zondag 24 mei 2026

Josep Pla • 23 mei 1918

• De journalen van de Catalaanse schrijver Josep Pla i Casadevall (1897-1981) omvatten zo’n 30.000 bladzijden vol dagboekaantekeningen, reisimpressies, invallen en literaire portretten. Het grijze schrift (vertaald door Adri Boon) bestrijkt de jaren 1918-1920, voordat de jonge Pla als dagbladcorrespondent naar Parijs vertrok.

23 mei. Na zijn lange winterse retraite heeft de schildpad uit de tuin weer tekenen van leven gegeven. Het is mogelijk dat hij al enige dagen rondloopt; ik had er tot op heden nog niets van gemerkt. Ik zie hoe hij met zijn geelgestreepte schild in de schaduw van de potten met hortensia's kruipt. Hij steekt zijn kop van goedmoedig reptiel uit, vertoont een belachelijke staart, beweegt zijn poten met dwaze en groteske traagheid. Ik weet niet welke parasitaire prikkel de schildpad ertoe brengt in de nabijheid van de mens te willen leven. In alle windstreken en in alle klimaten is de hond een kostganger van de mens. De rat is een parasiet van het mensenras. De kat is een parasiet van de ratten. De mens omringt zich met huisdieren om ze aan tafeel met vork en mes te verorberen. Wat vindt de schildpad in de nabijheid van de de mensen dat hij zich er zo uitstekend aan aanpast?
Onze schildpad is zeer oud. Wij zijn even gewend aan zijn aanwezigheid in de zomer als aan zijn afwezigheid in de winter. Wij slaan helemaal geen acht op zijn bewegingen. Hij is een onderdeel van de tuin, nel zo goed als de sinaasappelbomen, de palmen, de houtstapel dat zijn. Hij is niets meer dan een onbeduidend detail van de aarde. Sinds de schildpad in de tuin leeft, hebben we diverse honden gehad. De verhouding tussen de schildpad en de opeenvolgende honden was altijd slecht. De schildpad heeft de duivelse gewoonte, wat misschien alleen maar een voorwaardelijke reflex is, om op de slaapplaats van de hond te wateren. Deze betreurenswaardige realiteit brengt de hond tot grote woede. Zodra de hond de schildpad ontwaart, loopt deze op hem af en kiepert hem met zijn poot op zijn rug, keert hem om zoals iemand een bord soep omkeert. De schildpad ligt dan met zijn buik in de zon. Met zijn poten, zijn staart en zijn kop maakt hij allerhande bewegingen om overeind te komen. Tevergeefs. Hij slaagt er niet in overeind te komen. Hij zou zijn hele verdere leven met zijn buik omhoog blijven liggen als een van ons hem niet weer met zijn poten op de grond zette. Als de hond getuige is van die handeling, begint hij bij wijze van protest uitzinnig te blaffen. Zo het voortbestaan van schildpadden aan het criterium van honden onderworpen was, zou het soort dus waarschijnlijk al uitgestorven zijn. Een omgedraaide, ondersteboven gekeerde schildpad sterft op den duur. Uit zichzelf kan hij niet overeind komen en ik geloof niet dat een ander beest hem daarbij zou helpen. Maar mannen en vrouwen, jongens en meisjes, en zelfs kinderen kunnen een op zijn rug gekeerde schildpad niet aanzien en zetten hem op zijn pootjes. Ik weet niet of wij dat uit sentimentaliteit doen; wellicht doen wij het omdat we de aanblik van een schildpad met zijn buik in de zon — et de aanblik van die witte, slijkkleurige buik — afschuwelijker vinden dan een schildpad met zijn pootjes op de grond. En aldus zijn — ieder geval — de honden de boze geest van de schildpadden terwijl de mensen hun welwillende en aanbiddelijke voorzienigheid vormen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten