dinsdag 26 maart 2019

Gustave Flaubert • 27 maart 1875

• De Franse schrijver Gustave Flaubert (1821-1880) en zijn landgenote George Sand (1804-1876) schreven elkaar vele brieven. Hieronder een fragment uit een ervan. Uit Wij moeten lachen en huilen (vertaald door Edu Borger).

Parijs, 27 maart 1875
Wat moet ik over mijzelf vertellen? Ik ben niet in topvorm. Ik heb... ik weet niet wat. De broomkalium heeft me gekalmeerd en me eczeem op mijn voorhoofd bezorgd. Er vinden abnormale dingen in mijn persoon plaats. Mijn psychische uitputting moet een of andere verborgen oorzaak hebben. Ik voel me oud, versleten en overal ziek van. En andere mensen vervelen me even erg als ik mezelf.
Niettemin ben ik aan het werk, maar zonder geestdrift, zoals je strafwerk maakt, en misschien ben ik wel ziek van het werken, want ik ben aan een onzinnig boek begonnen.
U raadt me in een van uw laatste brieven aan de oude Hugo geregeld op te zoeken! Welnu! de laatste keer dat ik hem zag heeft hij me diep ongelukkig gemaakt. De onzin die hij over Goethe verkocht is onvoorstelbaar; hij geloofde bij voorbeeld dat hij Het kamp van Wallenstein heeft geschreven en schreef de Wahlverwantschaften aan Ancillon toe! Hij had nog nooit van Prometheus gehoord en vond Faust een zwak stuk! Dat bezoek heeft me letterlijk ziek gemaakt!
Als de Sterken zo zijn, hoe moet het dan met de anderen gesteld zijn! waar kan men nog geestdriftig over worden?
Daarom verlies ik me als een oude man in mijn jeugdherinneringen. Ik verwacht niets meer van het leven dan een reeks vellen papier om met inkt vol te kladden. Het lijkt of ik door een woestenij zonder einde reis en ik weet niet waarheen. En ik zelf ben tegelijkertijd de woestijn, de reiziger en de kameel!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten