maandag 8 mei 2017

Klaartje de Zwarte-Walvisch -- 9 mei 1943

Klaartje de Zwarte-Walvisch (1911-1943) werd begin 1943 gevangen gezet in kamp Vught. Later werd ze overgebracht naar Westerbork , en omgebracht in Sobibor. Van de eerste maanden van haar gevangenschap hield ze een dagboek bij.

9 mei
Gisteren was het weer een dag die een stuk geschiedenis voor het jodendom betekent. Het transport naar Westerbork nam een aanvang om half drie en duurde tot laat in de nacht, 's Middags ben ik naar de oudeliedenbarak geweest, maar wat zich daar afspeelde is afschuwelijk. Stokoude vrouwtjes zag ik op de grond zitten en ze mompelden wat tegen zichzelf. Ik bood aan de dekens voor iemand te dragen, maar ik geloof dat die oudjes in alles en iedereen hun vijanden zien. Tenminste ik mocht de dekens niet dragen, want ze was bang dat ik ze niet terug zou brengen. In een andere barak kreeg een vrouw een aanval van waanzin. Ontzettende tonelen speelden zich af. Het afscheid van ouders en kinderen. Het leed van al deze mensen te moeten aanzien was meer dan ik verdragen kon en ik ging maar even terug naar mijn eigen barak, in de hoop dat het daar rustiger zou zijn. Maar hoe kon ik zo naïef zijn om dat te denken. Onder de onzen bevond zich een zielig vrouwtje. Ze had geloof ik tien of twaalf kinderen. Ook zij moest mee met het transport, maar haar kinderen boven de vijftien jaar mocht ze niet meenemen. Die moest ze achterlaten en zelfs toen deze meisjes zich vrijwillig wilden melden, werden ze afgescheept dat er geen vrijwilligers mee mochten. Het gaf een hele scène in de barak, maar dergelijke feiten deden zich in alle barakken voor. Het werd een emotievolle dag, maar deze was nog niet om. Er zou nog meer gebeuren. Het gerucht deed de ronde dat onder de twaalfhonderdvijftig vertrekkenden achtenzeventig waren die zich probeerden schuil te houden. Ik had voor mezelf de overtuiging dat dit absoluut een grove leugen was, want welke jood zou de moed hebben zich trachten te verschuilen, terwijl misschien hun leed niet te peilen zou zijn als ze gevonden werden? Wie zou zich aan de terreur van de barbaren, aan wie wij waren overgeleverd, durven onttrekken? Er werd lang en breed over gesproken, want ze moesten en zouden voor de dag komen. Het was ongeveer acht uur toen de meesten van ons al in bed lagen. We waren allen nogal huiverig en het leek ons maar het beste om een beetje bijtijds naar bed te gaan. De barakleidster kwam binnen en zei dat er uit alle barakken nog enige personen gehaald zouden worden, want het transport moest en zou aan het aantal voldoen. Een hevige schrik beving ons. Stel je voor dat ze dat werkelijk eens zouden doen. We wisten dat het mogelijk was, want op Westerbork was het al herhaaldelijk voorgekomen dat, wanneer er een transport naar Polen zou gaan en het was naar het idee van de 'heren' niet groot genoeg, er dan een razzia op grote schaal werd gehouden. Dan werden de mensen midden in de nacht uit hun bed gehaald en, alsof het even een kwestie van een paar minuten was, mee op transport gesteld.

Aangezien wij nu wisten dat Vught geen Auffanglager, maar een Durchgangslager was geworden, wisten wij dat ons eenzelfde lot te wachten stond. Alles was even triestig. De hele dag een gure koude wind. Hevige hagelbuien en alles kletterde neer op de bagage die buiten de barakken stond. Weer zo op en top het toonbeeld van emigratie. Het kon waarlijk niet demonstratiever. Ik lag hier nog over na te denken, toen plotseling het bevel klonk. Allemaal aantreden voor appel. We konden dit eerst niet geloven. Was het werkelijk mogelijk dat we allemaal ons bed uit moesten en aantreden om uitgezocht te worden? We hielden ons nogal rustig en kleedden ons snel aan zo warm als maar kon. Sommigen dachten dat we gauw weer mochten aftreden en trokken hun jassen aan over hun pyjama's. Met blote voeten in de schoenen. En daar traden we aan in de vinnige koude wind. Grote modderplassen, zodat we moeilijk konden staan in rijen van vijf. Mensen die met hoge koorts de hele week in bed hadden gelegen, moesten eruit. De stemming onder de mensen was dreigend. Weer hoorde ik een massa zegeningen uitstrooien over de hoofden van de barbaren die ons dit aandeden en in gedachte deed ik de mijne erbij. We waren zo ontzettend verbitterd. Drie, vier keer kwamen de 'heren' op de motorfiets aanstormen op de massa en stoven we allen voor- of achteruit door de grote modderplassen heen. Wat hadden ze dan een schik dat ze dit ons joden konden aandoen. Wat voelden ze zich moedig, deze helden, want hier was werkelijk moed voor nodig om weerloze vrouwen te treiteren. Sommigen onder ons die waarschijnlijk nog niet eens beseften hoe diep we in de ellende zaten, lachten er nog om. Hier kon ik niet om lachen. Dat heb ik wel gekund tijdens de ontluizing, maar dit maakte me zo verbitterd door machteloosheid, dat ik hen die erom lachten graag een draai om hun oren had gegeven. Daar stonden we, paars en verkleumd van de kou, en het begon al knap donker te worden. Bijna twee uur lieten ze ons staan. Vanaf half negen tot half elf. Toen mochten we aftreden. Er was geen mens uit de rijen gehaald. Of de achtenzeventig gevonden zijn, weet ik ook niet, alleen wist ik dat we er ellendig aan toe waren. Enkelen waren flauw gevallen. Er zullen wel weer grieplijders van komen, want dit kan niet uitblijven. Daar waren we 's ochtends om vier uur voor opgestaan.

Onderwijl ging het transport haar gang. Zieke kindertjes en zieke oudjes stonden aan de poort te wachten op het lot dat ze zouden ondergaan. Weer heb ik enige van mijn kennissen moeten missen. In het mannenkamp lagen de zieken die moesten aantreden op de berm langs de weg. Deze heldendaden wekten een gemoedsstemming die geen grenzen meer kende. Zelfs kinderen hebben moeten aantreden. En dat alles uit louter pesterij, want een andere verklaring heb ik hiervoor niet kunnen vinden.

Om half elf mochten we aftreden, en verkleumd van de kou en met gevoel van vernedering en belediging zochten we onze bedden op.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen