maandag 13 mei 2013

George Hart -- 14 mei 1940

Tegen elf uur reden wij weg in twee Redtaxes, voorafgegaan en gevolgd door militaire politie op motorfietsen, IJmuidenwaarts. De tocht was niet zonder hindernissen: tweemaal werden wij beschoten en moesten we terug of een omweg maken: de militaire politie waren geweldig flinke kerels.
Overal schildwachten, overal barricades van zandzakken, van beton, van Friesche ruiters. Weinig teekenen van den strijd overigens: in een weide langs de weg lag het cadaver van een neergeschoten vliegtuig, zóó levenloos, zóó ontzield, alsof werkelijk het leven daaruit gevloden was. Verderop werd de voortreffelijke discipline, de nauwgezette controle, de flinke houding van de schildwachten opeens minder: de posten waren nu gedrukt, onverschillig, verstrooid.
Spoedig vernamen wij de oorzaak: het ontzettende, misschien onvermijdelijke, maar niettemin ontzettende bericht van het vertrek der Koningin was bekend geworden en kort daarop het bevel om de wapenen neer te leggen. De voortreffelijke geest van onze troepen zakte in elkaar: 't was diep droevig om aan te zien; men zag 't goede vaderland ineenstorten in zijn dappere, flinke, opgewekte, jonge leger. De beestachtig laffe bedreiging van onze groote steden met een vernietigende bomaanval, die in de tienduizenden dooden van Rotterdam zijn voorlooper vond tezamen met verraad en inefficiency, die den vijand achter en in onze linies brachten; te kort aan vliegtuigen en aan hulp van onze bondgenooten waren de oorzaken, die ons dappere leger ontijdig en ongewild tot de capitulatie brachten.
Dat alles hoorden wij later en wij konden die overwegingen tenslotte begrijpen en misschien billijken, maar op den weg naar IJmuiden, bij het passeeren van diep-terneergeslagen, diep-teleurgestelde posten voelden wij slechts schaamte, wrok en verbijstering: ons prachtig leger, dat in vijf dagen ongelooflijke heldendaden had verricht, door défaitisme en ongeschiktheid van enkelen in onze gelederen en door mechanische overmacht aan de andere zijde verslagen.
In den namiddag kwamen wij in IJmuiden aan: de Britse destroyer Havock bleek bereid ons mee te nemen, maar we moesten binnen 5 minuten aan boord zijn, want in de haven blijven liggen was levensgevaarlijk met het oog op voortdurende luchtaanvallen.


George Henry Charles Hart (1893-1943) was een hoge bestuursambtenaar. Tijdens het eerste oorlogsjaar hield hij een dagboek bij.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen