maandag 10 augustus 2015

Isaak Babel -- 11 augustus 1920

Isaak Babel (1896-1940) was een Russische schrijver. Zijn Dagboek 1920 is in het Nederlands vertaald door Peter Zeeman.

11.8.20, Laszków
Een werkdag, aanwezig zijn op de staf, ik schrijf tot ik erbij neerval, een rustdag. Tegen het vallen van de avond regen. Een stel Koebankozakken overnacht bij mij op de kamer, merkwaardig: vreedzame en strijdlustige boeren, huiselijk en niet meer zo jong, onmiskenbaar van Oekraïense afkomst. Over de Koebankozakken. Eendracht, altijd onder elkaar, overdag en 's nachts het gebries van paarden onder mijn raam, de heerlijke lucht van mest, zon, slapende kozakken, twee keer per dag koken ze soep en vlees in kolossale emmers, 's Nachts zijn ze te gast. Aanhoudende regen, ze hangen de was in mijn kamer te drogen en eten er. Een religieuze Koebankozak met een slappe hoed, zijn bleke gezicht, zijn lichte snor. Ze zijn ijverig, kameraadschappelijk en ongepolijst, maar in zekere zin innemender, huiselijker, rustiger en minder opvliegend dan de Donkozakken en die uit Stavropol. De verpleegster is gearriveerd, het is allemaal o zo duidelijk, dit moet ik beschrijven, ze is afgesloofd, ze wil weg, iedereen is eroverheen geweest — de commandant, zo wordt tenminste beweerd, Jakovlev en, o gruwel, Goesjev. Ze is zielig, wil weg, ze is verdrietig, praat wartaal, wil met mij over iets praten en kijkt me vol vertrouwen aan. Ik, zegt ze, ben voor haar een vriend, maar de anderen, de anderen betekenen niets dan ellende. Wat zijn ze er snel in geslaagd een mens te vermorzelen, te vernederen en lelijk te maken. Ze is naïef, dom, zelfs ontvankelijk voor revolutionaire leuzen, en dit zonderlinge type heeft het veel over de revolutie en heeft gewerkt op de afdeling Culturele Voorlichting van de Tsjeka, veel mannelijke invloeden. Interview met Apanasenko. Heel interessant. Dat moet ik onthouden. Zijn stupide, verschrikkelijke gezicht, een energieke gedrongen gestalte zoals Oetotsjkin heeft. Zijn ordonnansen (Ljovka), statige goudbruine paarden, klaplopers, equipages, Volodja, zijn aangenomen zoon, is een kleine kozak met een oud gezicht, die vloekt als een grote. Apanasenko hunkert naar roem, daar heb je haar dan, de nieuwe klasse. Ongeacht alle operationele zaken - hij rukt zich los om telkens weer terug te komen, hij is de organisator van de detachementen, is gewoon tegen het officierskorps, 4 Joriskruisen, dienstklopper, onderofficier, vaandrig onder Kerenski, voorzitter van het regimentscomité, hij heeft de officieren de epauletten afgetrokken, lange maanden in de steppen van Astrachan, een onaantastbare autoriteit, beroepsmilitair.
Over atamans, daar waren er veel van, ze kregen mitrailleurs te pakken, vochten tegen Sjkoero en Mamontov en sloten zich aan bij het Rode Leger, een heldenepos. Dit is geen marxistische revolutie, het is een kozakkenoproer, dat alleen maar wil winnen en niets verliezen. Apanasenko's haat jegens de rijken en de intellectuelen, een onuitblusbare haat.
De nacht met de Koebankozakken, regen, het is benauwd, ik heb een rare jeuk.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen