woensdag 1 februari 2017

Hans Warren -- 2 februari 1953

Hans Warren (1921-2001) was een Nederlandse schrijver. Zijn dagboeken zijn in vele delen gepubliceerd als 'Geheim dagboek'.

2 feb. — 10.30. — Zaterdagmiddag, 31 januari stormde het al hard, en ik brak mijn lectuur van het boek van Genet af (Verzameld Werk, deel III) om naar het hoge water op de Noordnol te gaan kijken. De woeste zee was indrukwekkend: donkergrauw, dreigend, angstaanjagend sterk. Ik wilde me er mee verenigen, mijn kracht meestuwen tegen de nietig lijkende dijken om de waanwijze mensen te laten zien hoe klein en machteloos ze zijn met al hun moderne middelen. Als het water komt keren de middeleeuwen, keert de oertijd terug. Als regen sloegen de golftoppen uitstuivend over de dijkkruin landinwaarts. De ijskoude wind spoot in mijn oren - ik bleef er niet lang.
's Avonds schreef ik een aantal brieven naar kennissen die al lang eens bericht hadden moeten hebben: Hocini, Fine, Million, M'hamed Ali Alex, Willy Rabi - ik schreef allen dat er een storm woedde zoals die injaren niet was voorgekomen. Nadien maakte ik, omstreeks middernacht, nog een wandeling over de singels rondom het dorp. Het stormde zo hevig dat ik bang was onder de scheefhangende platanen, en in de straten was ik beducht voor neerratelende dakpannen. De Schelde brulde ver-weg. In bed was het prettig luisteren naar al dat lawaai. Ik besefte zelden zo'n storm te hebben meegemaakt. Maar dat de gevolgen zo desastreus zouden zijn heb ik niet vermoed.
Pas 's morgens, toen vader de radio aanzette, vernamen we iets over de ramp. Even na acht uur loeide de sirene en daarna begon de noodklok te luiden. Ik ben geen held, maar mijn eerste reactie was: helpen. Toen er omgeroepen werd dat men werd verzocht hulp te bieden, was ik een van de eersten op het plein, met een spade, want ik wilde bij de werklui zijn en niet een administratieve taak op me nemen.
Het was mijn fout, had ik dat maar wel gedaan, dan was ik beter op mijn plaats geweest. Spitten en sjouwen kan ik niet, organiseren wel. En goed organiseren, wanneer er snel beslist moet worden, kunnen weinigen. Ik stond met al mijn goede bedoelingen van begin af aan de verkeerde kant. De organisatie was namelijk aanvankelijk niet in bekwame handen. Iedereen wist dat de zeedijk ernstig beschadigd was, dat er geen minuut te verliezen viel. Maar we werden van kastje naar de muur gestuurd, overal liepen 'organisatoren', brandweerlieden en dergelijke rond met gewichtige, geaffaireerde gezichten, en de kostbare tijd verstreek.
Ik had er al bijna spijt van, me gemeld te hebben.
Gelukkig herinnerde men zich dat mijn vader vijfentwintig jaar lang voor de versterking van de zeedijk gevochten had: als er iemand wist wat er gebeuren moest, iemand die de leiding kon geven in deze nood, was hij het. En vader zei niet 'verzuip maar na al wat me aangedaan is', maar hij zette zich met heel zijn ervaring en kennis in, hij was opeens de leider, de held, men vloog om zijn aanwijzingen op te volgen, wat meneer Warren zei was wet. Wat moet het een bittere triomf voor hem geweest zijn. Ik heb hem bewonderd, ik was trots op hem, voor het eerst van mijn leven. Dat dit dezelfde man was die zo kleinzielig kon doen.
Doch ik loop vooruit.
Honderden en honderden mannen waren op de been; door een toeval kwam ik samen in een groep met Robert. We hebben de taaie klei en zoden gespit. Zakken gevuld, die loodzware zakken getorst, in kettingen doorgegeven de zeedijk op, die hier en daar voor driekwart weggeslagen was aan de binnenkant van het talud. We zakten tot de knieën in de modder, onze gezichten zaten vol modderspatten, onze handen werden grijze kleiklom-pen. Wat deed de eczeem op mijn vingers zeer, in mijn palmen kreeg ik blaren. Het was te zwaar voor me, maar wanneer je daar eenmaal stond kon je niet weg, werd er op je gerekend. Er waren meer zwakke schakels, merkte ik. De meeste mannen waren landwerkers, die dit gesjouw aankonden, maar er stonden ook kommiezen, winkeliers. Er werd geschertst, ik vroeg of er soms iemand behoefte had aan een letterkundige kroniek. Het werd gewaardeerd, ze lachten, ik voelde dat als een eer. Maar ik bedacht dat ik beter met de lier op een bres in de dijkkruin had kunnen zitten om een aanvurend arbeidslied te zingen, dan dit zware karwei verrichten dat ik niet lang meer volhouden kon. Ik werkte naast Robert, en dat stimuleerde me ook, mijn oude genegenheid voor hem was de laatste tijd wat opgeleefd, we gaan af en toe weer met elkaar om.
Toen het schafttijd was raakten we uit elkaar doordat ik mijn spa moest zoeken. Robert reed met een auto mee diejuist langs kwam - dat hij niet even op me wachtte griefde en demoraliseerde me.
Ik was doodop, liep als een modderfiguur naar huis. Vlug wat eten klaargemaakt, mijn handen verzorgd. Misselijk van vermoeidheid was ik. De eerste berichten over verdronkenen kwamen binnen. Ook Pa kwam weldra thuis. We aten samen, en om een uur gingen we terug naar de dijk.
Tegen vier uur, half vijf, was het kritieke moment: hoog water, weer een springvloed. In het begin werkte ik nog zo hard ik kon, maar toen kwam ik in contact met Sebastiaan, en dat was in dit geval verkeerd gezelschap. De wind, ijskoud, stak opnieuw op, afschuwelijke regenvlagen en hagelbuien kletterden op ons neer. Wel tweeduizend man waren aan de dijk, tienduizenden zandzakken waren al in de gaten opgestapeld. Sebastiaan, toch sterk genoeg, had niet veel zin meer. Ik, aan het eind van mijn lichamelijke kracht, evenmin. We dwaalden wat rond. De helft van de mannen deed overigens niets, men liep elkaar in de weg terwijl er toch zo'n massa te doen was, er was geen orde, onvoldoende leiding. Mijn vader kon ook niet overal tegelijk zijn.
Ik raakte verkleumd, het water stroomde over mijn rug en in mijn laarzen, mijn handen waren kapot. Even voor vier uur gaf ik er de brui aan en ik ben naar huis gelopen. Op dat moment kon het me niets meer schelen of de polder overstromen zou. Ik wist echter dat het niet gebeuren zou. Ik wist dat als er niemand een vinger uitgestoken had naar de Borsselse zeedijk die dag, er ook dan geen overstroming in de Borsselse polder plaats gehad zou hebben. Ik kende de dijk, de Schelde, de wind en het water. Ik wist dat mijn vader in de tijd van zijn beheer de dijk zeer verzwaard en versterkt had. De dijk zou niet volkomen bezwijken, ook al sloegen de golven vooral op het binnenbeloop stukken weg, al kwam er wat zeewater op de akkers erachter. Gevaar voor Borssele dreigde er pas als elders zeedijken en vervolgens binnendijken zouden doorbreken.
Thuisgekomen wilde ik me baden, scheren, me opmaken, parfumeren, om zo, op mijn mooist, met schone kleren aan bij een warm vuur te genieten van Pompes funèbres terwijl de wereld rondom me mocht verdrinken. Schoon en geurig en mooi lezen, terwijl kleumende mensen urenlang als apen in de bomen hingen of als vogels op de daken zaten te turen of een bootje redding bracht. Terwijl lijken ronddreven, huizen wegspoelden, schepen vergingen. Het liet me koud op dat moment. Maar ik ging in mijn vuile kleren ellendig voor de kachel op de vloer liggen en ik viel in slaap.
Vanmorgen vroeg reeds, begon het weer: een nieuwe oproep. Om zeven uur op het gemeentehuis komen met een spa. Ik heb mijn pijnlijke ledematen in bed gestrekt, mijn kapotte handen bekeken en me met mijn gezicht naar de muur gedraaid. Ik had het niet gehoord.
Geruchten deden de ronde als in oorlogstijd, vooral toen de stroom een paar uren uitviel.
Ik begon dit te schrijven met een slecht geweten. Ik heb dat nog. Omdat ik de verkeerde keus maakte, een taak op me nam waarvoor ik niet geschikt ben. Ik leer het nooit. Al die lichamelijk zwakkeren zijn afgedropen, net als ik, ik vraag me af of ze zich er ook een probleem van maken, of dat alleen ik zo stom ben. Ik zie de bomen en de lucht, de zon is op het gras waarin het voorjaar schiet. Wat is er veranderd? De melkboer kwam, de post, de bakker. Wasgoed wappert aan de lijnen, een sperwer stort zich achter een haken slaande kramsvogel, de vleugels flitsen in het zonlicht.
De lente lijkt al in de lucht. Ik ga straks normaal mijn lessen geven, en nadien zou ik naar Coudorpe willen gaan kijken, waar alles blank staat, ook 'mijn' prachtige laantje, alles is daar verloren.

15 uur. — Merkwaardig gevoel van verantwoordelijkheid en schaamte: nadat ik mijn lessen had gegeven, fietste ik inderdaad naar Coudorpe om de verwoesting van dat geliefde land te zien. Het woei nog vrij hard. Overal reden colonnes vrachtauto's met zandzakken. Hoewel de chauffeurs me vriendelijk en soms bijna onderdanig groetten (de zoon van meneer Warren, het straalde een beetje op me af) voelde ik me onnut, onbehaaglijk op die weg, een nieuwsgierige in de weg lopende toerist. En toen ik vlak bij Coudorpe was en zag hoe het jongvee op onwillige poten over de wegen werd voortgedreven, toen ik de watervlakten grauw zag schemeren waar groene weilanden hoorden te zijn, en er weer grote vrachtauto's met zandzakken aankwamen, durfde ik niet verder, durfde ik niet zomaar gaan kijken zonder de handen uit de mouwen te steken.
Ik ben omgedraaid en naar het gemeentehuis gefietst om daar mijn diensten aan te bieden. Ik had dat gister natuurlijk dadelijk moeten doen, nu was ik er onnodig.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen