dinsdag 19 september 2017

Paul Morand -- 20 september 1970

Venetiës, het “literaire testament” van de Franse schrijver Paul Morand (1888-1976), bevat autobiografische schetsen, waarin Venetië steeds op de een of andere manier een rol speelt. Het boek werd in het Nederlands vertaald door Geerten Meijsing.

September 1970
Soms wil ik mijn aderen open snijden, als ik mij voorstel dat Venetië vóór mij sterft, dat het ten onder gaat zonder uiteindelijk iets van zijn gedaante na te laten op het wateroppervlak. Zinkend, niet in de diepte, maar een paar voet onder de oppervlakte; zijn kegelvormige schoorstenen, zijn uitkijktorens, vanwaar de vissers hun lijnen zouden uitwerpen, zijn campanile, toevlucht voor de laatste katten van Sint-Markus. Vaporetti die overhangen onder het gewicht van de bezoekers, zouden de oppervlakte sonderen, waarover het slijk van het verleden verwatert; toeristen zouden elkaar met de vinger het goud van een of ander mozaïek aanwijzen, tussen vijf drijvende waterpoloballen: de koepels van de San Marco; de Salute zou als baken dienen voor de vrachtschepen; boven het Canal Grande zouden luchtbelletjes naar boven borrelen, uitgestoten door kikvorsmannen die op de tast zoeken naar de juwelen van Amerikaanse vrouwen in de kluizen van een ondergedompeld Grand Hotel. 'Welke profetie heeft ooit een volk van de zonde afgebracht?' zegt Jeremias.
Venetië verdrinkt; is dat misschien niet het mooiste dat het kon overkomen?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten