dinsdag 10 juni 2014

S.A. Buddingh -- 11 juni 1857

S.A. Buddingh (1811-1869)-- Dagboek mijner overland-mail-reis van Batavia naar Nederland, via Triëst, in 1857.

Op den 11den Junij 1857 begaf ik mij met mijne vrouw aan boord van de stoomboot Koningin der Nederlanden, kapitein Prins, naar Singapore, ten einde van laatstgemelde plaats met de steamers der Peninsular en Oriental Company naar Alexandrië en verder met de steamers der Oostenrijksche Lloyds naar Triëst te vertrekken, en van hier de reis naar Nederland voort te zetten. Ik had te Batavia onze passage-gelden tot Triëst toe betaald ten kantore van de Agenten der gemelde stoomboot-maatschappijen, ten bedrage van ƒ 3050 Ned. Ct. De heer A. Fraser, lid der firma Maclaine, Watson en Co. d.i. van het bedoelde Agentschap, gaf mij op mijn verzoek een' vriendelijken aanbevelingsbrief mede aan den heer H. T. Marshall, Agent der P. en O. Company te Singapore, terwijl een mijner vrienden te Batavia, de heer Zorn, lid van het huis E. Moorman en Co., mij zoodanige brieven medegaf voor zijne vrienden en handels-correspondenten te Singapore, Ceylon, Alexandrië en Triëst. — Een paar dagen te voren had ik eenig Engelsch geld (Sovereigns) in plaats van mijn Nederlandsch-Indisch geld ingewisseld, naar de reden van f 12—25 of ƒ 12—30 per Sovereign.
In den vroegen morgen dan van den 11den Junij ging ik, gelijk gezegd is, aan boord van de Koningin der Nederlanden. De heer de Bruin Kops, luitenant ter zee der 1ste klasse, havenmeester te Batavia, had de goedheid mij zijne sloep af te staan om het stoomschip te bereiken; doch, aan de plaats der inscheping gekomen, had de heer jhr. Ridder de Stuers de vriendelijkheid om ons passage te verleenen aan boord van het hem toebehoorend stoomschip Tjitarum, en ons, in gezelschap van twee onzer medereizigers naar Nederland, naar de Koningin over te voeren. Zoowel aan hem, als aan de bovengenoemde heeren Zorn, Fraser en de Bruin Kops wordt in deze regelen onze innige dank openlijk toegebragt.

Ten 8 uur werd het anker der Koningin geligt, en liepen we weldra de reede van Batavia met hare vele schepen uit het gezigt, en stoomden met eene vaart van 7 mijlen langs de eilanden Noordwachter, Zuidwachter en de Buizend-eilanden. Ons reisgezelschap bestond uit de familiën van der Hucht en Ker, en de heeren dr. G. Voigt, laatstelijk Chef der geneeskundige dienst in N. Indië, J. A. Ruhle, en dr. L. K. Meijer, officier van gezondheid der 2de klasse, benevens eenige Hollandsche, Fransche en Amerikaansche schipbreukelingen. Onder deze laatsten waren 2 scheepsgezagvoerders.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen