dinsdag 20 juni 2017

Klaartje de Zwarte-Walvisch -- 20 juni 1943

Klaartje de Zwarte-Walvisch (1911-1943) werd begin 1943 gevangen gezet in kamp Vught. Later werd ze overgebracht naar Westerbork , en omgebracht in Sobibor. Van de eerste maanden van haar gevangenschap hield ze een dagboek bij.

Zondag 20 juni
We zijn niet meer in de quarantaine en gelukkig behoeven we ook niet meer naar de grote appelplaats. Hier ben ik toch zo blij om. Ik kan er zelf geen geschikte verklaring voor vinden, maar het feit op zichzelf niet meer daarheen te moeten, heeft me verblijd. Nu worden we weer net als voorheen geteld op de weg langs de barakken. Voor hen die s morgens en 's avonds de mannen even zagen, is het wel jammer, maar ik vond het altijd afschuwelijk. Ik heb altijd het echte gevoel gehad in een concentratiekamp te zijn. Er gebeuren hier dagelijks zulke zotte dingen. Een paar dagen geleden op een ochtend tijdens de schoonmaak, kwam een van de leidsters' de barak binnen. Ze begon als altijd te schreeuwen en te schelden, en vond dat we niet netjes genoeg schoongemaakt hadden. Ze nam iemand een emmer water af en gooide hem over de grond. Gedeeltelijk kwam het water terecht over de voeten van een vrouwtje. We stonden beteuterd te kijken, want het was nogal snel in zijn werk gegaan. Wat vond ik dat een vuile lage streek. We konden met de schoonmaak weer opnieuw beginnen.

Een uur later komt de leidster terug. En een vrouwtje, hetzelfde brutale ding dat voor mij slaapt, stond niet op toen ze binnenkwam. Voor straf moest ze de gehele dag in de hoek staan. Gisteren weer iets dergelijks. Nadat er gegeten was, moesten de etensketels naar het hek gebracht worden. Vandaar werden ze in ontvangst genomen door de Häftlinge, die ze dan naar hun keuken vervoerden. De ketels werden door vier personen gedragen. Elke ketel door twee. In plaats van dat ze nu de hoofdweg overliepen, gingen ze de zandweg op om vlugger naar het hek te komen. Daar komt de Oberscharführer aan, en begint te schreeuwen, om bang van te worden. Alle vier moesten gestraft worden, want ze hadden zich aan een groot vergrijp schuldig gemaakt. Stel je voor: op de zandweg te lopen. Dat was immers levensgevaarlijk? Ze moesten tot gisteravond negen uur op de berm langs de weg staan. Om half drie nam hun straf een aanvang en eerst kregen ze nog een standje, omdat ze aan de verkeerde berm gingen staan. Om half zes kwam onze administratrice langs en mochten ze van haar naar de barak terug. Ze werden met gejuich ontvangen. We gingen met ons clubje, dat in een buurtje bij elkaar sliep, tijdig naar bed, maar om zeven uur werden ze weer uit hun bed gehaald en moesten ze weer naar de berm, want de Oberscharführer had gevraagd waar ze gebleven waren. En vlug moesten ze zich aankleden en blijven staan tot kwart over negen. We waren allen hevig verontwaardigd over zo een smerige daad. Gelukkig heeft het vierspan erom gelachen en vonden ze het feit op zichzelf niet zo heel erg. Erger was echter dat die kerel zo tegen ze had staan brullen alsof ze een grote misdaad begaan hadden. Het was ook werkelijk een groot vergrijp wat ze gedaan hadden. Een van het vierspan, een klein kindvrouwtje, zei: 'Nooit van mijn leven breng ik meer een ketel naar het hek. Wat een walgelijke massa.' Het is inderdaad beter om alles maar van de vrolijke kant te bekijken en niet zo diepzinnig op alles in te gaan. Het is nu een gewoonte van de leidsters geworden om, als we op appel staan, er hier en daar eentje uit te pikken en tot negen uur op de berm te laten staan. Daar hoeft men niets voor gedaan, of beter gezegd misdaan, te hebben. Je moest net het ongeluk hebben om uitgepikt te worden en je hing. Ik zorg wel dat ik niet zo erg in de gaten loop, want het lijkt me niet prettig om tot negen uur te moeten staan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen