woensdag 20 november 2013

J.A. Schuurman -- 21 november 1868

Zaturdag, 21 November.
Konde ik u, vrienden en vriendinnen, bij ons op de campagne tooveren, gijlieden zoudt met mij uitroepen: “zoo iets hebben wij nooit gezien!” Sinds twee dagen heeft de regen opgehouden en voor het meest verrukkelijke weder plaats gemaakt. De hemel is wolkenloos, de zee bijkans spiegelglad, zoodat heden middag de boot neergelaten werd en de kapitein met een der passagiers door drie matrozen zich een poosje liet roeijen op de onmetelijke wateren. Wel vorderden wij heden en gisteren middag zeer weinig, maar het is alles te schoon, dan dat ik begeeren zou dat wij harder liepen. “Waarlijk, van zulke luchten kan men zich in Holland geen denkbeeld maken. Het water is nog sterker blaauw gekleurd dan dat in het meer van Genève. De schaduw was heden avond niet donker zooals immer, maar op de zeilen teekende de schaduw van de touwen zich lichtblaauw af. Prachtig dook de zon onder en na eerst den vlakken waterspiegel met goud overtrokken te hebben, werd daarna zoowel water als lucht violetkleurig, terwijl het aan den horizont in donkerpurper overging. Konde ik het u omschrijven! Een der medereizigers, mede opgetogen, riep uit: “verduiveld mooi!” “Neen,” sprak ik, “Goddelijk schoon!” Ja, ook de zee met al hare schoonheid, is het werk van Gods scheppende magt. Deze avond was op zich zelven reeds eene heerlijke voorbereiding voor den dag des Heeren. Alles voorspelt een even kalmen Zondag. Ik zal dan weer het Evangelie des kruises mogen verkondigen, waarnaar ik verlang en met u gemeente! al is het ligchamelijk verre van u, in den geest weer vereenigd zijn, ja met u in den gebede toetreden tot denzelfden genadetroon, waar ik u en gij immers ook mij blijft gedenken.


J.A. Schuurman was een Nederlandse predikant. Hij hield een dagboek bij van zijn reis naar Java in 1868, dat is gepubliceerd als Mijne reis naar Java.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten