maandag 4 mei 2015

Gerrit van der Pals -- 5 mei 1818

• Gerrit van der Pals (1754-1839) was een tekenaar, kunstenaar en kunstverzamelaar. In 1818 kocht hij de buitenplaats Veelzicht.

Veelzigt Eerste Pinxterdag 5 Mei 1818.
Nu kan ik niet langer nalaten om de pen op te vatten en bij dezen U mijn waarde te melden dat ik den 1en dezer van den heer W. O. Bloys van Treslong wonende in 's-Gravenhage gekogt hebbe de buitenplaats Veelzicht gelegen aan de westzijde van den Rotterdamschen en Delfschen rijweg en aan de oostzijde van de rivier de Schie, nabij mijn landgoed Vrijenban, ik zeg nabij, want tusschen de grond van mijn landgoed en de grond van Veelzicht is maar een grond van 10 roeden lengte, welke mijn buurman Valkenburg toebehoord, liggende ten zuiden van Veelzicht, en naderbij kan ik immers niet verlangen iets tot een zomer-, ja zelfs desverkiezende winterverblijf te vinden, al had ik er jaren naar gezocht. En nu veronderstel ik maar dat ik Vrijenban en Veelzicht te samen en gelijkelijk gekogt heb met een servituut, „dat ik van de buitenplaats Veelzicht geen gebruik eerder zou kunnen maken als op den len Meij 1817". Want gij dient te weten, dat ik Veelzicht al een geheel jaar in huur gebruikt heb.
Dewijl de heer Bloys van Treslong de buitenplaats Veelzicht moede was, dewijl hij er met veel onaangenaamheden den eigendom van verkregen had, kogt ik deselve groot omtrent een en een halve mergen met alle desselfs bepoting en beplanting, woonhuis, koepel, tuinmanshuis, arbeidershuis en den opstal van een zedert weinig jaren nieuw gebouwd huis, tot den ontvangst van den tol of passagegeld over den straatweg naar Delft en Overschie leidende gediendt hebbende, al hetwelk ik gehuurt had voor den tijd van twee jaaren zullende eindigen met Meydag van 1818 en onder conditie van elkander te waarschuwen wegens continuatie der huur voor den len November dezes jaars 1818.
Dan de heer Bloys van Treslong verkoos met mij de huur op te zeggen niet tot in het najaar te wagten, maar zeide mij dat hij die huur niet wilde continueeren, maar Veelzicht wilde verkoopen om van de onaangename aandoeningen die deze plaats hem telkens veroorzaakte in 't vervolg ontheven te zijn. De heer Bloys van Treslong had aan den vorigen eigenaar J. H. Ruisch, als vader en voogd over zijne minderjarige kinderen, in huwelijk verwekt met Anna Roodenburg, eene aanzienlijke somme gelds tegens intrest geleend of geschoten onder verband van de nu door mij gekogte en hiervoor breeder omschreven buitenplaats Veelzicht en van de over deselve plaats gelegen bouwmanswoning en verder getimmerte met 15 mergen weij, hooij en teelland aan de oostzijde van meergemelde rijweg. Dan Ruisch had hem in verscheide jaren nog de bedonge aflossing nog den intrest betaald, waardoor de heer Bloys genoodzaakt wierd om Ruisch te vervolgen en te executeeren met dat gevolg dat hij vonnis ten laste van Ruisch gekregen heeft, waarna dat gemelde onderpand in naam van de Hooge Overheid deser lande int openbaar more solito (op de gewoone wijze) aan den heer Bloys verkogt en welke proceskosten meer dan vijf duizend guldens bedragen hebben, welke de heer Bloys aan den procureur Commijs te Rotterdam en andere practizijns alsmede aan de regters etc. heeft moeten betalen boven en behalven de verdere onaangenaamheden, die hij na het bekomen van gemelde vonnis en executie en inkoop van het onderpand nog heeft moeten ondergaan. Daar Ruisen van de plaats niet af wilde gaan, maar nietjegenstaande alle aangewende moeite er op bliefde te blijven wonen, wierd den heer Bloys genoodzaakt hem door gerechtsdienaars van de plaats te laten zetten.
Dan wat deed Ruisch toen? Hij ging woonen in het meergemelde tolhuisje, staande over gemelde buitenplaats, zette daarvoor een stalbak met gras om de passeerende rijtuigen daardoor nog de gelegenheid te geven, om daar aan te rijden en de paarden en passagiers eenige verversching te verschaffen. Ik ben ten dien tijde voorbij Veelzicht gereden, heb de bak zien staan en Ruisch aan een tafeltje zien zitten onder zijn fles en pijp; dewijl hij sustineerde dat dit tolhuisje niet behoorde onder dat onderpand, dewijl het op de weg en niet op het verpande erf door hem gebouwd was en ook een wakend oog wilde houden op de meubelen welke nog in het huis en koepel stonden en aan Ruisch toebehoorden.
Om welke en andere onaangenaamheden voor te komen heeft de heer Bloys hem zijne meubelen laten transporteeren naar een huis te Overschie en hem nog een zak met geld, ik meen 1 a f 275, gegeven, opdat hij Ruisch van zijn sustenu zoude afzien en dat huis te Overschie metterwoon zoude betrekken, 't gene geschied is en waarin Ruisch tegenwoordig nog woont.
Zoudet gij, mijn waarde! in een dergelijk onaangenaam geval verkeerd hebbende, ook wel lust hebben om zulk eene buitenplaats tot uw genoegen, rust en vermaak aan te houden? en ik denk dat gij mij hierop rondborstig antwoorden zult: „Neen".
Door en ter oorzake van al hetgeen ik u gemeld hebbe, is deze buitenplaats Veelzicht mijn eigendom geworden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen