donderdag 15 september 2016

Coenraad Ruysch -- 16 september 1676

• Coenraad Ruysch (1650-1731) begaf zich in 1674 samen met zijn neef Dirck van Hoogeveen op een grand tour van drie jaar. Hij hield van die reis een dagboek bij: Journaal van een reis naar Genève, Italië en Frankrijk [Transcriptie en editie: Alan Moss]. Het onderstaande fragment gaat over het traject Grenoble-Marseille.


Dijnsdach den 15en vertrock ick des morgens omtrent ten 8 ueren, mijn afsceyt van mijn geselscap aen de scuyt nemende, die met de post op eselties [ezeltjes] wederom naer Lions keerde. Ick hadt wel meer van diergelyke post in Vranckryck hooren spreeken, maer hebbe noijt geweeten dat de selve hier was. Men seyde mij dat sij soo wel [goed] loopen als paerden. Des middachs leyde ick nergens aen geduerende mijn reys, neemende mijn eeten als des morgens mede uijt de herreberch daer des nachts gelogeert hadt. Des avonts meynden ick te Valence te arriveeren, doch den contrarie wint [tegenwind], die ons eens obligeerde [dwong] met een groote buij een uer lanch onderwegeaen landt te leggen, was oorsaeck dat ick het niet verder als Tournon kost brengen, t' welck een kleijn nessie [gat] van eenstedeken is. De jesuiten hebben hier een scoon collegie en bibliotheeck, doch t' was te laet om die gaen sien.

Woensdach den 16en arriveerden ick des morgens omtrent ten 8 ueren te Valence. Ick stapten eens uijt, maer vondt dit mede al een miserabel plaetsken, naer t' welke door gewandelt te hebbeick mijn reys vervorderde en ginch te Viviers slaepen, een miserabel nesie van een stetie [stadje] leggende omtrent een musket scoot het landt in. Ick vondt in mijn herreberch een Parisien [Parijzenaar] dat een seer beleeft man was en die mij met gewelt syn kamer wilde cederen [afstaan] om dat die wat beter als de mijne was.

Donderdach den 17en arriveerden ick omtrent 7 ueren aen de Pont St. Esprit. Ick liet mij uyt setten om de selve niet te passeren, t' welck ick even wel periculeus [gevaarlijk] niet oordeelde als wel gesecht werdt. Dit is een brugge die over de Rosne [Rôhne] lecht, maekende de communicatie [verbinding] van een kleyn stedeken dat aen de eene sijde lecht met het landt van de andere. Dese brugge is een van de heerlyckste gebouwen die ick oyt gesien hebbe en aldaer van de Romeynen gelecht. De selve heeft omtrent in de lenchte duysent en dertich passen volgens het seggen van Golnits en is soo breedt dat bequamelyck [met gemak] daer twee waegens den anderenkunnen wijken. Ick contenteerde mij met op de selve te gaen sonder die heel te passeeren, vermits het regenachtich weer. De selve is met vierkante blauwe steenen,soogroot als de palm van een handt, admirabel net en gelyk gestraet en gelykent veel eer mosaike als een wech voor karren en paerden. De selve brugge heeft 19 grootebogen en vijf kleijne, die op t' landt leggen en den opganch van de brugge maeken. Wat de verdere particulariteyten [bijzonderheden] aengaet, referere ick mij aen mijn reisiger Golnits.
[...]

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen