woensdag 13 augustus 2014

Alexander van Goltstein -- 14 augustus 1807

• Alexander van Goltstein (1784-1813) stamde uit een adellijke familie uit Gelderland. In zijn studentenjaren van 1801-1808 hield hij onregelmatig een dagboek bij, dat is gepubliceerd als De vertrouwde van mijn hart.

14 [augustus 1807]
Zederd eenigen tijd gantsch niet minder droefgeestig dan te voren. Mijn gezondheid baart mij gedurig bekommering. Over het geheel schijnen mij de aanleidingen tot mismoedigheid bij mij, gegronder dan ooit. Vooral komt hier nog bij dat ik niets uitvoer van hetgeen ik tot mijn werk heb verkozen. Ik teken namelijk niets. Ik denk gedurig na over een gepaste manier op welken ik van het lezen gebruik zou maken: maar ik vind niets waarvan de uitvoering mij ligt schijnt.

19 [augustus 1807] Mijn bijna eenige bezigheid is thans het lezen van aangename boeken. Hoe onvoegzaam dit is, gevoel ik gedurig. Ik wilde wel, om mij in het lezen te matigen, de toevlucht nemen tot het opschrijven van den inhoud van alles wat ik lees. Zulk een middel wordt in zulk een geval als het mijne gepast, en moet er welkom in zijn. Dan de ondervinding heeft mij geleerd dat het niet alle de goede uitwerkselen heeft die ik van verwagt had: indien ik daar nevens geen andere bezigheden heb die den tijd vullen. Dan wist ik somtijds weinige dagen nadat ik iets gelezen had, niet meer hetgeen de hoofdinhoud was welke ik opgeschreven had. Ondertusschen had het mij veel tijd weggenomen. Dit is echter zeker, het is een krachtig middel om mij van het oppervlakkig lezen af te houden en deswegen zeer gepast, wanneer ik genoegzaame bezigheden heb, dewijl ik dan voor eene gevaarlijke aftrekking van dezelve beveiligd ben. Eene zaak moet ik hierbij slechts niet vergeten: voor ligte, en werktuigelijke bezigheden in vermoeide en verdrietige ogenblikken te zorgen.

Een ander gedeelte van mijn gedrag baart mij gedurig bekommering en onrust: te weten dat ik veel te veel en te gulzig eet. Hierin moet ik ook weder oude voornemens vernieuwen om weinig en langzaam te eeten. Hoe gelukkig ware het, een rijpelijk overwogen voornemen in al deszelfs eerste levendigheid te kunnen bewaren! Maar langzamerhand bemerken wij niets meer dan het lastige van de uitvoering; en zoo worden wij. in de gesteldheid gebragt waarin wij verlangen hetzelve te laten varen. Zoo ik dit niet steeds voorzag zoude ik veel minder huiverig zijn om nieuwe ontwerpen om in deugd te vorderen, aan te vatten. Dan door oefening in het volharden, in standvastigheid zal dezelve gewis vermeerderen, en zoo is er een zeker voordeel uit deze zoo het schijnt vergeefsche pogingen te behalen.
Onder hetgeen ik dagelijks moest overwegen dunkt mij een der voornaamste stukken hoe ik mijne geliefkoosde hartstochten kan verbeteren. Hoe ik mijne verfijnde zinnelijkheid, mijne luiheid en wellust, hoe ik mijne ijdelheid kan tekeer gaan. Eiken avond behoorde ik mij te vragen wat zijt gij hierin gevorderd?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen