zondag 30 maart 2014

Eugène Delacroix -- 31 maart 1855

6 februari. [1855] Gedineerd bij de prinses [Marcelline Czartoriska]. Ik vind haar nog steeds aantrekkelijk. Ze droeg een jurk waarin ze zich hoogst ongemakkelijk voelde; de stof was zo schitterend dat hij gemaakt leek te zijn van twintig el glanzend harnas; door die absurde overdaad lijken alle vrouwen op elkaar en hebben ze iets weg van tonnen.
Na het eten ben ik even naar Fould gegaan, maar was op tijd terug om haar te beluisteren (de prinses) samen met Franchomme; maar het grootste plezier heb ik beleefd aan de twee of drie stukken van Chopin die ze voor me had gespeeld voor ik bij de minister op bezoek ging.
Aan het diner beweerde Grzymala dat Mme Sand geld van Meyerbeer had aangenomen voor de lovende artikelen die ze over hem heeft geschreven. Ik kan dat niet geloven en protesteerde. De arme vrouw heeft hard geld nodig: ze schrijft te veel en ze schrijft voor het geld; maar dat ze zich zou verlagen tot het niveau van broodschrijver van stukjes in de krant is iets wat ik niet kan geloven! [...]

31 maart. [1855] - Ik voel me beter: ik heb mijn werk weer opgevat. De prinses is tegen vier uur naar mijn schilderijen komen kijken; ze heeft me uitgenodigd om maandag naar Gounod te komen luisteren. Ze droeg een foeilelijke groene sjaal die haar niet stond, en zag er toch charmant uit. De geest heeft grote invloed op de liefde; men zou op deze vrouw verliefd kunnen worden, ook al is ze niet jong meer en niet knap en mist ze alle frisheid. Toch een vreemd gevoel! Wat er aan ten grondslag ligt is altijd het idee van bezit, maar bezit van wat, als een vrouw niet knap is? Van het lichaam, dat niets aantrekkelijks heeft? Want als men verliefd is op de geest, kan men er ook van genieten zonder haar onaantrekkelijke lichaam te bezitten - er zijn honderden knappe vrouwen die niets onderhoudends hebben. De wens om alles te bezitten van een persoon die je gemoed in beroering heeft gebracht, een zekere nieuwsgierigheid, wat in de liefde een krachtige drijfveer is, of mogelijk de illusie dat men dieper doordringt tot haar ziel en haar geest, die gevoelens bundelen zich samen tot één gevoel; en wie zegt ons dat we, op het moment dat onze ogen menen niet meer dan een uiterlijk onaantrekkelijk object te zien niet onwillekeurig worden gedreven door bepaalde charmes die appelleren aan onze eigen aard? De uitdrukking in de ogen van een vrouw volstaat om ons te bekoren.

Eugène Delacroix (1798-1863) was een Franse schilder. Dagboekfragmenten en brieven van zijn hand zijn verzameld in Ik heb het niet over middelmatige mensen.


Vertaling: Joop van Helmond

Marcelline Czartoriska (in 1874)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen