dinsdag 18 juli 2017

Jan Wolkers -- 19 juli 1971

• Jan Wolkers (1925-2007) was een Nederlandse schrijver. In 1971 verbleef hij een week op het eiland Rottumerplaat. Van dat verblijf hield hij een dagboek bij.

Maandag 19 juli
Om 8 uur 62° Fahrenheit 17° Celsius. Om tien voor tien kwamen er twee straaljagers heel laag precies over de tent. Ze kwamen van het land. Ik hoorde ze niet maar zag ze ineens uit het niets opdoemen. Uit een kleurloze werveling. Net zoals de Arabier op de kameel uit het begin van Lawrence of Arabia. Toen denderde het geluid de helse machines achterna. In de verte vlogen vogelzwermen op alsof de modder achter ze opspatte. Mijn scholekster, die ik net buiten in een doos in de zon had gezet zodat hij nog wat schreeuwcontact met zijn ouders kon onderhouden, schrok zich bijna een tweede gebroken poot. Toen verdwenen de vogels weer op de kleibanken. Een schroeilucht daalde neer.

Toen vanmorgen om zeven uur de wekker afliep werd ik met een dof gevoel in mijn hoofd wakker. Ik moest gedroomd hebben maar kon me niet meer herinneren wat. Ik had onrustig geslapen. De binnenslaapzak van wit katoen zat helemaal in elkaar gedraaid en was van boven gescheurd. Het was benauwd in de tent. Na de wandeling van gisteravond had ik hem dichtgedaan. Dat wist ik niet meer. En ook niet dat ik het grote mes, dat op een Hitier-jugendmes lijkt, al klaar had gelegd voor de operatie van vandaag. Na de ochtendgymnastiek tussen de van de nacht vochtige planten voelde ik me een stuk beter. In de bak, waar ik gisteren garnalen in heb gekookt en die ik naast de tent op een ouwe balk in de week had gezet dreven allemaal kleine goudstofkleurige motjes. Tussen de plooien van mijn handdoek die aan de lijn te drogen hing zaten tientallen oorkruipers. Het leek wel of ze uit de lucht waren komen vallen, maar ik wist dat ze er een voor een langs het lijntje naar toe gekropen moesten zijn.

De Waddenzee is dodelijk stil. Als je het duin op klimt hoor je op de top ineens het pittige ruisen van de branding van de Noordzee. De koelte ervan komt je tegemoet. Maar in de diepte is het doodstil. Die enkele duinenrij houdt alles tegen. Komt de Noordzee bij hoogwater je openhartig, briesend als een leeuw tegemoet, aan deze kant sluipt het naar binnen. Ongemerkt. Het lijkt wel of het uit de grond opwelt. Ineens zijn de slenken en kreken en geulen volgelopen. Lijken de groenfluwelige kleiplaten op de ruggen van een kudde walvissen. Tot die ook verdwenen zijn. En dan gebeurt er iets heel geheimzinnigs en ook wel dreigends. Vooral als je hier alleen voor je tent zit. Dan komt er in de verte van links en loodrecht op de kust een wonderlijke branding die ontstaat door het water dat door de gaten tussen de eilanden naar binnen wordt gedreven. Een paar lange strepen wit schuimend water die zo snel lijken te gaan als een paard in volle galop.

Zaterdag zag ik op de kielplaat vlak voor de tent dat een bijna arendgrote mantelmeeuw een jonge scholekster greep die hij terwijl hij ermee wegvloog half naar binnen schrokte. Toen hikte hij hem weer op zodat het beestje uit zijn strot op de modder viel waar het verkreukeld bleef liggen spartelen. Toen dook de meeuw weer op hem, pikte hem op en slokte hem voor de ogen van zijn krijsende ouders naar binnen. Terwijl hij wegvloog, wreed en machtig, zag je het beestje nog in zijn strottehoofd bewegen.

[...]

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen