dinsdag 29 maart 2016

Frederik van Eeden -- 28 maart 1907

• De Nederlandse schrijver en psychiater Frederik van Eeden (1860-1932), hield naast een uitgebreid dagboek ook een dromenboek bij.

28 maart 1907 Berlijn
Ik droomde van Jacques Perk. Voor 't eerst van mijn leven. Hij was vriendelijk en de droom was gunstig. Hij doopte een bloem naar Martha.

30 maart 1907 Berlijn
Ik had de laatste nachten niet diep geslapen. Licht, zonder behagen. Hoewel ik geheel uitgerust en gezond voel. Gister avond was mijn gemoed ook niet rustig, en de laatste dagen minder goede gedachten. [zie dagboek] Toen kwam van nacht dieper slaap, en daarin de helderheid. Het begon met een droom over vrouwen die heftig aandrongen op intimiteit [den vorigen avond de omvang der prostitutie in Berlijn bemerkt, waar ik te voren niet op gelet had] Ik vluchtte, in snelle vaart, en wilde vliegende dwars over 't land naar Bussum terugkeeren.
Toen kreeg ik besef en dankte God. Maar de gevoelens van verheffing en geluk bleven uit, en het bleef schemerig. Hetgeen ik begreep uit mijn eigen conditie. Ik zag duidelijk mijn bloote voeten, omhoog [ik doe des morgens gymnastische oefeningen met bloote voeten] en ik voelde hoe in mijn eigen gemoed moedwillige cynische opwellingen de baas waren, en ik dacht: oppassen voor mezelf!
Toen zat ik op eenmaal in de demonen. Nooit waren ze zoo duidelijk, zoo brutaal, zoo opdringerig. Een was koud, slap, glimmend als een levend lijk. Een veranderde onophoudelijk van gelaat, en maakte ongeloofelijke grimassen. Een vloog onder me door en riep: ‘Ik heb net met een vlinder gefénikt’ [Curieuze obsceniteit!] Ik vocht krachtig tegen hen, maar vooral met heftige scheldwoorden, wat ik als zwakte van me zelf erkende. Ik zag de woorden geschreven. De kring demonen was dicht en grijnzend om me heen, als een troep uitgelaten straatjongens. Ik was niet bang en zei zelfs: ‘al mocht jelui overwinnen, als God het wil vrees ik het niet’ Toen, terwijl ze allen door elkaar schreeuwden, zei er een: ‘laat God dan eerst spreken!’ precies als een troep kijvende joden. Toen donderde ik ze toe: ‘Die heeft al lang gesproken!’
En toen voer ik tegen één uit: ‘jou ken ik al lang’ - en hem met den vinger aanwijzend en jou...
Bij dezen heftigen apostrophe werd ik wakker, en bemerkte overluid geluid te hebben gegeven.
Ik was na dezen demonenstrijd, zoals gewoonlijk, verkwikt en innerlijk veel rustiger en kalmer.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen