donderdag 29 september 2016

Valentin Boelgakov -- 30 september 1910 (deel 2)

Valentin Boelgakov (1886-1966) was Tolstojs secretaris in het laatste jaar van diens leven. Zijn dagboek over die periode is vertaald (door Charles B. Timmer) als Het laatste levensjaar van Tolstoj.

30 september [Deel 1]
Belinki had het verder nog over Abramov, de redacteur van de Simbirskse krant en de schrijver van een brief aan Tolstoj, naar aanleiding waarvan deze zijn opstel 'Over de valse wetenschap' had geschreven. Abramov kan de termijnen die hij in de gevangenis moet uitzitten als telkens weer nieuwe straf voor 'persdelicten' niet bijhouden. Hij is een heel origineel man: behalve de krant die hij uit de gevangenis redigeert, oefent hij nog tal van ambachten uit die hij stuk voor stuk beheerst. 'Jawel,' zei Tolstoj, 'het verbazingwekkende is dat de man om zijn tijd in de gevangenis te kunnen uitzitten een dubbele tijd nodig heeft. Aan de gewone tijd heeft hij niet genoeg: hij moet een "dubbelloops" hebben.'
Over zjn gezondheidstoestand merkte hij vandaag op: 'Ik ben zwak en stijf in de leden, heb alleen wat gelezen en de hele dag niets uitgevoerd.' Vanavond las hij het opstel van Sergejenko over zijn jeugd en verklaarde dat hij zich met plezier in die herinneringen had verdiept. De komst van Aleksandra Ljvovna maakte hem meteen veel levendiger, vooral haar verhaal over 'Marcus Aurelius'.
Het ging hierom. Aleksandra en haar vriendin Vaxvara zaten in hun woning in Teljatinki te kniezen: hoe zou Ljev Nikolajevitsj het thuis nu maken, hoe verdrietig dat zij niet wisten hoe het hem ging. Toen kwam Annoesjka, een boerenvrouw die hen bij het inrichten van de nieuwe woning had geholpen, opeens met de opmerking: 'U moest Marcus Aurelius gaan lezen, dan is het meteen met uw verdriet gedaan.'
De twee staan als door de bliksem getroffen: wat voor Marcus Aurelius? Waarom Marcus Aurelius?
'Nou, zo maar,' legt Annoesjka uit. 'Er is zo'n boekje, ik heb het van de graaf gekregen. En daarin staat dat wij allemaal sterfelijk zijn. En zodra je aan de dood denkt, wordt het je lichter te moede. En daarom zeg ik altijd tegen iedereen die verdriet heeft: "Kom jongens! Ga Marcus Aurelius lezen! Luister naar hem en je verdriet is meteen over!"
Tolstoj had het een leuk verhaal gevonden en lachend citeerde hij later nog dikwijls Annoesjka's woorden: 'Kom jongens! Ga Marcus Aurelius lezen!'
'Zo is het,' zei hij, 'je overziet nooit de gevolgen van wat je doet.'
[...]

woensdag 28 september 2016

Grete Lainer -- 29 september 19??

• Het onderstaande fragment is afkomstig uit het anonieme Tagebuch eines halbwüchsigen Mädchens (Engelse vertaling: A Young Girl's Diary), dat in 1919 (met een voorwoord van Sigmund Freud) werd uitgegeven. Het dagboek wordt wel toegeschreven aan ene Grete Lainer. In het onderstaande fragment is ze een jaar of elf, twaalf.

Engelse vertaling onderaan.

29. September: Heute war der Herr Prof. Fritsch, der Deutschprofessor, das erstemal da. Er räuspert sich in einemfort und trägt goldene Augengläser. Die Hella findet ihn erträglich nett, ich aber nicht. Daß ich in meinem Leben kein Vorzüglich mehr in Deutsch bekomme, das weiß ich! Gestern war der neue Religionsprofessor das erstemal da, da saß ich allein, weil ja die Hella als Protestantin weggeht. Er sieht furchtbar schlecht aus und hat die Augen immer gesenkt, obwohl er brennend schwarze Augen hat. Das nächstemal setze ich mich neben die Hammer, damit wir nicht so einzeln sitzen.

2. Oktober: Heute hatten wir heil. Beichte und Kommunion, und weil die Lehrkräfte nicht erlauben, daß wir uns aussuchen, zu wem wir beichten gehen, mußte ich zum Herrn Professor Ruppy gehen. Das war mir gräßlich. Ich habe so leise geflüstert, daß er mich dreimal ermahnen mußte, lauter zu reden. Wie ich vom 6. Gebot anfing, deckte er sich die Augen mit der Hand zu. Aber gefragt hat er, Gott sei Dank, weiter nichts. Die einzige Lehrkraft, die einem erlaubte, sich den geistlichen Herrn auszusuchen, war die Frau Dr. M. Das heißt, direkt erlaubt hat sie es auch nicht, aber wenn eine schnell zu einem andern Beichtstuhl rannte, so hat sie getan, als ob sie es nicht bemerkt hätte. Der Herr Rel.-Prof. gibt furchtbar lange Bußgebete auf; alle Mädchen, die bei ihm beichteten, verrichteten gräßlich lang ihre Buße. Hoffentlich ist er beim Prüfen nicht auch so streng, sonst bekomme ich Nichtgenügend; das wäre greulich. 

[Engels]
September 29th. Professor Fritsch, the German professor, came to-day for the first time. He is always clearing his throat and he wears gold spectacles. Hella thinks him tolerably nice, but I don't. I'm quite sure that I shall never get an Excellent in German again. Yesterday the new Religion master came for the first time, and I sat alone, for Hella being a Protestant did not attend. He looks frightfully ill and his eyes are always lowered though he has burning black eyes. Next time I shall sit beside Hammer which will be company for us both.

October 2nd. We had confession and communion to-day, and since the staff will not allow us to choose our confessors, I had to go to Professor Ruppy. I did hate it. I whispered so low that he had to tell me to speak louder three times over. When I began about the sixth commandment he covered his eyes with his hand. But thank goodness he did not ask any questions about that. The only one of the staff who used to allow us to choose our confessors was Frau Doktor M. Really, she did not allow it directly but when one ran quickly to another confessional box, she pretended not to notice. The Herr Rel. Prof gives frightfully long penances; all the girls who went to him took a tremendous time to get through. I do hope he won't be so strict over his examinations or I shall get an Unsatisfactory; that would be awful.

dinsdag 27 september 2016

Hette de Jong -- 28 september 1944

Hette de Jong (1923-1999) was 16 bij het uitbreken van de oorlog. Hij hield een dagboek bij tot 25 januari 1945, waarin hij de oorlogsgebeurtenissen in Maastricht beschrijft.

Woensdag 27 september 1944
Het schijnt niet goed te gaan met de Britten te Arnhem. Sobere berichtgeving. De Britten trekken terug. Hemel, waar gaat dat heen? De Canadezen bestormen Calais. hier en dar bieden de Duitsers dus nog steeds verbitterde tegenstand. Ze zijn nog niet ver van Maastricht. Spaar ons ervoor dat ze terugkomen. Dan is het leed niet te overzien!

Donderdag 28 september 1944
Om 9 uur gisteravond Duitse bommen! Twee enorme knallen. Een bom viel precies voor de stationstoren op het Stationsplein. Stapels glas en dakpannen. Gelukkig geen doden! Wel zwaargewonden!
Een bom verwoestte het achterdeel van het huis dat door de NSB-er Jaspers (slagerij) was verlaten. Hoe vinden ze elkaar!? De derde viel achter de huizen van de Lage barakken.Hitler zette zijn beste muil weer eens open voor een redevoering. Nooit zal hij capituleren.
De beestmens Adolf heeft zin in nog meer lijken in Europa. Z’n honger is nog niet gestild! Hitler wil niet capituleren? Goed! Dan maar bommen er overheen! Toen ik klein was zei mijn moeder al: “Wie niet horen wil, moet maar voelen!”dat gespuis moet en zal van de aardbodem! Haat brandt tegen alles wat Duits is!
Sinds gisteren tot vandaag 12 uur onafgebroken colonnes tanks door de stad. ’t Komt op gang voor de laatste beslissende klap! Hoewel: in Arnhem is de strijd ten einde. De Britten werden teruggeslagen. Het plan in een keer door te stoten tot in Arnhem is mislukt. Te hopen dat vele Britten zich hebben kunnen redden. En Adolf zal zich op de borst slaan.

Vrijdag 29 september 1944
Veel explosies gehoord vandaag. Niemand weet wat er aan de hand is. Wilde gruchten over een V -1 aanval. Tot nu toe vielen die op Londen, nu zullen de lanceerplaatsen landinwaarts zijn verlegd. Krijgen wij ze nu? Rantsoenen werden minder. Er is geen aanvoer, geen vervoermiddelen, geen vleesbonnen verschenen! In plaats daarvan 1 ei per persoon. Sinds 4 dagen geen boter, een ons suiker + 1 ons vet per persoon. We eten veel fruit om de honger te stillen. En we zijn vrij. dan die riem maar wat strakker!

maandag 26 september 2016

Liz Jones -- 27 september 2008

• De Britse journaliste Liz Jones (1958) heeft een dagboekcolumn in The Daily Mail waarin ze over haar leven als alleenstaande vrouw schrijft.

In which I realise I don't really want a relationship
27 September 2008
Before I had a chance to pluck up courage to call M, I received another pen and ink letter, telling me he kept my photo on his chest of drawers.

Two things flashed through my mind.

First, the fact he had a chest of drawers. This is a good start. The EH* just had a large pile of festering clothes, mainly misshapen sportswear, he kept by the bedroom door. I had had a walk-in wardrobe built for him – it lit up when you opened the sliding doors – but he refused to use it.

The second thought was: he has a photo of me! I have to point out here I have a phobia about pictures of myself. I can never look at them.

The main obstacle to my getting married (apart from nagging doubts that my intended actually loved me, given that on our wedding eve he preferred to play pool with my maid of honour) was that I dreaded the wedding photos.

But, despite this phobia, I still had two from the hundreds on the contact sheets printed and framed and, until recently, when I feng shui-ed them and found they were blocking my love area, sitting on my desk.

The EH has not one wedding photo in his possession. He never once carried a picture of me in his wallet (he did, in his defence, have a head shot of Snoopy on his phone), although he did secrete a photo of FWD** in among his collection of two pence pieces.

Anyway, I know I have to let go of the past. Perhaps dating a man who ostensibly adores me is the way forward. But, to be honest, I don't really want a boyfriend. They are too annoying.

REASONS BOYFRIENDS ARE ANNOYING
● They use the bathroom sink. This is too upsetting for words. They leave watermarks on the taps. They rub away at the mirror to gaze at their own reflection.
● They invade your personal space. I hate this. They examine you at close quarters first thing in the morning.
● They are always opening the fridge door for absolutely no reason, which we all know is bad for the environment.
● They criticise you endlessly, saying, 'What is that?', and pointing at various bits of your disintegrating body.
● They ask endless personal questions, such as, 'When exactly were you born?'
● Whenever you ask them a simple question, they drag their eyes slowly from whatever they are reading or doing and look at you as if to say, 'Hmmm, what is it now?' It makes you want to stab them with a pen.
● They take their socks off while watching telly.
● They pretend they don't know how the timer on the central heating works; how to dismantle the fridge which they made dirty in the first place, and they mumble useless questions such as, 'Where do we keep the tea towels?'
● They never tell the cabbie your destination, leaving you to do it.
● When they move on to the next girlfriend they suddenly change their spots, paying for things and being all supportive.

Relationships are hell. Women only put up with them if a) they want large, heavy objects moved. My friend Jenni dated a hopeless man for six weeks just to get a pyramid of concrete moved from near her front doorstep.

Or b) they need sperm and then someone to blame for their dreary life. We do not have relationships for sex. Men only want sex with a woman who doesn't tell him off for not plumping the cushions.

I am not going to phone M. If a man wants to get near me, he is going to have to be exceptional.

I don't want another egotistical nightmare who thinks he can make me happy. Only I can make me happy.


*Ex-husband. **F***ing whore Daphne

Margo Vliegenthart -- 26 september 2000

Tijdens de Olympische Spelen van 2002 in Sydney hield zal staatssecretaris Margo Vliegenthart (1958) van Sport voor NRC Handelsblad een dagboek bij.

Dag 12 - dinsdag 26 september 2000
De kranten in Australie staan dagelijks vol van de Olympische Spelen. Wanneer Australiers goede prestaties leveren doen de media er nog een schepje bovenop. De Australian heeft vandaag eerst twee katernen over de Spelen en dan pas het andere nieuws. Uiteraard siert Cathy Freeman de voorpagina; de aboriginalvrouw die de 400 meter won, overigens nadat haar naaste concurrente, de Francaise Perec, Sydney en Australie halsoverkop had verlaten omdat ze door een indringster bedreigd zou zijn die haar voorbereiding wilde verstoren. Waar of niet, Perec woonde al een tijd in Sydney en had het moeilijk, want als ze 's morgens haar gordijnen van het appartement opende keek ze tegen een 50 meter hoge Cathy Freeman op de muur van een aanpalend kantoorpand aan… Een variant op Edgar Davids.

Freeman is dus big news. Een zeker ongemak over de verhouding met de aboriginals, de eerste bewoners van dit continent, zal daar niet vreemd aan zijn. Aboriginals voelen zich nog steeds achtergesteld en vinden dat leed uit het verleden onvoldoende erkend wordt. Juichen voor Cathy is ook een beetje de pet afnemen voor deze bevolkingsmindersheidsgroep, zonder het echt hoeven te zeggen. De 400 meter wordt hier ook wel de race van de nationale verzoening genoemd. Misschien hadden wij dat gevoel ook wel toen sporters als Orhan Delibas, Arnold Vanderlijde en Simon Tahamata zo goed presteerden.

Ander voorpaginanieuws is een stuk tragischer. Voor de tweede achtereenvolgende dag heeft een grote witte haai aan de kust van Zuid-Australie een badgast verslonden. Was het eerst de man van een stel op huwelijksreis die nog geen 50 meter uit de kust werd aangevallen en spoorloos raakte, nu onderging een 17-jarige surfer hetzelfde lot. Deskundigen zeggen dat het om twee haaien moet gaan omdat de plekken ruim 300 kilometer uit elkaar liggen en een haai hooguit 70 kilometer in een dag kan zwemmen. De herhaling is uniek: de laatste 40 jaar zijn er in Australie slechts acht dodelijke aanvallen geweest. De grote witte haai is overigens een beschermde diersoort; de regering waarschuwt vissers dat het verboden is op de beesten te jagen, ook al lopen de emoties hoog op.

Vanmorgen opnieuw de boot vanuit Sydney naar het Olympic Park genomen. Eerst nog even getrimd in de fitnessruimte. Dat geeft je wat meer weerstand op dit soort lange en zware dagen. Comfortabele verbinding, leuke boottocht. Ooit ontdekten de eerste kolonisten zo de binnenlanden van het nieuwe continent. We willen eerst naar het tennis en daarna naar het hockey. Het regent echter en de tenniswedstrijd wordt uitgesteld. We wachten in de Olympic Familylounge waar we op de TV de overwinning van de Nederlandse fietsploeg zien en vervolgens vieren. Het goud van Leontien is ook het goud voor de andere vrouwen want de ploeg heeft er hard voor gewerkt. Leontien kon zich lang rustig houden en zowel Chantal Beltman en in het laatste deel van de race vooral de jarige Mirjam Melchers trekken er keihard aan en Leontien maakt het heel sterk af. Die samenwerking in de Nederlandse dameswielrenploeg is wel eens anders geweest. Dat Leontien dat zelf ook beseft bleek 's avonds bij de huldiging, zij gaf haar collega's hun portie van de overwinning. Als de regen ophoudt en het tennis gaat beginnen, moeten we kiezen tussen Nederland-Pakistan bij het hockey en de halve finale in het damesdubbel bij het tennis. Er zit op dat moment nog weinig Hollands volk op de tribune en we denken dat de hockeyers er toch wel doorkomen. Het is dus niet moeilijk. We kiezen voor Kristie Boogert en Miriam Oremans, die het tegen een Russisch koppel moeten opnemen.

Boogert-Oremans vormen een goed koppel, maar de tegenstander ook. Eerst zien we nog de Williams-show; Venus en Serena tegen de Belgische speelsters Van Roost en Callens. De eerste game is meteen een break voor … de Belgen. Een verrassing op komst? Nee, de zusjes-Wiilliams zetten de turbo aan en winnen vlot: 6-4, 6-1.

Boogert en Oremans doen het heel goed; ze spelen geconcentreerd en agressief en heel constant. Het oranje plukje op de tribune, aanvankelijk klein, groeit gestaag; uiteindelijk zijn er zelfs zo'n 30 Nederlandse sporters die komen aanmoedigen. Fanatiek zijn de handboogschutters die een appartement delen met de tennissters en sindsdien tot de sterkste supporters behoren. Voor de sporters is dat een bijzonder aspect van de spelen, dat ze veel mensen ontmoeten buiten hun eigen tak van sport. Het is een echt team dat er staat.

De Nederlandse tennisters winnen met 6-4, 6-2. Ik heb er de hele wedstrijd in geloofd, maar toch zit je ze nuwachtig heen en weer te schuiven. In de finale wachten de zusjes Williams. Direct na afloop feliciteer ik de tennisters; twee gelouterde profs, maar nu heel erg blij met een zekere Olympische medaille. De pers vraagt alleen maar door over hun kansloze positie in die finale. Terecht geven de meiden zich nog niet gewonnen. Sport blijft tenslotte sport en niemand had ook verwacht dat ze de finale zouden halen.

Tijdens de tenniswedstrijd horen we een luid gejuich opstijgen uit het hockeystadion. We gaan ervan uit dat er meer Oranje op de tribune zit, dan Pakistani, maar dat blijkt een vergissing. 1-0 voor Pakistan blijkt uit een telefoontje van het Nederlandse kamp. Nederland moet minstens gelijk spelen om door te gaan naar de kruisfinales. Naast het tennis proberen we nu ook aan de hand van het geluid uit het andere stadion te volgen wat er gebeurt. Vlak voor het einde weer gejuich. We bellen zelf of het gelijk is geworden. Dat valt zwaar tegen. Het is 2-0 voor Pakistan en dat blijft het. Nederland lijkt uitgeschakeld, want de uitslag van de wedstrijd Engeland- Duitsland is weliswaar relevant, maar dat wordt toch vooral als theorie beschouwd. Sinds 1945 heeft Engeland niet meer van Duitsland gewonnen. De kroonprins vergezeld door Het Nederlandse legioen uit het hockeystadion schuift snel aan bij het slot van de wedstrijd van de tennisdames. Het eindigt dus met een mooi feestje.

Met de auto terug naar Sydney; snel omkleden want er wacht een gesprek in kleine kring met Hans Blankert, voorzitter NOC*NSF. Het gesprek gaat over de verdere ontwikkeling van het sportbeleid, en de maatschappelijke betekenis van de sport en de investeringen die daarvoor nodig zijn. Ook in de politiek leeft dat besef getuige de uitspraak bij de Algemene Beschouwingen dat er dit najaar als er ruimte is voor investeringen ook een plan voor de sport moet liggen. We maken afspraken zowel voor de korte termijn, als voor de ontwikkelingen op de lange termijn. Daarna naar een receptie van de hockeybond. Annemarie, die het hockey heeft gezien, heeft deze avond een "tradedinner", met bigshots uit het bedrijfsleven. Ze zal de zegeningen van de Australisch-Nederlandse samenwerking bezingen. Nederland is de vierde investeerder in Australie.

Bij de hockeybond is het als vanouds gezellig. Ik ken er veel mensen al heel wat langer, dus dan praat je niet als staatssecretaris, maar gewoon onder elkaar. Daarna neem ik met Rob de Vries en Jan Saeijs van mijn directie Sport nog even het programma van morgen door; het aantal wedstrijden neemt gestaag af maar ons programma niet omdat we nog zoveel ijzers in het vuur hebben. Volleybal, hockey, de dressuurploeg staat tweede, het Bonfire van de individuele wedstrijd komt nog, net als onze Nederlands-Georgische worstelaar; de zeilers zijn nog bezig en ook het wielrennen heeft nog twee wedstrijden bij de heren. En wie weet kan Leontien van Moorsel zich nog een keer opladen voor de tijdrit en ook aan het slotnummer, de marathon, nemen Nederlanders deel.

Naar het Holland house, waar Kleintje Pils de stemming er goed inbrengt. Terug in het hotel de email opengemaakt en ik zie dat er de volgende ochtend wat huiswerk gemaakt moet worden, want de voortgang bij de aanpak van de wachtlijsten kan niet wachten.

zondag 25 september 2016

Adèle Bloemendaal -- 25 september 1982

Adèle Bloemendaal (1933) is een Nederlandse actrice. Voor NRC Handelsblad hield ze in 1982 een 'Hollands Dagboek' bij.

Zaterdag
Een traag, sereen begin. Ik zet koffie voor mijn kind en zijn vriendin. In de keuken leert John mij reggaedansen op een plaat van Bob Marley. Ik verbaas mij over het gebrek aan variatie. John zegt: 'Dat komt omdat ze altijd zo stoned zijn als kamelen.' Hij vertrekt naar een training, ik naar Terneuzen, bofkont die ik ben. Boudewijn Spitzen, onze coördinator, rijdt mee en roept opgetogen: 'We zullen ze in Terneuzen teisteren met kwaliteit.' Boudewijn is een allitteratie-freak. Frans zegt: 'Het lijkt wel of heel Nederland continu bezig is zich te verplaatsen.' 'Als lemmingen,' zeg ik. Ik ben somber gestemd. Morgen moet ik praten met een notoire notaris die mij hopelijk enige schurkenstreken zal bijbrengen om mijn BV te leiden. De oprichting ervan bezie ik met enige huivering. Aber warum machen Sie denn das überhaupt, Frau Blumenthal? - Weil ich ein dumme trut bin. Je maakt een goed programma en wat is je straf? Een BV. Na Terneuzen sleep ik mij langzaam de trap op en word opgewacht door de jongeheer G. met spijs en drank. Tijdens het eten praten wij over journalistiek, Naipaul, kwaliteitskranten, Amerikaanse berichtgeving en de Newyorker. Wij vallen om zes uur in slaap.

zaterdag 24 september 2016

Menno ter Braak -- 24 september 1939

Menno ter Braak (1902-1940) was een Nederlandse schrijver. Na de Duitse inval in Polen (1 september 1939) hield hij een maand lang een journaal bij.

24 Sept.
Gisterenavond afscheid genomen van deze vacantie, die zoo schril contrasteerde met die van verleden jaar met de Gr.'s [Greshoffs] te Juan les Pins. Wandeling in den avond door Tiel, dat voor mij na twintig jaar nog altijd in de eerste plaats is de stad van ‘Ina Damman’; iedere hoek, iedere straat een ‘erotisch perspectief’, een stuk verwachting, teleurstelling, onzekerheid etc. Ik voel mij volwassen, maar ook oud, ver weg van dit alles, dit onnoozele, en toch vol verlangen om deze ‘mythe’ vast te houden, om nog iets te begrijpen van dit stuk leven. Dit was toch al na den vorigen oorlog...
Ik weet niet, of ik er nog toe zal komen in dit journaal te schrijven; ik moet weer schrijven voor de krant, ondanks den oorlog, over ‘kunst en letteren’. In ieder geval deed dit dagboek dienst om mij met de idee van een oorlog in Europa vertrouwd te maken. Men kan het ook afstompen noemen.
Vanmiddag wederzien met E. in Amsterdam.

donderdag 22 september 2016

Hans Fallada -- 23 september 1944

• De Duitse schrijver Hans Fallada (1893-1047) zat in 1944 enige tijd in de gevangenis wegens poging tot doodslag; in deze tijd schreef hij 'berichten uit de gevangenis, die zijn gepubliceerd in In meinem fremden Land (door Anne Folkertsma vertaald als In mijn vreemde land).

23-IX-44 - Op een dag in januari [1933] zaten mijn brave uitgever R.[owohlt] en ik 's avonds in Schuchters wijnlokaal in Berlijn aan een vrolijke dis. Onze wederhelften en een paar goede flessen Steinwijn hielden ons gezelschap. We waren, zoals het in de Schrift staat, vol goede wijn en deze keer was hij bij ons ook goed gevallen. Bij mij kon je daar niet altijd van op aan. Het was heel onvoorspelbaar welke uitwerking wijn op me had, meestal maakte hij me twistziek, betweterig en opschepperig. Maar die avond gebeurde dat niet en had hij me in een vrolijke, wat spotzieke bui gebracht, dus ik was het ideale gezelschap voor R., die onder invloed van alcohol altijd in een reusachtige, honderd kilo zware zuigeling verandert. Hij zat met een vuurrood gezicht aan tafel, terwijl de alcohol als het ware uit alle poriën van zijn lichaam leek te wasemen, een soort moloch, maar een tevreden, verzadigde moloch, terwijl ik mijn grappen en anekdotes ten beste gaf, waar zelfs mijn brave eega hartelijk om moest lachen, hoewel ze die verhaaltjes al minstens honderd keer had gehoord. R. had de toestand bereikt waarin zijn geweten hem weieens opdraagt ter vermaak van de gasten ook een duit in het zakje te doen: hij liet de kelner dan soms een sektglas brengen dat hij, op de steel na, stukje bij beetje met zijn tanden verbrijzelde en helemaal opat - zulks tot afschuw van de dames, die er niet over uit konden dat hij zich daarbij in het geheel niet sneed. Ik heb echter één keer meegemaakt dat R. bij deze haast kannibalistisch aandoende glasvreterij zijn meester vond. Hij liet een sektglas brengen en een stille, zachtmoedige heer uit het gezelschap deed het hem na. Rowohlt at het glas op, de heer ook. Rowohlt zei genietend: 'Zo! Dat heeft me goedgedaan!' Hij vouwde zijn handen op zijn buik en keek triomfantelijk in het rond toen de zachtmoedige heer hem aansprak. Hij wees op de kale glazen steel die voor R. stond. Verwijtend vroeg hij: 'En de steel eet u niet op, meneer Rowohlt? Die is nu juist het lekkerst!' Na deze woorden werkte de zachtmoedige heer hem onder onbedaarlijk gelach van het gezelschap naar binnen. R., die zijn triomf aan zijn neus voorbij zag gaan, was pisnijdig en heeft het zachtmoedige heerschap die nederlaag nooit vergeven!
[...]

woensdag 21 september 2016

Menno ter Braak -- 22 september 1939

Menno ter Braak (1902-1940) was een Nederlandse schrijver. Na de Duitse inval in Polen (1 september 1939) hield hij een maand lang een journaal bij.

22 Sept.
Het ongerijmde, in deze tijden, van instellingen als ‘vrijloten’ en ‘broederdienst’. Herinneringen aan een periode van niet-totalen oorlog, waarin ‘dienen’ toch eigenlijk een vorm van pech was. Door dezen totalen oorlog raken dergelijke opvattingen op den achtergrond, al blijven zij officieus bestaan (het ‘kankeren’). Zelfs degene, die pech heeft en nu gemobiliseerd is, zal waarschijnlijk iets van deze totaliteit begrijpen; zelfs de vrijgeloten en broederdienstigen voelen zich niet werkelijk vrij, niet gedekt door een moreelen vrijbrief. Het ‘totale’ vreet overal door. Teeken, dat het militaire ophoudt iets uitzonderlijks en afzonderlijks te zijn. Men kan het verachten en vervloeken, maar men kan niet terug naar dien uitzonderingstoestand, waarin de soldaat een pechvogel en een officier een idioot was. Officieren naderen den ‘stand’ van technici, verliezen langzamerhand de cavalerie-onnoozelheid.

Sterkste herinnering aan het uitbreken van den oorlog in 1914 vanmorgen herleefd bij een tochtje langs den dijk naar Ophemert. Daar woonde een visscher, Jeebe genaamd, van wien wij paling moesten meenemen naar Eibergen, toen wij in Tiel logeerden, Juli 1914. Dat heeft dieperen indruk op mij gemaakt dan de mobilisatie zelf; als ik dit huisje weer zie en den naam Jeebe hoor noemen, ruik ik de kindersfeer van 1914 weer. Paling is: spanning en vage angst. Zoo ontstaan de meeste herinneringen, althans bij mij. Muziek.

dinsdag 20 september 2016

Helene Siegfried -- 21 september 1918

• De Zwitserse Helene Siegfried (1886-1918) was aan het eind van de Eerste Wereldoorlog Rode Kruis-zuster in Duitsland, maar overleed al vrij snel aan de Spaanse griep. Fragmenten uit haar dagboek zijn destijds in het Nederlands vertaald.

21 September 1918.
Van morgen vroeg af zal ik in barak I werken, waarvoor ik van het begin af bestemd was. Het spijt mij van mijn eerste soldaten, die al zeer aan mij gehecht zijn, weg te gaan. Maar zoo is het nu eenmaal bij ons. Altijd wisselen. Ik voel weer zoo sterk hoe ik van dit beroep houd. Nu ik zoo goed uitgerust ben is het eenvoudig heerlijk weer te werken en is men eenmaal zelfstandig, dan is het iets heel anders als in het begin. Onder mekaar zijn we zeer vroolijk. We musiceeren en naast ons werk hebben wij ook plezier in het leven. 't Is niet te vergelijken met het ziekenhuisbedrijf. Men voelt zoo goed het onderscheid tusschen oorlogsverpleging en den ernstigen gewone dienst. Ik geniet er dubbel van bij het terugdenken aan vroeger, nu ook nog eens de mooie kant van het beroep mee te maken.

27 September 1918.
Nachtwaak op barak I en II, ieder met 40 man. 's Avonds bij de vorstin voor het souper gevraagd. Zeer interessante avond. Goede nacht met weinig arbeid.

29 September 1918.
[...] Het is hier werkelijk heerlijk. Alleen zusters, die iets kunnen, heelemaal geen hulppersoneel. Het eten is voor de tegenwoordige tijden buitengewoon goed. De vorstin is heel aardig voor mij. Met de hoofdverpleegster kan ik goed overweg, we zijn bijna vriendschappelijk. Wat kan men meer verlangen?

14 October 1918.
Veel werk, geen vrij uur. Pakket van huis. Veel brieven. (Voor mijn verjaardag, morgen den 15den). Alle zusters hebben de griep.

[Den 15den October, haar 23sten geboortedag, was Helene's laatste gezonde levensdag. 't Was nog een dag van onvermengde vreugde, waarop ze, gelukkig door de geschenken en brieven van huis, bedankte. ‘Pas goed op voor de griep mijn geliefd Vadertje,’ voegde ze erbij. ‘Hier heerscht ze heel erg. Mij gaat het nog steeds uitstekend, en ik pas er erg voor op.’
Spoedig daarna deden zich de kenteekenen der ziekte ook bij haar voor. Toch dwong ze zich nog twee dagen lang op den been te blijven, om de van het front aangekomen zwaargewonden te verzorgen. Want uit Berlijn kon men geen hulpkrachten krijgen en de koortsige lazaretzusters waren niet in staat iets te doen.
De derde morgen maakte een dubbelzijdige longontsteking ook aan haar werk een einde. De dokters en de Vorstin Donnersmark deden al het mogelijke om haar te redden. Te vergeefs. Den 25sten October, toen buiten het avondrood in de Marksche dennentoppen vergloeide, gaf zij den geest, hand in hand met haar vader, die haar nog slechts bewusteloos teruggezien had.]

maandag 19 september 2016

George Edward Edmondson -- 20 september 1916

• De Australiër George Edward Edmondson (1892/3-19??) was in 1916 soldaat; hij hield toen een dagboek bij.

18th Sept. 1916 Signalling tests. Cold day. Return of Capt. Campbell to our Battery. Lamp test. Football match between 27th & 25th. Win for 27th, 6 to Nil.

19th Sept. 1916
Very cold day with winds. Brigade of heavy howitzers firing here today. Lectures & buzzer. Did not go out anywhere.

20th Sept. 1916
Cold day. Got C.B. [Confined to barracks] 2 days today for coming late on parade. Hard luck. Signalling & reading. Received letters from Florrie & Millie.

21st Sept. 1916
Signalling & out on Helio. Finished up the C.B. tonight. Wrote letters.

22nd Sept. 1916
Signalling & telephones. Received letter from Wyn also snaps of the Sunday stunt at Winchester. Did not go out but fed horses which arrived today.

23rd Sept. 1916
Signalling in morning. Walked to Amesbury & had a try for photo being taken. Too much of a crush. Met Billie & rest and had tea. Got motorcar back to camp. Received letter & photo from Beattie.

24th Sept. 1916
Sunday today. Had church parade. Afterwards marched passed the General for practice for Wednesday's visit by the King of England. Did early morning, midday, afternoon & night stables today so did not go out. Cleared up for inspection tomorrow.

25th Sept. 1916
Early morning stable, mess orderly. Marching order parade. Lamp parade at night. Did not go out.

26th Sept. 1916
Reveille 5.30. Up & rushed round to get ready for marching order for Bulford. On Mess Orderly. Marched off at 11.30 for Bulford. Part of the Brigade mounted with gun & full equipment. Rest old 27th had to footslog. Anyhow arrived at Bulford very tired. Marched passed General of 3rd Division. Artillery first with Infantry, A.M.C. &c. coming afterwards. Great sight. Fully 40,000 men on review. Arrived back at 7.30 hungry & tired. Had a good tea. Cleaned up & had a shower.

zondag 18 september 2016

Dorothee -- 19 september 1993

Dorothee uit Duitsland was in 1993 veertien jaar oud.

19. September 1993
Lea hat sehr teure Schminke. Sie hat viele stilvolle, wertvolle, teure Sachen. Ich möchte auch wertvolle Sachen haben und nicht immer Billigprodukte. Wenn ich vielleicht im Monat 20 DM Taschengeld bekomme, dann kann ich doch für 15 DM monatlich Schminke, Schmuck und andere Vorzeigegegenstände anschaffen. Das war am Anfang mit dem Kleidergeld genauso. Ich habe immer das Billigste gekauft, was ich finden konnte und jetzt ärgere ich mich, dass die Qualität nicht gut ist.
Ich habe noch keinen ausgeprägten Charakter. Ich weiß schon jetzt, dass ich bald meine Vorsätze vergessen werden habe und mir Billigpuder kaufen werde. Ich möchte so gerne auch bewundert werden. Mein Gott, wie würde Lisa staunen, wenn ich auf einmal Schminke von Margret Astor, Ellen Beatrix, Chicogo oder Marbert hätte. Sie wäre neidisch.

21. September 1993
Mal wieder Sabine! Ihre Eltern erlauben nicht, dass ich mit ihr in den Urlaub fahre. Bei jeder schlechten Zensur machen sie gleich Zoff. Und dann meinen sie, sie wären nett. Sabine selbst ist aber auch total doof geworden. Sie nervt in der Schule ständig, lernt nie, macht nie die Hausaufgaben und wundert sich dann, warum sie 4en und 5en schreibt und will von mir getröstet werden.
Was mich auch nervt ist, dass sie immer so mütterlich tut, als ob sie voll überlegen wäre und ich ihr Baby. Das regt mich total auf. (…) Sie behauptet zwar immer, dass sie so hässlich ist (nerv!), aber in Wirklichkeit findet sie sich wahrscheinlich sehr hübsch. Ich finde, ich habe einen hervorstechenden Schönheitsfehler. Das ist mein Busen. Na schön. Bei jeder möglichen Gelegenheit versucht sie, eine abfallende Bemerkung zu machen. Und wenn ich dann so etwas Ähnliches sage, dann ist sie, wie soll es anders sein, eingeschnappt.
Und dann zähle ich ihre Schönheitsfehler auf: widerliche knotige Hände mit dreckigen und ekelhaft gefeilten Fingernägeln, ein fettes Gesicht, tausend und einen Pickel im Gesicht, gelbe Haut, sie traut sich nicht, ihre Haare zu rasieren, schöne Haare zwar, aber scheiß Frisur und ungepflegt, einen viel zu breiten Mund, einen abscheulichen Geschmack bei Kleidern, Schmuck und Parfüm, dann tut sie immer so als ob sie voll viel lesen würde, liest aber nur Babybücher (…) dann tut sie immer so als könnte sie voll gut Französisch (aussprechen) und naja, jetzt klingelt das Telefon und wenn sie das ist, dann gehe ich zu ihr und erbe ein Wandschränkchen, hole meine Bücher von ihr ab und gucke Pro7 "Straßenflirt". O.K. Manchmal ist sie ja ganz nett, aber dann.

30. Oktober 1993
Ich wollte mir eigentlich abgewöhnen, etwas zu klauen, aber es ist wie eine Sucht. Sabine hat sich "Roma" von Laura Biagiotti "angeguckt" und einen Lippenpflegestift von Oilily. Und natürlich noch mehr. Aber darauf bin ich besonders neidisch, weil ich nicht bei Parfümerie Gabriel einen Oililystift klauen kann, weil ich da im Februar Praktikum mache. Das möchte ich eben nicht. Deshalb habe ich Lisa gefragt, ob sie es irgendwann für mich macht, mit Gegenleistung.

Liz Jones -- 18 september 2010

• De Britse journaliste Liz Jones (1958) heeft een dagboekcolumn in The Daily Mail waarin ze over haar leven als alleenstaande vrouw schrijft.

18 september 2010. In which I date two men in a week.

I have only ever once, in my extremely long life, been involved with two men at once. The first time was in April 2000 when, during one heady weekend, I (and thanks to my friend Michelle for bestowing upon me this immortal phrase) ‘double parked’. Even the words sound quite rude, don’t they? What happened during that weekend was that, on the Friday, I went for dinner with Kevin the Osama Bin Laden lookalike, after which we had sex (I don’t really like having sex after meals. My stomach looks distended and I’d always thought it dangerous. My husband would later tell me sagely, ‘No, Chubby Chubs, you’re confusing sex with swimming.’).

Then, on the Saturday night, I drove to Stoke Newington, in North London, to Rasa, my favourite restaurant in the whole wide world, and had my first date with Nirpal. He was very sweet: attentive (ie, he wasn’t texting other women on his phone), and I seem to remember we split the bill. Anyway, because I was on a bit of a roll, I drove him to my house in Hackney and we had sex. On the first date!

Now I’m double parking again. Not in one weekend, oh dear me no, but in one week, which is pretty miraculous given my romantic track record. After the Norfolk mini break, I saw the Rock Star again, just once. He’d been fishing for an invitation to my farm, given that he has heard (and read) so much about it, but I don’t feel ready for that. I had learnt my lesson from Husband Number One and wanted to keep a tiny smidgen of myself private (please, no hollow laughter).

Also, I didn’t want to introduce the collies, and Mini Kevin, and the Ferals (Smudgealike has a broken leg – God only knows how it happened; playing football? Skiing? – and has to be kept in a cage for six weeks, in plaster; the other cats have all signed it), and Lizzie, and Mummy Sheep, etc etc, to someone new if he’s not going to stick around. I don’t want to confuse them.

So. We met in the bar at Claridge’s. The lovely doorman is getting to know me, and gives me a friendly wink as he gets in my car to valet park it (I know I’m flat broke, but I do love to be valet parked). This was on a Monday, a night of the week I particularly chose because it is the least glamorous night of the week, and most definitely not a date night. The RS didn’t care, though. He kissed the side of my head (I ducked at the last minute in case of paparazzi), and I noticed he was head to toe in beachwear. I quite like that he isn’t intimidated by posh hotel lobbies. We went up to his suite.

‘Ah,’ I said. ‘I’ve been here before.’ It is the loveliest of suites, with a huge terrace. I’d once had tea with the owner of luxury goods label Tod’s here. I told him I wasn’t going to stay the night (not the Tod’s man; I’m not that fond of handbags), mainly because of SAL’s broken leg. ‘You’re kidding me,’ he said. ‘No, I’m not.’ He laughed. This is what I like about him: he takes knock-backs rather well. We had a snogging session on one of the black and white sofas, which I don’t think is actually allowed. And then I got in my sports car and drove the four hours home.

And then, on the Tuesday!

I meet the Man/Boy hybrid. Let me tell you how I prepared for this little assignation. I had a Brazilian, a hair dye, a pedicure, which I haven’t had for three years, an airbrush tan and, um, eyelash extensions. I wore pink patent Prada shoes, and a Dries Van Noten camel ruched jacket over a simple Dries black slip; an outfit I’d road-tested on my husband on a mini break in Morocco many years before but which had had no effect whatsoever (‘Why are you wearing a jacket when it’s boiling?’). I’d booked a lovely room at One Aldwych. I’d chosen this hotel (it’s almost as if I’ve gone mad; please don’t snigger at the word almost) because its lobby is very dark. I look bloody amazing! He turns up. I fancy him like crazy. I know he could be my son but I don’t care. We get in the lift. I double park.

Jeanne Meeter-Endt -- 17 september 1944

• Jeanne Meeter-Endt (1880-1971) was een Nederlandse huisvrouw die ten tijde van de slag om Arnhem een dagboek bijhield.

Oosterbeek, 17 september 1944.
Wat een geluksdag vandaag! Het begin van de bevrijding! Hoe is het mogelijk dat ik dat juist in Oosterbeek meemaak? ’t Ging als volgt toe:
Vanmorgen (Zondag) omstreeks 11 uur cirkelden er eenige vliegtuigen boven ons hoofd, die voortdurend bleven inspecteren. Van alle kanten knetterde ’t Duitsche afweervuur; raketbommen vielen neer en in minder dan geen tijd was ’t een lawaai van geweld. ’t Huis schudde en kraakte, wij vluchtten naar het trapgat, de kinderen doodsangstig en, eerlijk gezegd, wij ook, want van zoo dichtbij hadden wij nog geen oorlogsgeweld meegemaakt. Bovendien was Friso naar de Kochs, pension Waldfriede, gegaan en daar zaten wij over in onrust, want Waltfriede ligt vlabij het station en het zat er vol soldaten; ’t leek wel een fort, gisteren, toen wij er waren ter eere van de Zilveren Bruiloft van de Kochs.
Het bleek al gauw, dat wat we meegemaakt hadden, een Engelsch voorbereidingsbombardement geweest was; eenige bommen waren bij ons in de buurt, in de wei achter het kerkje, terecht gekomen, andere naast de bruggen.
Toen we een beetje van de schrik bekomen waren, kwam er een nieuw schouwspel (Friso was thuisgekomen, heelhuids): een massa Engelsche vliegtuigen kwamen er over de Betuwe aanzetten en gingen in Noordelijke richting; zeker wel duizend! Ze draaiden om Wolfeze heen. Vreemde, grote types waren erbij, waarvan we zagen dat ze door een gewoon type aan een kabel voortgetrokken werden; boven de bosschen van Wolfheze daalden ze langzaam neer: grote zweefvliegtuigen waren het, “gliders”, die massa’s Tommies transporteerden. O, dit heeft wel een uur geduurd, al meer en meer! Kort daarna zagen we grote rookkolommen boven Wolfeze opstijgen en stond alles daar in lichterlaaie. Dit alles vanuit ons huis te zien, omdat we zoo’n vrij uitzicht in die richting hadden. Wat het te beduiden had, wisten we toen nog weinig, maar we voelden dat er iets groots gebeurde, en na de benauwdheid die ons ’s morgens bevangen had, kwam er een gevoel van opluchting, van bevrijding over ons.
Dit merkwaardige schouwspel duurde wel tot een uur of drie. Toen merkten we dat al die moffen die in Oosterbeek lagen ingekwartierd, zich zenuwachtig klaar maakten om met wagens en tanks te vertrekken. Het terrein om Vôute en Brevée heen, stroomde leeg, nadat het eerst nogeens flink beschadigd werd door het aftrekken van takken voor camouflage. Van de politie, buurman Nieboer, hoorden we dat er wel veel brand in Wolfeze en omtrek was, maar dat het de Engelschen gelukt was, het dorp te bezetten en dat ook Ede al bevrijd was. Wat een enthousiasme toen door je heen voer is niet te beschrijven! Je juichte en lachte en holde, ondanks granaatscherven-gevaar, naar diverse buren die nog niets gezien of gehoord hadden doordat ze in de kelder zaten en geen vrij uitzicht hadden, o.a. de Brevée’s. En iedereen werd aangestoken door het enthousiasme en wist van gekheid niet wat je doen of laten moest. Een of andere hooge oome, die op de Tafelberg zat, was ook verdwenen. Alle moffen weg: ’t was een ongekende rust! Maar in de lucht was ’t nog lang niet rustig. Telkens hoorde je bommen vallen, maar afweer was er niet meer: of weggebracht of weggebombardeerd. We hoorden dat Arnhem het ook erg te kwaad had gehad: Café Royal, eenige huizen op de Oude Kraan en op het Nieuwe Plein. De elektriciteit ging niet meer, maar wat deed dát er toe; we waren bevrijd en eerder dan Holland! Wat een beleving!

Een paar uur later
“ Daar zijn ze, daar zijn de Tommies!” werd er buiten geroepen. En waarachtig daar liepen een heele troep Tommies ongehinderd over de Benedendorpsche weg! Wij holden er heen, lieten alles in de steek, ook de aardappelkoek die desnoods maar aan moest branden, en waren half gek van vreugde net als de andere dorpelingen die er samenstroomden. Men schreeuwde hoera, men danste, men juichte, men “shook hands” met de Tommies en men verwelkomde ze met appels, peren, tomaten en jenever. Die jeneverflesch van de kroegbaas ging van mond tot mond en op een gek oogenblik zag ‘k zelfs Ditha er aan lurken. Iedereen had plotseling oranje aan; Rie Chits voorzag ons van strikjes en bloemetjes, Ditha haalde een groote oranje kwast tevoorschijn; Friso stak de vlag van de Chitsen op een schoffel naar buiten, en op een goed oogenblik werd zelfs een vlag uit de kerktoren gestoken! En voortdurend meer Tommies en steeds grooter gejuich! De Brevée’s werden gewaarschuwd en werkelijk verscheen opa dokter ook zelf met zijn grappige gezicht tussen de menigte. Ik holde naar de Schadé’s, die nota bene nog netjes, plichtsgetrouw, aan hun koffietafeltje zaten, en eigenlijk te bang waren om uit hun huis te komen. Ze geloofden ’t niet, dat ’t Benedendorp vol Engelschen zat, maar aangemoedigd door mij, trokken we met z’n vieren gearmd naar de Weg en ook zij werden door ’t enthousiasme aangestoken. Hun hondje moest natuurlijk ook mee en was niet te houden van opwinding. Ampat, de terriër van de Chitsen, keft de Engelschen ook aan één stuk aan, tot hun groot plezier. Sietske en Onno huppelden ook nog tusschen de menigte en riepen “Good bye, good luck!” tegen de Tommies, die “Good bye, sweetheart” terugriepen. ’t Waren zulke goeie, flinke gezichten, groot verschil met die moffenkoppen. ’t Was één onophoudelijke bejubeling, en ’t bleef maar Tommies met kleine tanks en fietsen en karretjes met munitie en houwitsers stroomen, alles naar Arnhem.
We dachten ons al geheel bevrijd, maar och, wat waren we onnoozel. Achteraf beschouwd was ’t heel gevaarlijk wat we deden, want in ’t Benedendorp waren ze al in een strijd gewikkeld, en toen we eenmaal thuis waren om 7 uur en aan tafel zaten, brak de verdediging pas goed los: ontzettend lawaai van geschut en bommen en mitrailleurs en grote explosies. De brug over de Rijn was ’s morgens gesprongen. We vlogen allemaal angstig naar het trapgat, de kinderen huilend, Rie nerveus, en Ampat de eenige die zich van de herrie niets aantrok, en per se de tuin in wilde. Zoo bleef het tot donker aanhouden; gelukkig deed de electriciteit het weer, ook gas en water bleven we houden. De kinderen die doodop van opwinding waren, hebben we toen op matrasjes in de zitkamer te slapen gelegd en Friso ging bij hen zitten. Ditha is naar boven gegaan en ik ben bij de Chitsen gaan zitten, waar we ter kalmeering een spelletje gerummied hebben, waar later ook Friso, die eigenlijk wat koortsig en asthmatisch was, aan deelnam. Onze vlag was allang binnengehaald en we merkten eigenlijk nú pas, hoe hachelijk de heele toestand was. Een vreemd contrast: ’t Benedendorp een vrijheidsfeest en ’t Bovendorp in oorlog!

donderdag 15 september 2016

Coenraad Ruysch -- 16 september 1676

• Coenraad Ruysch (1650-1731) begaf zich in 1674 samen met zijn neef Dirck van Hoogeveen op een grand tour van drie jaar. Hij hield van die reis een dagboek bij: Journaal van een reis naar Genève, Italië en Frankrijk [Transcriptie en editie: Alan Moss]. Het onderstaande fragment gaat over het traject Grenoble-Marseille.


Dijnsdach den 15en vertrock ick des morgens omtrent ten 8 ueren, mijn afsceyt van mijn geselscap aen de scuyt nemende, die met de post op eselties [ezeltjes] wederom naer Lions keerde. Ick hadt wel meer van diergelyke post in Vranckryck hooren spreeken, maer hebbe noijt geweeten dat de selve hier was. Men seyde mij dat sij soo wel [goed] loopen als paerden. Des middachs leyde ick nergens aen geduerende mijn reys, neemende mijn eeten als des morgens mede uijt de herreberch daer des nachts gelogeert hadt. Des avonts meynden ick te Valence te arriveeren, doch den contrarie wint [tegenwind], die ons eens obligeerde [dwong] met een groote buij een uer lanch onderwegeaen landt te leggen, was oorsaeck dat ick het niet verder als Tournon kost brengen, t' welck een kleijn nessie [gat] van eenstedeken is. De jesuiten hebben hier een scoon collegie en bibliotheeck, doch t' was te laet om die gaen sien.

Woensdach den 16en arriveerden ick des morgens omtrent ten 8 ueren te Valence. Ick stapten eens uijt, maer vondt dit mede al een miserabel plaetsken, naer t' welke door gewandelt te hebbeick mijn reys vervorderde en ginch te Viviers slaepen, een miserabel nesie van een stetie [stadje] leggende omtrent een musket scoot het landt in. Ick vondt in mijn herreberch een Parisien [Parijzenaar] dat een seer beleeft man was en die mij met gewelt syn kamer wilde cederen [afstaan] om dat die wat beter als de mijne was.

Donderdach den 17en arriveerden ick omtrent 7 ueren aen de Pont St. Esprit. Ick liet mij uyt setten om de selve niet te passeren, t' welck ick even wel periculeus [gevaarlijk] niet oordeelde als wel gesecht werdt. Dit is een brugge die over de Rosne [Rôhne] lecht, maekende de communicatie [verbinding] van een kleyn stedeken dat aen de eene sijde lecht met het landt van de andere. Dese brugge is een van de heerlyckste gebouwen die ick oyt gesien hebbe en aldaer van de Romeynen gelecht. De selve heeft omtrent in de lenchte duysent en dertich passen volgens het seggen van Golnits en is soo breedt dat bequamelyck [met gemak] daer twee waegens den anderenkunnen wijken. Ick contenteerde mij met op de selve te gaen sonder die heel te passeeren, vermits het regenachtich weer. De selve is met vierkante blauwe steenen,soogroot als de palm van een handt, admirabel net en gelyk gestraet en gelykent veel eer mosaike als een wech voor karren en paerden. De selve brugge heeft 19 grootebogen en vijf kleijne, die op t' landt leggen en den opganch van de brugge maeken. Wat de verdere particulariteyten [bijzonderheden] aengaet, referere ick mij aen mijn reisiger Golnits.
[...]

woensdag 14 september 2016

Nescio -- 15 september 1953

Nescio (J.H.F. Grönloh, 1882-1961) was een Nederlandse schrijver. In zijn Natuurdagboek (1946-1955) deed hij verslag van onder meer zijn wandelingen.

15 September Dinsdagochtend. Weer hetzelfde kristallijne weer. Met de bus van 9 uur 12 naar Loenersloot (zeer vol). De zon op de Keulsche vaart. Baambrugge over de weiden (het torentje!). De wouden en weilanden van Loenersloot en Loenen. Op het terrasje in Loenersloot. Gekeken naar twee verre groepen boomen wier toppen samenkwamen, over de weiden naar Vreeland toe, en waartusschen koeien stonden, kleintjes. De boomen aan het oue weggetje naar Vreeland. De ietwat in de zon waaiende boomen aan de groote weg. De in de zon schitterende zilverige auto’s. De bocht om naar Loenersloot. Waarheen?

Om ½ 11 bus naar Loenen. Het aanrijden op dorp en toren. Het Grutterstraatje dat verderop Brugstraat heet, heelemaal in de gouden zon met aan het eind het smalle wipbruggetje. Geen mensch op straat. Op het hoekje één sigaar gekocht van 22 cent (‘Extase’, goed). Over het bruggetje tot het driesprongetje waar het A.N.W.B. bord staat (‘Den Oever, gemeente Loenen’). Noordwaarts gekeken waar de boombladen en een stilstaande auto schitterden in de zon. Het gebouwtje uit 1603 op den hoek van de Grutterstraat. Om toren en kerk geloopen en op een steen zitten rooken tot de bus kwam. Overal zon en wei en wilgen. Het kasteel en weer Baambrugge over de weiden en Vinkeveen in de verte. Rechts, later, Nederhorst den Berg wazig. De molen en het laantje. Het straatje in Abcou met zon en schaduw. Ouerkerk klein maar duidelijk. Het ziekenhuisje van Lechner. Door het Oosterpark naar huis geloopen, twee reigers aan den kant van den vijver (nooit eer gezien in het park.)
Half één thuis.
Schitterende ochtend.

dinsdag 13 september 2016

Adriaan Morriën -- 14 september 1986

Adriaan Morriën (1912-2002) was een Nederlandse schrijver. In Plantage Muidergracht zijn ook dagboeknotities van hem opgenomen.
In 1986 maakte hij een vakantiereis naar Portugal. Hieronder het verslag van de derde dag. Dag een - dag twee.

(Zondag, 14 september) Overnacht in Lemmet, halverwege Bordeaux en Bayonne, in het hotelletje van madame Bardot, een vriendelijke landelijke dame. Het hotelletje heeft een zwembad dat nu leeg staat, al met een paar afgevallen bladeren erin. Alles ziet er verlaten uit, het seizoen is voorbij. Ik voel stemmingen van verlatenheid niet zozeer in mijn hart als wel in mijn longen. Vanaf Tours tot Bordeaux reden wij over de tolweg die wij praktisch voor ons alleen hadden. Janneke vond het landschap saai, mij beviel het door zijn ruimte: het vergrootte mijn zelfbesef door het in zich op te nemen. Nadat het vrijdag en gisteren had geregend, klaarde het voorbij Tours op. De temperatuur steeg aanzienlijk. Wij zijn een klein uur in Bordeaux geweest, een rommelige uiteengereten stad met opluchtende bruggen over de Garonne en de Gironde. Moe en bezweet, na ruim zevenhonderd kilometer, moesten wij de stad wel in, omdat ons Franse geld bijna op was. Ik bedacht datje op zaterdag waarschijnlijk nog alleen in het station cheques zou kunnen wisselen en na enige moeite slaagden wij erin de Gare Saint Jean te vinden. Verdomd, onder de grond zat een jonge bleke godin van het Thomas Cook Concern.
Wij zien weinig vogels, zelfs geen mussen. Op de snelweg zag ik, met een blij gevoel van herkenning, drie zwaluwen door de lucht buitelen en ook bij madame Bardot zong vanochtend in de vroegte een vogeltje, heel even maar. Daarvoor slaapje dan op het platteland, dacht ik. Gisteravond aten wij een Magret de canard au miel, die ik ervan verdacht tam te zijn geweest en misschien wel het lievelingsdier van een Frans kind. Wij dronken een hele fles wijn uit de Pyreneeën, om de nabijheid van Spanje alvast te proeven, en werden bediend door het eerste mooi-ige mens dat wij in Frankrijk tot nu toe hebben waargenomen, een bruinogig blank meisje, tussen achttien en vierentwintig, naar schatting, maar met het stemgeluid van een veertienjarige. Onder het serveren keek zij heel ernstig, maar een enkele keer glimlachte zij allerliefst. Wat knapt de wereld van zo'n glimlach op!
Frankrijk is wel echt het land van het bidet, een heel bevredigende instelling waarvan je je afvraagt waarom wij die niet hebben overgenomen. Misschien alleen niet omdat onze Calvinistische voorvaderen zulke smeerpoetsen waren, wier nakomelingen zich pas in onze eeuw, en dan nog weer pas na de Tweede Wereldoorlog, van top tot teen hebben leren wassen. Het is waar dat het Franse volk dagelijks met zijn vingers in zijn gat grijpt, tast, wroet en woelt. Om zich op de ouderdom voor te bereiden?

maandag 12 september 2016

Luuk Gruwez -- 13 september 1997

• Luuk Gruwez (1953) is een Vlaamse schrijver. In Het land van de wangen kijkt hij terug op episodes uit zijn leven. Het hart van het boek vormen de dagboeknotities die hij enige jaren bijhield naar aanleiding van zijn bezoeken aan zijn steeds verder aftakelende grootouders.

Deerlijk, vrijdag 12 september 1997
Vanmiddag maak ik in de Fondation Jacques Brel in Brussel een tentoonstelling mee die een getrouwe weergave wil zijn van een concertavond met de zanger in een willekeurig Noord-Frans stadje. Te dien behoeve is ook een stationsbuffet gereconstrueerd waarin zich een jukebox uit de jaren zestig bevindt. Ik druk ‘Les Vieux’ in. Daarna spoed ik mij naar Deerlijk. Bij mijn aankomst ligt Liesje in een diepe slaap; zij ziet erg bleek. Al meer dan twintig uur is zij niet meer wakker geworden. De voorbije nacht heeft zij voortdurend liggen kreunen: mogelijk een nachtmerrie. Knor heeft dat als pijn geïnterpreteerd en er tegen één uur ’s nachts de dokter bij geroepen. Die heeft haar platgespoten.
Nu ligt zij zo zalig te slapen als ik dat haar nog nooit heb zien doen. Maar Knor is er niet gerust op, schreeuwt om de vijf minuten: ‘Marraine, marraine, marraine.’ Zij geeft geen krimp.
Vanavond blijft zij maar slapen. Het ziet ernaar uit dat zij zomaar, zonder het minste vermoeden, één dag uit haar leven heeft overgeslagen.

Deerlijk, 13 september 1997
Knor is van de week, midden in de nacht, uit zijn bed gevallen, toen hij naar het urinaal achter zijn hoofdkussen reikte. Vervolgens is hij op de grond blijven liggen tot hij ’s ochtends door de huishoudster van dienst werd gevonden. Maar de voorbije nacht is wel erg bewogen geweest. Tot drie keer toe moest ik het bed uit.
De eerste keer schreeuwde hij mij eruit omdat hij niet meer wist of hij zijn slaappil wel had ingenomen. De tweede keer, omstreeks twaalven, kreeg hij last van buikpijn. Kon niet kakken en niet plassen. Ik moest over zijn pens wrijven. En inderdaad: het leek of die op het punt stond te exploderen. Daarna, om half twee, moet hij mij nog eens geroepen hebben, maar ik was te diep in slaap om iets te horen.
Derhalve seinde hij de buurman op, die met een duplicaatsleutel het huis binnendrong, de dokter optrommelde, vervolgens aan het voeteneind van mijn bed postvatte en mij wakker riep.
Een halfuur later. De dokter komt eraan. Knor heeft inmiddels twee verdacht zwarte drollen in het mobiele wc’tje gedeponeerd. Er hangt stront aan zijn beddengoed en aan zijn pyjama. Rectale ploeteraar, denk ik, Céline indachtig. Hij kan nog altijd niet plassen. De dokter legt een sonde aan, nadat hij een vergroting van de prostaatklier en een blaasinfectie heeft vastgesteld. Ik hoor mijn opa kreunen terwijl de sonde zich een weg door zijn prostaat boort. Al die tijd ís mijn opa zijn prostaat. Maar dan de opluchting: twee liter urine worden afgetapt. Mijn opa is weer mijn opa.
Het is twee uur in de nacht en uitgerekend nu wordt Liesje eindelijk wakker. Zij heeft een gezonde blos, kijkt me met grote ogen aan – precies verliefd – en drinkt gulzig van het bekertje water dat ik haar geef.
Wanneer ik weer ga slapen, beantwoorden zowel Knor als zij aan de eisen die aan hoogbejaarden worden gesteld: zij zien eruit alsof zij niet geschapen zijn om vergeten te worden. ’s Ochtends betreed ik de badkamer en het eerste wat ik vaststel: de zeep is op. De zeep is op! Maar die twee: neen, die nog niet. Nogmaals: zij leven, zij hebben gewonnen. Ik leg mijn pen neer.

Knor heeft naar alle waarschijnlijkheid prostaatkanker, al ga je daar op zo’n hoge leeftijd niet meteen van dood. Vlak voor ik vandaag vertrek, zucht hij: ‘Luuk, ge gaat mij toch niet in de steek laten, zeker?’ Ik, sec: ‘Ik woon in Hasselt.’
Hij staat uit zijn stoel op en met zijn looprek begeeft hij zich richting tafel. ‘Waar gaat ge naartoe?’ vraag ik. ‘Naar ’t kerkhof,’ zegt hij, ‘naar ’t kerkhof, godverdomme.’

zondag 11 september 2016

Kristien Hemmerechts -- 12 september 2001

Kristien Hemmerechts (1955) is een Belgische schrijfster. In Een jaar als (g)een ander publiceerde ze een dagboek dat ze bijhield tussen 5 februari 2001 en 15 februari 2002.

12/9
'Freedom has been attacked;
Freedom must be defended.'
(George W.Bush)

Ian McEwan in The Guardian: 'These were the kind of events that Hollywood had been imagining these past decades in the worst of movies. But American reality always outstrips the imagination.' Of anders gezegd: we hadden het allemaal al in slechte films gezien, maar in Amerika is de werkelijkheid altijd sterker dan fictie. En Simon Reeve over de terroristen Ramzi Yousef en Osama bin Laden: 'They want nothing less than the overthrow of the west, and since that's not going to happen, they just want to punish - the more casualties the better.' Bin Laden zou hebben gezegd: 'If Russia can be destroyed, the United States can also be beheaded. They are like little mice.'

Een Amerikaanse security chief zat zich op te winden over hoe die vliegtuigen ooit hadden kunnen worden gekaapt. 'I thought we had dealt with that.' Zo'n veelzeggend zinnetje: there is a problem and we deal with it. That's what problems are for, to deal with. O blind arrogance!

(In The Guardian van gisteren een heel wat frivoler onderwerp: de medische wereld zou naj aren van intensief onderzoek hebben besloten dat de G-plek tot het rijk der stadslegenden, mythen en fabeltjes behoort. Zelfs bij vrouwen die zweren in het bezit van zo'n wonderlijk plekje te zijn. 'Many people will be relieved to hear that something they couldn't quite put their finger on was never there in the first place.' En ook: 'For now, anyway, the G-spot is history. It only remains for scientists to disprove the existence of the clitoris and the penis, and we can all stop fretting and go back to working in the garden - the real British G-spot.)

'It's a war against civilization.' (Colin Powell)
No, Mr. Powell, it's a war about definitions of civilization, about people's right to define what civilization amounts to. Your civilization against theirs. Maar voor hen is het eenvoudig: US = freedom = civilization = democracy, en daar valt geen speld tussen te krijgen. God heeft het zelf gezegd. De rest van de wereld is klootjesvolk, zeker de Arabieren.

En wanneer de bommen op Afghanistan vallen, laten we dan niet vergeten dat de VS de Taliban hebben vetgemest want zij vochten tegen de USSR, het communistische gevaar, net zoals de VS ook Saddam Hoessein hebben vetgemest want hij trok ten strijde tegen Iran.

Goddank in de Wandelgangen Koen Raes die het discours van de Amerikanen aanklaagt en voor een Marshallplan voor de derde wereld pleit 'opdat er eindelijk eens een positief signaal uit het westen zou komen'. Voor hem is het geen aanslag op de democratie maar wel op de vrijemarkteconomie. I love this man.

13/9
Zoals men nu over de Vietnam-oorlog zegt dat de aanwezigheid van televisiecamera's voor het verloop en de perceptie ervan bepalend is geweest, zal men later over de aanslagen op New York en Washington zeggen dat mobiele telefoons een sleutelrol hebben gespeeld. Nu nog zou een man vanuit een ondergrondse shopping mail met zijn mobiele bellen. Dat lijkt me een broodje-aapverhaal, maar heel veel geliefden van mensen in die torens hebben op het allerlaatste moment een berichtje gekregen. 'We're all dying, here.'-'We're being evacuated.'
Daarnet op de World Service interviewtje met een vrouw die zo'n telefoontje van haar vriend had gekregen en nu angstig op nieuws van hem wacht. Kans gering dat hij nog levend uit het puin wordt gehaald, ma ar er is wel iemand gered die zich op de tweeëntachtigste verdieping bevond; heeft naar het schijnt zelfs nauwelijks verwondingen. Het vreselijke is dat als straks Afghanistan wordt gebombardeerd, ook daar onschuldige slachtoffers zullen vallen.
En zo houdt het nooit op.
[...]

Kristien Hemmerechts -- 11 september 2001

Kristien Hemmerechts (1955) is een Belgische schrijfster. In Een jaar als (g)een ander publiceerde ze een dagboek dat ze bijhield tussen 5 februari 2001 en 15 februari 2002.

11/9.
D. gisteren laat aan de telefoon. Over dat hij af en toe zin heeft om eruit te stappen. Maar dat heb ik ook, zei ik. Volgens mij is het volstrekt normaal. Meer zelfs: misschien is het abnormaal om niet door zelfmoordverlangens te worden gekweld.

Brief nav mijn tekst overig La vie sexuelle de Catherine M in VN: 'Ik vind uw woorden en die van Millet een ziekelijke aberratie.' En: 'Onlangs hoorde ik nog een Vlaamse prof in de Engelse taal en letterkunde zeggen dat u behoorlijk aan het afzakken was.' En: 'U sleurt uw naam (die vroeger goed klonk) steeds dieper door het slijk.'
En op het rectoraat van de KUB is een envelop binnengekomen (zonder vermelding van afzender, moedig en dapper als de mensen zijn) met het interview en daarop met de hand geschreven de vraag:'Hoe kunt u haar aan uw universiteit laten doceren?'Het rectoraat stopt dit 'schrijven' dan zonder een woord commentaar in een estafette-envelop en legt het in mijn vakje. Zijn ze het ermee eens of zijn ze het er niet mee eens? Of willen ze er gewoon niets mee te maken hebben?
Die eerste man beweert ook dat hij me ooit heeft zien voorlezen in een jurk die volkomen doorschijnend was. Man met rijke fantasie, voorwaar.

Voor het eerst in mijn leven in een roman (Meisje niemand van Tomek Tryzna) iets gelezen over iemand die zich gedraagt zoals Veerle vroeger tegen me deed, nu eens uiterst aanhankelijk en afhankelijk ('streel me, knuffel me, red me'), dan agressief alsof de baarlijke duivel in haar was gevaren.

Apocalyps in New York en Washington. Oeverloos geleuter en gespeculeer op elke radio - en televisiezender, terwijl er eigenlijk geen nieuws is tenzij het verschrikkelijke feit van de aanslagen zelf. And that's very very bad news.

Victor Klemperer -- 10 september 1949

Victor Klemperer (1881-1960) was een Duitse taalkundige en schrijver. Zijn dagboeken zijn ook in het Nederlands vertaald.

Zaterdag 10 september 1949 's avonds
[...] 's Ochtends kon ik niets anders doen dan de rede voor vanmiddag voorbereiden. Combinatie natuurlijk van wat al 1000 x is gezegd, intellectuele leegloop en toch vermoeiend. Ik moest over het kamp spreken, over de taak van de vrouw, over de politieke situatie. Ik vergeleek de Hel van Dante en die van het kamp, de straf bij Dante, de straffeloosheid in West-Duitsland. [...] De vrouwen zouden aan politiek moeten doen, zei ik, om hun kinderen echt te kunnen opvoeden. Etc .... Eva reed met me mee. We hadden een snelle auto, Ko km. In de schouwburg van Bernburg voelde ik me al bijna thuis. Alleen hing voor de intendantenloge een het uitzicht versperrende DFD-vlag. [...] Om 20 u. terug.
Thuis vond ik de bewijsexemplaren van de 2e druk van mijn m Zónder het Sionhoofdstuk. Ex ossibus ultor* - ex tertia editione.**
Morgen had E. met een eredelegatie van de gss in Ravensbrück moeten zijn. Ik was bezorgd om haar en ben haast blij dat de tocht vanuit Halle werd afgezegd. [...]


* Volledig: Exoriare aliquis nostris ex ossibus ultor. Uit Aeneus van Vergilius. Betekenis: 'Moge eens een wreker opstaan uit mijn gebeenten'.
** 'Uit de derde editie.'

donderdag 8 september 2016

Elizabeth Drinker -- 9 september 1798

Elizabeth Sandwith Drinker (1735-1807) was een Amerikaanse huisvrouw. Ze hield een groot deel van haar leven een dagboek bij.

Sept. 9. First day. This forenoon I was let blood by Jacob Smith, who lives when at home, in Chestnut street, opposite to Dr Kuhn. He recommended him to me, aud I think him an expert hand at ye business. He opened a vein that had never before been opened. My veins are small, and the largest lays over an artery, which makes it difficult for me to be bled, tho' I have been bled may be, 50 times in my life, or near to it.

Sept. 10. After breakfast packed up, and prepared to set off. Bid farewell to our old Roomlady Bensel. We left Germantown between 9 and 10 o'clock, my husband, William, Sall Dawson and myself, with trunks, boxes &c., pretty well loaded. Arrived between 12 and one, at Kimble's tavern, a little beyond the 13th milestone on the Bristol road, where I am now scribbling, and where we propose dining. John Fenno, printer said to be dead; I am sorry to hear it.
Met our son Henry at Bristol—and our maid Sarah came ashore a few minutes after from Burlington. Arrived at North bank about 5 o'clock—a transition from noise, hurry and bustle to a calm retreat, where my giddy head may perhaps get a little better. William says, it seems as tho' he had got out of Purgatory into Paradise.

Cornelis Rijnsdorp -- 8 september 1940

Cornelis Rijnsdorp (1894-1982) was een Nederlands schrijver en recensent. Van 1940 t/m 1950 hield hij een 'literair dagboek' bij.

8 september 1940
Ik herinner me ergens eens te hebben gelezen, dat onze dromen nooit gekleurd zijn, maar zich altijd afspelen in zwarte, witte of grijze tinten. Dit stemt niet met mijn ervaring van dromen overeen. Bij mij speelt juist altijd een of andere kleurwerking een belangrijke rol. Niet het hele droombeeld is gekleurd, dat herinner ik mij althans niet, maar wel een deel ervan. Die opgaande zon onlangs was bleek-paars. Gisterennacht droomde ik van een vrij grote, maar niet hoog-gezolderde ruimte, half winkel, half werkplaats. De eigenaar, een soort drogist of verfhandelaar, zag ik minder duidelijk. Het was een man van achter in de vijftig; in het begin van de droom had hij, meen ik, geen baard; later wel. Duidelijker zag ik zijn vriend, een kunstschilder, ook een man van achter in de vijftig, die ik later van opzij heel duidelijk zag met zijn korte, volle, een beetje kroezende zwarte baard. Nu ik wakker ben zou ik aan Paul Cézanne denken. De schilder was, wat dieper in die werkplaats, bezig dood op zijn gemak een beschilderd doek, dat op een ezel stond, schoon te maken. In mijn droom zag ik het doek schuin van opzij. Er was ergens een partij van dikke, korrelige verf, grijs, goud, wit en andere tinten door elkaar vertonend, waarin de schilder een poos bleef kijken, alsof er diepte in was. De andere man ging intussen blijkbaar zijn gang. Er werden bijna geen woorden tussen die twee gewisseld; blijkbaar een superieure vriendschapsverhouding, verborgen achter schaarse, brommerige conversatie. Twee oude mannen, volmaakt rustig en tevreden in elkaars tegenwoordigheid. Later zag ik, dat de schilderij een menselijke figuur voorstelde, groot en ten voeten uit geschilderd tegen een landschap als achtergrond. Die figuur, een man van ongeveer dertig jaar, met lokken en een korte dunne baard, zou Johannes de Doper, of Jezus als mens kunnen voorstellen. Ik herinner me de ellebogen en iets van kledingstof daarbij afhangend. De figuur stond een klein beetje met de benen uit elkaar, alsof hij van het schilderij af iets naar de verte wilde roepen of dat roepen in zijn houding wilde uitdrukken.
Later zag ik het weer schuin en de schilder, met een opgevouwen doekje in de hand, volmaakt rustig en op zijn gemak bezig met het schoonmaken. Zelf zat ik rechts apart, achter een breed soort tafel op schragen, of een lessenaar, en ik zag mezelf zo zitten, met een gladgeschoren gezicht, breed van boven en smal bij de kin, in een tamelijk heldere belichting, misschien ontstaan doordat er een glasplaat op de tafel voor mij lag.
Later probeerde ik die mannen duidelijk te maken, dat dit ook mijn thuis was en dat ik aanspraak erop kon maken mij hier te bewegen en tussen hen te verkeren. Hun duidelijke onwil kon ik niet aanvaarden en ik voelde wel dat ze in de grond me niet verwierpen, maar - zoals ik dat achteraf construeer - ze waren te oud geworden en in hun kostbare, zwijgende en brommerige vriendschap te zeer vergroeid, dan dat ze nog aan nieuwe relaties konden denken. Ik voelde mij als afgesneden van de bron van het leven, alsof men mij het recht betwistte (ontkende is beter) in en bij het mijne te leven. Ik herinner me dat ik zei schrijver te zijn, een argument dat mij voorkwam afdoende te wezen, maar dat op hen niet voldoende indruk maakte.

De ideale omstandigheden waaronder ik zou willen schrijven, die mij dus als een maximum voorkomen, zijn, vanuit de eisen van goede schrijfkunst gezien, een minimum: een zo juist door slaap of rust verfrist lichaam, een schoongewassen en bij de kin geschoren huid, een lichaam zonder afleidende of onrustig makende behoeften, schone kleren, een stemming zonder bitterheid, onrustigheid of zoiets en dan een betrekkelijke stilte in de omgeving. Dit alles als ik ga beginnen. Ben ik er eenmaal ‘in’, dan komt er niets meer op aan.

[ De lectuur van Ortega is me niet meegevallen. Leest men een poos van die cultuurbeschouwingen achter elkaar, zoals van Nietzsche, Huizinga, Ter Braak of Ortega y Gasset, dan krijgt men een gevoel van tegenzin. Men zou de tijd als een nieuwe bezettende macht kunnen zien, de cultuurhistorisch belezen intellectueel als iemand, die vóór de bezetting een rol speelde in het politieke of publieke leven en die nu probeert zich tegen de tijd te handhaven, ja erboven te blijven. In al die beschouwingen voelt men de pogingen van het door wetenschap gescherpt en gevoed verstand om zich tegen het leven te verweren en 't de baas te blijven. Cultuurhistorische beschouwers zijn leerling-zweefvliegers, die vergeten dat ze landen moeten of hoe ze landen moeten. Op nog meer afstand gezien zijn hun beschouwingen dorre blaren, die door de grondwinden opgeworpen worden en er korte of langer tijd op blijven ronddrijven. Zelfs de christen-denkers, zoals Augustinus en Pascal, zijn van dat element dat zo menselijk is, niet helemaal vrij. Maar zij hebben het althans over ‘uitkomsten tegen de dood’. De anderen loven het leven en verzwijgen de dood, treden die althans nooit met open vizier tegemoet.
Wanneer een wijsgeer al te glad en vloeiend wil gaan schrijven, ziet men pas goed hoe naakt en armelijk de grond van zijn geesteshouding is. Waarom worden die socratische of platonische gesprekken altijd in een idyllische omgeving gevoerd en niet bijvoorbeeld bij een mijnschacht na een ramp, op een slagveld of tijdens een bombardement? Al was het maar tijdens een bevalling. Vervalst de gedekte tafel of de mooie entourage niet onmerkbaar het denken en spreken?

De door mij in dit aantekenboek gevolgde methode, de gedachten niet tot hun laatste mogelijkheden aan te scherpen, doch ze min of meer onbekommerd op te schrijven, heeft zijn nadelen, maar brengt ook winst mee. Overigens is een element van teleurstelling aan elk opschrijven verbonden.

Stel nu dat ik van die droom over die twee oude vrienden een novelle maakte, dan zou de dagdroom die ik aan de nachtdroom zou ontspinnen, iets geheel anders zijn, afgezien nog van de noodzakelijkheid van een dramatische gebeurtenis, waar een droom zich in het geheel niet om bekommert. De vraag blijft hoe men aan het gegeven van zulk een droom komt. Herinnering aan lectuur over Cézanne speelt ongetwijfeld een rol. Vermoedelijk ben ik èn de drogist-verf-handelaar èn de oude schilder èn de schrijver op de achtergrond. De drogist is de dagelijkse mens die zijn brood verdient; de schilder is bepaald een zelfconceptie; op mijn gemak, vrij van zorgen, restaureer ik mijn geheugen en helder een beeld op van een mens. Ondanks de min of meer ideale vermomming kan die geschilderde figuur wel iets met mijn religieus-esthetische ‘zelf’ te maken hebben, laat ik in conferentietaal zeggen de ‘christen-kunstenaar’, die ik graag zou zijn en dus enigermate moet zijn. Maar dan blijft de verhouding tot de figuur op de achtergrond, die ik in de droom met mezelf vereenzelvigde, onverklaard, zoals trouwens de hele droom, die ik nu verder maar laat voor wat hij is.
De uitlegging die ik hierboven heb geprobeerd, herinnert me overigens wat ik eens van Wilhelm II heb gelezen, die bij elke gelegenheid het middelpunt wilde vormen: bij een kerkdienst wilde hij de predikant, bij een trouwerij de bruidegom en bij een begrafenis het lijk zijn.

dinsdag 6 september 2016

Riverbend -- 7 september 2003

Riverbend is de schuilnaam van een Irakese blogster die van 2003-2007 verslag deed van de toestand in Bagdad en Irak. Het blog staat nog steeds online. De inhoud werd gepubliceerd als boek, dat in het Nederlands werd vertaald als Bagdad onder vuur.

Zondag, 7 september 2003
lk hoorde net interessant nieuws. Blijkbaar werden er toen Rumsfelds vliegtuig Bagdad Airport verliet om hem naar Koeweit te brengen projectielen op zijn vliegtuig afgevuurd; ze misten. Ik hoop er meer over te horen, maar dit moest ik even kwijt.
De marionettenmeester had een ontmoeting met Bremer en zijn marionetten, maar het beeld was niet compleet: Bush was er niet bij.
Ik vond Donald Rumsfelds nieuwste commentaar op Irak fantastisch: 'Het is net Chicago.'
Wauw, die man is geestig.
Weet je wat? Ik ben het met hem eens. Hij maakte alleen de verklaring niet af. Wat hij eigenlijk had moeten zeggen was: 'Het is net Chicago in de jaren twintig toen Al Capone er heerste: bendes, milities, gevechten, plunderingen, vendetta's, dubieuze handeltjes en schimmige figuren in donkere hoekjes.'
Maar in plaats van Al Capone hebben wij Al-Jaffari, Al-Chalabi, Al-Hakim en L. Paul Bremer.
Vandaag werden Amerikaanse troepen enkele malen aangevallen. Het opmerkelijkst waren de aanvallen in Baquba en Mosul, en een paar uur geleden waren er twee in Bagdad. Die van Bagdad waren niet op de televisie, maar we hoorden een doffe explosie en een van de buren vertelde aan E. over een pantservoertuig dat in brand stond.

Gepost door river @ 3.33 uur

maandag 5 september 2016

Marga Klompé -- 6 september 1948

Marga Klompé (1912-1986) was een Nederlandse politica, en in 1956 de eerste vrouwelijke minister van Nederland. Na haar aantreden als kamerlid in 1948 hield ze een jaar lang een dagboek bij, dat is verschenen onder de titel In liefde en rechtvaardigheid.

Maandag 6 september
Inhuldiging koningin Juliana.
Een onvergetelijke dag. Vol kleur en ernst en vrolijkheid. Eerst de plechtigheid in de kerk. Zeer persoonlijke speech van Juliana. Na de plechtigheid liepen wij uit de Pergola en hoorden de nieuwe koningin op het balkon. Lunch met de fractie. Beel als tafelheer. Prettig gesprek. Beel is een fijne vent. Een. kleurrijke rijtoer in de gouden koets. Rustig thee gedronken bij de kroegen. 's Avonds diner op paleis. Fantastisch. Kennisgemaakt met veel nieuwe menschen. Prachtige rozengarnering, waardoor helaas vorstelijke personen niet kunnen zien. Na afloop stadion. Imposant.

zondag 4 september 2016

Kees Kokke -- 5 september 1944

Kees Kokke (1915-1985) was in de oorlog gemeentearchivaris van Venlo. Hij hield in die jaren een dagboek bij.

Dinsdag 5 september 1944 (Dolle Dinsdag)
Gedurende het grootste deel van de nacht en de gehele morgen nog sterke doortocht van gemotoriseerde troepen (rupsvrachtauto’s, pantserwagens en tanks), waarschijnlijk een gemotoriseerde divisie. De wagens zijn afgedekt met groene takken en twijgen, of op andere wijze gecamoufleerd, om ze te onttrekken aan het spiedend oog van de Engelse jagertjes, die af en toe over de colonnes vliegen en vooral op de grote wegen buiten de steden de voorbijtrekkende troepen mitrailleren. De Duitse soldaten zijn zenuwachtig en down.
Het bombardement van het vliegveld is blijkbaar zo doeltreffend geweest, dat er, althans in deze paniekomstandigheden, geen herstellen meer aan is. Het veld is gewoon doorploegd. De Duitsers hebben derhalve besloten om het vliegveld op te geven en de nog bruikbare installaties te verwoesten of onklaar te maken. Vannacht zijn er nog 18 jagertjes in westelijke richting opgestegen vanaf de enige nog bruikbare startbaan, terwijl vanmorgen de laatste vliegtuigen het vliegveld verlieten.
Tegen 9 uur waren verschillende ontploffingen hoorbaar, terwijl in de verte rookwolken te zien waren.
Er hebben vanzelfsprekend geen vorderingen meer voor het vliegveld plaats gehad, doch de meeste mannen weten dit nog niet en blijven maar binnen, om geen gevaar te lopen opgepikt te worden.
Bijna het gehele bedrijf en openbare leven ligt stil. Fabrieken, werkplaatsen en kantoren zijn gesloten. Het gemeentepersoneel is thuis gebleven. Alleen de burgemeester en een aantal ambtenaren is op het stadhuis aanwezig.

21.00 uur
De berichten over de val van Breda zijn bevestigd. De geallieerde troepen zouden oprukken in de richting van Holland. Elkeen is nog steeds in afwachting van een spoedige bevrijding.
Deze dag werd nog geheel en al beheerst door het terugtrekken van de Duitse troepen. Er is echter weer volledige orde.
Van de N.S.B.-ers bemerkt men weinig. De kringleider van de N.S.B. van Venlo, C. Hermans, is gisteren vertrokken. Wethouder Kuypers (N.S.B.-er) heeft het portret van Mussert, dat op zijn kamer hing, kapot geslagen. De scherven liggen in de torenkamer van de raadzaal. Daaronder de twee over elkaar gevouwen handen van Mussert. De commissaris der provincie Limburg, M. graaf de Marchant et d’Ansembourg (N.S.B.-er) kwam heden om 5 uur op het raadhuis. Hij had in Duitsland vertoefd wegens hartziekte en trachtte nu een auto te krijgen om naar Maastricht te gaan. De Beauftragte dr. Schmidt, is nu in Kerkrade.
Veel huizen van N.S.B.-ers , Rijksduitsers en Wehrmachtinstanties staan op het ogenblik leeg en worden door het Venlose gepeupel geplunderd. Bij Bervoets werden lappen stof gestolen. In Genooi uit een Wehrmachtlager matrassen, lampen, buffetten, tafels, stoelen, et cetera.
Om 7 uur werden zware vernietigingsontploffingen op het vliegveld verwacht. Niet geschied.
Bevel om om 8 uur binnen te zijn.
Burgemeester kreeg vanmorgen bevel om op het Deutsches Haus te komen. Aldaar werd door H.J. Temmler Obergefolgschaftsführer medegedeeld, dat hij belast was met organisatie en uitvoering van standrecht.
Om de goede functionering van de brandweer en luchtbeschermingsdienst te verzekeren moeten alle auto’s van die diensten te Tegelen geconcentreerd worden. Daar de autoriteit en bevoegdheden van Temmler nogal geheimzinnig en onduidelijk zijn, worden slechts twee auto’s gestuurd. In de namiddag blijkt nu, dat deze auto’s door Temmler ter beschikking worden gesteld om Rijksduitsers en N.S.B.-ers naar de grens te brengen. Deze vordering is dus een foef geweest om aan auto’s te komen. Conclusie: auto’s moeten kost wat kost terug. Drie chauffeurs duiken met auto en benzine en al onder, terwijl andere nog worden weggebracht.
Couperus moet op het Deutsches Haus blijven, evenals de burgemeester. Deze laatste doet het echter niet. De Venlose politie wordt eveneens door Temmler ontwapend, waarna hij vertrok. Deze ontwapening is ongehoord, daar nu elke misdadiger vrij spel kan hebben.
Wie is Temmler en welke zijn zijn bevoegdheden?

zaterdag 3 september 2016

Piet van Els -- 4 september 1944

• Het dagboek van Piet van Els (1897-1958) beschrijft gebeurtenissen gedurende de laatste oorlogsjaren 1944-1945 in Wanssum, waar hij directeur van Landbouwbelang was. Het was een periode waarin Noord-Limburg te maken kreeg met evacuaties, oorlogsgeweld en deportatie van mannen naar Duitsland om tewerkgesteld te worden. Het dagboek is uitgegeven als Dorp aan de frontlinie.

Zaterdag 2 september 1944
Met een vrachtauto van G. Deenen 3000 kg. consumptierogge naar Vught gereden. Deze partij is afgeladen bij bakker Kuypers, Taalstraat 22 te Vught. Deze rogge was bestemd voor de voedselvoorziening ‘Maatschappelijk Onmachtigen’. Op de terugreis zeer druk verkeer van voertuigen der Duitse Weermacht (terugtocht uit Frankrijk en België).

Maandag 4 september 1944
De wagen van G. Deenen staat weer gereed voor het vervoer van nog 3000 kg. rogge voor bakker Pijnenburg te Vught. G. Deenen, bevreesd dat de Duitsers zijn wagen in beslag nemen, ziet van de reis naar Vught af. Door Wanssum trekken honderden Duitse auto’s, tanks enz. in de richting Wellse veer naar Duitsland. Sommige Weermachtafdelingen verblijven enige dagen te Wanssum en vorderen voertuigen, fietsen, levensmiddelen, paarden, koeien, etc.

Zondag 17 september 1944
Een ontzaglijk aantal Engelse vliegtuigen zichtbaar boven ons dorp. In de namiddag meldt de radio de landing van parachutisten te Breugel, Son, Cuyk, Arnhem, enz. In de omgeving van Eindhoven vluchten de Duitsers in de richting der grens. Het verkeer te Wanssum wordt steeds drukker. Alle terugkerende soldaten vorderen levensmiddelen, voertuigen, paarden en fietsen.
Nadat op 5 september de Duitsers, die sedert maart j.l. in de silo een radio- en ontvanginstallatie gebouwd hadden, na demontering dezer toestellen, de silo verlieten, kwam medio september een groep Duitse soldaten (Luftwaffe) weer de silo bezetten. Het kantoor werd door hen volledig in gebruik genomen.
De werkzaamheden aan de silo waren reeds sedert 5 september gestaakt. Dagelijks echter werd ik door de Duitsers van mijn huis afgehaald en moest dan mee, om artikelen als tarwe, haver, rogge, zakken, enz. af te leveren uit de silovoorraden. Meermalen echter wordt geladen zonder voorafgaande kennisgeving. Diverse voorwerpen verdwenen van kantoor en silo, zoals kantoorjassen, schrijfbenodigdheden, gereedschappen en dergelijke.
Op zekere dag deelde een Duitse soldaat mij mede, dat een Zahlmeister of Oberfeldwebel een kast had ingestampt en een kantoorjas had meegenomen. Ik zocht deze ‘Zahlmeister’ op en verzocht hem mij hiervoor een ontvangstbewijs te verstrekken. Aanvankelijk ontkende hij, naderhand gaf hij verbolgen toe, doch weigerde een Bescheinigung te geven. “Was wir für unsere Verwendung brauchen, nehmen wir!” zei hij. Deze man verbleef met zijn afdeling geruime tijd te Wanssum en was mij zeer vijandig gezind. Op zekere dag ontdekte hij, dat ik granen afleverde voor de geëvacueerden en voor onze eigen inwoners. “Sie wissen nog nicht was los ist” zei hij. “Alle voorraden zijn in beslag genomen en daar kunt u niet meer over beschikken.” Verder dreigde hij met strenge straffen enz. Hierbij bleef het echter. Ondanks deze bedreiging ben ik echter rustig voortdurend voldoende broodgraan blijven verstrekken, o.a. aan voedselbureau Bergen, Grubbenvorst en Wanssum. In dit laatste dorp verbleven ± 1000 geëvacueerden.