zondag 10 november 2013

Sigurd von Ilsemann -- 11 november 1918

[Op 10 november 1918 om zes uur ’s ochtends kwam de afgezette Duitse keizer Wilhelm II bij de Nederlandse grens aan. Na een hele dag wachten werd hem even na middernacht meegedeeld dat Nederland bereid was hem toe te laten en te beschermen. De volgende ochtend zette de keizer zijn reis voort naar Amerongen.]

11 november 1918
Een dag vol smaad en schande. Na het ontbijt liep ik met Gersdorff in de trein op en neer. Op het station heerste een levendige drukte. Soldaten kregen uit veldkeukens hun ochtendkoffie. Gersdorff vertelde mij, dat hij 's nachts had gedroomd dat hij weldra naar het vaderland zou terugkeren. Ik daarentegen zou in Holland blijven en daar mijn geluk vinden.
’s Ochtends om twintig over negen zette de trein zich in beweging. De gisteren aangekomen Duitse en Nederlandse heren zaten bij ons in de restauratiewagen. Over Maastricht, Roermond, Venlo, Nijmegen en Arnhem leidde de weg naar station Maarn. Het hele land was op de hoogte van deze reis van de Duitse keizer. In alle steden, dorpen en zelfs in de open plekken tussen de dorpen stonden de mensen hij duizenden. Overal tot Arnhem gejoel en gefluit, gebalde vuisten en gebaren die wilden zeggen: ‘Snij hem de keel af.' Het was werkelijk walgelijk. Waarom kon men dit de keizer niet besparen?’
Toen wij Maastricht voorbij waren, zei de heer Koster tot mij: Godlof', dat het achter ons ligt: ik was bang dat de mensen met stenen naar ons zouden gooien.' Ik antwoordde alleen maar: 'Ja, maar waarom liet u ons dan niet ‘s nachts reizen?’ Steeds weer lieten wij in de restauratiewagen, waarin ook de Nederlandse heren zalen, de rolluiken zakken, totdat de keizer tenslotte zei: 'Ach, laat maar, het maakt toch allemaal niet meer uit.' Wat moet de voorname heer op deze reis innerlijk hebben doorgemaakt.' 's Morgens voor het vertrek in Spa zei hij: 'Het maakt immers niets uit waar ik heen ga, ik ben overal in de wereld gehaat!'
Nu zag hij hoezeer hij gelijk had; door het land van de vijand zelf had de reis niet vernederender kunnen zijn. In deze toestand van innerlijke opwinding wilde de keizer niet alleen zijn: hij zat de hele tijd met ons in de restauratiewagen en sprak continu met de Nederlandse en Duitse gasten.
Om twintig over drie liep de trein station Maarn binnen. De straten in de nabijheid van het station stonden vol met auto’s, fietsen en rijtuigen, dicht opeengepakt, met daartussen honderden mensen, onder wie naar wij later hoorden de vrouw van de Engelse gezant, verder ook vijandelijke geïnterneerde officieren. Goed dat het regende, want anders waren er nog veel meer mensen geweest.
Graaf Bentinck ontving de keizer. Gontard, Niedener, Estorff en Grünau gingen met hem mee. De andere heren moesten in de trein blijven wonen, totdat de keizer zijn uiteindelijke woonplaats aangewezen was.
We zaten net in de restauratiewagen aan de thee met het gevoel na alle zware uren eindelijk wat rust te krijgen, toen een Nederlandse officier ons meedeelde dat wij ook naar Amerongen moesten, aangezien de trein door de regering in beslag genomen zou worden. Erg tevreden met deze verandering waren wij niet. Voor de laatste keer betrad ik het compartiment waar ik de laatste jaren menige dag en menige nacht had doorgebracht: het was een stuk vaderlandse bodem waarvan wij nu ook afstand moesten doen, een onbekende toekomst tegemoet.' Snel werden de spullen gepakt en vervolgens stapten wij in de auto's die voor het station voor ons klaar stonden. Met Hirschfeld en mij reed een Nederlandse kapitein mee, die ons openhartig vertelde dat slechts enkele heren bij de keizer konden blijven en dat de overigen geïnterneerd zouden worden. De sabels mochten we behouden, maar de vuurwapens moesten we afgeven.
Na een rit van dertig minuten stonden we stil voor kasteel Amerongen. De graaf en drie van zijn zonen ontvingen ons zeer vriendelijk. Reeds wachtte een volgende vernedering: de Nederlandse interneringsgeneraal trad ons onbeschoft tegemoet. Op brutale en tactloze wijze maakte hij Plessen duidelijk dat sabels ook wapens waren en dus eveneens afgegeven moesten worden. Plessen antwoordde dat men ons bij aankomst had gezegd dat wij de sabels mochten behouden, waarop de generaal antwoordde dat niemand behalve hij daarover te beslissen had.
Wij waren allen verontwaardigd over deze behandeling. Ook de verklaring van Plessen dat zijn sabel een eerbewijs en geschenk van de oude keizer Wilhelm was en dat hij hem in de oorlogen van 1864, 1866, 1870-1871 en in de laatste strijd had gedragen, liet de onaangename generaal geheel koud.
Zonen des huizes brachten Hirschfeld, Molltke, Zeyss en mij naar hotel Lievendael, waar men ieder van ons een kamer aanwees die leeg was op een eenvoudig bed en een wastafel na. Verlichting: een kaars. Het deed ons denken aan een gevangeniscel. We hadden de generaal ons erewoord gegeven dat wij het land niet zouden verlaten zonder goedkeuring van de regering en verder de grenzen van de kleine gemeente Amerongen niet zouden overschrijden.
Om acht uur waren wij ontboden in het kasteel. Daar plotseling weer een heel ander beeld: een heerlijk oud landhuis. De graaf met zijn drie zonen, zijn broer, de burgemeester jonkheer van Weede en de commissaris van de koningin, graaf Lynden van Sandenburg. Allen in smoking, de dochter des huizes, haar nicht en een gezelschapsdame in avondjurk. De tafel was overladen met zilver en bloemen en het diner had vele gangen en zeer goede wijnen.


Sigurd von Ilsemann (1884-1952) was vleugeladjudant van de Duitse keizer Wilhelm II. Hij schreef Der Kaiser in Holland. Aufzeichnungen des letzten Flügeladjutanten Kaiser Wilhelms II.


Theepauze bij de houthakkershut in het park van Huis Doorn, circa 1925. Rondom een rieten tafeltje waarop glazen gevuld met thee en een zilveren theepot staan, zitten van links naar rechts: majoor M.C. van Houten, dr. Viereck, Sigurd von Ilsemann, Wilhelm II en generaal von Dommes (met sigaret). Op de stoel op de voorgrond zitten twee teckels.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten