dinsdag 6 maart 2018

Jacoba van Melissen -- 7 maart 1768

• In een van de laatste nummers van het tijdschrift Literatuur (2004) zijn een aantal fragmenten opgenomen uit het 'Dagenboeck' van ene Jacoba van Melissen, bewerkt door Kees 't Hart. Sommige van de personen die erin voorkomen hebben echt bestaan, maar het dagboek is fictief.

7 Maart (1768)
Mevrouw Johanna ligt dagen achtereen stil als een muis in bed, Mevrouw Van Merken dept haar voorhoofd. Wanneer zij weg is, slaapt ze in. Om vier uur, vlak voor de uurmelding [in deze tijd werd in Amsterdam bij sommige huizen van aanzienlijke ingezetenen het juiste uur afgeroepen, KtH], schrok ze wakker, gillend en schreeuwend, ze schoot overeind, trok me naar zich toe, gilde, gilde. ‘Ze doden me, Jacobje, ze vermoorden me, ze zijn staers [niet duidelijk, vermoedelijk bedoelt ze dat iets of iemand “saters” zijn en is hier sprake van een schrijffout], borelingen, giftmengers.’ Mevrouw was vaag in haar woorden. ‘Het is niets’, zei ik, ‘U moet slapen, ik lees u nogmaals het stuk over de Vrees van Rodogune [dit is een verwijzing naar een drama van Corneille dat Lucretia van Merken jaren daarvoor bewerkte voor een Nederlandstalige uitvoering, dit drama vertelt over de moord van een vrouw op haar rivale: ze duwt haar uiteindelijk in een ravijn en vermoordt haar beide kinderen].’ Mevrouw werd lijkwit, als een doek van kleermaker Barend, ze liet me los, fluisterde: ‘Geen Rodogunde, geen, geen Rodogunde.’ Haar adem stokte, ze kleurde blauw. Snel doopte ik haar handen in de bakken zuur water op de kastjes naast haar bed (artsen in deze tijd geloofden dat onderdompeling van ledematen in met azijn en zoutzuur aangelengd water gunstig was voor de inhoud van de longen, KtH). ‘O God, o God, o God’, riep ze, ‘Ik sterf vertwijfeld, ik ben alleen, ik sterf, o God.’ ‘God hoort u niet aan, Mevrouw, ik ben Jacoba, ik zit aan uw bed, de dominee is moddermannen [? KtH]’. Ik sloeg haar met een spatel op haar borst, bond een doek om haar gezicht, ze werd rustig.
Om zeven uur met Janszoon plakken zonder plak [seksuele toespeling? ‘plakken zonder stap’ komt in een obsceen geschrift uit de achttiende eeuw een keer voor, er is dan wederzijdse masturbatie bedoeld, KtH]. Om 's avonds laat, vlak voor de avondbidding kwam Neeltje boven met de dode poes Mimi in haar armen, ze snikte, snikte. Mimi was hoesterig en stil, vertelde ze, haar oogjes ineens zo waterig geworden, als wit geverfd glas met regendruppels, ‘Jacobje, ze was warm, zo warm, ze rilde, rilde, maar even nog ging ze lopen, spelen met de draden van mijn kleed, huppelen, net als vroeger steeds naar het draadje slaan, terwijl Mevrouw de Vriendin [bedoeld is Lucretia van Merken, KtH] en Mijnheer samen lachten om het dertele gestoei van Mimi.’ Mevrouw de Vriendin en Mijnheer waren beneden komen kijken bij de andere poesjes waarvan er nu nog twee levendig waren. ‘Ze had een pruik op van onze Mevrouw’, zei Neeltje, ‘de strikjespruik, strikjes van dieprode fluwelen stofjes en ze moest erom lachen omdat de pruik zo tollerig op haar hoofd stond, te klein was hij, dat was zo lacherig geweest. Maar toen ze weg waren was Mimi gaan leggen, doodstil op de stenen bij de oven [vermoedelijk is hier een manshoge en zeer diepe oven bedoeld waarin men maaltijden bereidde, KtH], er liep slijmsel uit haar neusje, slierten speeksel uit haar bekje. Ik raapte haar op als een veertje en schudde haar. Ze is dood Jacobje, dood.’ Neeltje huilde en huilde, ik huilde om haar huilen, Janszoon nam het diertje mee en zou het begraven gaan bij het musje en de twee krekels en hondje Bastiaan, dat lieverdje, de lieveling.
‘Leg er een kruisje op,’ zei Neeltje, ze wilde bidden voor haar ziel in de hemel. ‘Komt Mimi in de hemel? Ze komt toch in de hemel...o God...laat...ze...in...de...hemel...komen.’ Op straat steeds lawaai van jongens die gaan schreeuwen, veraf en dichtbij, denkelijk bij De Kras [destijds een Herberg aan de Heerengracht met een zeer slechte reputatie, KtH]. Ik kan het niet verstaan: ‘Dode poppen, dode poppen’, steeds weer, steeds weer, ook Janszoon weet het niet, hij heeft bij me gelegen tot het ochtendlicht.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten