zondag 20 maart 2016

Anaïs Nin -- 21 maart 1933

Anaïs Nin (1903-1977) was een Franse schrijfster, die vooral bekend is vanwege haar dagboeken. Vertaling: Margaretha Ferguson. Het fragment gaat over schrijver Henry Miller en zijn vrouw June.

Marguerite ontmoette Allendy in de Métro Cadet. Ze was laat en Allendy dacht dat ze niet zou komen.
"Ik zei dat ik graag wat wilde drinken maar Allendy keurde dit niet goed. Hij zei dat hij nooit iets dronk in de namiddag. Dat zou zijn gewoonten verstoren. De kamer deze keer was helemaal in blauw, de stijl van Madame de Pompadour, de alkoof bekleed met hemelsblauw fluweel. Allendy kuste mij niet. Hij zat op de rand van het bed en zei: 'Nu krijg je straf voor alles, omdat je mij tot jouw slaaf hebt gemaakt en mij nu in de steek wilt laten.' En uit zijn zak haalde hij een zweep!
Nu had ik niet gerekend op een echte zweep. Mijn vader gebruikte zijn handen. Ik wist niet hoe erop te reageren. Ik hield van Allendy's vurigheid, zijn boze ogen, zijn wil. Maar toen ik de zweep zag kreeg ik neiging om te lachen. Hij beval me me uit te kleden. Ik kleedde me langzaam uit. Ik moest een onweerstaanbare lust om te lachen bedwingen!
O, Anaïs, het was zulk slecht toneel! Het was Grand Guignol. Een stuiversroman. Wat doe je als je plotseling in het midden van een stuiversroman bent? La Vie Scandaleuse de Sacher-Masoch. Toen Allendy een paar zwiepen probeerde, lachte ik. Het was niet opwindend. Het was alleen mijn trots die beledigd werd. Ik lachte om de absurditeit, de irrealiteit. Als mijn vader mij sloeg was het echt Mijn moeder placht snikkend in de kamer ernaast te zitten. Ik weigerde te huilen.
Allendy zei dat hij me klein zou krijgen tot een vod, dat ik zou bedelen en kruipen en alles zou doen wat hij me zei. Hij gebruikte de zweep maar één keer, en ik stond ergens waar hij me niet meer kon raken. Hij dacht dat ik het spel meespeelde.
En toen zei hij dit, rechtstreeks uit de goedkope boeken die ze op de kaden verkopen: 'Je kunt schreeuwen tot je niet meer kunt, niemand in dit huis besteedt enige aandacht aan geschreeuw,' en bij deze klassieke regel kon ik me niet meer inhouden, ik begon te lachen, en Allendy dacht dat ik lachte om hem te kwellen, om hem aan te vuren.
Net voor we elkaar ontmoetten had Allendy tegen me gezegd dat zijn werk eentonig werd; dat het droevig was te zien hoe menselijke wezens allemaal gelijk waren - op dezelfde manier reageerden op hetzelfde moment; dat het altijd hetzelfde patroon was. Ik herinnerde me dit toen ik de zweepslagen mijn lichaam voelde verwarmen, faute de mieux. Allendy zag er bevredigd uit. Hij bleef zeggen dat hij zich goed voelde, dat hij zich wonderbaarlijk voelde, dat hij wist dat ik het fijn zou vinden, dat het de wilde in hem naar buiten bracht. Un sauvage pour rire! De wijze man die de wilde in zichzelf moest opwekken met een zweep!
Maar ik acteerde zo goed dat hij in de taxi een opvlamming van 'passie' (ik spreek relatief) onderging, en hij was erg blij. Hij zei dat niemand zo'n scène ooit mogelijk zou achten, niemand. Zelfs niet mijn vader die romancier was! Dit denkbeeld bracht hem in verrukking. De arme Allendy heeft nooit begrepen dat alles waarnaar ik hunkerde de geselpartijen van de waarachtige passie waren, en alleen de verslaafdheid aan echte wilden. Allendy zei: 'Op deze manier bereik je een soort duizeling'."
Nadat we hadden gelachen werden we ernstig. Ik zei tegen Marguerite: "De vraag is, zijn de mannen tegenwoordig doodgegaan omdat ze zich hebben vergrepen aan de bronnen van het leven, of vergrijpen zij zich aan de bronnen van het leven omdat ze dood zijn en de bronnen ervan terug willen vinden, om een kunstmatige controle op de levensbronnen te creëren?"

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen