeude • 3 mei 1940
• Otto van Lidth de Jeude (1881-1952) was een Nederlandse waterbouwkundige en politicus. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef hij in Londen. Hij was voorzitter van het Nederlandse Rode Kruis en vanaf 1942 minister van Oorlog. Over de periode 1940-1945 hield hij een dagboek bij.
3 Mei 1940
8 uur aankomst T. Pandang, afgehaald door Ir. van Hasselt. Hij deelt mede, dat Ir. van Capelle is ontslagen, omdat hij, evenals zijn vrouw, verwoed N.S.B. is. Ik acht dit een wijs besluit, mede met het oog op de houding van de N.I. Regeering. Mr. Brons te Batavia, waarover ik op 14 Maart schreef, is in dienst gehouden, omdat hij mededeelde, dat hij den N.S.B. had afgezworen en met de mededeeling, dat indien hij zich daarmede te eeniger tijd zou bemoeien, dan onmiddellijk ontslag zou volgen.
In Nederland werd het standpunt ingenomen, dat N.S.B.-neigingen geen reden voor ontslag waren, zoolang daarvan in den dienst geenerlei hinder of nadeel werd ondervonden. Dit standpunt wordt in Ned. Indië, waar met geheel andere omstandigheden is rekening te houden , niet houdbaar geacht en dient een veel strengere maatstaf te worden aangelegd. Zonder hierop uitvoerig in te gaan, wordt eraan herinnerd, dat het bestuur van Nederlandsch-Indië door de Nederlandsche autoriteit ernstig geschaad zou worden, indien daarbij een diepgaand verschil van politiek inzicht tusschen de Nederlanders aan den dag zou treden, terwijl bovendien toelating en doorvoering van totalitaire beginselen weinig goeds voor de inlandsche bevolking voorspelt hetgeen tot vérgaande consequenties zou kunnen leiden.
[...]
Een als steeds voortreffelijke rijsttafel bij Ir. van Hasselt met Van den Broek, Van Kuyk, mej. Bijl, de secretaresse, die Van den Broek uit Holland heeft medegenomen, een beschaafd, bescheiden meisje, de dochter van den gezagvoerder van de Nieuw Amsterdam, die voor de correspondentie en administratie bijzonder nuttig is. Haar zuster is getrouwd met een zoon van Weiter, die in Batavia gevestigd is. Zij is in Den Haag werkzaam op de Billiton Mij en kent dus alle ins and outs van het kantoor, hetgeen voor Van den Broek een groot gemak is, weshalve hij haar ook medegenomen heeft. Na den rijsttafel keeren wij aan boord van het M.S. Siberg terug om 3 uur, teneinde den reis naar Singkep voort te zetten. Aan boord ten afscheid aanwezig Ir. van Lier en Dr. Leeuwenburgh met echtgenoote. Ir. van Hasselt zal ons op den verderen reis vergezellen.
3 Mei 1940
8 uur aankomst T. Pandang, afgehaald door Ir. van Hasselt. Hij deelt mede, dat Ir. van Capelle is ontslagen, omdat hij, evenals zijn vrouw, verwoed N.S.B. is. Ik acht dit een wijs besluit, mede met het oog op de houding van de N.I. Regeering. Mr. Brons te Batavia, waarover ik op 14 Maart schreef, is in dienst gehouden, omdat hij mededeelde, dat hij den N.S.B. had afgezworen en met de mededeeling, dat indien hij zich daarmede te eeniger tijd zou bemoeien, dan onmiddellijk ontslag zou volgen.
In Nederland werd het standpunt ingenomen, dat N.S.B.-neigingen geen reden voor ontslag waren, zoolang daarvan in den dienst geenerlei hinder of nadeel werd ondervonden. Dit standpunt wordt in Ned. Indië, waar met geheel andere omstandigheden is rekening te houden , niet houdbaar geacht en dient een veel strengere maatstaf te worden aangelegd. Zonder hierop uitvoerig in te gaan, wordt eraan herinnerd, dat het bestuur van Nederlandsch-Indië door de Nederlandsche autoriteit ernstig geschaad zou worden, indien daarbij een diepgaand verschil van politiek inzicht tusschen de Nederlanders aan den dag zou treden, terwijl bovendien toelating en doorvoering van totalitaire beginselen weinig goeds voor de inlandsche bevolking voorspelt hetgeen tot vérgaande consequenties zou kunnen leiden.
[...]
Een als steeds voortreffelijke rijsttafel bij Ir. van Hasselt met Van den Broek, Van Kuyk, mej. Bijl, de secretaresse, die Van den Broek uit Holland heeft medegenomen, een beschaafd, bescheiden meisje, de dochter van den gezagvoerder van de Nieuw Amsterdam, die voor de correspondentie en administratie bijzonder nuttig is. Haar zuster is getrouwd met een zoon van Weiter, die in Batavia gevestigd is. Zij is in Den Haag werkzaam op de Billiton Mij en kent dus alle ins and outs van het kantoor, hetgeen voor Van den Broek een groot gemak is, weshalve hij haar ook medegenomen heeft. Na den rijsttafel keeren wij aan boord van het M.S. Siberg terug om 3 uur, teneinde den reis naar Singkep voort te zetten. Aan boord ten afscheid aanwezig Ir. van Lier en Dr. Leeuwenburgh met echtgenoote. Ir. van Hasselt zal ons op den verderen reis vergezellen.
Beb Vuyk • 2 mei 1945
• De Nederlandse schrijfster Beb Vuyk (1905-1991) zat in de Tweede Wereldoorlog in een Japans interneringskamp, en hield toen een dagboek bij.
Begin mei 1945
Vandaag was het broodje bijna niet eetbaar, weinig maïs, veel cassave, zuur en onsmakelijk. Ons dagelijks brood, letterlijk in het zweet ons aanschijns verdiend. ik zeg tegen Rudi dat ik op pay-day ragi [zuurdesem] zal kopen, waarmee we gegiste broodpap kunnen maken. Mijn overbuurvrouw biedt mij een ragi-bolletje aan en ik gebruik mijn laatste schepje suiker om de gisting op gang te brengen.
Het is een ongewone geste in dit milieu, want hoewel we alleen gescheiden door een gangpad van krap drie meter overburen zijn, kennen we zelfs elkaars namen nog niet. We zeggen alleen goedemorgen bij het wakker worden, daar blijft het bij. Tot een gesprek zijn we nog niet gekomen; door mijn tuinwerk ben ik weinig in de hut.
Ze is een wat oudere vrouw, ik schat haar op even in de vijftig, maar daar informeer ik niet naar. Altijd als ik met een van de vele anoniemen praat, stel ik geen persoonlijke vragen. Tenslotte zijn wij net als wrakhout aangespoeld aan een barre kust, met de kans dat een nieuwe golf ons weer uit elkaar drijft.
Deze keer praten we wel nog wat na, terwijl ik de ragi behandel Ze werkt niet want ze heeft een achterlijk dochtertje van een jaar of zestien, een stil introvert kind dat weinig zegt en alleen heel verlegen lacht als ze aangesproken wordt. Ze heeft geen aansluiting bij de meisjes van haar leeftijd, die allemaal werken. De moeder vertelt mij dat zij zelf graag zou willen werken, maar ze durft het kind niet onbeschermd in de hut achter te laten. Ze wandelt veel met haar; beweging hebben ze beiden nodig.
'In de hut praten ze alleen maar over geruchten. De mensen hebben veel te weinig te doen,' klaagt ze. Er zijn een stel oude vrouwen, stakkers, zwak en ziekelijk, en moeders met nog hele kleine kinderen en echte zieken met koorts, maar niet hoog genoeg om naar het hospitaal overgebracht te worden. Geruchten over landingen in alle grote havensteden van Java en Sumatra en over dingen die het kamp onmiddellijk treffen. We zullen nóg minder brood krijgen en kleinere porties rijst. Er is een grote groep nieuwelingen op komst, voor wie we moeten opschuiven. En het allernieuwste: we krijgen Rode-Kruispakketten. Dat is wel het meest onwaarschijnlijk, daar zijn we het over eens. Het vorige jaar hebben wij een keer een Rode-Kruispakket gehad. Dat was in Kareës, toen ik nog tot de kongsi An, Chris, Beb en kinderen behoorde. Dat was in mei dat we ze kregen, precies op Hans' verjaardag, en nu is het weer mei. Hiermee meen ik de oorsprong van het gerucht getraceerd te hebben en ik vertel het mijn buurvrouw. Meimaand, Rode-Kruismaand, zo ontstaat de kampfolklore.
Begin mei 1945
Vandaag was het broodje bijna niet eetbaar, weinig maïs, veel cassave, zuur en onsmakelijk. Ons dagelijks brood, letterlijk in het zweet ons aanschijns verdiend. ik zeg tegen Rudi dat ik op pay-day ragi [zuurdesem] zal kopen, waarmee we gegiste broodpap kunnen maken. Mijn overbuurvrouw biedt mij een ragi-bolletje aan en ik gebruik mijn laatste schepje suiker om de gisting op gang te brengen.
Het is een ongewone geste in dit milieu, want hoewel we alleen gescheiden door een gangpad van krap drie meter overburen zijn, kennen we zelfs elkaars namen nog niet. We zeggen alleen goedemorgen bij het wakker worden, daar blijft het bij. Tot een gesprek zijn we nog niet gekomen; door mijn tuinwerk ben ik weinig in de hut.
Ze is een wat oudere vrouw, ik schat haar op even in de vijftig, maar daar informeer ik niet naar. Altijd als ik met een van de vele anoniemen praat, stel ik geen persoonlijke vragen. Tenslotte zijn wij net als wrakhout aangespoeld aan een barre kust, met de kans dat een nieuwe golf ons weer uit elkaar drijft.
Deze keer praten we wel nog wat na, terwijl ik de ragi behandel Ze werkt niet want ze heeft een achterlijk dochtertje van een jaar of zestien, een stil introvert kind dat weinig zegt en alleen heel verlegen lacht als ze aangesproken wordt. Ze heeft geen aansluiting bij de meisjes van haar leeftijd, die allemaal werken. De moeder vertelt mij dat zij zelf graag zou willen werken, maar ze durft het kind niet onbeschermd in de hut achter te laten. Ze wandelt veel met haar; beweging hebben ze beiden nodig.
'In de hut praten ze alleen maar over geruchten. De mensen hebben veel te weinig te doen,' klaagt ze. Er zijn een stel oude vrouwen, stakkers, zwak en ziekelijk, en moeders met nog hele kleine kinderen en echte zieken met koorts, maar niet hoog genoeg om naar het hospitaal overgebracht te worden. Geruchten over landingen in alle grote havensteden van Java en Sumatra en over dingen die het kamp onmiddellijk treffen. We zullen nóg minder brood krijgen en kleinere porties rijst. Er is een grote groep nieuwelingen op komst, voor wie we moeten opschuiven. En het allernieuwste: we krijgen Rode-Kruispakketten. Dat is wel het meest onwaarschijnlijk, daar zijn we het over eens. Het vorige jaar hebben wij een keer een Rode-Kruispakket gehad. Dat was in Kareës, toen ik nog tot de kongsi An, Chris, Beb en kinderen behoorde. Dat was in mei dat we ze kregen, precies op Hans' verjaardag, en nu is het weer mei. Hiermee meen ik de oorsprong van het gerucht getraceerd te hebben en ik vertel het mijn buurvrouw. Meimaand, Rode-Kruismaand, zo ontstaat de kampfolklore.
donderdag 30 april 2026
Reinier Lucassen • 1 mei 1975
• Reinier Lucassen (1939-2015) was een Nederlandse kunstschilder. Hij publiceerde in 1975 enige dagboekbladen in De Revisor.
1 Mei
Vanavond rond half tien uitgeput thuisgekomen. Heb ook de laatste dagen weer veel last van mijn hoofd. Ik zal de laatste tijd te veel en te lang hebben gewerkt; uit ellende de televisie aangezet (wat verstrooiing), een programma over vrouwenemancipatie. Op het moment dat het beeld doorkwam, viel ik als het ware met mijn neus in de boter: een keurige wat oudere en zeurderige dame met een kuisheidsgordel in de handen geklemd vertelde welk een ellende een dergelijk ding kan veroorzaken en had veroorzaakt. Ik had nooit eerder een kuisheidsgordel gezien, ik moet eerlijkheidshalve bekennen dat ik zeer gefascineerd heb zitten kijken. Heel lang heb ik gedacht dat de kuisheidsgordel nooit heeft bestaan, dat het een literair bedenksel was, romantische dichters en zo, of het produkt van de fantasie van wat overspannen oude vrijsters. Waar ik na afloop van dit programma aan moest denken, was dat die vrouwen (in ieder geval op dit moment), die zich met de gelijkheid van de vrouw bezighouden bijna altijd van die engerds zijn, niet om aan te zien. Vaak ook zijn het ongewassen puistekoppen types met vuile nagels, heb ik goed kunnen controleren in die hippe artiestencafé's, waar nogal wat van die dolle mina's rondscharrelen. Wat een afschuwelijk en tragisch misverstand om te denken: als je er maar goor uitziet, in een voddenzak gehuld, dat je gelijk bent aan de man. Trouwens dit verschijnsel vind je niet alleen bij die dolle mina's, is erg in bij veel progressieven en andere linkse wereldverbeteraars; hoe viezer hoe mooier. Ik ga daarom toch maar liever naar mijn favoriete dancing, waar vaak beeldschone meisjes rondlopen. Als ik daar wat rondloer is het mij duidelijk dat zulke meisjes helemaal niet geïnteresseerd en bezig zijn met wat voor soort van emancipatie dan ook, zij hebben wel wat anders aan hun hoofd. 444-2019>
1 Mei
Vanavond rond half tien uitgeput thuisgekomen. Heb ook de laatste dagen weer veel last van mijn hoofd. Ik zal de laatste tijd te veel en te lang hebben gewerkt; uit ellende de televisie aangezet (wat verstrooiing), een programma over vrouwenemancipatie. Op het moment dat het beeld doorkwam, viel ik als het ware met mijn neus in de boter: een keurige wat oudere en zeurderige dame met een kuisheidsgordel in de handen geklemd vertelde welk een ellende een dergelijk ding kan veroorzaken en had veroorzaakt. Ik had nooit eerder een kuisheidsgordel gezien, ik moet eerlijkheidshalve bekennen dat ik zeer gefascineerd heb zitten kijken. Heel lang heb ik gedacht dat de kuisheidsgordel nooit heeft bestaan, dat het een literair bedenksel was, romantische dichters en zo, of het produkt van de fantasie van wat overspannen oude vrijsters. Waar ik na afloop van dit programma aan moest denken, was dat die vrouwen (in ieder geval op dit moment), die zich met de gelijkheid van de vrouw bezighouden bijna altijd van die engerds zijn, niet om aan te zien. Vaak ook zijn het ongewassen puistekoppen types met vuile nagels, heb ik goed kunnen controleren in die hippe artiestencafé's, waar nogal wat van die dolle mina's rondscharrelen. Wat een afschuwelijk en tragisch misverstand om te denken: als je er maar goor uitziet, in een voddenzak gehuld, dat je gelijk bent aan de man. Trouwens dit verschijnsel vind je niet alleen bij die dolle mina's, is erg in bij veel progressieven en andere linkse wereldverbeteraars; hoe viezer hoe mooier. Ik ga daarom toch maar liever naar mijn favoriete dancing, waar vaak beeldschone meisjes rondlopen. Als ik daar wat rondloer is het mij duidelijk dat zulke meisjes helemaal niet geïnteresseerd en bezig zijn met wat voor soort van emancipatie dan ook, zij hebben wel wat anders aan hun hoofd. 444-2019>
woensdag 29 april 2026
Arthur Japin • 30 april 2009
• Arthur Japin (1956) is een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken 2008-2018 zijn gepubliceerd als Geluk, een geheimtaal.
April 2009
[Noord-Frankrijk]
Boven de Maas hangt mist waar de zon doorheen breekt. Bens vader, naar Europa gekomen voor de promotie van zijn zoon, staat in de bocht bij het chateau in de buurt van Verdun uit te kijken over de rivier. Hij denkt aan zijn vader, die hier gevochten heeft. Even later lopen wij met hem over het kraterlandschap van de slagvelden. In elk gat dat door het mortiervuur werd geslagen moesten zich drie soldaten opstellen. Werden zij bij een volgende inslag bedolven, dan stapten drie verse jongens in het nieuwe kratergat, wachtend op hetzelfde lot. De aarde is weer begroeid, maar nooit geheeld. Onder de dennen is het desolate maanlandschap nog goed te zien.
Wij staan gebogen onder de koude, natte gangen van fort Douaumont als Lex belt om te zeggen dat er een aanslag is gepleegd op de koninklijke familie. Het past naadloos in de naargeestigheid van deze dag. Ingrid, onze gids, heeft ons een ogenblik tevoren de plek aangewezen, hier, precies achter mijn hoofd, waar na een mortierinslag de ingewanden van de soldaten van de muur moesten worden geschraapt. Genoeg, wij willen naar het leven!
Buiten vliegen de zwaluwen. Zij nestelen in de kieren van het fort, precies op ooghoogte zodat we ze goed kunnen zien.
`Maak een foto voor Lex,' zegt Ben. 'Hij is zo gek op zwaluwen!'
'Ik heb thuis ook zwaluwen,' gromt Ingrid. 'Als hun kinderen niet snel genoeg uitvliegen breken zij ze met hun snavels de nek.
April 2009
[Noord-Frankrijk]
Boven de Maas hangt mist waar de zon doorheen breekt. Bens vader, naar Europa gekomen voor de promotie van zijn zoon, staat in de bocht bij het chateau in de buurt van Verdun uit te kijken over de rivier. Hij denkt aan zijn vader, die hier gevochten heeft. Even later lopen wij met hem over het kraterlandschap van de slagvelden. In elk gat dat door het mortiervuur werd geslagen moesten zich drie soldaten opstellen. Werden zij bij een volgende inslag bedolven, dan stapten drie verse jongens in het nieuwe kratergat, wachtend op hetzelfde lot. De aarde is weer begroeid, maar nooit geheeld. Onder de dennen is het desolate maanlandschap nog goed te zien.
Wij staan gebogen onder de koude, natte gangen van fort Douaumont als Lex belt om te zeggen dat er een aanslag is gepleegd op de koninklijke familie. Het past naadloos in de naargeestigheid van deze dag. Ingrid, onze gids, heeft ons een ogenblik tevoren de plek aangewezen, hier, precies achter mijn hoofd, waar na een mortierinslag de ingewanden van de soldaten van de muur moesten worden geschraapt. Genoeg, wij willen naar het leven!
Buiten vliegen de zwaluwen. Zij nestelen in de kieren van het fort, precies op ooghoogte zodat we ze goed kunnen zien.
`Maak een foto voor Lex,' zegt Ben. 'Hij is zo gek op zwaluwen!'
'Ik heb thuis ook zwaluwen,' gromt Ingrid. 'Als hun kinderen niet snel genoeg uitvliegen breken zij ze met hun snavels de nek.
dinsdag 28 april 2026
Sonja Paardekooper • 29 april 1945
• Sonja Paardekooper (1930-2009) hield als jong meisje een dagboek bij van haar tijd in het interneringskamp Ambarawa. Dat dagboek is gepubliceerd als Achter het gedek (Het gedek was de bamboe schutting rond het kamp, waar je dingen kon ruilen met de buitenwereld.)
29 April
't Is vandaag de verjaardag van zijne keizerlijke hoogheid "Tenno Heiko". Erg scheutig is hij niet voor zijn geïnterneerde gasten. Voor ons 1300 (?) heeft hij een halve koe gestuurd en zelfs de pakketten zijn nog niet uitgedeeld. Wel heeft hij meedegedeeld, dat we van "hotel" moeten verhuizen. Als een bom kwam het bericht gisteren in ons midden; wel liepen er allang zulke geruchten, maar daar hechtten we geen waarde aan. Nu zie je dat er geen koe (zo) bont is, of er is een vlekje aan. Juffrouw Ongerboer zei ons, dat de Nip wel elk ogenblik andere orders gaf, maar dat we waarschijnlijk tussen de 4e en de 8e gaan, dat we verdeeld worden over kamp 6 hier in Ambarawa en kamp 10 en 11 in Banjoebiro wat hier vlakbij is. Als reden wordt de slechte watersituatie opgegeven, maar dat zal wel een smoesje zijn, want daar heeft de Nip zich nog nooit iets van aangetrokken, waarom nu opeens wel? We hebben al overal nummers opgenaaid en mammie heeft mijn koffer al overgepakt. 't Erge is, dat de djagoeng en de kedele op is en dat die vent voor die paar dagen wel geen nieuwe voorraad zal sturen. Dus hongeren, terwijl het nu juist weer zoo goed ging met een beetje boter en twee eieren. Ik vind het erg naar, dat we weg moeten. Als we nu (eens) naar huis mochten! Maar wie weet, gaat het wel niet door. Nippon's wegen zijn wonderbaar.
1 Mei
De vierde gaan de Bandoengers naar een kamp in Banjoebiro, de vroegere gevangenis. Wij gaan naar kamp 11, maar wanneer is nog niet bekend. Onze pakketten zullen meegestuurd worden, die zien we dus niet. Nu, we zijn al bijna gepakt. Het spijt me alleen van mijn werk in de keuken en waarschijnlijk komen we daar in gedekloodsen. Dit moet ik [tekening hieronder] verbeelden, als ik naar stookdienst ga. Alleen is 't niet zo goed gelukt. Een klein shortje, dat een onbestemde kleur heeft gekregen waaronder een paar lange blote spillebenen uitsteken. Daarboven een blouse met honderd en een stopjes en lappen, voor het werk nog blauw en later zwart. Op mijn hoofd een gele doek, die vroeger een padvindersdas geweest is en die mijn haar tegen het al te vuil worden moet beveiligen. Als mijn tegles niet kapot zijn, loop ik daarop en anders op blote voeten.
29 April
't Is vandaag de verjaardag van zijne keizerlijke hoogheid "Tenno Heiko". Erg scheutig is hij niet voor zijn geïnterneerde gasten. Voor ons 1300 (?) heeft hij een halve koe gestuurd en zelfs de pakketten zijn nog niet uitgedeeld. Wel heeft hij meedegedeeld, dat we van "hotel" moeten verhuizen. Als een bom kwam het bericht gisteren in ons midden; wel liepen er allang zulke geruchten, maar daar hechtten we geen waarde aan. Nu zie je dat er geen koe (zo) bont is, of er is een vlekje aan. Juffrouw Ongerboer zei ons, dat de Nip wel elk ogenblik andere orders gaf, maar dat we waarschijnlijk tussen de 4e en de 8e gaan, dat we verdeeld worden over kamp 6 hier in Ambarawa en kamp 10 en 11 in Banjoebiro wat hier vlakbij is. Als reden wordt de slechte watersituatie opgegeven, maar dat zal wel een smoesje zijn, want daar heeft de Nip zich nog nooit iets van aangetrokken, waarom nu opeens wel? We hebben al overal nummers opgenaaid en mammie heeft mijn koffer al overgepakt. 't Erge is, dat de djagoeng en de kedele op is en dat die vent voor die paar dagen wel geen nieuwe voorraad zal sturen. Dus hongeren, terwijl het nu juist weer zoo goed ging met een beetje boter en twee eieren. Ik vind het erg naar, dat we weg moeten. Als we nu (eens) naar huis mochten! Maar wie weet, gaat het wel niet door. Nippon's wegen zijn wonderbaar.
1 Mei
De vierde gaan de Bandoengers naar een kamp in Banjoebiro, de vroegere gevangenis. Wij gaan naar kamp 11, maar wanneer is nog niet bekend. Onze pakketten zullen meegestuurd worden, die zien we dus niet. Nu, we zijn al bijna gepakt. Het spijt me alleen van mijn werk in de keuken en waarschijnlijk komen we daar in gedekloodsen. Dit moet ik [tekening hieronder] verbeelden, als ik naar stookdienst ga. Alleen is 't niet zo goed gelukt. Een klein shortje, dat een onbestemde kleur heeft gekregen waaronder een paar lange blote spillebenen uitsteken. Daarboven een blouse met honderd en een stopjes en lappen, voor het werk nog blauw en later zwart. Op mijn hoofd een gele doek, die vroeger een padvindersdas geweest is en die mijn haar tegen het al te vuil worden moet beveiligen. Als mijn tegles niet kapot zijn, loop ik daarop en anders op blote voeten.
maandag 27 april 2026
M.B. van der Jagt • 28 april 1909
• M.B. van der Jagt (1873-1960) was gouverneur van Soerakarta. Onderstaand verslag van onenigheid tussen Chinezen en Arabieren komt uit zijn dagboek, opgenomen in zijn Memoires.
Tegal, 28 April 1909.
Gisternacht om twee uur nog een gewonde Arabier in zijn huis laten oppakken en preventief gezet. Heeft een wond aan zijn rechterhand en beweert die acht dagen geleden te hebben opgelopen bij het splijten van een bamboe, bestemd voor vlaggestok, bij de Oranjefeesten (niet slecht bedacht), maar de dokter verklaarde, dat die wond aan de onderkant van de pink niet van een eigen kapslag op een bamboe kon ontstaan zijn. Gisteravond geheim onderhoud gehad met Baheloel, eervol ontslagen Arabisch wijkmeester. Hielp al meermalen de politie voor het ophelderen van diefstallen. Beweert nu ook te willen meehelpen, omdat ik hem vergunde met een stok te blijven lopen. Hij is mank. Overhandigde hem een persoonlijk schrijven als introductie bij B.B. en politie in andere gewesten.
Gisternacht om twee uur nog een gewonde Arabier in zijn huis laten oppakken en preventief gezet. Heeft een wond aan zijn rechterhand en beweert die acht dagen geleden te hebben opgelopen bij het splijten van een bamboe, bestemd voor vlaggestok, bij de Oranjefeesten (niet slecht bedacht), maar de dokter verklaarde, dat die wond aan de onderkant van de pink niet van een eigen kapslag op een bamboe kon ontstaan zijn. Gisteravond geheim onderhoud gehad met Baheloel, eervol ontslagen Arabisch wijkmeester. Hielp al meermalen de politie voor het ophelderen van diefstallen. Beweert nu ook te willen meehelpen, omdat ik hem vergunde met een stok te blijven lopen. Hij is mank. Overhandigde hem een persoonlijk schrijven als introductie bij B.B. en politie in andere gewesten.
zondag 26 april 2026
Eugène Delacroix • 27 april 1850
• Eugène Delacroix (1798-1863) was een Franse schilder. Dagboekfragmenten en brieven van zijn hand zijn verzameld in Ik heb het niet over middelmatige mensen (vertaling: Joop van Helmond).
Champrosay, vrijdag 26 april. [1850] – Om halftwaalf naar Champrosay vertrokken. Dolgelukkig om weer hier te zijn. Het verrukkelijkst is het gevoel van de volledige vrijheid die ik hier geniet. Hier kunnen vervelende mensen me niet komen opzoeken, zij het dat me dat wel is overkomen, zo moeilijk is het om hun te ontlopen. De tuin was prima op orde en alles is goed gegaan.
Zaterdag 27 april. [1850] – ’s Avonds slaap ik buitensporig veel, en soms zelfs overdag. Het nadeel van het platteland, voor een man die ertegen opziet om veel te lezen, is de verveling en een zekere droevigheid die de aanblik van de natuur oproept. Dat voel ik allemaal niet als ik aan het werk ben; maar dit keer heb ik besloten om absoluut niets te doen, om rust te nemen van het wat abstracte werk aan de compositie van mijn plafond. [Delacroix had de opdracht gekregen voor een plafondschildering in de Apollozaal van het Louvre.]
Dinsdag 30 april. [1850] – Om negen uur de deur uit gegaan. Het steegje van de Markies genomen en tot aan de Hermitage gelopen. Tegenover de Hermitage is een groot stuk bos weggekapt. Ieder jaar zie ik weer met hartzeer een deel van het bos tegen de grond gaan, en altijd weer het mooiste, dat wil zeggen het dichtste en oudste deel. Er liep daar een lieflijk, lommerrijk pad. Rechts afgeslagen tot aan de eik die de Prior heet. Daar zag ik langs het pad een stoet mieren, waarover ik van natuurkenners wel eens de nodige uitleg zou willen horen. De hele stam leek in het gareel voorbij te trekken alsof ze emigreerden; een klein aantal werkmieren liep in tegenovergestelde richting tegen de stroom in. Waar gingen die naartoe? We zitten allemaal, rijp en groen, dieren, mensen, planten, opgesloten in deze immense doos die we het universum noemen.We pretenderen te kunnen lezen wat er in de sterren staat, gissen over de toekomst en het verleden die buiten ons blikveld liggen, en we begrijpen geen jota van wat zich onder onze ogen afspeelt. Al deze levende wezens, voor altijd van elkaar gescheiden en voor elkaar ondoorgrondelijk. [...]269-2018>
Champrosay, vrijdag 26 april. [1850] – Om halftwaalf naar Champrosay vertrokken. Dolgelukkig om weer hier te zijn. Het verrukkelijkst is het gevoel van de volledige vrijheid die ik hier geniet. Hier kunnen vervelende mensen me niet komen opzoeken, zij het dat me dat wel is overkomen, zo moeilijk is het om hun te ontlopen. De tuin was prima op orde en alles is goed gegaan.
Zaterdag 27 april. [1850] – ’s Avonds slaap ik buitensporig veel, en soms zelfs overdag. Het nadeel van het platteland, voor een man die ertegen opziet om veel te lezen, is de verveling en een zekere droevigheid die de aanblik van de natuur oproept. Dat voel ik allemaal niet als ik aan het werk ben; maar dit keer heb ik besloten om absoluut niets te doen, om rust te nemen van het wat abstracte werk aan de compositie van mijn plafond. [Delacroix had de opdracht gekregen voor een plafondschildering in de Apollozaal van het Louvre.]
Dinsdag 30 april. [1850] – Om negen uur de deur uit gegaan. Het steegje van de Markies genomen en tot aan de Hermitage gelopen. Tegenover de Hermitage is een groot stuk bos weggekapt. Ieder jaar zie ik weer met hartzeer een deel van het bos tegen de grond gaan, en altijd weer het mooiste, dat wil zeggen het dichtste en oudste deel. Er liep daar een lieflijk, lommerrijk pad. Rechts afgeslagen tot aan de eik die de Prior heet. Daar zag ik langs het pad een stoet mieren, waarover ik van natuurkenners wel eens de nodige uitleg zou willen horen. De hele stam leek in het gareel voorbij te trekken alsof ze emigreerden; een klein aantal werkmieren liep in tegenovergestelde richting tegen de stroom in. Waar gingen die naartoe? We zitten allemaal, rijp en groen, dieren, mensen, planten, opgesloten in deze immense doos die we het universum noemen.We pretenderen te kunnen lezen wat er in de sterren staat, gissen over de toekomst en het verleden die buiten ons blikveld liggen, en we begrijpen geen jota van wat zich onder onze ogen afspeelt. Al deze levende wezens, voor altijd van elkaar gescheiden en voor elkaar ondoorgrondelijk. [...]269-2018>
Doeschka Meijsing • 26 april 1975
• Doeschka Meijsing (1947-2012) was een Nederlandse schrijfster. Deel 1 van haar dagboeken is onlangs verschenen in de Privé Domein-reeks, onder de titel En liefde in mindere mate.
Badhoevedorp, zaterdag 26 april 1975
Ik kan heel weinig. Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Welja! Maar ik kan niet schrijven, geen letter krijg ik op papier. Ik kan niet neuken zoals blijkbaar de hele wereld het gewoon vindt (ik zal wel bang zijn voor seks, dat ik het alleen maar wil doen onder de vlag van 'liefde', liefde, jawel!). En ik kan niet in een gezin wonen. Marleen is een alleraardigst kind, maar waar komt dan die ergernis vandaan, dat warme hoofd dat ik krijg, die opgekropte woede? Waarom ben ik zo lelijk vanbinnen, zo haatdragend, zo alleen? Ik heb Gerda lief, god ja, zoveel, zoveel, en ik maak alles kapot door mijn zuurheid. Bij het minste geringste ben ik gekwetst, ben ik woedend, sla ik dicht met een warm hoofd. Lieve heer, ik heb geen kinderen gewild en moet mijn leven met een kind doorbrengen dat puber worden zal met alle moeilijkheden van dien, een kind dat heel aardig is maar waar ik niet mee kan leven. Wat is er toch gebeurd, vroeger, dat ik blijkbaar geen liefde geven kan? Als ik vrolijk ben, ben ik een kind, als ik treurig ben een monster.
En ik ben natuurlijk alleen, in dit huis waar niets van mij is behalve mijn liefde, die ik niet kan hanteren. De kasten, de bedden, de ramen en de deuren zijn niet van mij, hebben niets met mij te maken. de vraag is of dat in Langbroek anders zal zijn.
Ik ben heel anders dan ik vroeger dacht, ik ben veel bozer. Toen ik alleen was, kwamen alle gebreken nauwelijks boven. Mijn eiland waar ik niet over schrijven kan, mijn naamloos Antiterra. Mijn dromen, mijn kamer op de Plantage waar ik nauwelijks over te denken durf. Mijn huilen, dat hier stiekem moet. Is trouwen langzaam sterven?
Ik dacht een roman over mijn jeugd te schrijven, over Robinson, maar hij werd slecht en Gerda zei dat het slecht was en als zij het niet gezegd had was het nog slecht geweest, maar hoewel ik dat weet, geef ik Gerda de schuld.
Ik ben zo alleen. Geen thuis meer in Haarlem. Geen eiland meer op de Plantage. Alleen een dorp. Badhoevedorp of Langbroek, dat me niets zegt, waar ik nooit van gedroomd heb zoals van Amsterdam.
Daarbij houd ik zoveel van Gerda. Stel dat zij niet meer van me gaat houden; omdat ze mijn fouten ziet of omdat ik onmogelijk ben om mee samen te leven. Ik weet dat zij niet zo zal denken, dat liefde meer moet zijn. Maar ben ik wel geschikt om mee te leven? Ik ben niet volgroeid. Ik ben het kind gebleven dat door zijn moeder gekwetst is toen het heel klein was en daarna in dat opzicht nooit meer gegroeid is. Robinson, stil zijn en tegen de dingen aankijken. Geen betrokkenheid dan die van observeerder. Maar ik kan er niet over schrijven. Bovendien bestaat er al een Anton Wachter.
Lieve God, waar is alles gebleven? Heel stil zijn en kijken, het is niet eens mogelijk als je in een gezin leeft en zeventien uur Nederlandse les geeft. Ik kan dat schrijven wel vergeten. Maar waarom moet ik zo huilen? Robinson. Ik ben een kind, ben een kind, ben een kind.325-2016>
Badhoevedorp, zaterdag 26 april 1975
Ik kan heel weinig. Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Welja! Maar ik kan niet schrijven, geen letter krijg ik op papier. Ik kan niet neuken zoals blijkbaar de hele wereld het gewoon vindt (ik zal wel bang zijn voor seks, dat ik het alleen maar wil doen onder de vlag van 'liefde', liefde, jawel!). En ik kan niet in een gezin wonen. Marleen is een alleraardigst kind, maar waar komt dan die ergernis vandaan, dat warme hoofd dat ik krijg, die opgekropte woede? Waarom ben ik zo lelijk vanbinnen, zo haatdragend, zo alleen? Ik heb Gerda lief, god ja, zoveel, zoveel, en ik maak alles kapot door mijn zuurheid. Bij het minste geringste ben ik gekwetst, ben ik woedend, sla ik dicht met een warm hoofd. Lieve heer, ik heb geen kinderen gewild en moet mijn leven met een kind doorbrengen dat puber worden zal met alle moeilijkheden van dien, een kind dat heel aardig is maar waar ik niet mee kan leven. Wat is er toch gebeurd, vroeger, dat ik blijkbaar geen liefde geven kan? Als ik vrolijk ben, ben ik een kind, als ik treurig ben een monster.
En ik ben natuurlijk alleen, in dit huis waar niets van mij is behalve mijn liefde, die ik niet kan hanteren. De kasten, de bedden, de ramen en de deuren zijn niet van mij, hebben niets met mij te maken. de vraag is of dat in Langbroek anders zal zijn.
Ik ben heel anders dan ik vroeger dacht, ik ben veel bozer. Toen ik alleen was, kwamen alle gebreken nauwelijks boven. Mijn eiland waar ik niet over schrijven kan, mijn naamloos Antiterra. Mijn dromen, mijn kamer op de Plantage waar ik nauwelijks over te denken durf. Mijn huilen, dat hier stiekem moet. Is trouwen langzaam sterven?
Ik dacht een roman over mijn jeugd te schrijven, over Robinson, maar hij werd slecht en Gerda zei dat het slecht was en als zij het niet gezegd had was het nog slecht geweest, maar hoewel ik dat weet, geef ik Gerda de schuld.
Ik ben zo alleen. Geen thuis meer in Haarlem. Geen eiland meer op de Plantage. Alleen een dorp. Badhoevedorp of Langbroek, dat me niets zegt, waar ik nooit van gedroomd heb zoals van Amsterdam.
Daarbij houd ik zoveel van Gerda. Stel dat zij niet meer van me gaat houden; omdat ze mijn fouten ziet of omdat ik onmogelijk ben om mee samen te leven. Ik weet dat zij niet zo zal denken, dat liefde meer moet zijn. Maar ben ik wel geschikt om mee te leven? Ik ben niet volgroeid. Ik ben het kind gebleven dat door zijn moeder gekwetst is toen het heel klein was en daarna in dat opzicht nooit meer gegroeid is. Robinson, stil zijn en tegen de dingen aankijken. Geen betrokkenheid dan die van observeerder. Maar ik kan er niet over schrijven. Bovendien bestaat er al een Anton Wachter.
Lieve God, waar is alles gebleven? Heel stil zijn en kijken, het is niet eens mogelijk als je in een gezin leeft en zeventien uur Nederlandse les geeft. Ik kan dat schrijven wel vergeten. Maar waarom moet ik zo huilen? Robinson. Ik ben een kind, ben een kind, ben een kind.325-2016>
M.B. van der Jagt • 25 april 1909
• M.B. van der Jagt (1873-1960) was gouverneur van Soerakarta. Onderstaand verslag van onenigheid tussen Chinezen en Arabieren komt uit zijn dagboek, opgenomen in zijn Memoires.
Tegal, 25 April 1909. Er zouden nog meer Arabieren gewond uit de raid zijn teruggekeerd, maar ik sta voor een diep, solidair zwijgen in het Arabische kamp. Geen verraadt den ander. Ook de luitenant schijnt machteloos, hoewel hij van begin af aan gewillig heeft medegewerkt en zeer ontstemd is over de raid.
Er heerst een zwoele stilte in de twee kampen en ik verneem allerlei ongunstige plannen. Raadpleegde daarom de oude pangaran, de afgetreden Regent, of het raadzaam is de volksfeesten te laten doorgaan, die op til zijn vanwege de a.s. geboorte van een Oranjetelg. De oude heer ziet er geen gevaar in. Ga accoord.
Verbood het lopen met stokken en paraplu's aan de Arabieren, zoals hun gewoonte is, om niet te spreken van wapenen. Twee heren uit de handel zijn driemaal bij me geweest om de preventief zittende Arabieren voorlopig los te laten. Ze beweren, dat de opgeslotene Salman, de zoon van de oud-Luitenant der Arabieren, hoewel ook een vechtersbaas, ditmaal onmogelijk kan hebben medegedaan, daar hij tijdens de raid nog bij hen is geweest. Ik weifel. De oud-Luitenant verscheen zelf bij mij. Hij is nog een statige verschijning, ofschoon reeds 92 jaar oud, maar zich uitgevend voor 65.
Ontving eergisteren een telegram, antwoord betaald, van de redactie van het Chinees-Maleise blad Warna Warta, uit Semarang: „Opstootje, 14 Chinezen vermoord, velen gewond, verzoeke beleefd inlichting". Nogal een vrijmoedig verzoek, dat mijn kantoor maar moet beantwoorden. Het is de tweede keer, dat het blad zich bemoeit met onze zaken. De eerste keer — was toen toevallig ook waarnemend Ass-. Resident — gold het een aanklacht tegen onze civiele geneesheer.
Chinese gemeente liet mij polsen of Regering niet permanent hier militairen zou willen plaatsen. Ze willen daarvoor een request indienen. Ze voelen zich blijkbaar niet op hun gemak. Ook te Cheribon en Soerabaia zijn onlangs gevechten tussen Arabieren en Chinezen voorgekomen. Er zijn hier onder de Arabieren nog vers aangekomenen uit Hadramaut, mensen met woestijninstincten, die nog niet thuis behoren in een Westers geordende maatschappij.
Er heerst een zwoele stilte in de twee kampen en ik verneem allerlei ongunstige plannen. Raadpleegde daarom de oude pangaran, de afgetreden Regent, of het raadzaam is de volksfeesten te laten doorgaan, die op til zijn vanwege de a.s. geboorte van een Oranjetelg. De oude heer ziet er geen gevaar in. Ga accoord.
Verbood het lopen met stokken en paraplu's aan de Arabieren, zoals hun gewoonte is, om niet te spreken van wapenen. Twee heren uit de handel zijn driemaal bij me geweest om de preventief zittende Arabieren voorlopig los te laten. Ze beweren, dat de opgeslotene Salman, de zoon van de oud-Luitenant der Arabieren, hoewel ook een vechtersbaas, ditmaal onmogelijk kan hebben medegedaan, daar hij tijdens de raid nog bij hen is geweest. Ik weifel. De oud-Luitenant verscheen zelf bij mij. Hij is nog een statige verschijning, ofschoon reeds 92 jaar oud, maar zich uitgevend voor 65.
Ontving eergisteren een telegram, antwoord betaald, van de redactie van het Chinees-Maleise blad Warna Warta, uit Semarang: „Opstootje, 14 Chinezen vermoord, velen gewond, verzoeke beleefd inlichting". Nogal een vrijmoedig verzoek, dat mijn kantoor maar moet beantwoorden. Het is de tweede keer, dat het blad zich bemoeit met onze zaken. De eerste keer — was toen toevallig ook waarnemend Ass-. Resident — gold het een aanklacht tegen onze civiele geneesheer.
Chinese gemeente liet mij polsen of Regering niet permanent hier militairen zou willen plaatsen. Ze willen daarvoor een request indienen. Ze voelen zich blijkbaar niet op hun gemak. Ook te Cheribon en Soerabaia zijn onlangs gevechten tussen Arabieren en Chinezen voorgekomen. Er zijn hier onder de Arabieren nog vers aangekomenen uit Hadramaut, mensen met woestijninstincten, die nog niet thuis behoren in een Westers geordende maatschappij.
vrijdag 24 april 2026
M.B. van der Jagt • 24 april 1909
• M.B. van der Jagt (1873-1960) was gouverneur van Soerakarta. Onderstaand verslag van onenigheid tussen Chinezen en Arabieren komt uit zijn dagboek, opgenomen in zijn Memoires.
Tegal, 24 April 1909.
De politie-soldaten arriveerden gisteren per eerste tram van Pekalongan. Menadonezen, Christenen, jonge, stevige kerels, in militair uniform, gewapend met klewang en karabijn, een martiaal troepje, dat dadelijk aan het patrouilleren is gezet en met gejuich en versnaperingen werd ontvangen in het Chinese kamp. Gaf instructie alleen op mijn persoonlijk bevel van de karabijn gebruik te maken, tenzij aangevallen. Politieposten staan aan de kruiswegen en verdere nasporingen zijn aan de gang. Gisterenochtend keerde ook de Luitenant der Chinezen, Tjoe Hong Tjiouw, van Semarang terug, die mijn vertrouwen heeft en ook dadelijk medewerkte de Chinese gemeente tot kalmte te brengen en de toko's weer te doen openen en ze aanmaande, geen wraakoefening te beramen, aangezien de schuldigen wel zouden worden gevonden en gestraft. Beide nachten vergingen rustig doch overdreven verhalen doen de ronde van aanstaande, wederzijdse samenzweringen en bewapening. De wijkmeester van Wijk I bestelde een nieuwe revolver, die nu in zijn bezit is, een ongewenst voorbeeld. Mijn voorstel tot zijn ontslag gaat nog vandaag in zee, want van Lie Kau Eh vernam ik vertrouwelijk, dat dezelfde wijkmeester de promotor is geweest van de quasi begrafenisstoet, die werd ingelast in de feestoptocht, gehouden tijdens het Tjap Gomehfeest, begin Februari en een demonstratie betekende tegen Tjoe Hong Tjiouw, de genoemde geschikte Luitenant.
woensdag 22 april 2026
Samuel Pepys • 23 april 1661
• De Engelsman Samuel Pepys (1633-1703) hield negen jaar (in geheimschrift) een dagboek bij, waarin hij op ongedwongen toon noteerde wat hij zoal meemaakte, van zijn moeilijkheden met de stoelgang en zijn amoureuze escapades tot allerlei zaken van landsbelang. Een selectie is in vertaling (van Heleen ten Holt) verschenen als Geheim dagboek van een puritein.
23 april 1661
Dag van de kroning [van Karel II]. Ben al om vier uur opgestaan en naar de Abbey gegaan. [...] Daar heb ik van vier tot elf uur geduldig zitten wachten tot de Koning zou komen. [...] Eindelijk kwam de Koning binnen, zijn scepter, zwaard en rijksappel werden voor hem uit gedragen en de kroon ook (my Lord droeg de scepter). […] Van de kroning zelf heb ik van de plaats waar ik zat helaas niets kunnen zien. Toen de kroon op zijn hoofd was gezet, ging er een luid gejuich op. […] Ik ben toen naar Westminster Hall gegaan, waar alles prachtig versierd was met mooie tapijten aan de wanden; en overal tribunes vol met elegante dames. Mijn vrouw zat er ook. [...] Ik ben toen met mijn vrouw naar de Bowyers gegaan, waar we nog tot laat op het dak hebben gezeten in de hoop iets van het vuurwerk te zien, maar er kwam niets. [...] Ik zelf ben met mijnheer Hunt nog bij mijnheer Thornbury van de wijnkelders van de Koning te gast geweest. Daar hebben we eindeloos op de gezondheid van de Koning zitten drinken, totdat een van de heren van ons gezelschap stomdronken onder de tafel rolde. Ik heb zonder ongelukken het huis van my Lord bereikt maar toen ik bij mijnheer Shepley in bed was gekropen begon mijn hoofd te gonzen en moest ik overgeven; als ik ooit dronken ben geweest, dan was het nu wel. [...] En zo eindigde deze dag voor iedereen in vreugde.
En nog een staartje uit het origineel:
Thus did the day end with joy every where; and blessed be God, I have not heard of any mischance to any body through it all, but only to Serjt. Glynne, whose horse fell upon him yesterday, and is like to kill him, which people do please themselves to see how just God is to punish the rogue at such a time as this; he being now one of the King’s Serjeants, and rode in the cavalcade with Maynard, to whom people wish the same fortune. 279-2018>
23 april 1661
Dag van de kroning [van Karel II]. Ben al om vier uur opgestaan en naar de Abbey gegaan. [...] Daar heb ik van vier tot elf uur geduldig zitten wachten tot de Koning zou komen. [...] Eindelijk kwam de Koning binnen, zijn scepter, zwaard en rijksappel werden voor hem uit gedragen en de kroon ook (my Lord droeg de scepter). […] Van de kroning zelf heb ik van de plaats waar ik zat helaas niets kunnen zien. Toen de kroon op zijn hoofd was gezet, ging er een luid gejuich op. […] Ik ben toen naar Westminster Hall gegaan, waar alles prachtig versierd was met mooie tapijten aan de wanden; en overal tribunes vol met elegante dames. Mijn vrouw zat er ook. [...] Ik ben toen met mijn vrouw naar de Bowyers gegaan, waar we nog tot laat op het dak hebben gezeten in de hoop iets van het vuurwerk te zien, maar er kwam niets. [...] Ik zelf ben met mijnheer Hunt nog bij mijnheer Thornbury van de wijnkelders van de Koning te gast geweest. Daar hebben we eindeloos op de gezondheid van de Koning zitten drinken, totdat een van de heren van ons gezelschap stomdronken onder de tafel rolde. Ik heb zonder ongelukken het huis van my Lord bereikt maar toen ik bij mijnheer Shepley in bed was gekropen begon mijn hoofd te gonzen en moest ik overgeven; als ik ooit dronken ben geweest, dan was het nu wel. [...] En zo eindigde deze dag voor iedereen in vreugde.
En nog een staartje uit het origineel:
Thus did the day end with joy every where; and blessed be God, I have not heard of any mischance to any body through it all, but only to Serjt. Glynne, whose horse fell upon him yesterday, and is like to kill him, which people do please themselves to see how just God is to punish the rogue at such a time as this; he being now one of the King’s Serjeants, and rode in the cavalcade with Maynard, to whom people wish the same fortune. 279-2018>
dinsdag 21 april 2026
Hans Warren • 22 april 1999
• Hans Warren (1921-2001) was een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken zijn in vele delen gepubliceerd als 'Geheim dagboek'.
22 april — 22.45 — Sinds ik hier woon, al tweeënveertig jaar dus, haal ik iedere dag melk op de boerderij. Elke avond zette ik de bus, de volgende ochtend werd die gevuld en in de 'keête' gezet. Maar om allerlei redenen gaat Marinus zijn melkkoeien van de hand doen. Toch het einde van een tijdperk.
Gistermiddag maakten we een vogeltocht. M. was toch nog niet helemaal rijp voor het stukje dat hij voor Lampas, een tijdschrift voor classici, over het vertalen van Plato moet maken. Bij de Grevelingendam zagen we de eerste visdiefjes van het jaar en in de Kwade Hoek hoorden we, heel even en ver weg, een nachtegaal. Er waren daar veel fitissen die uitbundig zongen, roodborstjes, zwartkopjes en prachtig jodelende wulpen. We reden ook naar het Quackjeswater, er was een koppel waakzame grauwe ganzen met zes jongen. M. vond dat ik wat beter liep.
Vanmorgen hoorde ik hier de eerste bostortel, kort voor we besloten naar John Tenney te gaan om het Mendé-beeld te halen. In m'n opwinding sloeg ik met een gordijnkoord het Ganeesja-bronsje weer van m'n bureau. M. hoorde iets vallen en reageerde woest, hoewel er niets aan het beeldje is beschadigd. Ik was een vandaal volgens hem. Ik mocht van hem geen kostbaarheden meer op m'n bureau laten staan. We zijn heel ingenomen met de nieuwe aanwinst.229-2016>
22 april — 22.45 — Sinds ik hier woon, al tweeënveertig jaar dus, haal ik iedere dag melk op de boerderij. Elke avond zette ik de bus, de volgende ochtend werd die gevuld en in de 'keête' gezet. Maar om allerlei redenen gaat Marinus zijn melkkoeien van de hand doen. Toch het einde van een tijdperk.
Gistermiddag maakten we een vogeltocht. M. was toch nog niet helemaal rijp voor het stukje dat hij voor Lampas, een tijdschrift voor classici, over het vertalen van Plato moet maken. Bij de Grevelingendam zagen we de eerste visdiefjes van het jaar en in de Kwade Hoek hoorden we, heel even en ver weg, een nachtegaal. Er waren daar veel fitissen die uitbundig zongen, roodborstjes, zwartkopjes en prachtig jodelende wulpen. We reden ook naar het Quackjeswater, er was een koppel waakzame grauwe ganzen met zes jongen. M. vond dat ik wat beter liep.
Vanmorgen hoorde ik hier de eerste bostortel, kort voor we besloten naar John Tenney te gaan om het Mendé-beeld te halen. In m'n opwinding sloeg ik met een gordijnkoord het Ganeesja-bronsje weer van m'n bureau. M. hoorde iets vallen en reageerde woest, hoewel er niets aan het beeldje is beschadigd. Ik was een vandaal volgens hem. Ik mocht van hem geen kostbaarheden meer op m'n bureau laten staan. We zijn heel ingenomen met de nieuwe aanwinst.229-2016>
maandag 20 april 2026
Peter Matthiessen • 21 april 1960
• Peter Matthiessen (1927-2014) was een Amerikaanse schrijver. Hij maakte een lange reis door Zuid-Amerika, waarvan hij verslag deed in The Cloud Forest (1961).
April 21. Timpia.
The padres are not ready to leave, and so we shall pass another day at Timpia. This will be the first place we have slept in more than one night since leaving Cuzco, and we have chosen the right place: Padre Daniel, with Brothers Ayesta and Ruiz, have been extremely hospitable and agreeable, and Ruiz has given us the first respectable meals we have eaten in twelve days. He has even contrived to make yuca presentable by slicing it very thin and frying the bejesus out of it.
Timpia is a village of about forty Machiguengas, high on a bluff overlooking the encuentro of the Timpia and Urubamba. The Indian huts, built up off the ground on poles, are actually derived from the style of the Piro Indians farther north: the excellent idea of the design is to keep the pigs, chickens, and four cows which roam the central yard from making themselves too much at home. The Indians grow yuca and bananas, and hunt and fish; they are civilized here, and the cushma has been largely replaced by calico and homespun. Our bogas with their cushmas and face marks, long hair, and striking weapons, stand out from the rest like wild flowers in a bed of vegetables.
The three lingered at Timpia for a day, restless and wary. They left this morning, guided upstream as far as the Pongo by Indians from the village. Andrés was happy to see them go. He has been sleeping a good deal and looks much better. Since we left Pangoa, he has told me two very interesting things: first of all, it appears that Ardiles and Julio took a liking to the small machete Andrés carries, and, having used it in the construction of the first balsa, suggested that they would like to keep it. When Andrés made a point of taking this as a joke, Ardiles inquired, not quite pleasantly, what Andrés would do if they kept it against his will. Andrés told them that he still knew how to shoot. Clearly, this statement displeased them, and he hastily explained that, in the jungle, a knife of any sort is a very personal thing, and that either to sell one or to give it away brings very bad luck to both parties. Both Ardiles and Julio were Indian enough to take this superstition seriously, and no more was said about it, but the incident did nothing to increase Andrés's peace of mind. [...]
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT
De paters zijn nog niet klaar om te vertrekken, en daarom zullen we nog een dag in Timpia blijven. Dit is de eerste plek waar we meer dan één nacht hebben geslapen sinds we Cuzco hebben verlaten, en we hebben de juiste plek gekozen: pater Daniel, samen met broeder Ayesta en broeder Ruiz, zijn buitengewoon gastvrij en aangenaam geweest, en Ruiz heeft ons de eerste fatsoenlijke maaltijden gegeven die we in twaalf dagen hebben gegeten. Hij heeft er zelfs iets op gevonden om yuca eetbaar te maken door het heel dun te snijden en het keihard te bakken.
Timpia is een dorp van ongeveer veertig Machiguenga’s, hoog gelegen op een klif met uitzicht op de samenvloeiing van de Timpia en de Urubamba. De indiaanse hutten, die op palen boven de grond zijn gebouwd, zijn eigenlijk afgeleid van de stijl van de Piro-indianen verder naar het noorden: het uitstekende idee van dit ontwerp is dat het de varkens, kippen en vier koeien die op de binnenplaats rondlopen, verhindert zich al te veel thuis te voelen. De indianen verbouwen yuca en bananen, en jagen en vissen; hier zijn ze “beschaafd”, en de cushma is grotendeels vervangen door sits en zelfgesponnen stoffen. Onze bogas, met hun cushma’s en gezichtsmarkeringen, lang haar en opvallende wapens, steken af tegen de rest als wilde bloemen in een groentebed.
De drie bleven nog een dag in Timpia, rusteloos en op hun hoede. Vanmorgen zijn ze vertrokken, stroomopwaarts geleid tot aan de Pongo door indianen uit het dorp. Andrés was blij hen te zien gaan. Hij heeft veel geslapen en ziet er een stuk beter uit. Sinds we Pangoa hebben verlaten, heeft hij me twee zeer interessante dingen verteld: ten eerste blijkt dat Ardiles en Julio een oogje hadden gekregen op de kleine machete die Andrés bij zich draagt, en nadat ze die hadden gebruikt bij de bouw van de eerste balsa, suggereerden dat ze die graag wilden houden. Toen Andrés deed alsof hij dat als een grap opvatte, vroeg Ardiles, niet al te vriendelijk, wat Andrés zou doen als ze hem tegen zijn wil zouden houden. Andrés antwoordde dat hij nog steeds wist hoe hij moest schieten. Dat beviel hun duidelijk niet, en hij legde haastig uit dat in de jungle een mes van welke soort dan ook iets heel persoonlijks is, en dat het verkopen of weggeven ervan voor beide partijen veel ongeluk brengt. Zowel Ardiles als Julio waren indiaans genoeg om dit bijgeloof serieus te nemen, en er werd verder niet meer over gesproken, maar het voorval droeg niet bij aan Andrés’ gemoedsrust.168-2014>
April 21. Timpia.
The padres are not ready to leave, and so we shall pass another day at Timpia. This will be the first place we have slept in more than one night since leaving Cuzco, and we have chosen the right place: Padre Daniel, with Brothers Ayesta and Ruiz, have been extremely hospitable and agreeable, and Ruiz has given us the first respectable meals we have eaten in twelve days. He has even contrived to make yuca presentable by slicing it very thin and frying the bejesus out of it.
Timpia is a village of about forty Machiguengas, high on a bluff overlooking the encuentro of the Timpia and Urubamba. The Indian huts, built up off the ground on poles, are actually derived from the style of the Piro Indians farther north: the excellent idea of the design is to keep the pigs, chickens, and four cows which roam the central yard from making themselves too much at home. The Indians grow yuca and bananas, and hunt and fish; they are civilized here, and the cushma has been largely replaced by calico and homespun. Our bogas with their cushmas and face marks, long hair, and striking weapons, stand out from the rest like wild flowers in a bed of vegetables.
The three lingered at Timpia for a day, restless and wary. They left this morning, guided upstream as far as the Pongo by Indians from the village. Andrés was happy to see them go. He has been sleeping a good deal and looks much better. Since we left Pangoa, he has told me two very interesting things: first of all, it appears that Ardiles and Julio took a liking to the small machete Andrés carries, and, having used it in the construction of the first balsa, suggested that they would like to keep it. When Andrés made a point of taking this as a joke, Ardiles inquired, not quite pleasantly, what Andrés would do if they kept it against his will. Andrés told them that he still knew how to shoot. Clearly, this statement displeased them, and he hastily explained that, in the jungle, a knife of any sort is a very personal thing, and that either to sell one or to give it away brings very bad luck to both parties. Both Ardiles and Julio were Indian enough to take this superstition seriously, and no more was said about it, but the incident did nothing to increase Andrés's peace of mind. [...]
Ongecorrigeerde vertaling door ChatGPT
De paters zijn nog niet klaar om te vertrekken, en daarom zullen we nog een dag in Timpia blijven. Dit is de eerste plek waar we meer dan één nacht hebben geslapen sinds we Cuzco hebben verlaten, en we hebben de juiste plek gekozen: pater Daniel, samen met broeder Ayesta en broeder Ruiz, zijn buitengewoon gastvrij en aangenaam geweest, en Ruiz heeft ons de eerste fatsoenlijke maaltijden gegeven die we in twaalf dagen hebben gegeten. Hij heeft er zelfs iets op gevonden om yuca eetbaar te maken door het heel dun te snijden en het keihard te bakken.
Timpia is een dorp van ongeveer veertig Machiguenga’s, hoog gelegen op een klif met uitzicht op de samenvloeiing van de Timpia en de Urubamba. De indiaanse hutten, die op palen boven de grond zijn gebouwd, zijn eigenlijk afgeleid van de stijl van de Piro-indianen verder naar het noorden: het uitstekende idee van dit ontwerp is dat het de varkens, kippen en vier koeien die op de binnenplaats rondlopen, verhindert zich al te veel thuis te voelen. De indianen verbouwen yuca en bananen, en jagen en vissen; hier zijn ze “beschaafd”, en de cushma is grotendeels vervangen door sits en zelfgesponnen stoffen. Onze bogas, met hun cushma’s en gezichtsmarkeringen, lang haar en opvallende wapens, steken af tegen de rest als wilde bloemen in een groentebed.
De drie bleven nog een dag in Timpia, rusteloos en op hun hoede. Vanmorgen zijn ze vertrokken, stroomopwaarts geleid tot aan de Pongo door indianen uit het dorp. Andrés was blij hen te zien gaan. Hij heeft veel geslapen en ziet er een stuk beter uit. Sinds we Pangoa hebben verlaten, heeft hij me twee zeer interessante dingen verteld: ten eerste blijkt dat Ardiles en Julio een oogje hadden gekregen op de kleine machete die Andrés bij zich draagt, en nadat ze die hadden gebruikt bij de bouw van de eerste balsa, suggereerden dat ze die graag wilden houden. Toen Andrés deed alsof hij dat als een grap opvatte, vroeg Ardiles, niet al te vriendelijk, wat Andrés zou doen als ze hem tegen zijn wil zouden houden. Andrés antwoordde dat hij nog steeds wist hoe hij moest schieten. Dat beviel hun duidelijk niet, en hij legde haastig uit dat in de jungle een mes van welke soort dan ook iets heel persoonlijks is, en dat het verkopen of weggeven ervan voor beide partijen veel ongeluk brengt. Zowel Ardiles als Julio waren indiaans genoeg om dit bijgeloof serieus te nemen, en er werd verder niet meer over gesproken, maar het voorval droeg niet bij aan Andrés’ gemoedsrust.168-2014>
zondag 19 april 2026
Soetan Sjahrir • 20 april 1934
• Soetan Sjahrir (1909-1966), was een Indonesisch politicus en de eerste premier van dat land. Hij speelde een grote rol in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. In 1934 werd hij gearresteerd. Hij doet verslag van zijn gevangenschap en verbanning in een dagboek, dat is gepubliceerd als Indonesische overpeinzingen.
20 April 1934. - Vandaag aan mijn broer in Holland geschreven, dat hij daar als het enigszins kan, maar liever voorlopig moet blijven, zelfs al zijn zijn inkomsten nu feitelijk onvoldoende. Het voornaamste is, dat hij er de gelegenheid heeft zich de westerse wetenschap in het land zelf eigen te maken. In drie maanden tijds kan hij er méér van de Europese samenleving leren begrijpen dan uit alle schoolboekjes, die je hier in de loop van een tiental jaren moet verwerken, — tenminste, als hij zijn ogen goed gebruikt en zijn hart wijd open houdt. Vooral dit laatste is een voorwaarde, want velen van ons komen in Europa met de vaste wil om alles wat westers is te veroordelen en dat gelukt hun meestal heel gemakkelijk. Kort geleden sprak ik nog iemand, een Mr in de Rechten, die het had klaargespeeld om in de ruim vier jaren studietijd, die hij in Holland had doorgebracht, zijn vooroordelen, zijn antipathie, ja, zijn fanatieke haat tegen alles wat westers en Europees is, nog te versterken. Deze houding is betreurenswaardig, want alleen in verband met de samenleving, die haar voortgebracht en gevoed heeft, is het mogelijk de zin van de westerse wetenschap te begrijpen. Dan leert men dat streng gedisciplineerde denken, het rationalisme, zien als een noodzakelijk iets om de veel ingewikkelder en aan verscheidenheid rijker samenleving te ontwarren en in stand te houden. Toen ik voor het eerst in Londen was, voelde ik mij bijna als een kannibaal. Wat een tempo, wat een techniek, wat een menselijk kunnen! In één ogenblik wordt je daar de zin van de wetenschap duidelijk: dit alles is zonder wetenschap eenvoudig niet denkbaar. Daarom geloof ik, dat het ontbreken van wetenschappelijk leven en werkelijke wetenschappelijke interesse bij onze intellectuelen hier in Indonesia niet in de eerste plaats is te wijten aan gemis aan capaciteit, gebrek aan karakter of morele lacunes, maar meer aan het nog niet in voldoende mate aanwezig zijn van de nodige prikkels in onze voorlopig nog zoveel eenvoudiger maatschappij. Voor de meeste van onze ‘titelhouders’ - ik gebruik dit woord in plaats van ‘intellectuelen’, omdat hier immers het criterium niet zozeer is het intellectuele leven als wel de schoolopleiding - blijft het begrip wetenschap een pak, geen innerlijke verworvenheid. Voor hen blijft de wetenschap een dood ding, niet een levend, zich ontwikkelend wezen, dat voortdurend gevoed en onderhouden moet worden. Het is niet hun schuld, vooral niet, wanneer zij niet de gelegenheid hebben gehad kennis met die wetenschap te maken, als levend begrip, in Europa zelf. Overigens weet ik bij ondervinding, dat goed studeren voor ons in Holland niet zo gemakkelijk is. Klimaat en samenleving daar kunnen zeer enerverend op ons werken. Het leven achter muren in bedompte kamers, het rusteloze in de samenleving, alles werkt extra op ons in. Er zijn talentvolle jongelui onder de Indonesische studenten geweest, die mislukt zijn alleen, omdat ze daartegen niet opgewassen waren, die in rusteloosheid al hun energie verspilden en zelfs hun lichaam daardoor te gronde richtten. Ik heb mijn broer hierop gewezen en hem gezegd, dat op een goede manier studeren tegelijk karaktervormend is: er is zelfbeperking, zelfdiscipline voor nodig. Verder heb ik hem aangeraden aandacht te wijden aan het culturele leven in Europa, vooral aan de literatuur. Behalve een betere kijk op het leven en de gedachtenwereld van den westersen mens zal het hem ook de ogen openen voor de levensproblemen die er daar bestaan, voor de veelvormigheid en ingewikkeldheid van het leven daar. Ook sociale en politieke problemen zal hij er op een gemakkelijker en interessanter manier door leren kennen. Tegelijk heb ik M. geschreven hem zoveel mogelijk daarbij te helpen. Dat hij zulke leiding nog nodig heeft is niets bijzonders: onze zogenaamde intellectuelen zijn op dit gebied over het algemeen nog analphabeten! Men leest niet, buiten zijn vakliteratuur en zijn krant en soms nog wat ontspanningslectuur. In de gehele boekerij van Hafil bijvoorbeeld is maar één roman aanwezig, waarover hij zich nota bene verontschuldigde met de opmerking, dat hij die cadeau gekregen had. En Hafil behoort toch zonder twijfel tot de spits van onze Europees-gevormde intellectuelen. Hiermee is feitelijk ook al alles gezegd over de stand van onze eigen literatuur. Er zijn zelfs nog geen intellectuelen in dit land, die schrijven. Er is geen literatuur, noch in het Maleis, noch in een van de vele andere talen die er zijn. Er wordt natuurlijk wel geschreven, en niet weinig zelfs. Er is een Instituut voor Volkslectuur, het geeft boekjes uit voor de massa, meestal vertalingen, ook wel oorspronkelijke geschriften, maar literatuur is dat nog niet. Wij zijn pas zo ver, dat men verhalen schrijft. Men is hier - de weinige uitzonderingen natuurlijk niet te na gesproken - totaal onbekend met het bestaan van een Europese, van een wereldliteratuur en men bestudeert ze dus ook niet. Vandaar dat bijvoorbeeld de pogingen van een paar jonge nationalisten om de schone letteren te bedrijven, al worden zij als renaissance aangekondigd, op het ogenblik nog niet de aandacht waard blijken. Het peil is er nog te laag voor; er is zelfs geen gedachte, geen vorm, geen klank, en wat het ergste is: niet genoeg ernst en eerlijkheid. Er is alleen nog onsmakelijk maakwerk, dat met veel reclame wordt aangekondigd. En zonder romanliteratuur ook geen bekentenissen van levensvraagstukken en daardoor ook weer gebrek aan levenskennis bij ons. Een H.B.S.-abituriënt, een jongen van misschien 17, 18 jaar in Europa, weet soms meer van het leven dan onze intellectuelen, studenten of afgestudeerden!
20 April 1934. - Vandaag aan mijn broer in Holland geschreven, dat hij daar als het enigszins kan, maar liever voorlopig moet blijven, zelfs al zijn zijn inkomsten nu feitelijk onvoldoende. Het voornaamste is, dat hij er de gelegenheid heeft zich de westerse wetenschap in het land zelf eigen te maken. In drie maanden tijds kan hij er méér van de Europese samenleving leren begrijpen dan uit alle schoolboekjes, die je hier in de loop van een tiental jaren moet verwerken, — tenminste, als hij zijn ogen goed gebruikt en zijn hart wijd open houdt. Vooral dit laatste is een voorwaarde, want velen van ons komen in Europa met de vaste wil om alles wat westers is te veroordelen en dat gelukt hun meestal heel gemakkelijk. Kort geleden sprak ik nog iemand, een Mr in de Rechten, die het had klaargespeeld om in de ruim vier jaren studietijd, die hij in Holland had doorgebracht, zijn vooroordelen, zijn antipathie, ja, zijn fanatieke haat tegen alles wat westers en Europees is, nog te versterken. Deze houding is betreurenswaardig, want alleen in verband met de samenleving, die haar voortgebracht en gevoed heeft, is het mogelijk de zin van de westerse wetenschap te begrijpen. Dan leert men dat streng gedisciplineerde denken, het rationalisme, zien als een noodzakelijk iets om de veel ingewikkelder en aan verscheidenheid rijker samenleving te ontwarren en in stand te houden. Toen ik voor het eerst in Londen was, voelde ik mij bijna als een kannibaal. Wat een tempo, wat een techniek, wat een menselijk kunnen! In één ogenblik wordt je daar de zin van de wetenschap duidelijk: dit alles is zonder wetenschap eenvoudig niet denkbaar. Daarom geloof ik, dat het ontbreken van wetenschappelijk leven en werkelijke wetenschappelijke interesse bij onze intellectuelen hier in Indonesia niet in de eerste plaats is te wijten aan gemis aan capaciteit, gebrek aan karakter of morele lacunes, maar meer aan het nog niet in voldoende mate aanwezig zijn van de nodige prikkels in onze voorlopig nog zoveel eenvoudiger maatschappij. Voor de meeste van onze ‘titelhouders’ - ik gebruik dit woord in plaats van ‘intellectuelen’, omdat hier immers het criterium niet zozeer is het intellectuele leven als wel de schoolopleiding - blijft het begrip wetenschap een pak, geen innerlijke verworvenheid. Voor hen blijft de wetenschap een dood ding, niet een levend, zich ontwikkelend wezen, dat voortdurend gevoed en onderhouden moet worden. Het is niet hun schuld, vooral niet, wanneer zij niet de gelegenheid hebben gehad kennis met die wetenschap te maken, als levend begrip, in Europa zelf. Overigens weet ik bij ondervinding, dat goed studeren voor ons in Holland niet zo gemakkelijk is. Klimaat en samenleving daar kunnen zeer enerverend op ons werken. Het leven achter muren in bedompte kamers, het rusteloze in de samenleving, alles werkt extra op ons in. Er zijn talentvolle jongelui onder de Indonesische studenten geweest, die mislukt zijn alleen, omdat ze daartegen niet opgewassen waren, die in rusteloosheid al hun energie verspilden en zelfs hun lichaam daardoor te gronde richtten. Ik heb mijn broer hierop gewezen en hem gezegd, dat op een goede manier studeren tegelijk karaktervormend is: er is zelfbeperking, zelfdiscipline voor nodig. Verder heb ik hem aangeraden aandacht te wijden aan het culturele leven in Europa, vooral aan de literatuur. Behalve een betere kijk op het leven en de gedachtenwereld van den westersen mens zal het hem ook de ogen openen voor de levensproblemen die er daar bestaan, voor de veelvormigheid en ingewikkeldheid van het leven daar. Ook sociale en politieke problemen zal hij er op een gemakkelijker en interessanter manier door leren kennen. Tegelijk heb ik M. geschreven hem zoveel mogelijk daarbij te helpen. Dat hij zulke leiding nog nodig heeft is niets bijzonders: onze zogenaamde intellectuelen zijn op dit gebied over het algemeen nog analphabeten! Men leest niet, buiten zijn vakliteratuur en zijn krant en soms nog wat ontspanningslectuur. In de gehele boekerij van Hafil bijvoorbeeld is maar één roman aanwezig, waarover hij zich nota bene verontschuldigde met de opmerking, dat hij die cadeau gekregen had. En Hafil behoort toch zonder twijfel tot de spits van onze Europees-gevormde intellectuelen. Hiermee is feitelijk ook al alles gezegd over de stand van onze eigen literatuur. Er zijn zelfs nog geen intellectuelen in dit land, die schrijven. Er is geen literatuur, noch in het Maleis, noch in een van de vele andere talen die er zijn. Er wordt natuurlijk wel geschreven, en niet weinig zelfs. Er is een Instituut voor Volkslectuur, het geeft boekjes uit voor de massa, meestal vertalingen, ook wel oorspronkelijke geschriften, maar literatuur is dat nog niet. Wij zijn pas zo ver, dat men verhalen schrijft. Men is hier - de weinige uitzonderingen natuurlijk niet te na gesproken - totaal onbekend met het bestaan van een Europese, van een wereldliteratuur en men bestudeert ze dus ook niet. Vandaar dat bijvoorbeeld de pogingen van een paar jonge nationalisten om de schone letteren te bedrijven, al worden zij als renaissance aangekondigd, op het ogenblik nog niet de aandacht waard blijken. Het peil is er nog te laag voor; er is zelfs geen gedachte, geen vorm, geen klank, en wat het ergste is: niet genoeg ernst en eerlijkheid. Er is alleen nog onsmakelijk maakwerk, dat met veel reclame wordt aangekondigd. En zonder romanliteratuur ook geen bekentenissen van levensvraagstukken en daardoor ook weer gebrek aan levenskennis bij ons. Een H.B.S.-abituriënt, een jongen van misschien 17, 18 jaar in Europa, weet soms meer van het leven dan onze intellectuelen, studenten of afgestudeerden!
Mina Kruseman • 19 april 1873
• Mina Kruseman (1839-1922) was een Nederlandse feministe, voordrachtskunstenares, schrijfster, actrice en zangeres. Mijn leven is een bundeling van haar brieven. In de onderstaande brief aan een onbekende mevrouw beklaagt ze zich over haar uitgever.
Mevrouw ***.
Groningen, 19 April 1873.
In Assen hebben wij schik gehad; daar hebben wij dadelijk een open rijtuigje besteld om een toertje te maken en de beelderige environs eens te gaan zien, die wij aankomende reeds bewonderd hadden. Wij zaten nog aan ons beefsteakje, toen men ons zeggen kwam dat ons rijtuigje er was. Een flinke jan-pleizier voor negen personen!! - En dáár moesten wij met ons beidjes de stad eens mee doortoeren! Betsy wist geen raad, ik amuseerde mij dol! Juist toen ik den trap afkwam, vond ik beneden een heer staan met eenige paperassen onder den arm, hij keek mij aan, ik keek hem aan, tegelijkertijd noemden wij elkanders namen; en zonder veel complimenten inviteerde ik ons correspondentie-vriendje B. om mee te toeren en nam hij de invitatie aan, tot groote verbazing van B.P. die, achteraan komende, mij daar in eens met een cavalier vond, en den hemel dankte dat wij niet zoo alleen behoefden te toeren!
In Assen, Groningen en hier heb ik énorm veel succès gehad, hier heeft men mij zelfs terug geroepen. Welk een vertooning, voor een lezing!
Met Nijhoff lig ik franchement overhoop; dat monster beweert dat hij mijn 100 ex. wel naar mijn zin wil drukken, maar dat zijn 500 die voor den handel bestemd zijn, gedrukt zullen worden zoo als hij het verlangt.
't Mannetje vergeet dat ik hem in mijn macht heb, of hij begrijpt 't niet, hetgeen nog veel erger voor hem is. Nu heeft hij Vosmaer in den arm genomen om mij te temmen, als 't mogelijk is! Hij weet dat ik van Vosmaer meer verdraag dan van de andere leden dier Spectator-club, omdat Vosmaer een man van talent is, en ik dien juge ['rechter'] alleen het recht van oordeelen heb toegekend. Maar hier vallen mijnheer's berekeningen toch in 't water, want als mijn opinie tegenover die van een ander staat, houd ik de mijne natuurlijk vol, zooals die andere de zijne volhoudt, en moet in dit geval mijn haan koning kraaien, omdat 't hier mijn werk geldt en niet dat van een ander! Enfin, ik ben benieuwd te zien hoe die oorlog af zal loopen. Ik heb besloten vol te houden ten einde toe, en mijn werk in de wereld te brengen zoo als ik het gedacht heb. Mina.
Mevrouw ***.
Groningen, 19 April 1873.
In Assen hebben wij schik gehad; daar hebben wij dadelijk een open rijtuigje besteld om een toertje te maken en de beelderige environs eens te gaan zien, die wij aankomende reeds bewonderd hadden. Wij zaten nog aan ons beefsteakje, toen men ons zeggen kwam dat ons rijtuigje er was. Een flinke jan-pleizier voor negen personen!! - En dáár moesten wij met ons beidjes de stad eens mee doortoeren! Betsy wist geen raad, ik amuseerde mij dol! Juist toen ik den trap afkwam, vond ik beneden een heer staan met eenige paperassen onder den arm, hij keek mij aan, ik keek hem aan, tegelijkertijd noemden wij elkanders namen; en zonder veel complimenten inviteerde ik ons correspondentie-vriendje B. om mee te toeren en nam hij de invitatie aan, tot groote verbazing van B.P. die, achteraan komende, mij daar in eens met een cavalier vond, en den hemel dankte dat wij niet zoo alleen behoefden te toeren!
In Assen, Groningen en hier heb ik énorm veel succès gehad, hier heeft men mij zelfs terug geroepen. Welk een vertooning, voor een lezing!
Met Nijhoff lig ik franchement overhoop; dat monster beweert dat hij mijn 100 ex. wel naar mijn zin wil drukken, maar dat zijn 500 die voor den handel bestemd zijn, gedrukt zullen worden zoo als hij het verlangt.
't Mannetje vergeet dat ik hem in mijn macht heb, of hij begrijpt 't niet, hetgeen nog veel erger voor hem is. Nu heeft hij Vosmaer in den arm genomen om mij te temmen, als 't mogelijk is! Hij weet dat ik van Vosmaer meer verdraag dan van de andere leden dier Spectator-club, omdat Vosmaer een man van talent is, en ik dien juge ['rechter'] alleen het recht van oordeelen heb toegekend. Maar hier vallen mijnheer's berekeningen toch in 't water, want als mijn opinie tegenover die van een ander staat, houd ik de mijne natuurlijk vol, zooals die andere de zijne volhoudt, en moet in dit geval mijn haan koning kraaien, omdat 't hier mijn werk geldt en niet dat van een ander! Enfin, ik ben benieuwd te zien hoe die oorlog af zal loopen. Ik heb besloten vol te houden ten einde toe, en mijn werk in de wereld te brengen zoo als ik het gedacht heb. Mina.
A.F.Th. van der Heijden • 18 april 1986
• A.F.Th. van der Heijden (1951) is een Nederlandse schrijver. In Engelenplaque. Notities van alledag publiceerde hij dagboekfragmenten uit de periode 1966-2003.
Vrijdag 18 april 1986
Literatuur en geld – dat is een merkwaardig tweetal. Wat een schrijver ook verdient, het staat nooit, tenzij toevallig, in enige verhouding tot de geleverde prestatie. Het is meestal onevenredig weinig (een dubbeltje per werkuur, als je het zou uitrekenen), een doodenkele keer buiten proportie (in het geval van een onopzettelijk geschreven bestseller die tientallen jaren de persen in beweging blijft houden) en zelden – alweer: alleen bij toeval – redelijk. De schrijver van boeken blijft met het gevoel zitten dat werk en inkomen volledig langs elkaar heen gaan, niets met elkaar uitstaande hebben, behalve misschien waar het de verwervingskosten betreft. Dit kan leiden tot extreme gierigheid, maar ook, en dat is dan iets wat dichter bij mijn eigen ervaring ligt, tot spilzucht. Immers – en dan heb ik het over de spilzucht – anders dan mensen met een vast salaris hoeft een schrijver, wanneer er een honderdje over de toonbank gaat, nooit te verzuchten: ‘Daar heb ik nu een hele dag (of ochtend) voor moeten ploeteren.’ Hij weet eenvoudig niet hoe lang hij daarvoor heeft moeten ploeteren. Sterker, met zijn geploeter heeft dat honderdje niets te maken.
Ieder moet maar voor zichzelf uitmaken of een dergelijke (persoonlijke) ‘geldontwaarding’ in z’n voor- of in z’n nadeel werkt. Mij althans geeft het een gevoel van vrijheid, zij het een wat rillerig gevoel van vrijheid.
[...]285-2017>
Vrijdag 18 april 1986
Literatuur en geld – dat is een merkwaardig tweetal. Wat een schrijver ook verdient, het staat nooit, tenzij toevallig, in enige verhouding tot de geleverde prestatie. Het is meestal onevenredig weinig (een dubbeltje per werkuur, als je het zou uitrekenen), een doodenkele keer buiten proportie (in het geval van een onopzettelijk geschreven bestseller die tientallen jaren de persen in beweging blijft houden) en zelden – alweer: alleen bij toeval – redelijk. De schrijver van boeken blijft met het gevoel zitten dat werk en inkomen volledig langs elkaar heen gaan, niets met elkaar uitstaande hebben, behalve misschien waar het de verwervingskosten betreft. Dit kan leiden tot extreme gierigheid, maar ook, en dat is dan iets wat dichter bij mijn eigen ervaring ligt, tot spilzucht. Immers – en dan heb ik het over de spilzucht – anders dan mensen met een vast salaris hoeft een schrijver, wanneer er een honderdje over de toonbank gaat, nooit te verzuchten: ‘Daar heb ik nu een hele dag (of ochtend) voor moeten ploeteren.’ Hij weet eenvoudig niet hoe lang hij daarvoor heeft moeten ploeteren. Sterker, met zijn geploeter heeft dat honderdje niets te maken.
Ieder moet maar voor zichzelf uitmaken of een dergelijke (persoonlijke) ‘geldontwaarding’ in z’n voor- of in z’n nadeel werkt. Mij althans geeft het een gevoel van vrijheid, zij het een wat rillerig gevoel van vrijheid.
[...]285-2017>
donderdag 16 april 2026
Rutger Kopland • 17 april 1996
• Rutger Kopland (1934-2012) was een Nederlandse dichter en hoogleraar. In 1996 gaf hij na zijn emeritaat colleges over poëzie in enige Oost-Europese landen. Hij hield over die periode een dagboek bij dat is gepubliceerd als Jonge sla in het Oosten. Het onderstaande fragment beschrijft de eerste dag van de reis naar Boedapest en Bratislava.
17 april 1996
Op twee kilometer hemelsbreed van ons huis stijgen we op. Het is een beetje mistig, windstil lenteweer. Nederland ligt er keurig bij. Afgezien van wat kromme riviertjes en wat rommelige stukjes 'natuur'—wanneer ruimen ze die nu eens op - is ons land geheel in vierkanten en rechthoeken opgedeeld. Hoeken van negentig graden zijn de mooiste. Het vliegtuigje vliegt laag, en de wereld is zo mooi plat en vlak dat ik onze schaduw zie meegaan over de aarde. Voor de landing zie ik tot mijn geruststelling dat onze wieltjes zijn uitgeklapt. Alles is onder controle.
Op Schiphol begint altijd dat licht eufore gevoel van vervreemding. Al die mensen met die gezichten, die benen die allemaal een andere kant op lopen, al die rare namen die naar informatiedesks worden geroepen, zouden wij ook van die mensen zijn, die daar lopen, dat gevoel. Onze Malev staat eindeloos ver weg, een kwartiertje over transportbanden. In het grote vliegtuig zit een handjevol mensen. Tja, wat moetje daar ook in Midden-Europa?
Maar een paar uur later zitten we gewoon waar we zitten, op een terrasje in Boedapest met Birgit Lijmbach, een Groningse docente Nederlands, voor een jaar werkzaam in het instituut waar ik het over poëzie zal gaan hebben. Groningen, ach, het is in een paar uur tijd al helemaal weg. Het is aangenaam vreemd in alle opzichten, de conversatie, het weer, het pilsje, de Parijsachtige straat.
De eerste wandeling. Naar de Donau, die alles beheersende, enorme, kolkende rivier, langs een kade met uitzichten op Boeda met het Habsburgse kasteel en op Pest, die prachtige laat negentiende-eeuwse stad, naar Hotel Gellert. Ik logeerde daar ooit een jaar of tien geleden. Hier ben je echt ver weg. Lederen fauteuils waarin men wegzinkt met uitzicht op een klaterend fonteintje, marmeren zuilen, kleurige boogconstructies, duistere lambrizeringen, wijnrode tapijten. Wat is dit? Grandeur of kitsch, allure of decadentie, operette of werkelijkheid? We kijken elkaar aan: wie zijn we?
Op de terugweg naar het hotel komen we voorbij een schitterend gigantisch Jugendstil warenhuis. Door de hoge in gietijzer gevatte ramen valt het licht in brede bundels over de duizenden winkelende mensen, de tot in de nok opgetaste koopwaar. Zware geuren van mensen, worst en manufacturen. Vooral het strijklicht over de salami en de flessen Palinka, de abrikozenjenever, treft ons. Bijna vanzelf gaat mijn hand naar de portemonnaie.
In ons eigen hotel in het centrum van Pest, heerst de gezellige sfeer die de Mercure-keten all over the world zo feilloos weet te treffen. In de duistere lobby een pianist aan een witte vleugel: tea for two, ain't she sweet, blue moon, met dat timbre datje het gevoel geeft dat er slagroom door de muziek zit. Marmeren trappen naar boven, een nieuwe lobby met vitrines vol roze gebak, tafeltjes en fauteuiltjes, uitzicht op de nachtclub Aphrodite, waar in de etalage een meisje staat te dansen, met de motoriek van een eenzaam dier in een kooi van een dierentuin. Mannen in pakken, altijd een hard koffertje naast zich, vrouwen in iets te krappe jurken, diensters in namaak folklore, de zakenwereld dus. Onze kamer hetzelfde vierkante vertrek waarin ik nu al dertig jaar op mijn reizen over deze aardbol heb geslapen.378-2018>
17 april 1996
Op twee kilometer hemelsbreed van ons huis stijgen we op. Het is een beetje mistig, windstil lenteweer. Nederland ligt er keurig bij. Afgezien van wat kromme riviertjes en wat rommelige stukjes 'natuur'—wanneer ruimen ze die nu eens op - is ons land geheel in vierkanten en rechthoeken opgedeeld. Hoeken van negentig graden zijn de mooiste. Het vliegtuigje vliegt laag, en de wereld is zo mooi plat en vlak dat ik onze schaduw zie meegaan over de aarde. Voor de landing zie ik tot mijn geruststelling dat onze wieltjes zijn uitgeklapt. Alles is onder controle.
Op Schiphol begint altijd dat licht eufore gevoel van vervreemding. Al die mensen met die gezichten, die benen die allemaal een andere kant op lopen, al die rare namen die naar informatiedesks worden geroepen, zouden wij ook van die mensen zijn, die daar lopen, dat gevoel. Onze Malev staat eindeloos ver weg, een kwartiertje over transportbanden. In het grote vliegtuig zit een handjevol mensen. Tja, wat moetje daar ook in Midden-Europa?
Maar een paar uur later zitten we gewoon waar we zitten, op een terrasje in Boedapest met Birgit Lijmbach, een Groningse docente Nederlands, voor een jaar werkzaam in het instituut waar ik het over poëzie zal gaan hebben. Groningen, ach, het is in een paar uur tijd al helemaal weg. Het is aangenaam vreemd in alle opzichten, de conversatie, het weer, het pilsje, de Parijsachtige straat.
De eerste wandeling. Naar de Donau, die alles beheersende, enorme, kolkende rivier, langs een kade met uitzichten op Boeda met het Habsburgse kasteel en op Pest, die prachtige laat negentiende-eeuwse stad, naar Hotel Gellert. Ik logeerde daar ooit een jaar of tien geleden. Hier ben je echt ver weg. Lederen fauteuils waarin men wegzinkt met uitzicht op een klaterend fonteintje, marmeren zuilen, kleurige boogconstructies, duistere lambrizeringen, wijnrode tapijten. Wat is dit? Grandeur of kitsch, allure of decadentie, operette of werkelijkheid? We kijken elkaar aan: wie zijn we?
Op de terugweg naar het hotel komen we voorbij een schitterend gigantisch Jugendstil warenhuis. Door de hoge in gietijzer gevatte ramen valt het licht in brede bundels over de duizenden winkelende mensen, de tot in de nok opgetaste koopwaar. Zware geuren van mensen, worst en manufacturen. Vooral het strijklicht over de salami en de flessen Palinka, de abrikozenjenever, treft ons. Bijna vanzelf gaat mijn hand naar de portemonnaie.
In ons eigen hotel in het centrum van Pest, heerst de gezellige sfeer die de Mercure-keten all over the world zo feilloos weet te treffen. In de duistere lobby een pianist aan een witte vleugel: tea for two, ain't she sweet, blue moon, met dat timbre datje het gevoel geeft dat er slagroom door de muziek zit. Marmeren trappen naar boven, een nieuwe lobby met vitrines vol roze gebak, tafeltjes en fauteuiltjes, uitzicht op de nachtclub Aphrodite, waar in de etalage een meisje staat te dansen, met de motoriek van een eenzaam dier in een kooi van een dierentuin. Mannen in pakken, altijd een hard koffertje naast zich, vrouwen in iets te krappe jurken, diensters in namaak folklore, de zakenwereld dus. Onze kamer hetzelfde vierkante vertrek waarin ik nu al dertig jaar op mijn reizen over deze aardbol heb geslapen.378-2018>
woensdag 15 april 2026
Astrid Lindgren • 16 april 1944
• Astrid Lindgren (1907-2002) was een Zweedse kinderboekenauteur. Vorig jaar is haar oorlogsdagboek gepubliceerd (Nederlandse vertaling).
16 april
De slag om Sebastopol, het laatste bolwerk van de Duitsers op de Krim, is begonnen. Het zuidfront ziet er echt bedenkelijk uit; de Russen zitten in Roemenië en bedreigen binnenkort de olietoevoer naar Duitsland. Ook de Tsjecho-Slowaakse grens is overschreden.
De geallieerden zijn boos op ons en op andere neutrale staten omdat we aan Duitsland leveren. En geven ons op ons donder. Maar vragen doen we d'r niet om.
Pasen hebben we op de gebruikelijke manier gevierd. Er is veel voedsel in het land der Zweden, en ik zal opschrijven wat we hebben gehad, als houvast voor toekomstige Pasens. Op Goede Vrijdag absoluut traditieloos kalfslever, op paaszaterdag zoals gewoonlijk eieren en een broodmaaltijd (met huisgemaakte leverpastei, haringsalade, ingemaakte Oostzeeharing, ingekookte Oostzeeharing, ingemaakte haring, gerookt rendiervlees, 'ingekookte' ham met rode bieten en verder weet ik het niet meer) en ijs toe. En een erg mooie sherry hebben Sture en ik gedronken, omdat we in plaats van op de 4de, op paaszaterdag onze trouwdag hebben gevierd. Op eerste paasdag hadden we gebraden kip en op tweede paasdag varkenskarbonades.
Op paaszaterdag beweerde Lasse dat hij door een meisje in Tureberg voor een dansavond was uitgenodigd; hij moest uiterlijk om 1 uur thuis zijn, zei ik. Maar hij kwam om 4 uur thuis, en toen was ik buiten mezelf en had ik een heleboel mensen wakker gebeld en van Göran te horen gekregen dat hij in Vinterpalatset [dansgelegenheid] was geweest met een meisje dat Britta-Kajsa Falk heet.
Karin is nerveus en heeft de hele Pasen erg veel aandacht gevraagd. En het is nu nog steeds niet beter; volgens mij is het de nasleep van de mazelen, ofschoon ze natuurlijk daarvoor ook tamelijk dwaas was. Omdat ik dankzij mijn voet aan huis gekluisterd ben, kan ze nou niet bepaald om mij zo angstig zijn, maar haar gemoedstoestand is vreselijk labiel, wisselend tussen nerveuze uitbundigheid, diepe neerslachtigheid en gezeur over school en pianospelen. Momenteel ben ik zelf erg melancholiek, ik neem aan dat dat komt doordat ik drie weken niet buiten ben geweest. Ik zou wel kunnen huilen. En ik hoop bij God dat Karin snel opknapt, want het is vreselijk om haar zo te hebben en het is voor haarzelf ook zielig. Lasse leeft erop los en wordt veel buitenshuis uitgenodigd; heeft thuis ook geen rust, vind ik, wat me verdriet doet.240-2017>
16 april
De slag om Sebastopol, het laatste bolwerk van de Duitsers op de Krim, is begonnen. Het zuidfront ziet er echt bedenkelijk uit; de Russen zitten in Roemenië en bedreigen binnenkort de olietoevoer naar Duitsland. Ook de Tsjecho-Slowaakse grens is overschreden.
De geallieerden zijn boos op ons en op andere neutrale staten omdat we aan Duitsland leveren. En geven ons op ons donder. Maar vragen doen we d'r niet om.
Pasen hebben we op de gebruikelijke manier gevierd. Er is veel voedsel in het land der Zweden, en ik zal opschrijven wat we hebben gehad, als houvast voor toekomstige Pasens. Op Goede Vrijdag absoluut traditieloos kalfslever, op paaszaterdag zoals gewoonlijk eieren en een broodmaaltijd (met huisgemaakte leverpastei, haringsalade, ingemaakte Oostzeeharing, ingekookte Oostzeeharing, ingemaakte haring, gerookt rendiervlees, 'ingekookte' ham met rode bieten en verder weet ik het niet meer) en ijs toe. En een erg mooie sherry hebben Sture en ik gedronken, omdat we in plaats van op de 4de, op paaszaterdag onze trouwdag hebben gevierd. Op eerste paasdag hadden we gebraden kip en op tweede paasdag varkenskarbonades.
Op paaszaterdag beweerde Lasse dat hij door een meisje in Tureberg voor een dansavond was uitgenodigd; hij moest uiterlijk om 1 uur thuis zijn, zei ik. Maar hij kwam om 4 uur thuis, en toen was ik buiten mezelf en had ik een heleboel mensen wakker gebeld en van Göran te horen gekregen dat hij in Vinterpalatset [dansgelegenheid] was geweest met een meisje dat Britta-Kajsa Falk heet.
Karin is nerveus en heeft de hele Pasen erg veel aandacht gevraagd. En het is nu nog steeds niet beter; volgens mij is het de nasleep van de mazelen, ofschoon ze natuurlijk daarvoor ook tamelijk dwaas was. Omdat ik dankzij mijn voet aan huis gekluisterd ben, kan ze nou niet bepaald om mij zo angstig zijn, maar haar gemoedstoestand is vreselijk labiel, wisselend tussen nerveuze uitbundigheid, diepe neerslachtigheid en gezeur over school en pianospelen. Momenteel ben ik zelf erg melancholiek, ik neem aan dat dat komt doordat ik drie weken niet buiten ben geweest. Ik zou wel kunnen huilen. En ik hoop bij God dat Karin snel opknapt, want het is vreselijk om haar zo te hebben en het is voor haarzelf ook zielig. Lasse leeft erop los en wordt veel buitenshuis uitgenodigd; heeft thuis ook geen rust, vind ik, wat me verdriet doet.240-2017>
dinsdag 14 april 2026
Frans Kellendonk • 15 april 1986
• De Nederlandse schrijver Frans Kellendonk (1951-1990) vond zijn dagboeken niet het publiceren waard, maar De Revisor publiceerde er wel een selectie uit.
15 april 1986
Mijn boek, Mystiek lichaam, is af en wordt momenteel gedrukt. Nog een paar weken, en het ligt in de boekhandel. Dit zijn voor mij de mooiste dagen in het leven van een boek. Het manuscript ligt in de kast en is ongeldig geworden - het is immers al gedrukt. Maar het boek is er nog niet en de tekst is er momenteel een die ik niet kan opslaan, die ik 's nachts kan dromen. En die gedroomde tekst, harde werkelijk geschreven zinnen maar rokerig en pastel van onnauwkeurig herinneren, is de mooiste die ik ooit geschreven heb - misschien is mijn herinnering wél nauwkeurig, alleen heeft de tekst niet het onherroepelijke van zwart op wit, ze zou, als het moet, nog alle kanten op kunnen.
30 mei 1986
De bloeddorst van onze weldenkende opiniemakers [naar aanleiding van Mystiek lichaam] is ongelooflijk. Eerst de Volkskrant - Willem Kuipers, Martin Ruyter, Aad Nuis, Piet Grijs, toen Carel Peeters, een onbekende briefschrijver (ook in VN), Beatrijs Rjtsema in NRC/H - en nu ben ik Koot en Bie nog vergeten. Zonder te weten waar ze het over hebben hollen ze achter elkaar aan en stellen ‘principiële kwesties’ - altijd een manier om het niet over het geval zelf te hoeven hebben. Wanneer je je verdedigt, zoals ik in een interview met VN heb gedaan, wordt dat opgevat als een teken van zwakte. Wie een rein geweten heeft verdedigt zich toch niet? Het geweten van je beschuldigers is altijd zo rein als een formica tafel.
Ik heb kennelijk een aantal kwesties aangeroerd waaraan mensen liever niet herinnerd worden. Wanneer je religie ziet als iets levends - iets dat de levens van alle mensen doordringt en niet zomaar een liefhebberij is van een paar zotten - dan krijgen de verlichte geesten die in de kranten schrijven ontzettend veel kriebels. Blijf van mijn lijf!
3 juni 1986
Het gemoed zoekt evenwicht. Het mijne is een paar weken in hevige beroering geweest en komt nu tot bedaren. Maar is het huidige evenwicht hetzelfde als dat van voorheen? Er is minder vertrouwen in de wereld waarop het kan steunen en mogelijkerwijs is het wat wankel geworden.294-2018>
15 april 1986
Mijn boek, Mystiek lichaam, is af en wordt momenteel gedrukt. Nog een paar weken, en het ligt in de boekhandel. Dit zijn voor mij de mooiste dagen in het leven van een boek. Het manuscript ligt in de kast en is ongeldig geworden - het is immers al gedrukt. Maar het boek is er nog niet en de tekst is er momenteel een die ik niet kan opslaan, die ik 's nachts kan dromen. En die gedroomde tekst, harde werkelijk geschreven zinnen maar rokerig en pastel van onnauwkeurig herinneren, is de mooiste die ik ooit geschreven heb - misschien is mijn herinnering wél nauwkeurig, alleen heeft de tekst niet het onherroepelijke van zwart op wit, ze zou, als het moet, nog alle kanten op kunnen.
30 mei 1986
De bloeddorst van onze weldenkende opiniemakers [naar aanleiding van Mystiek lichaam] is ongelooflijk. Eerst de Volkskrant - Willem Kuipers, Martin Ruyter, Aad Nuis, Piet Grijs, toen Carel Peeters, een onbekende briefschrijver (ook in VN), Beatrijs Rjtsema in NRC/H - en nu ben ik Koot en Bie nog vergeten. Zonder te weten waar ze het over hebben hollen ze achter elkaar aan en stellen ‘principiële kwesties’ - altijd een manier om het niet over het geval zelf te hoeven hebben. Wanneer je je verdedigt, zoals ik in een interview met VN heb gedaan, wordt dat opgevat als een teken van zwakte. Wie een rein geweten heeft verdedigt zich toch niet? Het geweten van je beschuldigers is altijd zo rein als een formica tafel.
Ik heb kennelijk een aantal kwesties aangeroerd waaraan mensen liever niet herinnerd worden. Wanneer je religie ziet als iets levends - iets dat de levens van alle mensen doordringt en niet zomaar een liefhebberij is van een paar zotten - dan krijgen de verlichte geesten die in de kranten schrijven ontzettend veel kriebels. Blijf van mijn lijf!
3 juni 1986
Het gemoed zoekt evenwicht. Het mijne is een paar weken in hevige beroering geweest en komt nu tot bedaren. Maar is het huidige evenwicht hetzelfde als dat van voorheen? Er is minder vertrouwen in de wereld waarop het kan steunen en mogelijkerwijs is het wat wankel geworden.294-2018>
maandag 13 april 2026
Frederik van Eeden • 14 april 1919
• Frederik van Eeden (1860-1932) publiceerde in 1920 een soort aforismedagboek, Gedachten geheten.
14 april
Heevige storm en reegen. ▫ Gisteren, Zondag, was ik zeer somber bij 't opstaan en in den morgen. Toen kwam als lieve troosteres, Annie Bosch [medium] met een bericht van Paul [Van Eeden's zoon die in 1913 overleed]. Een mooi, heerlijk bericht, dat mij zoo steunde als geen ander te vooren had gedaan. Hij mocht nu tot mij spreeken. En hij vertelde wat hij gezien had bij zijn oovergang, en hoe een stem gezegd had: ‘Wie is eenzaam die Christus kent.’ En hoe hij gericht was door Jezus en hoe die de zonde van ons ooverneemt en draagt en hoe hij, Paul, leed om zijn eigen zonden door het zien hoe Jezus leed daaronder. ▫ Ik voel nu hoe dat alles goed is en waar.
Toen werd het een goede dag, gisteren. Eerst kwam Moe de Jong met haar dochters, en wij roeiden en zeilden met de jongens en plukten dotterbloemen. Het was zonnig, frisch en opwekkend weer, na zeegenrijke reegenbuyen.
's Middags kwam Jet Wolterbeek.
Vandaag weer eenige uuren op 't land gewerkt. Het gaat nog goed.
16 april
Mijn lieve vrouw jarig. Het is grijs en koel weer. Ik kreeg het groote boek van [schrijver Israël] Querido present. Ik vond er in het geheugen, de werkkracht, de geleerdheid die mij tot mijn smart ontbreekt en dit maakt mij zeer neerslachtig.
14 april
Heevige storm en reegen. ▫ Gisteren, Zondag, was ik zeer somber bij 't opstaan en in den morgen. Toen kwam als lieve troosteres, Annie Bosch [medium] met een bericht van Paul [Van Eeden's zoon die in 1913 overleed]. Een mooi, heerlijk bericht, dat mij zoo steunde als geen ander te vooren had gedaan. Hij mocht nu tot mij spreeken. En hij vertelde wat hij gezien had bij zijn oovergang, en hoe een stem gezegd had: ‘Wie is eenzaam die Christus kent.’ En hoe hij gericht was door Jezus en hoe die de zonde van ons ooverneemt en draagt en hoe hij, Paul, leed om zijn eigen zonden door het zien hoe Jezus leed daaronder. ▫ Ik voel nu hoe dat alles goed is en waar.
Toen werd het een goede dag, gisteren. Eerst kwam Moe de Jong met haar dochters, en wij roeiden en zeilden met de jongens en plukten dotterbloemen. Het was zonnig, frisch en opwekkend weer, na zeegenrijke reegenbuyen.
's Middags kwam Jet Wolterbeek.
Vandaag weer eenige uuren op 't land gewerkt. Het gaat nog goed.
16 april
Mijn lieve vrouw jarig. Het is grijs en koel weer. Ik kreeg het groote boek van [schrijver Israël] Querido present. Ik vond er in het geheugen, de werkkracht, de geleerdheid die mij tot mijn smart ontbreekt en dit maakt mij zeer neerslachtig.
zondag 12 april 2026
Boekhouder, 26 jaar - Texel • 13 april 1945
• Boekhouder, 26 jaar - Texel. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945,
geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening
Vrijdag 13 April 1945
- Vanmiddag om 4 uur begon de strijd weer in den Polder. De hele morgen was het rustig geweest. Den Helder en de Z.Batterij kwamen weer puur in actie. De ‘Korenschoof’ ging vanmiddag in vlammen op. Daar het vandaag nogal donker weer was, kon men alles niet zo goed bekijken. Vanmorgen kwam er 'n Mof op 'n motor om spek. Hij moest spek hebben, zei hij. Vader zou hem 'n stukje brengen maar hij liep achter hem aan naar de schoorsteen en zei: ‘Alles moet ik hebben voor m'n zieke kameraden.’ Twee hammen deed hij in de zak en was toen vol. De rest liet hij hangen
Zaterdag, 14 April 1945
- De hele dag rustig geweest tot s'avonds 8 uur. Toen schoot de Z. Batterij een paar malen in de richting van Cocksdorp. Verder vandaag niets geen bijzonders.
Zondag, 15 April 1945
- 't Is vandaag ook tamelijk rustig geweest. Zo af en toe hoort men eens een paar geweerschoten maar anders niets. Vanavond om 'n uur of zes kwamen hier 'n drie tal gewapende Duitsers aan, vragend om wat brood, spek of andere levensmiddelen. Deze lui waren nogal tamelijk fatsoenlijk. Zij waren vanmorgen hier op Texel aangekomen uit den Haag vandaan. Nog een paar dagen vechten, zeiden ze en dan zijn de Russen verslagen. Ze waren vol goeie moed. Het zou hen nog wel even opbreken, denk ik. Ze kregen deze keer voor hun drieën een brood en zes eieren.
Terzelfdertijd, dat hier deze 3 jonge moffen waren ging hier ook nog 'n moffenwagen voorbij met een stuk of zes soldaten. Zij gingen ook om eten uit maar op 'n brutale manier, op z'n mofs. Eerst gingen ze naar J. Hin. Ze liepen de boerderij binnen en dreven Jaap onder bedreiging te zullen schieten met de revolver in 'n hoek van de kamer. Ook de andere gezinsleden hielden ze met de revolver in bedwang. Daarna gooiden ze alles omver en doorzochten het huis. Ze namen al z'n spek en boter, wat ze konden vinden mee. Ook de voorhanden staande inmaakpotten. Daarna gingen zij naar Gerrit Witten. Daar konden ze niet veel bijzonders vinden. Gerrit had alles al verstopt. Ze liepen daarom kwaad weg en schoten aan de weg nog een paar schapen van hem dood. Zij waren met 'n vrachtauto. Ze konden daarom 'n boel laden. Ze reden Spang weer verder in en hielden stil bij Jaap de Wit. Daar gingen ze precies zo te werk als bij Jaap Hin. De gezinsleden dreigden zij met hun revolver en haalden dan de hele spekkuip leeg. Ook namen ze 'n emmer met vet, wat suiker, jam en likeuren mee zelfs pakjes pudding. Van Jaap de Wit gingen ze naar P. Hin. Deze man kreeg ook de revolver op zijn borst gedrukt en zijn vrouw moest hen alles wijzen. Daar werden ook weer spek en andere levensmiddelen opgeladen. Ook schoten ze nog een van z'n twee ganzen dood. Zo trokken de vandalen over 't eiland. Wij stonden machteloos tegenover die gewapende horden, beroepsplunderaars.
Vrijdag 13 April 1945
- Vanmiddag om 4 uur begon de strijd weer in den Polder. De hele morgen was het rustig geweest. Den Helder en de Z.Batterij kwamen weer puur in actie. De ‘Korenschoof’ ging vanmiddag in vlammen op. Daar het vandaag nogal donker weer was, kon men alles niet zo goed bekijken. Vanmorgen kwam er 'n Mof op 'n motor om spek. Hij moest spek hebben, zei hij. Vader zou hem 'n stukje brengen maar hij liep achter hem aan naar de schoorsteen en zei: ‘Alles moet ik hebben voor m'n zieke kameraden.’ Twee hammen deed hij in de zak en was toen vol. De rest liet hij hangen
Zaterdag, 14 April 1945
- De hele dag rustig geweest tot s'avonds 8 uur. Toen schoot de Z. Batterij een paar malen in de richting van Cocksdorp. Verder vandaag niets geen bijzonders.
Zondag, 15 April 1945
- 't Is vandaag ook tamelijk rustig geweest. Zo af en toe hoort men eens een paar geweerschoten maar anders niets. Vanavond om 'n uur of zes kwamen hier 'n drie tal gewapende Duitsers aan, vragend om wat brood, spek of andere levensmiddelen. Deze lui waren nogal tamelijk fatsoenlijk. Zij waren vanmorgen hier op Texel aangekomen uit den Haag vandaan. Nog een paar dagen vechten, zeiden ze en dan zijn de Russen verslagen. Ze waren vol goeie moed. Het zou hen nog wel even opbreken, denk ik. Ze kregen deze keer voor hun drieën een brood en zes eieren.
Terzelfdertijd, dat hier deze 3 jonge moffen waren ging hier ook nog 'n moffenwagen voorbij met een stuk of zes soldaten. Zij gingen ook om eten uit maar op 'n brutale manier, op z'n mofs. Eerst gingen ze naar J. Hin. Ze liepen de boerderij binnen en dreven Jaap onder bedreiging te zullen schieten met de revolver in 'n hoek van de kamer. Ook de andere gezinsleden hielden ze met de revolver in bedwang. Daarna gooiden ze alles omver en doorzochten het huis. Ze namen al z'n spek en boter, wat ze konden vinden mee. Ook de voorhanden staande inmaakpotten. Daarna gingen zij naar Gerrit Witten. Daar konden ze niet veel bijzonders vinden. Gerrit had alles al verstopt. Ze liepen daarom kwaad weg en schoten aan de weg nog een paar schapen van hem dood. Zij waren met 'n vrachtauto. Ze konden daarom 'n boel laden. Ze reden Spang weer verder in en hielden stil bij Jaap de Wit. Daar gingen ze precies zo te werk als bij Jaap Hin. De gezinsleden dreigden zij met hun revolver en haalden dan de hele spekkuip leeg. Ook namen ze 'n emmer met vet, wat suiker, jam en likeuren mee zelfs pakjes pudding. Van Jaap de Wit gingen ze naar P. Hin. Deze man kreeg ook de revolver op zijn borst gedrukt en zijn vrouw moest hen alles wijzen. Daar werden ook weer spek en andere levensmiddelen opgeladen. Ook schoten ze nog een van z'n twee ganzen dood. Zo trokken de vandalen over 't eiland. Wij stonden machteloos tegenover die gewapende horden, beroepsplunderaars.
Leo Vroman • 12 april 1969
• Dichter-wetenschapper Leo Vroman (1915-2014) schreef in de jaren zestig veel Brieven uit Brooklyn.
Beste Allen,
[12 april 1969]
Nu is het al afgelopen met maart, en ik had begin maart willen schrijven. Hier heb ik nog een kladje dat begint met: 11maart. De sneeuw die over de vuile sneeuw gevallen was ligt hier en daar nog in hoopjes, met sneeuw bedekt, waaronder de dooi een fijne franje wereld van oude verse sneeuw te voorschijn smelt. Vergeet dat nou maar, er is nergens meer sneeuw te vinden, sedert een week.
Ik begrijp de tijd nooit goed, nu lees je dit alweer later dan ik het schrijf, maar in ieder geval maak ik geen kladjes meer. Wel denk ik soms, dat moet ik opschrijven voor later.
Vanochtend bijvoorbeeld had ik het met Gena, mijn assistente, over de slaafsheid van vrouwen in sommige landen en ik zei: In Japan duwen wel veel vrouwen overvolle mestwagens voort, maar er zijn er ook die trekken. Geestig, hè?
Gena, de schoft, zei gisteren tegen haar man (ach ach ze zijn zo jong) dat het toch wel heerlijk moest zijn waar zijn zuster was, in de Virgin Islands. Nou, zei hij, waren we er maar. Nou, zei zij, vooruit. Daag me niet uit zei hij, ja zei zij, - nou, ze zitten al in het vliegtuig en komen zondag terug, straatarm.
Maar ik leef ook wel hoor, soms een hele dag bijna. En nu het lente wordt, heb ik al weer een heel jaar vrij veel geleefd. Hier en daar sta ik terecht aangegeven met (1915-) achter mij. Vul maar in, betekent dat, het doet er niet toe. Ja hoor, dat betekent het, geen flauwe kul.
Als ik uit betrouwbare bron (b.v. in de lucht) zou horen dat ik nog maar een minuut te leven had, dan keek ik eerst op mijn horloge, ging dan wat veiliger zitten om niet al te pijnlijk dood te vallen en tikte verder. Twee weken geleden besloot onze goeie vriendin Ethel, dan ook een biologe, (haar man een fotograaf met een woeste gevoeligheid voor alles wat onoprecht is, Charlie geheten) dat het tijd werd om eens met Tineke te praten, want die kan eigenlijk zoveel met haar hoofd en moest toch eens denken wat te doen als ik eenmaal gestorven en het huis uit ben, goed dus. Tineke naar Manhattan en de twee vrouwen maar praten. Twee dagen later belde Ethel op. Tineke nam de telefoon op, was eerst even stil, zei toen zachtjes ‘o Ethel’ - tja, Charlie dood. Een uur later waren we al, ach dat hoeft hier niet allemaal bij.
Twee dagen later, die dienst, de kinderen hadden al zo gehuild en wilden er toch heen. Misschien is de dood wel goed voor ze, ze zijn toch geen kinderen meer. Een verstrooide jonge dierpsycholoog haalde Tineke en mij op binnen zijn autootje, en naar Peggy's school, een honderd jaar oud donkerrood stenen gebouw met wat withouten vestibule bijna, en een huistuintje min of meer eromheen, alles dungetralied van een hek om de rest van downtown Brooklyn tegen te gaan: de gerechtshoven, de gevangenis, de opschriften Bail Bonded, Bar Ba., B.r., Certified Bonds, een kroeg die The Verdict heet, lachende advocaten, kwade politiebureaus.
In school werd juist een ‘white elephant sale’ gehouden, dat is een liefdadige uitverkoop van bijna nog bruikbare en ook zelfgemaakte leuke dingen, Peggy's ringen van bonte telefoondraadjes lagen daar ook, in de lage kamer, en daar stond ze zelf, bleek als een porseleinen vuurtoren bij dag, de ogen door levende zwarte wereldrampen verlicht.
We reden boven de havens van Manhattan naar het noorden. Schepen lieten zich languit onder ons ledigen. Soms wordt het lichaam tentoongesteld, zei Tineke tegen Peggy, je hoeft nooit te kijken. Maar later, in dat zorgvuldig zielloos gehouden ontvangstportaal, onontkoombaar bekleed, waren de zaaltjes zonder toneel, trilde ze toch, waren de eetzaaltjes zonder eten, de treurenden zonder stemmen.
Ik bleef beneden op Geri wachten terwijl een beroepsheer zei: which service please? Upstairs; or: elevator to your right. Which service please? Straight ahead, which service please?
Geri dan, 18 (Peggy is nu 17), had een lange vakantie want haar college is in Vermont en heeft 's winters te zware sneeuw om in na te denken. En ze moet dan werken, had in het telefoonboek onder Animals gekeken en daar ‘Animal Talent Scouts’ gevonden wat een aardige dame met een huis vol optredende dieren bleek te zijn waar wel een schoonmaakster bij kon met lang haar.
Maar deze dag was Geri gaan werken toen het nog donker was; de Amazonereiger in de hanebalken, de schuwe Wallaby die nooit voor iets speelde, de Deense doggen en de hazewinden voor de Rosenkavalier, de kikkers die de rol van prinses hadden vertolkt, de eekhoorn van de potato-chipsreclame, de donzige katten moesten tot hun verbazing alle elkaar voor dag en dauw verschoond en gevoerd zien worden door een vandaag zo ernstige Geri.
Ik wachtte. ‘Where is that darned Jeffrey,’ brulde iemand gedempt in een kantoortje. De straatdeur ging open. Een late heer keek mij vragend aan, hij kwam me bekend voor, ‘upstairs or elevator to your right’ zei ik dus. Weer de straatdeur, ditmaal Geri goddank.
We liepen de trap op, ik kuste haar koude kruin. Er was een volle zaal, tweehonderd mensen, en vooraan een lessenaartje, maar zelfs daar leek iedereen, van achteren gezien ten minste, levend. Een magere man vertelde hoe Charlie schoolbuschauffeur was, en het vereiste bekertje naast zich moest ophangen voor fooien, tegen zijn zin, en daar dus op schreef: Help me, I am blind.
De man ging weer zitten, en daar stond ineens Charlie zelf nog eens, alleen wat ingevallen en wat wilderrood haar en praatte over zich zelf, maar nee, hij had immers een broer.
‘Het is zijn broer,’ zei een dame achter mij. Wanneer mompel mompel, mompelde ze toen. De crematie, antwoordde een vrouw naast haar, maar die is vanochtend al geweest, de crematie, die is al voorbij.
De doden springen vaak zo vreemd en haastig achteruit het verleden in, dat is toch niet nodig, wie doet ze wat. Later droomde ik van grote zwarte vogels, hun groen en rood gezoomde ogen wimperden, ze daalden ook aan de verkeerde kant van het hek, de onderste onder hen konden niet langer en riepen orrr orrr maar het werd more, more en menselijk alles. Ach Charlie.
Alles zal wel anders zijn, we zijn het bangst voor niets.
Hartelijke groeten, Leo Vroman
Beste Allen,
[12 april 1969]
Nu is het al afgelopen met maart, en ik had begin maart willen schrijven. Hier heb ik nog een kladje dat begint met: 11maart. De sneeuw die over de vuile sneeuw gevallen was ligt hier en daar nog in hoopjes, met sneeuw bedekt, waaronder de dooi een fijne franje wereld van oude verse sneeuw te voorschijn smelt. Vergeet dat nou maar, er is nergens meer sneeuw te vinden, sedert een week.
Ik begrijp de tijd nooit goed, nu lees je dit alweer later dan ik het schrijf, maar in ieder geval maak ik geen kladjes meer. Wel denk ik soms, dat moet ik opschrijven voor later.
Vanochtend bijvoorbeeld had ik het met Gena, mijn assistente, over de slaafsheid van vrouwen in sommige landen en ik zei: In Japan duwen wel veel vrouwen overvolle mestwagens voort, maar er zijn er ook die trekken. Geestig, hè?
Gena, de schoft, zei gisteren tegen haar man (ach ach ze zijn zo jong) dat het toch wel heerlijk moest zijn waar zijn zuster was, in de Virgin Islands. Nou, zei hij, waren we er maar. Nou, zei zij, vooruit. Daag me niet uit zei hij, ja zei zij, - nou, ze zitten al in het vliegtuig en komen zondag terug, straatarm.
Maar ik leef ook wel hoor, soms een hele dag bijna. En nu het lente wordt, heb ik al weer een heel jaar vrij veel geleefd. Hier en daar sta ik terecht aangegeven met (1915-) achter mij. Vul maar in, betekent dat, het doet er niet toe. Ja hoor, dat betekent het, geen flauwe kul.
Als ik uit betrouwbare bron (b.v. in de lucht) zou horen dat ik nog maar een minuut te leven had, dan keek ik eerst op mijn horloge, ging dan wat veiliger zitten om niet al te pijnlijk dood te vallen en tikte verder. Twee weken geleden besloot onze goeie vriendin Ethel, dan ook een biologe, (haar man een fotograaf met een woeste gevoeligheid voor alles wat onoprecht is, Charlie geheten) dat het tijd werd om eens met Tineke te praten, want die kan eigenlijk zoveel met haar hoofd en moest toch eens denken wat te doen als ik eenmaal gestorven en het huis uit ben, goed dus. Tineke naar Manhattan en de twee vrouwen maar praten. Twee dagen later belde Ethel op. Tineke nam de telefoon op, was eerst even stil, zei toen zachtjes ‘o Ethel’ - tja, Charlie dood. Een uur later waren we al, ach dat hoeft hier niet allemaal bij.
Twee dagen later, die dienst, de kinderen hadden al zo gehuild en wilden er toch heen. Misschien is de dood wel goed voor ze, ze zijn toch geen kinderen meer. Een verstrooide jonge dierpsycholoog haalde Tineke en mij op binnen zijn autootje, en naar Peggy's school, een honderd jaar oud donkerrood stenen gebouw met wat withouten vestibule bijna, en een huistuintje min of meer eromheen, alles dungetralied van een hek om de rest van downtown Brooklyn tegen te gaan: de gerechtshoven, de gevangenis, de opschriften Bail Bonded, Bar Ba., B.r., Certified Bonds, een kroeg die The Verdict heet, lachende advocaten, kwade politiebureaus.
In school werd juist een ‘white elephant sale’ gehouden, dat is een liefdadige uitverkoop van bijna nog bruikbare en ook zelfgemaakte leuke dingen, Peggy's ringen van bonte telefoondraadjes lagen daar ook, in de lage kamer, en daar stond ze zelf, bleek als een porseleinen vuurtoren bij dag, de ogen door levende zwarte wereldrampen verlicht.
We reden boven de havens van Manhattan naar het noorden. Schepen lieten zich languit onder ons ledigen. Soms wordt het lichaam tentoongesteld, zei Tineke tegen Peggy, je hoeft nooit te kijken. Maar later, in dat zorgvuldig zielloos gehouden ontvangstportaal, onontkoombaar bekleed, waren de zaaltjes zonder toneel, trilde ze toch, waren de eetzaaltjes zonder eten, de treurenden zonder stemmen.
Ik bleef beneden op Geri wachten terwijl een beroepsheer zei: which service please? Upstairs; or: elevator to your right. Which service please? Straight ahead, which service please?
Geri dan, 18 (Peggy is nu 17), had een lange vakantie want haar college is in Vermont en heeft 's winters te zware sneeuw om in na te denken. En ze moet dan werken, had in het telefoonboek onder Animals gekeken en daar ‘Animal Talent Scouts’ gevonden wat een aardige dame met een huis vol optredende dieren bleek te zijn waar wel een schoonmaakster bij kon met lang haar.
Maar deze dag was Geri gaan werken toen het nog donker was; de Amazonereiger in de hanebalken, de schuwe Wallaby die nooit voor iets speelde, de Deense doggen en de hazewinden voor de Rosenkavalier, de kikkers die de rol van prinses hadden vertolkt, de eekhoorn van de potato-chipsreclame, de donzige katten moesten tot hun verbazing alle elkaar voor dag en dauw verschoond en gevoerd zien worden door een vandaag zo ernstige Geri.
Ik wachtte. ‘Where is that darned Jeffrey,’ brulde iemand gedempt in een kantoortje. De straatdeur ging open. Een late heer keek mij vragend aan, hij kwam me bekend voor, ‘upstairs or elevator to your right’ zei ik dus. Weer de straatdeur, ditmaal Geri goddank.
We liepen de trap op, ik kuste haar koude kruin. Er was een volle zaal, tweehonderd mensen, en vooraan een lessenaartje, maar zelfs daar leek iedereen, van achteren gezien ten minste, levend. Een magere man vertelde hoe Charlie schoolbuschauffeur was, en het vereiste bekertje naast zich moest ophangen voor fooien, tegen zijn zin, en daar dus op schreef: Help me, I am blind.
De man ging weer zitten, en daar stond ineens Charlie zelf nog eens, alleen wat ingevallen en wat wilderrood haar en praatte over zich zelf, maar nee, hij had immers een broer.
‘Het is zijn broer,’ zei een dame achter mij. Wanneer mompel mompel, mompelde ze toen. De crematie, antwoordde een vrouw naast haar, maar die is vanochtend al geweest, de crematie, die is al voorbij.
De doden springen vaak zo vreemd en haastig achteruit het verleden in, dat is toch niet nodig, wie doet ze wat. Later droomde ik van grote zwarte vogels, hun groen en rood gezoomde ogen wimperden, ze daalden ook aan de verkeerde kant van het hek, de onderste onder hen konden niet langer en riepen orrr orrr maar het werd more, more en menselijk alles. Ach Charlie.
Alles zal wel anders zijn, we zijn het bangst voor niets.
Hartelijke groeten, Leo Vroman
Wim Hazeu • 11 april 2006
• Wim Hazeu (1940-2024) was een Nederlandse schrijver en biograaf. In het tijdschrift Liter publiceerde hij Een jaar voorafgaande aan de Lucebertbiografie
Fragmenten uit een dagboek.
11 april 2006
- In de trein op weg naar het atelier van Lucebert vertel ik uitgeefster Suzanne Holtzer over mijn twijfels. Er is al zoveel bekend... Zij raadt mij aan een biografie van Marten Toonder te overwegen. In het atelier tref ik een aardig gezelschap aan, in verband met de overdracht van tweehonderd werken van Lucebert aan de Nederlandse Staat. Staatssecretaris Medy van der Laan neemt het geschenk symbolisch (één schilderij) in ontvangst van weduwe Tony. Ik spreek met Tony, met haar zoon Brecht, twee dochters en een schoonzoon van Lucebert en met de zoon van de overleden verzamelaar Groenendijk (die zijn collectie aan het Stedelijk Museum schonk. Degene die voor mij deze collectie in het Museum toegankelijk zal maken, Suzanna Héman, spreek ik ook). De middag wordt almaar geanimeerder. Anja de Feijter, die op Lucebert promoveerde, stelt zich voor en geeft aan dat er zeker nog ruimte is voor een echte biografie. Een mening die de kinderen en Tony delen. Ik blijf voorzichtig, houd afstand, maar toon mij nieuwsgierig. In de boekenkast snuffel ik in de boeken van Bert Schierbeek, allemaal voorzien van een mooie, uitgebreide opdracht. Ik mag met alle genoemden komen praten, ook met schilder-collega David Kouwenaar. Op de terugweg vertel ik Suzanne dat ik nu vier mogelijkheden zie: Lucebert, Jan de Hartog, Marten Toonder en Co Westerik en een onmogelijkheid: Nijhoff. In elk geval zal ik een afspraak maken met David Kouwenaar, omdat ik nu eenmaal graag met schilders praat.
11 april 2006
- In de trein op weg naar het atelier van Lucebert vertel ik uitgeefster Suzanne Holtzer over mijn twijfels. Er is al zoveel bekend... Zij raadt mij aan een biografie van Marten Toonder te overwegen. In het atelier tref ik een aardig gezelschap aan, in verband met de overdracht van tweehonderd werken van Lucebert aan de Nederlandse Staat. Staatssecretaris Medy van der Laan neemt het geschenk symbolisch (één schilderij) in ontvangst van weduwe Tony. Ik spreek met Tony, met haar zoon Brecht, twee dochters en een schoonzoon van Lucebert en met de zoon van de overleden verzamelaar Groenendijk (die zijn collectie aan het Stedelijk Museum schonk. Degene die voor mij deze collectie in het Museum toegankelijk zal maken, Suzanna Héman, spreek ik ook). De middag wordt almaar geanimeerder. Anja de Feijter, die op Lucebert promoveerde, stelt zich voor en geeft aan dat er zeker nog ruimte is voor een echte biografie. Een mening die de kinderen en Tony delen. Ik blijf voorzichtig, houd afstand, maar toon mij nieuwsgierig. In de boekenkast snuffel ik in de boeken van Bert Schierbeek, allemaal voorzien van een mooie, uitgebreide opdracht. Ik mag met alle genoemden komen praten, ook met schilder-collega David Kouwenaar. Op de terugweg vertel ik Suzanne dat ik nu vier mogelijkheden zie: Lucebert, Jan de Hartog, Marten Toonder en Co Westerik en een onmogelijkheid: Nijhoff. In elk geval zal ik een afspraak maken met David Kouwenaar, omdat ik nu eenmaal graag met schilders praat.
donderdag 9 april 2026
Jan Terlouw • 10 april 1981
• Voormalig politicus Jan Terlouw (1931) hield in 1981/1982 (hij was toen minister van Economische Zaken en vicepremier) een politiek dagboek bij dat is gepubliceerd als Naar zeventien zetels en terug.
Vrijdag 10 april
's Avonds in Helmond de laatste voorstelling van Le silence de la mer van Vercors door ‘le Tretaut de Paris’.
Goede voorstelling. Vierhonderd jonge mensen zagen het aan. Wonderlijk, wat 36 jaar na de oorlog een Duits uniform nog teweeg brengt op het toneel. Het stuk doet het nu beter dan 30 jaar geleden, toen Vercors (nu 79 jaar) zijn beroemde boekje dramatiseerde. Misschien was het zo kort na de oorlog te subtiel.
Na afloop met het gezelschap gegeten in De Vest in Eindhoven. Met de Fransen hebben we (bij Wikor) altijd de aardigste contacten, beter dan met de Engelsen en Duitsers. Typisch, als fysicus kon ik beter met de Engelsen opschieten. Ik lees in VN dat Kistenmaker de eigenschappen van volkeren via een enquête aan het onderzoeken is. Beetje griezelig, omdat men gauw geneigd is aan het resultaat absolute waarde toe te kennen. Ik doe dat al door na een vrij kleine steekproef te concluderen dat bij de Fransen de acteurs en bij de Britten de natuurkundigen het aardigst zijn.
Vrijdag 10 april
's Avonds in Helmond de laatste voorstelling van Le silence de la mer van Vercors door ‘le Tretaut de Paris’.
Goede voorstelling. Vierhonderd jonge mensen zagen het aan. Wonderlijk, wat 36 jaar na de oorlog een Duits uniform nog teweeg brengt op het toneel. Het stuk doet het nu beter dan 30 jaar geleden, toen Vercors (nu 79 jaar) zijn beroemde boekje dramatiseerde. Misschien was het zo kort na de oorlog te subtiel.
Na afloop met het gezelschap gegeten in De Vest in Eindhoven. Met de Fransen hebben we (bij Wikor) altijd de aardigste contacten, beter dan met de Engelsen en Duitsers. Typisch, als fysicus kon ik beter met de Engelsen opschieten. Ik lees in VN dat Kistenmaker de eigenschappen van volkeren via een enquête aan het onderzoeken is. Beetje griezelig, omdat men gauw geneigd is aan het resultaat absolute waarde toe te kennen. Ik doe dat al door na een vrij kleine steekproef te concluderen dat bij de Fransen de acteurs en bij de Britten de natuurkundigen het aardigst zijn.
woensdag 8 april 2026
Boekhouder, 26 jaar - Texel • 9 april 1945
• Boekhouder, 26 jaar - Texel. Uit: Dagboekfragmenten 1940-1945,
geselecteerd door T.M. Sjenitzer-van Leening
Maandag, 9 April 1945
- Vannacht werd er hevig gevuurd op den Koog en op Vlijt vanuit den Helder en stelling Ongeren. Velen zijn vannacht op geweest. Vanmorgen was 't weer rustig en ben ik nog aan 't koren zaaien geweest op 't Schoenmakertje. Tegen de middag begon de oorlog weer. De Zuid-Batterij en den Helder lieten zich weer eens duchtig horen. De aanval was nu op Vlijt gericht. Met de middag was 't weer even rustig, maar de rust duurde niet lang. De kanonnen bulderden weer over 't eiland. Branden braken uit. Boerderijen, schuren, of hangars en zaadklampen staan in brand: Op zeven plaatsen ziet men grote rookzuilen omhoogstijgen. De hele Polder staat in brand. Tegen vieren was geheel Texel in rook gehuld. De zon werd door 't rookwaas verduisterd: De zonnestralen werden gebroken. 't Was gewoonweg verschrikkelijk. Texel in brand. Een dag om nooit meer te vergeten.
Cocksdorp werd vandaag ook onder vuur genomen. Beide kerken, (de R.K. en Pr.kerk) kregen opnieuw enige voltreffers. Ook vielen nu hier slachtoffers onder de burgerbevolking.
Dinsdag, 10 April 1945
- De nacht is weer rustig verlopen en de dag deze keer ook. Zo af en toe hoort men nog wel een mitrailleur ratelen, maar anders toch ook niet. De rust is weer even teruggekeerd. Beide partijen moeten even uitblazen.
Vanmiddag trokken de Waalders de Waal weer uit omdat zij bang waren, dat de Duitsers sommigen zouden oproepen om tegen de Russen te vechten. Vanmiddag hebben we 3 sketters [jonge koeien] en de enterlingen ["ooi die op den leeftijd van één jaar voor het eerst lammert"] naar de Gouden bollen gebracht. 't Was prachtig weer.
Maandag, 9 April 1945
- Vannacht werd er hevig gevuurd op den Koog en op Vlijt vanuit den Helder en stelling Ongeren. Velen zijn vannacht op geweest. Vanmorgen was 't weer rustig en ben ik nog aan 't koren zaaien geweest op 't Schoenmakertje. Tegen de middag begon de oorlog weer. De Zuid-Batterij en den Helder lieten zich weer eens duchtig horen. De aanval was nu op Vlijt gericht. Met de middag was 't weer even rustig, maar de rust duurde niet lang. De kanonnen bulderden weer over 't eiland. Branden braken uit. Boerderijen, schuren, of hangars en zaadklampen staan in brand: Op zeven plaatsen ziet men grote rookzuilen omhoogstijgen. De hele Polder staat in brand. Tegen vieren was geheel Texel in rook gehuld. De zon werd door 't rookwaas verduisterd: De zonnestralen werden gebroken. 't Was gewoonweg verschrikkelijk. Texel in brand. Een dag om nooit meer te vergeten.
Cocksdorp werd vandaag ook onder vuur genomen. Beide kerken, (de R.K. en Pr.kerk) kregen opnieuw enige voltreffers. Ook vielen nu hier slachtoffers onder de burgerbevolking.
Dinsdag, 10 April 1945
- De nacht is weer rustig verlopen en de dag deze keer ook. Zo af en toe hoort men nog wel een mitrailleur ratelen, maar anders toch ook niet. De rust is weer even teruggekeerd. Beide partijen moeten even uitblazen.
Vanmiddag trokken de Waalders de Waal weer uit omdat zij bang waren, dat de Duitsers sommigen zouden oproepen om tegen de Russen te vechten. Vanmiddag hebben we 3 sketters [jonge koeien] en de enterlingen ["ooi die op den leeftijd van één jaar voor het eerst lammert"] naar de Gouden bollen gebracht. 't Was prachtig weer.
dinsdag 7 april 2026
Matthieu Galey • 8 april 1979
• Matthieu Galey (1934-1986) was een Franse schrijver. Zijn na zijn dood (hij overleed aan ALS) verschenen Dagboek 1953-1986 (vertaald door Joop van Helmond) wordt als een literair meesterwerk beschouwd.
8 april 1979
Jouhandeau op zijn sterfbed. Zo bleek als ik nog nooit een mens heb gezien. Eerder nog ivoorkleurig, als een crucifix, en zijn bleekheid wordt nog onderstreept door een soort beige boernoes die ze hem hebben aangetrokken. Hij is geheel ton-sur-ton met zijn gezicht omlijst door de capuchon van het gewaad. Ik moet denken aan de heilige Bruno van Zurbaran. Naast hem op zijn linkerschouder de foto van Elise* en die van zijn moeder, in kleine lijstjes, en een opgerold vel ruitjespapier met een lintje eromheen, beschreven in een kinderlijk handschrift. Marc? Mysterie.*
Aan zijn handen, die van marmer zijn geworden, lijkt de opaal van zijn ring ingelegd.
Sinds enkele dagen wilde hij niet meer eten. Zeer verzwakt. Toch is hij gisteravond tegen vijf uur naar beneden gegaan. Hij is niet meer boven gekomen. Ze hebben hem geïnstalleerd in dat grafkelderachtige cementen vertrek, kil en sinister, dat Elise heeft laten bouwen. Overal mensen, Jean Danet, jonge mensen die ik niet ken – onder wie een donker type dat zeer is aangedaan – de nicht, de kleine Marc die in andere sferen lijkt te vertoeven, onwaarschijnlijke personages, ongetwijfeld familie van Céline, die geloof ik een zuster had, en natuurlijk de dienstbode, de enige die huilt.
• Elise is de overleden vrouw van de homoseksuele Jouhandeau, waarmee hij jarenlang in onmin leefde. Marc is zijn kleinzoon – de zoon van zijn overleden adoptiedochter Céline.199-2018>
8 april 1979
Jouhandeau op zijn sterfbed. Zo bleek als ik nog nooit een mens heb gezien. Eerder nog ivoorkleurig, als een crucifix, en zijn bleekheid wordt nog onderstreept door een soort beige boernoes die ze hem hebben aangetrokken. Hij is geheel ton-sur-ton met zijn gezicht omlijst door de capuchon van het gewaad. Ik moet denken aan de heilige Bruno van Zurbaran. Naast hem op zijn linkerschouder de foto van Elise* en die van zijn moeder, in kleine lijstjes, en een opgerold vel ruitjespapier met een lintje eromheen, beschreven in een kinderlijk handschrift. Marc? Mysterie.*
Aan zijn handen, die van marmer zijn geworden, lijkt de opaal van zijn ring ingelegd.
Sinds enkele dagen wilde hij niet meer eten. Zeer verzwakt. Toch is hij gisteravond tegen vijf uur naar beneden gegaan. Hij is niet meer boven gekomen. Ze hebben hem geïnstalleerd in dat grafkelderachtige cementen vertrek, kil en sinister, dat Elise heeft laten bouwen. Overal mensen, Jean Danet, jonge mensen die ik niet ken – onder wie een donker type dat zeer is aangedaan – de nicht, de kleine Marc die in andere sferen lijkt te vertoeven, onwaarschijnlijke personages, ongetwijfeld familie van Céline, die geloof ik een zuster had, en natuurlijk de dienstbode, de enige die huilt.
• Elise is de overleden vrouw van de homoseksuele Jouhandeau, waarmee hij jarenlang in onmin leefde. Marc is zijn kleinzoon – de zoon van zijn overleden adoptiedochter Céline.199-2018>
maandag 6 april 2026
George Gissing • 7 april 1902
• George Gissing (1857-1903) was een Britse schrijver. Zijn treurige leven wordt uit de doeken gedaan door Geerten Meijsing in Tirade, aan de hand van dagboekfragmenten van Gissing.
Arcachon, 7 april [1902].
Gisteren bij toeval het eerste deel van mijn Dagboek opengeslagen, en vond dat zulke vreemde en ontroerende lektuur dat ik urenlang ben blijven lezen. — Wie weet of ik niet nog een paar jaar te leven heb; en als dat zo is, zou ik er spijt van hebben niet een doorlopend verslag van mijn leven te hebben. Dus besluit ik om weer mijn dagboek bij te gaan houden, na bijna een jaar onderbreking. (...)’
28 december 1903 stierf Gissing in St. Jean de Luz. (Zijn laatste dagboekaantekening dateert van 8 november 1902, en beschrijft een uitstapje over de grens in Spanje.)
Ik ben mij ten volle bewust dat ik de schrijver Gissing weinig recht doe met een keuze uit deze dagboeken - hoe futiel!, zal menig lezer zeggen. Maar het leven van een groot schrijver bestaat uit dergelijke ongelukkige futiliteiten, en zo heeft Gissing ze willen optekenen. Zijn verbale, bijtende kracht, zijn ideeën, de schoonheid van zijn taalgebruik, zijn maatschappelijke en filosofische stellingname, kortom, zijn hele kunstenaarschap en ambachtelijkheid zijn terechtgekomen in zijn voor publikatie bestemde werken - waarvan minstens een handvol tot de meesterwerken van de wereldliteratuur gerekend kunnen worden. Maar het moet mij van het hart: ook in deze zwakke alledaagsheden is George Gissing mij zeer dierbaar, steun en troost voor wie zelf in dit vak terecht is gekomen - ‘a trade of the damned’, zoals Gissing het noemde tegenover Austin Harrison.
• Geerten Meijsing
Arcachon, 7 april [1902].
Gisteren bij toeval het eerste deel van mijn Dagboek opengeslagen, en vond dat zulke vreemde en ontroerende lektuur dat ik urenlang ben blijven lezen. — Wie weet of ik niet nog een paar jaar te leven heb; en als dat zo is, zou ik er spijt van hebben niet een doorlopend verslag van mijn leven te hebben. Dus besluit ik om weer mijn dagboek bij te gaan houden, na bijna een jaar onderbreking. (...)’
28 december 1903 stierf Gissing in St. Jean de Luz. (Zijn laatste dagboekaantekening dateert van 8 november 1902, en beschrijft een uitstapje over de grens in Spanje.)
Ik ben mij ten volle bewust dat ik de schrijver Gissing weinig recht doe met een keuze uit deze dagboeken - hoe futiel!, zal menig lezer zeggen. Maar het leven van een groot schrijver bestaat uit dergelijke ongelukkige futiliteiten, en zo heeft Gissing ze willen optekenen. Zijn verbale, bijtende kracht, zijn ideeën, de schoonheid van zijn taalgebruik, zijn maatschappelijke en filosofische stellingname, kortom, zijn hele kunstenaarschap en ambachtelijkheid zijn terechtgekomen in zijn voor publikatie bestemde werken - waarvan minstens een handvol tot de meesterwerken van de wereldliteratuur gerekend kunnen worden. Maar het moet mij van het hart: ook in deze zwakke alledaagsheden is George Gissing mij zeer dierbaar, steun en troost voor wie zelf in dit vak terecht is gekomen - ‘a trade of the damned’, zoals Gissing het noemde tegenover Austin Harrison.
• Geerten Meijsing
zondag 5 april 2026
Jean Cocteau • 6 april 1945
•
Jean Cocteau (1889–1963) was een Frans dichter, romanschrijver, toneelschrijver, ontwerper en filmmaker. Een selectie uit de dagboeken die hij tussen 1942 en 1954 bijhield zijn in het Nederlands verschenen onder de titel Dagboek van een duizendkunstenaar.
6 april 1945Jacques Fano is net terug uit Duitsland. Hij zegt: 'Er zijn geen Duitsers meer. Er zijn hengelaars, huisvaders, enz.' Het Duitsland onder hypnose van Hitler is verdwenen, uiteraard. Tgenover dat 'Duitse' idee stelt de gevangene, degene die wordt bezet, zijn eigen menselijke persoonlijkheid. Ze laten foto's van hun vrouw, hun kinderen, hun vaders zien. Ze proberen op die manier te ontsnappen aan de ideologische anonimiteit van de partij.
Als in Frankrijk een individu zich wil verbergen probeert hij op te gaan in de massa. De massa die zich in Duitsland wil verbergen probeert op te gaan in het individu.
The Great Dictator gezien. Het is moeilijk om deze film, waarin Charlie Chaplin zich niet op zijn gemak kan hebben gevoeld, te beoordelen. Het komische en het tragische gaan er moeizaam in samen en de grappen (er zitten erin die verrassend zijn) dragen niet bij tot het algehele ritme. Wat zeer geslaagd is, is de karikatuur (voor de massa te verfijnd) van het opgejaagde, holle privé-leven van de dicatator. Chaplin-Hitler die bij de gloed van kaarsen piano speelt is fantastisch. Alles is te afgrijselijk geweest sinds deze film uitkwam [1940] om er nu nog naar van te worden. Ik betwijfel of de lauwe reactie van de zaal uit hetzelfde voortkomt als bij mij. Deze zaal wilde lachen om een grove karikatuur die Chaplin juist uit de weg gaat. In de scène van de wereldbol, een ballon waarmee hij jongleert - die een uitgelezen mimescène oplevert - komt de zaal, die niet in staat is de schoonheid ervan te zien, pas uit de plooi als hij de wereldbol de lucht in stoot met zijn billen.
268-20212>
Belle van Zuylen • 5 april 1792
• Schrijfster Belle van Zuylen (1740-1805) correspondeerde vijftien jaar lang met de zeventien jaar oudere militair en rokkenjager Constant d’Hermenches, aan wie (het fragment uit) onderstaande brief gericht was. Uit: Rebels en beminnelijk. Brieven van Belle van Zuylen – madame de Charrière (vertaald door Simone Dubois).
5 april 1792
Sinds een tijd raad ik alle vrouwen die ik tegenkom de studie van de logica aan. Vooral emigranten hebben mij doen inzien dat men moet leren wennen met een strikte nauwkeurigheid te redeneren om geen grove onzin te praten, zodra het verdriet of het verlangen of de wrok ons daartoe uitnodigen en de omstandigheden ons in een nieuwe situatie plaatsen, die met onze vroegere gewoonten in strijd is... Mej. Moula heeft zich mijn vermaning ter harte genomen en volgens mij doet haar dat geweldig veel goed. In de zes weken dat ze bij me is heb ik haast geen verbaasde uitroepen meer gehoord zonder dat daar een geldige reden voor was […]. Op het ogenblik is ze Locke gaan lezen. Kon het gezonde verstand maar in de mode komen! Dat zou de gelukkigste mode zijn die ooit bij de mensen ingevoerd werd. En jij, als je, naar het mij lijkt, voldoende logica van jezelf bezit om het buiten Wolf te kunnen stellen, buiten Dumarsais en de schrijvers van Port-Royal, laat dan toch niet na je geest te oefenen en hem te dwingen tot alles wat hij zal moeten doen; weldra zul je zien dat hij volgzaam en ijverig is zonder er minder levendig en minder vrolijk om te zijn. Ik geef je de verzekering dat je er blij over zult zijn, zoals je dat bent over een mooi en goed gedresseerd paard, dat even gehoorzaam is als sterk en lenig.
• Omdat ze in het Frans schreef, is Belle van Zuylen (1740-1805) in Nederland lang onbekend gebleven. Ze schreef brieven over de meest uiteenlopende onderwerpen, waarin zij als tegendraads, rebels, speels en ironisch naar voren komt. 464-2020>
5 april 1792
Sinds een tijd raad ik alle vrouwen die ik tegenkom de studie van de logica aan. Vooral emigranten hebben mij doen inzien dat men moet leren wennen met een strikte nauwkeurigheid te redeneren om geen grove onzin te praten, zodra het verdriet of het verlangen of de wrok ons daartoe uitnodigen en de omstandigheden ons in een nieuwe situatie plaatsen, die met onze vroegere gewoonten in strijd is... Mej. Moula heeft zich mijn vermaning ter harte genomen en volgens mij doet haar dat geweldig veel goed. In de zes weken dat ze bij me is heb ik haast geen verbaasde uitroepen meer gehoord zonder dat daar een geldige reden voor was […]. Op het ogenblik is ze Locke gaan lezen. Kon het gezonde verstand maar in de mode komen! Dat zou de gelukkigste mode zijn die ooit bij de mensen ingevoerd werd. En jij, als je, naar het mij lijkt, voldoende logica van jezelf bezit om het buiten Wolf te kunnen stellen, buiten Dumarsais en de schrijvers van Port-Royal, laat dan toch niet na je geest te oefenen en hem te dwingen tot alles wat hij zal moeten doen; weldra zul je zien dat hij volgzaam en ijverig is zonder er minder levendig en minder vrolijk om te zijn. Ik geef je de verzekering dat je er blij over zult zijn, zoals je dat bent over een mooi en goed gedresseerd paard, dat even gehoorzaam is als sterk en lenig.
• Omdat ze in het Frans schreef, is Belle van Zuylen (1740-1805) in Nederland lang onbekend gebleven. Ze schreef brieven over de meest uiteenlopende onderwerpen, waarin zij als tegendraads, rebels, speels en ironisch naar voren komt. 464-2020>
Abonneren op:
Posts (Atom)



























