zondag 12 februari 2017

August Willemsen -- 11 februari 1991

August Willemsen (1936-2007) was schrijver en vertaler. Eind 1990 kwam hij ten val en brak zijn heup. Zijn revalidatieperiode (en alcoholisme) beschrijft hij in De val.

11 februari 1991
Ik zit hier bijna twee maanden. De heer Van M. probeert de hele dag uit zijn rolstoel te komen, waarin hij zit vastgebonden; de heer J. morst en kliedert, slaapt en rookt scheefgezakt in zijn rolstoel; de heer S. vertelt elke ochtend dat hij aan zijn heup geopereerd is (dat zijn we allemaal) en ouwehoert; de heer Sch. klaagt over pijn (die hebben we allemaal) en ouwehoert schreeuwend. En nu heb ik het nog niet eens over de heer G., die is weggelopen. Hoe ben ik hier verzeild geraakt? Waar is een begin? Op 10 december 1990? In oktober 1984? Bij de brand op het Singel? In 1953 ? Bij de genen van mijn vader? Ik houd het vooreerst kort.
Op 10 december had ik 's middags een slaapje gedaan en bij het wakker worden, om half zes, zag ik dat ik nog maar een bodempje wodka had. Ik liep naar de slijter, kocht vier flessen wodka plus anderhalve liter Fanta om de smaak weg te spoelen, en begaf me opgelucht naar huis. Slechts vijf minuten lopen, maar de tas was zwaar. Ter hoogte van het metrostation, ongeveer vijftig meter van mijn huis, begon ik te wankelen, ik probeerde me aan de stenen hoek te klampen, maar gleed, of viel, langs de muur op de grond. Ik zat op aarde, zachte aarde, tussen struiken, naast een door de mensen zelfgebaand paadje. Nadat ik tot mezelf gekomen was, geverifieerd had dat de tas ongeschonden naast mij stond, en vagelijk voor me uit gemompeld had: 'Dus toch', merkte ik dat ik mijn bril niet op had. Mét dat ik dat dacht, stond een zeer zwarte neger naast me stil.
'Uw bril ligt achter uw rug.'
'O, dank u.'
'En ook wat kleingeld. Het zijn mooie muntjes, maar je moet ze wel bij elkaar houden.' Hij raapte ze voor me op en hees me overeind.
'Recht voor je uit kijken. Niet naar de grond, dan val je. Altijd recht voor je uit kijken.'
Ik was vlak bij huis. Ontelbare malen heb ik later bedacht hoe het gegaan zou zijn als ik gewoon mijn huisdeur geopend had, in plaats van daar voorbij te lopen. Waar wilde ik heen? Wist ik niet meer waar ik was? Ik stapte een laag trottoirtje af en viel. Ik lag op steen, harde steen, een fietspad, in plaats van met de fles naast me op de bank in mijn warme woonkamer te zitten. Het was koud, grondvorst. Ik voelde geen pijn. Ik bedacht dat het met behulp van de schijn-energie van alcohol mogelijk moest zijn op eigen kracht overeind te komen, en nam een slok wodka. Ik probeerde te gaan staan, maar mijn linkerbeen deed niet mee. Ik probeerde het trottoirtje op te kruipen, maar dat lukte maar een klein eindje. Ik gaf het op, klemde de tas tegen me aan, wikkelde me in mijn winterjas en liet me liggen. Een bromfietser kwam langs.
'Weet je geen andere plaats om te gaan leggen?'
Weinig mensen op straat. Ik wilde 'Help' roepen, me realiserend dat ik behalve de Beatles nog nooit iemand 'help' had horen roepen. Er kwam slechts een zwak geluid uit me. Hoe lang heb ik daar gelegen in het donker, in de kou, op dat fietspad? Het kan een kwartier of een halfuur geweest zijn, voordat een groep onbekenden me rechtop hees. Waar ik woonde.
'Gouden Leeuw, daar.'
'Gouden Leeuw is daar.'
Andere kant. Ik wist het werkelijk niet meer. Ze namen me tussen zich in, armen over de schouders, sleepten me naar het metrostation (overdekt en minder koud) en zetten me op de grond tegen een muurtje, tegenover het raam van de metroman.. Hij bood me iets warms te drinken, maar ik vroeg om een ambulance. Hij belde de politie. Ik had moeite mijn evenwicht te bewaren; de linkerbil was als dood, en ik rolde naar rechts op de grond. Twee agenten kwamen melden dat ze zich met dit soort zaken niet bemoeiden. Metroreizigers daalden de roltrap af en liepen langs. Totdat Enno, een buurman van Elise, langskwam.
'Guus, wat doe jij hier?'
'Ik ben gevallen en wacht op een ambulance.'
Op dat moment waren al twee agenten gearriveerd die zich er wél mee bemoeiden, de GG&GD belden, en ten slotte, een eeuwigheid opgehouden door alle obstakels op de wegen in de Bijlmer die illegaal autoverkeer moeten belemmeren, kwam de ambulance.
Ik lag in foetushouding, in mijn jas gerold, op de grond, wetend, voelend dat ik niets kon, totaal afhankelijk was, dat anderen alles moesten doen. Ik zag over mijn schouder de ambulance langzaam het station binnenrijden, en een vreemd gevoel van onverschilligheid, van fatalisme, dat me sinds de val had vervuld, maakte plaats voor opluchting. Ik kon het nu overgeven, ik kon mezelf overgeven, met me laten doen. De ambulance was de mooiste auto die ik ooit had gezien, het was een verrukkelijke gewaarwording op de brancard te worden gebonden. In de ambulance was het heerlijk warm.
'Dat is wat anders dan op de grond liggen, hè ?' zei een vriendelijke broeder. Ik knikte zwijgend, bijna ontroerd. Eerst die hardheid van klimaat en mensen, nu die warmte en zorg.
Om een uur of acht, half negen, was ik in het AMC. Men constateerde, behalve ernstige onderkoeling en ondervoeding, een bloedende maar onbelangrijke hoofdwond, een gekneusde linker-elleboog, een bloeduitstorting op het rechter-schouderblad, een gebroken linker-heup, en wilde dezelfde avond nog opereren. Ik schrok van het woord 'operatie'. Maar het ging niet door: met bloed zó door alcohol verdund zou ik uit elk sneetje kunnen leeglopen. De volgende dag waren de pijn en de dorst zo hevig dat ik nu snakte naar de operatie om vier uur.
De rest is droom. Een heerlijke week in het ziekenhuis. Geborgenheid. Veiligheid. Weliswaar een bewegingloos en pijnlijk been, maar lieve, mooie verpleegsters, veel bezoek, veel, héél veel librium, veel slaap, een witte kamer, de tas in de hoek, onbereikbaar en ongewenst, een voor mij extra lang gemaakt bed, steeds schone lakens, veel vaagheid in mijn herinnering - een droom van wol.
Veel te vroeg naar mijn zin, reeds op 19 december, werd ik ontslagen, om te revalideren in een oord in het Gooi.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen