zondag 3 maart 2013

Willem Arondéus -- 4 maart 1933

Apeldoorn — Zaterdagavond 10 1/2 uur. 4 Maart 1933.
Maanden gaan voorbij zonder dat ik deze aanteekeningen bijhoudt. Er is ook zo weinig te melden — elke dag gelijkt de voorgaande. Doch deze dag is merkwaardig, te merkwaardig om niet te vermelden.
Twee weken geleden kwam ik Zondagavond uit Amsterdam terug. Ik was alleen er heen geweest om eenige geldzaken in orde te brengen en had Jurri gedurende mijn afwezigheid geld achtergelaten — allereerst ter betaling van eenige rekeningetjes en ongeveer f 10 voor mogenlijke uitgaven, onverwachte gebeurtenissen. Toen ik Zondagsavonds in Apeldoorn aankwam was Jurri niet aan het station (hetgeen afgesproken was) en kwam 's nachts thuis — dronken en wilde mij te lijf. Het geld natuurlijk alles verdwenen — Ik ben hierover zeer ontstemd geweest, de laatste weken waren natuurlijk moeilijk en eindelijk, gisteravond, heb ik dan in goede vriendschap met Jurri besproken dat wij — zoodra hij eind Maart steungerechtigd is in A'dam — voorloopig van elkaar zouden gaan. Het werd mij de laatste tijd té zwaar, te moeilijk, en er was een soort vreemd wantrouwen in mij ontstaan tegenover Jur — een wantrouwen waarin ik niet gelooven wilde, waarvoor ik geen naam wist maar wat niettemin telkens in mij boven kwam. Doch nu is, vanavond, Jurri verdwenen en heeft f 60 medegenomen van de f 100 die ik in huis had. Dit is regelrecht diefstal. Ik was in Apeldoorn boodschappen doen en toen ik thuis kwam was Jur verdwenen — met zijn koffer, ondergoed enz. Mijn eerste indruk was: ik wist het, ik wist dat dit gebeuren zou. Het is vreemd maar onderweg reeds speelde vaag zoo'n soort fantasie door mijn hoofd hoe het zou zijn als ik thuis de boel ledig vond - Ik ben in het geheel niet boos hierover - eerder bevrijdt - verlost. Dat ik met zoo weinig geld overblijf is natuurlijk een moeilijk ding, doch ook daar zal ik wel overheen komen. Zuinig zijn en eenzaam.
Wat Jurri betreft, ik heb een diep gevoel van medelijden voor hem. Het ligt niet in zijn aard om deze gemeenheden ongestraft te doen en hij zal er waarschijnlijk erg beroerd aan toe raken. Doch ik kan niets meer voor hem doen - de liefde in mij is sinds lang voor hem verdwenen en na deze diefstal (want dat is het toch tenslotte) is natuurlijk mijn vriendschap voor hem ten onder. Natuurlijk is hij geen schoft -ach - dit ligt geheel anders bij hem; er is boosheid, gekrenktheid, moedwillige ondankbaarheid die expres de boel wil stuk slaan en ten slotte ook gekrenkte liefde in. Het is tenslotte moeilijker voor hem dan voor mij - maar ik kan het niet meer aan. Het is ook mij te moeilijk, te zwaar en té benauwend geworden en - in zekere zin ben ik thans verheugd dat hij op deze wijze weggegaan is. Het bespaard mij pijn, zelfverwijt en zorg om hem. Ik heb meelij - maar dat is ook het eenige.
Overigens geen nieuws. Wat de prijsvraag betreft: ik won de tweede prijs: f 175. Doch dit geld is reeds lang verdwenen aan allerlei kleine schulden. Dus thans een nieuw hoofdstuk: eenzaamheid.


Willem Arondéus (1894-1943) was een Nederlandse kunstenaar. In Het leven van Willem Arondéus 1894-1943. Een documentaire (door Rudi van Dantzig) zijn veel passages uit zijn dagboeken opgenomen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen