maandag 9 juni 2014

Etty Hillesum -- 9 juni 1942

Etty Hillesum (1914–1943), geboren in een Nederlands-joodse familie, kreeg bekendheid door de publicatie van haar dagboek, 38 jaar nadat zij in Auschwitz werd vermoord.

9 juni, dinsdagavond half 11. Vanochtend aan het ontbijt min of meer uitvoerige berichten over de toestand in de Jodenbuurt. 8 Mensen in een kleine kamer met alle geriefelijkheden van dien. Nog niet te overzien en te bevatten alles en nauwelijks voor te stellen dat dit enige straten verder zich allemaal afspeelt en dat dit alles je eigen voorland is. En vanavond, op dat stukje wandeling van zijn vegetarische Zwitser tot aan zijn steeds wilder groeiende geranium, vroeg ik hem plotseling: Zeg me toch eens, wat moet ik met de schuldgevoelens beginnen die me bevangen wanneer ik hoor dat mensen met z'n achten in een nauwe ruimte moeten leven, terwijl ik die ene grote zonnige kamer voor mij alleen heb? Hij keek me toen beslist een beetje duivels van terzijde aan en zei: Twee dingen zijn mogelijk: óf je moet die kamer verlaten (en hij keek me zo ironisch-onderzoekend aan, met een uitdrukking van: ik zie je al gaan) óf je moet eens nagaan wat er eigenlijk achter die schuldgevoelens schuilt. Misschien een gevoel dat je vindt dat je niet genoeg werkt? En toen werd het me opeens duidelijk en ik zei:Ja, zie je, ik vertoef in mijn werk steeds in de hoogste sferen van de geest en wanneer ik over zulke wantoestanden hoor, vraag ik me waarschijnlijk onbewust, en nu trouwens zeer bewust af: zou ik deze manier van werken met dezelfde overtuiging en overgave kunnen voortzetten wanneer ik met 8 hongerige mensen in een smerige kamer woonde? Want dit geestelijke werken, dit intensieve innerlijke leven heeft voor mijn gevoel alleen waarde wanneer het onder alle uiterlijke omstandigheden kan worden voortgezet; en al kan men het dan niet praktisch en met de daad voortzetten, dan toch innerlijk in de voorstelling. Anders is alles wat ik nu doe alleen maar 'Schöngeisterei'. En misschien werkt dit dan even verlammend (vroeger kon zoiets me voor weken verlammen in m'n werk, maar toen geloofde ik waarschijnlijk nog niet in de noodzakelijkheid van dat werk) de angst of ik ook onder zulke omstandigheden nog dezelfde zou zijn. De onzekerheid of ik wel die proef zou kunnen doorstaan. De houdbaarheid van dit Zijn zal ik nog moeten bewijzen, ik zal toch altijd zó moeten leven als ik nu doe, voor sociale werkster of politieke omwentelaarster deug ik niet, dat kan ik nu wel voorgoed uit m'n hoofd zetten, al zouden je schuldgevoelens je ertoe kunnen brengen toch die paden te gaan.
Dit zei ik natuurlijk niet allemaal tegen hem op dat kleine stukje wandeling. Ik zei alleen: Misschien is het de angst dat ik de proef niet zal kunnen doorstaan. En hij, heel ernstig en zeer gefaszt': Die proef zal voor ons allen nog komen. En toen kocht hij 5 kleine rozeknoppen en stopte ze in m'n handen en zei: Sie erwarten nie etwas von der Auszenwelt und darum empfangen Sie immer etwas.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen