zaterdag 11 mei 2013

Alexander Fisher -- 11 mei 1819

Donderdag den 11den - Het droevig oogenblik, waarop onze reis wezenlijk een aanvang nemen zoude, was eindelijk daar; want dezen morgen om tien uur ligtten wij het anker, en gingen onder zeil met eene goede koelte uit het Westen, die ons in staat stelde, voor het donker werd, klaar te raken van dien moeijelijken doortogt de Swir, en de onderscheidene droogtens, die men op dit gedeelte der kust in menigte vindt.
Wij maakten heden op den middag een begin met de weerkundige tafel, (meteorological register ): de luchtsgesteldheid (temperature of the air ) in de schaduw was op dit oogenblik 62°; die van het zeewater, op de oppervlakte, 57°, en de hoogte van den barometer, 30, 19 duim. - Ons voornemen is, om ook de bijzondere zwaarte van het zeewater) alle middagen, waar te nemen; doch het van daag te doen zoude nutteloos zijn, daar het zonder twijfel vermengd zoude wezen met het zoet water van de Theems, en de tallooze kleine beken, die hun water omtrent deze plaats, in zee uitstorten. De gesteldheid van lucht en water, zoo als boven aangeteekend is, zal alle twee uren, zoowel bij nacht als bij dag, waargenomen worden, en de hoogte van den barometer viermaal daags, namelijk om zes uur des morgens, op den middag, om zes uur des avonds, en te middernacht. De strekking van den wind en de gesteldheid van het weder zullen te gelijk met de bovengenoemde waarnemingen worden aangeteekend, als ook ieder ander luchtverschijnsel, dat met de weerkunde in verband staat.


Uit: Dagboek eener ontdekkingsreis naar de Noorderpoolstreken, met de schepen zijner Grootbrittanische majesteit Hecla en Griper; in de jaren 1819 en 1820, door Alexander Fisher, heelmeester.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen