dinsdag 31 januari 2017

Juffrouw 't Hart -- 1 februari 1953

• Juffrouw ’t Hart, onderwijzeres aan de Openbare School te Piershil, schreef kort na de watersnoodramp van 1 februari 1953 haar herinneringen op.

De stormramp.

Zaterdag, 31 januari 1953.

Het had de hele dag al gestormd. Al vroeg waren de vloedborden geplaatst, want men verwachtte met die n.w. storm hoog water. Omstreeks 6 uur was het eb en dan bereikte het water zijn laagste stand. Toen we op die tijd bij het Kaaislop kwamen, stond het water nog hoog tegen de vloedborden. De gorzen stonden vol en op de Sluisjesdijk spatte het water tussen de huizen door over de dijk. Je kon bijna niet tegen de wind in lopen. De mensen hadden geen rust; zo vaak kon je niet bij de Kaai komen of er stonden veel mensen en hoe later op de avond hoe meer die ongerustheid toenam. Plotseling begon het water te zakken en dat betekende een doorbraak in de onmiddellijke omgeving. In 1916 hadden we dat ook meegemaakt, toen in de Ka op het eind van de haven een groot gat geslagen was, waardoor de Noordpolder, hier meestal de Anwas genoemd, volstroomde.

Diezelfde polder moest het ook nu weer ontgelden. De bewoners van de Kaai kregen nu niet alleen aan de voorkant, maar ook aan de achterkant het water binnen. Ook de huizen aan de buitenkant van de Molendijk liepen meteen vol. De bewoners konden gelukkig bijtijds hun woningen verlaten en vonden onderdak bij familie en kennissen. Op aanraden van mijn moeder haalde ik onze oude buurvrouw Dubel uit haar huis en bracht ze bij ons. Nadat de “oudjes” gezellig bij de haard gezeten waren , beloofde ik voor een lekker “bakkie” koffie te zorgen, maar eerst wilde ik even kijken, hoe ver het water al gestegen was. De voordeur kon moeilijk open vanwege die storm, zodat ik de achterdeur uitging. Toen ik op zij van het huis kwam, zag ik het water over de dijk stromen en in de dijksloot storten, net een brede waterval. Vlug ging ik weer naar binnen, waar we verschillende dingen naar de zolder brachten, terwijl we steeds uitkeken naar het stijgende water, dat langs ons huis stroomde en veel wrakhout meevoerde.

De dijk, de onderweg en onze tuin lagen bezaaid met kisten (met erop ‘Zuidland’), balken, planken en allerlei kleinere voorwerpen. Nog steeds hebben we als herinnering een knop van een ledikant, die hier aangespoeld was. Al gauw was de electrische stroom verbroken en moesten de kaarsen aan. Dat was erg tobben onder die omstandigheden. Bij alle bewoners van de onderweg liepen de kelders vol, behalve bij ons. Met het oog op de storm was het raampje gesloten en ook het venster zat muurvast. Wel hebben we water op de vloer van het zijkamertje gehad. Daar waren de roosters niet afgesloten. In het schoolhuis was een erg diepe kelder. Het was een angstwekkend geluid, toen het water door het kelderraam, dat door de sterke stroom gebroken was, naar beneden stortte. Hadden we kunnen vermoeden, wat de gevolgen van die stormvloed waren, dan hadden we niet zo rustig bij de kachel gezeten en zouden we ook naar de zolder gevlucht zijn. We gingen wel naar bed, maar van slapen kwam niet veel, voornamelijk door het loeien van de wind om het huis. Al vroeg in de morgen liepen er mensen over de dijk. Dat was mogelijk, omdat het water gezakt was nadat de eb ingetreden was. Wij zagen tussen de 2 huizen op de dijk een dak van een gebouw, dat er nooit geweest was. En wat bleek? De schuur naast het huis van Andeweg was in elkaar gestort en het dak daarvan was door de stroom achter langs het huis tegen de dijk gespoeld. Later in de ochtend is het in elkaar gezakt en verdwenen.

Alle huizen aan de Molendijk, de Sluisjesdijk en op de Kaai hebben erg geleden, maar gelukkig zijn er geen mensen verdronken. Sommige families hebben het erg moeilijk gehad. Pas op 3 februari hoorden we door een autoradio welke vreselijke gevolgen de stormramp veroorzaakt had. Wij dachten, dat wij alleen maar hinder van het hoge water hadden, net als in 1916.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen