zaterdag 17 maart 2018

Jean-Paul Franssens -- 18 maart 1986

• Uit een brief van schilder-schrijver Jean-Paul Franssens (1938-2003) aan Henk Hofland. Franssens’ boek Zuiderkerkhof 1 bevat notities en brieven waarin hij zich zijn jeugd, zijn studietijd en zijn reizen herinnert – en zich een genadeloze criticus van zijn eigen ambities en tekortkomingen betoont.

Amsterdam, 18 maart 1986
In Amsterdam knettert en spettert het van het voorjaar. Het lijkt wel alsof er een hele lichting verse meisjes neergestreken is. Je krijgt het gevoel dat je hebt bij het zien van de eerste zwaluwen; de ene dag zijn ze er nog niet en plotseling is de lucht er vol van. Gisteren werd ik weliswaar door een mevrouw uitgescholden voor vieze oude man omdat ze mijn Lilis-gedichten had gelezen, die ze schandelijk vond, terwijl het de meest onschuldige cyclus is die een mens ooit heeft geschreven, maar die opmerking kon mijn voorjaarsgeluk niets in de weg leggen. Wat zijn sommige mensen toch kwaadaardig en jaloers. Zelfs op de seizoenen. Ik heb van mode weinig verstand, maar ik heb zo het idee dat vrouwen momenteel te veel kleren hebben die ze gelijktijdig willen laten zien; ze trekken daarom veel bloesjes en truitjes over elkaar aan. Alles hangt en kleddert vol slordige overmoed over alles heen. Het is een soort verrassingspakket: waar zit wat onder wat. Ook aan de oprechte fetisjist is bij de dameskleding gedacht. Zouden ze nog bestaan, die vreemde, ongezond uitziende mannetjes die in de Kalverstraat soms zomaar een deugdzaam meisje van haar keurige vlecht beroofden? Dat moest snel gaan, met een vlijmscherp mesje. Het meisje merkte de diefstal niet eens. Vroeger had je ook inktwerpers en kuitenprikkers die met een hoedenpen zomaar op klaarlichte dag een juffrouw in haar billen staken. Of heb je daar nog nooit van gehoord?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten