dinsdag 26 mei 2015

Coenraad Ruysch -- 27 mei 1674

• Coenraad Ruysch (1650-1731) begaf zich in 1674 samen met zijn neef Dirck van Hoogeveen op een grand tour van drie jaar. Hij hield van die reis een dagboek bij: Journaal van een reis naar Genève, Italië en Frankrijk van Coenraad Ruysch met zijn neef Dirck van Hoogeveen 1674-1677. Op 27 mei was hij in Glückstadt (aan de Elbe, nu Noord-Duitsland).

Den 27, sijnde sondach, sijn wij in gereformeerde kerck geweest. Wij hadde nevens dit geestelijck geluck oock dat wereltlijke van de koninginne nevens de princesse van Tarenthe ter degen te kunne besien. Haere majesteit wiert geleijt door twee cavalliers en de princesse door een. Sij wierden gevolcht door een dame d’honneur [hofdame] en drie juffers, twee a drie pages en een laqai [lakei] vijf ses, doch het verdrietichste was dat, doen de koninginne uyt de kerck ginch, maer eene koets te vinden was, soo dat de juffers soo lange mosten wachten tot dat haer majesteijt te hoof gebracht was. De koninginne is wel gemaeckt van taille, blanck van aengesicht, uyt haer visionomije [gelaat] seer goetaerdich scijnende, seer wel gekleet en hadde konincklijke juwelen aen. De princesse van Tarenthe is een welgemaeckte brunette, seer scoone oogen hebbende, doch soude noch veel frajer sijn ten waere niet een weijnich gebasaneert  [gebruind] was. Naer de middach geraeckten wij door de conduite [het handelen] van de heer Arkel op een bolwerck, alwaer den koninck, de prins, nevens eenige cavalliers, haerselve met het pistool exerceerde. Wij waeren allen even seer verwondert, dewijle wij noijt meer soodanigen adressen [personen] hadden sien scieten als ieder van dit geselscap dede. Bij dese occasie hadden wij tijt van den koninck op ons gemack te considereren [beschouwen].  Sijn majesteyt is een wel gemaeckt man, middelbaer [gemiddeld] van gestalte, seer obdrustich [rood, opgezwollen] van aengesicht, van een marsial wesen [krijgshaftige gesteldheid], sterck van eten en seer soober van dranck. Den prins is seer aengenaem en blanck van tronie [gezicht], draecht een blanke paruyck [pruik] niet qualijck in alles aen den heere Van Oudenkerke gelijkenende.

Maendach den 28 meij sijn wij in t’ geselscap van de heer Arkel naer Stade verreijst van intentie de begraefenisse van den heer grave van Konincxmarck te besien. Niet tegenstaende dese reijs in een halven dach soude hebben kunne gescieden, soo waeren wij nochtans genootsaeckt door de contrarie windt [tegenwind] des nachts buyten te blijve en ons selve in een herreberch te landtwaert met miserabel tractement, doch tot onse troost met goede bedden, te behelpen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen