vrijdag 16 juni 2017

Honoré Blijdenstijn -- 16 juni 1941

• Op vrijdag 10 mei 1940 begon de 57-jarige directeur van de Rijkskweekschool in Amersfoort, Honoré Blijdenstijn, in een eenvoudig schriftje, dagelijks te noteren wat hem bezighield. Vijf jaar en 23 schriftjes later hield hij daar mee op.

16 juni 1941 (maandag)
Bij Peper. Jan wordt 65. Hij vertelt. Een mijnheer S. geeft in een Chr. School een middenstandscursus. Een van zijn jongens schrijft na de „vlucht” van Hess iets op een bank, wetende, dat dit zal gelezen worden door Duitsers, die ook van dat lokaal gebruik maken. Een paar dagen later heeft de groep van S. weer les. Er komt een Duitser met 10 manschappen binnen. De dames en een paar toevallig aanwezige oudere bestuursleden moeten zich verwijderen. Daarna worden de overigen afgeranseld! (Strafmaatregel; eigenmachtig, zonder vorm van proces). Van Rossum, de vredestichter, schijnt er uit „gegooid” te zijn.

Rost van Tonningen schijnt ook te zullen verdwijnen, evenals Piek.

Lineke vertelt, dat een Berlijns Duits officier, bij hen ingekwartierd, vertelt, dat wie Berlijn na den oorlog wil zien, minstens 4 jaar na de vredessluiting moet wachten. Dat klinkt weer anders, dan ’t verhaal van den neef van Toos Visscher.

In Berlijn zit een Hollander in de bioscoop. Er verschijnt een portret van Hitler; algemeen geloei. Licht op. Een van de Gestapo op ’t toneel; waarschuwt, dat bij herhaling de zaal zal ontruimd worden. Weer donker: Hitlers beeld verschijnt weer. Nieuw geloei, nog sterker. De zaal wordt ontruimd. De Hollander wordt scherp ondervraagd en hem wordt aangezegd, dat hij den volgenden dag uit Duitsl. moet vertrekken. Dit geschiedt onder onophoudelijke controle. Later vindt hij een briefje, gestoken tussen zijn valies: „Wir wollen Frieden”.

’s Avonds de Polakken; zij worden gematigder. Ook doen wij ons best geen controversen uit te lokken. Roos vertelde den mop van de schoenverkoopsorganisatie; Greet – het vervolgstuk. Zeer geestig. Er zijn er nu maar weinigen meer, die geloven, dat de oorlog dit jaar afloopt. Dat zijn zij die menen, dat de eindstrijd in Engeland moet gestreden worden en menen, dat Hitler gauw zal moeten varen, vóór Duitsl. ineenstort.

Voor hen is ieder succes der Duitse wapenen, dat niet op Engeland direct gericht is, een afleidingsmanoeuvre om het Duitse volk met een schijnsucces te paaien, maar tevens een verzwakking door uitrekking van ’t front en vastleggen van waardevolle troepen in nauwelijks te bezetten en te bedwingen gebieden. „Zie je, Engeland moet winnen, want Eng. kan altijd achteruit en dwingt Duitsland vooruit te gaan – en dat laatste zal spoedig boven zijn kracht blijken.”

En men verkneukelt zich maar weer in de Engelse overwinningen op de opstandelingen in Irak en op de vorderingen, die men tegen de Vichy-Fransen in Syrië maakt. (’t Zijn hier weer de Australiërs, die het spits moeten afbijten). Nog steeds blijft men bij zijn naïeve voorstelling van een spoedig en glansrijk herstel van Nederland, ingeval Engeland wint.

Men weet te vertellen, op grond van „De Stenen spreken”, of van Bellamy of van astrologische peilingen, dat wij het geluk op aarde snel naderen. Wij zijn thans in de afbraak-periode; Hitler is de grote sloper. Maar in ’43 begint de opbouw, - en wel, van Nederland uit! Nederland krijgt een zelfgenoegzaam economisch stelsel; daarbij sluit „de rest van de wereld” zich geleidelijk aan en in ’48 is de wereld geheel gewonnen voor Bellamy.

De Polakken vinden dat nog zo gek niet! Merkwaardig, twee gestudeerden, doctoren in de medicijnen! Zij zijn in dat opzicht kinderen en ik kan mij daar niet genoeg over verbazen. Ik ben in ’t geheel geen econoom en van financiën weet ik op 58-jarigen leeftijd nog niet veel meer, dan dat ’t moeilijk is in dezen tijd met f 35.- zakgeld per maand toe te komen. Maar ik kan toch wel zien, dat de toekomst van Nederland, bij een Engelse overwinning met herstel van de goud- of ook de dollarwaarde, hopeloos is.

Afgezien nog van de onmiddellijke ineenstorting van ’t Duitse regiem en de communistische chaos, die daar ontstaat, aannemende dat een ijzeren militair regiem in Nederland het communisme de baas zou blijven (wat met de aanstormende Rode Golf uit Rusland, Duitsland en Frankrijk tegelijk onmogelijk geacht moet worden, daar men op ’t verzwakte en op lijfsbehoud bedachte Engeland niet rekenen kan: die zullen ’t met Stalin wel op een accoordje gooien!), afgezien daarvan dus, zal Nederland moeten trachten a. grondstoffen en machines te krijgen; b den tijd, tot die renderen, te overbruggen en zoeken naar middelen om 8 mill. mensen te eten te geven.

De middelen daartoe zijn: 1° het naar Engeland en Amerika geredde goud der Nederl. Bank. Maar wat zal daarvan over zijn, nadat daarvan de bewapening van Indië is gefinancierd, onze vloot gedurende den oorlog in gevechtstoestand heeft verkeerd en de geëmigreerde Nederl. regering met haar ontzaglijken aanhang is gevoed? 2° onze opeisbare credieten in Amerika, Engeland en Indië; dat zijn dus de achterstallige dividendsuitkeringen aan Nederlandse particulieren. Wat zullen deze betekenen voor de Nederl. schatkist? Niets, want zij zullen er niet komen.

Welke Nederl. kapitalist zal zoveel vaderlandsliefde bezitten, dat hij zijn kostelijk dollarbezit hierheen zal laten komen om ’t als goederenruilvaluta door den Ned. Staat in beslag genomen te zien? en Nederl. „waarde”papieren in ruil te ontvangen? En dat bij een tot (naar men zegt) 3½ gedepreciëerden gulden-koers? Zal men integendeel geen scherpe dictatoriale maatregelen moeten treffen om onmiddellijk na de vredessluiting een massale kapitaalvlucht te voorkomen?

Dat zullen de mooie vaderlandslievende tiraden, waarmee nu de „tot beter ontwaakten” elkaar de oren vol zingen, niet beletten. Zij denken geheel als volgens een Duitse witz Churchill denkt: Na den oorlog moet alles weer worden als vroeger, maar dan heel anders.” Ja-wel, ik ken onze brave Nederlanders; de wekelijkse vergaderingen van ’t Senioren-Convent zijn in dat opzicht zéér leerzaam. Fischböck is daar geenzins populair! Of men die voor de hand liggende consequenties niet zien kan, niet zien wil of niet durft uiten, weet ik niet.

Jan Peper is ’t in ieder geval geheel met mij eens en de vorige week verschenen een paar financiële opstellen in ’t Handelsblad, die ik hier bijvoeg en die dezelfde inzichten weergeven. Peper zegt: men populariseert dat niet, anders gaat de weerstandskracht verloren. ’t Is mogelijk; een paedagogisch-politieke reden dus. Maar de massa der betere middenstanders, die zich graag tot de intellectuelen rekent, de mensen dus, waarmee wij hier in Amersfoort omgaan, schijnt dan toch uit zichzelf heel moeilijk boven ’t sprookje uit te komen (F zie verder).

De lectuur van Mavors heeft mij doen zien, dat Sjoerd Rond gelijk heeft, en dat onze terugtocht uit de Grebbelinie allesbehalve het tactische meesterstuk is geweest, waarvoor men het heeft willen doen doorgaan, een opvatting, waarin welwillende Duitse beoordelaars ons, met het oog op ´t behoud onzer krijgsmanseer, wel hebben willen sterken! ’t Is een ordeloze vlucht geweest, een paniek haast, waarvan de D. geen gebruik hebben willen maken om bloedbaden aan te richten.

Hoeveel halfheid, onbekwaamheid, maar ook hoeveel lafheid en gemis aan verantwoordelijkheids-besef komen hier tussen de regels door tot uiting. Persoonlijke moed plaatselijk en episodisch genoeg, en dan bij minderen en subalterne officieren. Maar hersens? Wat men vele maanden had kunnen voorbereiden, was niet eens af! En hoe heeft zich onze schrielheid gewroken! De burger had uit de krant vernomen van proefnemingen en aanschaffingen, en was gerust. Toen ’t er op aan kwam, was er van die schone zaken niets, of wanneer er soms iets was, kon men er niet mee omgaan.

Wat Wim Hagens mij even na die capitulatie had verteld, was het beeld van heel ons leger. En wat baat dan de strijdlust en de offerbereidheid van een hoop brave jongens! Die wilden wel – maar wat konden ze anders dan zich laten doodschieten? Dat er „maar” 3000 gesneuvelden en 7000 gewonden zijn, danken wij geheel aan de superieure tactiek en de menselijkheid der Duitsers.

Er zal nog wel eens grote, zeer officiële daverende „geschiedenis der 5 dagen” geschreven worden; daar zijn de woordenrijkdom, de gemechaniseerde bombastvaardigheid en de schrijflust onzer hoofdofficieren-in-ruste voldoende borg voor. Dat boekdeel zal misschien wel gebonden zijn in oranje en prijken met het portret onzer Koningin in goud en met de wapens van Nederland, Nassau en Lippe-Biesterfeldt. Dat zal de waarheid bevatten voor ’t nageslacht met vele portretten van hoge militairen – kort om, ’t zal schallen en daveren!

Maar de echte onverbloemde waarheid, althans voor zover zij onder Duitse bezetting toelaatbaar is en geen der thans, helaas, heilige huisjes beroert (dat deel der waarheid mist men er in!), die waarheid vindt men in de dagboek-uittreksels van jonge reserve-officieren in Mavors Mei 40 - Mei 41! Ik kan ieder Nederlander deze lectuur aanbevelen.

(Ofschoon met veel smaak de mop wordt voortverteld van de teleurstelling van Rost van Tonningen, die meende Directeur-Pres. der Ned. Bank te worden en per saldo „papier”fabrikant bleek te zijn, vragen maar weinigen zich in ernst af, welken invloed ’t product van dien papiermolen op den stand van den gulden zal hebben, als die eenmaal weer voor ’t goudfront komt).

Van der Stadt, de kapper vertelde, dat alle officieren, onderofficieren en manschappen, die hier als Opbouwers bij de luchtbescherming werk hadden gevonden, op den eis zich bij de N.S.B. aan te sluiten, ontslag hebben genomen.

Ook vertelde hij staaltjes van bruut optreden der D. weermacht: een jongen, die op straat stond te praten en niet voor een passerend militair op zij ging, werden de tanden uit geslagen.

In de Wieringermeer hadden een paar honderd jodenjongens bij de boeren gedaan gekregen. Dezen liepen nu in Amsterdam werkloos rond. Asscher, de middelaar der joden, vroeg werk voor hen. Hij kwam met een lijst; men nam die aan, hield hem een geruime poos aan de praat, en stelde hem toen de lijst weer ter hand: de jongens hadden al werk! Zij waren in dien korten tijd opgepakt en op transport gesteld naar een concentratie–kamp. (zo vertelt V.d. Stad)

Anton Kruithof kwam gisteren per fiets uit Utrecht tussen een groep arbeiders uit de Gero-fabr. Tegenover de Zwaan bij den smid de gewone opstopping van tankende auto’s en motoren met belemmering van het fietspad. Eén der arbeiders maakt een ontevreden opmerking. Terstond 2 Duitsers in een auto den man na. „Mitt”!” Meegepakt in de auto.

Vanavond vergadering v/h Bestuur der Volksuniversiteit aan huis bij Dr Miedema. De cursussen van den afgelopen winter zijn alle goed geslaagd, ondanks de moeilijke omstandigheden. Wij zullen dezen winter op denzelfden bescheiden voet voortgaan. ’t Nieuwe program is samengesteld; het onderwerp „rassenkunde” lag nog niet in de lijn. Wel folklore en prehistorie. – Ter Pelkwijk, burgemeester van (Leiden) Utrecht, die een groepportret van ’t Koninklijk huis in zijn burgemeesterskamer had hangen, kreeg daar een opmerking over van den prov. Commissaris Müller: de prins mocht er niet op. Ter P. heeft er een papier overgeplakt met de woorden: tijdelijk afwezig.

In Barneveld heeft men ’t standbeeld van Jan van Schaffelaar een bordpapier om den hals gehangen met ’t opschrift: de enige inwoner van Barneveld, die niet naar de Eng. radio luistert. – . De Boerhaave-kliniek in Amsterdam zou vol liggen met meisjes, die een Duitsen baby verwachten: de kliniek heet thans de Baarhoeve. – Er zijn (volgens Dr Leopold) ook Hollandse Ehrenbräüte. Deze verdienen f 100.– voor één avond dienst. In Utrecht natuurlijk.

Ik vroeg hem, of er in Amersfoort ook zo’n etablissement was. „Neen, nooit van gehoord”. Ik zei hem, die verhalen meer te hebben gehoord, o.a. van Soest, maar bij navraag aan serieuze mensen uit Soest bleek zoiets niet te bestaan. Ik vrees nu, dat Leopold mij ook niet voor 100% houdt.

Volgens Mebius en Leopold staat in Moskou de revolutie voor de deur: de rode legers weigeren de concessies goed te keuren, die Stalin aan Hitler dezer dagen heeft gedaan. Nu gaat „het” gebeuren!

Leopold vertelde, dat ook de H.B.S. op haar nieuw program blijft wachten; dat rassenkunde er zeer waarschijnlijk op zal voorkomen (voor rekening van den bioloog) en ... dat Prof. Van Dam, de Secretaris Generaal wankel staat of weg wil. Ik zou dat erg jammer vinden, want Van Dam was goed. Hij heeft in ’t afgelopen jaar voortreffelijke dingen gedaan. En wat zou men terug krijgen?!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen