dinsdag 31 januari 2017

Franz Kafka -- 31 januari 1922

Franz Kafka (1883-1924) was een Tsjechische schrijver. Zijn dagboeken 1910-1923 zijn te lezen bij Gutenberg. Ze zijn in het Nederlands vertaald door Nini Brunt. Originele Duitse tekst onderaan.

30 januari. Wachten op de longontsteking. Angst, niet zozeer voor de ziekte als om mijn moeder en voor haar, voor mijn vader, de directeur en verder iedereen. Het schijnt hier duidelijk te zijn, dat die twee werelden bestaan en dat ik tegenover de ziekte zo onwetend, zo geïsoleerd, zo angstig sta als bijvoorbeeld tegenover de oberkelner. Maar overigens schijnt mij de scheiding al te zeker, in haar zekerheid gevaarlijk, droevig en tiranniek te zijn. Woon ik dan in de andere wereld? Durf ik dat te zeggen?

Als iemand zegt: 'Wat is mij dan aan het leven gelegen? Alleen voor mijn familie wil ik niet sterven.' Maar de familie is toch juist de vertegenwoordigster van het leven, dus wil hij toch ter wille van het leven in leven blijven. Nu, dat schijnt wat mijn moeder betreft ook voor mij te gelden, maar pas de laatste tijd. Maar of het niet de dankbaarheid en de ontroering zijn, die mij daartoe brengen? Dankbaarheid en ontroering, omdat ik zie, hoe zij met een voor haar leeftijd onuitputtelijke kracht zich inspant mijn onaangepastheid aan het leven op te heffen. Maar dankbaarheid is ook leven.

31 januari. Dat zou betekenen dat ik ter wille van mijn moeder in leven ben. Dat kan niet juist zijn, want zelfs als ik oneindig veel meer was dan ik ben, zou ik maar een afgezant van het leven zijn en er, zelfs wanneer het door niets anders was, door deze opdracht ermee verbonden zijn.

Het negatieve alleen kan, al is het nog zo sterk, niet genoeg zijn, zoals ik in mijn ongelukkigste tijden geloof. Want wanneer ik maar de kleinste trede ben opgeklommen, in een of andere zekerheid verkeer, al is het de meest twijfelachtige, dan strek ik mij uit en wacht tot het negatieve - niet mij achternaklimt -, maar mij van die kleine trede afsleurt. Daarom is het een afweerinstinct, dat het ontstaan van het kleinste, blijvende welbehagen voor mij niet duldt en bijvoorbeeld het huwelijksbed vernielt nog voor het is neergezet.

1 februari. Niets, alleen moe. Het geluk van de voerman die iedere avond zó beleeft als ik vandaag de mijne, en nog veel mooier. Een avond bijvoorbeeld op de kachel. De mens zuiverder dan 's morgens, de tijd vóór het vermoeide inslapen is de eigenlijke tijd die gezuiverd is van spoken, ze zijn allemaal verdreven, pas met het voortschrijden van de nacht komen ze weer te voorschijn, in de morgen zijn ze er gezamenlijk, hoewel nog onherkenbaar, weer en nu begint weer bij de gezonde mensen, het dagelijks verdrijven. Met een primitieve blik gezien, is de eigenlijke, onweerlegbare, door niets van buiten af (martelaarschap, opoffering voor een mens,) gestoorde waarheid alleen maar de lichamelijke pijn. Eigenaardig dat de God van de pijn niet de voornaamste God van de eerste religies was (maar misschien pas van de latere). Iedere zieke zijn huisgod, de longlijder de god van het stikken. Hoe kan men zijn nadering verdragen, wanneer men geen deel aan hem heeft nog vóór de verschrikkelijke éénwording ?



30. Januar. Warten auf die Lungenentzündung. Furcht, nicht so sehr vor der Krankheit als wegen der Mutter und vor ihr, vor dem Vater, dem Direktor und weiterhin allen. Hier scheint es deutlich zu sein, daß die zwei Welten bestehn und daß ich der Krankheit gegenüber so unwissend, so beziehungslos, so ängstlich bin wie etwa gegenüber dem Oberkellner. Sonst aber scheint mir die Teilung allzu bestimmt, in ihrer Bestimmtheit gefährlich, traurig und zu herrisch zu sein. Wohne ich denn in der andern Welt? Wage ich das zu sagen?

Wenn jemand sagt: »Was liegt mir denn am Leben? Nur wegen meiner Familie will ich nicht sterben.« Aber die Familie ist ja eben die Repräsentantin des Lebens, so will er doch wegen des Lebens am Leben bleiben. Nun, das scheint, was die Mutter betrifft, für mich auch zu gelten, aber erst in letzter Zeit. Ob es aber nicht die Dankbarkeit und Rührung ist, die mich dazu bringt? Dankbarkeit und Rührung, weil ich sehe, wie sie mit einer für ihr Alter unendlichen Kraft sich bemüht, meine Beziehungslosigkeit zum Leben auszugleichen. Aber Dankbarkeit ist auch Leben.

31. Januar. Das würde heißen, daß ich wegen der Mutter am Leben bin. Das kann nicht richtig sein, denn selbst wenn ich unendlich viel mehr wäre, als ich bin, wäre ich nur ein Abgesandter des Lebens und wenn durch nichts anderes, durch diesen Auftrag mit ihm verbunden.

Das Negative allein kann, wenn es noch so stark ist, nicht genügen, wie ich in meinen unglücklichsten Zeiten glaube. Denn wenn ich nur die kleinste Stufe erstiegen habe, in irgendeiner, sei es auch der fragwürdigsten Sicherheit bin, strecke ich mich aus und warte, bis das Negative – nicht etwa mir nachsteigt –, sondern die kleine Stufe mich hinabreißt. Darum ist es ein Abwehrinstinkt, der die Herstellung des kleinsten dauernden Behagens für mich nicht duldet und zum Beispiel das Ehebett zerschlägt, ehe es noch aufgestellt ist.

1. Februar. Nichts, nur müde. Glück des Fuhrmanns, der jeden Abend so, wie ich heute meinen, und noch viel schöner erlebt. Abend etwa auf dem Ofen. Der Mensch reiner als am Morgen, die Zeit vor dem müden Einschlafen ist die eigentliche Zeit der Reinheit von Gespenstern, alle sind vertrieben, erst mit der fortschreitenden Nacht kommen sie wieder heran, am Morgen sind sie sämtlich, wenn auch noch unkenntlich da, und nun beginnt wieder beim gesunden Menschen ihre tägliche Vertreibung. Mit primitivem Blick gesehn, ist die eigentliche, unwidersprechliche, durch nichts außerhalb (Märtyrertum, Opferung für einen Menschen) gestörte Wahrheit nur der körperliche Schmerz. Merkwürdig, daß nicht der Gott des Schmerzes der Hauptgott der ersten Religionen war (sondern vielleicht erst der späteren). Jedem Kranken sein Hausgott, dem Lungenkranken der Gott des Erstickens. Wie kann man sein Herankommen ertragen, wenn man nicht an ihm Anteil hat noch vor der schrecklichen Vereinigung?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen