zondag 14 mei 2017

J.J. Peereboom -- 15 mei 1972

J.J. Peereboom (1924-2010) was schrijver en journalist. Dagboeknotities van zijn hand verschenen in onder meer Ik ben niets veranderd.

Mei 1972. [...] Een jaar geleden, hoor ik, is een jongen met wie ik op de lagere school bevriend was gestorven. Toen ik hem opbelde na de zomervakantie van het jaar waarin wij toelatingsexamens hadden gedaan voor verschillende scholen, toonde hij geen belangstelling meer: 'Ik heb nu allemaal andere vriendjes.' Ik herinner mij dat mijn vader en moeder onderzoekend opkeken toen ik de telefoon neerlegde, niet wat er gezegd werd. Wij passeerden elkaar nog wel eens, in Haarlem, maar groeten werden er niet meer gewisseld. Ik denk dat wij al in de twintig waren toen ik hem tegenkwam dicht bij zijn ouderlijk huis en hij mij staande hield: 'Het spijt mij dat ik je vroeger zo vervelend behandeld heb.' Ik zei hem dat dat niet erg was. Daarna zouden wij elkaar waarschijnlijk weer gegroet hebben, maar er heeft zich geen kans meer voorgedaan.
Hij had hoogverraad gepleegd, maar het was al verjaard. Zinnend op onrecht mij aangedaan, herinner ik mij het vriendje in de gymnasiumtijd dat het meisje van mijn eerste vrijage afpikte. Later vertelde zijn beste vriend dat het begonnen was om mij te pesten, want ik deed te triomfantelijk over haar. Ik schreef een verhaal dat ik haar aanbood, waarin wij ons in een tropisch land na vele jaren toch nog verenigden. Zij wilde zendingsarts worden, maar zij geloofde niet in mijn verwachting, en die is ook niet vervuld.
Ook dat is verjaard, en de ervaring in mijn persoonlijkheid verwerkt. Als je mij gereserveerd vindt, denk dan eens wat ik doorgemaakt heb. Niet dat de meeste anderen het zonder vernederingen gesteld hebben; als wij onze verschillen willen verklaren, zullen wij veel meer op moeten halen. Dat is geen gewoonte, hoewel het tenminste makkelijker zou zijn om ondergane vernederingen te vertellen dan toegebrachte. Als ik voorbeelden zoek van de poetsen die ik mensen gebakken heb, raakt mijn geheugen in oproer. Uit schuldbesef, denk je dan eerst; of uit schrik voor de grieven die zich nog tegen mij kunnen laten gelden. Nee, niet die schrik; want de gevallen waarin ik welbewust iemand iets aandeed geven weinig last. Het zijn vooral de halfbewuste poetsen, uit onverschilligheid of nalatigheid, die mij ontstellen; alsof het de grootste zonde was om niet in het bijzonder iets te willen.
Op die grond kan worden aangenomen dat de meisjesdief mij niet op zijn geweten heeft. Het vriendje van de lagere school had het wel - zie boven.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen